gahetNA in the National Archives

Gouverneur Suriname / Geheim Archief - Zoeken: NSB

Uw Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.10.18
J.A.A. Bervoets
Nationaal Archief, Den Haag
1974
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.18
Auteur: J.A.A. Bervoets
Nationaal Archief, Den Haag
1974
CC0

Periode:

1885-1951
merendeel 1885-1951(1952)

Omvang:

10,00 meter; 914 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De gouverneur van Suriname was de eenhoofdige leiding van de uitvoerende macht. Ondanks aansturing vanuit Nederland en controle door de Koloniale Staten van Suriname (de wetgevende macht) gold de gouverneur onbetwist als de machtigste persoon van de kolonie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam die macht nog eens toe doordat de gouverneur ook nog opperbevelhebber van de strijdkrachten was.
Het archief van het kabinet van de gouverneur bevat voor de periode 1887-1951 de verbalen van de gouverneur met agenada's en correspondentie (meest telegrammen) met agenda's. Tevens is er divers materiaal betreffende de Tweede Wereldoorlog, zoals stukken over de politieke en militaire situatie in Frans Guyana, de stationering van Amerikaanse troepen ter bescherming van het vliegveld Zanderij en de bauxietmijnen, Duitse spionage en pro-Duitse propaganda en activiteiten, de opvang van joodse vluchtelingen, de internering van Duitsers (afkomstig uit Suriname en het Duitse schip Goslar) in het R.K. internaat te Kopiweg voorbij Lelydorp, van uit Nederlands-Indië afkomstige NSB'ers, van Nederlandse dienstweigeraars uit Zuid-Afrika en van tegenstanders van het Nederlandse koloniale bewind, de bauxietmijnen tijdens de oorlog, de strijdkrachten en de bescherming van de scheepvaart naar Suriname in oorlogstijd. Voor de naoorlogse periode zijn er onder meer stukken m.b.t. de constitutionele verhoudingen met Nederland (Ronde-Tafelconferentie).

Archiefvormers:

  • Gouvernementssecretarie van Suriname

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Suriname als overzees gebiedsdeel van Nederland

De periode 1885-1951 wordt voor Suriname gekenmerkt door een geleidelijke ontwikkeling naar staatsrechtelijke zelfstandigheid binnen Nederlands verband en de daarmee gepaard gaande opkomst van een parlementair-democratisch regeringssysteem. Het grootste gedeelte van dit tijdvak werd staatsrechtelijk bepaald door het regeringsreglement van 1865, dat na de afschaffing van de slavernij in 1863 een begin moest maken met de gedeeltelijke autonomie van Suriname. Suriname zou toen aldus de Memorie van Toelichting bij het reglement - van een slavenkolonie "een overzeesch Nederlandsch gewest" worden, dat "een college van municipaal karakter" kreeg toegewezen. Belangrijker is echter de invloed, die het rijksverband voor Suriname op sociaal en economisch terrein heeft gehad. De pogingen van het gouvernement om binnen Suriname mogelijkheden te vinden voor het opzetten van winstgevende bedrijven en later om het land tot hoger economisch peil te brengen, hebben een blijvende weerslag gehad op Surinames sociale en etnische structuur. Aanvankelijk werd geprobeerd de plantage-arbeid na de afschaffing van de slavernij in stand te houden: de produkten, die deze plantages opleverden (vooral suiker) daalden echter in prijs en de grote landbouw bleek daardoor niet lonend. Daarbij waren, ondanks het door het gouvernement gereglementeerde stelsel van kontraktarbeid, waarbij kontraktbreuk als een strafrechtelijke vergrijp werd beschouwd (poenale sanctie), de planters niet in staat hun werknemers op de plantages te houden. De Creolen begonnen eigen grond te bebouwen, totdat bleek, dat ook hun produkten (voornamelijk cacao) geen winst opleverden. Daarna trokken zij naar de stad, om zich in de opkomende industrie of als havenwerker in vaste loondienst te begeven, of naar de binnenlanden, om actief te zijn in de opkomende bos- en mijnontginningen; sommigen onder hen werden ambtenaar of leraar.

Het landbouwprobleem werd dus vooral een arbeidsprobleem: het tekort aan arbeidskrachten voor de opzet van grotere ondernemingen was even structureel als de paradoxaal daaruit voortkomende werkloosheid, wanneer ondernemingen op kleinere schaal door internationale concurrentie het loodje moesten leggen; de oplossing werd gezocht in werving van buitenlandse arbeiders: in 1873 werd tussen Nederland en Groot-Brittannië een verdrag gesloten, dat de immigratie van Brits-Indiërs regelde; in 1890 wierf de Nederlandsche Handelmaatschappij de eerste Javanen voor de plantage Mariënburg. Dit in aantal toenemende Aziatische contingent ging weldra over tot de kleine landbouw en leverde het voedsel aan de Creolen in de stad. Door de geboorte-aanwas en door de voortgang der immigratie nam het zozeer toe, dat de Hindostanen en Javanen in het midden der twintigste eeuw de helft van de bij de landseconomie betrokken bevolking uitmaakten.

Alternatieven voor de landbouw betekenden de mijnbouw en de bosbouw. Hierbij trachtte de overheid vooral het particulier initiatief te stimuleren. De ontdekking van goud in de Sarakreek omstreeks 1900 leidde tot de aanleg van de enige bestaande spoorweg in Suriname van Paramaribo naar de Boven-Surinamerivier. De kost ging hier echter niet voor de baat uit. Lonender bleek de bauxietwinning bij Moengo, gelegen aan de voor coasters bevaarbare Cottica-rivier. In 1916 werd de Surinaamsche Bauxite Maatschappij opgericht, een dochter van de Aluminium Company of America. Het betekende het begin van de toenemende invloed van de Verenigde Staten op het economisch bestel van Suriname; tevoren had de United Fruit Company contracten met Nederland afgesloten voor de levering van bacove, maar de daaruit voortkomende ondernemingen leden grote verliezen, die door het Rijk moesten worden gedekt. In de wouden werd balata getapt, een soort rubber, dat kon dienen voor de auto-industrie: de concurrentie op de wereldmarkt maakte ook deze onderneming onrendabel, zodat bauxiet het belangrijkste exportartikel bleef (soms 80% van de waarde van de totale uitvoer!).

De ongunstige economische situatie deed zich sedert 1924 gevoelen door de toenemende werkloosheid en verpaupering. In 1931 kwam het tot crises, toen ook de balata-ondernemingen werden opgeheven. De daaruit ontstane sociale onrust culmineerde in bloedige onlusten tijdens de z.g. "rode dinsdag" van 1931 en de demonstraties naar aanleiding van de arrestatie van Anton de Kom in 1933. De Nederlandse regering beantwoordde deze onrust door een versterking van haar invloed in de Surinaamse politiek door de toekenning van extra volmachten aan de gouverneur en de wijziging van het regeringsreglement in 1936. Dit beleid werd ondersteund door prof.dr J.C. Kielstra, die van 1933 tot 1944 gouverneur was.

Met de Nederlandse Antillen bleef Suriname het enige rijksdeel, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog niet door vijanden van de geallieërden was bezet. Door het vertrek van de Nederlandse regering naar Londen kon na de bezetting van het moederland door Hitlers troepen het Nederlandse beschikkingsrecht over de Overzeese Rijksdelen worden gehandhaafd. De invloed vanuit de Verenigde Staten nam echter toe: Amerikaanse troepen werden in Suriname gelegerd om de belangen van het in de oorlog steeds belangrijker bauxietbedrijf te beschermen tegen aanvallen van Duitse raiders of vanuit het nabije Frans-Guyana, dat na de capitulatie van de regering Pétain een bedreiging vormde voor de gealliëerden. Daarom steunde het Nederlandse gouvernement de machtsgreep van een pro-Amerikaanse verzetsgroep in dit Franse gebiedsdeel.

Dat de Nederlandse soevereiniteit over Suriname krachtig werd gehandhaafd, is mede het gevolg geweest van het persoonlijk beleid van de gouverneur. (

Diverse mededelingen over het beleid van het gouvernement in oorlogstijd kan men aantreffen in: Paul Chr. van Westering, Postcensuur in Suriname 1939-1947, De Postzak nummers 99-105 (juni 1973 - december 1974). Persoonlijke archivalia van Nederlanders, betrokken bij de staatsgreep in Frans-Guyana, H.F.J. Mouwen en A. Mörzer Bruyns, bevinden zich in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag.

)

Tijdens de oorlog werd Paramaribo in een garnizoensstad herschapen. Onmiddellijk na de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 werd in Suriname de staat van beleg afgekondigd en werden Duitse inwoners en personen, verdacht van nationaal-socialistische of communistische sympathieën, geïnterneerd; later werden ook geïnterneerden uit Indonesië naar een kamp overgebracht. Het antwoord van de Nazi's hierop was de internering van Nederlandse gijzelaars in Buchenwald, Vught en Haren.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende tevens het begin van de emancipatie der koloniale volkeren. Gevolggevend aan de wensen, uitgesproken door koningin Wilhelmina in haar bekende radiorede van 7 december 1942, voerde de Nederlandse regering een politiek, die allengs moest leiden tot staatsrechtelijke en economische onafhankelijkheid van Suriname. Op 19 september 1945 stelde de gouverneur een commissie in ter bestudering van de staatkundige hervormingen. De ontwikkelingen die hierop volgden leidden in 1948 tot een herziening van het regeringsreglement, dat voorzag in een autonoom regeringsstelsel. De onafhankelijkheidswording van Indonesië, die met pijnlijke conflicten gepaard ging, maakte ook de herziening van de betrekkingen tussen Nederland en het rijksdeel Suriname noodzakelijk. Na een ronde-tafelconferentie tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen kwam in december 1949 een interimregeling tot stand in afwachting van een nadere conferentie ter definitieve vaststelling van het Statuut voor het Koninkrijk. In 1946 nam de gouverneur in overleg met de Nederlandse regering het initiatief tot een algemeen welvaartsplan voor Suriname, dat zijn door de oorlog gestegen deviezenvoorraad allengs zag slinken. Dit leidde in 1947 tot de oprichting van het Surinaams Welvaartsfonds, dat beoogde op het gebied van terreinverkenning, landbouw en verbetering van de infrastructuur nieuwe initiatieven te stimuleren. In 1948 kwam een periodiek overleg tussen de Nederlandse regering en het Surinaamse gouvernement tot stand ter bespreking van financiële en economische aangelegenheden. Ook de Marshall-hulp verleende bijdragen. In 1950 werd ten behoeve van de Surinaamse regering de Stichting Planbureau Suriname ingesteld, die de planning van door het Surinaams Welvaartsfonds uit te voeren projecten moest verbeteren en uiteindelijk een tienjarig ontwikkelingsplan opstelde.

Er ontstonden nieuwe verhoudingen, die ook hun weerslag vonden onder de bevolking. Politieke partijen ontstonden: de Nationale Partij Suriname en de Verenigde Hindostaanse Partij bleken hiervan de meest levensvatbare: zij werden veruit de twee grootste partijen in de Staten na de verkiezingen van 1949. Het eigen volkskarakter begon zijn weerslag te krijgen in de Surinaamse regeringsinstellingen, de autonomie begon zich te ontwikkelen. Dit werd uiteindelijk in het in 1954 gesloten Statuut van het Koninkrijk erkend.

De bevoegdheden van de gouverneur

Het regeringsreglement van 1865 legde de basis voor een zeker zelfbestuur, waarbij de meest welgestelden van de bevolking door middel van stemrecht de medebeslissingsmacht hadden in het gouvernementele bestuur. De wetgevende macht werd gevormd door de Koloniale Staten van Suriname, tot 1901 samengesteld uit negen afgevaardigden, gekozen door kiesgerechtigden, waarna er vier door de gouverneur werden aangesteld. Hiertoe was aanvankelijk besloten, omdat men vreesde, dat de door het censuskiesrecht aan de macht gekomen planters zich zouden verzetten tegen de afschaffing van de slavernij. Bovendien zouden de vier aangestelden een matigende invloed uitoefenen. Dit laatste bleek in de praktijk allerminst het geval, zodat bij reglementswijziging van 1901 alle Statenleden verkiesbaar werden gesteld. In 1936 kreeg door de herziening van het regeringsreglement de gouverneur wederom het recht vijf afgevaardigden te benoemen, om naast een in hoofdzaak blanke en creoolse afvaardiging de Aziaten te vertegenwoordigen.

De Staten brachten in samenwerking met de gouverneur de wetten tot stand, die "koloniale verordeningen" of "landsverordeningen" werden genoemd. Wanneer een besluit van de Staten de gouverneur niet welgevallig was, kon deze het besluit opschorten dan wel de vaststelling van het besluit "in beraad houden". Deze dubbelmacht kon aanleiding geven tot wrijvingen tussen de Staten en de gouverneur. Dit werd nog erger, doordat de wetgever geen koloniale verordeningen kon uitvaardigen over zaken, die reeds in het moederland bij wet of Koninklijk Besluit geregeld waren (na 1901 wel, mits dit in de wet of het K.B. werd toegestaan) en doordat reeds aangenomen koloniale verordeningen door latere K.B.'s of wetten konden worden teniet gedaan. In de wijziging van het regeringsreglement van 1901 kon het moederland bij Koninklijk Besluit nadere regelingen treffen ten aanzien van koloniale verordeningen. Dit betekende eveneens een ernstige inperking van de wetgevende macht van de Staten. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er tussen de Staten en de gouverneur nogal eens conflicten ontstonden. Herhaalde malen werden om die redenen Surinaamse begrotingen verworpen. In 1891 leidde een pachtersopstand tot een gecompliceerd stelsel van onenigheden, die onder de toenmalige gouverneur jhr.mr M.A. de Savornin Lohman op straat dreigden te worden uitgevochten. In 1943 leidde een conflict tussen het Statenlid Bosch Verschuur en gouverneur Kielstra tot de internering van het Statenlid. Uit protest tegen de schending van parlementaire rechten zijn de Staten tot het bericht van Kielstra's aftreden niet meer bijeen geweest.

De gouverneur kon ook zelfstandig besluiten uitvaardigen, die echter altijd moesten voortvloeien uit een reeds bestaande rijkswet, K.B. of koloniale verordening, waarnaar in het besluit moest worden verwezen. Tot 1936 kon de gouverneur echter bij besluit ook straffen bepalen, hetgeen in strijd was met het in artikel 57, lid 2, van de Grondwet verdedigde beginsel nulla poena sine praevia lege.

Als uitvoerende macht was de gouverneur "vertegenwoordiger des Konings", die "'s Konings aanwijzingen in acht neemt"; (

Omschrijvingen in de regeringsreglementen van 1865 en 1936.

) de executive is tot 1950 altijd eenhoofdig geweest. Dit betekende, dat alle beleidsvoering bij de gouverneur berustte: hij kon beslissen "of er een bode kon worden aangesteld, een vergunning of concessie (balata, bauxiet, petroleum en goud) werd verleend, dan wel nadere bindende regels ter uitvoering van wetten, Koninklijke Besluiten of verordeningen tot stand werden gebracht".(

C.D. Ooft, Ontwikkeling van het constitutionele recht van Suriname, pag. 75.

)
Hij werd hierin bijgestaan door een zeshoofdige Raad van Bestuur, waarvan de gouverneur voorzitter, de procureur-generaal ondervoorzitter was en waarin ook de administrateur van financiën en de gouvernementssecretaris zitting hadden. Hun functie is te vergelijken met die van de Nederlandse Raad van State; bij de vaststelling van een koloniale verordening en bij raadgeving aan de minister van Koloniën inzake een wetsontwerp was de gouverneur verplicht om dit college om advies te vragen. De gouverneur was tegenover de Staten niet persoonlijk verantwoordelijk voor zijn beleid, doordat zijn benoeming en ontslag door de Nederlandse Kroon geschiedde.

In 1933 werd de uitvoerende macht van de gouverneur nog versterkt door hem bij Koninklijk Besluit toegekende volmachten ter beperking van politieke vrijheden en ter breideling van de pers, analoog aan de macht van de gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Daarnaast voorzag het regeringsreglement van 1936 in een grotere vrijheid van handelen van de gouverneur ten aanzien van zowel het moederland als van de Staten. Onder dringende omstandigheden mocht hij, zij het onder nadere bekrachtiging van wet, koloniale verordeningen, K.B.'s en wetten bij algemene maatregel van bestuur of landsverordeningen wijzigen of buiten werking stellen.

Op grond van dezelfde motieven kon de gouverneur op eigen gezag een landsverordening vaststellen, wanneer de beraadslaging van de Staten te lang duurde of geen goedkeuring van de Staten was verkregen. De belangrijkste verordening die op deze wijze tot stand kwam, was de wettigverklaring van hindoeïstische en islamitische huwelijkssluitingen in 1940.

De macht van de gouverneur bereikte een hoogtepunt in de jaren 1940-1945, toen hij tevens de functie uitoefende van opperbevelhebber van de krijgsmacht. Het is begrijpelijk, dat de Staten bij een bezoek van de minister van Koloniën Van Mook verklaarden, dat "Suriname (werd) bestuurd op een wijze die in wezen vaak weinig verschilt van dictatuur". (

Handelingen van de Staten van Suriname, 1942-1943, pag. 163-169.

)

In 1946 en 1947 stelde gouverneur J.C. Brons twee departementen in, die hem als zelfstandige organen in zijn uitvoerende taak moesten bijstaan: dat van Sociale Zaken en Immigratie (15 januari 1946, gouvernementsbesluit nr. (

Mededelingen hierover in een artikel in De Tijd, archief van het Kabinet van de Gouverneur, 1952-1975, inventarisnummer 197.

) en dat van Economische Zaken (18 augustus 1947, gouvernementsbesluit nr. 121). Als directe reactie op de verlangens van de Surinaamse delegatie op de Rondetafelconferentie in maart 1948 richtte hij op 4 maart een College van Bijstand op, dat zich, vooruitlopend op een vast te stellen nieuwe Staatsregeling, verantwoordelijk achtte aan de Staten. Dit college beheerde zes afzonderlijke departementen.

De Staatsregeling van 21 mei 1948 voorzag in gekozen Staten door middel van algemeen kiesrecht. Voorzien werd in een College van Algemeen Bestuur, dat zijn beleid moest toelichten aan de Staten; de gouverneur was onder meer verplicht om met dit college overleg te plegen bij de vaststelling van landsverordeningen. Bovendien hoefde de gouverneur slechts 's konings aanwijzingen te volgen bij onderwerpen, waarbij ook Nederland, Nederlandsch-Indië en Curaçao betrokken zouden worden.

Het gouvernement nam echter ook zelf initiatieven tot het delegeren van zijn arbeid. In december 1946 stelde gouverneur Brons op verzoek van de minister van Overzeese Gebiedsdelen de benoeming van een gecommitteerde voor Suriname in Nederland voor; uiteindelijk leidde dit tot de landsverordening van 11 november 1947 (GB no. 174), waarin een Vertegenwoordiger van Suriname in Nederland werd benoemd. Ook werd bij gouvernementsresolutie van 21 juli 1947 de Dienst van Lands Bosbeheer ingesteld. Langs deze weg ontstonden er na de Staatsregeling tal van diensten en lichamen, die allengs onder de departementen van het College van Algemeen Bestuur kwamen te ressorteren.

De beperkingen van de macht van de gouverneur kregen meer constitutionele vorm in de Interimregeling van 20 januari 1950. Artikel 1 daarvan luidde: "De Gouverneur is het hoofd van de landsregering. De landsministers zijn verantwoordelijk". De regeling voorzag in de vorming van een Regeringsraad, die een nog nader te omschrijven uitvoerende bevoegdheid kreeg. Rechtstreeks werd slechts de gouverneur betrokken in aangelegenheden betreffende het Koninkrijk. De machtspositie van de gouverneur bleef echter formeel nog bestaan in zijn bevoegdheid om de Staten te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven.

De gouverneur achtte in het kader van de uitvoering van de Interimregeling 1950 een administratieve scheiding tussen zijn eigen werkzaamheden en die van de Regeringsraad noodzakelijk. Bij landsverordening van 3 augustus 1951 (G.B. nr. 90) werden de grondwettelijke neergelegde bevoegdheden van de gouverneur inzake benoeming en ontslag van ambtenaren overgedragen aan de Regeringsraad. Voor de behartiging van de Koninkrijksbelangen werd een afzonderlijk apparaat ingesteld: op 14 juni 1951 kwam het Kabinet van de Gouverneur tot stand. (

Mededelingen hierover in een artikel in De Tijd, archief van het Kabinet van de Gouverneur, 1952-1975, inventarisnummer 197.

) De gouverneur interpreteerde zijn door de Interimregeling omschreven positie als die van plaatsvervanger van de constitutionele monarch en stelde voor zichzelf en zijn opvolgers regels vast om de bepalingen van het tot stand te komen statuut in deze zin op te vatten; aldus werd de parlementaire democratie in Suriname de facto een constitutionele traditie. Het binnenlandse regeringsbeleid zou worden gevoerd door een samenspel van Regeringsraad en Staten: de Surinaamse autonomie kwam tot ontwikkeling.

Lijst van gouverneurs, 1885-1951
1885-1888 1885-1888
1888-1889 1888-1889
1889-1891 1889-1891
1891-1896 1891-1896
1896-1902 1896-1902
1902-1905 1902-1905
1905-1908 1905-1908
1908-1911 1908-1911
1911-1916 1911-1916
1916-1921 1916-1921
1921-1928 1921-1928
1928-1933 1928-1933
1933-1944 1933-1944
1944-1948 1944-1948
1948-1949 1948-1949
1949-1955 1949-1955

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

LET OP: DIT ARCHIEF IS PER 7 DECEMBER 2011 NIET MEER RAADPLEEGBAAR WEGENS DIGITALISERING

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in