gahetNA in het Nationaal Archief

Heren van Voorne

3.19.56
J.C. Kort
Nationaal Archief, Den Haag
1972
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.19.56
Auteur: J.C. Kort
Nationaal Archief, Den Haag
1972
CC0

Periode:

1272-1371

Omvang:

0,30 meter; 29 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. Dit zijn middeleeuwse stukken geschreven in het Oudhollandse gotische cursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat stukken betreffende de rechten en bevoegdheden van de heren van Voorne, met onder meer akten van belening, en stukken betreffende het bestuur van de heerlijkheid en het beheer van de bijbehorende goederen, waaronder akten betreffende leenzaken, een aan Den Briel uitgegeven keur en akten betreffende handel, scheepvaart en kerkelijke zaken. Daarnaast bevat het enige akten betreffende de heren van Heenvliet en de heer van Arkel en het register "Voorne A.B.", een register dat voornamelijk akten bevat die van de heren van Voorne zijn uitgegaan.

Archiefvormers:

  • Heren van Voorne

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het archief in zijn geheel

Nadat de heerlijkheid Voorne in het jaar 1372 aan de grafelijkheid van Holland teruggevallen was, is het archief van die tijd af in den Haag bewaard en gebruikt. In 1394 wordt de heerlijkheid echter toegezegd aan Jan van Beieren, verkozen bisschop van Luik, de tweede zoon van Albert van Beieren, graaf van Holland, voor zijn familiedeel. (

Van Mieris, Charterboek, III, p. 606.

). Na de dood van hertog Albert in december 1404 wordt hij door graaf Willem IV daadwerkelijk in het bezit van zijn deel gesteld (

Van Mieris, IV, p. 1.

)
Bij die gelegenheid moeten hem de retro-akta overgedragen zijn, waar hij nu recht op verkregen had. Het register Voorne O.Q., LRK nr. 431, bevat een beschrijving van deze stukken. In dit register vindt men op de keerzijde van de ongefolieerde titelpagina de verklaring, dat de volgende stukken, afkomstig uit de archiefkist van de vrouwe van Voorne, overgeleverd zijn aan Jan van Beieren, thans heer van Voorne. Behalve een bevestiging van het voorgaande krijgen wij aldus de wetenschap, dat het archief in een kist geborgen was. Het ligt voor de hand te vermoeden, dat deze kist het wapen van Voorne gedragen zal hebben. Wellicht is het dezelfde kist, vermeld in de inventaris van Cornelis Suys folio 282 (

Concordans I.

)
, waarin het restant van het archief van Voorne geborgen was.

Het genoemde register O.Q. stelt ons door enige mededelingen in staat de kist als het ware te openen teneinde daar een blik in te werpen. Folio 5 vermeldt ons: "een coffer mit veel walsche brieven van houte mit ijser beslagen ende twe duutsche brieve". Een verbindingslijntje in de marge verzekert ons, dat de inhoud van dit kistje verband houdt met Inv. nr. (83).

Hetzelfde register folio 1 verso vermeldt betreffende de huwelijksgave van Machteld van Voorne door Dirk van Montjoie "........ende is den sevenden brief". Tellen wij echter van de eerste notitie af dan komt onze vermelding op de twaalfde plaats. Telt men voort dan ziet men niet meer dan vijf stukken over dezelfde zaak. Rekenen wij echter de twee gelijksoortige stukken voordien daarbij dan hebben wij inderdaad juist de zeven bijeen. Aldus krijgt men een voorbeeld van een dossier. Dergelijke bundels worden thans nog aangetroffen in het archief van de Nassause Domeinraad, geordend volgens de oude methode (inventaris in handschrift).

Wij mogen dus aannemen, dat de dossiers, in het voormalige archief aanwezig, geborgen waren in kistjes, die op hun beurt verzameld waren in een grote kist.

Van het boven beschreven archief en zijn ordening is thans slechts een kleinigheid over. Welgeteld 28 stukken en 1 register. Hierbij is niet geteld de omslag van een voor het overige verloren rekening van Jan Arnoutsz.van Abbenbroek. (

Inv.nr. (193): "Dits lan Arns soen rekeninghe die hi minen vrouwen van Voirne dede van den jare van LXII".

) Deze is tot de verloren stukken gerekend.

Van de bewaard gebleven stukken is een aantal niet aan Jan van Beieren meegegeven.

Zij zijn bewaard gebleven in de grafelijke kanselarij. Blijkbaar rekende men deze in 1372 tot de lopende zaken. (

Concordans II.

)

Enige stukken uit het bezit van Jan van Beieren zijn teruggekeerd. (

Concordans II.

) Deze zijn tezamen met de andere losse stukken in het archief van de grafelijkheid blijven berusten. Aldus zijn zij ook geborgen geweest in de Goudse toren. (

J. Smit, Een bijdrage tot de geschiedenis van het Hollandsche archiefdepot te Gouda (Nederlandsch Archievenblad, jrg. 33, 1925-1926, pp. 141 vlgg).

)
Mede hierdoor zijn vrijwel alle stukken in slechte tot zeer slechte staat. De staat is gedeeltelijk ook te wijten aan de wijzen, waarop de kanselarij van Holland stukken ongeldig placht te maken. Enige stukken zijn geraseerd (

Inv. nrs. 6 en 9.

)
, andere gekasseerd (het zegel beschadigd of verwijderd), sommige gecancelleerd (gescheurd) of op een andere manier gekwetst. In twee gevallen is een gedeelte van de datering weggescheurd. (

Inv. nrs. 8 en 26, vgl. reg. nr. 534.

)

De lotgevallen van het archief zijn hiermee nog niet ten einde. In het begin van de negentiende eeuw zijn enige stukken meegegeven aan W.H.J. van Westreenen van Tiellandt, adjunct-archivaris des Rijks. (

Concordans I.

) Bij zijn dood in 1848 vermaakte hij zijn gehele verzameling aan het museum Meermanno-Westreenianum. In 1953 zijn de charters Voorne met andere uit de verzameling oorkonden aldaar teruggekomen, zodat wij in staat zijn deze in de inventaris op te nemen. Hetzelfde is van toepassing op twee stukken, die in 1817 uit Henegouwen zijn teruggekeerd. (

Concordans I.

)

De inventaris van verloren stukken
(

Deze stukken zijn niet in deze inventaris opgenomen. Zie voor een beschrijving van de stukken de papieren versie van de inventaris op de studiezaal, pp. 97 e.v.

)

Teneinde de gebruiker een voorstelling te bieden van het archief, zoals dit voorheen te eniger tijd door de heren van Voorne is gevormd, hebben wij gemeend er goed aan te doen een poging te wagen om een dusdanig archief te reconstrueren. Het criterium voor de opname van een stuk moet overeenkomstig een normale inventaris daarin gelegen zijn of het stuk bestemd was om in het archief te blijven berusten.

Het materiaal voor deze inventaris wordt in de eerste plaats geleverd door het register Voorne O.Q., LRK. nr. 431. Omdat op de keerzijde van het titelblad ondubbelzinnig gemeld wordt, dat alle stukken aan de vrouwe van Voorne behoord hebben, zijn alle thans verloren stukken daaruit opgenomen.

Voorts kon met toepassing van het bovengenoemde herkomstbeginsel gebruik gemaakt worden van de volgende verouderde inventarissen:

  1. LRK. nr. 418: Inventaris van meester Pieter van Renesse van Beoostenzweene, overgeleverd 1441, onder het hoofd "Voorne".
  2. LRK. nr. 433, z.j., rubrieken Blois - Voorne.
  3. Oude inventaris nr. 2: Inventaris van Jan van Oudheusden,overgeleverd 1511.
  4. Inventaris van Cornelis Suys, begonnen 1552, diverse rubrieken.

Behalve stukken, vermeld in bovengenoemde inventarissen, zijn ook als verloren aangemerkt de stukken, die afgeschreven zijn in het register Voorne B, LRK. nr. 91, maar niet in Voorne A.B. gevonden worden. Men mag aannemen, dat deze in Voorne A.B. op ingeschoven stukken hebben gestaan, die naderhand verloren zijn gegaan. Er is hier voorzichtigheid geboden. Daarom hebben wij een notitie uit LRK. nr. 91 uitgezonderd omdat deze door de afschrijver kennelijk uit een andere bron is geput, te weten zijn geheugen. De notitie staat folio 51 en betreft de verbeurte van het visserleen. (

J.H.W. Unger, Regestenlijst voor Rotterdam en Schieland tot in 1425, Rotterdam 1907, reg. nr. 736.

) Folio 51 verso leest men in de marge: "et habet litteras de domino Johanne Bavaria". Omdat de Vissers in 1373 en later in de rekeningen voorkomen en ook de vorm van dit verslag uit de toon valt, is deze notitie niet opgenomen. Bovendien is er van afgezien stukken tot deze inventaris terug te brengen, die daar kennelijk geruime tijd voor 1372 weer uit verdwenen waren, hoewel zij enige tijd van het archief deel moeten hebben uitgemaakt. Het betreft twee aantekeningen uit HSS. van de 3de afdeling nr. 384a, een oude inventaris, in het jaar 1574 opgemaakt door Cornelis Oom.

  1. Akte van kwijtschelding door graaf Reinout van Gelre van de rekening van Katharina van Durbuy, zijn nicht, Gerard van Voorne en Hendrik, diens broer, 1311. HSS. nr. 384° f° 35V.
  2. Een expeditie van een akte, gedrukt: Van Mieris, II, p. 51, 1305. id. f° 6V nr. 27.

Deze twee akten zijn blijkbaar aan de graaf van Holland gekomen bij diens nadere uitspraak in 1330 (

Reg. nr. 54.

).

In hoofdstuk 4 zagen wij, dat het register Voorne O.Q. belangrijke aanwijzingen geeft over de toestand, waarin het archief zich vroeger bevond. Omdat het bovendien een opgave van het leeuwendeel der verloren stukken bevat, lijkt het gewenst nader in te gaan op de wijze, waarop het materiaal aldaar wordt gepresenteerd. Dit is te meer geboden, daar wij in dit register niet beschikken over afschriften maar slechts over notities.

Het deel zal tot stand gekomen zijn omstreeks het jaar 1405. (

Zie "Geschiedenis van het archiefbeheer".

) Het bestaat uit 50 bladen papier met watermerk, waarvan 40 genummerd zijn. Hiervan zijn beschreven folio 1-11V, 21-35 en 37-40. Men vindt er 288 notities in totaal. Hiervan zijn echter slechts drie voorzien van een volledige datering, drie en twintig geven het jaartal op en 262 dragen geen enkele datering, zo de originele stukken deze al gehad mochten hebben. Bij dit laatste getal zijn de data van de vidimering nog buiten beschouwing gelaten. Alsof dit niet genoeg is, maakt ook de volgorde, waarin de stukken aan ons oog voorbij gaan, een zeer ordeloze indruk. Hier en daar treft men echter twee of meer stukken, die kennelijk bijeen behoren, tezamen aan.

Teneinde wat meer zekerheid te verkrijgen over het ontstaan van dit register, wenden wij ons via het schrift tot degenen, die daar een werkzaam aandeel in gehad hebben. Bij vergelijking blijkt de hand, die Van Riemsdijk benoemde als 6A. (

Van Riemsdijk, Tresorie, p. 686

), de folio's 1-11V en 21-35 voor zijn rekening te hebben genomen. De folio's 37-40 zijn beschreven door Dirk Snoye, Van Riemsdijk's hand AS1) Deze was klerk van meester Pieter van der Zande, meester der charters en der registers van de grafelijkheid van 1401 tot 1419. Tezamen treffen wij deze handen aan in LRK. nr. 422 f° 60, waar zij een lijst van leenmannen opstellen. Bovendien hebben zij twee rekeningen van heer Jan van Scherpenisse, rentmeester van Voorne over de jaren 1384 en 1385 (

Rekeningen grafelijke rekenkamer nrs. 1362 en 1363.

)
geschreven, Snoye die van 1385. Met de wetenschap, dat zij beiden in de registratie van Voorne aktief zijn geweest in een tijd, dat het archief nog intakt was, is de geloofwaardigheid der beide inventarisatoren reeds aan merkelijk gestegen. Maar ook in hun beschrijvingen laten zij ons, waar het de nauwkeurigheid betreft, niet in de steek. Daarbij geeft 6 A tekstgedeelten, die hij plotseling afbreekt. Gaandeweg wordt hij trouwens steeds beknopter. Snoye heeft meer weg van een tegenwoordig inventarisator met korte, scherpe omschrijvingen. Hun beider kunde is te testen aan volledige teksten, die hetzij in origineel hetzij in afschrift over zijn. Deze mogelijkheid, die ons in staat stelt de klerken te controleren, geeft hun een gunstig rapport. Men mag dus aannemen, dat zij hun taak nauwgezet hebben volbracht.

Maar er is meer. Het deel is op de keerzijde van het titelblad gewaarmerkt door niemand minder dan meester Pieter van Renesse van Beoostenzweene, magister artium et decretorum doctor, meester der charters en registers van de grafelijkheid van 1433 tot 1441. (

E.J. Thomassen à Thuessink van der Hoop, Pieter van Beoostenzweene's Remissorium Philippi ("De Nederlandsche Leeuw", jrg. 39, 1921, kol. 189 vlgg).

) Voor zijn autograaf zie men LRK. nr. 410 f° 114v, f° 68 en f° 66v. Op deze laatste folio's heeft hij een inventaris van de grafelijke registers,die opgesteld is door Dirk Snoye,dezelfde,die wij boven reeds ontmoet hebben, nagezien. (

Vgl. Van Riemsdijk, Tresorie, p. 701.

)
Wegens de overeenkomst in werkwijze hier met folio 37-40 in het register Voorne O.Q. is dit wel zeker. Het register O.Q. heeft meester Pieter eveneens nagezien, getuige enige kanttekeningen als "notetur". Hij mag zeker tot deze taak bekwaam worden geacht niet alleen wegens zijn funktie uiteraard maar ook omdat hij minstens één rekening van Voorne afhoorde. (

Rekening grafelijke rekenkamer nr. 1384 (rekening van Willem van Naaldwijk a° 1433, afgehoord 1435).

)
Men treft zijn autograaf aldaar aan op de omslag en folio 1. Opmerkelijk is, dat hij in 1442 deken van Oostvoorne wordt3).

Intussen heeft ook Pieter van Gapinge, klerk van het register onder Jan van Beieren, het register O.Q. doorgezien blijkens een aantekening in LRK. 410f° 6v. Dat zal dan omstreeks 1421 geweest zijn.

Tot de taak van de klerken heeft blijkbaar niet behoord het archief, dat zij te beschrijven hadden, op gepaste wijze te ordenen. Dit was daarom onze opdracht. Wij moeten er echter onmiddellijk pp wijzen, dat nog niet alles opgelost kon worden. Omdat de oplossingen, die wij wel hebben menen te vinden, bij volledige opvoering van het bewijsmateriaal de inventaris zouden overladen is volstaan met het geven van een vingerwijzing hier en daar.

Van opneming in de inventaris van verloren stukken zijn om praktische redenen de stukken, die wij reeds in afschrift bezitten, uitgesloten. (

Concordans III.

) Bovendien zijn ter vermijding van onnodige herhalingen in de beschrijving vidimussen uitsluitend als zodanig opgenomen met verwijzing naar de gevidimeerde akte, indien deze voorhanden is. Het spreekt vanzelf, dat zulke vidimussen gezet zijn op de plaats, die zij op grond van de bestemming in het archief moesten innemen. (

Vgl. bv. Van Mieris, II, p. 135, vidimus ao 1337

)

De inventaris, die op deze wijze tot stand is gekomen, biedt een geheel andere aanblik dan de echte inventaris. In vergelijking met de beschrijvingen in de oude inventarissen biedt zij het voordeel van overzichtelijkheid. Daarentegen vermelden deze weer menige bijzonderheid,die in het kader van een moderne inventaris niet past. Wij hebben echter dankbaar gebruik gemaakt van de mogelijkheden, die deze nadere aanduidingen boden om de ongedateerde stukken van een datum te voorzien.

Bij de nummering zijn om verwarring met de echte inventaris te vermijden, de nummers tussen haakjes geplaatst. Tenslotte is van een plusteken (+) gebruik gemaakt om de lezer attent te maken op een uitgegaan stuk, dat zich bij normaal verloop hoogstens in de vorm van minuut of afschrift in het archief had kunnen bevinden.

De verwerving van het archief

Het archief is door schenking verworven.

De verwerving van het archief

Het archief is door schenking verworven.

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in