gahetNA in the National Archives

Heren van Altena

3.19.02
H. Hardenberg
Nationaal Archief, Den Haag
1932
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.19.02
Auteur: H. Hardenberg
Nationaal Archief, Den Haag
1932
CC0

Periode:

1212-1646

Omvang:

0,80 meter; 125 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

De stukken zijn deels geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Heren van Altena bevat persoonlijke stukken van de afzonderlijke familieleden als testamenten en commissiebrieven, en diverse charters in verband met beleningen, vonnissen en verzoeningen. Daarnaast zijn er registers overgeleverd met gegevens over het beheer van de rechten en bezittingen van land en goederen in de Hollandse heerlijkheden van Altena (voornamelijk Woudrichem), Horne, Ghoor en enkele bezittingen in Zuid-Holland, Gelderland en Limburg. De oudste charters stammen uit de dertiende eeuw.

Archiefvormers:

  • Van Altena
  • Dirk van Altena (?-1242)
  • Gerard van Horne (1301-1322)
  • Willem van Horne (1322-1351)
  • Dirk van Horne (1345-1351)
  • Willem van Horne (1351-1357)
  • Dirk, gezegd Loef van Horne (1357-1369)
  • Willem van Horne (1369-1386)
  • Willem van Horne (1417-1436)
  • Frederik, graaf van Meurs (1436-1440)
  • Jacob, graaf van Horne (1440-1469)
  • Jacob, graaf van Horne (1469-1486)
  • Johanna van den Gruythuyse, gravin van Horne (1486-1502)
  • Jacob, graaf van Horne (1504-1531)
  • Johan, graaf van Horne (1531-1540)
  • Philips van Montmorency, graaf van Horne (1540-1568)
  • Herman, graaf van Nieuwenaar en Meurs (1577-1578)
  • Walburga, gravin van Nieuwenaar en Meurs (1578-1590)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De oorsprong der heren van Altena verliest zich in de nevelen der tijden. Oude geslachtslijsten en Kronieken gewagen van een afstamming uit de graven van Teisterbant (

Vergl. F.V. Goethals: Histoire généalogique de la maison de Hornes, p. 43, noot 1; Gert vander Schueren: Clevische Chronik (ed. R. Scholten), p. 47, en het merkwaardig betoog omtrent de porspronkelijke onafhankelijkheid der heren van Altena van de graven van Holland, te vinden onder no. 24 van de hierna volgende inventaris.

). Omstreeks de tweede helft der elfde eeuw zou evenwel een erfdochter van Altena de heerlijkheid op haar man uit het huis Montbélard hebben overgebracht (

Goethals, loc. cit., en W.A. van Spaen: Oordeelkundige inleiding tot de historie van Gelderland, deel III, p. 210. Van Spaen wijst in dit verband op de overeenkomst der geslachtswapens van Montbéliard en Altena.

)
. Hoe dit zij, met zekerheid kan eerst melding gemaakt worden van Dirk van Altena, die van 1145 tot 1172 in verscheidene Hollandse oorkonden als getuige optreedt. Blijkens een gift aan de abdij van Averbode in 1152 moet hij ook in Brabant goederen hebben bezeten (

Van Spaen, loc. cit., p. 211.

)
. In 1187 vinden wij zijn zoon Boudewijn vermeld, wiens aanspraken op Altena door de graaf van Cleve als leenheer werden erkend (

Als voren.

)
.

Omtrent Dirk van Altena, die volgt, is meer bekend. Aanvankelijk gehuwd met Maria, dochter van Hendrik I van Brabant, hertrouwde hij vóór 1224 met Imama Schellaert (

Goethals, loc, cit., p 46.

), bij wie hij, evena1s bij zijn eerste vrouw, geen kinderen naliet, zodat met hem het geslacht der dynasten van Altena in de rechte lijn uitstierf. Na zijn dood vererfde het land van Altena op zijn neef Willem van Horne, de oudste zoon van zijn zuster Margaretha, welke de echtgenote was van Engelbert van Horne. Een oorkonde uit 1212 leert ons, dat de voornoemde Dirk van Altena behalve deze zuster een broeder, Walter genaamd, een oom van vaderszijde, Hendrik geheten, en twee neven, Boudewijn en Dirk, bezat; een oorkonde uit 1247, dat hij nog een zuster, genaamd Sophia en gehuwd met Leo (van der Aa), kastelein van Brussel, had, die in gemeld jaar de goederen, door haar en haar echtgenoot van Dirk van Altena geërfd - waaronder de heerlijkheid Weert -, aan Willem van Horne afstond (

Inv.no. 92. Vergl. F.C. Buskens: Tropheés de Brabant, deel II, p. 110.

)
. Laatstgenoemde komt reeds op 7 Mei 1230 als mederegent over Altena voor, zoals blijkt uit een acte, waarbij Dirk van Altena verklaart het slot Altena en onderhorigheden aan graaf Floris IV van Holland te hebben opgedragen, en gezamenderhand met zijn neef Willem van Horne daarmede te zijn beleend. Uit deze acte blijkt tevens, dat Dirk van Altena zijn allodium in Woudrichemmerwaard insgelijks aan de graaf van Holland in leen opgedragen had, en dat Willem van Horne dit zelfstandig te leen ontving (

Inv.no. 2.

)
.

Willem I van Horne, sedert 1242 alleenheerser over Altena, overleed vóór 29 April 1265 (

L.P.C. van dan Bergh: Oorkondeboek voor Holland en Zeeland, deel II, no. 125.

), en werd opgevolgd door zijn tweede zoon Dirk, overleden vóór 7 November 1272 (

L.P.C. van dan Bergh: Oorkondeboek voor Holland en Zeeland, deel II, no. 244.

)
. Na diens dood trad zijn broeder Willem II van Horne, die na het overlijden van hun vader in Horne was opgevolgd, eveneens als heer van Altena op. Willem II van Horne maakte de 23e November 1300 op het kasteel te Weert zijn testament (

Een copie van dit testament is opgenomen in een handschrift van P.C. Bockenberg, getiteld "Annotationes de nobilibus familiis Neerlandicis" (Univ. Bibl. Utrecht, m.s. 1646).

)
, en overleed vóór 28 Januari 1301 (

G. Brom: Regesten betreffende het Sticht, no. 2938.

)
, opgevolgd door zijn zoon Willem III van Horne, die echter maar kort in het bezit der heerlijkheid is geweest, want reeds de 27e Maart vindt men zijn broeder Gerard als heer van Altena vermeld (

Brom, loc. cit., no. 2945.

)
.

Dat Altena oudtijds gedeeltelijk aan de graven van Holland en gedeeltelijk aan de graven van Cleve leenroerig was, wordt ons uit hetgeen hier volgt, duidelijk.

10 April 1306 bekende Gerard van Horne zich ten onrechte de opvolging in Woudrichem en het land van Altena "alsoe verre als dat roeret van der heerscap van Cleve", en in alle overige goederen, waarmede de heer van Cleve zijn vader ea zijn broeder Willem hadden beleend, te hebben aangematigd, zijnde deze goederen bij ontstentenis van een rechte leenvolger een de leenheer komen te vervallen. Onder belofte om de graaf met twintig welgeboren mannen ter heervaart te zullen dienen, verwierf Gerard van Horne ze nochtans weder in leen (

Archief Leenkamer Holland, no. 22, fol. 60vo en 61. Vergl. inv. no. 3, waarbij een afschrift van een ongedateerde acte, welke bijna woordelijk met die van 10 April 1306 overeenstemt, behoudens dit verschil, dat inplaats van het land van Altena van Woudrichemmerwaard wordt gesproken. Zie nog Gert van der Schueren, loc. cit., p. 242: "Ao 1307 belehent Gerardt van Horne mit die Manscap van Altena van Woldrichem und Woldrichemerwardt als ein ledig verfallen lehen".

).

Uit zijn eerste huwelijk met Johanna van Leuven was hem een zoon Willem geboren, die reeds als kind tot echtgenoot voor Ada van Putten, erfdochter van heer Nicolaas van Putten en Strijen, werd bestemd. Bij het daartoe opgemaakte contract in 1315 zegde Gerard van Horne zijn zoon toe, om hem, zodra hij de twaalf-jarige leeftijd had bereikt en dus volgens middeleeuwse begrippen mondig was geworden, de heerlijkheid Altena af te staan (

Leenkamer Holland, no. 78, fol. 40-42. Met jaartal 1305 aldaar als datering voor deze acte vermeld, is kennelijk een schrijffout van de copiist.

). Terwijl op 26 September 1321 Gerard nog als heer van Altena voorkomt (

Leenkamer Holland, no. 51, II, fol. 30.

)
, treedt de 27e Augustus 1322 zijn zoon Willem IV van Horne als zodanig op (

Inv.no. 7.

)
. Het schijnt, dat er tussen vader en zoon onenigheid is gerezen, want in een acte uit 1330 verklaart Gerard van Horne zich met zijn zoon te hebben verzoend en hem op zijn Hollandse lenen te hebben gezet; tevens verzocht hij de graaf van Cleve, om gemelde zoon met al zulk goed te belenen, als "hoert totter heerscap van Outena" (

Inv.no. 4.

)
. Twee jaren later verkocht Dirk van Cleve al zijn rechten op het land van Altena aan graaf Willem III van Holland (

Leenkamer Holland, no. 22, fol. 61vo.

)
, en in 1334 eveneens de suzereiniteit over het land en de "poorte" van Woudrichem, waarmede Willem van Horne door de graaf van Holland afzonderlijk werd beleend (

Van Mieris, deel II, groot charterboch der graaven van Holland p, 569.

)
. Willem IV van Horne werd opgevolgd door zijn oudste zoon Gerard, die men voor de eerste maal tegenkomt in een oorkonde van 1 Juli 1344 (

P.C. Muller: Regesta Hannoensia p. 293.

)
, doch die reeds het volgende jaar in de strijd tegen de Friezen sneuvelde. Behalve zijn oudste zoon Gerard uit zijn huwelijk met Ada van Putten, had Willem IV van Horne vier zoons nagelaten, door hem bij zijn tweede echtgenote Else van Cleve, verwekt. De oudste van hen, wederom Willem geheten, was evenwel nog minderjarig. Derhalve werd aanvankelijk zijn oom en voogd Dirk van Horne, heer van Perwez, met de heerlijkheid Altena beleend, die in 1351 door gemelde Willem werd opgevolgd (

Inv.no's 34 en 35.

)
.

Willem V van Horne geraakte weldra in moeilijkheden met zijn leenheer, daar hij in gebreke bleef om hem in de oorlog tegen de bisschop van Utrecht te dienen. 30 November 1356 veroordeelde Willem van Beieren de heer van Altena om op eerste aanmaning met twintig welgeboren mannen ter heervaart te verschijnen. Bovendien werd aan de onderzaten van de lande van Altena een boete van 1200 oude schilden opgelegd, waarvan 450 schilden aan de graaf van Holland en de rest aan heer Willem te voldoen (

Leenkamer Holland, no. 25, fol. 19vo.

), hetgeen er wellicht op wijst, dat de onderzaten aan het verzuim van hun heer mede schuldig waren. Als sterfjaar van Willem V van Horne wordt algemeen 1357 aangegeven. Vreemd is het, dat op de 3e April van dat jaar zijn jongste broeder Dirk, gezegd Loef van Horne, met Altena beleend werd (

Inv.no. 36.

)
, daar toch Willem voornoemd bij zijn echtgenote Mechteld van Arkel (

Inventare der nicht-Staatlichen Archive dez Provinz Westfalen, Band I, Heft IV, Kreis Steinfurt, p. 136 en 139.

)
een zoon achterliet. Aangezien deze zoon in November 1368 nog onmondig was en eerst na de 3e Mei 1369 met de heerlijkheid werd verleid, is evenwel de mogelijkheid niet uitgesloten, dat hij bij het overlijden van zijn vader nog niet het levenslicht had aanschouwd, in welk geval zijn geboorte tussen de 3e April en de 3e Mei gesteld kan worden. Ten aanzien van het feit, dat Dirk Loef van Horne de rechten van zijn jeugdig neef met voeten trad, bestaat er niet de minste twijfel. Wel verre van de houding aan te nemen, of hij slechts als diens voogd optrad, liet hij de onderzaten uit de lande van Altena zweren om hem als hun heer te erkennen. Meer dan tien jaren wist Dirk Loef van Horne zich in de door hem geusurpeerde heerschappij over Altena te handhaven, tot dat hij in 1368 door Albrecht van Beieren van de heerlijkheid vervallen werd verklaard op grond van zijn weigering om zijn leenheer ter heervaart te dienen, bij welke gelegenheid hij zich voor hertog Albrecht en diens gemalin tevens te verantwoorden had nopens het feit, dat hij zich het rechtmatig erfdeel van de zoon van zijn overleden broeder toegeëigend had, alsook wegens de vele euveldaden en knevelarijen, waaraan hij zich gedurende zijn bestuur der heerlijkheid had schuldig gemaakt (

Inv.no, 37. Zie reider M. Hardenberg: De stichting van het slot Loevestein. (Bijdragen en Mededelingen ."Gelre" XXXVII, p. 187-212)

)
. Nog in hetzelfde jaar kwam er tussen Dirk Loef van Horne en zijn jongste broeder Arnold, de latere bisschop van Utrecht enerzijds, en hun neef Willem, zoon van Willem V van Horne en Mechteld van Arkel anderzijds, een verzoening en boedelscheiding tot stand, waarbij aan laatstgenoemde ondermeer de heerlijkheden Horne en Altena werden toegewezen (

Goethals, loc. cit., p. 215-218.

)
. 3 Mei 1369 bevestigde Dirk Loef van Horne de afstand dezer heerlijkheden, en verzocht hij aan Albrecht van Beieren om zijn neef Willem met Altena te belenen, wat niet lang daarna moet zijn geschied, daar wij de 24e Juni 1369 Willem VI van Horne als heer van Altena aantreffen (

Leenkamer Holland, no. 51, II, fol. 24.

)
. als zodenig komt hij nog in een acte van 10 Mei 1386 voor, waarbij Willem van Horne aan de overheid van Woudrichem toestaat om gedurende zes achtereenvolgende jaren een belasting op het houden van paarden te heffen, en de opbrengst daarvan te besteden tot het bouwen van muren en het graven van vesten, terwijl hij voorts verlog geeft om een steenoven en een "tychelry" op te richten aan de overzijde van de Maas in Monnikenland (

Leenkamer Holland, fol. 7vo. Over de heerlijkheid Monnikenland zie: W. van Dan van Brakel: De oorsprong van Loevestein en Monnikenland, en Hardenberg, loc. cit.

)
. Willem VI van Horne heeft op de voltooing van dit werk niet kunnen toezien, want ook hij schijnt het met Albrecht van Beieren aan de stok te hebben gekregen blijkens een oorkonde van 9 September 1386, waarbij hertog Albrecht aan zijn dienaar en knape Arent van Weyburch zekere goederen, die hem door de heer van Altena waren ontnomen, teruggeeft, welke acte de volgende zinsnede bevat: " want ons dat land van Altena aenghecomen is met allen recht, ende openbaerliken toeghewiist is met recht ende vonnissen van onzen mannen van Zutholland" (

Leenkamer Holland no. 50, fol. 238.

)
. In het jaar daarop stond Albrecht van Beieren de heerlijkheid Altena aan zijn zoon Willem van Oostervant af, onder wiens bestuur de ommuring van Woudrichem werd voltooid. In een privilegebrief, de 23e October 1389 door Willem van Oostervant aan de ingezetenen van Woudrichem verleend, vindt men deze plaats voor het eerst als stad aangeduid (

Leenkamer Holland no. 51, II, fol. 10.

)
.

Onenigheden, gerezen tussen vader en zoon, naar aanleiding van de moord op Willem Cuser en Aleida van Poelgeest leidden in 1393 tot de verwoesting van het slot Altena, dat op twee torens na geheel met de grond gelijk werd gemaakt (

Aangaande de belegering van het slot Altena zie E. Devillers: Cartulaire des comtes de Hainaut II, p. 535-557.

). Reeds in September 1394 verzoende Willem van Oostervant zich met zijn vader en stond hem het land van Altena met de stad Woudrichem af, welk gebied in Juli 1398 weder aan Willem van Oostervant terugkeerde (

(D. van Alphen): Vaderlandsche Chronijk, p. 254 en Th. van Riemsdijk: De Tresorie en Kanselarij van de graven van Holland en Zeeland, p. 186.

)
.

Altena bleef in het bezit der graven van Holland tot dat Jacoba van Beieren in 1417 aan het bewind was gekomen en deze de heerlijkheid opnieuw in leen uitgaf aan de oudste zoon van Willem VI van Horne die reeds in 1390 in Horne was opgevolgd (

Inv.no. 40.

).

Willem VII van Horne schijnt, evena1s zijn vader, nog tijdens zijn leven afstand te hebben gedaan van de heerschappij over Horne en die vanaf 1428 te hebben overgelaten aan Frederik, graaf van Meurs als "mombre des lands van Hoerne" (

Publications de la Société historique et archéologique dans 1e duché de Limbourg, deel XL, p. 20, noot 1.

). Blijkens een notitie gehecht aan een leenbrief voor den hierna te noemen Jacob van Horne, werd Frederik van Meurs wiens dochter Johanna in haar prille jeugd met Willem van Horne's onmondige zoon Jacob verloofd was, in 1436 met de heerlijkheid Altena beleend (

Inv.no. 42. Het archief der Leenkamer bevat hieromtrent geen gegevens.

)
.

Jacob van Horne, in 1439 meerderjarig geworden zijnde, werd omstreeks 1440 door Philips de Goede te Keulen met Altena beleend, welke belening in 1447 nogmaals voor leenmannen van Holland plaats vond (

Inv.no. 42. Het archief der Leenkamer bevat hieromtrent geen gegevens.

). In 1449 trok Jacob van Horne op een pelgrimsreis naar de Eeuwige Stad, alwaar hij tot ridder werd geslagen. Na zijn terugkeer uit Jeruzalem richtte hij zich aan Keizer Frederik III met het verzoek, om het land van Horne tot een graafschap te verheffen, aan welk verzoek de Keizer goedgunstig voldeed, daar de Horne's sedert eeuwen tot de aanzienlijkste geslachten uit "de landen van herwaartsover behoorden (

Pubications Limbourg, deel XL, p. 62.

)
. Nog in de kracht van zijn leven deed Jacob, de eerste graaf van Horne op 25 October 1469 afstand van de heerlijkheid Altena ten behoeve van zijn oudste zoon Jacob (

Inv.no. 45.

)
. Het werelds leven moede zijnde, trok hij zich in het Observantenklooster der Franciscanen bij Weert terug, alwaar hij eerst in 1488 overleed.

Jacob, tweede graaf van Horne, aanvankelijk gehuwd met Philippa van Würtemberg, hertrouwde na haar kinderloos overlijden in 1477 met Johanna van den Gruythuyse dochter van Lodewijk van Brugge, heer van den Gruythuyse, etc., stadhouder-generaal van Holland, Zeeland en West-Friesland. Tengevolge van de hulp, door hem aan zijn broeder Johan van Horne, bisschop van Luik, in de Luikse oorlog verleend, met aanzienlijke schulden bezwaard zijnde, zag Jacob van Horne zich genoodzaakt om in 1486 de heerlijkheid Altena aan zijn echtgenote af te staan, teneinde haar en hun kinderen een behoorlijk bestaan te verzekeren (

Inv. no. 50.

). Om echter te voorkomen, dat Altena eventueel voor de Horne's verloren zou gaan, bepaalde Johanna van den Gruythuyse, dat, in geval zij stierf de heerlijkheid op haar man en hun kinderen zou vererven, aldus haar eigen familie van de successie uitsluitende (

Leenk. Holl, no. 120, Caput Huesden, etc., fol. 12.

)
. Na haar overlijden werd Jacob van Horne de 2e Mei 1504 door leenmannen van Holland opnieuw met Altena beleend (

Leenk. Holl, no. 120, Caput Huesden, etc., fol. 10vo.

)
, doch reeds de 19e September daaraanvolgende deed hij ten behoeve van zijn oudste zoon Jacob afstand van de heerlijkheid (

Inv.no. 52.

)
.

Jacob, derde graaf van Horne huwde drie maal, doch liet, toen hij den 15e Augustus 1531 kwam te overlijden geen oir na, weshalve de procureur-generaal bij het Leenhof van Holland de heerlijkheid Altena in naam des Keizers sequestreerde. Johan van Horne, proost van het kapittel van Sint-Lambert te Luik, een broeder van de overledene, wist zich echter door Keizer Karel V in het voorlopig bezit der heerlijkheid te doen stellen (

Archief Leenhof van Holland, no. 11, fol. 33-34.

), die hem in 1537 bij sententie van het Leenhof werd toegewezen (

Inv.no. 58.

)
, van welk vonnis de procureur-generaal niettemin bij de grote Raad te Mechelen in appel ging (

Zie Aanwinsten Alg. Rijksarchief 1892, no. 1, IIIh.

)
. Daar de tak der heren van Horne en Altena met Johan van Horne dreigde uit te sterven, huwde deze, na hiertoe van de Paus toestemming te hebben verkregen, Anna van Egmond, weduwe van Joost van Montmorency, heer van Nevelle, die uit haar eerste huwelijk twee zoons, Philips en Floris geheten, bezat. Anna van Egmond schonk haar nieuwe echtgenoot evenwel geen kroost, en Johan, vierde graaf van Horne, overleed kinderloos de 8e December 1540 op het kasteel te Weert, na zijn oudste stiefzoon, Philips van Montmorency tot zijn universele erfgenaam te hebben benoemd. Dientengevolge kwam de heerlijkheid Altena op laatstgenoemde te vererven.

Nog vóór het jaar 1540 ten einde was, diende de rentmeester van Altena namens Philips van Montmorency bij stadhouder en leenmannen van Holland een verzoek om leenverheffing in, waarop deze ten antwoord gaven, dat, alvorens de belening kon plaats vinden, hun eerst het octrooi van de Keizer getoond diende te worden, dat volgens het zeggen van de rentmeester de toewijzing der heerlijkheid aan de vader van zijn lastgever inhield (

Inv.no. 59.

). Aangezien een dergelijk octrooi nimmer was verleend, stond dit antwoord dus met een weigering gelijk. Philips van Montmorency was echter niet de enige pretendent. Een afstammeling in de rechte lijn van Dirk Loef van Horne, met name Maximiliaan van Horne, heer van Gaasbeek en Houtkercke, was hem zelfs al voor geweest, weliswaar met negatief succes, want diens verzoek was afgewezen met de mededeling, dat er voor de Grote Raad te Mechelen nog een onbeslist proces in appèl tussen de procureur-generaal bij den Leenhove en wijlen Johan van Horne over het recht op de heerlijkheid hangende was (

Leenk, Holl. no. 126, Caput Asperen etc., fol. 1-1vo.

)
. Vier jaren later kreeg Maarten van Horne, de zoon van Maximiliaan voornoemd, op een dergelijk verzoek hetzelfde te horen (

Leenk, Holl. no. 126, Caput Asperen etc., fol. 4-4vo.

)
.

Aldus verging het - weer een drietal jaren later - René van Brugge, heer van den Gruythuyse, die moest vernemen, dat het de stadhouder der lenen door de landvoogdes uitdrukkelijk verboden was om, hangende het proces enig verlei te doen (

Leenk Holl. no. 127. Caput Asperen etc. fol. 1-1vo.

).

Ofschoon, voor zover in de registers der Leenkamer is na te gaan, Philips van Montmorency nimmer met de heerlijkheid Altena beleend is geworden, schijnt hij, zo wel als zijn moeder, door de inwoners van de lande van Altena als hun heer en vrouwe te zijn erkend. Zo liet Anna van Egmond, aan wie Johan van Horne het vruchtgebruik zijner gehele nalatenschap had vermaakt, zich in 1546 door ingelanden en geërfden in den lande van Altena een twaalf-jarige bede toestaan, op voorwaarde, dat zij hen van de tiende penning en andere door de Staten van Holland in naam des Keizers opgelegde belastingen zou bevrijden (

Inv.no. 20.

). Haar zoon betwistte op grond der zelfstandigheid van Altena naast Holland de Staten daartoe het recht en weigerde hardnekkig deze belastingen te voldoen tot dat in 1556 de nieuwe landsheer hem in het gelijk stelde door alle proceduren, tegen hem, zijn heerlijkeid, zijn officieren en onderzaten, hangende wegens executie van belastingschulden of uit welke hoofde ook, op te heffen, en hem al zijn privilegiën, exemptiën van belastingen etc., te restitueren (

Leenk. Holl. no. 132. Caput Asperen etc. fol. 4-5. Zie ook Aanw. Alg. Rijksarchief 1892, no. 1, IIIi (stukken rakende het proces in deze door de Staten van Holland met de graaf van Horne gevoerd).

)
.

Het tragische uiteinde van Philips van Montmorency, graaf van Horne, weleer de gunsteling van Philips II, die hem tot stadhouder van Gelderland en admiraal der Nederlanden had aangesteld, mag als bekend worden verondersteld, Na zijn dood in 1568 werden zijn goederen geconfisqueerd en werd de heerlijkheid Altena bij Holland ingelijfd.

In 1571 wendde Herman, graaf van Nieuwenaar en Meurs, broeder van Walburga, gravin van Nieuwenaar, de weduwe van Philips van Montmorency, die kort daarop hertrouwde met haar neef Adolf, graaf van Nieuwenaar en Limburg, zich tot stadhouder en leenmannen van Holland, teneinde zijn aanspraken op de heerlijkheid, gebaseerd op het testament van Johan van Horne en de huwelijksvoorwaarden van zijn zuster Walbruga en haar eerste man, bevestigd te zien (

Leenk. Holl., no. 132, loc. cit., fol. 1-2 Onder de ingemelde huwelijksvoorwaarden (zie inv.no.65) opgesomde heerlijkheden, welke in geval van het kinderloos overlijden van Philips en Floris van Montmorency aan den huize Nieuwenaar zouden vervallen, ontbreekt merkwaardigerwijze Altena.

). Uit hoofde der confisquatie werd hem de leenverheffing echter geweigerd (

Leenk. Holl., no. 132, loc. cit., fol. 1-2 . Onder de ingemelde huwelijksvoorwaarden (zie inv.no.65) opgesomde heerlijkheden, welke in geval van het kinderloos overlijden van Philips en Floris van Montmorency aan den huize Nieuwenaar zouden vervallen, ontbreekt merkwaardigerwijze Altena.

)
. Niet lang na de afkondiging der Pacificatie van Gent, waarbij alle confiscatiën terzake van de troebelen te niet werden gedaan, probeerde hij het nog eens, doch kreeg van de aan Spanje getrouw gebleven stadhouder en leenmannen, die met de oude regering naar Utrecht waren gevlucht, wederom een weigerend antwoord op grond der reeds bekende overwegingen, dat het proces voor de Grote Raad te Mechelen nog steeds onbeslist was, en dat de landvoogdes uitdrukkelijk verboden had, om hangende het proces enig verlei te doen (

Als voren, fol. 2-3.

)
. Teneinde raad wendde Herman van Nieuwenaar zich thans tot de leenkamer, welke van Staatse zijde te Delft was opgericht, wellicht ook, omdat hem ter ore was gekomen, dat andere gegadigden aldaar reeds hun heil hadden gezocht. In hetzelfde register, waarin men leest, dat Herman van Nieuwenaar de 18e Februari 1577 inderdaad met Altena beleend werd (

Leenkamer Holland, no. 133, fol. 110-112vo.

)
, treft men een beleningsacte d.d. 24 December 1576 ten name van Joris van Horne, graaf van Houtkarcke aan (

Leenkamer Holland, no. 133, fol. 96vo-98.

)
, en pal daarachter een acte van de 28e December 1576, waarbij Eleonora van Montmorency, douairière van Hoogstraten, als erfgenaam van haar broeder Floris van Montmorency, met gemelde heerlijkheid wordt verleid (

Leenkamer Holland, no. 133, fol. 98-99vo. Tevoren had zij zich eveneens tot de oude, te Utrecht gevestigde leenkamer gewend, doch was aldaar afgewezen. Zie Leenk. Holl. no. 132, Caput Asperen etc. fol.3-4.

)
, voorwaar een merkwaardig staaltje van de rechtsonzekerheid in die roerige tijden.

Na het kinderloos overlijden van Herman van Nieuwenaar op 4 December 1578 werd de 15e December d.a.v. zijn zuster Walburga met de heerlijkheid Altena, als haar van haar broeder aan bestorven zijnde, beleend (

Leenkamer Holland no. 134, fol. 249-249vo.

). Met Walburga van Nieuwenaar sluit zich de rij der heren en vrouwen van Altena.

Voor de tweede maal weduwe geworden, verkocht zij de 13e Juli 1590 de heerlijkheid aan de Staten van Holland voor 92.000 ponden Vlaams. Volgens de omschrijving in het koopcontract omvatte de koop de "heerlickheyt ende 't huys van Althenae eensamentlyck de stede van Woudrichem mette dorpen, luyden en landen, thollen, acchijsen, gemael, thienden, visscherien, vogelrien, thijnsen, middelwaerden, uyterwaerden, vasallagien, aentwassen ende andere hoocheden ende gerechtigheden, met alle appendentien ende dependentien der voorseide heerlyckheydt, zulex, die den heeren ende vrouwen van Althenae heeft gecompeteert ende zij beseten hebben, mitsgaders 't recht van de erfpacht, dus competerende tot de goederen, thienden ende visscherien, gelegen in den lande van Althenae ende daerbuyten, die van outs bij den heeren ende vrouwen slandts van Altenae in een eeuwige erffpacht gehouden worden van den decken ende capittule van Oudamunster tot Utrecht, als die thienden van Rijswijck, van Uytwijck, van Almkerck, onder Santwijck ende van De Wercke, item van de visscharie van de zeegenworp tot Worcum, ende van de vloedrift tot Worcum ende tot Rijswijck, ende voorts nyet gereserveert ofte uytgesondert" (

Resolutie Staten van Holland, 13 Juli 1590.

).

2 October 1590 transporteerde David van Goorle, tresorier der gravin van Nieuwenaar, voor leenmannen van Holland de heerlijkheid aan de Staten (

Leenkamer Holland no. 135, fol. 484-485.

).

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in