Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Inspecteurs Waterstaat vóór 1850 - Zoeken: "Jan Blanken"

7 Resultaten gevonden, klik op het tabblad om de resultaten te tonen.

2.16.06
H. Bonder
Nationaal Archief, Den Haag
1952
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.16.06
Auteur: H. Bonder
Nationaal Archief, Den Haag
1952

CC0

Periode:

1551-1870
merendeel 1798-1849

Omvang:

66.80 meter; 1115 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands, één artikel is in het Duits, een klein aantal stukken in het Frans.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bevat ook kaarten en tekeningen.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Betreft de archieven van de eerste nationale waterstaatsorganisatie die door de centralisatie van het rivier-en waterstaatsbeheer na 1798 werd opgericht. Met de uitvoering van de nationale waterstaatwerken werd een landelijke organisatie belast, de rechtsvoorganger en voorloper van de huidige Rijkswaterstaat. Is samengesteld uit de verschillende persoonsarchieven die door de waterstaatsambtenaren zijn gevormd bij de taakuitoefing: ingekomen en uitgaande brieven, rapporten, memories, verslagen, bestekken, circulaires en instructies, journalen, kaarten en tekeningen.
De belangrijkste onderwerpen zijn: zeeweringen, rivieren, dijken, wegen, tollen, kanalen, polders, droogmakerijen, veenderijen, molens en spoorwegen.
Bevat tevens retroacta uit de periode van het rivierbeheer door de Inspecteur van 's landsrivieren J. Lulofs van de Staten van Holland van voor 1798.

Archiefvormers:

  • Inspecteurs en Commissies van de Waterstaat in Nederland, 1551-1849 (1870)
  • Behering der Zeeweringen, Zeedijken en de Waterstaat van de Bataafse Republiek
  • Commissie inzake de Phisique en Maritieme Staat van het Koninkrijk
  • Commissie tot Onderzoek der Beste Rivierafleidingen
  • Commissie voor de Sluis- en Dokwerken te Hellevoetsluis
  • Eerste Commissaris-Inspecteur van de Waterstaat
  • Generale Directie over 's Lands Rivieren en Zeewerken
  • Hoofdcommissie voor de Onderstand der Noodlijdenden door de Watervloed van Februari, 1825
  • Inspectie van de Waterstaat
  • Inspectie van de Waterstaat, tevens Inspectie van de 1e Afdeling of Divisie
  • Inspectie van de Waterstaat, tevens Inspectie van de 2e Afdeling of Divisie
  • Inspectie van de 1e divisie van Bruggen en Wegen
  • Inspectie van de 2e divisie van Bruggen en Wegen
  • Inspectie van de 3e Afdeling of Divisie van de Waterstaat
  • Inspectie van de 4e Afdeling of Divisie van de Waterstaat
  • Inspectie van het 1e District van de Waterstaat
  • Inspectie van het 1e-7e District van de Waterstaat
  • Inspectie van het 2e District van de Waterstaat
  • Inspectie van het 3e District van de Waterstaat
  • Inspectie van het 4e District van de Waterstaat
  • Inspectie van het 8e-12e District van de Waterstaat
  • Nederlandse Delegatie van de Belgisch-Nederlandse Commissie (inzake) een Kanaal van Luik naar Maastricht
  • Hoofdingenieur in Algemene Dienst, belast met de Spoorwegen en de Rivierkaart
  • Inspecteur-Generaal over `s Lands Rivieren
  • Opzichter der fortificatien te Hinderdam, Muiden, Weesp, Uitermeer en andere posten daaromtrent.
  • Blanken Jzn, J.
  • Brunings, Chr.
  • Brunings, C.L.
  • Brunings Jr, Chr.
  • Conrad, F.W.
  • Conrad, J.W.
  • Goekoop, A.
  • Goudriaan, A.F.
  • Goudriaan, B.H.
  • Krayenhoff, C.R.T. baron
  • Kun, L.J.A. van der
  • Lorentz, P.
  • Ommeren, W. van
  • Schovel, D.J.S.
  • Steenstra, P.

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • Christiaan Brunings werd 3 november 1736 te Neckarau in Baden geboren en overleed 16 mei 1805 te 's-Gravenhage.

    Na te Heidelberg een jaar rechten te hebben gestudeerd ging hij naar Amsterdam, waar hij onder andere wis- en natuurkunde studeerde en na het overlijden van J. Noppen 25 mei 1765 benoemd werd tot toeziener van Rijnland. Als zodanig deed hij zeer belangrijk werk voor de ontwatering van het Hoogheemraadschap, vooral na 1804 aan het kanaal bij Katwijk.

    Daarnaast onderscheidde hij zich bijzonder bij de onderhandelingen over de verbetering van 's lands rivieren, hetgeen tengevolge had, dat hij op 14 april 1769 prof. Lulofs opvolgde als inspecteur-generaal over 's lands rivieren in Holland. Als zodanig had hij een werkzaam aandeel in de volgende werken:

    • Het Bijlandse en Pannerdense kanaal;
    • De droogmaking der plassen onder Bleiswijk en Hilligersberg;
    • Verbetering van het IJ bij Amsterdam;
    • De aanleg van de haven van Nieuwe Diep;
    • De vervening van de Krimpenerwaard, waarvoor een commissie was ingesteld waarvan hij president was (1798);
    • De aanleg van havenhoofden te Ter Heide en Petten.

    Bovendien deed hij veel tot verbetering onzer grote rivieren; vooral uitgebreide werken aan de Lek kwamen onder hem tot stand.

    Verder was hij lid van de Commissie van Superintendentie over de Zeedijken en Zeeweringen in de provincie Holland van 13 maart 1795 af; in 1798 werd hij president dier commissie.

    27 oktober 1795 werd hij tevens lid der Commissie van de Waterstaat van het noordelijk gedeelte van Holland. In 1797 tevens lid der Commissie tot Droogmaking der Nieuwkoopse en Zevenhovense plassen waartoe hij reeds in 1787 had geadviseerd.

    In 1798 werd hij president der Commissie voor de Maritieme Werken te Hellevoetsluis.

    26 juli 1800 benoemde het uitvoerend bewind hem tot eerste commissaris-inspecteur van de gehele Bataafse Republiek, welke titel 10 oktober 1803 veranderde in directeur-generaal over 's lands rivieren en zeewerken. Deze functie bleef hij vervullen tot aan zijn dood.

    Hij werd opgevolgd door zijn belangrijkste medewerker F.W. Conrad.

    Frederik Willem Conrad werd 23 december 1769 te Delft geboren; hij overleed te Halfweg 6 februari 1808. Hij werd in 1787 werkzaam gesteld bij de genie te Sluis om toezicht te houden bij sluizenbouw, dijk- en rijswerken. 5 augustus 1788 werd hij adjunct-landmeter bij het werk der rivieren in Zuid-Holland, waardoor hij in directe aanraking kwam met Brunings. 2 november 1796 kwam hij onder baron Krayenhoff, speciaal voor de rivieren, en nog diezelfde maand volgde zijn benoeming tot adjunct-generaal opziener van Rijnland, doch tevens bleef hij belast met het werk der rivieren.

    25 mei 1798 werd hij als commies aangesteld ter assistentie van Brunings in zijn functie van president der Commissie van Superintendentie over de Zeedijken en Zeeweringen in Holland. In datzelfde jaar werd hij ook lid van de Commissie tot Droogmaking van de Nieuwkoopse en Zevenhovense Plassen en van die tot Vervening van de Krimpenerwaard.

    In 1799 kreeg hij zitting in de Commissie tot de Sluis- en Dokwerken te Hellevoetsluis om Brunings ter zijde te staan en bij afwezigheid te vervangen. Juli 1800 volgde zijn aanstelling tot commissaris-inspecteur in het Departement van de Amstel en Texel.

    14 oktober 1803 kreeg hij de titel van inspecteur van 's lands zeehavens en zeegaten in het Noorderkwartier van Holland en werd hij tevens ten dienste gesteld van Brunings.

    25 juli 1804 werd hij benoemd tot mede-directeur der werken voor de uitwatering van Rijnland bij Katwijk en na de dood van Brunings volgde hij deze op als generaal-opziener van Rijnland.

    20 januari 1807 volgde hij Brunings op als inspecteur-generaal van de Waterstaat, hetgeen hij tot zijn dood bleef.

    De archieven van de hier voren genoemde hoge functionarissen van de Waterstaat bestaan hoofdzakelijk uit de verzameling, die in april 1855 door Bakhuizen van den Brink werd aangekocht van de boekhandelaars I.A. Nijhoff en zoon te Arnhem.

    De Gestie geeft daaromtrent de volgende toelichting (T.a.p. blz. 50 vlg.):

    Onder de aangekochte nummers was het voornaamste, dat, behelzende 'eene verzameling van stukken betrekkelijk den waterstaat en de openbare werken in de Vereenigde Nederlanden, de Bataafsche republiek en het Koninkrijk Holland over de jaren 1544 tot 1808 in 33 half Engelsche banden en 27 pakketten'. Bakhuizen van den Brink rapporteerde dienaangaande het volgende:

    'Wanneer de catalogus spreekt van het jaar 1544 als het eerste waarmede de verzameling aanvangt, is dit, omdat met dat jaar de verzameling gedrukte resolutiën Holland aanvangt, waaruit hoofdzakelijk de eerste pakketten zijn bijeen gebragt. De verzamelaar heeft reeds aanteekeningen uit stukken van de 15e eeuw bijeenverzameld, en ik stel mij voor, dat het eerste paket welligt zou kunnen worden verrijkt met de resolutiën Holland uit het later in folio uitgekomen eerste deel van het jaar 1524-1543, voor zooverre die tot den waterstaat betrekking hebben en er in het Rijksarchief een overcompleet exemplaar van het eerste deel te vinden ware. De verdere paketten, tot op den jare 1700 nog oningebonden, bestaan hoofdzakelijk uit gedrukte resolutiën der Staten van Holland, echter niet zoo of op vele plaatsen zijn geschreven stukken ingevoegd, die aan de verzamelaars Brunings, F.W. en M.H. Conrad in handen gekomen waren. Met den jare 1700 tot 1798 loopt de ingebonden reeks: aanvankelijk zijn het ook grootendeels met eenigen vlijt bijeengebragte Hollandsche en Generaliteits-resolutiën, gedrukte memoriën en rapporten; sedert 1765 echter, toen de werkzaamheid van Brunings bij den Waterstaat aanving, vindt men meer geschreven stukken, ingevoegde en geteekende kaarten, profilen en plans en wel naarmate Brunings' betrekkingen tot den dienst uitgebreider en aanzienlijker werden, eerst als Inspecteur-generaal van 's Lands - Hollands - rivieren, vervolgens als eerste commissaris-inspecteur van den Waterstaat der Bataafsche republiek, eindelijk als Directeur-generaal van 's Lands rivieren en zeewerken zijn die dikwijls geheel ongedrukte stukken talrijker; zoodat eindelijk het geschrevene het meeste is. Men vindt daarin kopijen van onderscheidene rapporten, bij Brunings in zijne betrekkingen ingekomen, brieven aan hem gerigt, en minuten van antwoorden, notulen van vergaderingen van dijkcollegiën en droogmakerijen waarvan hij lid was.

    Sedert 1798 houdt de reeks ingebondene registers op en nemen de paketten weder een aanvang; misschien omdat tot op dat jaar Brunings zelf zijne verzameling tot zooverre geordend had. Maar in die paketten wordt op dezelfde wijze de vereeniging gedrukte en geschreven stukken voortgezet. Ook na den dood van Brunings en onder het directeur-generaalschap van zijnen opvolger F.W. Conrad tot op diens overlijden (februari 1808). Naar ik verneem is het verzamelen van bouwstoffen nog altoos voortgezet door den hoofdingenieur M.H. Conrad. Schoon hij bij het sterfjaar zijns vaders is blijven stilstaan, bragt hij tot op den laatsten tijd zijns levens nog altijd materialen van vroegere dagtekening bijeen, en de onzekerheid hierin de volledigheid bereikt te hebben is welligt oorzaak, dat hij de latere paketten ongebonden liet.'

    'Hoewel het ook waar zij, dat de verzameling voor de XVIde, XVIIde en laatste helft der XVIIIde eeuw hoofdzakelijk uit gedrukte stukken bestaat, die derhalve ook elders voorhanden zijn, zou het toch een ongeloofelijken tijd en moeite kosten, niet alleen zeldzame brochures, welke ook hier opgenomen zijn, bijeen te brengen, maar ook om alles zoo te rangschikken en te ordenen, als door de kundigste mannen in het vak Brunings en de Conrads gedaan is. Die bedenking geldt niet tegen het latere gedeelte; maar ik verheug mij met betrekking tot dat gedeelte een andere bedenking te kunnen oplossen, welke wellicht bij Uwe Excellentie zou kunnen opgerezen zijn. Veel van het hier verzamelde is aan Brunings en F.W. Conrad niet in hunne betrekking als ambtenaren van den staat toegekomen, maar deels door hen zelve bijeengezogt, deels aan hen in handen gesteld of door hen zelven geschreven als leden van bijzondere collegiën van dijkwezen en waterschap. Wat hier voorkomt, aan hen in de eerste betrekking verstrekt, is veelal kopij, doch die kopij behoudt te grooter waarde bij de onzekerheid, waarin wij omtrent het lot der originelen verkeeren. In allen gevalle dunkt mij eene schifting onmogelijk, bij welke met zekerheid zou kunnen aangewezen worden: dit moet Rijkseigendom zijn.

    Het ware niet onmogelijk het werk voort te zetten, door Brunings en de Conrads aangevangen, vooral met betrekking tot de vroegere jaren. Behalve de resolutiën Holland van 1524-1543, waarop ik de eer had Uwe Excellentie te wijzen, liggen er op het Rijksarchief losse geschrevene stukken, verstrooid zoo in de loketkas van Holland als in die van de Staten-Generaal en van den Raad van Staten betreffende waterbouw en waterstaat, waaraan men reeds destijds geene bepaalde plaats wist aan te wijzen. Evenzo zijn er onder de verzamelingen van Van der Heim, Bisdom, Goldberg, Dasse-vael en Van der Hoop losse zoo geschreven als gedrukte stukken tot de geschiedenis van dit vak betrekkelijk. Ik stel mij voor de verdere verstrooiing dier stukken tegen te gaan, door ze bij de hoofdverzameling van Brunings in te lijven indien zij niet reeds daar gevonden worden'.

    Tot zover Bakhuizen van den Brink over deze verzameling. Blijkbaar is de eerste portefeuille zoek geraakt, althans de collectie begint bij 1591.

    Van de inlijving van stukken uit andere collecties is niets te bespeuren.

    Deze door Chr. Brunings aangelegde collectie is waarschijnlijk voortgezet ingevolge besluit van de raadpensionaris d.d. 10 juni 1805 (nr. 17) waarbij de Commissie van Superintendentie over de Waterstaat werd geautoriseerd 'om het archief van 's Lands Waterstaat van den Directeur-generaal bij voortduring te completeeren met alle zoodanige stukken en besluiten als weleer aan denzelven gezonden wierden; het voors. archief bij voorraad stellende onder de bewaring van den Inspecteur F.W. Conrad en zulks ten einde hetzelve archief zoude kunnen gebezigd worden door zoodanige persoon of personen als welke de commissie voornoemd eventueel zoude noodig oordeelen in belangrijke gevallen in plaats van den Directeur-generaal te raadplegen en ten einde deze hierdoor in staat gesteld worden om gereedelijk kennis te krijgen aan al hetgeen in een gegeven materie voorheen is gebeurd en besloten.'

    Voor het raadplegen dezer verzameling, waarop geen klappers zijn, zal het aanbeveling verdienen, daarbij gebruik te maken van de indices op de resoluties van de Staten van Holland en West-Friesland of voor de latere jaren van de Indices der Centrale Besturen.

    Aan de boven beschreven verzameling zijn vele stukken toegevoegd uit andere verzamelingen. Deze zijn naar de onderwerpen beschreven. De indeling van de inventaris spreekt voor zich zelf. Achter de ambtelijke stukken zijn geplaatst de particuliere stukken van Chr. Brunings en F.W. Conrad, die in 1907 zijn geschonken door mej. C.L.A. Conrad.

  • Cornelis Rudolphus Theodorus Krayenhoff werd geboren in 1758 en overleed te Nijmegen in 1840. In 1784 vestigde hij zich als geneesheer te Amsterdam, welk hij slechts kort uitoefende, daar hij in 1795 luitenant-kolonel van de Generale Staf werd en tevens adjunct-contrarolleur der Hollandse fortificaties.

    In 1796 werd hij directeur der Hollandse fortificaties en adjunct-inspecteur-generaal der rivieren.

    In 1798 werd hij luitenant-kolonel, directeur van het Departement van de Krammer en Biesbosch tot aan en met het eiland Texel.

    In 1803 volgde zijn benoeming tot inspecteur in het 2e district der rivieren (Beneden Rijn, Lek, Waal, Merwede, Hollandse IJssel en Maas, de Baartwijkse Overlaat, het Oude Maasje en de Biesbosch).

    In 1806 werd hij kolonel-directeur der fortificaties en in 1807 generaal-majoor, waarmede zijn bemoeiingen met de Waterstaat eindigden.

    Zie verder Nieuw Biografisch Woordenboek.

    De hierna beschreven stukken betreffen alleen zijn waterstaatswerken.

  • Pleunus Lorentz was sinds 1787 opzichter van de fortificaties te Hinderdam en mede voor de waarneming van Muiden, Weesp, Uitermeeren andere posten daaromtrent.

    Bij besluit van het Uitvoerend Bewind, d.d. 11 april 1798, werd opgericht het Bureau der Zeeweringen, Zeedijken en Waterstaat. Hierbij werden Krayenhoff tot chef van P. Lorentz tot commies benoemd.

    Ook bij het op 3 juli 1800 opgerichte Bureau voor Dijken, Wegen en Wateren, bleef hij 1e commies. In deze functie werd hij 3 oktober 1803 opnieuw aangesteld om de algemene secretaris en de griffier van het Staatsbewind in alle zaken, 's Lands Waterstaat concernerende, te assisteren.

    13 mei 1808 (inv.nr. 159) werd hij bevorderd tot generale chef van de Algemene Secretarie van de Waterstaat.

    1 januari 1809 stelde koning Lodewijk hem aan tot archivist en directeur der plannen bij het Comité Centraal van de Waterstaat, terwijl 16 februari 1811 zijn benoeming volgde tot chef van het Bureau van de Achterstand, waarmede dus zijn bemoeiingen met de Waterstaat een einde namen.

    In 1815 werd hij, naar aanleiding van een verzoek om een post bij de Waterstaat in Oost-Indië te mogen krijgen, benoemd tot civiel ambtenaar der 2e klasse, welke benoeming in 1816 werd ingetrokken.

  • Jan Blanken Jzn. werd geboren te Bergambacht 15 november 1755 en overleed te Vianen 17 juli 1838.

    In 1775 werd hij eerste ordinaris-opzichter van de Hollandse eilanden Voorne, Goeree en Overflakkee.

    Tijdens de vierde Engelse oorlog (1780-1784) droeg hij bij tot het in orde maken der vestingen Brielle en Hellevoetsluis en tot de aanleg van een aantal batterijen langs de gehele Hollandse kust.

    In 1785 werd hem als luitenant der artillerie het verkennen van de Schelde opgedragen en het in staat van verdediging brengen van de zuidelijke grenzen.

    In 1794 tot kapitein der artillerie benoemd, werd hij belast met het organiseren van de artillerie bij de 'Landzaten', een korps, dat toen voor de verdediging gevormd werd.

    In oktober 1794 richtte hij versterkingen op langs de Lekdijk bij Vreeswijk tot aan de Oude Rijn.

    In maart 1798 werd hij benoemd tot lid der door de Bataafse Republiek ingestelde Commissie van Superintendentie over de Zeedijken, waardoor hij zich meer tot de Waterstaat ging bepalen.

    16 juli 1800 werd hij benoemd tot commissaris-inspecteur van het departement Schelde en Maas benoorden Krammer en Grevelingen. Na de watersnood van 1803 verkreeg hij de rang van luitenant-kolonel.

    14 oktober 1803 volgde zijn benoeming tot inspecteur in het 1e district, bestaande uit het Zuiderkwartier van Holland, hetgeen hij bleef tot hij 21 maart 1808 bevorderd werd tot inspecteur-generaal, welk ambt hij tot zijn pensionering op 26 november 1826, met ingang van 1 januari 1827 heeft vervuld (zie ook Nieuw Biografisch Woordenboek).

    De lotgevallen van de archieven van de inspecteurs-generaal treft men aan in de algemene inleiding.

  • Adrianus François Goudriaan werd geboren te Ameide 1 augustus 1768 en is 1 juni 1829 te Rijswijk overleden.

    In 1786 werd hij aangesteld als waterbouwkundig ambtenaar van Amsterdam en in 1788 als opzichter bij het indijken van de polders Riet en Wulfdijk, beoosten Blij- en Kanisvliet in Oostelijk Staats-Vlaanderen.

    In 1790 werd hij onder Chr. Brunings geëmployeerde bij de toen in aanbouw zijnde haven van Nieuwediep; van 1795 af was hij belast met de marine- en waterstaatswerken in het noordelijk deel van Holland met als standplaats Alkmaar. Als zodanig werden van 1797-1800 onder zijn directie de havenwerken en magazijnen te Medemblik uitgevoerd.

    In 1798 werd hij lid van de Commissie voor de Mijdrechtse Droogmakerij.

    In 1800 volgde zijn benoeming tot commissaris-inspecteur van de Waterstaat voor een deel van het departement Texel, in 1803 tot inspecteur in Noord-Holland, hetgeen hij bij de organisatie onder koning Lodewijk d.d. 21 januari 1807 bleef (het 1e district).

    21 maart 1808 werd hij met J. Blanken Jzn. benoemd tot inspecteur-generaal ter standplaats Amsterdam.

    Op 22 januari 1809 volgde zijn benoeming tot lid van het Comité Centraal.

    3 februari 1811 werd hij inspecteur-général des Ponts et Chaussées in een deel der 6e inspectie bestaande uit de departementen Bouches de l'IJssel, Prise, l'Ems Occidental et l'Ems Oriental. Hij kreeg Kampen als standplaats.

    Bij de organisatie van 1 januari 1817 verkreeg Goudriaan het inspecteur-generaalschap over de Zuidelijke Inspectie, zijnde Zeeland en de zuidelijke provincies behalve Limburg en Luik, en tevens het inspecteurschap in de 2e divisie, zijnde Zeeland, Oost- en West-Vlaanderen en Antwerpen. Hij vestigde zich te Princenhage, doch zijn standplaats was Breda.

    Met 1 september 1817 werden hem nog toegevoegd Noord-Brabant, Limburg en Luik, terwijl na het overlijden van de inspecteur in de 3e divisie op 27 mei 1821 hem ook de dienst in de provincies Zuid-Brabant, (is opgedragen aan Bouesnel!) Henegouwen, Namen en Luxemburg werd opgedragen.

    Bij Ministeriële Beschikking d.d. 16 mei 1822 werd bepaald, dat de inspecteurs-generaal na 1 juni daaraanvolgend geen vaste directie meer zouden hebben, maar dat zij zich overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 11 april 1822 zouden begeven ter plaatse waar hunne tegenwoordigheid zou worden vereist.

    Het Koninklijk Besluit van 28 september 1823, inv.nr. 10, benoemde hem met ingang van 15 oktober daaraanvolgend tot administrateur van het Departement van Binnenlandse Zaken, waaronder de Waterstaat ressorteerde. Hoewel hij de titel van inspecteur-generaal bleef behouden, liet hij gedurende die tijd de inspectie hoofdzakelijk aan zijn ambtgenoot over.

    Na het ontslag van J. Blanken Jzn. werd hij met ingang van 1 januari 1827 weder inspecteur-generaal van de Waterstaat in het gehele Rijk, hetgeen hij tot zijn dood bleef.

    In 1931 zijn de hierna beschreven archieven van Goudriaan aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen. De archieven als inspecteur-generaal en inspecteur der 2e divisie lagen door elkaar. Zij zijn van elkaar gescheiden en onderverdeeld naar de provincies en verder naar onderwerpen.

  • 1. Arie Blanken Jzn. werd 11 juli 1766 geboren te Haastrecht; hij overleed te Gouda de 3e mei 1824. Hij trad in 1779 in militaire dienst bij het Wapen der Genie, voerde de directie over de vestingwerken van de waterlinie en werkte ná 1795 aan de herstelling van de zeesluis te Muiden.

    Nadat de werkzaamheden van Arie Blanken Jzn. bij de fortificaties waren beëindigd vond hij een nieuwe functie bij de door het Provinciaal Bestuur van Holland op 23 juni 1797 geoctroyeerde vervening van landen, gelegen in het Ambacht van Berkenwoude in het Beneden Kerkgedeelte van Stolwijk in de Krimpenerwaard.

    In de eerste vergadering der Commissie tot Beneficiering dier Vervening, gehouden te Haarlem de 14 november 1798, werd hij door de president Chr. Brunings voorgedragen tot directeur en opziener, daar hij 'reeds vele blijken van zijn kunde in dat vak getoond had' en in diezelfde vergadering werd hij als zodanig benoemd. Hij vestigde zich te Gouda.

    Na beëindiging van dit werk werd hem bij besluit van het Wetgevend Lichaam, d.d. 4 mei 1804, weder een belangrijke commissie opgedragen. Bepaald werd, dat ten behoeve van het Hoogheemraadschap van Rijnland een uitwatering zou worden gemaakt te Katwijk aan Zee, conform het rapport van F.W. Conrad, A. Blanken Jzn. en S. Kros. De genoemde drie ontwerpers werden daarop blijkens de notulen der vergadering van de Commissie uit Hoogheemraden van Rijnland tot executie der uitwatering te Katwijk van 25 juli 1804 benoemd tot directeuren om met overleg van de directeur-generaal van de Waterstaat, Chr. Brunings, die werken ten uitvoer te doen brengen.

    Naast de werken aan het Katwijks kanaal had Blanken van 1807 af ook veel bemoeienis met de droogmaking van de Zuidplas van Schieland, die hem later werd opgedragen bij missive van de minister van Waterstaat en van Publieke Werken, d.d. 17 januari 1816.

    Bij de reorganisatie van de Waterstaat bij Koninklijk Besluit van 30 maart 1808 (inv.nr. 47) werd hij benoemd tot inspecteur van het 9e district. Tengevolge van de benoeming van zijn broeder J. Blanken Jzn. tot inspecteur-generaal werd bij besluit van 7 mei 1808 de inspectie van het 10e district ook aan Arie Blanken opgedragen.

    Deze twee districten omvatten volgens het besluit van 30 maart 1808 geheel Zuid-Holland, een deel van Noord-Holland, Utrecht en Noord-Brabant. Ook werd bij dat besluit de instructie voor de inspecteurs vastgesteld alsmede voor alle overige waterstaatsambtenaren.

    Bij Koninklijk Besluit van 22 januari 1809 (nr. 1), werd Blanken bovendien benoemd tot lid van het Comité Centraal, waarin hij zitting had niettegenstaande zijn broeder Jan ook lid daarvan was (2 febr. 1809 nr. 5).

    Daarna werd hij bij Keizerlijk Decreet d.d. 20 februari 1811 benoemd tot ingenieur en chef du Corps Imperial des Ponts et Chaussées. Hij deed als zodanig dienst in het departement 'des Bouches de la Meuse'.

    Bij besluit van de commissaris-generaal van Binnenlandse Zaken, d.d. 10 december 1813 inv.nr. 2417, werd hem de titel van hoofdingenieur der 1e klasse verleend.

    De provisionele verdeling der Nederlanden in districten d.d. 6 mei 1814 veranderde slechts het Departement van de Monden van de Maas in het 2e district, hetgeen bij de definitieve organisatie bij Koninklijk Besluit van 25 juli 1816 La. X ook gehandhaafd bleef. Blanken ontving daarna tevens de honoraire titel en rang van inspecteur van de Waterstaat (Koninklijk Besluit van 3 juli 1817).

    Bij de overdracht van het beheer en de bekostiging van waterstaatswerken van het Rijk aan de Provincies bij Koninklijk Besluit van 17 december 1819, (nr. 2) werd Blanken ter beschikking van de gouverneur en de Provinciale Staten van Zuid-Holland gesteld. Van deze functies is hij geschorst, voorlopig door de Staten op 16 mei 1823, definitief bij Koninklijk Besluit van 15 juni 1823 (nr. 10). Spoedig daarop 21 juli (nr. 19) volgde zijn eervol ontslag met ingang van 1 augustus 1823. Hij overleed 3 mei 1824.

    Blanken heeft de archieven, die hij in bovengenoemde functies ambtshalve heeft gevormd, blijkbaar niet overgedragen aan de besturen waaronder ze zijn ontstaan, of aan zijn opvolgers. In 1886 werden ze door Martinus Nijhoff te 's-Gravenhage in publieke veiling gebracht; deze verkoping is echter niet doorgegaan. De regering heeft op de stukken beslag gelegd en daarna aangekocht. Het blijkt niet hoe Nijhoff ze heeft verkregen. Volgens de tegenwoordige directie zou de verzameling in Delft zijn aangekocht als oud papier.

    Het gedeelte van voor 1813 is direct in het Rijksarchief geplaatst, het gedeelte na 1813 is eerst naar het Departement van Waterstaat gegaan en in 1908 met het Departementsarchief over 1813-1829 aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen. Het eerste gedeelte was niet geïnventariseerd, de stukken van ná 1813 zijn beschreven in de 'Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven' over 1908. Deze splitsing was echter kunstmatig, want bij de vorming der dossiers was daarmede geen rekening gehouden, evenmin met de verschillende titulaturen.

    De dossiers of bundels bestaan uit originele correspondentie, dikwijls aangevuld met afschriften en gedrukte stukken.

    2. Inv.nrs. 587-596, 598-600, 603-604, 609-611, 613-620, 624-626, 627, 628, 630, 633, 636, 639, 641-643, 648-652, 657-661, 644-667, 668A, 670-677, 679-680, 682-686, 699-702, 704-705, 707 en 754-773 zijn (soms voor een gedeelte) onderdeel geworden van de archieven van de hoofdingenieur van Rijkswaterstaat Zuid-Holland, 1808-1849, 3.07.01.

  • Conrad Ludwig Brunings werd 15 juli 1775 te Heidelberg geboren en overleed te Nijmegen 15 augustus 1816.

    Na afgestudeerd te zijn, werd hij benoemd tot Amanuensis der Commissie voor de Droogmakerij der Nieuwkoopse en Zevenhovense Plassen.

    30 juli 1800 werd hij een der vier commissarissen-inspecteur in de departementen van de Amstel en Texel, en tevens belast met de dienst in de departementen van de Rijn en de Dommel.

    14 oktober 1803 volgde zijn aanstelling door het Staatsbewind tot inspecteur voor de benedenrivieren.

    21 januari 1807 werd hij benoemd tot inspecteur in het 8e district, zijnde het departement van de Dommel, bestaande uit het grootste deel van Noord-Brabant.

    22 januari 1809 werd hij bovendien benoemd tot lid van het Comité Centraal van de Waterstaat.

    20 februari 1811 kreeg hij de titel van ingenieur en chef en bij Ministerieel Besluit d.d. 12 maart 1811 werd hem tevens de dienst in het departement Bouches de la Meuse, bestaande uit de afgestane gedeelten zonder het arrondissement Breda, opgedragen.

    Bij besluit van 8 februari 1814 werd bepaald, dat zijn dienstkring zou bestaan uit de provincie Noord-Brabant in haar tegenwoordige vorm.

  • Walraven van Ommeren werd 8 oktober 1753 geboren; hij overleed 17 januari 1834. Hij was beëdigd landmeter in dienst der provincie Gelderland van 1776-1800 en belast met een deel van het beheer der grote rivieren in die provincie. 26 juli 1800 werd hij tesamen met W. Beijerinck benoemd tot commissaris-inspecteur van de Waterstaat in het departement van de Rijn, dat wil zeggen Gelderland (behalve de noordelijke punt en het deel bezuiden de Waal) en een deel van Utrecht.

    14 oktober 1803 werd hij inspecteur der bovenrivieren in Gelderland en Utrecht.

    21 maart 1808 volgde zijn benoeming tot inspecteur in het 7e district, alleen Gelderland, wederom tesamen met W. Beijerinck. Na diens overlijden op 6 december 1808 bleef Van Ommeren alleen.

    20 februari 1811 veranderde zijn titel in ingenieur en Chef des Ponts et Chaussées in het Departement de l'Issel Superieur (Gelderland benoorden de Waal).

    25 december 1816 werd hij benoemd met ingang van 1 januari 1817 tot inspecteur der 4e afdeling (divisie), bestaande uit Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland. De 4e divisie werd na 1 juni 1822 1e district geheten.

    Na zijn dood in 1834 werd de inspecteur van het 2e district A. Goekoop met de waarneming van het 1e district belast.

    Van Ommeren's archief is, met uitzondering van een drietal portefeuilles, welke in 1860 overkwamen, geheel in 1931 overgenomen. Het is met de bijbehorende agenda's volledig te achten, voorzover het betreft zijn werkzaamheid als inspecteur der 4e divisie en het 1e district; slechts ontbreekt een deel der Friese stukken, dat, blijkens aantekeningen op enige der agenda's, aan inspecteur Mentz is overgedragen.

    De indeling der stukken is vrijwel gelijk als bij A.F. Goudriaan. Voorts heeft van Ommeren verschillende stukken verzameld, die achteraan geplaatst zijn. De aandacht wordt gevestigd op de door Van Ommeren verzamelde collectie verhandelingen over verschillende belangrijke onderwerpen.

    Zie verder over Van Ommeren: Fijnje, Levensbericht van F.W. Conrad p. 29 volgens en Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel V. p. 397.

  • Adrianus Goekoop werd 9 november 1783 geboren te Goederede en overleed te 's-Gravenhage 6 april 1865.

    1 april 1800 werd hij benoemd tot opziener over het maken van drie nieuwe dammen aan de noordzijde van Goederede en 23 april 1802 tot opziener bij de dokwerken te Hellevoetsluis.

    10 september 1804 keerde hij terug als opziener bij de werken op Goederede en werd in 1808 overopziener.

    22 mei 1809 werd hij belast met het toezicht over de Lingewerken en 22 februari 1811 volgde zijn benoeming tot ingenieur des Ponts et Chaussées; hij werd 12 maart daaropvolgend ingenieur 1e klasse op Goederede en Overflakkee.

    1 februari 1812 werd hij overgeplaatst naar Gorinchem.

    21 augustus 1816 werd hij tijdelijk belast met de dienst van ingenieur en chef in Noord-Brabant en 1 januari 1817 werd hij definitief tot hoofdingenieur benoemd; als zodanig had hij zitting in de beide riviercommissies, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 15 maart 1821 en 7 juli 1828.

    1 oktober 1829 werd hij aangesteld tot inspecteur in het 3e district bestaande uit Noord-Brabant, Limburg, Antwerpen en Oost- en West-Vlaanderen.

    Na het overlijden van zijn ambtgenoot W. van Ommeren op 17 januari 1834 werd hij tevens belast met de dienst in het 1e district, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland.

    1 februari 1835 werd het Rijk in twee provisionele districten verdeeld. Het 1e district waarin Goekoop inspecteur werd, bestond uit bovengenoemde vijf provincies, behalve Friesland, maar met Noord-Brabant en sedert 1839 ook met Limburg.

    Na het overlijden van zijn ambtgenoot D. Mentz op 23 februari 1847 werd aan Goekoop ook de waarneming van diens district opgedragen, zodat hij sedert dien de enige inspecteur in het gehele Rijk was.

    Met ingang van 1 april 1849 werd hij eervol ontslagen.

    Het archief van inspecteur Goekoop is in 1931 aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen. Het is zeer onvolledig, onder andere ontbreken de stukken over Friesland geheel voor 1847, evenals verschillende indices.

  • Dirk Mentz werd 17 maart 1785 geboren te Utrecht; hij overleed te 's-Gravenhage 25 februari 1847.

    In 1802 werd hij benoemd tot landmeter in het departement Utrecht, van waar hij in 1804 als zodanig naar Holland is overgeggaan.

    In 1806 werd hij opziener bij de Mijdrechtse Droogmakerij en 30 maart 1808 aangesteld als assistent-landmeter in het 5e district en tevens belast met de dienst in het 1e district.

    Bij Keizerlijk Decreet van 20 februari 1811 volgde zijn benoeming tot ingenieur des Ponts et Chaussées en 12 maart daaropvolgend zijn bevordering tot ingenieur 1e klasse in de arrondissementen Alkmaar en Hoorn van het departement van de Zuiderzee.

    In 1814 werd hij belast met de waarneming van de dienst van zijn chef A.H.J. van der Plaat als ingenieur en chef in het departement van de Zuiderzee te Amsterdam.

    Met ingang van 1 januari 1817 werd hij als hoofdingenieur te werk gesteld in het 1e district, dat bestond uit de provincies Noord-Holland en Utrecht. 1 juli 1822 werd Utrecht aan zijn bemoeiingen onttrokken en ging hij als hoofdingenieur van Amsterdam naar Haarlem.

    1 oktober 1829 werd hij benoemd tot inspecteur in het 2e district te 's-Gravenhage. Dit district bestond uit Noord- en Zuidholland, Zeeland, Utrecht en sedert 1 februari 1835 bovendien Friesland; Mentz vervulde deze betrekking tot zijn dood.

    Het archief van Mentz is zeer onvolledig overgekomen.

  • Bernardus Hermanus Goudriaan, zoon van A.E. Goudriaan, werd geboren te Alkmaar 5 januari 1796; hij overleed te 's-Gravenhage 13 mei 1842.

    Hij werd in het vak van zijn vader opgeleid en in 1815 tijdelijk opzichter in het westelijk deel van Staats-Vlaanderen, ter standplaats Breskens. Hij nam daar de dienst waar van arrondissement-ingenieur tot 1 april 1817.

    Bij de 7e organisatie van de Waterstaat op 1 januari 1817 werd hij ingenieur 2e klasse en 1 april daaropvolgend aan zijn vader toegevoegd, die de inspectie had gekregen in zuidelijk Nederland met standplaats Breda.

    1 januari 1814 werd hij benoemd tot ingenieur 1e klasse ter standplaats 's-Hertogenbosch en tevens waarnemend hoofdingenieur en definitief met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart belast.

    1 oktober 1825 volgde zijn benoeming tot hoofdingenieur te Maastricht.

    Nadat de Zuid-Willemsvaart gereed gekomen was, werd hij met ingang van 1 november 1828 bij de Algemene Dienst van de Waterstaat geplaatst, in de eerste plaats om een kanaal te ontwerpen van Brussel langs Antwerpen en Breda naar Sleeuwijk tegenover Gorinchem, dat echter tengevolge van de Belgische opstand niet uitgevoerd is.

    1 april 1829 keerde hij naar 's-Gravenhage terug en werd hij belast met het stellen van militaire inundaties in Noord-Brabant, tot hij 1 april 1834 als enige hoofdingenieur in algemene dienst belast werd met de spoorwegaanleg, waaraan hij zich tot zijn dood heeft gewijd, terwijl hij zich van 1839 af tevens verdienstelijk heeft gemaakt inzake het vervaardigen van een rivierkaart.

    Zie verder Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek.

    De overname van dit archief had plaats in 1931.

  • Leopold Johannes Antonius van der Kun werd 21 september 1801 geboren te Utrecht en overleed te 's-Gravenhage 26 januari 1864.

    In 1820 werd hij als cadet-éleve bij de werken van het Noord-Hollandskanaal geplaatst en in 1821 belast met opnemingen voor de Keulse Vaart.

    1 mei 1822 werd hij arrondissements-ingenieur te Utrecht, waar hij vooral werkte aan de verbetering van de Keulse Vaart.

    1 oktober 1825 werd hij benoemd tot ingenieur 2e klasse te Brugge, waar hij bleef tot de Belgische opstand; in september 1830 begaf hij zich naar Maastricht van waar hij 1 maart 1831 toegevoegd werd aan B.H. Goudriaan.

    1 april 1835 werd hij aangewezen tot provinciaal ingenieur in Friesland en 1 juli 1837 werd hij weder bij de Algemene Dienst geplaatst.

    21 april 1842 kreeg hij de leiding over de Rijnspoorweg en 12 mei daaropvolgend volgde hij B.H. Goudriaan op als hoofdingenieur.

    1 april 1849, bij de nieuwe organisatie, werd hij inspecteur in algemene dienst en belast met de 2e inspectie, bestaande uit de provincies Utrecht, Noord- en Zuid-Holland en Zeeland. Met ingang van 1 januari 1858 werd hij bevorderd tot hoofdinspecteur en 30 juli 1863 om gezondheidsredenen ontslagen.

    De archieven van Van der Kun zijn in 1931 overgenomen.

  • Jan Willem Conrad, zoon van F.W. Conrad, geboren te 's-Gravenhage 1 oktober 1795, overleed te Zwolle 4 april 1853.

    Hij begon 17 maart 1815 zijn loopbaan als tekenaar op het bureau van de Waterstaat en werd in 1816 bevorderd tot ingenieur 2e klasse. 15 april 1817 werd hij werkzaam gesteld te Mons onder de bevelen van inspecteur C. van Delen, tot hij in 1822 provinciaal- en in 1823 rijksingenieur in Limburg werd.

    In 1837 werd hij verplaatst naar het Arrondissement Schouwen en Duiveland en in 1839 als hoofdingenieur naar Maastricht tot hij 2 april 1851 werd belast met de Algemene Dienst te 's-Gravenhage.

    Van 11 januari 1852 af tot zijn dood was hij hoofdingenieur 1e klasse in Overijssel te Zwolle.

    Zie verder Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel II 314 vlg.

  • Frederik Willem Conrad was de derde zoon van F.W. Conrad; hij werd 15 februari 1800 geboren te Spaarndam en overleed 1 februari 1870 te München.

    8 september 1817 werd hij adspirant-ingenieur en 4 augustus 1825 ingenieur 2e klasse in Noord-Brabant.

    Bij Koninklijk Besluit van 6 augustus 1829 werd hij overgeplaatst naar Zuid-Holland en 28 januari 1834 bevorderd tot ingenieur 1e klasse.

    In 1839 werd hij aangewezen als ingenieur bij de werken voor de droogmaking van het Haarlemmermeer en door zijn benoeming tot ingenieur-directeur van de Hollandse IJzeren Spoorweg Mij. ging hij 1 oktober 1840 met onbepaald verlof uit 's rijks dienst.

    In 1845 werd hij rijkscommissaris bij die spoorweg mij. en in 1847 bovendien president der Eerste Telegraafmaatschappij in ons land.

    1 mei 1852 volgde zijn bevordering tot hoofdingenieur, hoewel zijn verlof gehandhaafd bleef. In dat jaar werd hij tevens benoemd tot lid der Commissie van Beheer en Toezicht over de Droogmaking van het Haarlemmermeer.

    Zie verder Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek.

  • Christiaan Brunings jr. werd 13 augstus 1756 geboren te Homburg auf der Höhe; hij overleed te Leiden 30 maart 1826.

    Op 9 maart 1782 werd hij benoemd tot toeziener van Rijnland, op 13 februari 1797 tot directeur-generaal der Droogmakerijen van Nieuwkoop en Zevenhoven en in 1800 tevens tot commissaris-inspecteur van de Waterstaat.

    In 1811 werd hij ingenieur en chef en 25 december 1816 hoofdingenieur der 1e klasse.

    In al deze functies bleef hij belast met de droogmakerijen tot hij in 1824 werd gepensioneerd.

  • Daniël Jan Sautijn Schoven zoon van Louis Henricus Elias Schovel, werd 25 december 1810 te Amsterdam geboren. Hij kwam in 1825 voor het vak van de waterstaat op de artillerie- en genieschool te Delft, studeerde aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda en werd in 1829 benoemd tot cadet-éleve met standplaats 's-Gravenhage. In 1838 werd hij bevorderd tot ingenieur der 2e klasse en geplaatst in Zeeland met standplaats Breskens.

    In 1829 werd hij overgeplaatst naar Noord-Brabant.

  • Pibo Steenstra werd in 1758 benoemd tot lector in de wiskunde te Leiden en in 1763 te Amsterdam.

    Hij schreef onder andere 'Aanmerkingen op de verbetering der ontlasting van Rijnlandsboezemwater op het IJ en het project van doorgraverij uit het Wijkermeer naar de Noordzee'.

    Hij overleed 21 juli 1788.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in