gahetNA in het Nationaal Archief

Rijksarbeidsbureau in Oorlogstijd - Zoeken: arbeidsinzet

50 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.15.20
P. van Midden
Nationaal Archief, Den Haag
1977
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.15.20
Auteur: P. van Midden
Nationaal Archief, Den Haag
1977
CC0

Periode:

1938-1949
merendeel 1940-1945

Omvang:

4,60 meter; 409 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

In oktober 1940 werd de openbare arbeidsbemiddeling een rijkstaak. De gemeentelijke Arbeidsbeurzen maakten plaats voor het op 1 mei 1941 ingestelde Rijksarbeidsbureau (RAB). Er kwam een hoofdkantoor, 37 (later 25) Gewestelijke Arbeidsbureaus (GAB's) en 144 bijkantoren. Het archief bevat naast stukken over de organisatie en het personeel een serie dossiers betreffende de arbeidsbureaus en stukken voortvloeiend uit de taken, onder meer over de dienstverplichting c.q. vrijstelling van arbeidsinzet (geordend per beroepscategorie), de Nederlandse arbeidsdienst, de arbeidsbemiddeling in Nederland, met name in de landbouw en ten behoeve van Duitse militaire werken in ons land, de arbeidsbemiddeling naar Duitsland en, in mindere mate, naar Frankrijk (Organisation Todt, Atlantikwall).

Archiefvormers:

  • Ministerie van Sociale Zaken / Rijksarbeidsbureau

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De organisatie

De organisatie van de openbare arbeidsbemiddeling voor de tweede wereldoorlog, bestaande uit een centraal rijksorgaan met gemeentelijke arbeidsbeurzen in het land, was voor sommige insiders niet de ideale organisatievorm. Daarom werd er reeds toen over gedacht het bestaande stelsel om te buigen van gemeentelijke bemoeiing naar algehele rijkstaak. Dit leidde ertoe dat hierover aan de Centrale Commissie van Bijstand voor de Arbeidsbemiddeling en Emigratie advies werd gevraagd. Uit het rapport dat in mei 1940 werd uitgebracht bleek, dat deze commissie niet tot een eensgezind standpunt kon komen. De meeste leden stonden nog steeds gemeentelijke bemoeiing voor en slechts enkele bleken voorstander van rijkstaak.

Toen de oorlog uitbrak was er wel gediscussieerd, maar nog niets besloten. E.e.a. was echter voor de Duitse bezettingsautoriteiten aanleiding om de reeds jaren geleden in Duitsland ingevoerde rijksarbeidsbemiddeling ook hier in het zadel te helpen. Het was met name de Geschaftsgruppe Soziale Verwaltung die op centralisatie aandrong en het duurde dan ook niet lang of de zaak werd doorgedrukt. Ingevolge een besluit van 24 September 1940 (zie verordeningenblad: stuk 30 nr. 166) van de Secretaris-Generaal van het departement van Sociale Zaken werd de openbare arbeidsbemiddeling m.i.v. 5 oktober 1940 rijkstaak. Met deze beschikking werden de artikelen 3 en 9 t/m 33 van de Arbeidsbemiddelingswet 1930, handelende over gemeentelijke en districtsorganen, buiten werking gesteld.

Ingesteld werd een Rijksarbeidsbureau als afdeling van het Departement van Sociale Zaken. Met de leiding werd belast een directeur-generaal. Met de dagelijkse leiding werd een wnd. directeur-generaal belast, omdat de directeur-generaal tevens wnd. secretaris-generaal was.

Het Rijksarbeidsbureau (voortaan alleen te gebruiken als naam van het hoofdbureau) bestond uit een departementaal hoofdbureau, 37 gewestelijke arbeidsbureaus en 144 bijkantoren.

De gewestelijke arbeidsbureaus traden pas op 1-5-1941 in werking, zodat tot die datum de gemeentelijke arbeidsbeurzen intact bleven. De bijzondere arbeidsbemiddeling, met en zonder winstoogmerk, werd niet buiten de wet gesteld. De bemiddeling zonder winstoogmerk mocht uitgeoefend worden, indien men in het bezit was van een vergunning van de secretaris-generaal. Voor bemiddeling met winstoogmerk kreeg de secretaris-generaal de bijzondere bevoegdheid dat hij te allen tijde een verleende vergunning kon intrekken.

Het is duidelijk dat arbeidsbemiddeling de voornaamste taak zou zijn van het R.A.B., maar daarnaast zouden beroepskeuzevoorlichting, vakopleiding, arbeids-registratie (o.m. Het Arbeidsboekje), documentatie en statistiek taken zijn ter ondersteuning van de hoofdtaak.

Reeds in het begin dacht men aan het instellen van een vijftal inspecties in het land, maar dit vond voorlopig geen doorgang. Later, in 1943, werden 2 projecten in deze geest ten tonele gevoerd, maar deze kwamen maar zeer ten dele tot uitvoering.

  1. In november 1943 werden een aantal inspecties, bemand met N.S.B.-personeel, ingesteld, teneinde controle te kunnen uitoefenen op de dagelijkse werkzaamheden en de interne organisatie der arbeidsbureaus. Deze inspecties zijn echter niet practisch werkzaam geweest.
  2. In december van hetzelfde jaar werd een z.g. coördinatiedienst ingesteld teneinde een uniforme werkwijze bij de G.A.B.'s te bereiken. De mensen die tot deze dienst behoorden, ressorteerden onder het R.A.B., maar waren gestationeerd bij 6 G.A.B.'s.
Door het R.A.B. werd al spoedig een contactcommissie ingesteld die als adviesorgaan zou moeten functioneren en die bestond uit een aantal directeuren van G.A.B.'s.

Teneinde de directeuren der G.A.B.'s te instrueren t.a.v. hun nieuwe taak, de organisatie en inrichting der rijksarbeidsbemiddeling, werd in 1941 een cursus gegeven o.l.v. de wnd. Directeur Generaal, de heer Th. van Lier. Een dergelijke cursus werd in een 4-tal plaatsen ook gegeven voor de leiders der bijkantoren, de chefs der bemiddelingsafdelingen en de chefs van de afdelingen Sociaal-Economische Documentatie, Administratie en Comptabiliteit. Bij de instelling der G.A.B.'s werd t.a.v. de grensafbakening een sociaal-economische indeling gevolgd. Deze indeling werd bij de reorganisatie van 1943 echter weer verlaten om plaats te maken voor grenzen welke samenvielen met de provinciale grenzen. Het aantal G.A.B.'s werd toen ook teruggebracht van 37 tot 25. De bevrijding van het land op 5 mei 1945 betekende niet dat ook aan het Rijksarbeidsbureau een einde kwam. Als gevolg van een door de Nederlandse Regering te Londen uitgevaardigd K.B. van 17 juli 1944 (Stb. nr. E 51) bleef het Rijksarbeidsbureau gehandhaafd en keerde men dus niet terug tot de vooroorlogse organisatievorm.

Het Duitse bestuur

Het gehele R.A.B,-apparaat werd in feite "bestuurd" door Duitse autoriteiten, welke ressorteerden onder de Reichskommissar, maar de instructies veelal ontvingen van of namens de "Generalbevollmächtiger für den Arbeitseinsatz" Fr. Sauckel. Hij stond direct onder Hermann Göhring, die hem met deze taak belastte toen gebleken was dat de inspanningen van het Reichsarbeitsministerium niet het beoogde effect opleverden en er als gevolg van de enorme oorlogsinspanning een grote behoefte aan arbeidskrachten in Duitsland ontstond. Hij was de man die opdracht gaf om bedrijven uit te kammen en arbeiders te werven.

In Nederland geschiedde dat tot november 1941 door de Geschäftsgruppe Soziale Verwaltung, daarna door de Hauptabteilung Soziale Verwaltung, voortaan H.S.V. te noemen.

Deze H.S.V. ressorteerde onder het General Kommissariat für Finanz und Wirtschaft, m.u.v. de periode augustus 1942 - augustus 1944 toen het onder "Besondere Verwendung" viel.

Het eerste hoofd was R. Jacob. Begin 1942 werd hij opgevolgd door H. Boening, die aanbleef tot 22-10-1942. Na Boening verscheen Dr. G.A. Apitz tot juni 1943.

Gelijk met de komst van Apitz werden Beauftragten für den Arbeitseinsatz benoemd, die op dit terrein een coördinerende functie kregen. In Nederland werd W. Schmidt Beauftragte. Sinds 1943 was dr, W. Jütting hoofd van de H.S.V. De H.S.V. was in het hetzelfde gebouw gehuisvest als het R.A.B., wat het toezicht wel "ten goede" kwam. Dit bleek o.m. hieruit dat het R.A.B. sinds 1942 alle circulaires aan de G.A.B.'s ter goedkeuring moest voorleggen aan de H.S.V. De taak van de H.S.V. was de bevordering van de arbeidsinzet en het toezicht houden op R.A.B. en G.A.B.'s.

De H.S.V. (voorheen dus G.S.V.) bestond uit 5 afdelingen, waaronder die van "Arbeitseinsatz Arbeitsbuch und Berufsnachwuchslenkung". Onder dit topapparaat ressorteerden 5 "Aussenstellen" in Groningen, Arnhem, Den Bosch, Amsterdam en Rotterdam. Deze waren belast met het rechtstreekse toezicht op de G.A.B.'s, hetgeen d.m.v. z.g. Fachberaters gebeurde. De "Aussenstellen" werden in april 1943 omgezet in 3 Inspektionen in Amsterdam, Rotterdam en Den Bosch. Fachberaters, ook wel Fachwerbers genoemd, werden geplaatst op de G.A.B.'s. Op sommige G.A.B.'s zat er maar een, op de andere bureaus meerderen. Zo waren er b.v. in Amsterdam 14, in "Den Haag 7 en in Den Bosch 3.

De taakverdeling tussen een directeur en een Fachberater is niet altijd even duidelijk geweest. Eigenlijk was de Fachberater toegevoegd aan het G.A.B. om de opdrachten van de H.S.V. door te geven, maar in vele gevallen matigden zij zich veel meer aan dan was toegestaan. Voor de vrouwensector werden Fachberaterinnen aangesteld die dezelfde pretenties hadden. Medio 1944 werd de plaats van de Fachberater veel sterker ingevolge een circulaire van 26-8-1944 aan de G.A.B.'s, waardoor de leidingvan de Arbeitseinsatz in feite bij de Fachberater kwam te liggen.

Het Rijksarbeidsbureau

De leiding van het Rijksarbeidsbureau was, zoals reeds vermeld, in handen van een Directeur-Generaal en een wnd. Directeur-Generaal. Onder de D.G. ressorteerde de afdeling Arbeidsbemiddeling, waaraan was toegevoegd: de registratie van arbeidskrachten, w.o. het arbeidsboekje en de beroepskeuzevoorlichting, w.o. psychotechniek.

In 1941 werd daaraan nog een Medische Dienst toegevoegd, waarop in een apart hoofdstuk wordt teruggekomen.

Het Personeel

De eerste Secretaris Generaal van het Ministerie van Sociale Zaken gedurende de bezetting was mr.dr. A.L. Scholtens. Hij werd echter reeds kort na de bezetting, op 23-8-1940, ontslagen. Ir. R.A. Verwey werd met de waarneming belast. Hij was tot 4 mei 1945 tevens Directeur-Generaal van het Rijksarbeidsbureau. Van augustus 1940 tot maart 1941 was mr. H.J. Morren wnd. Directeur-Generaal. Wegens verzet tegen bepaalde maatregelen werd hij op 7-3-1941 gearresteerd, maar op 29 maart d.a.v. weer vrijgelaten. Hij werd toen benoemd tot hoofd van de afdeling Werkloosheidsverzekering van het R.A.B.

Na het vertrek van mr. Morren als wnd. D.G. van het R.A.B. werd Th. van Lier benoemd, tot op die datum chef van de onderafdeling Arbeidsbemiddeling. Hij bleef in functie tot juli 1942. Op 10 juli n.l. vertrok hij wegens ziekte. Officieel werd hij pas op 1-11-1946 ontslagen. Na zijn vertrek werd J.A. Knetsch met de dagelijkse werkzaamheden belast, maar pas op 27-6-1944 benoemd tot wnd. Directeur-Generaal. Hij werd na de bezetting uit zijn functie ontheven.

De medische dienst

Medisch toezicht op ingeschreven werkzoekenden geschiedde reeds vóór de instelling van deze dienst bij het R.A.B. Op 12-9-1940 verscheen er n.l. een circulaire van de Rijksdienst der W.V. en A.B. welke begon met: "Teneinde een beter inzicht te verkrijgen in de arbeidsgeschiktheid van werklooze arbeiders hier te lande ...". Het doel van deze circulaire was om alle ingeschrevenen massaal te doen keuren teneinde inzicht te krijgen welke ingeschrevenen geschikt zouden zijn voor arbeid in kampen, arbeid in Duitsland e.d. Voor de uitvoering werd een beroep gedaan op de gemeentelijke geneeskundige diensten. Deze maatregel werd getroffen door de Duitse autoriteiten. Vele opgeroepenen gaven echter geen gehoor aan de oproep, waardoor zij niet meer in aanmerking kwamen voor een uitkering ingevolge de steunregeling of armenzorg dan wel voor plaatsing op werkverschaffingsobjecten.

Naast de werkzoekenden werden ook de niet-ingeschrevenen opgeroepen, werkzaam op werkverschaffingsobjecten en zij die in het buitenland geplaatst wensten te worden.

Op 22-7-1941 werd dr. J.H.Th. Koch, lid van de N.S.B., belast met de leiding van de medische dienst. Zijn taak bestond uit het adviseren van de Directeur-Generaal op medisch terrein en het leiding geven aan en toezicht houden op de geneeskundigen verbonden aan de G.A.B.'s.

Onder zijn afdeling kwamen 5 districtsartsen te ressorteren, welke geplaatst zouden worden in dezelfde plaatsen waar de Duitse "Aussenstellen" waren gevestigd, n.l. Amsterdam, Rotterdam, Arnhem, Den Bosch en Groningen. Begin 1942 werden bij de Gewestelijke Arbeidsbureaus artsen geplaatst welke onder leiding stonden van de directeuren der G.A.B.'s maar hun instructies ontvingen van het hoofd van de Medische Dienst. Van de in totaal 70 voorgestelde artsen waren er slechts weinigen geen lid van de N.S.B. Deze artsen werden aangesteld op arbeidscontract en per keuring betaald. Voor een grote keuring mocht f. 1,50 en voor een kleine keuring f. 0,60 in rekening worden gebracht. Het waren veelal particuliere artsen, die er in vele gevallen ook nog een eigen praktijk op na hielden. Aan deze artsen werd nog een verpleegster toegevoegd, die bij sommige bureaus een dagtaak had, maar bij andere bureaus slechts tijdens de keuringen assisteerde. Daarnaast werd op een G.A.B. nog een administratieve afdeling Geneeskundig Onderzoek ingesteld.

Het medisch onderzoek

Leek het er in het begin nog op dat de medische dienst een sociale taak zou hebben, al heel spoedig bleek dat dit onderdeel geheel ingeschakeld zou worden ter bevordering van de z.g. Arbeidsinzet, hetzij in Duitsland, hetzij in Nederland. Het geneeskundig onderzoek werd gesplitst in grote en kleine keuringen. Grote keuringen zouden plaatsvinden:

  1. voor onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid;
  2. voor verplichte diensten in de werkverruiming;
  3. voor tewerkstelling, van langere duur, elders in het land;
  4. voor tewerkstelling in Duitsland, maar niet voor grensarbeid;
  5. voor werklozen waarvoor een grote keuring gewenst was.

Voor grote keuringen werd gebruik gemaakt van een keuringskaart MD7. De ingevulde kaarten werden naar de bedrijfsafdelingen van het arbeidsbureau gezonden opdat men de uitslag op de stamkaart zou kunnen overnemen. Ze werden vervolgens opgeborgen bij de afdeling Geneeskundig Onderzoek in verband met het vertrouwelijk karakter ervan. Voor mannen waren de kaarten geel, voor vrouwen wit. Maximaal mochten 20 a 25 grote keuringen per dag per arts worden verricht. Kleine keuringen werden geadministreerd op kleine formulieren, z.g. "Ueberweisungsscheine" en werden verricht t.b.v.:

  1. grensarbeiders;
  2. grote aantal arbeiders voor Duitsland of de Werkverruiming, indien er voor grote keuringen geen tijd was.
De G.A.B.'s

De gewestelijke arbeidsbureaus zijn op 1 mei 1941 in werking getreden. Het waren er aanvankelijk 37. De oude naam Arbeidsbeurs moest plaats maken voor Arbeidsbureau, omdat het woord "beurs" teveel associaties opriep met handel. Het gebruikelijke lokettensysteem werd vervangen door bemiddelingskamers. Een arbeidsbureau stond onder leiding van een directeur en een plv. directeur en bestond verder uit:

  1. een afdeling Arbeidsbemiddeling, waaronder de vakafdelingen, de afdeling Vrouwen en de afdeling Jeugd ressorteerden. De taak van deze onderdelen was vrij duidelijk, n.l. bemiddelen van arbeidskrachten;
  2. een afdeling migratie; dit onderdeel was belast met de uitvoering van alle Duitse opdrachten t.b.v. de arbeidsinzet naar Duitsland;
  3. een afdeling Geneeskundig Onderzoek (zie hiervoor hoofdstuk 3b);
  4. een afdeling Sociaal Economische Documentatie; deze afdeling hield zich bezig met:
    1. bedrijfsstatistieken, statistische overzichten t.b.v. de eigen dienst, samengesteld aan de hand van de bemiddelingsadministratie en de werkloosheidsstatistieken t.b.v. het C.B.S.;
    2. het arbeidsbestel: d.i. de totale kennis van de arbeidende bevolking o.m. door middel van het in te voeren arbeidsboekje (zie pag. 15) en de stamkaartenregistratie;
    3. kennis van het bedrijfsleven in het gewest o.m. door werkgeversdocumentatie, rapporten, werkbezoeken, e.d.;
    4. vakliteratuur.
  5. De onderdelen administratie en comptabiliteit behoeven nauwelijks nadere toelichting. De taak van de afdeling Comptabiliteit komt nog ter sprake bij het hoofdstuk over loonovermakingen en loonvoorschotten.

Ten behoeve van de registratie van arbeidskrachten werd een uniforme stamkaart ingevoerd, deze kaart was tevens bedoeld als documentatiekaart voor het in te voeren arbeidsboekje. De opberging geschiedde centraal. Daarnaast was de bemiddelingskaart het hulpmiddel voor de bemiddelaar. Hij bewaarde deze kaart in een bemiddelingskartotheek, waardoor hij steeds een overzicht had van het aanbod op de arbeidsmarkt.

Voor beroepen met een sterk intercommunaal karakter werd een inschrijvingsformulier ingevoerd, dat door de werkzoekende eigenhandig moest worden ingevuld en dat centraal bij de registratiekaart werd opgeborgen. Aan de ingeschrevenen werd een inschrijvingskaart meegegeven. Voor mannen een gele, voor vrouwen een witte. Van de 37 in 1941 aangestelde directeuren waren er aanvankelijk slechts 9 lid van de N.S.B. Na de reorganisatie van 1943, toen het aantal arbeidsbureaus werd teruggebracht tot 25, waren er eerst 13 en later 16 directeuren lid van de N.S.B.

DIRECTEUREN VAN DE GEWESTELIJKE ARBEIDSBUREAUS IN 1940 EN NA DE REORGANISATIE VAN 1943

Tabel met zoekresultaten in archieven
Arbeidsbureau19401943
AlkmaarC.H.C. SprengerA. Loos, wnd.
AmersfoortF.W. Blaas
AmsterdamA.J.A.C. v. DelftJ.J.M. Deley
ArnhemDr. B. KapmaL. Lieftinck
Bergen op ZoomF. van den Hout
BredaIr. N.C.L. Sassen van VlierdenM.W. Hellemons, wnd.
DeventerH.A. PolderH.A. Polder
DordrechtMr. J.H. VermeulenK. v. Dijk
EindhovenMr. P.H. WernerM.A. Hellemons, wnd. P. Melis
EmmenIr. A. F.W. BennikJ.H. Warrink
GoudaA.W. Molenbeek
's-GravenhageC.J. BakkerL.Th.A. Meys
GroningenH.P. StaalH.P. Staal
HaarlemW.H.M. Nienhuis RuysC.A. Raadsen
HeerenveenMr. D.J. Feitsma
HeerlenMr. J.N. Metz
HengeloA.P.M. van RielI.F.H. Stuveling
s'-HertogenboschM.A. HellemonsM.A. Hellemons
HilversumMr. J.B. Broekema
LeeuwardenL. FokkemaJ.W.A. de Graaff
LeidenH. HazelhoffC.R.L. Oostveen
MaastrichtM.J.J.G. JanssenM.J.J.G. Janssen
MeppelJ. VlugJ. Vlug
MiddelburgIr. M.W. WellemanIr. M.W. Welleman
NijmegenJhr. P.E. v.d. Maesen de SombreffC.J. Versluys, wnd.
RoermondS. Le Haen
RotterdamA.N. van MillL. Fokkema
TerneuzenJoh. Brinkman
TielG.J. Versluys
TilburgDr. W.L.P.M. de KortDr. W.L.P.M. de Kort
Utrechtwnd. J.J.M. DeleyF.F. Kuyk
VenloJ. BoonenJ.F.J. Driessen, wnd.
VlaardingenJ.J.M. Deley
WinschotenK. v. Dijk
WinterswijkI.F.H. Stuveling
ZaandamL. Bandsma
ZwolleG.B.P. KolenbranderC.A.B. Hagedoorn, wnd, A.W. v. Vossen
De taak van het R.A.B.

Ofschoon uit de organisatieopzet van 1940 wel blijkt dat het geenszins de bedoeling was om alleen arbeidsbemiddeling in het vaandel te voeren, is - door de omstandigheden waaronder men in de vijf oorlogsjaren heeft moeten werken de arbeidsbemiddeling of meer nog de arbeidsinzet verreweg de grootste taak geweest waarmee het R.A.B. en de G.A.B.'s te maken hebben gehad. Was arbeidsbemiddeling aanvankelijk de taak waarvoor men zich gesteld zag, de Duitse bezettingsautoriteiten bogen dit al heel spoedig om tot arbeidsinzet, geheel in dienst van de oorlogsvoering. Andere taken als vakopleiding en beroepskeuzevoorlichting kwamen nauwelijks ter sprake, hetgeen uit de volgende hoofdstukken zal blijken. De vakopleiding die er was werd evenals de arbeidsbemiddeling voornamelijk dienstbaar gemaakt aan de Duitse oorlogsinspanning.

Registratie
Arbeidsboekje

Het regelen van de totale arbeidsvoorziening zal de Duitsers zeker voor ogen hebben gestaan, wanneer men ziet hoe zij zich al direct na de capitulatie op dit gebied aandienden. Een van de middelen waarvan zij zich wilden bedienen was de registratie van alle arbeidskrachten.

Een prachtig middel daartoe was het reeds in 1935 in Duitsland ingevoerde "Arbeitsbuch". Een dergelijk boekje wenste men ook voor Nederland, immers men zou hierdoor het gehele arbeidspotentieel leren kennen, men zou over alle persoonlijke gegevens beschikken en het zou een belangrijk instrument zijn ter bestrijding van de werkloosheid en verder zou men over betere werklozencijfers beschikken.

Het lag in hun bedoeling om op 1 September 1941 te beginnen met een bedrijfsgewijze registratie. De bouwvakkers zouden als eerste het spits moeten afbijten. Het arbeidsboekje zou worden uitgereikt door het arbeidsbureau à raison van 50 cent. De werknemer zou dan dit boekje aan de werkgever moeten geven op het moment dat hij daar in dienst trad. Na ontslag zou hij het weer terugkrijgen met alle bijgewerkte aantekeningen van de werkgever, die tegelijk dezelfde gegevens op een formulier zou moeten toezenden aan het arbeidsbureau. De verdere bedoelingen van de Duitsers met dit boekje lieten zich gemakkelijk raden en het gevolg was dan ook dat er van Nederlandse zijde bezwaren tegen werden ingebracht. Deze bezwaren waren voornamelijk van technische en financiële aard. De H.S.V. eiste dat het boekje geheel identiek zou zijn aan het Duitse arbeidsboek en zelfs zou het tweetalig moeten zijn. Het zou een uitnemend hulpmiddel zijn geweest t.b.v. het z.g. uitkammen van de bedrijven. De eis tot tweetaligheid was echter niet verstandig, want dit hield in dat er t.b.v. de beroepenaanduiding in het boekje een beroepen nomenclatuur in het Nederlands zou moeten verschijnen, een vertaling dus van de Duitse. Dit was een zeer omvangrijk werk met als gevolg dat de invoering op de lange baan werd geschoven. De Duitsers kregen steeds minder interesse, omdat zij de arbeidsinzet inmiddels langs andere wegen lieten uitvoeren, n.l. door middel van de z.g. Z.S.-Kartei, waarover later meer. Een registratie door middel van het arbeidsboek was van de baan.

Toelating vreemdelingen

De wet op het toelaten van vreemdelingen in Nederland van 1934 had ten doel te voorkomen dat de Nederlandse arbeidsmarkt overstroomd zou worden door vreemde arbeidskrachten. Deze wet had in de periode 1940-1945 echter nauwelijks enige betekenis.

De Duitsers vestigden zich ook zonder vergunning in ons land en anderen kregen de kans niet omdat de Duitsers door middel van de arbeidsinzet naar Duitsland ook in de omringende landen de arbeidsmarkt afroomden.

Ten aanzien van de procedure werd desondanks een meer uniforme werkwijze ingevoerd, waarbij het aantal in gebruik zijnde formulieren, mede als gevolg van de papierschaarste, werd beperkt. Bij het uitbrengen van adviezen door de G.A.B.'s diende voortaan naast de gebruikelijke vraag of er bezwaar bestond tegen toelating ook te worden vermeld of de werknemer of de werkgever Jood was.

Vakopleiding
a. De Centrale Werkplaatsen

De vakopleiding in de oorlogsjaren was van zeer beperkte omvang en vrijwel geheel gericht op de Duitse oorlogsinspanning.

Ten aanzien van de Centrale Werkplaatsen werd al in begin van 1942 bepaald dat alle aspirant deelnemers boven de 18 jaar (en zij die geen ambachtsschool hadden boven 19 jaar) zich dienden te verplichten om een jaar in Duitsland te gaan werken. Van het totale aanbod zou echter nog een derde deel worden vrijgesteld o.m. wegens huiselijke omstandigheden. Het plaatsen van deelnemers op de werkplaatsen was uitsluitend in handen van de G.A.B.'s.

Deelnemers aan de cursussen ontvingen een z.g. slijtagevergoeding die al naar gelang de leeftijd varieerde van f. 0,50 tot f. 3,- per week. Later werd deze vergoeding voor 18, 19 en 20-jarigen veranderd in een uurvergoeding van 9 tot 19 cent per uur, terwijl aan deelnemers boven 20 jaar een loondervingsvergoeding werd gegeven. Deze loonderving werd vastgesteld op basis van het Besluit Loonbepaling voor de Werkverruiming waarop dan een kleine korting van enkele centen per uur werd toegepast.

In 1943 werden de Centrale Werkplaatsen, die voortaan Rijkswerkplaats werden genoemd, benut om personeel van bedrijven, dat ingevolge het leerlingstelsel werd opgeleid en waarvoor de werkgever zelf geen plaats had, op te leiden. Met de controle hierop waren een drietal inspecteurs belast uit de rayons Den Haag, Amsterdam en Den Bosch.

b. Ausbildungswerkstatte

Dit waren scholingsinstituten voor de vliegtuigindustrie. Ze waren gevestigd in Amsterdam, Rotterdam, Hengelo en Utrecht. De opleiding duurde in het begin 3 maanden, maar werd later teruggebracht tot 6 weken.

Er waren twee mogelijkheden: of men meldde zich vrijwillig, of men werd hiervoor door een arbeidsbureau aangewezen. De opleiding werd in deze vorm op 4 mei 1944 stopgezet. Voortaan konden arbeiders, die voor Duitsland geschikt waren bevonden, hier niet meer worden toegelaten. Wel was dit nog mogelijk voor hen die voor Duitsland waren afgekeurd om vervolgens in de Ruestungindustrie in Nederland geplaatst te worden.

c. Vakopleiding in Duitsland

In Maart 1943 werd de mogelijkheid opengesteld om Nederlandse jongens van 15 en 16 jaar een volledige vakopleiding in Duitsland te laten volgen. Aan deze opleiding was het gezelexamen verbonden. De cursus duurde aanvankelijk 3 jaar, maar later werden ook opleidingen gegeven van aanzienlijk kortere duur. Deze opleiding vond geheel plaats in Duitse bedrijven, terwijl de deelnemers werden ondergebracht bij particulieren, b.v. het gezin van de leermeester of in "Handwerkslehrheime".

Vooraleer men werd toegelaten vond een voorselectie plaats, welke ongeveer 4 weken duurde en gedurende welke een test werd afgenomen door de afdeling Beroepskeuzevoorlichting.

Voor dit doel heeft men enige tijd de beschikking gehad over het kasteel "De Haar" te Haarzuilens. Daarna ging men gebruik maken van het jeugdvormingsoord te Putten.

De arbeidsbemiddeling
a. Vóór de capitulatie

Het plaatsen van Nederlanders in Duitsland voornamelijk in het grensgebied was in die tijd een zaak van werkloosheidsbestrijding. Jaarlijks werden tussen NederIand en Duitsland regelingen dienaangaande opgesteld. Dit leidde ertoe dat men het gaan werken in het Duitse grensgebied als "passend werk" was gaan beschouwen. Dit hield in dat, indien men "passend werk" niet accepteerde, men geen steun meer ingevolge de Steunregeling of uitkering krachtens de werkloosheidskassen kreeg. De genoemde overeenkomsten met Duitsland hadden voornamelijk betrekking op veenarbeiders, landarbeiders en melkers. De regelingen waren in feite het gevolg van een reeds jaren bestaande "trek" van deze mensen uit Friesland, Drente en Zeeuws-VIaanderen naar Duitsland.

b. Na de capitulatie

De arbeidsbemiddeling, die na de capitulatie weer op gang kwam, was aanvankelijk het voortzetten van een reeds bestaande lijn.

Het beoogde doel, waarschijnlijk ook van de Duitsers, was het weer zo snel mogelijk op gang brengen van het bedrijfsleven, de landbouw etc. en dus ook bestrijding van de ontstane werkloosheid. Gaandeweg zien we echter dat de arbeidsbemiddeling gaat in de richting van arbeidsinzet waartoe allerlei maatregelen stap voor stap worden genomen, met als uiteindelijk doel het inschakelen van arbeidskrachten ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie. Naarmate de oorlog ongunstiger ging verlopen, nam de arbeidsinzet toe en derhalve ook de inschakeling der Gewestelijke Arbeidsbureaus. Deze Arbeidsbureaus waren in feite de enige bureaus waar bemiddeling kon en mocht plaatsvinden.

Dienstverplichting

Toen de Duitse autoriteiten zich na mei 1940 gingen bezighouden met het orgaan der openbare arbeidsbemiddeling rees hier en daar wel het vermoeden dat zich dit niet zou beperken tot het begrip bemiddeling alleen. Aldra bleek dan ook dat allerlei maatregelen als meldingsplicht, regeling van aanstelling en ontslag e.d. voorboden waren tot de z.g. "Arbeitseinsatz".

Een sterk middel ten behoeve van deze "Arbeitseinsatz" was de dienstverplichting, immers hiermee kon men alle kanten uit. Men kon de mensen dus ook verplichten daar te gaan werken waar zij, de bezettingsautoriteiten, dat noodzakelijk vonden. De dienstverplichting zou men in 2 fasen kunnen indelen, n.l:

  1. dienstverplichting in Nederland (ingevolge verordening 42/1941);
  2. dienstverplichting naar Duitsland {ingevolge verordening 26/1942).

ad. 1. De verordening 42/1941 hield in het kort gezegd de verplichting in tot het verrichten van bepaalde diensten en de mogelijkheid om het veranderen van betrekking te beperken. De verordening was alleen van toepassing op de bewoners van het bezette Nederlandse gebied. De verplichting tot het verrichten van diensten werd opgelegd door het Arbeidsbureau.

De door het Arbeidsbureau aangewezenen werden aan een geneeskundig onderzoek onderworpen en aan de hand van de uitslag ingedeeld voor zwaar, halfzwaar of licht werk. Bij de tenuitvoerlegging werd een zekere rangorde aangehouden. Zo kwamen eerst de ongehuwden in aanmerking en vervolgens de gehuwden, dan de gezinshoofden met maximaal 2 kinderen en vervolgend de overigen.

Sinds eind 1941 konden contractbrekers worden opgesloten door de S.D. in het "Durchgangslager" te Amersfoort, maar ook was vervolging door de Nederlandse Justitie mogelijk.

ad. 2. Aan de dienstverplichting naar Duitsland gingen enkele andere besluiten vooraf, zoals:

  1. de verordening 14/1942 waarbij werd bepaald dat voor het bekorten van werk, van de 48-urige werkweek, de toestemming vereist was van de Directeur-Generaal van de Arbeid. Het gevolg hiervan was dat de bedrijven die minder dan 48 uur wilden gaan werken personeel overhielden, indien de vergunning geweigerd werd.
  2. het besluit van de Secretarissen-Generaal van Sociale Zaken en Justitie van 20-2-1942 dat een meldingsplicht voorschreef van mannen en ongehuwde vrouwen van 18-40 jaar, die werkloos waren. De beschikking was mede ondertekend door de Secretaris Generaal van Justitie, omdat berechting voor de economische rechter mogelijk was. Alle personen moesten geregistreerd worden in het beroep waarvoor zij geschikt werden bevonden.
  3. een tweede besluit van de beide Secretarissen-Generaal van 14-3-1942 betreffende het aanstellen van werknemers beneden 40 jaar. Hiervoor was voortaan de toestemming nodig van het Arbeidsbureau.

Genoemde maatregelen gingen vooraf aan de verordening 26/1942, welke niet meer was dan een wijziging van de reeds genoemde dienstverplichtingsverordening 42/1941. De in deze verordening voorkomende passage "binnen het Nederlandse gebied" werd eenvoudig geschrapt, zodat de dienstverplichting voortaan ook kon worden toegepast voor plaatsing in Duitsland. Deze verordening, met de uitvoering waarvan de arbeidsbureaus werden belast en de directeuren de dienstverplichting moesten opleggen, betekende voor vele directeuren en andere ambtenaren een gewetensconflict. De deining die hierdoor veroorzaakt werd, was aanleiding om de contactcommissie voor overleg in te schakelen.

Een aantal directeuren besloot ontslag in te dienen, vooral toen de eerst opdracht van Fr. Sauckel binnenkwam om 30.000 metaalarbeiders, desnoods door dienstverplichting in Duitsland te plaatsen.

In het archief van het R.A.B. bevindt zich ook een tweetal niet verzonden brieven, waarin Ir. Verwey en de heer Knetsch mededelen ontslag te moeten nemen. Het alternatief van de dienstverplichting zou volgens de Duitsers het terugvoeren van krijgsgevangenen naar Duitsland zijn, waardoor het bedrijfsleven in grote moeilijkheden zou komen te verkeren.

Ingevolge de dienstverplichtingsverordening kregen de arbeidsbureaus nu de volgende bevoegdheden:

  1. Werklozen en personen in de werkverruiming konden in Duitsland worden geplaatst;
  2. De z.g. a-socialen konden elders, b.v. in kampen, tewerkgesteld worden;
  3. De G.A.B.'s konden arbeiders onttrekken aan bedrijven, voorlopig met uitzondering van de Ruestungsbedrijven;
  4. Contractbrekers konden teruggezonden worden naar Duitsland;
  5. Dienstverplichting kon voor een jaar worden opgelegd ten aanzien van werk in Duitsland en voor bepaalde opdrachten in Nederland. In aanmerking kwamen mannen van 18-40 jaar.

Het invoeren van deze maatregelen en de onrust die al was ontstaan door het heengaan van enkele directeuren had tot gevolg dat in Den Haag een vergadering van directeuren werd belegd, waarbij ook het hoofd van de H.S.V. Boening aanwezig was.

Tijdens deze vergadering op 22 april kwam echter niets nieuws ter tafel. Het gevolg was, dat weer een paar directeuren hun ontslag indienden.

In totaal meenden een twintigtal directeuren niet aan de maatregel te moeten medewerken. De deining die er door genoemde maatregel was ontstaan deed de Duitsers toch besluiten met een nieuwe verordening (48/1942) te verschijnen, welke in zoverre van de oude afweek, dat nu ook de Fachberaters dienstverplichting konden opleggen naast de directeuren die geen bezwaar maakten. Dit had tot gevolg dat, op een enkele na, de meeste directeuren hun ontslag introkken. Kort daarop eiste de H.S.V. hier en daar echter weer een verklaring van de directeuren dat zij bereid waren dienstverplichtingsformulieren te ondertekenen. Dit had tot gevolg dat de directeur van Rotterdam zijn weer ingetrokken ontslag alsnog indiende. Eenzelfde poging in het zuiden des lands liep op niets uit, zodat van het afleggen van verklaringen maar werd afgezien. Wel kwam hieruit nog voort dat sommige directeuren met ziekteverlof gingen, een tweetal werd ontslagen en sommigen zelfs werden gegijzeld.

Inmiddels werd de maximum leeftijd verhoogd van 40 tot 45 jaar.

Alhoewel als sanctie op het weigeren van dienstverplichting door de rechter maximaal een jaar gevangenisstraf kon worden opgelegd, kwam dit veelal neer op een geldboete indien het werkweigering in Nederland betrof.

Betrof het werkweigering voor Duitsland, dan gaf de Fachberater de namen door aan de S.D. en later aan een speciaal hiervoor in het leven geroepen "Arbeitseinsatzpolizei".

De mensen werden dan, als men ze kon vinden, gearresteerd en in strafkamp of Durchgangslager ondergebracht (Ommen en Amersfoort). Ook gewone agenten, die bij de arbeidsbureaus ter beveiliging waren gestationeerd, werden hiermee soms belast.

In het bijzonder het Arbeitskontrollkommando te Ommen trad zeer willekeurig en zeker niet "volgens het boekje" op.

Kontrollkommando's

Deze groep werd in het leven geroepen in mei 1943 toen de "jaargangenactie", in het bijzonder die van 1924, niet het gewenste resultaat opleverde. Men ging ertoe over de in 1924 geboren mannen te controleren op het bezit van een Ausweis. Degenen die geen Ausweis bezaten werden gearresteerd en overgebracht naar het kamp Erica te Ommen.

Dit kommando dat een soort hulppolitie voorstelde ging vrijwel steeds over de schreef. Instructies kregen zij van de Fachberaters. Behalve dat zij de jaargang 1924 controleerden, bezochten zij alle adressen die de Fachberater hun opgaf en zelfs hielden zij eigenmachtig razzia's.

In april 1944 werd uit de bij de arbeidsbureau gestationeerde agenten van de vrijwillige hulppolitie een "Arbeitskontrollkommando" gevormd, eveneens voor het opsporen van contractbrekers, controle van Ausweise, enz. De deelnemers hieraan waren politiek fout en hun optreden was vanzelfsprekend schrikwekkend.

Arbeidsbemiddeling in Nederland
a. Werkverschaffing c.q. werkverruiming

In het kader van de werkloosheidsbestrijding was de werkverschaffing een belangrijk middel. Het streven was om minder mensen in de steun en meer mensen op W.V.-objecten te krijgen. Voorheen waren er meer in de Steunregeling dan werkzaam in W.V.-verband, maar de kentering kwam na de capitulatie. De arbeidsbureaus moesten aanvankelijk langs vrijwillige weg trachten de gesteunden op W.V.-objecten geplaatst te krijgen.

Het plaatsen op deze objecten kon sinds 27-6-1941 alleen nog plaatsvinden via de arbeidsbureaus. Voor tewerkstelling kwam iedere werkloze van 18 tot 65 jaar in aanmerking, mits hij bij het G.A.B. stond ingeschreven en hij medisch geschikt werd bevonden.

Niet voor W.V. in aanmerking kwamen:

  1. de gesteunden ingevolge de Steunregeling voor kleine boeren en tuinders, want deze mensen zouden voornamelijk vrij moeten blijven voor de te verwachten tekorten in de landbouw;
  2. personen die werk in Duitsland weigerden;
  3. contractbrekers: mensen die de wettige opzegtermijn in Duitsland niet in acht hadden genomen of die niet van verlof waren teruggekeerd.

De vrijwillige plaatsing stond primair, maar indien men niet vrijwillig ging kon de steun worden ingehouden en later kon ook tot dienstverplichting worden overgegaan (zie hoofdstuk Dienstverplichting). Dit vond plaats ingevolge de verordening 42/1941.

In oktober 1941 rnoesten de G.A.B.'s, mede gebruik makend van deze verordening, 25.000 man plaatsen op W.V.-objecten. Hiervoor kwamen in aanmerking:

  1. werkloze ingeschreven mannen en ondersteunden ingevolge de gemeentelijke Steunregeling, de werklozenkassen en de bijzondere steunregeling (boeren en tuinders);
  2. zij die ondersteuning genoten van kerk- en/of armenzorg;
  3. werkloze ingeschrevenen die geen uitkering ontvingen, uitgezonderd contractbrekers;
  4. werkloze inwonende kinderen (m) boven 18 jaar van bovengenoemde groepen;
  5. de niet ingeschreven werkloze mannen boven 18 jaar.

Ruim 3.000 man werden ingevolge de dienstverplichting direct geplaatst, voornamelijk contractbrekers.

De plaatsing op W.V.-objecten nam echter zienderogen af als gevolg van de steeds driestere arbeidsinzet naar Duitsland en in Nederland bij de Ruestungindustrie, kustverdediging etc.

b. Voor Duitse instanties

Naast de werving voor Duitsland werden ook vele arbeidskrachten in Nederland tewerkgesteld ten behoeve van de Ruestungindustrie, op vliegvelden, bij de kustverdediging e.d. Opdrachten hiertoe werden aanvankelijk alle via de arbeidsbureaus geleid. In 1943 werden grote opdrachten geplaatst voor de Organisation Todt op Walcheren (1500 man), de marine in IJmuiden (146 man), de marine in Den Helder (500 man) en eind december 1943 600 man voor Zeeland. Al deze acties leverden echter niet het gewenste resultaat op, alhoewel velen op de vrij hoge lonen afkwamen. Voortaan mochten ook weigeraars voor Duitsland, als gevolg van de geringe resultaten, bemiddeld worden, uitgezonderd de contractbrekers. De laatst genoemde actie in Zeeland mocht ook buiten het G.A.B. om worden gevoerd, waardoor men wat meer aanbod verwachtte. Ook daarna mochten firma's die werk voor de O.T. uitvoerden arbeidskrachten in het kader van het "Sonderbauprogramm" buiten de G.A.B.'s om werven. De arbeidsbureaus dienden dan wel op de hoogte te worden gesteld van de wervingsresultaten. Anderzijds kregen de G.A.B.'s lijsten van particuliere firma's die werk in de burgersector verrichtten. Op deze lijsten werd door de Duitse autoriteiten aangetekend wie naar de O.T. (kustverdediging) moesten worden overgeheveld. Ten behoeve van deze werknemers werden ook de cultuurtechnische werken uitgekamd. Men werd steeds makkelijker met de wervingsnormen. Eerst werden de jaarklassen 1922-1924 acceptabel verklaard en in 1944 mochten eerst arbeiders van de Cultuur-Technische Dienst en later zelfs bouwvakarbeiders voor de O.T. worden bemiddeld. In 1942 werd bepaald dat bepaalde bouwvakarbeiders, voornamelijk ijzervlechters, niet naar Duitsland of Frankrijk bemiddeld mochten worden indien er opdrachten van de O.T. ten behoeve van de kustverdediging waren.

Begin 1943 had men op Walcheren direct 1500 timmerlieden, ijzervlechters, betonarbeiders en grondwerkers nodig en de daaropvolgende opdracht bedroeg 2500 man. Teneinde verloop te voorkomen diende men direct tot dienstverplichting over te gaan. De mensen werden in kampen ondergebracht. De actie leverde in eerste instantie slechts weinig resultaat op, waarna ieder G.A.B. een aantal op kreeg dat direct "geleverd" moest worden. Zo'n opgave werd eerst in februari en daarna in maart verstrekt. De dienstverplichting werd steeds verlengd.

Ondanks de vele mogelijkheden die geboden werden bleef het resultaat beneden de eisen welke van Duitse zijde werden gesteld. Dit leidde ertoe dat de z.g. "Gemeinde-einsatz" toegepast ging worden. Dit hield in dat burgemeesters arbeidskrachten dienden aan te wijzen voor werken die in hun gemeenten ten behoeven van de Wehrmacht werden verricht. Hiervoor kwamen personen in aanmerking van 18-50 jaar. De duur van de tewerkstelling bedroeg 14 dagen en later 1 maand. Het was een soort wisselsysteem, waarbij alle arbeiders als ongeschoolden werden beschouwd en ook als zodanig werden betaald.

In begin 1944 werd bepaald dat de aanwijzing door de arbeidsbureaus zou plaatsvinden teneinde de burgemeesters, die overal protesteerden, buiten schot te houden. Wel zouden de gemeenten voor de nodige gegevens moeten zorgen. E.e.a. leverde toch weer te weinig resultaat op en mede daardoor gingen de Duitsers over tot de alom bekende razzia's, nu dan geheel buiten de G.A.B.'s om. Begin 1945 werden de arbeidsbureaus tegen een gemaakte afspraak in nogmaals ingeschakeld bij een "vrijwillige" wervingsactie van de Duitsers van mannen ten behoeve van defensiewerkzaamheden in de streek Meppel-Groningen. Men stelde eenvoudig in de wervingsadvertenties dat men zich kon melden bij de arbeidsbureaus. Dekens, kleren en eetgerei moesten worden meegenomen. Deze medewerking lokte bij de arbeidsbureaus nogal verzet op, hetgeen op het Arbeidsbureau te Amsterdam slachtoffers kostte.

Ten slotte volgde na Dolle Dinsdag nog een dienstverplichtingsactie toen de Fachberaters opdracht kregen tot werving van ruim 3000 man in Dordrecht, Rotterdam en Den Haag voor Wehrmachtswerken in het oosten des lands. Door de G.A.B.'s is hieraan geen medewerking verleend.

c. Landbouw

Deze sector werd aanvankelijk het meest ontzien omdat hierbij direct de voedselvoorziening betrokken was. Om te voorkomen dat men elders ging werken, werd reeds eind 1940 bepaald dat landarbeiders, zowel in Nederland als in Duitsland, niet buiten hun beroep geplaatst mochten worden.

In 1940 werden ten behoeve van de vlasoogst acties gevoerd om plukkers te werven waarbij voor de ongeschoolden een scholing van 1-2 weken was gepland. Ook werd ten behoeve van de oogstvoorziening een beroep gedaan op de jeugd.

Om de moeilijkheden in de landbouw te bezweren, veroorzaakt door afvloeiing van veel personeel naar Duitsland, werd in 1942 een "Commissie arbeidskrachten voor de landbouw" ingesteld.

Deze commissie bracht hetzelfde jaar nog een rapport uit waarvan de belangrijkste conclusie was: het inschakelen van arbeiders uit de cultuurtechnische werken en de werkverruiming in mobiele colonnes ten behoeve van de oogstvoorziening.

De arbeidsbureaus moesten nagaan wie voor de colonnes in aanmerking kwamen. Het verzamelen van de aanvragen zou kunnen gebeuren door de plaatselijke bureauhouders of door de G.A.B.'s zelf. Daarna moest het G.A.B. nagaan of de aanvrager wel alle moeite had gedaan om gewone arbeidskrachten te krijgen.

Het G.A.B. voldeed vervolgens aan de aanvraag of schakelde de vakkundige ambtenaren in die de opgaven weer doorgaven aan de inspectie voor de W.V., waarna de arbeiders zowel van Cultuurtechnische werken als de werkverruiming werden aangewezen.

d. Jeugdhulpen in de landbouw

In 1940 werd een actie op touw gezet om jongelieden voor 2 a 3 maanden te werven als hulp in de landbouw.

Dit waren geen geoefende jongelui, zodat de boer geen al te grote verwachtingen mocht koesteren. Het ging hier desondanks toch wel om vrij zwaar werk. De jongelui kregen naast kost- en inwoning een zakgeld van f. 1,50 à f. 2,- per week. Er bestond een mogelijkheid van inwoning, maar als dit niet kon dan werd men ondergebracht in barakken. Medio 1941 waren er ongeveer 800 aanvragen binnengekomen. Deze moesten geselecteerd worden door de jeugd- of vrouwenbemiddelingsafdeling. De plaatsing werd centraal door het R.A.B. geregeld.

Alhoewel er veel propaganda voor deze acties werd gevoerd was het succes niet groot. In de Wieringermeer waren er klachten van een drietal landbouworganisaties. De klachten kwamen hier op neer, dat een vreemde gast in het gezin verzet ontmoet, dat de jongelui voor het werk ongeschikt waren en er ook vaak niet de juiste instelling voor hadden en tenslotte was er vaak een te groot milieuverschil. Uit een enquete bij 75 pachters bleek dat er slechts een enkele bereid bleek landbouwhulpen te nemen. De meeste pachters vonden de jeugdhulp overbodig. Uit het algemeen overzicht over de actie bleek dat deze te laat is gestart, dat de jongelui dachten dat het om vacantie ging, dat de boeren meenden dat zij volwaardige krachten kregen en dat sommigen weer vertrokken voor de tijd erop zat. In 1942 liet men Polygoon een propagandafilm maken, welke door de arbeidsbureaus gebruikt zou moeten worden voor de wervingsacties. Het aantal aanvragers was echter nog geringer dan in 1941. Het resultaat was dan ook in de meeste gewesten gering. In 1943 ging het om een tijdvak van 4 weken. Er werd nog meer propaganda gemaakt, maar een succes is de actie nimmer geworden. Ze liep tenslotte dood als gevolg van de geringe instelling bij beide partijen.

e. De Noordoostpolder

De Noordoostpolder is voor vele landgenoten een oord geweest om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen, zowel legaal als illegaal. Men noemde de polder dan ook wel het "onderduikparadijs".

De vraag naar arbeidskrachten begon in augustus-september 1941 toen met de ontginning van de polder een aanvang werd gemaakt.

Benodigd waren uitsluitend landarbeiders bekend met akkerbouw. Aangezien de gehele polder nog in cultuur gebracht moest worden ging het om zware arbeid. De bemiddeling van gegadigden geschiedde door bemiddeling van de arbeidsbureaus. De eerste werving werd geleid via de vakkundige ambtenaren van het R.A.B. Huisvesting vond plaats in barakken.

De vakkundige ambtenaren waren: J.K. Melse in Ginneken; N.J. Rempt in Haarlem; RJ. Edens in Groningen en A.C. Schuylenburg in Arnhem.

Het aanvankelijke aantal tewerkgestelden bedroeg 1200 man, maar na februari 1942 zou dit worden opgevoerd tot 2700 man. Nu kwamen echter ook grondwerkers in aanmerking, indien zij bekend waren met de landbouwsector. Vervolgens zou men iedere maand respectievelijk 700, 600, 300, 800 en 600 man dienen te werven, maar in mei 1942 zat men al ver beneden de begroting.

Medio 1942 werd ook de Ned. Heide Mij. ingeschakeld bij de werving van arbeidskrachten.

Het blijvende grote tekort, mede veroorzaakt door voortijdig vertrek van degenen die klachten hadden, leidde ertoe dat de vertrekkers medio 1942 door middel van dienstverplichting weer tewerkgesteld werden. In ieder geval kwamen zij niet voor ondersteuning of werk ter plaatse in aanmerking.

In September 1942 werden de arbeidsbureaus verplicht om bepaalde hoeveelheden arbeiders te leveren waarbij de geplaatsten waren vrijgesteld van de "Arbeitseinsatz" in Duitsland.

Ondanks dat er bij aannemers in de N.O.P. veel contractbrekers werkzaam waren, was het tekort eind november 650 man.

De bemiddeling vond tot november 1942 plaats door het G.A.B. Zwolle, daarna werd die taak opgedragen aan het "Arbeidsbureau N.O.P." te Kampen. Dit bureau ressorteerde rechtstreeks onder het R.A.B. Het bureau regelde verder ook alle bemiddeling voor de overige Zuiderzeewerken.

In verband met de grote wervingsacties voor Duitsland was het tekort in oktober 1943 gestegen tot ±3000 man. In november daaraanvolgend bepaalde de Reichskommissar dat alle vrijkomende arbeidsdienstmannen van de lichting 1925 in de N.O.P. geplaatst moesten worden. In verband met de grote hoeveelheid vrijstellingen die verleend werden werd ook deze maatregel niet zo succesvol als men wel gehoopt had. Tenslote zij nog vermeld dat de N.O.P. voor velen toch wel een onderduikmogelijkheid bood, hetgeen weer blijkt uit de verschillende soorten beroepen en groepen die men hier aantrof w.o. joden, predikanten, e.d. Dit leidde ertoe dat de Duitsers op 17 en 18 november 1944 een razzia lieten uitvoeren door ± 4000 S.S.-mannen, waardoor de N.O.P. grondig werd uitgekamd en velen hiervan het slachtoffer werden.

f. Vrouwen

De vrouwen vielen aanvankelijk buiten de dienstverplichting met uitzondering van vrouwen woonachtig in de grensstreek. Ondanks het feit dat de dienstverplichting in het algemeen dus niet op vrouwen van toepassing was, is in 1941 en 1942 toch een relatief vrij grote groep vrijwillig naar Duitsland vertrokken, gestrikt door de propaganda en wellicht ook door andere oorzaken. Verdere dienstverplichting van vrouwen naar Duitsland is nimmer doorgevoerd, maar wel in Nederland zelf. Het was de bedoeling van de Duitsers dat de vrouwen de plaatsen zouden innemen van de naar Duitsland vertrokken mannen. E.e.a. liep tenslotte uit op een opdracht van de H.S.V. van 1-10-1942, waarbij dienstverplichting werd voorgeschreven voor textielarbeidsters in de grensstreek met de bedoeling dat zij dagelijks heen en weer zouden kunnen reizen tussen woon- en werkplaats of desnoods l x per week en personeel voor de confectie-industrie in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag in verband met het grote verloop aldaar.

Deze dienstverplichting moest door het arbeidsbureau worden opgelegd. Een poging tot vrije werving van vrouwen buiten de G.A.B.'s om liep op niets uit.

Op 7-6-1943 ontvingen de Fachberaterinnen van de H.S.V. de opdracht om meisjesstudenten, die de loyaliteitsverklaring niet hadden ondertekend, 6 maanden te plaatsen in een functie in de conservenindustrie of in de landbouw. De Fachberaterinnen hebben zich hierbij zeer actief getoond.

De regeling van 1-10-1942 werd op 15-7-1943 uitgebreid en wel zodanig dat werving door middel van dienstverplichting ook zou kunnen plaatsvinden ten behoeve van bedrijven van vitaal belang zoals Ruestung- en kledingindustrie en voedselvoorzieningsbedrijven, terwijl schoolgaande meisjes bij de oogstwerkzaamheden ingeschakeld konden worden. E.e.a. had tot gevolg dat verkeerde elementen werkzaam bij sommige arbeidsbureaus lijsten van vrouwen gingen opvragen bij de afdeling Burgerlijke Stand van de Gemeenten, terwijl anderen warenhuizen, hotels en winkels gingen uitkammen teneinde deze vrouwen te kunnen tewerkstellen bij bovengenoemde vitale bedrijven. Op 7-12-1943 werd in Gouda een tehuis voor dienstverplichte meisjes geopend als gevolg van het grote aantal meisjes dat zich aan dienstverplichting trachtte te onttrekken. Het internaat was in feite een wasserij dat aan slechts 20 meisjes onderdak bood.

In de loop van 1944 kwam de bepaling af dat vrouwen vanaf 18 jaar ook konden worden aangewezen ten behoeven van Wehrmachtswerken.

Het laatste plan om een grotere greep op de vrouwen te krijgen bestond hierin, dat vrouwen van 17-45 jaar, zonder kinderen beneden 14 jaar, een verklaring van de Fachberaterin dat zij zich bij haar gemeld hadden moesten overleggen ter verkrijging van de nieuwe distributiestamkaart. Dolle Dinsdag onderbrak dit voornemen.

g. Nederlandse Arbeidsdienst

De taak van het arbeidsbureau bij een organisatie als de N.A.D. bestond voornamelijk uit het behulpzaam zijn van deze dienst ten aanzien van het verstrekken van allerlei gegevens, het voorkomen dat bepaalde groepen arbeidskrachten in de N.A.D. zouden worden opgenomen en het verlenen van voorrang bij bemiddeling aan oud N.A.D.-mannen.

Zo diende men een opgave aan de N.A.D. te geven van alle personen uit de jaargangen 1922 en 1923, een maatregel van 20-5-1942.

Geen medewerking mocht verleend worden aan het tewerkstellen in overheidsdiensten van N.A.D.-personeel dat was heengegaan uit solidariteit met de vertrekkende commandant majoor J.N. Breunese.

Meisjes die zich meldden voor de N.A.D. dienden in het bezit te zijn van een verklaring van het arbeidsbureau, dat ze de laatste tijd niet gewerkt hadden. Gesloten was de N.A.D. voor personen afkomstig uit bepaalde vitale bedrijven zoals de mijn-, scheepvaart- en Ruestungindustrie. Ook werd gereglementeerd opgetreden ten aanzien van personen afkomstig uit de land- en tuinbouw of van de Organisation Todt.

h. Joden

Met de Duitse maatregelen ten aanzien van de joden hebben de G.A.B.'s weinig te maken gehad. Slechts op een punt kwam het arbeidsbureau met de joden als groep, als volksdeel, in aanraking.

Het gewestelijk arbeidsbureau was n.l. reeds spoedig de centrale voor het plaatsen van werkloze joden in de W.V. In het begin van 1942 plaatste men ±1400 werkloze joden in W.V.-kampen. Om dit te bereiken moesten alle G.A.B.'s hun opgaven van aanwezige werkloze joden doorgeven aan de afdeling W.V. van het G.A.B. Amsterdam.

Op 20-5-1942 werd de regeling uitgebreid tot niet-werkloze joden. Het geneeskundig onderzoek van deze mensen geschiedde aanvankelijk door joodse artsen, later door "arische" artsen. Voor de werving werd ook de Joodse Raad ingeschakeld. De leeftijdsgrens voor deze tewerkstelling wisselde nogal eens. Aanvankelijk betrof het de groep van 18-55 jaar, later van 14-60 jaar en vervolgens alle joden tot 65 jaar. Van deze tewerkstelling waren wel bepaalde groepen vrijgesteld zoals gemengd gehuwden, zij die een christelijk geloof beleden, of zij die een bepaald beroep hadden zoals onderwijzer of arts en tenslotte kon men vrijgesteld worden wegens sociale redenen. De Fachberater was hierbij niet ingeschakeld. De actie werd echter op 6 oktober daaraanvolgend al stopgezet.

De Arbeidsinzet

Alhoewel er in de jaren 1940-1945 naar Duitsland ook arbeidsbemiddeling heeft plaatsgevonden, is in deze oorlogsperiode de veel meer ingrijpender "Arbeidsinzet" zo overheersend geweest, dat het m.i. zeker verantwoord is de gehele "bemiddeling" naar Duitsland te betitelen met "Arbeidsinzet". De allereerste opzet, direct na de capitulatie hield een verlenging in van een bestaande traditie n.l. eerst werk vinden in Nederland; lukte dat niet dan kon men, als men in het grensgebied woonde, in Duitsland gaan werken. Voelde men daar niet voor, dan werd de steun ingehouden. Arbeid in Duitsland werd dan ook tijdens de bezetting al spoedig gerekend tot "passend" werk. E.e.a. blijkt uit een circulaire van 25-6-1940 van de Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken aan de Gemeentebesturen, waaronder de "arbeidsbeurs" toen nog ressorteerde. Het betekende dat, als men niet in Duitsland wilde gaan werken, men niet voor steun of werkloosheidsuitkering in aanmerking zou komen. Uitzonderingen hierop waren: ernstige ziekte van huisgenoten, personen die fysiek of psychisch ongeschikt waren en vaders van 4 of meer kinderen beneden 10 jaar.

Toch was dit nog niet de zo ingrijpende verplichting tot het aanvaarden van arbeid in Duitsland.

Met enige goede wil is er dan ook nog wel een onderscheid te maken tussen de:

  1. vrijwillige arbeidsbemiddeling en de "vrijwillige" arbeidsbemiddeling met op de achtergrond steuninhouding;
  2. de verplichte arbeidsinzet.

ad a. Door middel van propaganda en wervingsacties trachtte men aanvankelijk personeel te werven voor arbeid in Duitsland en Nederland, waarbij van Duitse zijde nadrukkelijk verzekerd werd dat men niet in de oorlogsindustrie terecht zou komen. Van deze verzekering is vrijwel niets terecht gekomen. De wervingsacties omvatten ongeveer het tijdvak mei 1940 april 1942. Bekende acties in die tijd waren:

  1. De z.g. Firmen-Einsatz; dit hield in dat Nederlandse krachten bij Nederlandse firma's in Duitsland geplaatst zouden worden.
  2. Metaalarbeiders: deze werden al direct na de capitulatie door de Geschäftsgruppe Soc. Verwaltung geworven bij werkgevers ten behoeve van grote machinefabrieken. De arbeiders mochten later weer bij hun oude werkgever terugkeren. De actie was geheel vrijwillig, maar indien deze niet zou slagen dan zouden "maatregelen genomen worden".
  3. Scheepsarbeiders: dit was een wervingsactie voor de Duitse werven van mannen tussen 20 en 50 jaar. De actie werd gevoerd door een commissie waarin o.m. de Fachberater zitting had en soms ook de metaalbemiddelaar van het G.A.B.
  4. Andere acties waren: ongehuwde landarbeiders, jeugdhulpen in de landbouw, personeel voor de mijnen, de Transportkolonne Speer, binnenschippers, personeel voor het Nationalsozialistische Kraftfahrkorps (N.S.K.K.) enz.

ad b. De meer ingrijpende acties die daarop volgden hadden weinig gemeen met "vrijwilligheid", alhoewel men zich nog steeds vrijwillig kon melden. Desondanks is er bij onderstaande wervingsacties weer onderscheid aanwezig in de mate van verplichting. We kunnen deze acties verdelen in vier groepen:

  1. De verschillende Sauckel-acties, zoals 1e Holland-actie, 2e Hollandactie, Rü-Nov-1942-actie en de "Stahl-und Eisen-Aktion". Deze acties vonden plaats in het tijdvak 1942-1943, waarbij tevens zij opgemerkt, dat alle hier genoemde en te noemen acties elkaar niet keurig opvolgden, doch elkaar overlapten, waarbij sommigen nog doorgingen toen latere acties al waren stopgezet.
  2. De meldingsplicht van alle mannen van 18-35 jaar en het "gesloten" oproepen daarna van de jaargangen 1922-1923 en 1924. Dit vond plaats tot eind 1943.
  3. Het Zurückstellungsverfahren (z.g. Z.S.-Verfahren) betekende een totale registratie van alle mannen van 18-45 jaar met uiteindelijk doel, uitzending naar Duitsland (1943-1944).
  4. De totale arbeidsinzet met de daarbij gehouden grote razzia's in verschillende steden vanaf oktober 1944.
a. De Sauckel-acties

Deze acties ontleende hun naam aan de uitvinder ervan, Hitler's Bevollmachtigter Fr. Sauckel.

De principiële opzet hiervan was dat de bedrijven een opgave van hun personeel moesten indienen bij de Fachberaters. Hierbij moesten tevens de prioriteiten ten aanzien van de onmisbaarheid worden aangegeven.

Degene die volgens de Duitse instanties wel misbaar waren, werden in de periode april 1942 - mei 1943 opgeroepen voor arbeid in Duitsland, maar hier en daar ging men ook daarna nog wel door met de uitkamming. Sommige grote bedrijven verspreid over het gehele land, zoals Albert Hein, Simon de Wit, Philips e.a. werden centraal behandeld door het daarvoor aangewezen arbeidsbureau. De P.T.T. en de Spoorwegen werden buiten de arbeidsbureaus om behandeld. De feitelijke aanwijzing geschiedde door Duitse instanties, commissies of Fachberater. De arbeidsbureaus waren met de uitvoering belast.

De totale opzet van deze acties, buiten de dus eerder genoemde "vrijwillige" acties, was 200.000 man, waarvan een zeer groot gedeelte is vertrokken.

b. 1e Holland-Aktion

Met deze actie werd op 14 april 1942 begonnen. De opdracht was de werving van 30.000 arbeidskrachten voor de Duitse metaalindustrie. De door de bedrijven ingediende personeelsstaten werden beoordeeld door commissies van 3 man, waarin o.m. de Fachberater was opgenomen.

Deze commissie bepaalde welke mensen voor de arbeidsinzet zouden moeten worden opgeroepen, waarbij weer een zekere volgorde in acht werd genomen, n.l. eerst ongehuwden, vervolgens de jongste gehuwden etc. Voor de administratieve verwerking en het op transport zetten zorgden de arbeidsbureaus. Dienstverplichting werd pas toegepast, als de aangewezenen niet bereid bleken te vertrekken. Was men na een geneeskundig onderzoek "Reichsausgleichfahig" bevonden, dan kon men vertrekken nadat de distributiebescheiden waren ingenomen. Daar deze actie niet het beoogde succes dreigde op te leveren, werden de aanvankelijk vrijgestelden in de Ruestungsindustrie in Nederland alsnog opgeroepen, waarna het beoogde aantal toch nog werd bereikt.

c. 2e Holland-Aktion

In augustus 1942 volgde een opdracht voor 40.000 man, welke "afgeleverd" dienden te worden in de maanden september en oktober.

De uitkamming zou nu geschieden door de Fachberater, maar zou zich dit keer niet uitstrekken over de Ruestungsindustrie in Nederland. De geworven krachten waren bestemd voor de Ruestungs- en voedingsmiddelenindustrie in Duitsland.

Voor deze actie kwamen in aanmerking:

  1. werklozen en wachtgelders;
  2. arbeiders uit stilgelegde bedrijven;
  3. arbeiders uit niet Rü-industrie waar minder dan 54 uur werd gewerkt. Om dit zo te kunnen stellen had men de werktijd officieel op 54 uur vastgesteld.
Alhoewel het de bedoeling was dat de bedrijven, die ingevolge de le Holland-Aktion waren uitgekamd, niet bij deze actie betrokken zouden worden, heeft men zich hieraan niet steeds gehouden.
d. Rü-Nov.-42-Aktion

In aansluiting op de 2e Holland-Aktion werd reeds in november 1942 de werving aangekondigd van weer 10.000 man, later aangevuld met 25.000 man en in december nogmaals aangevuld met 25.000 man. Van deze laatste groep van 25.000 man zouden 10.000 man overheidspersoneel en 5.000 studenten dienen te zijn. Gemeentebesturen moesten hun personeelslijsten hiertoe indienen bij de arbeidsbureaus, waarop de mate van misbaarheid moest worden aangegeven door het plaatsen van een kruisje achter de namen van de personeelsleden. Rood kruis betekende onmisbaar.

Blauw kruis betekende misbaar, indien vervanging volgde. Geel kruis betekende, dat deze reeds eerder waren opgegeven. De arbeidsbureaus wezen, aan de hand van deze indicaties, de personen aan, die zouden moeten vertrekken, waarbij dan allereerst de arbeidscontractanten in aanmerking kwamen. Deze actie duurde tot mei 1943 en ging daarna over in de jaargangenactie. Het resultaat van deze actie was voor de Duitsers in november redelijk succesvol, n.l. ±2/3 van het totaal van 35.000 man. De decemberactie werd een fiasco.

e. Stahl- und Eisen-Aktion

De opdracht voor deze S. en E.-actie betrof het leveren van 22.000 metaalarbeiders voor 10 maart 1943, waarvan 8.000 man uit de Rü-industrie, waarvoor de arbeidsbureaus dan weer voor vervangende krachten moesten zorgen en de rest uit de overige industrie. Deze actie was het gevolg van de slag bij Stalingrad, waardoor vele Duitsers uit de bedrijven onder de wapenen werden geroepen en er dus tekorten bij die bedrijven ontstonden. Deze actie werd weer door een commissie gevoerd, waaraan een ambtenaar van het arbeidsbureau was toegevoegd. De door deze commissie gemaakte voordrachten werden aan de Fachberaters gezonden.

Wisten de arbeidskrachten voorheen steeds naar welk bedrijf in Duitsland zij zouden gaan, van nu af werden zij op transport gesteld naar een bepaalde stad; alwaar het Arbeitsamt ze zou verdelen over de verschillende bedrijven. Het nadeel voor de betrokkenen was ten eerste onzekerheid voor henzelf, maar ook voor de achterblijvende gezinsleden, waardoor deze vaak te lang in het onzekere bleven verkeren over de verblijfplaats van de man.

Naast de 22.000 vaklieden, waarvan het resultaat ruim 8.000 man was, moesten ook 78.000 ongeschoolden worden uitgezonden. Het resultaat hiervan was minder dan de helft.

f. Uitkammen van jaargangen

De opzet van deze actie, die in mei 1943 zou moeten starten, is geweest om alle mannen, die op een bepaalde datum geboren waren, op te roepen voor arbeid in Duitsland. Hiervoor kwamen in aanmerking mannen, geboren in de jaren 1920 t/m 1924.

Ingevolge verordening 66/1943 mocht men deze mensen in Nederland niet meer in dienst hebben met uitzondering van de afgekeurden. De bevolkingsregisters van de gemeenten zouden daartoe een opgave van genoemde groepen aan de arbeidsbureaus zenden, of zoals ook werd overwogen gegevens op kaarten laten overnemen bij de afdeling bevolking met behulp van personeel van arbeidsbureaus. Deze gang van zaken ontmoette echter zoveel verzet bij de gemeenten, dat besloten werd de gegevens ter beschikking te laten stellen door het Centraal Bevolkingsregister. Dit is ook geschied. De ontvangen gegevens waren echter verre van volledig en op de gemeenten mocht geen beroep meer worden gedaan, zodat de actie een grote mislukking is geworden.

Om de ontstane impasse te doorbreken en een grotere greep op de arbeidsmarkt te krijgen, werd een aantal maatregelen genomen waarvan de eerste was neergelegd in de verordening 20/1943 inhoudende een verbod tot het veranderen van betrekking zonder toestemming van het arbeidsbureau. Buiten de ontslagregeling vielen het overheids- en huishoudelijk personeel. Van de aanstellingsregeling werden uitgezonderd de mijnbouw, land- en tuinbouw, zee- en binnenvaart, visserij en gezondheidszorg.

Met de kort daaropvolgende verordening betreffende het stilleggen van bedrijven, voornamelijk die welke geen Wehrmachtsopdrachten hadden of bedrijven uit de land- en tuinbouwsector, trachtte men te bereiken dat personeel voor Duitsland vrij zou komen. Bepaalde beroepen als handelsreiziger, verzekeringsagent, brood- en melkbezorgers, waren taboe. Alle hierdoor vrijkomende krachten moesten aan het arbeidsbureau worden opgegeven.

g. Aanmeldingsplicht jaarklassen

Als gevolg van het mislukken van de uitkamming via de gegevens van het centraal bevolkingsregister verscheen op 6 mei 1943 de verordening 43/1943. Deze verordening hield in dat alle mannen van 18-35 jaar verplicht werden zich te melden bij de arbeidsbureaus. Vrijgesteld zouden worden overheidspersoneel, Spoorweg- en P.T.T.-personeel, personeel van de Ned. Bank, personeel van de v.m. landmacht en geestelijken. Van deze grote groep kwamen uiteindelijk slechts 3 jaargangen in aanmerking voor een "gesloten" arbeidsinzet, t.w. de jaargangen 1922, 1923 en 1924. Bij de aanmelding op het arbeidsbureau moest de distributiestamkaart worden overlegd. Deze kaart kreeg men terug als men vrijgesteld werd; in het andere geval werd de kaart ingehouden. Het afstempelen van de kaarten van personen die vrijgesteld waren van de meldingsplicht, geschiedde collectief.

Op 10 juni begon men met de jaargang 1924 en in juli volgden de jaargangen 1922 en 1923. Voor deze groepen werd het vrijstellingsbeleid sterk besnoeid. In aanmerking kwamen mijnpersoneel, schippers van zee- en binnenvaart en landarbeiders van 1922 voor het binnenhalen van de oogst.

De situatie t.a.v. scholieren was zo dat vrijstelling nog slechts mogelijk was voor leerlingen die studeerden bij erkende opleidingsorganen. Om voor zo'n erkenning in aanmerking te komen was een verklaring nodig van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming. Verder kregen uitstel de leerlingen van middelbare scholen, kweekscholen, Zeevaart- en machinistenscholen, Land- en tuinbouwscholen en mijnwerkerscursussen, ouder dan 18 jaar.

De voor deze actie afgekeurden mochten niet meer naar hun oude werkgever terug, doch moesten worden geplaatst in de Ruestungindustrie in Nederland.

Van het oproepen van oudere jaargangen heeft men afgezien. Het grensgebied en de N.O.P. waren nog uitwijkmogelijkheden voor hen die geen vrijstelling konden verkrijgen.

Met de registratie werd de afdeling migratie van het arbeidsbureau belast, die hiertoe formulieren liet drukken welke door de betrokkenen zelf moesten worden ingevuld.

Daarnaast werden registratiekaarten in gebruik genomen waarop de behandelingsprocedure werd aangetekend.

Vrijgestelden kregen een "Ausweis", welke ondertekend moest zijn door de directeur van het arbeidsbureau of door zijn plaatsvervanger en die tevens voorzien moest zijn van een G.A.B.-stempel. De genummerde Ausweise werden in afgetelde hoeveelheden door het hoofdbureau aan de arbeidsbureaus beschikbaar gesteld, waar ze in safes bewaard moesten worden. Het verlengen van een Ausweis vond plaats door middel van een aantekening op de rugzijde. De actie bracht niet het resultaat op dat de Duitsers ervan verwachten, mede als gevolg van de vele vrijstellingen, al dan niet legaal verleend.

Het totale resultaat is wel eens op ±48.000 man geschat. De gevolgen hiervan waren dat bij de komende acties het arbeidsbureau naar het tweede plan werd verschoven en de Duitsers het heft meer en meer zelf in handen namen.

h. Zurückstellungsverfahren

Deze nieuwe actie kwam hierop neer dat de bedrijven uit bepaalde bedrijfstakken vrijstellingen voor hun personeel moesten aanvragen bij de verschillende "Betreuende Dienststellen."

Bij alle Ramers van Koophandel kon men hiertoe driedelige z.g. Z-kaarten aanvragen voor al het mannelijk personeel van 18-45 jaar (later 50 jaar). Op deze kaarten moesten alle personalia worden vermeld benevens de eventuele reden van onmisbaarheid als gevolg van een onderzoek van de vakgroep. Via de Betreuende Dienststellen werden deze kaarten aan de Fachberater gezonden. Het aanwijzen geschiedde dus bij de Betreuende Dienststellen. De beslissing werd op de kaart vermeld. De Fachberaters zonden de drie kaarten naar het arbeidsbureau (Z1), naar de Betreuende Dienststelle (Z2) en naar het bedrijf (Z3).

Op de Z1 kaart werd d.m.v. een ruiter aangegeven of men was afgewezen, vrijgesteld tot nader order of vrijgesteld tot een plaatsvervanger was gevonden. De bedrijven die de Z-kaarten hadden ingediend kregen een "Quittungskarte", die hen voor sluiting behoedde. De actie was niet van toepassing op landbouwpersoneel, maar wel op overheidspersoneel.

De actie strekte zich uit over een zeer grote groep van mensen, waarvan er ±300.000 in aanmerking zouden moeten komen voor uitzending.

Deze actie werd een groot fiasco als gevolg van verzet in bedrijven, verzet van de illegaliteit en het geknoei met de kaarten op vele arbeidsbureaus.

De totale arbeidsinzet

Na de wervingsacties, beter bekend als de z.g. Sauckel-aktionen, werden de pogingen der Duitsers om arbeidskrachten te krijgen steeds driester. De daaropvolgende acties, die steeds onmenselijker werden, brachten niet het succes dat men ervan verwachtte. Inmiddels werd de militaire positie van Duitsland in 1944 er niet beter op. De bedrijven in Duitsland hadden vrijwel al hun voor de krijgsmacht bruikbare mensen moeten afstaan. Het vervangen hiervan door buitenlandse arbeidskrachten ging steeds slechter.

Een laatste wanhopige maar zeer wrede poging was de totale arbeidsinzet, waarbij echter de G.A.B.'s niet meer zijn ingeschakeld, behoudens een enkele uitzondering.

De Duitsers gingen over tot straatrazzia's. De slachtoffers werden zonder pardon bij verdedigingswerken of in Duitsland tewerkgesteld.

De arbeidsbureaus gingen ertoe over om aan de gezinnen van weggevoerde arbeiders, die niet meer in het onderhoud van hun gezin konden voldoen, uitkeringen te verstrekken.

Een opdracht aan de arbeidsbureaus om personeel te werven voor de IJssellinie had slechts een gering resultaat, zodat ook hiervoor razzia's werden gehouden.

De laatste officiële actie waarbij de Fachberater werd ingeschakeld vond plaats in januari 1945, de z.g. Liese-Aktion. Alle mannen van 17-40 jaar moesten zich melden voor deportatie naar Duitsland.

Als gevolg van de hongersnood in sommige grote steden was de toeloop daar nog vrij groot. De arbeidsbureaus liepen leeg, alleen de afdeling comptabiliteit werkte nog door, aangezien deze belast was met het verstrekken van uitkeringen aan achtergebleven gezinnen. Deze overbruggingssteun werd uitgekeerd, indien de vrouw verklaarde dat haar man naar Duitsland was gevoerd. De steun werd ook wel aan onderduikers uitgekeerd.

Arbeidsinzet land- en tuinbouw- en overheidspersoneel
a. Overheidspersoneel

Het overheidspersoneel was lang buiten schot gebleven, omdat men bevreesd was dat het overheidsbestuur teveel ontwricht zou worden.

Op 12 januari 1943 bepaalde Generalkommissar für Besondere Verwendung Schmidt dat 10 tot 20 pet. van het overheidspersoneel naar Duitsland diende te worden gezonden.

Hoe dit gegaan is, is reeds vermeld onder de Rü-Nov-42-actie. Toen dit een fiasco was geworden en de meldingsplicht werd afgekondigd, werd het overheidspersoneel wel vrijgesteld, maar men moest zich melden teneinde de distributiekaart te laten afstempelen.

De ZS Verfahren-actie werd vervolgens ingevoerd en toegepast op reeds eerder vrijgestelden, dus nu ook op het overheidspersoneel. Het resultaat was dat ±3.400 man naar Duitsland vertrok, hetgeen een kleine groep was vergeleken bij het grote aantal afgekeurden.

Een enquête bij overheidslichamen door de Duitsers ingesteld bracht aan het licht hoe gering het resultaat was geweest. Dit had tot gevolg dat een na-uitkamming zou plaatsvinden. Velen doken toen onder, waardoor in augustus 1944 aan deze actie een einde kwam. Het resultaat was blijkbaar voor de Duitsers nog net aanvaardbaar.

b. Land- en tuinbouw

Direct na de capitulatie trachtte men de vooroorlogse bemiddeling van landarbeiders naar Duitsland weer op gang te brengen. Landarbeiders mochten niet buiten hun beroep gaan werken. De werving was vrijblijvend.

In 1941 kwam er een verzoek binnen tot plaatsing van 30.000 landarbeiders in Duitsland. Het succes was gering. In 1942 werd een poging ondernomen om bloembollenbedrijven uit te kammen. Hieraan werd pas een halt toegeroepen toen de mensen al in de trein zaten.

Toen de landarbeiders in 1943 weer werden vrijgesteld van de arbeidsinzet kregen zij een geel Ausweis dat bij de plaatselijke bureauhouder werd bewaard en dat hij pas meekreeg als hij een oproep kreeg van het arbeidsbureau. Voor de jaargangenacties waren de gele Ausweise niet meer geldig en gold ook voor hen de gewone procedure. Landarbeiders van de jaargang 1922 kregen vrijstelling van de arbeidsinzet (bruin Ausweis), teneinde de oogst binnen te kunnen halen. Daarna trachtte men algehele vrijstelling te verkrijgen. Vrijgesteld werden ook personen afkomstig uit gebieden waar mond- en klauwzeer heerste.

De dubbele bemoeiing van 2 Hauptabteilungen, n.l. "Soziale Verwaltung" en "Ernährung und Landwirtschaft" was er de oorzaak van dat de landarbeiders er zo betrekkelijk goed zijn afgekomen. De een bevorderde de uitzending, de ander hield het tegen en gezien deze laatste belast was met het vrijstellingsbeleid, was dat voor de groep gunstig.

c. Jeugdhulpen in de landbouw

Jeugdhulpen in de landbouw was als zovele zaken in deze tijd een typische Duitse aangelegenheid. Het doel ervan in Duitsland was om de stadsjeugd meer begrip bij te brengen voor de landbouw.

De acties die ook in Nederland werden gevoerd waren dan ook van vrij korte duur.

In 1940 reeds trachtte men jongens en meisjes van 16-18 jaar voor drie maanden bij Duitse boeren te plaatsen.

In 1941 is men met een actie gestart voor een z.g. "Landjahr" in Duitsland. Doel hiervan was scholing gedurende een jaar in de landbouw voor jeugdige mannen van 16-20 jaar. Als vergoeding ontvingen zij kost en inwoning en een zakgeld, dat, afhankelijk van de leeftijd, varieerde van 18 tot 45 R.M. per maand. Bij hun vertrek kregen zij reis- en verteringsgeld. Plaatsing vond voornamelijk plaats in Rheinland-Westfalen en Neder-Saksen. Gedurende zo'n jaar kreeg men 2x14 dagen vacantie.

Adviesbureaus voor arbeid in het buitenland

Alhoewel het arbeidsbureau het aangewezen orgaan voor de arbeidsbemiddeling was, richtten de Duitsers in een zestal plaatsen (later 13) z.g. "Deutsche Beratungsstellen" op ter activering van de arbeidsbemiddeling naar Duitsland. Deze Duitse bureau's bleken echter niet aan te slaan bij het publiek, reden waarom men in 1942 deze bureaus omdoopte in "Adviesbureaus voor arbeid in het buitenland". Alhoewel men zich hier kon melden als kandidaat voor werk in Duitsland hadden deze bureaus voornamelijk propagandistische betekenis. Er was een nauwe samenwerking met de arbeidsbureaus en zelfs was er wel personeel van arbeidsbureaus gedetacheerd. Van iedereen die zich op zo'n bureau meldde werd een kaart ingevuld welke aan het arbeidsbureau werd gezonden voor controle of men wellicht te doen had met contractbrekers. De aan de arbeidsbureaus verbonden Fachberaters hadden ook het toezicht op deze "Adviesbureaus".

Terugkeer uit Duitsland

Terugkeren uit Duitsland kon legaal of illegaal gebeuren. Het legaal terugkomen kon b.v. in het begin (1940-1941), toen men nog voor een bepaalde tijd weg ging en het contract dus op een bepaald ogenblik was afgelopen. Ook met verlof gaan was een vorm van terugkeer. Van zo'n terugkeer werd op een arbeidsbureau steeds een "terugkeerrapport" opgemaakt.

Redenen om teruggeroepen te worden waren b.v. bepaalde familieomstandigheden, ernstige ziekte en bevalling echtgenote.

Illegale terugkeer was b.v. het plegen van contractbreuk of het niet terugkeren van verlof.

Illegale terugkeer betekende in 1940 al het inhouden van steun, geen plaatsing in de werkverruiming en de plicht om terug te keren naar de oude werkgever in Duitsland. Later ging men ertoe over om voor de z.g. contractbrekers speciale kampen in te richten. Om deze kampen te bevolken gaven de Fachberaters de namen van de contractbrekers, die zij via de H.S.V. van de Duitse Arbeitsamter ontvingen, door aan S.D. of speciale politiecommando's, die dan de jacht op deze mensen openden. Om het euvel van niet terugkeren te onderdrukken voerde men eind 1943 de regel in dat men voor elkaar borg moest staan. Ook de distributiebescheiden werden een strijdmiddel tegen contractbreuk.

In 1941 werd aan de legaal teruggekeerden een inschrijvingskaart verstrekt door het arbeidsbureau met aantekening "geen bezwaar tegen uitreiking distributiebescheiden".

In Maart 1944 werd zo'n verklaring vereist van de Fachberater. Het legaal terugkeren naar Nederland betekende wel dat voor de teruggekeerde een vervanger moest worden gezonden, buiten de lopende acties om. Ook betekende legale terugkeer niet dat men voorgoed thuis was. Al tijdens de Sauckel-acties deelde de H.S.V. mede dat ongehuwden en gezonde gehuwden best nog eens uitgezonden konden worden.

Contractbrekers, die in kampen waren ondergebracht, bekend zijn het kamp Erica te Ommen en het Durchgangslager te Amersfoort, werden na zo'n verblijf toch weer op transport gesteld naar Duitsland, maar soms ook wel naar Estland en zelfs wel naar een Duits concentratiekamp. Het aantal via het kamp Amersfoort vervoerde contractbrekers wordt op ruim 13.000 gesteld.

De terugkeer van alle in Duitsland aanwezigen na de capitulatie is een hoofdstuk apart, waarvoor verwezen wordt naar het archief van de afdeling Repatriëring. Deze afdeling ressorteerde niet onder het R.A.B.

Procedure t.a.v. de plaatsing in Duitsland
a. Opdrachten

Duitse ondernemers dienden hun aanvragen om personeel in bij het Arbeitsamt. Deze zond ze via het Landesarbeitsamt naar het Reichsarbeitsministerium, later naar de Generalbevollmächtiger für den Arbeitseinsatz. Vandaar werden de aanvragen gezonden naar de Geschaftsgruppe (later Hauptabteilung) Soziale Verwaltung in Nederland, die ze weer doorzond naar de Aussenstellen, R.A.B. en Fachberaters bij de G.A.B.'s.

b. De tewerkstelling

De procedure welke gevolgd moest worden was vrij omvangrijk, waarbij niet op een formuliertje werd gekeken. De procedure vertoonde het volgende beeld:

  1. Allereerst vond de oproep plaats, waarna de opgeroepene zich al dan niet meldde bij het arbeidsbureau. Meldde hij zich dan werd een vragenlijst ingevuld, waarop allerlei gegevens vermeld moeten worden. Solliciteerde men naar een bepaalde functie (meestal de "betere" banen), dan moesten z.g. "Bewerbungsbogen" worden ingevuld. Daarna volgde een "namentliche Anforderung".
  2. De uitslag van het geneeskundig onderzoek werd vermeld op een Ueberweisungsschein, indien het een kleine keuring betrof en op een MD7-kaart, indien het een grote keuring betrof.
  3. Uitgereikt werden textiel-, zeep- en schoenenbonnen en een bewijs voor gratis pasfoto's t.b.v. een eveneens gratis verkrijgbaar paspoort.
  4. Het opmaken van een 60 pct.-verklaring hield in dat betrokkene zich accoord verklaarde dat 60 pct. van zijn te verdienen loon zou worden overgemaakt naar zijn vrouw in Nederland.
  5. Vervolgens werd een "Anwerbebestätigung" opgemaakt; dit is een soort contract waarin men verklaarde accoord te gaan met het werk in Duitsland.
  6. T.b.v. de noodzakelijke kleding werden naast bonnen ook voorschotten verleend.
  7. Aan de betrokkenen werden instructies gegeven hoe te handelen bij werkaanvaarding in Duitsland b.v. in geval van ziekte familieleden e.d. Veel gegevens waren opgenomen in het boekje dat uitgereikt werd "Wegwijzer voor hen die in Duitsland gaan werken".
  8. De transportlijst, welke in 9-voud werd opgemaakt, bevatte de namen van degenen die met een bepaald transport meegingen. Een B-lijst bevatte alle namen van naar Duitsland vertrokken personen.
  9. Op het station ontving hij de benodigde papieren op vertoon van het paspoort. Het waren een bewijs van medische goedkeuring en een vervoerbewijs. Tevens werd f. 4,- verteringsgeld verstrekt.
  10. Bij terugkeer in Nederland werd een z.g. "Rückkehrschein" of "Urlaubschein" meegegeven door de Duitse werkgever, voorzien van een stempel van het Duitse Arbeitsamt. In Nederland werd dan tenslotte voor hen, die niet meer naar Duitsland terugkeerden, een terugkeer rapport opgemaakt.
  11. Was er sprake van "dienstverplichting", dan werd dit op een speciaal formulier tot uitdrukking gebracht. Naast de personalia bevatte zo'n formulier de mededeling dat betrokkene ingevolge de verordeningen 26/1942 en 48/1942 werd aangewezen voor arbeid in Duitsland en dat hij geneeskundig goedgekeurd was.
Arbeidsbemiddelung naar Frankrijk

De bemiddeling naar Frankrijk was een zaak van vrijwilligheid. Het werk viel niet onder het begrip "passende arbeid", zodat bij weigeren van aangeboden werk aldaar ook geen steun werd ingehouden.

Arbeiders, die in Frankrijk wensten te gaan werken, gingen allen in het kader van de Organisation Todt en werden geplaatst bij Nederlandse aannemers. Bemiddeling vond via de arbeidsbureaus plaats. De aannemers waren voornamelijk gelegenheidsaannemers.

Het werk was meestal gelegen in de sector der verdedigingswerken of op vliegvelden.

Aan de achtergebleven gezinnen werd wekelijks een voorschot uitgekeerd over het uit Frankrijk over te zenden loon.

Plaatsing in Oost-Europa

De eerste wervingsacties die t.b.v. Oost Europa werden ondernomen hadden de "zekerstelling van de oogst" ten doel.

Op 26 juli 1941 werd aan de arbeidsbureaus bekend gemaakt dat voor deze actie landarbeiders en boerenzoons werden gezocht voor tewerkstelling in leidinggevende functies. Het resultaat hiervan is geweest dat vrijwel uitsluitend N.S.B.'ers en andere Duitsgezinden zich hiervoor aanmeldden. In maart 1942 werd de actie, die niet aan de verwachtingen beantwoordde, stopgezet. Er waren in Letland ±200 boeren geplaatst. Iets later, n.l. in juni 1942, werd de z.g. Ned. Oost-Compagnie opgericht, welke overging tot de werving van arbeiders waaronder ook niet-landarbeiders. In oktober werd met de eerste werving van vaklieden begonnen. Men kon zich aanmelden bij de arbeidsbureaus of bij de N.O.C. Het resultaat was niet alleen onbevredigend vanwege het geringe aantal aanmeldingen maar ook omdat er zich onder de uitgezondenen veel a-socialen bevonden en zieken, o.a. met open t.b.c, personen die kinderverlamming hadden gehad en gestraften.

Voor de Oekraïne werden mensen gezocht in het kader van de actie "Waffen SS Bouwplan Heinrich" om geplaatst te worden bij Nederlandse aannemers. De keuringvan deze mensen vond in Berlijn plaats.

In 1943 werden vele Nederlandse firma's samengevoegd in de N.V. Ned. Oostbouw. Men had voor deze combinatie 4.500 man nodig, maar de actie leverde slechts 10 pct. op, zodat de H.S.V. gebood dat tot dienstverplichting moest worden overgegaan en de arbeidsbureaus tevens gedwongen werden tot een veel intensievere propaganda. De actie heette "SS-Frontarbeiders". De mensen kregen een uniform aan en werden, als ze in de frontlijn moesten werken, ook wel bewapend, omdat men daar veel te verduren had van partisanen.

De militaire teruggang van Duitsland in Rusland leidde ertoe dat deze tewerkstelling doodbloedde.

Lonen, toelagen en vergoedingen

Gezinnen, waarvan de man in Duitsland ging werken, zouden financieel in moeilijkheden kunnen komen omdat er enige tijd zou verstrijken alvorens het verdiende loon was overgemaakt. Ter compensatie werd in 1940 daarom bepaald dat aan deze gezinnen gedurende 2 weken een uitkering op basis van het steunbedrag zou mogen worden uitgekeerd, indien zij een loon hadden minder dan R.M.50. Deze uitkeringen, verstrekt door de gemeentebesturen, moesten worden terugbetaald, indien men binnen 3 weken naar Nederland terugkeerde. Door de arbeidsbureaus werden kledingvoorschotten, verterings- en reisgelden verstrekt.

Met ingang van 1 mei 1941 werd de mogelijkheid geopend om voorschotten te verstrekken aan de gezinnen in afwachting van de vaak te lang uitblijvende loonovermakingen. Op 30 april 1943 verscheen een besluit van de Secretarissen-Generaal van Sociale Zaken en van Financiën genaamd "Regeling financiële tegemoetkomingen aan arbeiders, werkzaam in Duitsland, die niet dagelijks heen en weer kunnen reizen". De voornaamste punten in deze regeling waren:

  1. Het toekennen van een sociale toelage op het loon gedurende de gehele tewerkstellingsperiode.
  2. Overbruggingsgeld verving de vroegere steunuitkering. De termijn gedurende welke de uitkering werd versterkt bedroeg aanvankelijk 4 maar later 3 weken. De hoogte van de uitkering was echter hoger, n.l. gelijk aan het voorheen in Nederland verdiende loon.
  3. Het verstrekken van kleding- en verteringsgelden en reiskosten.

De regeling werd later nog wel gewijzigd, maar de principiële opzet bleef. Moeilijkheden ontstonden vooral gedurende de laatste tijd voor de bevrijding, dus na de beruchte Dolle Dinsdag, toen de loonovermaking stagneerde en tenslotte geheel uitviel. Ook voor de bij razzia's weggevoerde personen golden deze problemen in dezelfde mate. Vandaar dat ook aan achterblijvende gezinnen een doorlopende overbruggingsuitkering werd verstrekt, indien men verklaarde dat de kostwinner in Duitsland verbleef.

Het arbeiderstransport

Voor het begeleiden van transporten naar de grens waren transportbegeleiders aangewezen. Bestond het transport uit meer dan 60 man, dan werden er twee aangewezen. Waren er meerdere transporten, b.v. vanuit verschillende districten, dan werd bovendien een Hoofdtransportbegeleider aangewezen. Het was hun taak de mensen tot aan de grens te begeleiden, de transportlijsten te controleren en vervolgens de mensen over te dragen aan de Duitse begeleider. De transportlijsten werden in 9-voud samengesteld en werden voorzien van een nummer. Deze nummers kregen de bij het transport behorende mensen op de revers gestoken opdat men de bij elkaar horende mensen ook bij elkaar kon houden.

Arbeidsbemiddeling door derden

Met de bijzondere arbeidsbemiddeling; zowel zonder als met winstoogmerk, heeft het R.A.B. in de oorlogsjaren weinig te doen gehad. Zoals reeds onder het hoofdstuk "De organisatie" is vermeld, waren voor beide categorieën vergunningen nodig, waarbij de vergunningen met "winstoogmerk" door de Secretaris-Generaal konden worden ingetrokken.

Aan de Joodsche Raad te Amsterdam werd in januari 1942 vergunning verleend om joods huishoudelijk en verplegend personeel bij joodse werkgevers te bemiddelen. E.e.a. geschiedde n.a.v. de verordening (198/1941), waarbij werd bepaald dat joden niet meer werkzaam mochten zijn bij niet-joodse werkgevers. Hierdoor werden joden derhalve gedwongen slechts bij joden te gaan werken. Teneinde hen daarbij behulpzaam te zijn vroeg de Joodsche Raad de vergunning aan.

Met winstoogmerk waren er voor artiesten en musici slechts 4 geconcessioneerde impressario's werkzaam, n.l. H. Ibelings in Den Haag en Fr. Mikkenie, E. Krauss en H. Orvan in Amsterdam.

De overige impressario's werden bij beschikking van 10-10-1941 de vergunning ontnomen. Ter compensatie hiervoor werd een vergoeding uitgekeerd.

T.a.v. huishoudelijk personeel bleven er 10 vergunningen met winstoogmerk en 15 zonder winstoogmerk gehandhaafd.

Beroepskeuzevoorlichting

Na de capitulatie waren er in Nederland 39 bureaus werkzaam op het gebied van de beroepskeuzevoorlichting. Van deze 39 bureaus werden er 18 gesubsidieerd. De bureaus waren georganiseerd in een Centraal Comité inzake samenwerking voorlichting bij beroepskeuze.

Toen het R.A.B. werd opgericht werd o.m. de openbare beroepskeuzevoorlichting rijkstaak, waardoor dus het bestaansrecht aan de andere bureaus werd ontnomen. De taak van deze bureaus zou door de arbeidsbureaus worden overgenomen, waardoor ook het "Centraal Comité" zou kunnen verdwijnen. Aangezien de arbeidsbureaus nog niet direct konden starten duurde het nog tot 7 juni 1943 alvorens het "Centraal Comité" werd opgeheven.

Met de voorbereiding tot het instellen van een afdeling Beroepskeuzevoorlichting bij het R.A.B. werd eerst in april 1942 begonnen. Uit het plan dat ter tafel kwam bleek dat men wilde starten met een 9-tal bureaus, verbonden aan de arbeidsbureaus. Aan deze bureaus zouden beroepskeuze-adviseurs worden verbonden. De bedoeling zat echter voor om successievelijk aan alle arbeidsbureaus een of meerdere beroepskeuze-adviseurs te plaatsen. De bij het R.A.B. gedachte afdeling werd genoemd: "Dienst voor Beroepskeuze en Psychotechniek". Het hoofd van deze dienst zou tevens toezicht hebben op het doen en laten van de beroepskeuzebureaus in den lande.

De voorlichting zou kosteloos dienen te geschieden en zou allereerst gegeven worden aan scholieren en jeugdige werkzoekenden. Aan zo'n advies zou t.a.v. de werkzoekenden ook een geneeskundig onderzoek worden verbonden en desnoods was ook een psyckotechnisch onderzoek mogelijk. Dit laatste zou voorlopig door particuliere psychotechnische laboratoria geschieden en later wellicht door de eigen dienst. Voor deze onderzoeken was een tarief vastgesteld.

Eind 1942 ontstond het plan, dat op 1 februari 1943 ook werd ingevoerd, om de jeugdbemiddeling onder te brengen bij de Dienst voor de Beroepskeuzevoorlichting. Dit huwelijk duurde echter niet lang; in augustus d.a.v. ging men weer uit elkaar. Een zaak die nogal deining veroorzaakte was de invoering medio 1943 van een z.g. "Scholierkaart". Deze kaarten moesten door de schoolhoofden worden ingevuld, hetgeen verzet opriep bij het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming. Na veel heen en weer geschrijf bereikte men een compromis, dat hierop neer kwam dat medewerking door de schoolhoofden slechts op vrijwillige basis zou worden gegeven.

Goed van de grond gekomen is de beroepskeuzevoorlichting gedurende de oorlogsjaren niet, mede onder invloed van de toenemende activiteiten der Duitsers t.a.v. de arbeidsinzet, waardoor de belangstelling voor beroepskeuzevoorlichting naar het tweede plan werd verwezen en deze uiteindelijk op non-actief kwam te staan.

Statistieken

De in de oorlog samengestelde statistieken bestonden uit:

  1. de werkloosheidscijfers en
  2. de gegevens betreffende de uitzending naar Duitsland.

Voor het raadplegen van cijfers dient er allereerst op gewezen te worden dat in het archief van het R.A.B. geen cijfermateriaal meer aanwezig is. Voor de officiële gegevens, voornamelijk de werkloosheid betreffende, kan geput worden uit de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (maandschrift van het C.B.S.).

T.a.v. de beschikbare cijfers over de ad b. genoemde categorie moet aangenomen worden dat deze niet betrouwbaar zijn als gevolg van:

  1. het opvoeren van gegevens door de arbeidsbureaus;
  2. dubbele boekingen;
  3. het niet beschikken over enig cijfermateriaal t.a.v. de (illegaal) teruggekeerde arbeiders.

Op allerlei plaatsen kan men gegevens en cijfers tegenkomen over tewerkstelling van arbeiders in Duitsland. Geen van deze gegevens geven echter een zeker beeld. Naast de officiële gegevens van het C.B.S. kan nog verwezen worden naar:

  1. verslagen van directeurenvergaderingen;
  2. "De Arbeidsinzet" van B.A. Sijes, die ook cijfers publiceert, ontleend aan Duitse bronnen en die cijfers ook van commentaar voorziet (Uitg. M. Nijhoff, Den Haag 1966);
  3. het verslag van het Ministerie van Sociale Zaken gedurende het 2e halfjaar van 1945;
  4. "De Openbare Arbeidsbemiddeling gedurende de bezettingstijd (1940-1945)" door dr. A.J.H. Bauer {Uitg. Waltman, Delft 1948).
De bevrijding

Gedurende de laatste oorlogsjaren werd bij de regering reeds overwogen welke maatregelen getroffen zouden moeten worden teneinde het bestuur in Nederland direct na de bevrijding te kunnen overnemen.

T.a.v. het Rijksarbeidsbureau werd op de eerste plaats bij Koninklijk besluit van 17 juli 1944 (Stbl. Nr. E51) bepaald dat deze instelling met zijn arbeidsbureaus gehandhaafd zou blijven. Tot haar taak zou naast arbeidsbemiddeling ook behoren de scholing, her- en omscholing van volwassenen. Tevens werd ingevoerd een meldingsplicht voor werklozen, ook hier met als sanctie het inhouden van steun bij het niet aanvaarden van passend werk. Eveneens verscheen tegelijkertijd in Londen het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen van 17 juli 1944, Stbl. Nr. E52, waarin het aanstellen en ontslaan van werknemers werd geregeld. De maatregelen zijn wel in oorlogstijd getroffen, maar vallen eigenlijk buiten het kader "Rijksarbeidsbureau in oorlogstijd" omdat deze besluiten zijn gevallen zonder dat zij direct van invloed zouden kunnen zijn op het Rijksarbeidsbureau, hetgeen ook de bedoeling niet was daar ze genomen zijn voor de periode die na Duitsland's capitulatie zou ontstaan.

Wel van toepassing waren deze maatregelen op het zuiden van het land toen dat in September 1944 werd bevrijd.

Als gevolg van deze bevrijding kwamen de arbeidsbureaus in het zuiden los te staan van het hoofdbureau in Den Haag. Men voerde tot de algehele bevrijding van het land een eigen beleid, geënt op de Londense besluiten o.l.v. het toenmalige hoofd van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Eindhoven, mr. P.h. Werner. Tenslotte nog het een en ander over de mensen die het R.A.B. en de Gewestelijke Arbeidsbureaus in oorlogstijd bevolkten. De arbeidsinzet, zoals hiervoor besproken, heeft zijn sporen wel achtergelaten op het ambtenarencorps. Gedurende de 5 oorlogsjaren waren niet alle ambtenaren bereid loyaal mee te werken met Duitse maatregelen, die steeds driester werden. Dit had tot gevolg dat gedurende de oorlogsjaren ±400 personen zijn ondergedoken, dat 20 pct. van het personeel op de een of andere manier het slachtoffer is geworden van Duitse druk of terreur, dat 274 ambtenaren werden gearresteerd en 131 naar concentratiekamp of gevangenis werden gevoerd. In totaal zijn 51 personen gefusilleerd of in een concentratiekamp overleden; 7 personen werden vermist en 6 werden op een of andere manier slachtoffer van de bezetting.

Ook na de bezetting vielen er slachtoffers, maar nu als gevolg van de zuivering. Van de gemiddelde bezetting, die op ±3.000 wordt geschat, is 18 pct., d.i. 554 man, ontslagen; 3 1/2 pct., d.i. 105 man, werd disciplinair gestraft en tegen 12 pct. van hen die door de zuiveringscommissie werden doorgelicht, d.i. 351 man, behoefden geen maatregelen te worden genomen.

Geraadpleegde literatuur

Bauer, A.J.H. De Openbare arbeidsbemiddeling gedurende den bezettingstijd (1940-1945), Delft,1948.

Bestuursalmanak voor het bezette Nederlandsche gebied, 1942-1943, samengesteld door het Departement van Algemene Zaken, 's-Gravenhage, 1942.

Cursus over de Rijksarbeidsbemiddeling. Uitgave Rijksarbeidsbureau. no. 9, z.j. (1941).

Departement van Sociale Zaken. Verrichtingen gedurende het jaar 1940-1941, 1942 en 1943. Rijksuitgeverij, 's-Gravenhage.

Economische en sociale kroniek der oorlogsjaren 1940-1945. Centraal bureau v.d. Statistiek. Uitg. Mij. De Haan, Utrecht, 1947.

Jaarverslagen van de Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling. (v.a. 1930).

Lier, Th. van. De arbeidsbemiddeling en werkloosheidszorg in nieuwe banen. Vermande Zn., IJmuiden, 2e druk, okt. 1940.

Nederlands Arbeidsfront. Wat U weten moet als U in Duitsland gaat werken. Amsterdam, 1943.

N.V.V. Jaarverslag over de jaren 1940-1945.

Scholtens, A.L. De secretarissen-generaal. In: Onderdrukking en Verzet, I, blz 398-417.

Sijes, B.A. De arbeidsinzet, de gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945, 's-Gravenhage 1966.

De techniek van de arbeidsbemiddeling. Uitgave Rijksarbeidsbureau, no. 5, Rijksuitgeverij, 's-Gravenhage, 1941.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in