gahetNA in het Nationaal Archief

Nederburgh - Zoeken: batavia

167 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

1.10.59
M.E. van Opstall, R. de Vries
Nationaal Archief, Den Haag
1987
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.10.59
Auteur: M.E. van Opstall, R. de Vries
Nationaal Archief, Den Haag
1987
CC0

Periode:

1431-1965

Omvang:

14,05 meter; 1679 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De collectie Nederburgh bestaat uit twee gedeeltes: het ambtelijk archief van S.C. Nederburgh (1762-1811) en het archief van de familie Nederburgh.
Sebastiaan Cornelis Nederburgh oefende aan het eind van de 18e eeuw het hoogste gezag uit in de Kaapkolonie van1792 tot 1793 en Batavia van 1793 tot 1799. Ook na terugkeer in Nederland vervulde hij nog een aantal belangrijke bestuurlijke functies. Het archief van Nederburgh zelf bevat vooral ambtelijke stukken over de V.O.C., zoals correspondentie met de Heren XVII, de handel en het plaatselijk bestuur in Azië.
Het familiearchief Nederburgh gaat terug tot in de 17e eeuw met stukken van Harmen Bastiaensz (1670-1738), schout van 's-Heeraertsbergen en Bergambacht. Het betreft hier overwegend correspondentie over familiezaken als opleiding en nalatenschap, maar bijvoorbeeld ook diverse (reis)journalen. Er zijn eveneens stukken van aanverwante geslachten, zoals La Mori, Scheltus en De Fremery. Tevens is er documentatie in de vorm van publicaties e.d..

Archiefvormers:

  • Batavia, Commissaris-Generaal
  • Kaap, Commissaris-Generaal
  • Verenigde Oostindische Compagnie, Advocaat
  • Verenigde Oostindische Compagnie, Kamer Amsterdam, Advocaat
  • Diest, Van
  • Fremery, De
  • Gevers
  • Mori, La
  • Nederburgh
  • Scheltus
  • Schull
  • Spiegel, Van de
  • Spruyt
  • Nederburgh, Sebastiaan Cornelis, 1762-1811

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • H.A. Nederburgh (zie inleiding) was resident van Tegal van 1801-1806.

  • J.J. Nederburgh (zie inleiding) was secretaris van de weeskamer te Batavia

  • Herman Nederburgh sr. (zie inleiding) was pensionaris van Rotterdam van 1769-1788

  • De papieren in deze inventaris beschreven, zijn afkomstig van de familie Nederburgh en aanverwante geslachten. De oudste stukken zijn afkomstig van Harmen Bastiaensz (1670-1738), schout van -Heeraertsbergen en Bergambacht. Zijn zoon Bastiaen (1698-1790) is notaris te 's-Gravenhage en treedt in het huwelijk met Maria Scheltus, die tot een goede Haagse familie behoort. Zijn tweede vrouw Johanna Jacob Schuill is afkomstig uit Dordrecht, terwijl de geboorteplaats en -jaar van zijn derde echtgenote Cornelia Sophia Smits niet bekend zijn.

    Herman (1726-1802) het enige kind van Bastiaen en geboren uit diens tweede huwelijk, begint na zijn rechtenstudie te Utrecht (

    Album Studiosorum Academiae Rheno-Traiectinae, Utrecht 1886, p. 147.

    ) zijn carrière als advocaat en wordt vervolgens pensionaris van Rotterdam (1769). Aan deze ambtsvervulling komt een einde door de woelingen van 1788, wanneer hij onder druk, maar op gunstige voorwaarden, ontslag neemt.

    Zijn huwelijk met Dina Adriana Spruyt (1739-1788) is zeer vruchtbaar; zestien kinderen zien het levenslicht, maar de drie jongsten sterven zeer kort na elkaar in 1779. In 1780 wordt het laatste kind geboren. Van deze kinderen huwen er slechts twee en zetten door hun kinderen de familie voort.

    Na zijn onvrijwillige pensionering heeft Herman alle tijd zich bezig te houden met de carrières van zijn kinderen, speciaal Sebastiaan Cornelis, geboren 1762. Uit de stukken blijkt hoezeer hem dit ter harte gaat en dat hij succes heeft in zijn streven.

    Sebastiaan Cornelis (1762-1811) vervult na zijn rechtenstudie in Leiden korte tijd functies bij verschillende gerechtshoven, maar doet de stap naar een breder en lucratiever werkterrein in 1787 als hij tweede, weldra eerste advocaat wordt van de VOC. De toekomst van de Compagnie biedt dan al een weinig rooskleurig beeld en van overheidswege wordt naar middelen van redres gezocht. Instelling van een Hollands-Zeeuwse Staatscommissie (1790) moet voeren naar een oplossing van de problemen. Een van de middelen om inzicht in de situatie overzee te krijgen denkt men te vinden in de uitzending van commissarissen-generaal naar de Kaap en Indië. Na vergaande onderhandelingen over tractement, verzekeringen etc. neemt Sebastiaan Cornelis de benoeming aan (1791).

    Tot 1799 blijft hij, niet altijd tot zijn vreugde, in functie. Zijn echtgenote, Elisabeth Geertruy Scheltus (1767-1822), dochter van Isaacus en Elisabeth de Rasière, blijft met de kinderen in Nederland achter en vestigt zich gedurende zijn afwezigheid in Arnhem op het huis Sonsbeek.

    Na zijn ontslag als commissaris-generaal (1799) en terugkeer naar Nederland (

    De Commissie-Generaal werd ontbonden op 9 oktober 1799. A.R.A., Archief van de. Raad der Aziatische Bezittingen nrs. 228, 229.

    ) , met een gedwongen verblijf van enkele maanden in Engeland, wordt hij door het Staatsbewind gevraagd lid te worden van de Chartercornmissie, die een nieuw statuut voor de koloniën moet opstellen. Ook schrijft hij naast adviezen in O.I. aangelegenheden zijn verweer tegen beschuldigingen door vijanden tegen hem ingebracht. Bij een verandering in samenstelling van de Aziatische Raad in 1804 wordt Nederburgh opgenomen als lid met als speciaal departement de Kaap.

    Ten tijde van het Koninkrijk Holland (1806) wordt een departement van Koloniën ingesteld. Nederburgh wordt op dit departement tot chef van de eerste divisie aangesteld, die belast is met de Oost-Indische zaken. Lang heeft hij deze functie niet vervuld, want in 1807 volgt zijn benoeming tot president, later vice-president van de "commissie tot liquidatie en betaling van de achterstallen over 1807 en vroegere jaren". Tegelijkertijd is hij ook staatsraad. De laatste functie die hij tot de inlijving van het Koninkrijk Frankrijk waarneemt, is die van Directeur van de Publieke Schatkist (1809-1810).

    Johannes Jacobus Nederburgh (1767-1801) vergezelt Sebastiaan Cornelis als geheimschrijver naar Indië. In 1798 legt hij de functie neer en wordt secretaris van de Weesmeesteren in Batavia. Hij was ongehuwd.

    Een derde broer, die een belangrijk aandeel in de collectie heeft geleverd is Herman Adriaan (1771-1849). Hij vertrekt in 1790 met de "Gouverneur Falck" als onderkoopman naar Indië. Van 1791-1792 is hij werkzaam als tweede en eerste administrateur van het provisiemagazijn te Batavia; in 1793 wordt hij 1e administrateur van de pakhuizen bezijden de Waterpoort en "geniet een middel van bestaan uit de overwichten der coffij" (

    A.R.A., Archief van de Raad der Aziatische Bezittingen inv. nr. 112, folio 1544 vo.

    ) . Hij fungeert als schepen van de stad van 1795-1798.

    Tijdens de “5-December Beweging" tekent hij een rekest gericht aan de Gouverneur-Generaal. In het commentaar op deze ondertekenaars wordt bij hem vermeld "broeder van de Commissaris-Generaal, anders een zeer goede jongen" (

    A.R.A., Archief van het Comité der Oost-Indische Handel en Bezittingen inv. nr. 237 i.

    ) . In 1801 verwisselt Herman Adriaan Batavia voor Tegal waar hij tot 1806 resident is en tevens lid van de Politieke Raad van Semarang.

    In 1807 keert hij terug naar Nederland, en verneemt dat het geld van gerepatrieerde particulieren ten behoeve van de staat is opgeëist, terwijl kinderen niet aan geld kunnen komen uit de Weeskamer (

    Rekest van Herman Adriaan Nederburgh aan koning Willem I. A.R.A., Archief van de Staatsiecretarie inv. nr. 882, 1819 oktober 10, no. 68. (Verder aangeduid als A.R.A., St. Secr.).

    ) . Om deze financiële redenen verhuist hij in 1810 naar Zutphen. Na 1813 heeft hij gesolliciteerd als ontvanger van indirecte belastingen en als vrederechter in het kanton Zutphen. In 1817 en 1818 is hij lid van de Rechtbank, maar zonder betaling. Op zijn rekest om als rechter, in eerste aanleg, te worden benoemd wordt na een advies van de minister van Justitie, Van Maanen, gunstig beschikt (

    Ibidem

    )
    . Hem wordt dispensatie verleend van de eis dat men gegradueerd moet zijn (

    " ... daar ik denselve personeel kenne en acht en in dezelven in aanmerking van zijnen vorigen loopbaan genoegzame regtskennis durve veronderstellen om een Regtbank van Eersten aanleg met nut werkzaam te zijn ... ". A.R.A., St. Secr. inv. nr. 882, 1819 oktober 10, no. 68.

    )
    . Bij reorganisatie van de rechterlijke organisatie vraagt hij aangesteld te worden tot rechter in de Arrondissementsrechtbank te Zutphen (

    A.R.A., St. Secr. inv. nr. 4357,1837 april 16, no. 71.

    )
    . In 1837 bereikt Nederburgh de pensioengerechtigde leeftijd; op 20 juli krijgt hij ontslag, maar hij komt niet in aanmerking voor pensioen omdat hij slechts 33 dienstjaren heeft en niet heeft bijgedragen in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (

    A.R.A., St. Secr. inv. nr. 5781, folio 268.

    )
    . Deze vraag wordt voorgelegd aan de Staatsraad in buitengewone dienst J.C. Baud, die de Indische jaren wel wil laten meetellen, maar niet dubbel (

    A.R.A., Archief van Justitie inv. nr. 985, 1837 september 18, no. 73. (Verder aangeduid als A.R.A., Justitie).

    )
    . Toch concludeert de minister van Justitie dat Nederburgh niet in aanmerking komt voor pensioen.

    Hierop dient Nederburgh een rekest in bij de koning, waarop deze afwijzend beschikt (

    Brief van Van Maanen, d.d. 9 december 1837. A.R.A., Justitie inv. nr. 991, 1837 december 9, no. 40.

    ) , maar Justitie mag wel een of andere regeling met Nederburgh treffen (

    Naast het rekest werden twee tegenstelde adviezen aangetroffen: Van Maanen (Justitie) positief en Belaerts van Blokland (Financiën) negatief. A.R.A., St. Secr. inv. nr. 4357, 1838 april 16, no. 71.

    )
    . Hierop laat Van Maanen ondershands een onderzoek instellen naar de financiële positie van Nederburgh door de procureur van het Hooggerechtshof (

    A.R.A., Justitie inv. nr. 1001, 1838 mei 10, no. 50.

    )
    . Het blijkt dat het voor Nederburgh meer een gevoelskwestie is dan een noodzaak het pensioen te krijgen, hij voelt het als een ondankbaarheid van de overheid voor alle verleende diensten en het gedane werk. Alles zou in orde zijn als "een ander bewijs van 's Konings welwillendheid en tevredenheid aan den Heer Nederburgh mogt kunnen gegeven worden" (

    Brief van de procureur-generaal d.d. 29 mei 1838. A.R.A., Justitie inv. nr. 1002, 1838 mei 29, no. 105.

    )
    .

    Herman Adriaan is driemaal gehuwd geweest. Zijn eerste vrouw Hermina Arnolda Bruyn (1770-1793) is na een half jaar gestorven, zijn tweede vrouw Gesina Cornelia Schultz (1771-1801) is een weduwe en brengt een kind, Polly, mee. Uit dit huwelijk worden drie meisjes geboren, van wie slechts Hermina Cornelia Elisabeth in leven blijft. Met haar keert hij naar Nederland terug, waar hij in 1809 te IJsselstein in het huwelijk treedt met Sara Hendrika van de Spiegel (1784-1864), dochter van de voormalige Raadpensionaris.

    De eerstvolgende Nederburgh die een grote bijdrage in de collectie heeft geleverd is Sebastiaan Cornelis Herman (1838-1903), een nazaat van Sebastiaan Cornelis. Hij studeerde rechten te Leiden en vertrekt in 1851 naar Ned.-Indië, waar hij in 1852 aangesteld wordt op de Algemene Secretarie. In 1862 verwisselt hij deze functie voor die van inspecteur van Financiën. In 1867 wordt hij benoemd tot resident te Cheribon. Op deze plaats schrijft hij verschillende adviezen voor het bestuur te Batavia. Na zijn terugkeer van een driejarig verlof in 1878 wordt Nederburgh benoemd tot resident te Jogjakarte, maar dit ambt heeft hij nooit vervuld. Naast zijn ambtelijke functie was Nederburgh sedert 1878 president van het bestuur over de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië terwijl hij het volgende jaar benoemd werd tot voorzitter van de Commissie tot het afnemen van het Groot-ambtenaarsexamen. In 1880 ontvangt hij de Orde van de Nederlandse Leeuw.

    Na zijn ontslag met ingang van 4 mei 1884 vertrekt hij met zijn gezin naar Nederland.

    Tot zijn dood in 1903 is Nederburgh betrokken bij vele maatschappelijke, culturele en politieke activiteiten.

    Zo was hij curator van de Indische Instelling te Delft, een instituut ter opleiding van Indische ambtenaren, en was hij betrokken bij een adresbeweging tegen de aanleg van het Laakkanaal. Gedurende zijn leven heeft Nederburgh regelmatig artikelen gepubliceerd over actuele Indische problemen!

    Nederburgh is tweemaal gehuwd geweest, nl. met Geertruida Alexandra Sara Elisabeth Theben Terville (1830-1864), uit welk huwelijk vier kinderen geboren zijn. Uit zijn tweede huwelijk met Maria Johanna van Gennep (1837-1912) is een dochter geboren.

    Cornelis Bastiaan (1858-1943), zoon van Sebastiaan Cornelis Herman maakt na zijn rechtenstudie carrière in Indië. In tegenstelling tot zijn vader werkt hij alleen op de Algemene Secretarie en beëindigt zijn loopbaan in 1905 als Algemeen Secretaris. Na zijn pensionering in 1906 (tijdens verlof in Nederland) houdt hij zich bezig met historisch en genealogisch onderzoek. Cornelis Bastiaan was gehuwd met Caroline Wilhelmine Hulshoff Pol (1868-1943) en zij hadden twee kinderen.

    De verzameling is in gedeelten op het Algemeen Rijksarchief aangekomen; het eerste deel in 1878, aangevuld met een schenking van Heeres in 1899, geïnventariseerd door R. de Vries in 1964, het tweede gedeelte, bestaande uit 32 dozen, 7 delen, 3 rollen en 1 stalen koffer, werd in 1969 in bewaring ontvangen van mevrouw Caroline Nederburgh en is beschreven in de hiervoor liggende inventaris van het familiearchief Nederburgh. De eerste portie bestond in hoofdzaak uit zakelijke papieren van mr. Sebastiaan Cornelis uit de periode 1804, en enkele van dezelfde aard van mr. Herman Nederburgh, Herman Adriaan en Johan Jacob Nederburgh.

    De in 1969 ontvangen papieren bevatten documenten betreffende de latere carrière van Sebastiaan Cornelis Nederburgh en veel privéstukken van verschillende generaties Nederburgh en aanverwante geslachten. Hoewel ook stukken betreffende de carrières van familieleden zijn overgeleverd, is veel materiaal persoonlijk van aard. De gehele collectie is bijeengebracht door verschillende leden van de familie.

    De eerste verzamelaar was de burgemeester van 's-Gravezande Jacobus de Fremery (1800-1874), gehuwd met Sara Jacoba Hester Nederburgh, die alles betreffende de familie Nederburgh dat te koop werd aangeboden, heeft opgekocht (

    Brief van Clementine aan Cornelis Bastiaan Nederburgh, d.d. 19 april 1912. A.R.A., Nederb. inv. nr. 1448.

    ) . Na zijn dood heeft zijn zoon James een gedeelte hiervan aangeboden aan het Algemeen Rijksarchief, welk gedeelte beschreven staat in de inventaris van De Vries (1964). De rest is bij de familie gebleven.

    De papieren van Herman Adriaan Nederburgh, waarbij stukken van de families Scheltus en Van de Spiegel, zijn verspreid geweest over vele nazaten.

    Sebastiaan Corn~lis Herman Nederburgh (1839-1903), zoon van Johan Jacob en Wilhelmina van Olden blijkt in 1877 in het bezit van manuscripten (

    A.R.A., Nederb. inv. nr. 589.

    ) . Dit zijn naar alle waarschijnlijkheid de papieren die zijn weduwe in 1915 aan Cornelis Bastiaan NeDerburgh" opstuurt (

    Brief van N.J. Nederburgh-Prins aan Cornelis Bastiaan Nederburgh, Nijmegen 16 november 1915. A.R.A., Nederb. inv. nr. 1448.

    )
    . De verzameling die reeds in het bezit was van deze Nederburgh wordt in 1908 uitgebreid met een kistje familiepapieren, waaronder brieven van Herman Nederburgh aan zijn zoon Herman Adriaan Nederburgh, en stukken afkomstig van de familie Scheltus en de familie Van de Spiegel.

    Cornelis Bastiaan Nederburgh (1858-1943) is de persoon die alle stukken, die nog niet aan het Algemeen Rijksarchief zijn overgedragen, bijeen gaat brengen. In 1911 verzoekt hij James de Fremery te San Francisco familiepapieren mee te brengen als hij naar Nederland komt, terwijl hij in 1912 van Wilhelmine (N. de Fremery-Suermondt) twee en van haar zoon James de Fremery één kistje met papieren ontvangt (

    Henri M. Suermondt aan Cornelis Bastiaan Nederburgh, d.d. 16 augustus 1912. A.R.A., Nederb. inv. nr. 1448.

    ) . Hieronder zullen zich waarschijnlijk stukken bevonden hebben van Sebastiaan Cornelis Nederburgh en misschien aanverwante geslachten.

    Stukken betreffende Herman Adriaan Nederburgh waren in het bezit van Joan Laurens Nederburgh (1842-1932), militair, wonende te Nijmegen, een kleinzoon van J.E. Metelerkamp. Deze laatste was een afstammelinge van Dina Adriana Nederburgh, dochter van Herman Adriaan. Met deze persoon correspondeert Cornelis Bastiaan Nederburgh reeds in 1914. Hieronder bevinden zich veel stukken betreffende de familie Van de Spiegel, maar ook financiële stukken van Herman Adriaan Nederburgh, die echter onduidelijk en hierdoor slecht leesbaar zijn. Cornelis Bastiaan Nederburgh krijgt ze in handen, maar stuurt alles naar Jhr. G.C. op ten Noort te Middelburg, die ze als een waardevolle aanvulling van zijn archief beschouwt.

    M.E. van Opstall, 1979.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in