Heren van Putten en Strijen
- Archiefinventaris
- Inleiding
- Inventarisnummers
- Bestanden
- Alle scans (87)
3.19.43
C. Dekker en J.C. Kort (herbewerking 2004)
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1960, 2004
Beschrijving van het archief
Naam archiefblok:
Heren van Putten en Strijen
Heren van Putten en Strijen
Periode:
1235-1459
Omvang:
0,70 meter; 153 inventarisnummers.
Taal van het archiefmateriaal:
Het merendeel der stukken is in het Middelnederlands. Een klein gedeelte is gesteld in het Latijn.
Soort archiefmateriaal:
Geschreven documenten, kennis van het middeleeuwse handschrift is noodzakelijk.
Archiefbewaarplaats:
Nationaal Archief, Den Haag
Samenvatting van de inhoud van het archief:
Het archief van de heren van Putten en Strijen bevat onder stukken betreffende hun rechten, plichten en bevoegdheden tegenover de Hollandse graven, de Utrechtse bisschoppen en enkele andere omliggende heerlijkheden zoals tollen, de uitgifte van grond, bedijking en aktes van belening. Daarnaast bevat het ook stukken met betrekking tot het beheer van hun goederen zoals leenzaken, financiën en bedijking zoals lijsten van leenmannen, verschillende rentenboeken en afgehoorde rekeningen.
Archiefvormers:
- Heren van Putten en Strijen, -1459
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
1. Oorsprong en aard van de heerlijkheid Putten.
In tegenstelling met de andere twee belangrijke hoge heerlijkheden in de delta van de grote rivieren, Voorne en Strijen, bezitten we voor de heerlijkheid Putten geen gegevens van vóór 1200. Wat Voorne betreft, reeds in de vroege 12e eeuw, in 1108, treedt een Huge van Voorne op als getuige in twee oorkonden van bisschop Burchard van Utrecht (
S. Muller Fz. en A.C. Bouman: "Oorkondenboek van het sticht Utrecht tot 1301" dl I nrs. 279 en 280. L.P.C. van den Bergh: "Oorkondenboek van Holland en Zeeland"dl I nrs. 133, 134, 147, 148, 166 (jaren 1156, 1167, 1173, 1188) enz. Zie beneden J. de Fremery "Supplement ......" nr. 36 S. J. Fockema Andreae : " De hoge en vrije heerlijkheid Putten" in "Zuid-Holl. studiën" dl II jg 1952, blz. 27. Aldaar, blz. 31 H. Obreen: "Bijdragen tot de kennis der middeleeuwsche geslachten van Holland en Zeeland. De heeren van Putten en van Strijen"in "De Nederlandsche Leeuw" 50e jg (1932) kol. 296.
Zonder reden echter. Het bestaan van de tol te Geervliet sedert 1179 (
O. oppermann: "Untersuchungen zur nordniederländ. Geschichte" dl II blz. 34. De mening van Fockema Andreae (a.w. blz. 31) dat Geervliet waarschijnlijk al vóór het midden der 12e eeuw bestond is niet met bronnen te staven. J. C. Ramaer: "Geographische geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de middeleeuwen". (Verhand. Kon. Akad. v. Wetensch. te A'dam. Afd. Letterk. Nieuwe Reeks II, 3) A'dam 1899 blz. 160. J. klok: "Voorne en Putten" Utrecht 1939 blz. 80.
Wanneer dit Putten is bedijkt is evenmin bekend, de terminus ad quem is 1216, het jaar waarin Jan van Putten wordt vermeld, die inderdaad de bedijker kan zijn, maar noodzakelijk is dit geenszins. Het is even goed mogelijk dat de bedijking reeds lang voor hem heeft plaats gevonden. De bedijkingen van Geervliet en Putten vormen met de later bedijkte polders Spijkenisse, Biervliet, Hekelingen, Brabant en Vriesland, die misschien nog uit de late 12e eeuw, waarschijnlijk echter uit de eerste helft van de 13e eeuw dateren, wat men sindsdien noemt "den lande van Put" of "de vorsche van Put". Het dominium van de heer van Putten strekt echt bovendien uit over Poortugaal en naaste omgeving, het z.g. "Putten over die Maze" of "Overmaze" en over een aantal gebieden daarbuiten, hoofdzakelijk schorren en slikken, die echter in de loop van de 14e en 15e eeuw geleidelijk aan bedijkt worden, deels tot korenlanden van een blijvend karakter, deels tot moerlanden van een tijdelijk karakter, b.v. Simonshaven (
Inv. nr. 1 f° 129 , in het jaar 1304. Aldaar f° 167 e.v. , in het jaar 1431`.De bedijking is voltooid 26 april 1432 (aldaar f° 169v). F. Van Mieris: "Groot Charterboek ...." dl IV blz. 221, in het jaar 1412.
Dit gehele gebied wordt in de 14e eeuw door de heren van Putten in leen gehouden van de grafelijkheid van Holland. In hun archief bevinden zich verscheidende akten waarbij de graven hen met de heerlijkheid belenen (
Inv. nrs 22, 23, 25, 26. Zo worden schot en heervaart genoemd door I.H. Gosses "Welgeborenen en huislieden" Groningen-Den Haag 1926, blz. 17. Inv. nr 8. Inv. nr 78. Inv. nr 29. grafelijk. Van den Bergh, a.w. dl I nr 317, in het jaar 1229, nr 416, in het jaar 1246, en Inv. nr 1 f° 9, in het jaar 1345. Van den Bergh, a.w. dl I nr 416, in het jaar 1246. Inv. nr 1 f° 55-56, in het jaar 1309.
De heer van Putten en Strijen zetelt "in sijnre zalen binnen sinen hove" te Geervliet ten gerechte, bijgestaan door enkele van zijn, voor Holland en Zeeland ongewoon groot aantal leenmannen, en onderzoekt en beslist kwesties over het leenbezit. De procedure, door dit leenhof van Putten gevolgd kennen we uit de beschrijving hiervan voorkomend in een akte van 1366 en in een van 1432 (
Resp. inv. nrs. 69 en 71. Vergelijk ook nr 70. Inv. nr 32.
Wat betreft de heerlijke macht zijn we voor Putten veel beter ingelicht dan voor Strijen, maar over het algemeen schijnt de macht van de heren in Strijen in de 14e eeuw ongeveer gelijk te zijn aan die in Putten.
Deze zo uitgebreide macht, die bijna landsheerlijke evenaarde bezitten niet alleen de heren van Putten en Strijen. Ook de heren van het nabije Voorne bezitten die in hun heerlijkheid. Ook hier wordt geen schot aan de graaf van Holland afgedragen en de andere rechten, die we bij de heren van Putten aantreffen, blijken die van Voorne eveneens te bezitten (
H. Obreen : "Bijdrage tot de kennis der middeleeuwsche geslachten van Holland en Zeeland. De Heeren van Voorne" in "De Nederlandsche Leeuw"46e jg (1928) kol. 358. F.W.N. Hugenholtz: "De graafschappen Holland en Zeeland in 1281" in " Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden" dl XIII (1958) nr 1 blz. 14 Archief Leenkamer Holland inv. nr 76 f° 352. (Van den Bergh a.w. dl II nr 218) Archief Leenkamer Holland inv. nr 90 f° 40 ( Van den Bergh a.w. dl II nr 387) Aldaar inv. nr 76 f° 50v ( Van Mieris a.w. dl II blz. 123).
Wat Voorne betreft, in 1317 geeft Willem III een oorkonde uit voor Gerard van Voorne, die vervat is in dezelfde bewoordingen als die van Floris V uit 1280, zo juist geciteerd (
Aldaar inv. nr 13 f° 5 ( Van Mieris a.w. dl II blz 169). Archief Hof van Holland inv. nr 12 (11e Mem. Rosa) f° 58 e.v. ; vergelijk ook het "Repertorium van 't Hof" (aldaar inv. nr 266 XX) in verbo "vrije heerlijkheid": "Vrije heerlijckheyt is die vrij is van 's graven bede" met verwijzing naar de geciteerde declaratie. Hugenholtz a.w. blz. 15.
Neemt men toeneming van de landsheerlijke macht in de loop van de 12e, 13e en 14e eeuw in ogenschouw, dan is het onaannemelijk dat de heren van Voorne en Putten aanvankelijk gewone grafelijke leenmannen waren, die hun macht zodanig wisten uit te breiden dat zij de rechten die elders aan de landsheer toekwamen voor zich konden verwerven. Veeleer is het tegendeel aan te nemen, n.l. dat we hier te dien hebben met oorspronkelijke allodiale heren, wier gebied niet tot de zeggenschap van de graven behoorde, maar die zich, rondom door grafelijk gebied ingesloten, tenslotte niet zelfstandig konden handhaven, en de graaf van Holand als leenheer en landsheer moesten erkennen, doch voor het overige vrij bleven. Voor Voorne, Putten en Strijen bezitten we geen oorkonden die deze hypothese staven, voor Altena hebben we die wel. In 1230 bekent Dirk van Altena zijn heerlijke burcht met "omme allodium, quod jacet in Zuethollandiam et in Woudrychemerward et in Hoecce" opgedragen te hebben aan Floris IV om het nu van hem te leen te houden (
Archief Heren van Altena. Invent. Hardenberg nr 2, regest nr 3 (Van den Bergh dl I nr 322). Inv. nr 29.
Wanneer oorspronkelijk onafhankelijke heren zich door de leenrechtelijke band aan de graven hebben verbonden is niet bekend, het moet echter zeer vroeg zijn. Het feit dat vóór de 14e eeuw geen akten van belening van de heren van Putten of Strijen met hun dominia door de graaf bekend zijn en waarschijnlijk ook nooit bestaan hebben doet daarvan niets af. Ook van Voorne kennen we er geen vóór het laatste kwart van de 13e eeuw, terwijl de heer Voorne zéker reeds in 1206 tot de leenhulde "de Ostforne et de Westforne et de apendiciis"verplicht was (
Van den Bergh a.w. dl I nr. 206. Aldaar nr. 183.
In 1284 noemt Floris V heer Nicolaas III "fidelem nostrum" (
Aldaar dl II nr 493. Willem II van Strijen wordt reeds in 1235 door Willem, voogd van Holland "fideli meo" genoemd, aldaar dl I nr 357.
De opvatting dat genoemde heerlijkheden oorspronkelijk keizerlijke lenen, zoals het graafschap Holland, het hertogdom Brabant, enz. waren, en de heren door een direkte leenband met de keizer verbonden waren achten wij minder waarschijnlijk dan de boven gegeven conceptie. De terminologie "in eodem prout nostri antecessores hactenus tenuerint et adhuc nos tenemus" in de geciteerde oorkonden van Floris V en Willem III resp. uit 1280 en 1317 voor de heren van Voorne of het daarmee overeenkomende "in ghelike dat wij 't houden van den rike" uit de oorkonde van Jan II uit 1303 (
Zie blz. hiervoor. Wanneer "vrije heerlijkheid"zou betekenen: direkt afhankelijk van de keizer is het merkwaardig dat we deze term juist vinden in een stuk uitgaande van de dan inmiddels in dit leenverband tussen geschoven graaf van Holland, bestemd voor de heer van Voorne. Het feit dat de graaf tussen de keizer en de heer van Voorne is komen te staan maakt dat er nu voor de heer van Voorne geen sprake meer is van een vrije heerlijkheid. Overigens hopen we op dit probleem en op het aandeel van de heren van Putten in de grafelijke tollen binnenkort in een afzonderlijke publikatie terug te komen.
De leenverhouding tussen de heren van Putten en Strijen en de graaf van Holland in de 14e en 15e eeuw biedt verder weinig moeilijkheden. De heren van Putten zijn echter niet alleen leenman van de graaf maar ook van de heer van Voorne. op het eerste gezicht is het probleem hierbij vooral dat zowel de graaf als de heer van Voorne leenheer voor Putten, dus schijnbaar voor één en hetzelfde gebied, blijken te zijn.
De kommissie van onderzoek naar de "natura dominii de Putten", door de financiële afdeling van de Grote Raad in het leven geroepen, komt in 1469 tot de konklusie "que la terre et seignourie de Putte a adez esté et fu encoires au jour du transport (
d.w.z. op 28 juni 1456, zie beneden. Archief Leenkamer Holland nr. 89 f° 2.
De omschrijving van het leen in de grafelijke leenakten luidt: de heerlijkheid Putten ( en Strijen) , die in de Voornse akten: Putten en Putterland. De geografische uitgestrektheid van het Hollandse leen kennen we uit een denombrement van 1312 (
Uitgegeven door F. van Mieris: "Groot Charterboek ..." dl II blz. 123. Zie Ramaer, a.w. blz. 183.
Binnen genoemde grenzen liggen echter enige enklaves van Voorne; in een oorkonde van 1315 (
Inv. nr. 18, 19. Ongeveer het gebied van het tegenwoordige Ooltgensplaat. Ten oosten van het huidige Piershil. Archief Leenkamer Holland nr 90 f° 55v.
Ook dat een verandering van de aard van het leen door de graaf van Holland samen mèt de heer van Voorne moest geschieden, maar het beeld blijft vaag en zoals blijkt uit de konklusie van de kommissie: gedeeltelijk onjuist. In het begin der 14e eeuw is dit nog anders, Huge van Zottegem betwist de heer van Voorne zijn rechten (
Inv. nr 18, 19. Inv. nr 40. Archief Leenkamer Holland nr 90 f° 54.
Deze leenband met Voorne is waarschijnlijk al zeer oud. Zoals we boven opmerkten heeft het er alle schijn van dat de heerlijkheid Voorne ouder is dan Putten. Het is zeer goed mogelijk dat de heer van Voorne, nog voor dat zich de heerlijkheid Putten ontwikkelde op bedoelde gebieden rechten bezat, die later, toen ze meer en meer enklaves van het Putse gebied werden in feite overgingen op de heren van Putten, mits erkenning van het oppergezag van de heren van Voorne door middel van de leenband. Bij deze enklaves behoort ook het naamgevend deel: Putten, doch het is niet onwaarschijnlijk dat de heren van Putten hun naam danken aan Putten als hun oorspronkelijke residentie, zonder dat dit de oudste kern van hun gebied behoeft te zijn, de aanwezigheid van de burcht Puttestein (
"Geschiedkundige atlas van Nederland", A.A. Beekman: "Holland, Zeeland en Westvriesland in 1300" II "Holland ten Zuiden van het IJ" Den Haag 1920 blz. 97. Zie ook de bijbehorende kaart. Van den Bergh a.w. dl I nr. 317. Aldaar nr. 416. Dit weerlegt de mening van Fockema Andreae, dat de heren pas sedert de 14e eeuw te Geervliet resideerden (a.w. blz. 29). Inv. nr. 1 f° 84. B.v. door de rentmeester Otto Koudaver, zie inv. nr. 57.
Van de heerlijkheid Putten schijnt ook Putten over die Maze, steeds een intregerend deel te hebben uitgemaakt, waarschijnlijk is het in de late 12e en 13e eeuw geleidelijk bedijkt. Poortugaal is reeds een parochie in 1270 (
J.G.C. Joosting en S. Muller Hz.: " Kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht" 1e afd. dl I (O.V.R. 2e reeks nr 8), blz. 18. Van den Bergh a.w. dl I nr. 372. Aldaar nr. 394.
De geografische ligging tussen het eigenlijke Holland en het eigenlijke Zeeland weerspiegelt zich in Putten, evenals in Voorne in de instellingen. Putten ligt in het gebied waar de Zeeuwse en Hollandse invloedsferen elkaar raken. Zo spreken Nicolaas III en zijn hof recht "bi den coire van Zeelant" (
Inv. nr 3 f° 2. Inv. nr. 1 f° 129. B.v. Archief Leenkamer Holl. nr. 116 f° 21 en 21v, waar het zelfs het geval is met het ver van Zeeland verwijderd liggende Pendrecht. Ook de graven zelf maken gebruik van het Zeeuwse leenrecht buiten Zeeland, zo b.v. geeft Willem II in 1240 in Pendrecht een leen uit om dit te bezitten krachtens "omnium juris tenorem Zelandensium" inv. nr 43.
2. Oorsprong en aard van de heerlijkheid Strijen.
De oudste geschiedenis van Strijen is terug te voeren tot een aantal moeilijk op te lossen problemen van historisch-geografische aard waartoe enkele keizerlijke diploma's voor de abdij Nijvel aanleiding geven (
Monumenta Germaniae Historica - DD. reg.et imp. deel I nr 318 en nr 487 ed. Th. Sickel. Zie hier voor: T. van Rheineck Leyssius: De afstamming der heeren van Strijen en Breda uit het Brabantsch-Henegouwsche Huis " De Nederlandsche Leeuw" 50e jg (1932) kol. 322-332.
Reeds is betoogd, dat Strijen evenals Voorne en Putten, vanouds waarschijnlijk een allodiale heerlijkheid zal zijn, al ontbreken direkte bronnen, die dit aantonen (
Zie blz. VI.
De oudste heer van Strijen in de 12e eeuw, die we kennen is Vastraad van Strijen, die in 1167 als getuige in een oorkonde van de hertog van Brabant voorkomt (
P.J. Goetschalckx : "Abdij van Sint-Michiels te Antwerpen" in "Bijdragen tot de geschiedenis, bijzonderlijk van het aloude hertogdom Brabant" dl IV (1905) blz. 580. Van den Bergh a.w. dl I nr 183. Van Mieris a.w. dl II blz. 63.
Het laat Middeleeuwse Strijen is echter slechts het noordelijke deel van het 10e en 11e eeuwse graafschap Strijen. Doch ook dit noordelijke deel wordt steeds kleiner. Tijdens de regering van Zweder van Abkoude bestaat Strijen uit een bedijkt gedeelte, nl. de parochies Strijen en Broek die deel uitmaken van de Grote Waard van Zuid-Holland, en het afzonderlijk gelegen Wede benevens een onbedijkt gedeelte, dat produktief wordt gemaakt door de moernering (
Zie Inv. nr.34. Van den Bergh a.w. , dl II nr. 740. Inv. nr 52 en voorafgaande.
Het testament van Nicolaas III van Putten uit 1311 (
Inv. nr. 8. Van Mieris a.w. dl III blz. 26. Zie inv. nr. 1 f° 181- 185. Reeds eerder bestonden er vergevorderde plannen tot bedijking van dit gebied b.v. in 1423 (zie inv. nr 24) en in 1432 (zie van Mieris a.w. dl IV blz. 1001).
3. De heren en vrouwen van Putten en Strijen.
Een chronologische lijst van de heren en vrouwen die over Putten en Strijen geregeerd hebben met een stamboom, in hoofdzaak naar de geciteerde genealogische verhandeling van Obreen, moge hier voldoende zijn. De onderlinge verwantschap en het optreden der heren in de binnenlandse en buitenlandse politiek is door Obreen reeds uitgebreid bestudeerd.
Heren en vrouwen van Putten:
- Jan I van Putten, vermeld 1216.
- Nicolaas I, heer van Putten, vermeld 1229 - 1247.
- (Jan II ?) (
Nicolaas I noemt in 1246 (Van den Bergh a.w. dl I. nr 416.) zijn zoon Jan: "qui est heres meus". Latere vermeldingen bezitten we van hem niet. Het is mogelijk dat hij zijn vader inderdaad is opgevolgd in de tijd tussen 1247 en 1268, uit welke tijd geen teksten handelend over een heer van Putten bewaard zijn gebleven. In 1268 is zijn broer Nicolaas II, heer van Putten.
) . - Nicolaas II, heer van Putten, vermeld 1268-1275 overl. vóór 19-4-1276.
- Nicolaas III, heer van Putten, vermeld 1276 overl. 27-10-1311.
- Beatrijs, vrouwe van Putten 1311-1354.
vrouwe van Strijen sedert 1316; vrouwe van:- Huge van Zottegem overl.1321.
- Gwijde van Vlaanderen overl. ca. 1345.
- Aleid II, vrouwe van Putten en Strijen 1354-1361, vrouwe van:
Boudewijn van Praat
- Zweder, heer van Gaasbeek, Abkoude, Putten en Strijen 1361-1400.
- Jacob, heer van Gaasbeek, Abkoude, Putten en Strijen 1400-1459.
Heren en vrouwen van Strijen:
- Vastraad van Strijen vermeld 1167.
- Willem I en Huge van Strijen, vermeld vóór 1190.
- Willem II, heer van Strijen vermeld 1224-1244.
- Willem III, heer van Strijen vermeld 1252-1273.
- Willem IV, heer van Strijen vermeld 1275 overl. vóór 25-11-1294.
- Aleid I, vrouwe van Strijen 1294-1316.
- Beatrijs, vrouwe van Putten en Strijen, zie verder boven.
Willem IV van Strijen krijgt van de graaf de toezegging dat na zijn dood de heerlijkheid, bij ontstentenis van zonen, zal vererven op zijn dochter (
Inv. nr. 13. Naderhand wordt meestal gesproken van de heerlijkheid Putten en Strijen, en worden de twee heerlijkheden als een eenheid beschouwd. (Regest nr 39). Zie voor Zweder van Abkoude en Jacob van Gaasbeek vooral het artikel van A.G. de Groot: "Zweder en Jacob van Gaasbeek in Zuid-Holland"in : "Zuid-Hollandse studiën" dl VIII, 1959 blz. 39-99. A. Wauters "Histoire des envirous de Bruxelles" dl I blz. 152. Inv. nr. 46.
Bij een andere akte, eveneens in het archief aanwezig, ziet de graaf van Hoorne van zijn rechten af (
Inv. nr. 47. Wauters a.w. blz. 152. In het Utrechtse komen nog in de 16e eeuw Gaasbeken voor als leenmannen van de bisschop, het zijn zonen van Jacobs bastaardzoon Zweder. Vgl A.J. Maris: "Repertorium op de Stichtse leenprotocollen", blz. 448 e.v. Origineel charter, Archief Grafelijkheid Holland, Suys f° 64 nr 1 doos Putten. Zie ook Arch. Graf. Rekenk. Dom. Holl. nr. 1 f° 64. Archief Leenkamer, nr 83 f° 36v. Archief Graf. Rekenk. Dom. Holl. nr. 1 f° 64v e.v.
- 1) Dat Jacob de heerlijkheden niet zal vervreemden of verder zal belasten
- 2) Dat de heerlijkheden na zijn dood aan de grafelijkheid zullen vervallen, tenzij hij nog een wettige zoon zou nalaten, in welk geval deze laatste door de graaf met Putten en Strijen zou beleend worden zoals zijn voorgangers er mee beleend waren.
Aldaar f° 67.
) .Dit laatste is niet gebeurd. Op 6 februari 1459 (
Archief Rekenkamer Rekeningen nr 2177, aanhef. Archief Leenkamer nr 63 f° 148v.
Op 12 april 1459 (
Archief Graf. Rekenk. Dom. Holland nr 490 f° 77. Aldaar f° 77v.
Ook na 1467 blijft Putten nog een afzonderlijke positie innemen met betrekking tot de betaling van de bede. In 1464 regelt Karel van Charolais de wijze van heffen (
Archief Leenkamer Holland Inv. nr. 64 f° 4v. Aldaar f° 5. "Informacie up't stuck van der verpondinghe" uitgave Fruin (Uitg. Mij. Ned. Lett. 1866), uit 1514. Ook in de "Enqueste up't stuck der verpondinghe uitgave Fruin (aldaar 1876) uit 1494 komt Putten niet voor.
4. Het bestuur der heerlijkheden.
De administratie der goederen en inkomsten van de heren van Putten en Strijen is in de 14e eeuw overgelaten aan een rentmeester, wiens ressort aanvankelijk de gehele heerlijkheid besloeg. Als zodanig kennen we Jacob Gheraerdszone (
Komt voor in 1330 (Van Mieris a.w. dl II blz. 499). Komt voor in 1362 (inv. nr. 144 f° 18), 1363 (ald. f° 99v) Komt voor in 1366 (ald. f° 95). Komt voor in 1370 (ald. f° 118v). Inv. nr. 109. Inv. nr. 1 f° 101v. Inv. nr. 3 f° 54.
In het archief bevindt zich een aantal rekeningen met de jaren 1382-1390 van de rentmeester Otte Koudaver (of Koudehaver) die uitsluitend optreedt als rentmeester van Putten en Poortugaal (
Inv. nrs. 110-115. Inv. nr. 1 f° 94v. Inv. nr. 122 e.v. Inv. nr 134 e.v. Zie b.v. inv. nr. 140. Inv. nr. 1 f° 99v (in het jaar 1363). Inv. nr. 1 f° 140v (in het jaar 1446).
In de latere jaren van de regering van Jacob van Gaasbeek schijnen de rentmeesterschappen weer samen gevoegd te zijn, immers Jacob Pot wordt genoemd: rentmeester van Putten en Strijen (
Aldaar. Archief Rekenkamer Holland, Rekeningen inv. nr. 3313 e.v., achtereenvolgens onder de rentmeesters Willem Bolle en Jan van Lesanen.
Wanneer in Putten de eerste baljuws optreden is niet duidelijk. De instelling bestaat in ieder geval in 1330 (
Van Mieris a.w. dl II blz. 499. M.S. Pols "Oudste rechten van het land van Putten"in "versl. en Med. Ver. Uitg. bronnen Oud. Vad. recht " 1885 blz. 130, 133. Aldaar blz. 134. Inv. nr. 77.
Een afzonderlijk woord over het bestuur in Putten en Strijen in waterschapsaangelegenheden mag hier niet achterwege blijven. De waterhuishouding wordt in Holland en Zeeland in de 12e en 13e eeuw normaliter geregeld in plaatselijk kader, d.w.z. in het kader van ambacht, domein of immuniteit of wat er voor in de plaats gekomen is. Putten is hierop geen uitzondering. Dit mag geconcludeerd worden, niet uit bronnen materiaal uit de 13e eeuw, want dat bezitten we voor de Putse waterstaat niet, doch uit het beeld dat de 14e en de 15e eeuw te zien geven. Ook dit beeld blijft vaag en is allerminst volledig, maar ondanks een zekere centralisatie, blijkt de voornaamste bevoegdheid in waterstaatszaken ook in die tijd nog bij de plaatselijke besturen te berusten.
Artikel 23 van de oude voorboden van Putten luidt: "...soos al elck schout binnen sijnen ambacht den ban schouwen, die schepenen legghen sullen op den dijckschouwen..."(
Van mieris a.w. deel IV blz. 1050 (in het jaar 1434). Handschriften 3e afd. Alg. Rijksarchief nr 2c (Ms. Van Mieris, vervolg op het Groot Charterboek) blad 219.
Als Geervliet in 1381 tot stad verheven wordt en dus uit het algemene patroon van de gewone ambachten wordt gehaald is een regeling voor het beheer van water- en dijkzaken gewenst. In het handvest van Zweder van Abkoude komt hierover de volgende bepaling voor: "Item van onsen scepenen van Gheervliet sullen drie dijcscepenen wesen, dair men den dijck ende dat dair toebehoirt mede sal bedriven, mit anders vier scepenen die men buten der vesten, binnen der vrijheit dair toe nemen sal" (
Inv. nr. 1 f° 123. Zie ook Pols a.w. blz. 198. In 1424 wordt dit artikel als volgt door Jacob van Gaasbeek gewijzigd: 4 schepenen "binnen onser stede geseten ende binnen der vrijheit van Gheervliet gheërft"Inv. nr. 1 f° 124.
Het juridische deel van de werkzaamheden van de plaatselijke dijkbesturen is gemakkelijk binnen één bepaald ambacht op zichzelf te verrichten, het meer technische, vooral wat de uitwatering en de bescherming tegen de zee bij hoge vloeden betreft, in veel mindere mate. Een minimum van samenwerking en onderlinge hulp wordt meer en meer vereiste. Van een dergelijke samenwerking zien we ook in Putten evenals elders verschillende voorbeelden. In 1332 geven Gwijde van Vlaanderen en Beatrijs (
Archief Leenkamer Holland Inv. nr. 83 f° 13. Aldaar f° 13v e.v.
Het ambacht Putten maakt in 1461 in zekere zin misbruik van de onderlinge hulp, door (met sukses!) een mandement van Karel van Charolais, heer van Putten te vragen, waarin de overige ambachten geboden wordt Putten te hulp te komen in zijn aanleg van hoofden, duikers en andere kunstwerken. Dit mandement wordt een bron van twist die in 1463 op een vergadering te Geervliet wordt beëindigd door een uitspraak van enkele scheidsrechters, inhoudende dat het mandement gecasseerd zal worden. Deze uitspraak, die in kopie tot ons is gekomen (
Handschriften 3e afd. Alg. Rijksarchief nr 2c blad 219. Het mandement van 1461 kennen we slechts uit de vermelding in 1463.
Strikt genomen is een onderscheid tussen het ambacht Putten en het "gemene oude land van Putten" onjuist. Putten behoort evenzeer tot dit oude land als b.v. Geervliet, maar sedert 1437 is het er van afgescheiden door een middeldijk, die loopt van "dat oosteynde van Hekelingen, streckende dwers duer 't lant tot aen den Brabantsen dijc"(
Inv. nr. 1 f° 187v e.v. Merkwaardig is het dat over schout en schepenen, enz. van Geervliet en het gemene oude land van Putten gesproken wordt. Moeten we hierbij denken aan een gemeenschappelijk optreden onder één schout, die van Geervliet? Inv. nr. 1 f° 187v e.v.
De voornaamste scheidsrechter, de "overman", bij het conflikt van 1463, Floris van Boschuysen, wordt genoemd: "ruwaart, bailliu ende dijckgrave van den lande van Putte". Sedert de 14e eeuw bestaat er n.l. boven de ambachtelijke besturen een overkoepelend orgaan van dijkgraaf, benoemd door de heer van Putten, en heemraden (
Zij worden afwisselend genoemd: gemene schepenen (Inv. nr. 1 f° 104), hoofdschepenen (inv. nr. 1 f° 187v e.v.), heemraden (Pols a.w. blz. 133), hoge heemraden (Pols a.w. blz. 134) en zelfs hoogste heemraden (Pols a.w. blz. 139) Inv. nr. 1 f° 104. N.l. half maart, half mei, St. Jansmisse, St. Jacobsmisse, St. Lambrechtsmisse. De schouw wordt verricht door "die dijcgrave mitten gemene scepenen, klerc, bode ende anders mijns liefs joncheren vrienden" (inv. nr. 143 f° 10). De laatste kategorie, waarmee waarschijnlijk leenmannen worden aangeduid spelen vaker een rol in dijkzaken, zo b.v. in de uitvoering van de aanleg van de middeldijk in 1437 (Inv. nr. 1 f° 187v). Archief Rekenkamer Holland, Rekeningen nr 4421 f° 29. Ook de schouten en schepenen mochten éénmaal per jaar bij het z.g. "turven"een maaltijd op kosten van de heer nuttigen (Aldaar f° 30).
De dijkgraaf int de boeten of wel direkt van de overtreders, ofwel via de waarsluiden van een ambacht, hij beheert de gelden en doet hiervan rekening aan de heer. Van deze rekeningen zijn er uit de periode van vóór 1459 een tweetal bewaard gebleven (
Inv. nrs 143 en 144. Inv. nr. 143 f° 10 en elders. Het schijnt niet uitgesloten te zijn dat soms het ambt van dijkgraaf van Putten gegeven werd aan de schout van Geervliet. Immers Willem van Almonde komt op 28 okt. 1437 voor als dijkgraaf en op 10 febr. 1438 als schout van Geervliet (zie resp. inv.nr. 1 f° 187v en Archief Leenkamer Holl. inv.nr. 83 f° 9).
Geografische strekt hun competentie zich uit over het oude land van Putten met de daaraan bedijkte polders. Interessant is een aantekening in de rekening van het dijkgraafschap over 1463 (
Archief Rekenkamer Holl., Rekeningen nr 4421 f° 28v. Het is schrijver van deze aantekeningen ( dit is niet de dijkgraaf, van wie de rekening is) niet bekend wie hier dijkgraaf is : "Gherrijt van Nyevelt, Florijs Grijper, Jacob die Buyser, enich van hem drien..."
Wat de heerlijkheid Strijen tenslotte betreft, deze lag voor het grootste deel binnen het hoogheemraadschap van de Grote Waard van Zuid-Holland, waarvan een door de graaf van Holland benoemde dijkgraaf aan het hoofd stond (
Ook Jacob can Gaasbeek is nog dijkgraaf van de Grote Waard geweest (Inv. nr. 25).
In de 14e en 15e eeuw is er voortdurend sprake van onderhandelingen van het waterschap met de heer van Strijen (
Inv. nrs.35, 36, 59. Zie voor de geschiedenis van de Grote Waard: S.J. Fockema Andreae: De Grote of Zuid-Hollandse Waard, "Studiën over waterschapsgeschiedenis" deel III Leiden 1950. Van Mieris a.w. dl III blz. 614. In 1377 was de dijkschouw van de heren reeds nader door hertog Aalbrecht gereglementeerd. Aldaar dl III blz. 335.




Reacties