Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Heren van Putten en Strijen

3.19.43
C. Dekker
Nationaal Archief, Den Haag
1960
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.19.43
Auteur: C. Dekker
Nationaal Archief, Den Haag
1960
CC0

Periode:

1235-1459

Omvang:

0,70 meter; 153 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Middelnederlands. Een klein gedeelte is gesteld in het Latijn.

Soort archiefmateriaal:

Geschreven documenten, kennis van het middeleeuwse handschrift is noodzakelijk.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de heren van Putten en Strijen bevat onder stukken betreffende hun rechten, plichten en bevoegdheden tegenover de Hollandse graven, de Utrechtse bisschoppen en enkele andere omliggende heerlijkheden zoals tollen, de uitgifte van grond, bedijking en aktes van belening. Daarnaast bevat het ook stukken met betrekking tot het beheer van hun goederen zoals leenzaken, financiën en bedijking zoals lijsten van leenmannen, verschillende rentenboeken en afgehoorde rekeningen.

Archiefvormers:

  • Heren van Putten en Strijen, -1459

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van het archiefbeheer

Hoewel Putten en Strijen tot 1467 een afzonderlijke heer gehad hebben in Karel van Charolais, sluit het terugvallen van de heerlijkheden in de schoot van de grafelijkheid in 1459 archivistisch gezien een tijdperk af. Vanaf dit ogenblik wordt de administratie van de goederen van de heer van Putten en Strijen gekoppeld aan de grafelijke administratie in Den Haag. De titel van de inventaris: "archief van de heren van Putten en Strijen" vereist een nadere toelichting. Dit dient opgevat te worden als : "Archief van de heren van Putten en Strijen als heren van Putten en Strijen". Sinds 1361 vormen de beide heerlijkheden slechts een deel van het complex waarover de heren het bewind voeren. De verspreide ligging van de delen van dit complex en de eigen verschillende tradities van elk gebied hebben een centralisatie van administratie en archieven verhinderd. In het thans beschreven archief zal men dan ook geen stukken aangaande Gaasbeek of de Utrechtse bezittingen aantreffen.

Met de vereniging van Putten en Strijen in een personele unie, ruim een halve eeuw eerder, is dit heel anders. Hier is reeds onder Nicolaas III sedert 1294 een centralisatie van de administratieve bedrijvigheden doorgevoerd en we mogen aannemen dat toen ook de archivalia uit Strijen naar Geervliet zijn overgebracht. Het is echt merkwaardig dat het archief geen enkel Strijens stuk in originali bevat van vóór 1294. Op zichzelf zou dit een argument zijn tegen de overbrenging van het Strijense archief, indien niet het register van Bartolomeus Artnsz uter Haghe, die de oorkonden afschreef, die hij in het archief te Geervliet kon vinden, ook oorkonden uit Strijen bevatte (

Inv. nr 1 f° 10v, f° 38v, f° 39 en enkele andere.

) , die oorspronkelijk tot het Strijense archief moeten hebben behoord, in de 15e eeuw dus te Geervliet waren en naderhand verloren zijn gegaan. Dat thans het archief uit de tijd van vóór 1294 slechts charters uit het voormalige Puttense archief bevat, mogen we als toevallig beschouwen.

Hiermee is reeds de zetel van het archief ter sprake gekomen. Het archief was ten tijde van Bartolomeus Artnsz. gevestigd "in den hove van Putte, tot Gheervliet opten toorn" (

Inv. nr. 2, aanhef.(1438).

) , dus in de heerlijke burcht, en het is haast zeker dat het daar ook reeds in vroeger eeuwen gevestigd was.

Na de dood van Jacob van Gaasbeek op 6 febr. 1459 houdt het archief op nog langer een levend archief te zijn. In de grafelijke rekening, opgemaakt door de rentmeester-generaal van Holland, Zeeland en West-Friesland Clais de Vriese over het jaar 1459 (

Arch. Rekenk. Holl. , Rekeningen inv. nr. 159 f° 112.

) , worden 15 franken verantwoord, uitgegeven aan heer Willem van Dordrecht, kapelaan in de hofkapel in Den Haag voor twee reizen: "die eerste van uter Hage tot Gorinchem an den drossaet aldair, om te halen ende ontfangen die registren ende leenboecken van der heerlichede ende lande van Putte ende van Strijen, ende die te brengen in die camer van den register in Den Hage in bewairnissen mijns vornoemden genadigen heren hoicheit, also die jonchere van Gaesbeec aflivich geworden was, dairaf mijn vornoemden genadigen here die vornoemde heerlicheit ende landen seccedeerde etc. die welcke drossaet die kisten ende sloten opten huyse tot Gorinchem, dair die boecken inlagen, niet opslaen en dorst mits dat dairan ende an alle d'ander goeden arrest gedaen was van mijn vorseyden genadigen heren wegen".

Uit dit citaat blijkt:

1) dat tussen 1438 en 1459 het archief of een deel er van ("die registren ende leenboecken") is overgebracht uit Geervliet naar Gorinchem. Hierbij diene men te bedenken dat Jacob van Gaasbeek drost van Arkel en grafelijk rentmeester van Arkel en Gorinchem was (

Aldaar f° 16, 31 enz.

) en waarschijnlijk althans voor een deel van het jaar, aldaar resideerde, en

2) dat voortaan de Puttense registers deel zullen uitmaken van grafelijke leen- en registerkamer in Den Haag.

Dat naast de registers ook de andere bescheiden toen reeds naar Den Haag zijn overgebracht, hetzij uit Gorinchem, hetzij direkt uit Geervliet, blijkt uit de aanstelling op 9 aug. 1459 van de beheerder van de "tresorije ende registeren van Hollant", Dirck van Zwieten, tot beheerder van de bescheiden van de aan de grafelijkheid vervallen heerlijkheden, die als volgt omschreven worden: "velerande brieven, boucken, registeren ende charteren, denselven heerlicheden toebehoerende" (

Archief Leenkamer Holland nr 117b f° 2v.

) .

Karel van Charolais, die het archief als afgesloten beschouwde, heeft als heer van Putten en Strijen ook geen eigen archief gevormd, zelfs geen eigen administratie. Zijn oorkonden gingen uit van de kanselarij in Den Haag, de rekeningen van de goederen van de heerlijkheden werden op de Rekenkamer aldaar afgehoord (

De stadhouder van Karel van Charolais, werd in zijn commissiebrief bevolen: "mit onsen lieven ende waelgemynden den luyden van den Rekencamer mijns genadigen heren ende vader in Den Hage te hoerne ende sluyten alsoo 't behoeren zall de rekeninghen van onsen officieren ende dienaren van onsen voirsz. landen van Arkel, Putte ende Strijen, also wel van justicien als van ontfanghe"(Arch. Leenkamer nr 117b f° 1v, Arch. Graf. Rekenk. Dom. nr 490 f° 77).

) en werden in het archief ervan gedeponeerd.

Zelfs resideerde de rentmeester van Putten en Strijen in Den Haag en beval zo nu en dan zijn helper te komen "in den Hage mit alle die boeken van der goeden van den lande van Put ende Strijen" (

Archief Rekenkamer Holland, Rekeningen inv. nr. 3313 f° 59v.

). Deze toestand duurt in 1467 ongewijzigd voort.

Het overgebrachte archief van Putten volgt na 1459 dezelfde lotgevallen als het grafelijk archief en in de loop der eeuwen wordt het er een integrerend deel van. Alleen de rekeningen, de rentestaten en enkele afschriften van charters, financiële aangelegenheden betreffende vinden hun weg naar het archief van de Hollandse Rekenkamer.

De charters, een belangrijk deel dus van het archief van de heren van Putten, worden in 1529 (

Zie J. Smit: "Een bijdrage tot de geschiedenis van het Hollandsche archiefdepôt te gouda"in "Nederlandsch Archievenblad", 33e jg blz. 141-160.

) met de Hollandse charters overgebracht naar de burcht te Gouda, waar ze tot 1590 opgeborgen blijven. De hoge vochtigheidsgraad in de Goudse toren heeft vele charters geruïneerd of onherstelbaar beschadigd. In de Bataafse tijd werden zij als deel van het archief van de graven van Holland in het Rijksarchief opgenomen. Evenzo geschiedde met de stukken van de Rekenkamer.

Wat de omvang van het archief betreft staat het wel vast, dat sedert de overbrenging naar Den Haag in 1459 veel verloren is gegaan. Wat er omstreeks het midden van de 16e eeuw aan charters aanwezig was te Gouda, weten we uit de inventaris die Cornelis Suys van de Hollandse charters aanlegde, en waarin ook een caput "Putte ende Strijen" opgenomen is. Een vergelijking van deze inventaris met de charters zoals die thans aanwezig zijn wijst uit dat het aantal dat sedertdien verloren is gegaan, niet gering is, waaraan het ondoelmatige depôt te Gouda wel voor een groot deel schuld zal hebben (

Zie concordans nr I

) . Een vergelijking tussen de inventaris van Suys en het register van Bartolomeus Artnsz. (

Inv. nr. 1.

)
om het verlies tussen 1438 en het midden van de 16e eeuw te onderzoeken, kan geen afdoend resultaat hebben daar de laatste voor de samenstelling van zijn werk niet alleen de aanwezige originelen heeft gebruikt, maar ook enkele reeds bestaande registers.

Uit de tijd van vóór 1229 was al omstreeks het midden van de 14e eeuw geen enkel stuk aanwezig; in geen een register werd een charter ouder dan dit jaar , overgeschreven. Verder moeten stukken uit het voormalige Strijense archief van vóór 1294, ook toen reeds schaars zijn geweest: er zijn er in de registers slechts weinige afgeschreven.

Van de comptabele bescheiden van de rentmeesters is slechts weinig bewaard. Merkwaardig is dat niet alleen de rekeningen van voor 1379 maar ook die van na 1429 in het archief ontbreken, terwijl ook van de rentmeesters van Strijen geen enkele rekening bewaard schijnt te zijn. Van de registers en lijsten van leenmannen die deel hebben uitgemaakt van de grafelijke leen- en registerkamer schijnt het meeste bewaard te zijn gebleven (

De Putse registers werden bewaard in "Cas M", waar ook een register "Die stroomen van der heerlicheyt van Putte" en het op blz. VIII vermelde rapport bewaard werden. Beide dateren echter van na 1459 (Archief Leenkamer Holland nrs 83 en 89).

) . De inventaris van Cornelis Oem uit 1580 (

Archief Leenkamer nr 409 f° 97.

)
vermeldt nog "een bouxken in papier inhoudende vijf bescreven blaederen, sonder couvertoure", dat sedertdien verloren is gegaan maar waarvan de inhoud is overgeschreven in de 18e eeuw op de eerst negen folio's van een deel in het Archief Leenkamer Holland inv. nr. 82 ( afzonderlijke foliëring voorin). In dit zelfde 18e eeuwse afschrift is ook een gedeelte (de folio's 38-70v) van een thans verloren register, inhoudende oorkonden van Jacob van Gaasbeek (1412-1432) overgeschreven. Het origineel waarnaar dit afschrift gemaakt is, moet wel deel hebben uitgemaakt van het heerlijk archief van Putten, maar het bevond zich, blijkens de inventaris van Oem, in 1580 niet in de leen- en registerkamer van Holland. Van één register zijn twee exemplaren voorhanden, waarvan het ene in 1839 uit de nalatenschap van de commissaris van de raad- en rekenkamer der domeinen H. Swaan aan het (algemeen) Rijksarchief is geschonken. De inventaris van Oem kent dit exemplaar niet (

Het repertorium van Gousset op de registers van de Leenkamer van Holland kan ook voor de registers van Putten en Strijen als toegang dienst doen ( Archief Leenkamer Holland inv. nrs 369-403).

)
. Het is waarschijnlijk dat het deel heeft uitgemaakt van het archief van de grafelijkheidsrekenkamer.

De verwerving van het archief

De rechtstitel is (nog) onbekend

De verwerving van het archief

De rechtstitel is (nog) onbekend.

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in