gahetNA in het Nationaal Archief

Heren van Putten en Strijen

3.19.43
C. Dekker
Nationaal Archief, Den Haag
1960
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.19.43
Auteur: C. Dekker
Nationaal Archief, Den Haag
1960
CC0

Periode:

1235-1459

Omvang:

0,70 meter; 153 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Middelnederlands. Een klein gedeelte is gesteld in het Latijn.

Soort archiefmateriaal:

Geschreven documenten, kennis van het middeleeuwse handschrift is noodzakelijk.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de heren van Putten en Strijen bevat onder stukken betreffende hun rechten, plichten en bevoegdheden tegenover de Hollandse graven, de Utrechtse bisschoppen en enkele andere omliggende heerlijkheden zoals tollen, de uitgifte van grond, bedijking en aktes van belening. Daarnaast bevat het ook stukken met betrekking tot het beheer van hun goederen zoals leenzaken, financiën en bedijking zoals lijsten van leenmannen, verschillende rentenboeken en afgehoorde rekeningen.

Archiefvormers:

  • Heren van Putten en Strijen, -1459

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Oorsprong en aard van de heerlijkheid Putten.

In tegenstelling met de andere twee belangrijke hoge heerlijkheden in de delta van de grote rivieren, Voorne en Strijen, bezitten we voor de heerlijkheid Putten geen gegevens van vóór 1200. Wat Voorne betreft, reeds in de vroege 12e eeuw, in 1108, treedt een Huge van Voorne op als getuige in twee oorkonden van bisschop Burchard van Utrecht (

S. Muller Fz. en A.C. Bouman: "Oorkondenboek van het sticht Utrecht tot 1301" dl I nrs. 279 en 280.

) en ook komen er verschillende andere vermeldingen voor van heren van Voorne in het verloop van deze eeuw (

L.P.C. van den Bergh: "Oorkondenboek van Holland en Zeeland"dl I nrs. 133, 134, 147, 148, 166 (jaren 1156, 1167, 1173, 1188) enz.

)
. Het bestaan van de heerlijkheid Voorne kan vanaf het begin der 12e eeuw dan ook als een vaststaand feit worden beschouwd. Ook het bestaan van de heerlijkheid Strijen is voor de tweede helft van die eeuw volkomen zeker (

Zie beneden

)
. Van Putten daarentegen hebben we uit de 12e eeuw noch genealogische, noch geografische gegevens. Pas in 1216 komt de oudst bekende heer van Putten voor als getuige bij een grafelijke bevestiging van een gist aan de abdij Mariënweerd, n.l. Jan van Putten, van wie we verder niets weten (

J. de Fremery "Supplement ......" nr. 36

)
. Vanaf 1229 beginnen de bronnen rijker te vloeien, herhaaldelijk worden nu heren van Putten in oorkonden van de graaf van Holland vermeld, terwijl bovendien van dan af ook oorkonden, van deze heren zelf uitgegaan, in het archief dat zij gevormd hebben, in kopy, soms zelfs in origineel bewaard zijn gebleven. Ondanks de schaarse gegevens uit de periode van vóór 1229 heeft Fockema Andreae getracht verbanden te leggen tussen de heren van Putten en Putten bij Elburg op de Veluwe (

S. J. Fockema Andreae : " De hoge en vrije heerlijkheid Putten" in "Zuid-Holl. studiën" dl II jg 1952, blz. 27.

)
. Ook zou volgens hem het latere Putten het Merwedewoud uit het midden der 11e eeuw zijn, waaruit zich dan enkele kernen ontwikkelden: de heerlijkheid Merwede, in de 14e eeuw een leen van de heren van Putten, en Putten, het naamgevende deel van de heerlijkheid, kernen die als zeer vroeg bedijkt moeten worden verondersteld (

Aldaar, blz. 31

)
. Dit alles is echt zeer hypothetisch. Obreen beschouwt Jan van Putten als de bedijker van Putten (

H. Obreen: "Bijdragen tot de kennis der middeleeuwsche geslachten van Holland en Zeeland. De heeren van Putten en van Strijen"in "De Nederlandsche Leeuw" 50e jg (1932) kol. 296.

)

Zonder reden echter. Het bestaan van de tol te Geervliet sedert 1179 (

O. oppermann: "Untersuchungen zur nordniederländ. Geschichte" dl II blz. 34. De mening van Fockema Andreae (a.w. blz. 31) dat Geervliet waarschijnlijk al vóór het midden der 12e eeuw bestond is niet met bronnen te staven.

) verschaft althans voor de bedijking van Geervliet een terminus ad quem, immers een tol veronderstelt een tolhuis en enkele beambten, kortom een minimum van bewoning en het is onlogisch zulk een bewoning te veronderstellen in een gebied dat nog rijdende is. We moeten ons wellicht Geervliet voorstellen als een der eerste bedijkingen in een uitgebreid gebied van gorzen en slikken tussen Voorne, Strijen en Zuid-Holland, op de plaats waar zich later de heerlijkheid Putten uitstrekken zal, wat echter nog niet wil zeggen dat het "dominium de Putte" zich noodzakelijk uit de kern Geervliet heeft ontwikkeld. Zo noemen naast Fockema Andreae ook Ramaer (

J. C. Ramaer: "Geographische geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de middeleeuwen". (Verhand. Kon. Akad. v. Wetensch. te A'dam. Afd. Letterk. Nieuwe Reeks II, 3) A'dam 1899 blz. 160.

)
en Klok (

J. klok: "Voorne en Putten" Utrecht 1939 blz. 80.

)
het dorp Putten, eveneens ontstaan als afzonderlijke bedijking, de oorspronkelijke kern van de heerschappij van de heren van Putten, waarvan de naam op het hele gebied zou zijn overgegaan.

Wanneer dit Putten is bedijkt is evenmin bekend, de terminus ad quem is 1216, het jaar waarin Jan van Putten wordt vermeld, die inderdaad de bedijker kan zijn, maar noodzakelijk is dit geenszins. Het is even goed mogelijk dat de bedijking reeds lang voor hem heeft plaats gevonden. De bedijkingen van Geervliet en Putten vormen met de later bedijkte polders Spijkenisse, Biervliet, Hekelingen, Brabant en Vriesland, die misschien nog uit de late 12e eeuw, waarschijnlijk echter uit de eerste helft van de 13e eeuw dateren, wat men sindsdien noemt "den lande van Put" of "de vorsche van Put". Het dominium van de heer van Putten strekt echt bovendien uit over Poortugaal en naaste omgeving, het z.g. "Putten over die Maze" of "Overmaze" en over een aantal gebieden daarbuiten, hoofdzakelijk schorren en slikken, die echter in de loop van de 14e en 15e eeuw geleidelijk aan bedijkt worden, deels tot korenlanden van een blijvend karakter, deels tot moerlanden van een tijdelijk karakter, b.v. Simonshaven (

Inv. nr. 1 f° 129 , in het jaar 1304.

) , Oud-Schuddebeurs (

Aldaar f° 167 e.v. , in het jaar 1431`.De bedijking is voltooid 26 april 1432 (aldaar f° 169v).

)
, Drenkwaard (

F. Van Mieris: "Groot Charterboek ...." dl IV blz. 221, in het jaar 1412.

)
en andere.

Dit gehele gebied wordt in de 14e eeuw door de heren van Putten in leen gehouden van de grafelijkheid van Holland. In hun archief bevinden zich verscheidende akten waarbij de graven hen met de heerlijkheid belenen (

Inv. nrs 22, 23, 25, 26.

) . Er zijn echter een aantal eigenaardigheden waardoor de heren van Putten zich van andere leenmannen in Holland en Zeeland gunstig onderscheiden. Deze zijn van niet geringe betekenis. De heren van Putten bezitten de fundamentele rechten der Landsheerlijkheid (

Zo worden schot en heervaart genoemd door I.H. Gosses "Welgeborenen en huislieden" Groningen-Den Haag 1926, blz. 17.

)
: schot en heervaart onder eigen banier. In de grafelijke rekeningen wordt geen schot, geheven in Putten, verantwoord. Integendeel, de heren beschikken vrij over het schot dat zij voor zich zelf heffen, zo b.v. Nicolaas III in 1311 in zijn testament (

Inv. nr 8.

)
en ook reeds Nicolaas I in 1235 wanneer hij een verwant een jaarlijkse rente uit de bede van Putten schenkt (

Inv. nr 78.

)
. Dit zelfde geldt ook met betrekking tot de heerlijkheid Strijen. Wanneer Filips de Goede in 1435 Putten en Strijen in een bede laat meebetalen, moet hij verklaren dat dit gebeurt op grond van een gunst van de kant van Jacob van Gaasbeek en niet omdat deze het rechtens verplicht is (

Inv. nr 29.

)
. De heer van Putten en Strijen verleent ook zelf schotvrijheid (

grafelijk.

)
. In de strijd dient hij de graaf van Holland onder eigen banier en heft het heervaartgeld ten eigen bate, de regeling ervan heeft hij in eigen hand (

Van den Bergh, a.w. dl I nr 317, in het jaar 1229, nr 416, in het jaar 1246, en Inv. nr 1 f° 9, in het jaar 1345.

)
. Reeds in de 13e eeuw oefent Nicolaas I het halsrecht uit (

Van den Bergh, a.w. dl I nr 416, in het jaar 1246.

)
en een oorkonde uit de 14e eeuw (

Inv. nr 1 f° 55-56, in het jaar 1309.

)
toont aan dat dit recht ook toen nog door de heren van Putten bezeten werd.

De heer van Putten en Strijen zetelt "in sijnre zalen binnen sinen hove" te Geervliet ten gerechte, bijgestaan door enkele van zijn, voor Holland en Zeeland ongewoon groot aantal leenmannen, en onderzoekt en beslist kwesties over het leenbezit. De procedure, door dit leenhof van Putten gevolgd kennen we uit de beschrijving hiervan voorkomend in een akte van 1366 en in een van 1432 (

Resp. inv. nrs. 69 en 71. Vergelijk ook nr 70.

) . Tenslotte bezit de heer in Putten uitgebreide tolrechten (

Inv. nr 32.

)
.

Wat betreft de heerlijke macht zijn we voor Putten veel beter ingelicht dan voor Strijen, maar over het algemeen schijnt de macht van de heren in Strijen in de 14e eeuw ongeveer gelijk te zijn aan die in Putten.

Deze zo uitgebreide macht, die bijna landsheerlijke evenaarde bezitten niet alleen de heren van Putten en Strijen. Ook de heren van het nabije Voorne bezitten die in hun heerlijkheid. Ook hier wordt geen schot aan de graaf van Holland afgedragen en de andere rechten, die we bij de heren van Putten aantreffen, blijken die van Voorne eveneens te bezitten (

H. Obreen : "Bijdrage tot de kennis der middeleeuwsche geslachten van Holland en Zeeland. De Heeren van Voorne" in "De Nederlandsche Leeuw"46e jg (1928) kol. 358.

) . Hoe groot de macht van de heren ook is, zowel Voorne als Putten maken deel uit van het gebied van de graaf van Holland, zoals blijkt uit een oorkonde uit 1281 (

F.W.N. Hugenholtz: "De graafschappen Holland en Zeeland in 1281" in " Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden" dl XIII (1958) nr 1 blz. 14

)
waarin dit gebied in zijn verschillende bestanddelen wordt ontleed. De graaf van Holland is de landsheer, die de heren boven zich moet erkennen, wat ze ook doen: zo sluit b.v. Albrecht van Voorne een overeenkomst met Florens van Henegouwen in 1271 en belooft hem te steunen "jeghens elcken man daer hie 's t doene hevet, enne waere jeghens den heere van den lande"(

Archief Leenkamer Holland inv. nr 76 f° 352. (Van den Bergh a.w. dl II nr 218)

)
. Verder moeten zij de graaf van Holland de leenhulde brengen, maar voor het overige zijn ze vrij. Zij houden hun heerlijkheid "vrij", "libero modo". Zo erkent b.v.Floris V in 1280 dat Albrecht van Voorne en zijn voorgangers de heerlijkheid van Voorne en het erbij behorende burggraafschap van Zeeland "in feodum possidet et possderunt a nobis et nostris antecessoribus libero modo in simili jure ac in eadem prout nostri antecessores hactenus tenuerint et adhuc nos tenemus"(

Archief Leenkamer Holland inv. nr 90 f° 40 ( Van den Bergh a.w. dl II nr 387)

)
en vangt het denombrement van de Putse goederen uit 1312 aan met de woorden: " Dit is die heerscepie die mijn heere van Putte, dair God die ziele af hebben moete, vrij hielt van eenen vermoghenden prince, mijn heere den grave van Hollant ende die mijn vrauwe, zijn dochter, vort van hem houden zal vrij ...." (

Aldaar inv. nr 76 f° 50v ( Van Mieris a.w. dl II blz. 123).

)
.

Wat Voorne betreft, in 1317 geeft Willem III een oorkonde uit voor Gerard van Voorne, die vervat is in dezelfde bewoordingen als die van Floris V uit 1280, zo juist geciteerd (

Aldaar inv. nr 13 f° 5 ( Van Mieris a.w. dl II blz 169).

) . In 1303 heeft Jan II intussen een dergelijke akte uitgevaardigd die, in het Nederlands gesteld, in bewoordingen geheel overeenkomt met die van Floris V, waarvan het kennelijk een vertaling is, doch belangwekkend is om de term "vrie herscepe van Voerne" die er in voorkomt, en dus de Nederlandse variant van het Latijnse "libero modo"is. Met andere woorden het in leen houden van de vrie heerscepe van Voerne is hetzelfde als het possidere in feodum libero modo dominium de Vorne. De betekenis van het begrip vrije heerschappij, vrije heerlijkheid ligt dus in het op vrije wijze, zonder verdere verplichtingen, vooral zonder financiële prestaties. Hiermee komt overeen een declaratie van het Hof van Holland uit 1445, waar onder vrije heerlijkheden worden verstaan: heerlijkheden die geen schot opbrengen aan de graaf (

Archief Hof van Holland inv. nr 12 (11e Mem. Rosa) f° 58 e.v. ; vergelijk ook het "Repertorium van 't Hof" (aldaar inv. nr 266 XX) in verbo "vrije heerlijkheid": "Vrije heerlijckheyt is die vrij is van 's graven bede" met verwijzing naar de geciteerde declaratie.

)
. Tekenend is ook de vermelding van de dominia van Voorne en Putten als delen van het grafelijk gebied in 1281 zonder meer (

Hugenholtz a.w. blz. 15.

)
, terwijl van de andere delen ook de inkomsten opgegeven worden. Voorne en Putten behoren tot het graafschap en als zodanig worden ze in de lijst vermeld maar ze leveren de graaf financieël niets op.

Neemt men toeneming van de landsheerlijke macht in de loop van de 12e, 13e en 14e eeuw in ogenschouw, dan is het onaannemelijk dat de heren van Voorne en Putten aanvankelijk gewone grafelijke leenmannen waren, die hun macht zodanig wisten uit te breiden dat zij de rechten die elders aan de landsheer toekwamen voor zich konden verwerven. Veeleer is het tegendeel aan te nemen, n.l. dat we hier te dien hebben met oorspronkelijke allodiale heren, wier gebied niet tot de zeggenschap van de graven behoorde, maar die zich, rondom door grafelijk gebied ingesloten, tenslotte niet zelfstandig konden handhaven, en de graaf van Holand als leenheer en landsheer moesten erkennen, doch voor het overige vrij bleven. Voor Voorne, Putten en Strijen bezitten we geen oorkonden die deze hypothese staven, voor Altena hebben we die wel. In 1230 bekent Dirk van Altena zijn heerlijke burcht met "omme allodium, quod jacet in Zuethollandiam et in Woudrychemerward et in Hoecce" opgedragen te hebben aan Floris IV om het nu van hem te leen te houden (

Archief Heren van Altena. Invent. Hardenberg nr 2, regest nr 3 (Van den Bergh dl I nr 322).

) . In de 14e eeuw wordt de bemoeienis van de graven met de heerlijkheden steeds groter, het feit dat zowel in Voorne als in Putten en Strijen vrouwen opvolgen draagt daar niet weinig toe bij. Profiteert Jacob van Gaasbeek, heer van Putten en Strijen aanvankelijk van de strijd om de macht in Holland na de dood van graaf Willem VI, aan de eerste Boergondiër moet hij ongekende concessies doen, zoals het meebetalen in zekere beden, ondanks de akte van non-prejuditie hiervoor (

Inv. nr 29.

)
.

Wanneer oorspronkelijk onafhankelijke heren zich door de leenrechtelijke band aan de graven hebben verbonden is niet bekend, het moet echter zeer vroeg zijn. Het feit dat vóór de 14e eeuw geen akten van belening van de heren van Putten of Strijen met hun dominia door de graaf bekend zijn en waarschijnlijk ook nooit bestaan hebben doet daarvan niets af. Ook van Voorne kennen we er geen vóór het laatste kwart van de 13e eeuw, terwijl de heer Voorne zéker reeds in 1206 tot de leenhulde "de Ostforne et de Westforne et de apendiciis"verplicht was (

Van den Bergh a.w. dl I nr. 206.

) , terwijl de heer van Strijen in 1203 leenman van de graaf van Holland werd, maar het daarvoor reeds was van de hertog van Brabant, toen Strijen nog onder diens gezag stond (

Aldaar nr. 183.

)
. Voor Putten hebben we niet zulke sprekende bronnen uit de vroege 13e eeuw, maar het is waarschijnlijk dat de heer van Putten zijn zelfstandigheid niet zo veel langer dan zijn naburen heeft kunnen handhaven.

In 1284 noemt Floris V heer Nicolaas III "fidelem nostrum" (

Aldaar dl II nr 493. Willem II van Strijen wordt reeds in 1235 door Willem, voogd van Holland "fideli meo" genoemd, aldaar dl I nr 357.

) .

De opvatting dat genoemde heerlijkheden oorspronkelijk keizerlijke lenen, zoals het graafschap Holland, het hertogdom Brabant, enz. waren, en de heren door een direkte leenband met de keizer verbonden waren achten wij minder waarschijnlijk dan de boven gegeven conceptie. De terminologie "in eodem prout nostri antecessores hactenus tenuerint et adhuc nos tenemus" in de geciteerde oorkonden van Floris V en Willem III resp. uit 1280 en 1317 voor de heren van Voorne of het daarmee overeenkomende "in ghelike dat wij 't houden van den rike" uit de oorkonde van Jan II uit 1303 (

Zie blz. hiervoor.

) duidt waarschijnlijk op het geheel der bezittingen van de graaf, geheel zijn leen zoals hij het van het Rijk houdt, en waarvan het dominium de Vorne met de daaraan verbinden castellania Zelandia waarover het in deze oorkonden gaat een deel is (

Wanneer "vrije heerlijkheid"zou betekenen: direkt afhankelijk van de keizer is het merkwaardig dat we deze term juist vinden in een stuk uitgaande van de dan inmiddels in dit leenverband tussen geschoven graaf van Holland, bestemd voor de heer van Voorne. Het feit dat de graaf tussen de keizer en de heer van Voorne is komen te staan maakt dat er nu voor de heer van Voorne geen sprake meer is van een vrije heerlijkheid. Overigens hopen we op dit probleem en op het aandeel van de heren van Putten in de grafelijke tollen binnenkort in een afzonderlijke publikatie terug te komen.

)
. Nergens blijkt dat de graaf van Holland voor Voorne of een andere heerlijkheid als afzonderlijk leen de keizer leenhulde verschuldigd is. Ook de zinsnede in de geciteerde akte van Dirk van Altena uit 1230 dat hij "liberum ab omnibus, preter Romanum Imerium" de leenhulde aan de graaf doet, slaat veel meer op de afhankelijkheid van de keizer als drager van de hoogste soevereiniteit dan als direkte leenheer. In het laatste geval zou trouwens de heer Altena niet buiten de keizer om hebben kunnen handelen.

De leenverhouding tussen de heren van Putten en Strijen en de graaf van Holland in de 14e en 15e eeuw biedt verder weinig moeilijkheden. De heren van Putten zijn echter niet alleen leenman van de graaf maar ook van de heer van Voorne. op het eerste gezicht is het probleem hierbij vooral dat zowel de graaf als de heer van Voorne leenheer voor Putten, dus schijnbaar voor één en hetzelfde gebied, blijken te zijn.

De kommissie van onderzoek naar de "natura dominii de Putten", door de financiële afdeling van de Grote Raad in het leven geroepen, komt in 1469 tot de konklusie "que la terre et seignourie de Putte a adez esté et fu encoires au jour du transport (

d.w.z. op 28 juni 1456, zie beneden.

)....ung droit fief mortel, tenu de la seignourie de Voirn"(

Archief Leenkamer Holland nr. 89 f° 2.

)
. De kommissie konstateert de onregelmatigheid van de handelwijze van Jan van Brabant en Jacoba van Beieren, die de heerlijkheid tot een onsterfelijk leen hebben gemaakt "sans le consentement du duc Jehan de Bayvière, seigneur de Voirne".

De omschrijving van het leen in de grafelijke leenakten luidt: de heerlijkheid Putten ( en Strijen) , die in de Voornse akten: Putten en Putterland. De geografische uitgestrektheid van het Hollandse leen kennen we uit een denombrement van 1312 (

Uitgegeven door F. van Mieris: "Groot Charterboek ..." dl II blz. 123.

) , het is het gebied tussen Maas, Bornisse, Haringvliet, Bodemaar, Greveninge en Striene, grosso modo overeenkomend met het tegenwoordige Putten, het westen van het tegenwoordige eiland IJsselmonde, terwijl de gorsen in West-Overflakkee eeuwenlang betwist gebied zullen blijven tussen de heren van Voorne en die van Putten, en later tussen de Staten van Zeeland en die van Holland (

Zie Ramaer, a.w. blz. 183.

)
.

Binnen genoemde grenzen liggen echter enige enklaves van Voorne; in een oorkonde van 1315 (

Inv. nr. 18, 19.

) worden ze door de graaf in het bezit van Voorne bevestigd en nauwkeurig omschreven. Het zijn: Berwoutsmoer (

Ongeveer het gebied van het tegenwoordige Ooltgensplaat.

)
, die Ham aldaar, Oude Putte, Nieuwe Putte en Strienemonde (

Ten oosten van het huidige Piershil.

)
, met de hoge en lage heerlijkheid en met twee nader bepaalde visserijen. Nu kunnen in de praktijk deze gebieden toch nog wel tot de zeggenschap van de heren van Putten behoren, maar dan moeten ze door hen van de heren van Voorne in leen worden gehouden. Dit is ook inderdaad het geval. In een 14e eeuws leenregister van de heerlijkheid van Voorne (

Archief Leenkamer Holland nr 90 f° 55v.

)
komt de volgende beschrijving voor van een leen op naam van Aleid van Putten, waarvan de belening in 1355 plaats vond: "Die vrouwe van Putten hout te Leene Putte, Putterland, Borwoutsmoer ende al dat daer binnen legt, die Ham, Strienmonde, hoghe, laghe, tienden, vischerien .....". Een vergelijking met de bepaling van de enklaves wijst o.i. duidelijk uit dat Putten en Putterland enerzijds en Oude Putte en nieuwe Putte anderzijds volkomen hetzelfde aanduiden en dat de leenheerschappij van Voorne zich beperkt tot de enklaves in het overigens van de grafelijkheid in leen gehouden dominium van Putten. Het rapport van hoger genoemde kommissie toont aan dat men zich in de 15e eeuw geen juist beeld meer vormt van de ware verhoudingen. Men weet wel dat er een leenrechtelijke band was met holland èn met Voorne.

Ook dat een verandering van de aard van het leen door de graaf van Holland samen mèt de heer van Voorne moest geschieden, maar het beeld blijft vaag en zoals blijkt uit de konklusie van de kommissie: gedeeltelijk onjuist. In het begin der 14e eeuw is dit nog anders, Huge van Zottegem betwist de heer van Voorne zijn rechten (

Inv. nr 18, 19.

) , doch het nalaten van het leenverzoek aan deze, komt hem duur te staan: hij moet een som van 9000 pond opbrengen (

Inv. nr 40.

)
. Demonstratief noemt de heer van Voorne zich in die tijd een paar maal: heer van Voorne en Putten (

Archief Leenkamer Holland nr 90 f° 54.

)
.

Deze leenband met Voorne is waarschijnlijk al zeer oud. Zoals we boven opmerkten heeft het er alle schijn van dat de heerlijkheid Voorne ouder is dan Putten. Het is zeer goed mogelijk dat de heer van Voorne, nog voor dat zich de heerlijkheid Putten ontwikkelde op bedoelde gebieden rechten bezat, die later, toen ze meer en meer enklaves van het Putse gebied werden in feite overgingen op de heren van Putten, mits erkenning van het oppergezag van de heren van Voorne door middel van de leenband. Bij deze enklaves behoort ook het naamgevend deel: Putten, doch het is niet onwaarschijnlijk dat de heren van Putten hun naam danken aan Putten als hun oorspronkelijke residentie, zonder dat dit de oudste kern van hun gebied behoeft te zijn, de aanwezigheid van de burcht Puttestein (

"Geschiedkundige atlas van Nederland", A.A. Beekman: "Holland, Zeeland en Westvriesland in 1300" II "Holland ten Zuiden van het IJ" Den Haag 1920 blz. 97. Zie ook de bijbehorende kaart.

) kan hierop wijzen. Doch de residentie moet dan echter al vroeg verlegd zijn. In 1229 dateert Nicolaas I zijn oudst bekende oorkonde "aput Ghervliet" (

Van den Bergh a.w. dl I nr. 317.

)
en in 1246 wordt dit gepreciseerd: "aput Gheervliet in domo mea"(

Aldaar nr. 416. Dit weerlegt de mening van Fockema Andreae, dat de heren pas sedert de 14e eeuw te Geervliet resideerden (a.w. blz. 29).

)
. Ook later residerende heren van Putten en Strijen bij voorkeur in Geervliet, dat door Zweder van Abkoude tot stad zal verheven worden. Hier staat ook de voornaamste kerk van de heerlijkheid, de Onze Lieve Vrouwen Kerk, waaraan Nicolaas III in 1307 een kapittel van 10 kanunniken verbindt (

Inv. nr. 1 f° 84.

)
en die ook naderhand herhaaldelijk door het heerlijk geslacht en door hoge ambtenaren begiftigd wordt (

B.v. door de rentmeester Otto Koudaver, zie inv. nr. 57.

)
.

Van de heerlijkheid Putten schijnt ook Putten over die Maze, steeds een intregerend deel te hebben uitgemaakt, waarschijnlijk is het in de late 12e en 13e eeuw geleidelijk bedijkt. Poortugaal is reeds een parochie in 1270 (

J.G.C. Joosting en S. Muller Hz.: " Kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht" 1e afd. dl I (O.V.R. 2e reeks nr 8), blz. 18.

) . De zeggenschap van Putten loopt ongeveer van Katendrecht, maar Rhoon en omgeving vormen een afzonderlijk grafelijk leen, waartoe ook Pendrecht behoort (

Van den Bergh a.w. dl I nr. 372.

)
, waarvan de heren, uit het geslacht van Duveland, echter door de vazallitische band met de heren van Putten zijn verbonden (

Aldaar nr. 394.

)
.

De geografische ligging tussen het eigenlijke Holland en het eigenlijke Zeeland weerspiegelt zich in Putten, evenals in Voorne in de instellingen. Putten ligt in het gebied waar de Zeeuwse en Hollandse invloedsferen elkaar raken. Zo spreken Nicolaas III en zijn hof recht "bi den coire van Zeelant" (

Inv. nr 3 f° 2.

) hij beleent zowel volgens het Hollands leenrecht als "ten Zeeuschen rechte" (

Inv. nr. 1 f° 129.

)
. Wanneer in de tweede helft der 15e eeuw Putten aan de grafelijkheid vervallen is, worden beleningen in Putten (en hiermee ook van Strijen) niet zelden opgetekend in het caput Zeeland van de grafelijke leenregisters (

B.v. Archief Leenkamer Holl. nr. 116 f° 21 en 21v, waar het zelfs het geval is met het ver van Zeeland verwijderd liggende Pendrecht.

)
. Dit bewijst nog niet dat Putten tot Zeeland behoorde. De begrenzing van Zeeland met de Bornisse, volgens de 13e eeuwse Zeeuwse keuren, sluit Putten buiten Zeeland, wat niet wegneemt dat de keur ook buiten Zeeland werd toegepast. (

Ook de graven zelf maken gebruik van het Zeeuwse leenrecht buiten Zeeland, zo b.v. geeft Willem II in 1240 in Pendrecht een leen uit om dit te bezitten krachtens "omnium juris tenorem Zelandensium" inv. nr 43.

)

2. Oorsprong en aard van de heerlijkheid Strijen.

De oudste geschiedenis van Strijen is terug te voeren tot een aantal moeilijk op te lossen problemen van historisch-geografische aard waartoe enkele keizerlijke diploma's voor de abdij Nijvel aanleiding geven (

Monumenta Germaniae Historica - DD. reg.et imp. deel I nr 318 en nr 487 ed. Th. Sickel.

) . In de tiende eeuw is het bestaan van een paguo Strya of Struona, waarin de abdij te Nijvel goederen bezit, zeker. Men heeft verbanden trachten te leggen tussen het grafelijk geslacht van Brabant ( Leuven) en de eerste heren (graven) van Strijen, waarvan niet alles afdoende bewezen is (

Zie hier voor: T. van Rheineck Leyssius: De afstamming der heeren van Strijen en Breda uit het Brabantsch-Henegouwsche Huis " De Nederlandsche Leeuw" 50e jg (1932) kol. 322-332.

)
.

Reeds is betoogd, dat Strijen evenals Voorne en Putten, vanouds waarschijnlijk een allodiale heerlijkheid zal zijn, al ontbreken direkte bronnen, die dit aantonen (

Zie blz. VI.

) .

De oudste heer van Strijen in de 12e eeuw, die we kennen is Vastraad van Strijen, die in 1167 als getuige in een oorkonde van de hertog van Brabant voorkomt (

P.J. Goetschalckx : "Abdij van Sint-Michiels te Antwerpen" in "Bijdragen tot de geschiedenis, bijzonderlijk van het aloude hertogdom Brabant" dl IV (1905) blz. 580.

) . Hij bevindt zich in de hertogelijke omgeving en in die tijd is Strijen mogelijk al een leen van de hertog. In het laatst der 12e eeuw is Strijen en trouwens het hele gebied "inter mosam et scaldam" betwist gebied tussen Holland en Brabant, een twist die beslecht wordt in 1203 als graaf Dirk VII s.a. voor het gebied van Strijen (totam terram inter Strine et Walwic) met de hertog in de vazallitische band wordt verbonden zodat de graaf van Holland voortaan in Strijen de feitelijke macht heeft mits erkenning van het oppergezag van de hertog, wiens "homo ligius" hij is (

Van den Bergh a.w. dl I nr 183.

)
. Strijen is dus vóór 1203 een leen van Brabant, van 1203 tot 1307 een leen van Holland en een achterleen van Brabant, en na 307, wanneer graaf Willem III een eind maakt aan de leenband met Brabant (

Van Mieris a.w. dl II blz. 63.

)
uitsluitend een leen van Holland.

Het laat Middeleeuwse Strijen is echter slechts het noordelijke deel van het 10e en 11e eeuwse graafschap Strijen. Doch ook dit noordelijke deel wordt steeds kleiner. Tijdens de regering van Zweder van Abkoude bestaat Strijen uit een bedijkt gedeelte, nl. de parochies Strijen en Broek die deel uitmaken van de Grote Waard van Zuid-Holland, en het afzonderlijk gelegen Wede benevens een onbedijkt gedeelte, dat produktief wordt gemaakt door de moernering (

Zie Inv. nr.34.

) , waarvan de belangrijkste gorzen zijn : het Loogors, het Markgors en Oude Puttermoer. in de 13e eeuw is Strijen belangrijker: dan behoort het gebied van Zevenbergen nog tot de heerlijkheid, dat in 1290 door heer Willem IV in erfleen uitgegeven wordt aan zijn neef Willem Hugemansz (

Van den Bergh a.w. , dl II nr. 740.

)
, en ook het gebied van Nieuwervaart, het latere Klundert, dat in de zestiger jaren van de 14e eeuw met hoge en lage heerlijkheid door de heer van Strijen als deel van de erfenis van vrouw Aleid moet worden afgestaan aan de heren uit het geslacht Polanen (

Inv. nr 52 en voorafgaande.

)
.

Het testament van Nicolaas III van Putten uit 1311 (

Inv. nr. 8.

) spreekt van enkele kerkdorpen als Overdraghe, Terhavenne, die later moeten zijn verzwolgen. Er wordt in de 14e eeuw wel land gewonnen, b.v. de St. Antonie polder in 1357 (

Van Mieris a.w. dl III blz. 26.

)
, maar er gaat meer land van Strijen af dan er bij komt. In 1421 loopt de gehele Grote Waard onder, ook Strijen en Broek in het uiterste westen ervan. Strijen kan echter herdijkt worden en wordt verbonden met de op een oktrooi van Jacob van Gaasbeek in 1436 (

Zie inv. nr. 1 f° 181- 185. Reeds eerder bestonden er vergevorderde plannen tot bedijking van dit gebied b.v. in 1423 (zie inv. nr 24) en in 1432 (zie van Mieris a.w. dl IV blz. 1001).

)
bedijkte schorren die later met nog andere bedijkingen de Hoekse Waard zullen vormen. Het deel van de Grote Waard ten oosten van Strijen blijft geïnundeerd.

3. De heren en vrouwen van Putten en Strijen.

Een chronologische lijst van de heren en vrouwen die over Putten en Strijen geregeerd hebben met een stamboom, in hoofdzaak naar de geciteerde genealogische verhandeling van Obreen, moge hier voldoende zijn. De onderlinge verwantschap en het optreden der heren in de binnenlandse en buitenlandse politiek is door Obreen reeds uitgebreid bestudeerd.

Heren en vrouwen van Putten:
  • Jan I van Putten, vermeld 1216.
  • Nicolaas I, heer van Putten, vermeld 1229 - 1247.
  • (Jan II ?) (

    Nicolaas I noemt in 1246 (Van den Bergh a.w. dl I. nr 416.) zijn zoon Jan: "qui est heres meus". Latere vermeldingen bezitten we van hem niet. Het is mogelijk dat hij zijn vader inderdaad is opgevolgd in de tijd tussen 1247 en 1268, uit welke tijd geen teksten handelend over een heer van Putten bewaard zijn gebleven. In 1268 is zijn broer Nicolaas II, heer van Putten.

    )
    .
  • Nicolaas II, heer van Putten, vermeld 1268-1275 overl. vóór 19-4-1276.
  • Nicolaas III, heer van Putten, vermeld 1276 overl. 27-10-1311.
  • Beatrijs, vrouwe van Putten 1311-1354.
    vrouwe van Strijen sedert 1316; vrouwe van:
    1. Huge van Zottegem overl.1321.
    2. Gwijde van Vlaanderen overl. ca. 1345.
  • Aleid II, vrouwe van Putten en Strijen 1354-1361, vrouwe van:
    Boudewijn van Praat

  • Zweder, heer van Gaasbeek, Abkoude, Putten en Strijen 1361-1400.
  • Jacob, heer van Gaasbeek, Abkoude, Putten en Strijen 1400-1459.
Heren en vrouwen van Strijen:
  • Vastraad van Strijen vermeld 1167.
  • Willem I en Huge van Strijen, vermeld vóór 1190.
  • Willem II, heer van Strijen vermeld 1224-1244.
  • Willem III, heer van Strijen vermeld 1252-1273.
  • Willem IV, heer van Strijen vermeld 1275 overl. vóór 25-11-1294.
  • Aleid I, vrouwe van Strijen 1294-1316.
  • Beatrijs, vrouwe van Putten en Strijen, zie verder boven.

Willem IV van Strijen krijgt van de graaf de toezegging dat na zijn dood de heerlijkheid, bij ontstentenis van zonen, zal vererven op zijn dochter (

Inv. nr. 13.

) . Dit geschiedt in 1294 en vanaf dit tijdstip zullen Aleid van Strijen en haar echtgenoot Nicolaas III van Putten en heerlijkheid gezamenlijk besturen. Na hun dood vormen Putten en Strijen een personele unie onder hun opvolgers (

Naderhand wordt meestal gesproken van de heerlijkheid Putten en Strijen, en worden de twee heerlijkheden als een eenheid beschouwd. (Regest nr 39).

)
. In 1361 sterft het huis van Putten uit en volgt een achterneef van de laatste vrouwe, Zweder, uit het huis van Abkoude, op (

Zie voor Zweder van Abkoude en Jacob van Gaasbeek vooral het artikel van A.G. de Groot: "Zweder en Jacob van Gaasbeek in Zuid-Holland"in : "Zuid-Hollandse studiën" dl VIII, 1959 blz. 39-99.

)
. Diens zoon, de tweede en laatste heer uit het huis van Abkoude, gewoonlijk Jacob van Gaasbeek genoemd en geboren toen zijn vader Zweder reeds op gevorderde leeftijd moet zijn geweest heeft aanvankelijk een zoon en opvolger Antoon, die echter in 1429 ongehuwd sterft. Daar ook een tweede huwelijk van Jacob van Gaasbeek kinderloos blijft, is deze genoodzaakt beschikkingen te treffen in verband met zijn opvolging. Mede door financiële verplichtingen staat hij hierbij onder druk van de Boergondiërs. Zijn heerlijkheid Gaasbeek doet hij in 1434 van de hand aan Jan van Hoorne, heer van Baucignies (

A. Wauters "Histoire des envirous de Bruxelles" dl I blz. 152.

)
. Uit een nagenoeg onleesbaar charter van 1449 (

Inv. nr. 46.

)
blijkt dat hij aanvankelijk Jacob heer van Hoorne en Altena als zijn opvolger voor Putten en Strijen aangewezen had. Deze opvolging heeft nooit plaats gehad, de verbintenis tussen de heer van Gaasbeek en de graaf van Hoorne is verbroken en het charter ervan is gecancelleerd.

Bij een andere akte, eveneens in het archief aanwezig, ziet de graaf van Hoorne van zijn rechten af (

Inv. nr. 47.

) . Inmiddels heeft Jacob van Gaasbeek in 1449 Abkoude en Wijk bij Duurstede aan de bisschop van Utrecht afgestaan met behoud van vruchtgebruik (

Wauters a.w. blz. 152. In het Utrechtse komen nog in de 16e eeuw Gaasbeken voor als leenmannen van de bisschop, het zijn zonen van Jacobs bastaardzoon Zweder. Vgl A.J. Maris: "Repertorium op de Stichtse leenprotocollen", blz. 448 e.v.

)
en in 1456 Putten en Strijen ("uut nootsaiken my dairtoe porrende") aan Filips van Boergondië verkocht (

Origineel charter, Archief Grafelijkheid Holland, Suys f° 64 nr 1 doos Putten. Zie ook Arch. Graf. Rekenk. Dom. Holl. nr. 1 f° 64.

)
. De leenmannen van Putten brengen daarop leenhulde aan de hertog (

Archief Leenkamer, nr 83 f° 36v.

)
, die op 30 juni, 2 dagen na de overdracht de lenen wederom aan Jacob van Gaasbeek afstaat ten gebruike voor het leven, met de volgende bepalingen: (

Archief Graf. Rekenk. Dom. Holl. nr. 1 f° 64v e.v.

)

  • 1) Dat Jacob de heerlijkheden niet zal vervreemden of verder zal belasten
  • 2) Dat de heerlijkheden na zijn dood aan de grafelijkheid zullen vervallen, tenzij hij nog een wettige zoon zou nalaten, in welk geval deze laatste door de graaf met Putten en Strijen zou beleend worden zoals zijn voorgangers er mee beleend waren.
Op dezelfde 30e juni 1456 verbindt de hertog zich tot het uitkeren aan Jacob van Gaasbeek van een jaarlijkse lijfrente van 2400 gouden Rijnse guldens, voor de ene helft op te beuren uit het rentmeesterschap van Gouda, voor de andere uit de tollen van Gorinchem en Schoonhoven. De gelden die de hertog op deze wijze aan Jacob ten koste legt zullen in hun geheel moeten worden terugbetaald, in het geval hij alsnog door een wettige zoon wordt opgevolgd (

Aldaar f° 67.

)
.

Dit laatste is niet gebeurd. Op 6 februari 1459 (

Archief Rekenkamer Rekeningen nr 2177, aanhef.

) sterft Jacob en vervallen de heerlijkheden aan de hertog. Nog eenmaal worden ze kort daarop van de grafelijkheid vervreemd, ten behoeve van Karel, graaf van Charolais, zoon van de hertog, aan wie hij reeds in 1452 Putten en Strijen in het vooruitzicht had gesteld (

Archief Leenkamer nr 63 f° 148v.

)
. Karel, die ook met het reeds eerder aan de grafelijkheid vervallen Arkel wordt beleend, brengt in het beheer en bestuur van Putten en Strijen weinig veranderingen.

Op 12 april 1459 (

Archief Graf. Rekenk. Dom. Holland nr 490 f° 77.

) stelt hij er Anthonis Michielsz. van Eversdijck aan tot zijn stadhouder en Willem Bolle, de rentmeester van Beoosten Schelde, tot zijn rentmeester (

Aldaar f° 77v.

)
. Karel van Charolais kan als laatste afzonderlijke heer van Putten en Strijen worden beschouwd. Aan het afzonderlijk bestaan komt een eind in 1467 als Karel zijn vader in de regering van de Boergondische erflanden opvolgt en aldus, voor wat Putten en Strijen aangaat, de hoedanigheid van leenheer en leenman in één persoon verenigt.

Ook na 1467 blijft Putten nog een afzonderlijke positie innemen met betrekking tot de betaling van de bede. In 1464 regelt Karel van Charolais de wijze van heffen (

Archief Leenkamer Holland Inv. nr. 64 f° 4v.

) , die voortaan zal plaatsvinden op de Hollandse manier, zoals dit in de voorbijgegane drie jaar al het geval geweest was. Toen was de bede echter geheel volgens het Hollandse principe "selon la grandeur et richesse de leurs biens" geïnd. Voortaan zal de heffing wel plaats vinden "selon le taux du pais de Hollande", maar de basis is anders, n.l. "en regard à la quantité des mesures de terre gisans en nostre dit pays". De basis van de heffing zal dus niet zijn een taxatio bonorum, zoals in Holland, maar het principe "de qualibet mensura", "met metsgelicke", zoals in Zeeland, en zoals in Putten vóór 1459. Een haast noodzakelijk vervolg op deze regeling is een belofte van Karel dat, wanneer hij eenmaal graaf van Holland zal zijn "l'aydemd'icelui nostre pais de Putte sera assiz, tauxé et relevé apart sans estre aucunement comprins au generale ayde du dict pays de Hollande"(

Aldaar f° 5.

)
. Hieraan is de hand gehouden. Zo komt Putten in de "Informacie up 't stuck van der verpondinghe" niet voor, wat trouwens voor een gebied waar voor de bede het principe van heffing op het gemet gold, ook niet nodig was (

"Informacie up't stuck van der verpondinghe" uitgave Fruin (Uitg. Mij. Ned. Lett. 1866), uit 1514. Ook in de "Enqueste up't stuck der verpondinghe uitgave Fruin (aldaar 1876) uit 1494 komt Putten niet voor.

)
.

4. Het bestuur der heerlijkheden.

De administratie der goederen en inkomsten van de heren van Putten en Strijen is in de 14e eeuw overgelaten aan een rentmeester, wiens ressort aanvankelijk de gehele heerlijkheid besloeg. Als zodanig kennen we Jacob Gheraerdszone (

Komt voor in 1330 (Van Mieris a.w. dl II blz. 499).

) , Jan Jansz. die Moelenair (

Komt voor in 1362 (inv. nr. 144 f° 18), 1363 (ald. f° 99v)

)
, Wouter heer Pouwelszone (

Komt voor in 1366 (ald. f° 95).

)
, Willem van Mere (

Komt voor in 1370 (ald. f° 118v).

)
en Ludeken die Wilde. Slechts van deze laatste is een rekening tot ons gekomen (1379) (

Inv. nr. 109.

)
. Verder bezitten we vermeldingen van rentmeesters, niet met name genoemd, bv. uit 1354 (

Inv. nr. 1 f° 101v.

)
, 1356 (

Inv. nr. 3 f° 54.

)
enz.

In het archief bevindt zich een aantal rekeningen met de jaren 1382-1390 van de rentmeester Otte Koudaver (of Koudehaver) die uitsluitend optreedt als rentmeester van Putten en Poortugaal (

Inv. nrs. 110-115.

) . Tussen 1379 en 1382 moet het ongedeelde rentmeesterschap dus gesplitst zijn in een rentmeesterschap van Putten en Poortugaal en één van Strijen. Van het laatste zijn er geen rekeningen in het archief aanwezig, maar wel zijn er aanwijzingen dat er inderdaad een rentmeester van Strijen geweest is: Zo wordt er in 1384 een "reddituarius de Striene"vermeld (

Inv. nr. 1 f° 94v.

)
. Eerstgenoemd rentmeesterschap moet tussen 1390 en 1395 opnieuw zijn gesplitst in een rentmeesterschap van Putten (

Inv. nr. 122 e.v.

)
en een van Poortugaal (

Inv. nr 134 e.v.

)
. De gewone rekeningen van de verschillende rentmeesters werden afgehoord in tegenwoordigheid van de heer van Putten, meestal de proost van Geervliet, enkele hoge ambtenaren, zoals de baljuw ( als dit ambt tenminste niet met dat van rentmeester in één persoon verenigd werd) en enkele klerken, voor zover bekend steeds te Geervliet. De rentmeester van Putten was de primus inter pares, hij had een zeker overwicht op de andere rentmeesters. Bij sommige buitengewone ontvangsten droegen de rentmeesters van Strijen en Poortugaal hun gelden af aan de rentmeester van Putten die dan bij de heer rekening deed voor de gehele heerlijkheid (

Zie b.v. inv. nr. 140.

)
. Bovendien bekleedde de rentmeester van Putten meestal tevens het ambt van baljuw, zowel in de 14e eeuw (b.v. Jan Jansz. die Molenaer (

Inv. nr. 1 f° 99v (in het jaar 1363).

)
) als in de 15e ( b.v. Jacob Pot (

Inv. nr. 1 f° 140v (in het jaar 1446).

)
).

In de latere jaren van de regering van Jacob van Gaasbeek schijnen de rentmeesterschappen weer samen gevoegd te zijn, immers Jacob Pot wordt genoemd: rentmeester van Putten en Strijen (

Aldaar.

) , waarbij ook Poortugaal inbegrepen is. Ook na de incorporatie bij Holland in (1459) 1467 bleef dit ongedeelde rentmeesterschap over de drie delen van het voormalige heerlijke gebied bestaan (

Archief Rekenkamer Holland, Rekeningen inv. nr. 3313 e.v., achtereenvolgens onder de rentmeesters Willem Bolle en Jan van Lesanen.

)
, tot het in 1477 weer in twee afzonderlijke rentmeesterschappen, Putten en Strijen, werd gesplitst, die tenslotte in 1593 verenigd zijn met het rentmeesterschap van Zuid-Holland.

Wanneer in Putten de eerste baljuws optreden is niet duidelijk. De instelling bestaat in ieder geval in 1330 (

Van Mieris a.w. dl II blz. 499.

) . Wanneer de Abkoudes in hun andere heerlijkheden vertoeven en waarschijnlijk wel vaker, neemt de baljuw hun paats in in de vierschaar van Putten en vormt aldus met de leenmannen het hoogste rechtscollege in de heerlijkheid (

M.S. Pols "Oudste rechten van het land van Putten"in "versl. en Med. Ver. Uitg. bronnen Oud. Vad. recht " 1885 blz. 130, 133.

)
waarbij men tegen het vonnis van de schepenbanken en van de heemraden in beroep kan gaan (

Aldaar blz. 134.

)
. Deze duidelijke bepalingen uit de keur van 1459 door Karel van Charolais aan Putten gegeven, zijn waarschijnlijk een bevestiging van de bestaande toestand. Merkwaardig is een akte uit 1361 waar bij de aanstelling van een schout de heer van Putten en zijn baljuw tesamen optreden (

Inv. nr. 77.

)
.

Een afzonderlijk woord over het bestuur in Putten en Strijen in waterschapsaangelegenheden mag hier niet achterwege blijven. De waterhuishouding wordt in Holland en Zeeland in de 12e en 13e eeuw normaliter geregeld in plaatselijk kader, d.w.z. in het kader van ambacht, domein of immuniteit of wat er voor in de plaats gekomen is. Putten is hierop geen uitzondering. Dit mag geconcludeerd worden, niet uit bronnen materiaal uit de 13e eeuw, want dat bezitten we voor de Putse waterstaat niet, doch uit het beeld dat de 14e en de 15e eeuw te zien geven. Ook dit beeld blijft vaag en is allerminst volledig, maar ondanks een zekere centralisatie, blijkt de voornaamste bevoegdheid in waterstaatszaken ook in die tijd nog bij de plaatselijke besturen te berusten.

Artikel 23 van de oude voorboden van Putten luidt: "...soos al elck schout binnen sijnen ambacht den ban schouwen, die schepenen legghen sullen op den dijckschouwen..."(

Van mieris a.w. deel IV blz. 1050 (in het jaar 1434).

) , terwijl in 1463 nog bepaald wordt "voort soo sullen alle ambogten ende polren binnen den voorschreven ouden lande van Putte gelegen eeuwelijck elx op hem selven jaerlycx sijnen dijck, duyckeldammen, houten hoofden ende andere stakettingen ende dijckwerck houden op sijnen last ende cost " (

Handschriften 3e afd. Alg. Rijksarchief nr 2c (Ms. Van Mieris, vervolg op het Groot Charterboek) blad 219.

)
. De Colleges van schout en schepenen in de dorpen beheren dus de waterstaat, elk binnen hun ambacht.

Als Geervliet in 1381 tot stad verheven wordt en dus uit het algemene patroon van de gewone ambachten wordt gehaald is een regeling voor het beheer van water- en dijkzaken gewenst. In het handvest van Zweder van Abkoude komt hierover de volgende bepaling voor: "Item van onsen scepenen van Gheervliet sullen drie dijcscepenen wesen, dair men den dijck ende dat dair toebehoirt mede sal bedriven, mit anders vier scepenen die men buten der vesten, binnen der vrijheit dair toe nemen sal" (

Inv. nr. 1 f° 123. Zie ook Pols a.w. blz. 198. In 1424 wordt dit artikel als volgt door Jacob van Gaasbeek gewijzigd: 4 schepenen "binnen onser stede geseten ende binnen der vrijheit van Gheervliet gheërft"Inv. nr. 1 f° 124.

) . Drie van de zeven Geervlietse "poortscepene" en vier personen wonende buiten de stad, binnen het ambacht zullen een nieuw college vormen dat de dijkzaken beheert, doch onder wiens leiding? De nieuwe stad krijgt twee burgemeesters, maar nergens blijkt dat zij ooit enige zeggenschap hebben gehad in waterstaatszaken. Veeleer is dat het geval met de schout, hij die ook de gewone poortschepenen "maande" zal dat waarschijnlijk ook bij de dijkschepenen gedaan hebben.

Het juridische deel van de werkzaamheden van de plaatselijke dijkbesturen is gemakkelijk binnen één bepaald ambacht op zichzelf te verrichten, het meer technische, vooral wat de uitwatering en de bescherming tegen de zee bij hoge vloeden betreft, in veel mindere mate. Een minimum van samenwerking en onderlinge hulp wordt meer en meer vereiste. Van een dergelijke samenwerking zien we ook in Putten evenals elders verschillende voorbeelden. In 1332 geven Gwijde van Vlaanderen en Beatrijs (

Archief Leenkamer Holland Inv. nr. 83 f° 13.

) toestemming aan de buren van Biervliet om met de buren van Nieuwland ( Simonshaven) één uitwatering te hebben, wat het gevolg heeft dat de respektieve schouten inzake eventuele nalatigheid in de wederzijdse ambachten een zekere competentie krijgen. Sedert 1401 gaat ook Spijkenisse via Nieuwland uitwateren. In de toestemming hiervoor van Willem van Abkoude (

Aldaar f° 13v e.v.

)
is sprake van "één waterscepe" dat de drie ambachten Nieuwland, Spijkenisse en Biervliet vooraan zullen vormen, doch dit slaat alleen op de gemeenschappelijke regeling inzake het binnenwater, en betekent niet dat er voortaan ook één bestuur komt. Toch komt er een centraliserend element in de besturing: op de zaak van de gemeenschappelijke afwatering zal n.l. worden toegezien door een college van drie "waersluyden" gekozen uit de drie schepencolleges.

Het ambacht Putten maakt in 1461 in zekere zin misbruik van de onderlinge hulp, door (met sukses!) een mandement van Karel van Charolais, heer van Putten te vragen, waarin de overige ambachten geboden wordt Putten te hulp te komen in zijn aanleg van hoofden, duikers en andere kunstwerken. Dit mandement wordt een bron van twist die in 1463 op een vergadering te Geervliet wordt beëindigd door een uitspraak van enkele scheidsrechters, inhoudende dat het mandement gecasseerd zal worden. Deze uitspraak, die in kopie tot ons is gekomen (

Handschriften 3e afd. Alg. Rijksarchief nr 2c blad 219. Het mandement van 1461 kennen we slechts uit de vermelding in 1463.

) , is een niet onbelangrijke bron voor de waterstaatkundige organisatie in Putten. De partijen die in deze kwestie tegenover elkaar staan zijn: schout, schepenen, waarsluiden, hoofdmeesters en geërfden in het dorp en ambacht Putten enerzijds en schout, schepenen, waarsluiden, hoofdmeesters en geërfden "in 't ambocht van Geervliet ende in 't gemeene oude land van Putte", of iets verder met betrekking tot de door hen gekozen arbiters: "des gemeen Oudlands van Putte met sijn toebehooren, daer Geervliet in staet", anderzijds.

Strikt genomen is een onderscheid tussen het ambacht Putten en het "gemene oude land van Putten" onjuist. Putten behoort evenzeer tot dit oude land als b.v. Geervliet, maar sedert 1437 is het er van afgescheiden door een middeldijk, die loopt van "dat oosteynde van Hekelingen, streckende dwers duer 't lant tot aen den Brabantsen dijc"(

Inv. nr. 1 f° 187v e.v.

) . Het is waarschijnlijk dat de samenwerking in dijkzaken in het oude land van Putten "daer Geervliet in staet" meer en meer buiten Putten om plaats vond (

Merkwaardig is het dat over schout en schepenen, enz. van Geervliet en het gemene oude land van Putten gesproken wordt. Moeten we hierbij denken aan een gemeenschappelijk optreden onder één schout, die van Geervliet?

)
. Misschien ligt hier de voornaamste oorzaak van de latere blijvende inundatie van het ambacht Putten, hoewel op de overige ambachten de plicht rustte, in tijd van nood, Putten ten oosten van de middeldijk gelegen bij te staan (

Inv. nr. 1 f° 187v e.v.

)
.

De voornaamste scheidsrechter, de "overman", bij het conflikt van 1463, Floris van Boschuysen, wordt genoemd: "ruwaart, bailliu ende dijckgrave van den lande van Putte". Sedert de 14e eeuw bestaat er n.l. boven de ambachtelijke besturen een overkoepelend orgaan van dijkgraaf, benoemd door de heer van Putten, en heemraden (

Zij worden afwisselend genoemd: gemene schepenen (Inv. nr. 1 f° 104), hoofdschepenen (inv. nr. 1 f° 187v e.v.), heemraden (Pols a.w. blz. 133), hoge heemraden (Pols a.w. blz. 134) en zelfs hoogste heemraden (Pols a.w. blz. 139)

) . De oudst bekende dijkgraaf is Pieter Reynger Jacobsz. in 1364. Uit de bewoordingen van zijn akte van aanstelling (

Inv. nr. 1 f° 104.

)
lijkt het alsof Zweder van Abkoude dit ambt dan voor het eerst instelt: "dat wi (Zweder) overdragen sijn ende willen dat een dijcgrave si in onsen landen binnen der vorsche van Putte, die jairlicx den dijck mitten gemenen scepenen van der vorssche van Putte voirscreven schouwen sal...", maar uit de nadere omschrijving van de taak: "ende alle ander schouwen die die bailiuwen ende dijcgrave of yement van horen wegen voirtijts tot desen dagen toe geschouwet hebben..." mag men afleiden dat er reeds voor 1364 een dergelijke, misschien minder permanente, minder omlijnde, overkoepelende instelling gestond. Ook het college van de gemene schepenen schijnt in 1364 al een bestaande instelling te zijn. De voornaamste bezigheid van de dijkgraaf en heemraden schijnt de principale schouw geweest te zijn, die vijf maal per jaar (

N.l. half maart, half mei, St. Jansmisse, St. Jacobsmisse, St. Lambrechtsmisse. De schouw wordt verricht door "die dijcgrave mitten gemene scepenen, klerc, bode ende anders mijns liefs joncheren vrienden" (inv. nr. 143 f° 10). De laatste kategorie, waarmee waarschijnlijk leenmannen worden aangeduid spelen vaker een rol in dijkzaken, zo b.v. in de uitvoering van de aanleg van de middeldijk in 1437 (Inv. nr. 1 f° 187v).

)
werd gehouden en waaraan een uitgebreide maaltijd op kosten van de heer van Putten "naer ouder costume" was verbonden (

Archief Rekenkamer Holland, Rekeningen nr 4421 f° 29. Ook de schouten en schepenen mochten éénmaal per jaar bij het z.g. "turven"een maaltijd op kosten van de heer nuttigen (Aldaar f° 30).

)
.

De dijkgraaf int de boeten of wel direkt van de overtreders, ofwel via de waarsluiden van een ambacht, hij beheert de gelden en doet hiervan rekening aan de heer. Van deze rekeningen zijn er uit de periode van vóór 1459 een tweetal bewaard gebleven (

Inv. nrs 143 en 144.

) . Uit de geciteerde akte van 1364 blijkt dat de dijkgraaf ook tot taak had "die koren bi den meenen scepenen te minderen ende te meren". Bij hoge vloeden vinden we de dijkgraaf en de heemraden op de dijk (

Inv. nr. 143 f° 10 en elders.

)
en bij bepaalde grote werken, buiten het ambachtelijk kader, zoals het leggen van de dijk dwars door het eiland in 1437, hebben zij de leiding. In het algemeen schijnt hun macht tamelijk gering geweest te zijn (

Het schijnt niet uitgesloten te zijn dat soms het ambt van dijkgraaf van Putten gegeven werd aan de schout van Geervliet. Immers Willem van Almonde komt op 28 okt. 1437 voor als dijkgraaf en op 10 febr. 1438 als schout van Geervliet (zie resp. inv.nr. 1 f° 187v en Archief Leenkamer Holl. inv.nr. 83 f° 9).

)
.

Geografische strekt hun competentie zich uit over het oude land van Putten met de daaraan bedijkte polders. Interessant is een aantekening in de rekening van het dijkgraafschap over 1463 (

Archief Rekenkamer Holl., Rekeningen nr 4421 f° 28v.

) waarin de delen van de heerlijkheid Putten worden opgesomd waarover dijkgraaf en hoogheemraden geen bevoegdheid hebben, het zijn: 1) het land van Poortugaal, hierbij inbegrepen Oedenvliet en Pernis, dat een afzonderlijk dijkgraafschap vormt onder de dijkgraaf Simon Bertoutzone, 2) Klein Katendrecht en het Nieuwland van Charlois, die tesamen eveneens een afzonderlijk dijkgraafschap vormen (

Het is schrijver van deze aantekeningen ( dit is niet de dijkgraaf, van wie de rekening is) niet bekend wie hier dijkgraaf is : "Gherrijt van Nyevelt, Florijs Grijper, Jacob die Buyser, enich van hem drien..."

)
, 3) Meester Arntszlandekijn, onder de dijkgraaf Gherbrant Jacobsz., 4) De Korendijk of Goudswaard, een afzonderlijk dijkgraafschap vormend onder de schout Wouter van Outhuesden of zijn plaatsvervanger Geen Jansz., "ende so men seyt een scout aldaer is daer dijcgraeve", 5) Westenrijk, het tegenwoordige Zuidland, waar Bruninck van Buschuysen, schout, tevens dijkgraaf is.

Wat de heerlijkheid Strijen tenslotte betreft, deze lag voor het grootste deel binnen het hoogheemraadschap van de Grote Waard van Zuid-Holland, waarvan een door de graaf van Holland benoemde dijkgraaf aan het hoofd stond (

Ook Jacob can Gaasbeek is nog dijkgraaf van de Grote Waard geweest (Inv. nr. 25).

) . Omtrent de oprichting van dit waterschap en de rol die de heer van Strijen daarin vervulde, zijn we niet ingelicht, maar het is duidelijk dat de graaf hier niet buiten de heer van Strijen om heeft kunnen handelen.

In de 14e en 15e eeuw is er voortdurend sprake van onderhandelingen van het waterschap met de heer van Strijen (

Inv. nrs.35, 36, 59.

) , maar een duidelijk beeld van diens macht in dezen, ontbreekt (

Zie voor de geschiedenis van de Grote Waard: S.J. Fockema Andreae: De Grote of Zuid-Hollandse Waard, "Studiën over waterschapsgeschiedenis" deel III Leiden 1950.

)
. Wel is zeker dat die voor 1394 groter is geweest dan er na. Voor dit jaar verrichtte de heer van Strijen zelf de dijkschouwen en inde hij de boeten, in 1394 wordt deze bevoegdheid door de graaf van Holland aan dijkgraaf en hoogheemraden van de Grote Waarde gegeven. In ieder ambacht van Strijen zal er voortaan een waarsman van de heer zijn "die der schouwe volgen sal" (

Van Mieris a.w. dl III blz. 614. In 1377 was de dijkschouw van de heren reeds nader door hertog Aalbrecht gereglementeerd. Aldaar dl III blz. 335.

)
.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in