gahetNA in het Nationaal Archief

Curaçao, Bonaire en Aruba na 1828 - Zoeken: Curacao

1540 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

1.05.12.02
E. Hoogendijk, T. van der Lee
Nationaal Archief, Den Haag
1995
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.05.12.02
Auteur: E. Hoogendijk, T. van der Lee
Nationaal Archief, Den Haag
1995
CC0

Periode:

1771-1914
merendeel 1828-1845

Omvang:

67,00 meter; 1346 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

In de archieven van Curaçao zitten stukken over een aantal bestuurlijke instellingen in de West-Indische Koloniën voor de periode 1828-1845. Van deze instellingen zijn notulen en correspondentie bewaard en financiële administratie, zoals grootboeken en journalen. Voor diverse gerechtelijke instanties geldt dat er rechtsrollen, processtukken en sententies zijn. Daarnaast hebben veel stukken betrekking op de verkoop van roerend- en onroerend goed: notariële- en secretariële akten, akten van hypotheken en belastingregisters. Met betrekking tot het militair commandement zijn er stukken over het hospitaal, het materieel en het garnizoen. Voor de schutterij en de landstorm zijn er ingekomen stukken, bataljonorders, sterktestaten, en wachtroosters. Ook zijn er een aantal jaargangen van "De Curaçaosche Courant" (1818-1846). Verder zijn er vrijbrieven (van slaven); opgaven van plantages; instructies, reglementen en publicaties (gedrukt) (met bijlagen); ingekomen gouvernementsaanschrijvingen (met bijlagen). Van de Weeskamer zijn er, behalve veel financiële administratie als journalen, grootboeken, kasboeken e.d., tevens boedelrekeningen. Ook zijn er stukken over het pensioenfonds voor ambtenaren

Archiefvormers:

  • Administrateur van Financiën van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • College van de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • College voor Commercie en Zeevaart van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • College voor de Kleine Zaken van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Commandeur van Aruba
  • Commandeur van Bonaire
  • Commissarissen tot de Kleine Zaken van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Controleur der Financiën van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Directeur van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Gemeentebestuur van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Gezaghebber van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Gouverneur van Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Eustatius, Saba en St. Maarten
  • Gouverneur-Generaal van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Grote Raad van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Hof van Justitie van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Hypotheekbank van Curaçao
  • Koloniale Raad van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Landstorm van Curaçao
  • Loods van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Magazijnmeester van alle Magazijnen op Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Militaire Commandant van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Ontvanger van 's-Rijks Koloniale Middelen op Curaçao
  • Procureur des Konings van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Publiek Ministerie van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Raad van Civiele en Criminele Justitie van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Raad van Politie van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Raad voor Administratie van het Pensioenfonds voor Ambtenaren in de Nederlandse Westindische Koloniën te Curaçao
  • Rechtbank van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Schutterij van Curaçao
  • Vendumeester en Ontvanger der Recognities van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Vendumeester van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Weeskamer van Curaçao, Bonaire en Aruba

Archiefvorming

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Literatuur

Bijlsma, R. en Lee, T. van der Inventaris van het oud-archief Curaçao, Bonaire en Aruba tot 1828 ('s-Gravenhage, 1924-1989).

Bordewijk, H.W.C. Ontstaan en ontwikkeling van het staatsrecht van Curaçao (Diss. 's-Gravenhage, 1911).

Encyclopedie van de Nederlandse Antillen (onder redactie van P.Ph. de Palm, Zutphen, 1985).

Hartog, J. Geschiedenis van de Nederlandse Antillen. Curaçao van kolonie tot autonomie (II, Aruba, 1961).

Moerman, J.W. Inventaris van het archief van het Algemeen Rijksarchief, 1800-1940 (1966) (Algemeen Rijksarchief, 's-Gravenhage, typoscript).

Kunst, A.J.M. Recht, commercie en kolonialisme in West Indië. Vanaf de zestiende tot de negentiende eeuw (Zutphen, 1981).

Publicatiebladen van Curaçao, 1816-1851; 1866-1870 en 1871-1875.

Schiltkamp, J.A. 'Financiële aspecten van de Weeskamer op Curaçao', in Lustrum van een ideaal, deel VI van de Reeks van de Hogeschool (Curaçao, 1976).

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden ('s-Gravenhage, 1917, 1920, 1931).

Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven ('s-Gravenhage, 1933 en 1934).

West-Indisch Plakaatboek, Publikaties en andere wetten alsmede de oudste resoluties betrekking hebbende op Curaçao (onder redactie van J.A. Schiltkamp en J.Th. de Smidt, Amsterdam 1978, delen I en II).

ARA
Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage
GB
Gouvernementsblad Suriname
PB
Publicatieblad van Curaçao
VROA
Verslagen omtrent 's-Rijks oude archieven
WIP
West-Indisch Plakaatboek (Curaçao)

Lijst van afkortingen

Bijlsma, R. en Lee, T. van der Inventaris van het oud-archief Curaçao, Bonaire en Aruba tot 1828 ('s-Gravenhage, 1924-1989).

Bordewijk, H.W.C. Ontstaan en ontwikkeling van het staatsrecht van Curaçao (Diss. 's-Gravenhage, 1911).

Encyclopedie van de Nederlandse Antillen (onder redactie van P.Ph. de Palm, Zutphen, 1985).

Hartog, J. Geschiedenis van de Nederlandse Antillen. Curaçao van kolonie tot autonomie (II, Aruba, 1961).

Moerman, J.W. Inventaris van het archief van het Algemeen Rijksarchief, 1800-1940 (1966) (Algemeen Rijksarchief, 's-Gravenhage, typoscript).

Kunst, A.J.M. Recht, commercie en kolonialisme in West Indië. Vanaf de zestiende tot de negentiende eeuw (Zutphen, 1981).

Publicatiebladen van Curaçao, 1816-1851; 1866-1870 en 1871-1875.

Schiltkamp, J.A. 'Financiële aspecten van de Weeskamer op Curaçao', in Lustrum van een ideaal, deel VI van de Reeks van de Hogeschool (Curaçao, 1976).

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden ('s-Gravenhage, 1917, 1920, 1931).

Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven ('s-Gravenhage, 1933 en 1934).

West-Indisch Plakaatboek, Publikaties en andere wetten alsmede de oudste resoluties betrekking hebbende op Curaçao (onder redactie van J.A. Schiltkamp en J.Th. de Smidt, Amsterdam 1978, delen I en II).

ARA
Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage
GB
Gouvernementsblad Suriname
PB
Publicatieblad van Curaçao
VROA
Verslagen omtrent 's-Rijks oude archieven
WIP
West-Indisch Plakaatboek (Curaçao)

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • Bij besluit van 7 februari 1828 had de commissaris-generaal van de Nederlands Westindische Bezittingen Van den Bosch een "Reglement op het beleid van de Regeering, het Justitiewezen, den Handel en de Scheepvaart op Curaçao en onderhoorige eilanden" vastgesteld, dat op 1 maart 1828 van kracht werd. Spoedig daarop volgde het algemene "Reglement op het beleid der Regeering van de Nederlandsche Westindische Bezittingen", dat bij zijn besluit van 21 juli 1828 no. 222 was vastgesteld en op 1 augustus van hetzelfde jaar in werking trad. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 339 fo. 50 (publicatie) en fo. 52-79 (reglement).

    )

    Art.1 van het Curaçaosche reglement bepaalt dat het hoogst uitvoerend gezag op Curaçao en onderhorige eilanden, onder de gouverneur-generaal der Nederlands Westindische Bezittingen te Paramaribo, berust bij de directeur, tevens bevelhebber over de land- en zeemacht en de gewapende burgerwacht.

    Hij wordt voor de eerste maal door de commissaris-generaal en vervolgens door de Koning benoemd (art. 3). Krachtens de artt. 7-13 voorziet hij in vacatures en kan hij een ambtenaar of officier, met uitzondering van de leden van de Raad van Politie, om de daarbij genoemde redenen in hun bediening schorsen. Consuls of agenten van vreemde mogendheden mag hij, volgens art. 14, niet in de kolonie toelaten zonder authorisatie van de gouverneur-generaal. Artikel 15 bepaalt dat hij als president van de Raad van Politie optreedt, die uit vier leden bestaat. Volgens art. 19 stelt de directeur de begroting op die in de Raad van Politie behandeld wordt. Begroting en bijlagen worden aan de gouverneur-generaal toegezonden. (

    Bordewijk (1911) pp. 193-203 (bijlage VII).

    )

    Bij besluit van de commissaris-generaal van 7 februari 1828 werd voor de directeur een instruktie vastgesteld. De huishoudelijke zaken der kolonie zijn aan een Gemeentebestuur opgedragen. Volgens art. 5 van het reglement controleert de directeur in overleg met de Raad van Politie de jaarlijkse begroting van het Gemeentebestuur en de jaarrekening van de gemeente-ontvanger. Deze stukken werden voorzien van een memorie van toelichting aan de gouverneur-generaal overgezonden.

    Hij onderwerpt verzoeken om dispensatie van wetten, surséance van betaling, kwijtschelding van belastingen, aan de beslissing van de gouverneur-generaal; hij verleent zeebrieven, zeepapieren, paspoorten; hij geeft verlof aan vaartuigen om geschut te voeren; het opslaan en afleveren van buskruit en wapens aan particulieren; het verloten van goederen en het kalkbranden. Van zijn vele verplichtingen (artt. 9-26) worden hier vermeld de naleving van het verbod op de slavenhandel; de verzending om de drie maanden van een staat van het financiewezen der kolonie, met toelichtingen en verder elk jaar een uitvoerig rapport over de kolonie en de eilanden Bonaire en Aruba aan de gouverneur-generaal. (

    Idem, pp. 204-211 (bijlage VIII).

    )

    Bij K.B. van 20 november 1833 no. 85 wordt een nieuw "Reglement op het beleid der Regeering in de kolonie Curaçao en de onderhoorige eilanden" vastgesteld, dat door de directeur van de kolonie op 30 april 1834 werd gepubliceerd en op 1 mei 1834 in werking trad. Art.1 bepaalt dat het hoogste gezag op Curaçao en de eilanden Bonaire en Aruba berust bij de gouverneur-generaal der Nederlands Westindische Bezittingen te Paramaribo; hij werd vertegenwoordigd door de gezaghebber van Curaçao en de onderhorige eilanden.

    Nieuw is de Koloniale Raad, ter vervanging van de Raad van Politie, waarvan de gezaghebber voorzitter was. Dit college was volgens art. 11 alleen ingesteld om de gezaghebber van advies te dienen. Ingevolge de artt. 17-49 worden de huishoudelijke belangen der kolonie niet langer aan het Gemeentebestuur, maar aan de zorg van de gezaghebber opgedragen. De gezaghebber kan personen onder toezicht stellen of uit de kolonie doen vertrekken als hun verblijf aldaar schadelijk is. Hij kan, krachtens art. 77, na ingewonnen advies van de Koloniale Raad, onroerend goed in het belang van de openbare dienst onteigenen, mits tegen onmiddellijke schadeloosstelling. (

    Bordewijk (1911) pp. 233-246 (bijlage XII).

    )

    Twaalf jaar later wordt de bestuursregeling voor Curaçao opnieuw gewijzigd. Bij K.B. van 9 april 1845 no. 8, werd het in 1828 ingestelde gouvernement-generaal van 's Rijks Westindische Bezittingen en het daarop betrekking hebbende algemeen regeringsreglement opgeheven. Art. 1 van dat besluit bepaalt ondermeer dat de gezaghebber van Curaçao en onderhorige eilanden onder het departement van Koloniën ressorteert en dat zijn bestuur zich behalve over genoemde eilanden ook zou uitstrekken over St. Eustatius, Saba en het Nederlandse gedeelte van St. Maarten. (

    Idem, pp. 57 en 58; PB 1845 no. 263.

    )

    Bij publicatie van 19 juli 1845 brengt de gezaghebber R.F. baron van Raders ter algemene kennisgeving dat hij, bij K.B. van 21 april 1845 no. 38, is benoemd tot gouverneur der kolonie Suriname, en dat, bij K.B. van 22 april 1845 no. 8, R.H. Esser is benoemd tot gezaghebber van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba. Blijkens een publicatie van 19 juli 1845 aanvaardt Esser op die dag zijn ambt. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden na 1828, inv. nr. 357 fo. 17 en 19.

    ) Bij publicatie van de gezaghebber van 8 augustus wordt medegedeeld dat door de gouverneur-generaal van de Nederlandse Westindische Bezittingen was bepaald dat de administratieve afscheiding van de kolonie Suriname van de overige Westindische Bezittingen zou ingaan met de dag van zijn vertrek uit Suriname, op 17 juli 1845. (

    Idem, idem fo. 21 (GB 1845 no. 7).

    )

  • Het voor Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba vastgestelde regeringsreglement van 7 februari 1828 bepaalt bij art. 15 dat aan de directeur van Curaçao een Raad van Politie zal worden toegevoegd. (

    Bordewijk (1911) p. 196 (bijlage VII, art. 15).

    ) De samenstelling van dit college - twee ambtenaren en twee burgers - is bij art. 1 van de instruktie voor de Raad van Politie geregeld. De benoemingen geschieden in eerste instantie door de Koning en vervolgens onder goedkeuring van de gouverneur-generaal der Nederlands Westindische Bezitttingen te Paramaribo. (

    Idem p. 211 (bijlage VII, art. 1).

    )

    In art. 4a-m zijn de taken en werkzaamheden van de Raad van Politie vastgelegd, zoals het beoordelen van het door de directeur voorgestelde budget van rijksontvangsten en uitgaven en de door de hoofdontvanger overgelegde rekening en verantwoording en de verzending ter goedkeuring van de gouverneur-generaal te Paramaribo. Zij beslist over door burgers ingediende bezwaren tegen belastingheffingen, over alle zaken betreffende de manumissie van slaven en over verzoeken om curatele stelling en ontheffing van de administratie van goederen.

    Alle door het Gemeentebestuur ingediende reglementen, instrukties en verordeningen worden door de Raad beoordeeld. Ook neemt deze besluiten over het in bewaring stellen van personen wegens krankzinnigheid of wangedrag.

    Handelszaken boven de 300 gulden worden door de Raad in behandeling genomen en afgedaan en tevens is de Raad beroepscollege voor de Rechtbank van Kleine Zaken en het College van Commercie en Zeezaken. Tenslotte controleert de Raad jaarlijks de boekhouding van de beide Weeskamers en doet ter vervulling van vacatures bij het Gemeentebestuur voordrachten aan de gouverneur-generaal te Paramaribo. (

    Idem pp. 212 en 213 (bijlage VII, art. 4a-m).

    )

    Op 1 mei 1834 werd de Raad van Politie, door het in werking stellen van het nieuwe regeringsreglement van 20 november 1833, ontbonden. Zo kwam na bijna twee eeuwen een einde aan de samenwerking tussen de directeur (gezaghebber) en de Raad. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 439 p. 12.

    )

  • Artikel 45 van het door de commissaris-generaal Van den Bosch gearresteerde regeringsreglement van 7 februari 1828 bepaalt, dat het lokale bestuur op Curaçao zal worden opgedragen aan een Gemeentebestuur. Dit college is samengesteld uit een president, twee wethouders, twee burgers en een secretaris. (

    Bordewijk (1911) p. 201 (bijlage VII, art. 45).

    ) In de instruktie voor het Gemeentebestuur van dezelfde datum wordt in de artt. 1-9 in algemene zin over het Gemeentebestuur gesproken. Art. 5a-p geeft een gedetailleerde opsomming van de werkzaamheden van het Gemeentebestuur, terwijl de artt. 10-30 over de president handelen en de artt. 31-34 op de beide wethouders betrekking hebben. Art. 35 tenslotte betreft de secretaris, die tevens als ontvanger fungeert. (

    Idem pp. 214-223 (bijlage X).

    )

    Bij besluit van 19 maart 1828 stelt het Gemeentebestuur een huishoudelijk reglement vast. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 358 fo. 25 en 26.

    )

    Op 22 september 1828 wordt bij K.B. no. 79 besloten de bestuurlijke administratie van de eilanden Curaçao, Bonaire en Aruba te vereenvoudigen. In afwachting van een nieuw regeringsreglement voor Curaçao en de onderhorige eilanden maakt de gouverneur-generaal te Paramaribo bij resolutie van 27 december 1832 bekend dat de nieuwe bestuursorganisatie op 15 april 1833 zal ingaan en dat het Gemeentebestuur vanaf die datum zal zijn ontbonden. Haar werkzaamheden worden tot de invoering van het nieuwe regeringsreglement door de Raad van Politie waargenomen. De archieven van het Gemeentebestuur, waaronder die van de burgerlijke stand, zullen aan de gouvernementssecretaris worden overgedragen. De financiële administratie komt in handen van de boekhouder-controleur. Het saldo van de gemeentekas zal in de koloniale kas worden gestort. (

    PB 1833 nr. 175; ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 408 fo. 72.

    )

  • Het bij K.B. van 20 november 1833 no. 85 vastgestelde regeringsreglement voor Curaçao en de onderhorige eilanden bepaalde bij art. 3 dat aan de gezaghebber een Koloniale Raad zou worden toegevoegd, waarvan de gezaghebber voorzitter was. De Koloniale Raad was samengesteld uit de procureur des Konings, de administrateur der financiën en drie der aanzienlijkste ingezetenen. In de artt. 4-20 van het genoemde regeringsreglement zijn de werkzaamheden van de Koloniale Raad vastgelegd. De Koloniale Raad had slechts een informatieve en adviserende functie. De leden van de Koloniale Raad werden voor de eerste maal door de Koning benoemd en vervolgens door de gouverneur-generaal van de Nederlands Westindische Bezittingen te Paramaribo. De koloniale secretaris assisteerde in de vergaderingen van de Koloniale Raad. (

    Idem pp. 223-226 (bijlage XII).

    )

  • Het regeringsreglement voor Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba van 1828 bepaalde bij art. 27, dat de rechtspraak zou worden uitgeoefend door de Raad van Civiele en Criminele Justitie, het College van Kleine Zaken en het College van Commercie en Zeezaken. De Raad van Civiele en Criminele Justitie werd gevormd door een president en zes leden, nl. twee van de voornaamste ambtenaren en vier burgers (twee kooplieden en twee grondeigenaren), geassisteerd door een secretaris (art. 29).

    Bij besluit van de commissaris-generaal van de Nederlands Westindische Bezittingen van 15 februari 1828 werd voor deze Raad een instruktie vastgesteld, waarin de taken en werkzaamheden van de Raad zijn geformuleerd. Van toepassing was ook de publicatie van de Bataafse Republiek van 10 oktober 1798, waarin de manier van procederen werd geregeld in criminele zaken tegen ontkennende verdachten, in verband met de afschaffing van de pijnbank. (

    Bordewijk (1911) p. 198 (bijlage VII, art. 27); ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 454 fo. 222-229vo (instruktie voor de Raad van Civiele en Criminele Justitie); PB 1827 nr. 117.

    )

    De commissaris van politie werd belast met het Openbaar Ministerie en trad als zaakgelastigde van de hoge overheid of van de gemeente op bij het College van Kleine Zaken, volgens de artt. 14 en 15 van zijn instruktie van 15 februari 1828. (

    Idem, inv. nr. 454 fo. 239-241vo.

    )

    Een voor de Raad van Civiele en Criminele Justitie, voor het College van Commercie en Zeezaken en voor het College van Kleine Zaken vastgesteld huishoudelijk reglement van 27 september 1831 werd bij besluit van de gouverneur-generaal van de Nederlands Westindische Bezittingen van 25 mei 1832 goedgekeurd. (

    Idem, inv. nr. 359 fo. 17-19vo.

    )

    Artikel 24 van het bij K.B. no. 85 van 20 november 1833 vastgestelde en op 1 mei 1834 in werking getreden nieuwe regeringsreglement bepaalde dat de rechtspleging nu zou worden uitgeoefend door een Rechtbank; met het Openbaar Ministerie werd de procureur des Konings belast.

    De registratie van overdracht en het belasten van onroerend goed werd opgedragen aan twee leden van de Rechtbank (art. 43). (

    Bordewijk (1911) pp. 233-246 (Bijlage XII, artt. 20-46).

    )

    Bij publicatie van 1 mei 1834, ingevolge resolutie van de gouverneur-generaal van de Nederlands Westindische Bezittingen van 25 maart 1834, werden de Raad van Civiele en Criminele Justitie, het College van Kleine Zaken en het College van Commercie en Zeezaken ontbonden. De voor deze colleges vastgestelde instrukties bleven tot nader order van kracht. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 346 fo. 35-41.

    )

    Een instruktie voor het Openbaar Ministerie in de Nederlands Westindische Bezittingen werd vastgesteld bij K.B. van 8 oktober 1835. (

    Idem, inv. nr. 360 fo. 19-22vo.

    )

  • Artikel 27 van het regeringsreglement van 7 februari 1828 voor Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba bepaalde dat de rechtspraak in Kleine Zaken wederom zou worden uitgeoefend door een College van Kleine Zaken, zoals in de jaren vóór 1816. Dit college was samengesteld uit de president van de Raad van Civiele en Criminele Justitie en twee leden uit die Raad en hield zich bezig met civiele en "politie" zaken (kleine criminele zaken) tot 150 gulden, zonder bijstand van practizijns. Van de door het college gewezen vonnissen was beroep mogelijk bij de Raad van Civiele Criminele Justitie, later de Rechtbank. (

    Bordewijk (1911) pp. 198-200 (bijlage VII, artt. 27, 34-38).

    )

    Bij besluit van commissaris-generaal Van den Bosch van 21 juli 1828 werd voor alle Westindische Bezittingen een reglement voor de Rechtbank van Kleine Zaken vastgesteld, dat op 1 januari 1829 in werking trad. (

    PB 1828 nr. 132.

    )

    In het nieuwe regeringsreglement van 20 november 1833 voor Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba werd bij art. 31 bepaald dat de president van de Raad van Civiele en Criminele Justitie niet langer als voorzitter zou optreden.

    Met ingang van 1 mei 1834 - de datum van in werking treden van het regeringsreglement - werden drie leden uit de Rechtbank als commissarissen belast met de rechtspraak in Kleine Zaken. De commissarissen werden voor één jaar benoemd. (

    Bordewijk (1911) pp. 238 en 239 (bijlage XII, artt. 31-33).

    )

  • Art. 27 van het regeringsreglement voor Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba van 7 februari 1828 bepaalde dat de rechtspraak op Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba op het gebied van handel en zeevaart door het College van Commercie en Zeezaken zou worden uitgeoefend. Commerciële en zeezaken tot een bedrag van 300 gulden werden op de stukken "de plano" afgedaan; boven dat bedrag was beroep bij de Raad van Politie mogelijk. De president van de Raad van Civiele en Criminele Justitie, twee raadsleden en twee kooplieden maakten deel uit van het college, alsmede twee plaatsvervangers die jaarlijks op voordracht van de directeur door de Raad van Politie werden benoemd.

    Het secretariaat werd door de secretaris van de Raad van Civiele en Criminele Justitie, tevens secretaris van de Raad van Politie, waargenomen. (

    Bordewijk (1911) pp. 198-200 (bijlage VII, artt. 27, 35-37).

    )

    De ambtenaar belast met het Openbaar Ministerie trad als zaakgelastigde op bij het college. Het reglement op de manier van procederen voor het College van Commercie en Zeezaken van 17 juni 1816 bleef van kracht. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba tot 1828, inv. nr. 245 no. 11.

    )

    Het College van Commercie en Zeezaken werd op 1 mei 1834 ontbonden, als gevolg van de invoering en de in werking treding van het nieuwe regeringsreglement van 1833. Kwesties betreffende handel en scheepvaart werden voortaan door de Rechtbank in behandeling genomen en afgedaan. (

    Bordewijk (1911) p. 238 (bijlage XII, art. 29).

    )

  • Bij besluit van de gouverneur van Curaçao van 26 februari 1828 werd bepaald dat de secretaris van de Raad van Politie belast was met de notariële functies binnen deze kolonie en dat de beide commiezen ter gouvernementssecretarie onder zijn directie bevoegd waren hem, bij wettige verhindering, in de waarneming van die functies behulpzaam te zijn. (

    PB 1828 nr. 121.

    )

    Door de commissaris-generaal van de Nederlands Westindische Bezittingen werd, bij besluit van 28 maart 1828, een tarief van leges vastgesteld die, door de ambtenaar belast met de notariële functies in de kolonie Curaçao, mochten worden ontvangen. De gezaghebber heeft bij besluit van 17 augustus 1836, omtrent een onderdeel van de notariële emolumenten een nadere bepaling gemaakt. (

    PB 1836 nr. 197 (art. 2).

    )

    De akten van transport van onroerend goed en de akten van hypotheek werden respectievelijk van maart 1828 tot april 1833 gepasseerd voor de president en de wethouders van het Gemeentebestuur en van mei 1833 tot april 1834 voor de twee raden van Pollitie.

    Met het in werking treden van het nieuwe regeringsreglement van 20 november 1833 voor Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba op 1 mei 1834 werd bij art. 43 bepaald dat de akten van transport en de akten van hypotheek zouden worden verleden door twee leden van de Rechtbank. (

    Bordewijk (1911) p. 203 (bijlage VII, art. 54) en p. 240 (bijlage XII, art. 43).

    )

  • Het regeringsreglement voor Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba van 7 februari 1828 bepaalde bij art. 49 dat er een Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer zou zijn. De twee wethouders van het Gemeentebestuur functioneerden als directeuren van de Weeskamer en werden geassisteerd door een boekhouder. (

    Bordewijk (1911) p. 202 (bijlage VII art. 49) en p. 216 (bijlage XII art. 5d).

    )

    De op 15 april 1817, volgens het regeringsreglement van 1815, vastgestelde instruktie voor de Weeskamer bleef tot 1849 van kracht. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden tot 1828, inv. nr. 246 no. 1.

    ) De Raad van Politie behield het recht van controle over het door het Gemeentebestuur uit te oefenen toezicht op de administratie van de Weeskamer.

    Bij besluit van de directeur van Curaçao van 10/15 april 1833 werd een commissie van toezicht over de administratie van de Weeskamer ingesteld, bestaande uit één lid van de Raad van Politie en de gouvernementssecretaris. (

    PB 1833 nr. 178.

    )

    Op 1 mei 1834 trad het bij K.B. no. 85 van 20 november 1833 vastgestelde regeringsreglement in werking. Art. 75 van dit reglement bepaalde dat vanwege het bestuur van Curaçao de nodige zorg zou worden gedragen ten opzichte van het beheer der insolvente boedels en "over die der nalatenschappen, die aan wezen vervallen en onbeheerd zijn". (

    Bordewijk (1911) p. 245 (bijlage XII art. 75).

    )

    Op dezelfde dag werd een besluit van de gouverneur-generaal der Nederlands Westindische Bezittingen van 26 maart 1834 gepubliceerd, waarin ondermeer werd bepaald dat het toezicht op de administratie van de Weeskamer voortaan zou worden uitgeoefend door een lid van de Koloniale Raad en de koloniale secretaris. Het college van de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer bestond sinds 1 mei 1834 uit een lid van de Koloniale Raad, de koloniale secretaris en één weesmeester. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 346 fo. 40 (art. 5c).

    )

    Het nieuwe regeringsreglement voor Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba, vastgesteld bij K.B. no. 51 van 27 januari 1848, had voor de Weeskamer geen gevolgen. De instruktie voor de Weeskamer van 1817 werd bij besluit van de gezaghebber van Curaçao van 24 november 1845 aangevuld met een bepaling over de borgstelling van de weesmeester. (

    Idem, inv. nr. 888 fo. 110.

    )

    Op 22 december 1849 werden door de gouverneur van Curaçao nieuwe instrukties vastgesteld voor de Weeskamer, de weesmeester, de secretaris-boekhouder en de klerk bij de Weeskamer. Deze instrukties werden bij besluit van de minister van Koloniën van 21 mei 1850 gearresteerd. Art. 1 van de instruktie voor de Weeskamer bepaalde dat het bestuur van de Weeskamer zou worden gevormd door een lid van de Koloniale Raad, de koloniale secretaris, een weesmeester en een burger. Krachtens art. 13 had het college de zorg voor en het toezicht over alle onder haar directie vallende personen, en over hun kapitalen, "hetzij dat het college bij uitersten wil, [hetzij] ab intestato of bij beschikking van de gouverneur der kolonie, daartoe aangesteld of gemagtigd is".

    Art. 4 van de instruktie voor de weesmeester bepaalde dat hij de dagelijke inkomsten en uitgaven van de Weeskamer in een kasboek aantekende. Staten van vereffende boedels moesten worden overgebracht in een apart boek, terwijl ook de bijbehorende stukken en verificaties bewaard moesten worden (art. 16). In art. 21 worden de stukken opgesomd die in de maandelijkse vergaderingen van de Weeskamer overgelegd moesten worden. Krachtens art. 23 maakte de weesmeester aan het eind van ieder dienstjaar voor het gouvernement een balansrekening en een vergelijkende staat over het afgelopen en het daaraan voorafgaande dienstjaar op. Hij zag er op toe dat de boekhouder het archief van de Weeskamer en de inventaris van het archief in goede orde hield (art. 30). Art. 1 van de instruktie voor de boekhouder bepaalde dat hij, tevens belast met de functie van secretaris bij de Weeskamer, het journaal en het grootboek moest bijhouden. (

    Idem, inv. nr. 893 fo. 58 (instruktie voor de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer); fo. 64 (instruktie voor de weesmeester); fo. 72 (instruktie voor de boekhouder) en fo. 200 (brief van de gouverneur van 12 juli1 1850 betreffende de goedkeuring van de instrukties door de minister van Koloniën).

    )

    Bij besluit van de gouverneur van 14 april 1858 werd art. 1 van de instruktie voor de Weeskamer in die zin gewijzigd dat de administrateur der financiën, in verband met de financiële administratie van de Weeskamer, de plaats innam van de koloniale secretaris. (

    Idem, inv. nr. 901 fo. 75 (bijlage bij de notulen van 7 mei 1858).

    )

    In 1870 kwamen er grote veranderingen tot stand. De invoering van een nieuwe wetgeving in de kolonie, waaronder het Burgerlijk Wetboek, in mei 1869, had tot gevolg dat de weeskamers op Curaçao, nadat in het beheer der boedels was voorzien, zouden worden opgeheven.

    De weeskamers bleven echter na 1 mei 1869 nog enige tijd bestaan, op grond van de artt. 12 en 19 van de "Bepalingen op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving". De gouverneur kreeg de bevoegdheid de kamers op te heffen, "zoodra het getal der door de weesmeesters uitgeoefende voogdijen en gevoerde administratiën een voldoende vermindering had ondergaan". De administratie der fondsen, toebehorende aan particulieren, en van het daarmede in dadelijk verband gebrachte garantie-kapitaal, wordt nu losgemaakt van de Weeskamer en ondergebracht in een als "zedelijk lichaam" omschreven Hypotheekbank. De oprichting van de Hypotheekbank vond middels een Keur plaats en trad op 1 juli in werking. (

    PB 1868 nr. 16 en 1870 nr. 3; Schiltkamp (1976).

    )

    Bij gouverneursbesluit van 8 juli 1870 werd aan het bestuur van de Weeskamer met ingang van 1 juli eervol ontslag verleend. Alleen de weesmeester, nu in de functie van administrateur van de Hypotheekbank van Curaçao, bleef gehandhaafd. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. 913 fo. 206 en 216 (gouverneursbesluiten van respectievelijk 8 en 20 juni 1870). Zie voor de werkzaamheden van de administrateur, de artt. 25-49 van de Keur op de Hypotheekbank van Curaçao (PB 1870 no. 3).

    )

    De opheffing en liquidatie van de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer met ingang van 1 september 1876, werd bij gouverneursbesluit van 15/16 december 1875 vastgelegd. De weesmeester, bijgestaan door de ambtenaren van de per 1 januari 1876 opgeheven Hypotheekbank van Curaçao, waarvan de fondsen steeds met die van de genoemde Weeskamer onder één administratie waren gebleven, werd gedurende het jaar 1876 onder toezicht van het koloniale bestuur met de liquidatie belast.

    Het beheer van de fondsen, die vóór 1 november 1876 niet door de belanghebbenden in ontvangst waren genomen, zouden door de weesmeester-liquidateur, op naam van de daartoe gerechtigde of op wier naam zij geboekt stonden, worden overgebracht naar de inmiddels bij koloniale verordening van 16/17 september 1875 door particulieren opgerichte Curaçaosche Hypotheekbank (art. 5).

    De archieven van de opgeheven Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer werden, voor zover deze betrekking hadden op de in art. 5 van het gouverneursbesluit van 15 december 1875 genoemde fondsen, door de weesmeester-liquidateur vóór 1 januari 1877 bij de gouvernementssecretarie ter bewaring gedeponeerd (art. 7). (

    PB 1875 nr. 26.

    ) Bij gouverneursbesluit van 30 december 1876 werd echter bepaald dat, voor zover die archieven met die van de opgeheven Hypotheekbank van Curaçao in dezelfde boeken verenigd zijn, door de weesmeester-liquidateur van de Weeskamer vóór 1 januari 1877 gedeponeerd zouden worden bij de Curaçaosche Hypotheekbank (art. 7). Tenslotte werd bij gouverneursbesluit van 9/11 april 1877 het eerder genoemde besluit in die zin gewijzigd dat de genoemde archieven door het bestuur van de Curaçaosche Hypotheekbank vóór 1 mei 1877 bij de gouvernementssecretarie zouden worden gedeponeerd, waar de archieven konden worden geraadpleegd. (

    PB 1876 nr. 20 en PB 1877 nr. 9.

    )

  • De door gouverneur mr. A.M. de Rouville, met toestemming van de Koloniale Raad, op 4 mei 1870 vastgestelde "Keur nopens de hypotheekbank op het eiland Curaçao" trad op 1 juli van dat jaar in werking. De overwegingen voor het vaststellen van een dergelijke Keur zijn in de considerans als volgt geformuleerd: "dat tengevolge der in de Kolonie ten vorigen jare ingevoerde nieuwe algemeene wetgeving, de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer door den Gouverneur zal worden opgeheven, nadat in het beheer der boedels, volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek zal zijn voorzien, en dat het reeds nu nodig is de daarvan afgescheiden administratie der fondsen, toebehoorende aan particulieren, en van het garantie-kapitaal, die beiden tot dus ver volgens speciale opdragt geadministreerd worden door het Collegie van de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer, tot eene zelfstandige administratie te brengen, die, om als regtspersoon te kunnen ageren, het karakter behoeft te hebben van een zedelijk ligchaam en dat, vermits die administratie niets gemeen heeft met de koloniale, in hare verhouding tot het moederland, de aangelegenheid bij plaatselijke keur kan worden geregeld". (

    PB 1870 nr. 3.

    )

    Art. 1 van de Keur bepaalt ondermeer dat de administratie van het kapitaal van particulieren en van het daarmede in dadelijk verband staande garantie-kapitaal, onder gouvernements toezicht tot nu toe beheerd door het college van de Wees- ,Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer, wordt ingesteld tot een zedelijk lichaam onder de naam van Hypotheekbank van Curaçao. In feite betekende het, dat de gehele hypotheekadministratie werd afgescheiden. (

    Schiltkamp (1976).

    ) Het bestuur van de Hypotheekbank is samengesteld uit een voorzitter en zes leden. De gouverneur benoemt één der leden tot voorzitter. De bestuursleden worden door de Koloniale Raad gekozen uit de ingezetenen. De administrateur (de vroegere weesmeester), de boekhouder en twee klerken worden belast met de administratie van de Hypotheekbank en benoemd door de gouverneur. De boekhouder treedt eveneens als secretaris van het bestuur op (art. 2). De administrateur staat aan het hoofd van de administratie; de andere ambtenaren zijn aan hem ondergeschikt (art. 45). Hij ziet er op toe dat de boekhouder zijn verplichtingen ten aanzien van een goede zorg en bewaring van de archieven nakomt (art. 47). Ook dient deze behoorlijke inventarissen van de archieven bij te houden en alfabetische indices te vervaardigen, met een duidelijke aanwijzing waar en hoe elk archiefstuk te vinden is. Verder is de boekhouder belast met de zorg en de bewaring van de archieven van de voormalige Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer (art. 51). (

    PB 1870 nr. 3.

    )
    De benoeming van het bestuur en de ambtenaren van de Hypotheekbank van Curaçao kreeg met het gouverneursbesluit van 8 juni 1870 haar beslag en bij besluit van 4 juli 1870 werd de Keur goedgekeurd en de Hypotheekbank van Curaçao mitsdien als rechtspersoon in de zin van art. 1665 van het Burgerlijk Wetboek erkend. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 976 fo. 32 en 36 (gouverneursbesluiten van 8 juni en 4 juli 1870).

    )

    De Hypotheekbank van Curaçao was in deze vorm echter geen lang leven beschoren. Reeds op 12 januari 1872 maakte de minister van Koloniën middels een missive aan de gouverneur zijn bezwaren tegen de oprichting van een Hypotheekbank van Curaçao via een plaatselijke Keur kenbaar. Art. 185 van het regeringsreglement van 31 mei 1865 schreef immers voor dat voor de oprichting van circulatiebanken, credietverenigingen en verzekeringsmaatschappijen een vergunning bij koloniale verordening vereist was. Bovendien had de minister bezwaar tegen de bepaling dat alleen onroerend goed op Curaçao en niet op de andere eilanden kon worden beleend alsmede tegen het feit dat de koloniale overheid aansprakelijk kon worden gesteld voor eventuele geleden verliezen van de Hypotheekbank van Curaçao. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 978 fo. 137 (brief van de gouverneur van 21 februari 1872 n.a.v. brief van de minister van Koloniën van 12 januari 1872); PB 1865 no. 18 (regeringsreglement van 31 mei 1865).

    ) De gouverneur van Curaçao blijft, wellicht onder invloed van het oud-bestuurslid van de Weeskamer J. Lauffer, bij zijn mening dat het hier een plaatselijke aangelegenheid betreft. (

    Idem, idem fo. 155 ("Aanmerkingen op de bedenkingen van den Heer Minister van Kolonien" van Lauffer van 11 maart 1872).

    )
    Pas in 1874 komt de minister van Koloniën op de zaak terug, schrijvend dat de gouverneur alsnog voorzieningen dient te treffen. De minister stelt dan voor om vóór 31 december 1874 bij koloniale verordening te bepalen dat de Hypotheekbank van Curaçao moet worden opgeheven en in de vorm van een N.V. een hypotheekbank dient te worden opgericht. (

    Idem, inv. 980 fo. 236 (brief van de minister van Koloniën van 30 mei 1874; fo. 229-233 (reacties van J. Lauffer van 5 en 6 augustus 1874).

    )

    Op 16 september 1875 wordt door de gouverneur van Curaçao de verordening gepubliceerd, waarbij de N.V. "De Curaçaosche Hypotheekbank" werd opgericht. (

    PB 1875 nrs. 14, 25 en 26 (publicatie van de oprichting van N.V. "De Curaçaosche Hypotheekbank"; opheffing van de Hypotheekbank van Curaçao en van de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer).

    ) De Hypotheekbank van Curaçao en de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer worden respectievelijk met ingang van 1 januari en 1 september 1876 opgeheven. In de desbetreffende besluiten wordt tevens de liquidatie van beide instellingen geregeld. De administrateur van de Hypotheekbank van Curaçao wordt onder toezicht van het koloniaal bestuur met de liquidatie belast (art. 2). Alle hypotheken en verbanden, alsmede de Hypotheekbank in eigendom toebehorende huizen, zouden per 1 januari 1876 op de N.V. "De Curaçaosche Hypotheekbank" overgaan (art. 3). De grossen der akten waarbij de hypotheken etc. waren verleden, moeten bij proces-verbaal worden afgegeven aan het bestuur van "De Curaçaosche Hypotheekbank" (art. 4). Het archief en de boeken van de opgeheven Hypotheekbank moeten aan de Curaçaosche Hypotheekbank bij proces-verbaal worden overgedragen. Hiervan zijn uitgezonderd de respectievelijk in de artt. 7 en 4 genoemde bewijzen van kwijting en de processen-verbaal, die naar de gouvernementssecretarie moeten worden overgebracht (art. 12). Art. 16 bepaalt dat de Curaçaosche Hypotheekbank met ingang van 1 januari 1876 in het bezit zal worden gesteld van het gebouw van de oude Hypotheekbank van Curaçao. Vanaf die datum heeft het gouvernement dan ook geen enkele aansprakelijkheid meer voor de administratie van de Hypotheekbank van Curaçao (art. 17).

    Bij besluit van de gouverneur van Curaçao van 21 december 1875 wordt de administrateur van financiën aangewezen om, namens het koloniaal bestuur, toezicht te houden op de liquidatie van de Hypotheekbank van Curaçao. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 981 fo. 210.

    )

  • Het door commissaris-generaal van de Nederlands Westindische Bezittingen Van den Bosch bij besluit van 7 februari 1828 vastgestelde regeringsreglement van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba bepaalde bij art. 39 dat het beheer der financiën werd opgedragen aan een boekhouder-controleur. (

    Bordewijk (1911) p. 200 (bijlage VII, art. 39).

    )

    Krachtens zijn door de commissaris-generaal vastgestelde instruktie van 15 februari 1828 had hij de zorg over de koloniale geldmiddelen en ook over de kantoren van alle 's Rijks comptabele ambtenaren (art. 1). (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba, inv. nr. 318 fo. 82-90vo.

    ) Hij registreerde hun kwitanties om die maandelijks met de kasboeken te verifiëren (art. 4). Alle door hem opgemaakte en geregistreerde betalingsopdrachten en betaalrollen werden vervolgens aan de directeur ter ondertekening voorgelegd (art. 5). De door hem ontvangen rekeningen werden - vergezeld van een lijst - maandelijks ter beoordeling van de betaling aan de directeur opgezonden (art. 7). De boekhouder-controleur hield de registers van de door de Raad van Politie verleende ontheffing of vermindering van belastingen bij (art. 13). Ook verzorgde hij de boekhouding van de reservekas (art. 14). Art. 24 bepaalde dat hij een journaal van zijn dagelijkse werkzaamheden zou houden, waarvan de directeur te allen tijde inzage had. Hij was tevens belast met de controle en het algemeen toezicht over de magazijnen (art. 27). Van de door hem in de magazijnen verrichte inspekties diende hij een proces-verbaal aan de directeur over te leggen (art. 35). Bij de artt. 29-32 van zijn instruktie werd bepaald welke staten door de magazijnmeester aan de boekhouder-controleur op vaste tijdstippen moesten worden gezonden. Op grond van deze staten zond de boekhouder-controleur op de achtste van iedere maand van elk magazijn een door hem getekende algemene specifieke staat aan de directeur, volgens het aan zijn instruktie toegevoegde model. Art. 38 bepaalde dat de aanvragen voor de 's Rijks magazijnen aan de boekhouder-controleur moesten worden opgezonden en dat deze met machtiging van de directeur, tot de aanschaf van goederen kon overgaan. Bij art. 39 werd vastgesteld dat hij de afschriften van fakturen en andere opgaven van uit het moederland of van Bonaire afkomstige goederen moest ontvangen. De strekking van art. 44 was dat iedere maand, ieder kwartaal en aan het einde van elk jaar een opgave van ontvangsten en uitgaven moest worden gemaakt. Deze staten werden dan aan de directeur gezonden.

    In het bij K.B. van 20 november 1833 nr. 85 gearresteerde regeringsreglement van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba handelen de artt. 50-62 over de financiën. (

    Bordewijk (1911) p. 241-243 (bijlage XII artt. 50-62).

    ) Het beheer der financiën werd nu, onder oppertoezicht van de gezaghebber van Curaçao, opgedragen aan een ambtenaar die de titel van administrateur der financiën voerde en gedurende zijn ambtsperiode zitting had in de Koloniale Raad (artt. 50-52). De door de administrateur geconcipieerde begroting zou - met eventuele kanttekeningen van de gezaghebber en de Koloniale Raad, aan de gouverneur-generaal van de Nederlands Westindische Bezittingen worden toegezonden, die deze al dan niet gewijzigd zal arresteren en vervolgens opzenden aan het departement van Koloniën, voor nadere goedkeuring door de Koning (art. 55). De jaarlijkse rekening en verantwoording van ontvangsten en uitgaven, zou door de administrateur der financiën worden gedaan aan de gezaghebber, die deze met de daartoe behorende stukken, na de Koloniale Raad te hebben gehoord, doorzond aan de gouverneur-generaal ten behoeve van het departement van Koloniën (art. 57). De artt. 59 en 60 bepaalden ondermeer dat de ontvanger der kolonie zou worden belast met het innen van alle belastingen.

    Bij besluit van de commissaris-generaal van 15 februari 1828 werden de belastingen, die met ingang van 1 maart 1828 voor het algemeen en het plaatstelijk bestuur zouden worden geheven, vastgesteld. (

    PB 1828 nr. 120 (artt. 1-22).

    )

  • Krachtens art. 42 van het regeringsreglement van Curaçao van 7 februari 1828, dat op 1 maart in werking trad, was het commando over de troepen, de inspektie van de vestingwerken, de militaire magazijnen en de hospitalen, onder het oppertoezicht van de directeur van Curaçao, opgedragen aan een militaire commandant. In oorlogstijd zouden zijn functie en taken bij speciale instruktie worden geregeld. (

    Bordewijk (1911) p. 201 (bijlage VII, art. 42); ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba na 1828, inv. nr. 318 fo. 112 (instruktie voor de commandant van de troepen in garnizoen te Curaçao van 3 maart 1828).

    )

  • Bij gouverneursbesluit van 20 februari 1821 werd voor de schutterij een reglement van organisatie, administratie en discipline goedgekeurd. Dit reglement werd ondermeer bij publicatie van 5/6 december 1839 gewijzigd.

    Op 28 juli 1821 werd een reglement voor het corps schutterij in de Oost-, Middel- en Westdivisie gearresteerd, waarvan art. 1 bepaalde dat de schutterij in deze divisies onder de benaming van landstorm zou worden georganiseerd. (

    PB 1821 nr. 39 (reglement voor de schutterij); ARA archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden na 1828, inv. nr. 324 fo. 29 (wijziging van 1839); idem, inv. nr. 320 fo.26 (reglement voor de landstorm).

    )

  • Bij gouverneursbesluit van 31 december 1823 werden een reglement van adminstratie voor Bonaire en een instruktie voor de commandeur van Bonaire vastgesteld. (

    PB 1823 nr. 66 (reglement van administratie en bestuur); ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba tot 1828, inv. nr. 248 nr. 5d (instruktie voor de commandeur).

    ) Bonaire werd "aangemerkt" als een gouvernementsplantage (art. 2). Het bestuur van Bonaire werd gevormd door de commandeur, de 1e en 2e opzichter en een opzichter over de bossen, die ook als jachtmeester optrad (art. 6). Het gouvernement van Curaçao had het alleenrecht voor het fokken van vee en de exploitatie van de zoutpannen en de bossen (art. 17). De ingezetenen van Bonaire waren in civiele- en strafzaken onderworpen aan de rechtspraak te Curaçao (art. 32). Dat gold ook voor handels- en zeezaken. Akten van transport van onroerend goed en van hypotheken konden alleen te Curaçao worden gepasseerd (art. 40). Men was verplicht bij het bestuur aangifte te doen van geboorte en overlijden (art. 44). Bij gouverneursbesluit van 18/26 mei 1824 werd een aantal bepalingen van het reglement nader toegelicht. (

    PB 1824 nr. 70.

    )

  • Bij gouverneursbesluit van 31 december 1823 werden een reglement van administratie en bestuur voor Aruba en een instruktie voor de commandeur gearresteerd. (

    PB 1823 nr. 75 (reglement van administratie en bestuur); ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba tot 1828, inv. nr. 248 nr. 3d (instruktie voor de commandeur).

    ) Beiden bevatten richtlijnen en bepalingen voor de commandeur en de ingezetenen van Aruba op het gebied van het vestigingsbeleid, het grondbezit, de veeteelt, de houtkap, het kalkbranden, de handel , de belastingen en de door de ingezetenen te vervullen landsdiensten ten behoeve van het eiland. In het bijzonder kunnen nog worden vermeld de instelling van het vredegerecht (artt. 27-30), de notariële funktie van de commandeur (artt. 31 en 32), de bewaring van en de zorg voor de archieven (art. 33), de huwelijkssluiting en registratie hiervan (art. 37). In de publicatie van 9 juli 1824 van gouverneur en raden van Curaçao worden de artt. 11, 24, 44, 46, 51 en 53 van het reglement van administratie en bestuur nader toegelicht. (

    PB 1824 nr. 75.

    )

    Het bestuur van het vredegerecht werd gevormd door de commandeur en twee van de voornaamste ingezetenen (magistraten), geassisteerd door een schrijver. Het vredegerecht hield zich ondermeer bezig met bestuurszaken en deed uitspraak in civiele zaken alsmede in geldkwesties en vorderingen tot 90 peso. Het had ook de bevoegdheid om geldboeten tot 100 peso en gevangenisstraffen van maximaal veertien dagen op te leggen. Een reglement op de manier van procederen voor het vredegerecht werd vastgesteld bij besluit van 26 november 1824. (

    ARA Archieven van Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba tot 1828, inv. nr. 248 nr. 2e (instruktie voor het vredegerecht); PB 1824 nr. 81 (reglement op de manier van procederen voor het vredegerecht).

    )

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in