Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Blois, Graven van - Zoeken: coen

12 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

3.19.10
A.A.M. Schmidt Ernsthausen
Nationaal Archief, Den Haag
1982
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.19.10
Auteur: A.A.M. Schmidt Ernsthausen
Nationaal Archief, Den Haag
1982
CC0

Periode:

1304-1397

Omvang:

5,30 meter; 681 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven documenten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het Gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Graven van Blois (1304-1397) bevat o.a. persoonlijke stukken van Jan van Henegouwen en Gwijde van Blois. Voorts stukken betreffende rechten en bevoegdheden, bestuur en beheer van de heerlijkheid Blois. Verder financiële stukken van diverse ambtenaren (baljuws en schouten) in Holland, Zeeland en West -Friesland, zoals kwitanties en rekeningen.

Archiefvormers:

  • Graven van Blois

Archiefvorming

Inhoud en structuur van het archief

Verantwoording van de bewerking

Registers

Het archief van de graven van Blois bestaat thans uit drie bestanddelen: registers, oorkonden en rekeningen met bijbehorende bijlagen. Op zichzelf is deze samenstelling niet ongewoon voor een heerlijkheidsarchief uit de late middeleeuwen. In dit geval verdienen de onderscheiden bestanddelen een afzonderlijke toelichting, aangezien het archief van de graven van Blois nogal gehavend ons is overgeleverd.

Er resteren thans in dit archief slechts drie registers. Het zijn allereerst de registers BB. Blois en JJ. (

Inv.nrs. 1 en 2; door Van Riemsdijk beschreven onder de nummers 41a en 41c.

). Beide registers hebben betrekking op het beheer van de goederen van Jan van Henegouwen en Jan en Gwijde van Blois en het bestuur van hun heerlijkheden in Holland en Zeeland. Ze zijn inhoudelijk vrijwel identiek. Het register JJ. dat enkele aanvullingen en een verbeterde indeling heeft, werd gevormd uit een herrangschikking van de akten die in het register BB. Blois waren ingeschreven.

Het derde register in dit archief draagt de titel Van Joncheren Jans manscepen van Bloys, heren van Scoenhoven ende van der Goude, van den goeden luden die goet van hem houden in Zeeland, ghescreven ende gheregistreert int jaer ons Heeren M.CCC. LVI in de maent van december (

Inv.nr. 3; Van Riemsdijk, nr. 41b.

). Het betreft in eerste aanleg de registratie van leengoederen in Zeeland onder Jan van Blois. Bij wijze van uitzondering zijn hierin beleningsakten dan wel afschriften van oorkonden met betrekking tot goederen buiten Zeeland ingeschreven. Dit feit doet vermoeden dat er tevens een register voor de leengoederen in Holland is aangelegd. Van Riemsdijk zag de Hollandse pendant van dit Zeeuwse leenregister in een niet meer voorhanden register dat Pieter Jakobsz. van Gapinge in zijn inventaris van het Hollandse grafelijkheidsarchief aldus heeft beschreven: Een out leenboecksen dat gegeten is van den muisen van denghenen die hoir leen houden van der hofstat ter Goude van heere Jan van Henegouwen heere van Biemont en oic staen daer in die ter hofstat voirsz. eyghen lude sijn, dat geheten is Muysboecksen (

Van Riemsdijk, Tresorie, p. 635.

)
. Deze beschrijving doet echter eerder vermoeden dat we hier te maken hebben met een voortzetting van de leenregistratie van de voormalige heer van Gouda, met wiens goederen Jan van Henegouwen immers in augustus 1308 werd beleend (

Cf. supra noot 8; J.C. Kort, Overzicht van de leenkamers in Holland, (Rijksarchieven in Holland, inventarisreeks nr. 8, 's-Gravenhage 1976), stelt op p. 21 onder nr. 74, dat de leenkamer van Gouda is opgegaan in die van Blois, zonder daarvoor enig bewijs aan te voeren. Evenmin blijkt daar hoe het met deze leenkamer gesteld was onder Jan van Henegouwen.

)
Deze Goudse leenadministratie sluit evenwel een aanvullende of afzonderlijke registratie van de lenen in Holland en West-Friesland niet uit. Evenmin is hiermee weersproken dat er meerdere registers zijn aangelegd ten behoeve van de administratie van de graven van Blois. Maar er zijn weinig aanknopingspunten. De oude inventarissen in het archief van de graven van Holland maken op diverse plaatsen melding van oude registers die echter toen al in zo'n slechte staat verkeerden dat uit de beschrijving daarvan niet valt op te maken wat de precieze inhoud van deze registers is geweest (

Zo vermeldt Cornelis Oem (AGH, inv. 2111, fol. 102ro-vo): een cleyn bouxken in papier in cleyn formaet daer voor ende achter veel blaederen een groot deel verbrant off van ouderdom verrot zyn inhoudende den naemen van diversen leenmannen ende mit hoeren leengoederen daer van den eersten ses beschreven blaederen ... begint: Item Soyer Soyersz. den jonge is man worden van zyn huijse dat staet tot Bachem. Deze Soyer Soyersz. was waarschijnlijk leenman van de graven van Blois (cf. AGH, inv. 400, fol. 41ro).

)

De samenstelling van deze drie registers geven geen reden te veronderstellen dat de registratie van de oorkonden heeft berust op een duidelijke en vaste systematiek ter kanselarij. De aanleiding tot de opstelling ervan lag eenvoudigweg in de erfopvolging. Omstreeks juni 1348 is een aanvang gemaakt met de aanleg van het register BB. Blois. De laatste daarin ingeschreven oorkonden van Jan van Blois dateren van mei 1380; dit tijdstip valt samen met het einde van zijn bewind (

Van Riemsdijk, Tresorie, p. 633.

). De inschrijving van oorkonden van Jan van Henegouwen inzake zijn Hollandse en Zeeuwse goederen in een register lijkt een gevolg te zijn van het recht van opvolging dat hij bij oorkonde van 10 mei 1346 van keizerin Margareta voor zijn dochter Johanna verkreeg. De directe aanleiding tot de registratie daarvan zou gelegen kunnen hebben in Johanna's huwelijk met Willem van Namen in 1348. (

Cf. supra p. VI.

)

Voorts wijst een uitgavenpost in de rekening van de rentmeester-generaal Gijsbrecht Stomme over het jaar 1362-1363 op het voornemen tot de aanleg van een nieuw register. Daarin is sprake van de aankoop in Brugge in de eerste week van maart 1363 van 1 groet papierboec van groten papiere mijns heren register ende anders sine saken in te scriven (

Inv.nr. 39, fol. 60ro.

). Deze omschrijving lijkt althans in materiële zin te duiden op de aanleg van het register JJ., maar Van Riemsdijk maakte uit het handschrift op dat de inschrijving van oorkonden daarin omstreeks 1380 moet zijn begonnen (

Van Riemsdijk, Tresorie, pp. 635-636.

)
. Dit tijdstip valt samen met de aanvang van het bewind van Gwijde van Blois. De aanleg en verbeterde indeling van het register JJ. maken aannemelijk dat er toen behoefte bestond aan een handzamer overzicht van de oorkonden. Het is echter onwaarschijnlijk dat het register JJ. het door Gijsbrecht Stomme aangekochte papierboec is geweest, want dan zou dit achttien jaar lang ongebruikt gebleven zijn. Er is derhalve reden dit onbekende register te plaatsen naast het register Van Jonchere Jans manscepen van Bloys, met de aanleg waarvan in december 1356 werd begonnen. Deze registratie staat duidelijk in verband met de komst en inhuldiging van Jan van Blois. Zoals gezegd heeft dit register bijna uitsluitend betrekking op zijn Zeeuwse goederen. Daarom valt aan te nemen dat er naast het Zeeuwse leenregister meer registers zijn aangelegd voor de registratie van de Bloise goederen in Holland en West-Friesland, welke registers verloren zijn gegaan.

Voorts dient te worden opgemerkt dat in dit archief niet het register is opgenomen dat door Van Riemsdijk is beschreven als "nog een register van de graven van Blois" (

Van Riemsdijk, Tresorie, p. 636, nr. 41d.

). Het is een katern met afschriften van getuigenverklaringen inzake de omstreeks 1370 begonnen geschillen over de grens tussen Holland en Zeeland enerzijds en Brabant anderzijds. Bij de beslechting van deze geschillen waren Gwijde van Blois en de heer van Bergen op Zoom betrokken. Maar het was toch voornamelijk een conflict tussen de graaf van Holland en de hertog van Brabant, zodat dit katern is gebracht bij de overige stukken met betrekking tot de Paelscheydinghe in het archief van de graven van Holland (

Zie AGH, inv.nrs. 587-596.

)

Oorkonden

Het onderhavige archief telt thans nog maar negentien charters. Hierbij zijn niet de kwitanties of betalingsbewijzen die als bijlagen bij de rekeningen zijn bewaard, meegerekend. De smalle omvang van dit chartersbestand moet voornamelijk aan twee factoren worden toegeschreven: het contemporaine archiefbeheer en de lotgevallen die het Hollandse grafelijkheidsarchief heeft ondergaan. Wat betreft de eerste factor mag het nauwelijks verwondering wekken dat de verspreide ligging van de goederen van Jan van Henegouwen en de graven van Blois niet tot de vorming van één centraal archief heeft geleid. Jan van Henegouwen en Jan en Gwijde van Blois resideerden niet alleen regelmatig op hun goederen in respectievelijk Henegouwen en Frankrijk, uit tal van rekeningen blijkt dat de eerste en de laatste de voorkeur gaven aan het verblijf op hun kasteel in Beaumont. Bijgevolg kwamen toch de meeste bescheiden hier te berusten. Wanneer zij een stuk dat elders berustte, nodig hadden dan lieten zij dat overbrengen. Zo reed . Albert van Meerten, die in Schoonhoven de leiding had over Blois' kanselarij, op 23 april 1368 naar Beaumont om brieve te halen uter trezorien (

Inv.nr. 44, fol. 62ro.

). Even later zond Albert van Meerten een bode naar Valenciennes met de opdracht den slotel van den camer te Byaumont daer men de brieve plach te sluten op te halen en naar Beaumont te brengen (

Inv.nr. 44, fol. 63vo.

)
.

De berging van archiefstukken in Beaumont voert ons vanzelf tot een ander punt met betrekking tot de verantwoording van de inventarisatie van dit archief. Het zou zonder twijfel de moeite lonen in de desbetreffende archiefbewaarplaatsen in België en Frankrijk na te trekken wat er aan archiefbescheiden van Jan van Henegouwen en de graven van Blois resteert, al was het alleen om het verband te onderscheiden tussen de archivalia met betrekking tot het bestuur en beheer van hun goederen in de betrokken gebiedsdelen. Afgezien van de tijdrovende inspanning die een dergelijk onderzoek zou vergen, zou daarmee toch het doel van de inventarisatie van dit archief zijn voorbijgestreefd. Het kon immers in dit kader niet ons oogmerk zijn een volledige historische en archivistische reconstructie te geven van de handel en wandel van Jan van Henegouwen en zijn erfopvolgers Jan en Gwijde van Blois. Bovendien heeft de praktijk geleerd dat dergelijke nasporingen in België en Frankrijk alleen kunnen dienen tot een theoretische reconstructie van de eertijds gevormde archieven en niet leiden tot praktische gevolgen in de vorm van overdracht en hereniging van de betrokken archiefbescheiden die in de Nederlandse Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven wordt aanbevolen (

Cf. Kort, Het archief van de graven van Holland, I, pp. 169-171.

). De lezer en gebruiker van deze inventaris zij er nadrukkelijk op geattendeerd, dat wij op deze punten bewust een lacune hebben gelaten bij de beschrijving en ordening van het onderhavige archief.

Als tweede factor die heeft geleid tot het geringe restant aan charters, noemden wij de lotgevallen van het grafelijkheidsarchief. Het betreft hier niet alleen het onzorgvuldig beheer en de materiële schade die het archief van de graven van Holland onderging door de berging in de toren in Gouda (

J. Smit, Een bijdrage tot de geschiedenis van het Hollandsche archiefdépôt te Gouda, in: Ned. Archievenblad, 33 (1925-1926), pp. 141-160; idem, Bijdrage tot de geschiedenis van de in 1572 uitgeweken regeringscolleges en de restitutie van hun archieven, in: Ned. Archievenblad, 35 (1927-1928), pp. 31-48.

). Door de invoeging van de Bloise goederen in de grafelijke administratie verloren de archiefstukken die afkomstig waren van Jan van Henegouwen en Jan en Gwijde van Blois hun actualiteitswaarde. De afnemende behoefte aan deze stukken deed ze teloorgaan. Dit blijkt duidelijk uit de vijftiende- en zestiende-eeuwse inventarissen van het archief van de graven van Holland. Het register dat Pieter van Gapinge omstreeks 1425 opmaakte van de aanwezige rekeningen en papieren in het grafelijkheidsarchief geeft met betrekking tot de charters van Blois een summiere opsomming van enkele dozen (

AGH, inv. 2136, fol. 43vo, in lade 43, doos 6, en fol. 44ro-vo, dozen 9, 12 en 13.

)
. Evenzo is de staat van charters van Holland en Zeeland van ca. 1440 beknopt. Hierin worden twee dozen opgevoerd, waarin de charters van Blois en Voorne en tevens die van de voormalige heren van Arkel waren opgeborgen (

AGH, inv. 2117, fol. 50ro-70ro.

)
. Uit de summiere beschrijving van deze charters blijkt dat het voor het merendeel beleningsakten van Jan van Henegouwen en de graven van Blois waren.

De opvolgende staat is die van Pieter van Renesse van Beoostenzwene uit 1441. Van de voorhanden oude inventarissen in het grafelijkheidsarchief is deze met betrekking tot Blois wel de meest uitvoerige en gedetailleerde. Onder de rubriek Bloys worden hierin 139 stukken beschreven, bestaande uit 99 oorkonden en 38 kwitanties (

AGH, inv. 2118, fol. 163ro-172vo.

). Het is een nauwkeurige beschrijving van de bescheiden die zich waarschijnlijk in de hiervoor beschreven twee dozen hebben bevonden, want in de titel van de rubriek is het woord Voorne doorgehaald. Uit het navolgende opschrift bij deze rubriek blijkt dat het om het gehele, nog aanwezige charterbestand van Blois handelt: In deze lade sal men vinden brieven roerende den heren van Bloys ende horen goeden, die sij in den landen van Henegouwen, Hollant, Zeelant ende Vrieslant hadden, mit dat dair an cleeft ende sijn geteykent als hier na onder elc gevirguliert staet. Men zou hieruit kunnen afleiden dat ook de stukken inzake het Henegouwse goederenbeheer zich hierbij bevonden hebben, maar dit wordt door de beschrijving van de voorhanden bescheiden niet bevestigd. Behalve de brief die Gwijde van Blois in Engelse gevangenschap aan zijn broer Jan schreef over de verkoop van het graafschap Soissons (

AGH, inv. 2118, fol. 172 vo, nr. CXXXVII; cf. supra noot 68.

)
, betreffende alle in de inventaris van Pieter van Renesse genoemde stukken, de aankomsttitels en het beheer van de goederen van Jan van Henegouwen en Jan en Gwijde van Blois in Holland, Zeeland en West-Friesland, zodat wij in deze inventarisatie de beschrijving moeten zien van hetgeen er in 1441 nog resteerde van het archief van de graven van Blois.

Het zijn niet de enige stukken die Pieter van Renesse met betrekking tot de Bloise goederen opsomt. Elders in zijn inventaris worden er in de rubriek Vidimis et alia een aantal vidimussen opgevoerd die voor de Hollandse grafelijkheid zijn opgemaakt van oorkonden van Jan van Henegouwen en zijn opvolgers. Deze stukken hebben niet tot het archief van de graven van Blois behoord en ze zijn derhalve voor ons van geen belang. Dit neemt overigens niet weg, dat er uit deze vidimering interessante aspecten naar voren komen. Zo blijken er door de proost van Koudenberg in Brussel op 23 april 1356 vidimussen gemaakt te zijn van een achttal beleningsoorkonden van Jan van Henegouwen, waarmee graaf Willem III uitvoering had gegeven aan de bepalingen van het testament van zijn vader (

AGH, inv. 2118, fol. 26vo, nrs. 41-43 en fol. 30vo, nrs. 72-76.

). Het lijdt geen twijfel of Jan van Blois heeft deze afschriften laten maken om zijn rechten te adstrueren, toen graaf Willem V de belening van hem met de erfgoederen van zijn grootvader in Holland en Zeeland uitstelde (

Cf. supra p. VIII-IX.

)
. Immers deze beleningsoorkonden waren zelfs in nog in originali voorhanden op het moment dat Pieter van Renesse zijn inventaris van het grafelijkheidsarchief opmaakte (

AGH, inv. 2118, fol. l66ro-l68vo.

)
. Derhalve kan de vidimering door de proost van Koudenberg in 1356 niet gediend hebben om inmiddels verloren originelen te vervangen.

De opvolgende staat in het archief van de graven van Holland geeft slechts weinig informatie over de stukken van Blois, waardoor moet worden aangenomen dat het bestand geleidelijk geslonken is (

AGH, inv. 2119, fol. 6vo-8vo.

). Tenslotte vermeldt mr. Cornelis Suys in zijn inventaris van het grafelijkheidsarchief van 1552 onder het hoofd Bloys nog slechts enkele stukken (

AGH. inv. 2102, fol. 95vo-96ro.

)
. De lijsten van Pieter van Renesse en Cornelis Suys zijn bij de inventarisatie gebruikt om te bepalen welke stukken destijds tot het archief van de graven van Blois hebben behoord (

Concordantie I

)
. Zo kon de akte van kwijting van 12 augustus 1382 die zich bevond in de Handschriftenverzameling van de Derde Afdeling, worden teruggebracht tot dit archief (

Inv.nr. 5.

)
. Onder de in 1817 overgedragen charters uit het Staatsarchief te Bergen in Henegouwen bevond zich een ander charter uit het archief van Blois (

Inv.nr. 11.

)
. Ook troffen wij charters aan die los in de rekeningen in het onderhavige archief lagen; ze zijn ter bestemder plaats in deze inventaris ondergebracht (

Inv.nrs. 12, 13, 14, 16, 26 en 27.

)
. Al met al vormen thans de charters in het archief van de graven van Blois het schamele restant van een bestand dat uit tientallen oorkonden bestaan moet hebben op het moment dat hertog Albrecht dit archief liet deponeren bij het grafelijkheidsarchief.

Rekeningen

De rekeningen vormen thans verreweg het grootste bestanddeel van het archief van Blois. Ze dateren vanaf het moment dat Jan van Blois in 1356 zijn grootvader opvolgde, op twee uitzonderingen na. Uit de tijd van Jan van Henegouwen resteren alleen nog de rekening van Willem ver Baertenz., baljuw-rentmeester van Beverwijk en Noordwijk, over de periode 1317-1323 en die van Aloud Jansz., rentmeester van Zeeland over het jaar juni 1343-juni 1344 (

.. Inv.nrs. 248 en 622; daarnaast resteren er enkele fragmenten, onder meer met betrekking tot Zeeland (cf. C. Dumont, Fragments d'un compte de Jean de Hainaut, seigneur de Beaumont (1355-1356). in: Buil. Comm. Ro. Rist. Belgique, 142 (1976), pp. 43-68.

). Tegenover het verlies van de rekeningen van vóór 1356 staat gelukkig het behoud van vele rekeningen uit de tijd van Jan en Gwijde van Blois, waarbij we zelfs van series kunnen spreken.

De Bloise rekeningen geven een weerspiegeling van de bestuurlijke organisatie met betrekking tot het goederenbeheer. Al is niet in alle opzichten duidelijk hoe de hiërarchische verhoudingen lagen, komt toch evident uit deze rekeningen een ambtelijke structuur naar voren. De onduidelijkheid schuilt vooral in de functie van de tresorier. In deze hoedanigheid wordt in 1363-1364 Hugo van Barbençon genoemd (

Inv.nr. 40, fol. 1.

); voorts was Godschalk van Brakel in 1377 mijn liefs heren tresorier (

Inv.nr. 150, fol. 1.

)
. In vergelijking met het door hertog Albrecht in 1363 ingestelde tresorierschap aan het grafelijk hof vertoont de gelijknamige functie in de bestuurlijke constellatie onder Jan en Gwijde van Blois aanmerkelijke verschillen. Hun tresorier droeg niet de eindverantwoordelijkheid voor het beheer van de rekenplichtige ambtenaren. Daarnaast is er slechts een incidentele aanwijzing dat de tresorier van Blois zelf rekeningen opmaakte (

Inv.nr. 31, fol. 9vo: Item van Godscalc van Brakel als trezorier: IIM XCIIII lb. XVI sc. VI d. Deze post staat te midden van die van de ontvangsten van andere ambtenaren.

)
, maar er zijn geen tresoriersrekeningen overgeleverd. Bovendien blijkt uit de Bloise stukken niet of er permanent een tresorier in functie is geweest. Anderzijds moet worden aangenomen dat de functie van tresorier niet zonder gewicht was. Uit de rekeningen van 1363-1364 blijkt niet alleen dat tal van zaken geschieden op last van Hugo van Barbançon, maar ook dat hij in het kasteel in Schoonhoven over een eigen kamer beschikte (

Inv.nr. 37, fol. 45vo en fol. 61ro.

)
. Dit wettigt het vermoeden dat de functie van deze tresorier overeen kwam met die van de kamerling (camerarius, dat wil zeggen een ambtenaar die persoonlijk belast was met het toezicht op de schatkist van de heer in zijn (slaap-)kamer en derhalve op zijn particuliere inkomsten en uitgaven. Nader onderzoek zal echter meer helderheid moeten verschaffen over het functioneren van de tresorier van Jan en Gwijde van Blois.

Het toezicht op het beheer van zijn rekenplichtige ambtenaren droeg Jan van Blois in 1358 op aan zijn kapelaan Gijsbert Stomme als rentmeester-generaal (

Inv.nr. 34.

). Gijsbert Stomme heeft evenwel de titel van rentmeester-generaal niet gevoerd. Evenmin hebben zijn opvolgers dat gedaan, maar over de inhoud van hun functie kan geen misverstand bestaan. Zo ving Godschalk van Brakel, toen hij in 1394 in deze functie was aangesteld, zijn rekening aan met de woorden: zeder die tijt dat mijn lieve here vorscr. Goedscalc bevael ontfangher te wesen van allen sinen goeden in duuts lant (

Inv.nr. 120, fol. 1ro.

)
. Uit deze bewoording blijkt duidelijk dat hij de eindverantwoordelijkheid droeg voor het beheer van de Bloise goederen.

De taak en de verantwoordelijkheid van Gijsbert Stomme en zijn opvolgers als rentmeester-generaal blijken tevens uit hun rekeningen. Zij ontvingen de eindafrekening van de ambtenaren van de vier bestuurseenheden waarin de Bloise goederen waren ingedeeld, te weten: het rentmeesterschap van Schoonhoven en Gouda, het baljuw-rentmeesterschap van Beverwijk en Noordwijk, het baljuw-rentmeesterschap van Texel en het rentmeesterschap van Zeeland. Aanvankelijk waren andere ambtenaren als baljuwen en schouten in deze bestuursconglomeraties ondergeschikt aan de voornoemde vier ambtenaren, maar geleidelijk zijn deze toch afzonderlijke rekeningen gaan opmaken. Dit deden ook de duinwaarder van Noordwijk en de gaarder van de markttollen te Haarlem respectievelijk sedert 1372 en 1374 (

Inv.nrs. 440-452 en 523-534.

).

Een andere afsplitsing betrof de kosten van de herberg van de graven van Blois, dat wil zeggen de uitgaven die zij deden voor hun hofhouding, hun reizen en het verblijf op hun kastelen. Aanvankelijk had Jan van Blois in 1358 zijn kapelaan Gijsbert Stomme tevens als klerk van de kost, de herberg en de foreinen aangesteld (

Dit blijkt uit zijn rekening over 1358, inv.nr. 34, fol. 13ro-24vo: Dit syn Jonchere Jans daghelixe coste van Bloys, fol. 25ro-29vo: van Provanchen, en fol. 30ro: Coste foreyne.

). Daarna zijn op bijzondere momenten, zoals het vertrek van Jan en Gwijde van Blois naar Blois in december 1360 en de reis van Jan van Blois in december 1362 naar Pruisen, afzonderlijke klerken van de kost aangesteld (

Inv.nrs. 663 en 664.

)
. Vervolgens droegen Jan van Blois en zijn raadsleden, te Tholen bijeen, op 20 oktober 1366 aan Jan Bryen op de rekening van de kost te maken (

Inv.nr. 665, fol. 1ro: ook vermeld in inv.nr. 42, fol. 8ro; zie voorts inv.nr. 43, fol. 6vo en 7vo.

)
. De bedoeling van Jan van Blois was kennelijk om hiermee de kosten van sine herberghe te minren, maar deze doelstelling werd toch op den duur niet gerealiseerd. De rekeningen van de kosten zijn niet regelmatig bijgehouden. De uitgaven voor de herberg van Jan en Gwijde van Blois werden wederom in de rekeningen van de rentmeester-generaal verantwoord. Dit gebeurde ook wanneer er geen afzonderlijke rekeningen van de kost werden opgemaakt.

Al in 1356 werd begonnen met de aanleg van een register van arreeste van den rekeninghen der goeden ende renten van Jan van Blois (

Inv.nr. 28.

). In dit register zijn de eindposten opgenomen van de rubrieken in de rekeningen van de ambtenaren van de voornoemde vier bestuurseenheden alsmede de recessen van deze rekeningen, afgehoord door Blois en zijn raadsleden. Bij deze auditie werd, evenals bij de rekeningen van de ambtenaren van de graven van Holland, het saldo vastgesteld van het geheel aan inkomsten en uitgaven van de betrokken ambtenaren in hun ressort (het arrest). Dit register van arresten vormt als het ware een grootboek van het beheer van de Bloise goederen; het geeft een handzaam overzicht van de inkomsten en uitgaven, van uitstaande schulden, achterstallen en dergelijke. Deze vorm van administratie is echter niet regelmatig bijgehouden. Er is een hiaat in de registratie tussen 1374 en 1381. Tussen 1381 en 1393 zijn meerdere uittreksels uit de rekeningen in deze registers opgenomen en van de jaren na 1393 zijn geen registers van arresten bewaard gebleven (

Inv.nrs. 30-33.

)
. De registers van arresten zijn in deze inventaris bij de rekeningen voorop geplaatst, omdat zij het algemene financiële beheer betreffen.

De rekeningen hebben een andere weg gevolgd dan de charters uit het archief van de graven van Blois. Ze werden ondergebracht bij het archief van de Grafelijkheidsrekenkamer of Rekenkamer der domeinen die in 1446-1447 werd ingericht (

T.S. Jansma, Raad en rekenkamer in Holland en Zeeland tijdens hertog Philips van Bourgondië (Bijdr. v.h. Inst. voor Middeleeuwsche Gesch. der Rijksuniv. te Utrecht nr. 18, Utrecht 1932), pp. 169 e.v. en 184-191.

). De Bloise rekeningen zijn tot dit archief blijven behoren. Ze komen voor op de lijst die mr. H. van Wijn, als archivaris van de Bataafse Republiek, in 1803-1804 van de domeinrekeningen opmaakte (

Inventaris der Archieven van Holland gevonden op de oude Domein en Rekenkamer in den Haage of wel Inventaris der Grafelijke Rekeningen Van Holland, gemaakt door mr. H. van Wijn in 1803 en 1804.

)
. Vermoedelijk hebben de rekeningen van Blois behoort tot het archiefbestand dat Van Wijn vervolgens in 1806 heeft overgenomen. Vermoedelijk zijn de rekeningen van Blois daarbij geplaatst achter de grote series rekeningen van de Hollandse grafelijkheid, in een collectie die de titel Diverse Rekeningen van Holland kreeg. Op deze plaats treffen wij althans de Bloise rekeningen aan in een handgeschreven inventaris van 1875 (

Inventaris van Rekeningen, Cohieren etc. betreffende de Financiën der voormalige Provincie Holland en West-Friesland, met de aantekening: Diverse Rekeningen Holland: I. Rekeningen van de heeren van Blois, en aldaar onder VII: Rekeningen van Baljuwschappen en Schoutambachten.

)
. In 1946 werden de rekeningen uit het archief van de graven van Blois door P.A. Meilink en J.L. van der Gouw opgenomen in hun inventaris van het archief van de Grafelijkheidsrekenkamer of Rekenkamer der Domeinen van Holland (

Manuscript-inventaris, Derde Afdeling van het ARA; de daarin beschreven rekeningen van de Hollandse grafelijkheid, daterend van vóór de oprichting van de Rekenkamer, zijn inmiddels overgebracht naar het archief van de graven van Holland.

)
. Men vindt ze daarin beschreven in een volgorde die in hoofdzaak overeenstemt met de wijze waarop zij in de meeste registers van arresten waren opgenomen, dat wil zeggen gerangschikt naar de rentmeester- en baljuwschappen en schoutambachten en voorafgegaan door de serie rekeningen van de rentmeester-generaal.

Zoals gezegd werden er in de rekeningen veel losse stukken aangetroffen. Bovendien waren bundels kwitanties geliasseerd achter in de rekeningen opgenomen. Deze kwitanties zijn in deze inventaris afzonderlijk beschreven, maar steeds is door een verwijzing naar de rekeningen waaruit ze afkomstig zijn, het oorspronkelijk verband aangegeven. Niet alle kwitanties zijn bewaard gebleven. Pieter van Renesse beschrijft in zijn inventaris van kwitanties uit de jaren 1386-1388 die thans niet meer voorhanden zijn (

AGH, inv. 2118, fol. l66ro-l68ro.

). Daarnaast bevatte de inventaris van de Grafelijkheidsrekenkamer van 1946 onder nr. 5809 nog een aantal rekeningen die voor het merendeel onleesbaar waren, omdat ze in zeer slechte staat verkeerden. Na identificatie konden deze rekeningen in deze inventaris worden opgenomen onder de nummers 35, 36, 106, 107, 674 en 676. Inmiddels hebben wij van deze rekeningen transcripties gemaakt die ter vervanging van de originelen geraadpleegd dienen te worden. Achter in deze inventaris is een concordans opgenomen van de oude en nieuwe inventarisnummers.

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Verversen Geef de karakters in die u in de afbeelding ziet. Neem de tekens uit het bovenstaande figuur over. Wanneer de tekens niet duidelijk zijn, kunt u het formulier verzenden om een nieuw figuur weer te geven. De tekens zijn niet hoofdlettergevoelig.  Schakel over naar audio verificatie.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in