gahetNA in het Nationaal Archief

Nassause Domeinraad vanaf 1581

1.08.11
Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.11
Auteur: Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
(c)

Periode:

1218-1842
merendeel 1581-1811

Omvang:

488,25 meter; 16861 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Latijn , Frans en het Duits

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten. Kennis van het 13e t/m 18e eeuwse handschrift is noodzakelijk: de Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Nassause Domeinraad was het bestuurscollege dat het beheer over de domeinen van de familie Oranje-Nassau uitoefende. Deze landgoederen strekten zich uit over het gehele territorium van de Republiek, maar lagen overwegend in Holland, Zeeland, (Noord-)Brabant en Gelderland. Ook in Duitsland, Luxemburg en Frankrijk (vnl. het prinsdom Orange) had men bezittingen. Oorspronkelijk was de domeinraad gevestigd te Breda en later vanaf eind zestiende, begin zeventiende eeuw te Den Haag aan het Binnenhof. De Raad- en Rekenkamer, zoals zij ook wel werd genoemd, telde vijf tot zeven leden met daarnaast een griffier of secretaris als belangrijkste ambtenaar.
Het beheer van de goederen vergde een uitgebreide verantwoording door tal van rentmeesters die ter plekke waren belast met o.a. het toezicht op heerlijke rechten, als bijvoorbeeld het recht op de wind of op de visvangst. Al deze rechten en bevoegdheden leverden bij elkaar aanzienlijke inkomsten op ter bekostiging van de hofhouding (paleizen, kunstcollectie e.d.). Voor het verdere beheer was in elk domein tevens een grote hoeveelheid functionarissen aangesteld variërend van hoveniers tot predikanten. Dit gold eveneens het terrein van bestuur en rechtspraak met de aanstelling van schout en schepenen.
Het archief bevat de notulen van de domeinraad; thesauriersrekeningen (m.b.t. de uitgaven) en het ambtboek met gegevens over aanstellingen in elk domein. Verder zijn er per domein reeksen rentmeestersrekeningen, gebundelde correspondentie over tal van onderwerpen van bestuurlijk-juridische aard en losse stukken (meestal met een financiële inslag). Op een aantal series bestaan zowel eigentijdse als latere nadere toegangen.

Archiefvormers:

  • Aalst, heer van
  • Acquoy, Heer van
  • Agentschap van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Ameland, Heer van
  • Antwerpen, Burggraaf van
  • Baarle-Nassau, Heer van
  • Baarn, Heer van
  • Bentheim, Heer van
  • Bergen op Zoom, Heer van
  • Borculo, Heer van
  • Borsele, Heer van
  • Bourgogne, Heer van
  • Boxmeer, Heer van
  • Bracque, Heer van De
  • Breda, Heer van
  • Bredevoord, Heer van
  • Brussel, Paleis te
  • Buren, Graaf van
  • Bütgenbach, Heer van
  • College van Administratie der Goederen in Holland gelegen van de Prins van Oranje
  • College van Administratie over de door de Fransen geabandonneerde Goederen van de Vorst van Nassau
  • Cortenbach, Heer van
  • Cortgene, Heer van
  • Cranendonk en Eindhoven, Baron van
  • Culemborg, Heer van
  • Dasburg, Heer van
  • Dieren, Heer van
  • Diest, Heer van
  • Directie der Publieke Domeinen en Geestelijke Goederen
  • Directie der Staatsdomeinen in Holland
  • Dongen, Heer van
  • Eemnes, Heer van
  • Friesland, Heer van
  • Geertruidenberg, Heer van
  • Geertruidenberg, Kastelein van
  • Gorzen Orizand, Heer van
  • Grave en Cuijk, Heer van
  • Gravenhage, 's, Oude Hof in het Noordeinde
  • Gravenhage,'s, Huis Den Bosch
  • Grimbergen, Heer van
  • Het Loo, Heer van
  • Hohenlohe, Van
  • Holede, Heer van
  • Hulsterambacht, Heer van
  • IJsselstein, Heer van
  • Intendant van de Nassause Domeinen in de Zuidelijke Nederlanden
  • Kruidberg, Hofstede de
  • Lannoy, Heer van
  • Leerdam, Graaf van
  • Lek, Heer van de
  • Lekkerkerk, Heer van
  • Lichtenvoorde, Heer van
  • Liesveld, Heer van
  • Lingen, Heer van
  • Meerhout, Heer van
  • Meurs, Graaf van
  • Ministerie van Financiën, Administratie der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Monster, Heer van
  • Monsterambacht, Heer van
  • Montfort, Heer van
  • Naaldwijk, Heer van
  • Nassau, Van
  • Nassause Domeinraad
  • Nassause Domeinraad, Ontvanger-Generaal
  • Nassause Domeinraad, Thesaurier en Rentmeester-Generaal der Domeinen
  • Nederheim, Heer van
  • Neerem, Heer van
  • Niervaart, Heer van
  • Nieuwburg, Huis ter
  • Nispen, Heer van
  • Noord-Beveland, Heer van
  • Oosterhout, Heer van
  • Oploo, Heer van
  • Orange, Prince d'
  • Orange, Prins van
  • Oranje, Van
  • Oranje-Nassau, Van
  • Paifve, Heer van
  • Peen, Heer van
  • Polanen, Heer van
  • Princeland, Heer van
  • Prinsenland, Heer van
  • Raad en Rekenkamer
  • Ravestein, Heer van
  • Rollencourt, Heer van
  • Roosendaal, Heer van
  • Russon, Heer van
  • Rutten, Heer van
  • Scherpenisse, Heer van
  • Secretariaat van Staat voor de Financiën, Secretarie de Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Sichem, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Kapittel van Sint Maarten
  • Soest, Heer van
  • Soestdijk, Heer van
  • St. Vith, Heer van
  • Stadhouders van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel
  • Steenbergen, Heer van
  • Steenwijk, Heer van
  • Ter Eem, Heer van
  • Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Tholen, Heer van
  • Veere, Markies van
  • Vianden, Graaf van
  • Vlissingen, Heer van
  • Vorst, Heer van
  • Vriesland, Heer van
  • Wernhout, Heer van
  • Westcappel, Heer van
  • Westland, Heer van
  • Willemstad, Heer van
  • Zelhem, Heer van
  • Zevenbergen, Heer van
  • Zichem, Heer van
  • Zuid-Beveland, Heer van
  • Zwaluwe, Heer van

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • Verwerving

      In 1579 sloten vier leden van de Staten van Vlaanderen; Gent, Brugge, het Vrije van Brugge en leper, zich aan bij de Unie van Utrecht, een verbond van de Noordnederlandse calvinistische gewesten tegen Spanje. (

      S. Groenveld en H.L.Ph. Leeuwenberg, 'Die originele unie metten acten daernaer gevolcht' in: S. Groenveld en H.L.Ph. Leeuwenberg, ed. De Unie van Utrecht. Wording en werking van een verbond en een verbondsacte (Den Haag, 1979), pp. 5-55, aldaar 6. Overigens hielden al vanaf 1305 de Drie Leden - Brugge, Gent en leper - gezamenlijke bijeenkomsten.

      ) De bondgenoten kregen hierdoor enerzijds de mogelijkheid om het bezit van kerkelijke instellingen te confisqueren, (

      A.M.J. de Kraker, 'Het grondbezit van de abdij Ter Duinen en de exploitatie daarvan in Noordoost-Vlaanderen tussen 1196 en 1645' in De Duinen XX (Koksijde, 1990) pp. 33-84, p. 48.

      )
      maar anderzijds was er de morele plicht om tegemoet te komen aan Willem van Oranjes herhaalde verzoeken om compensatie voor zijn invasielegers. Hij had aan die zelf gefinancierde expedities een schuld van tweeëneenhalf miljoen gulden overgehouden. (

      Scherft, Het sterfhuis, p. 123.

      )

      Van de aldus aangesproken Staten waren alleen die van Brabant en Vlaanderen toeschietelijk. (

      Scherft, Het sterfhuis, p. 14.

      ) In 1578 had Vlaanderen aan de prins een jaarinkomen verleend van tweeduizend gulden uit de abdijgoederen van Ter Duinen, (

      A. Fruytier, Uit het rijke verleden van Hontenisse, haar hof te Zande en omliggende plaatsen (Hontenisse, 1950; herdruk 1980), p. 76.

      )
      maar toen de prins meer wilde, besloten de Vier Leden op 31 januari 1583 om hem deze goederen te schenken, evenals de vele overige klooster- en proosdijbezittingen die ze in beslag genomen hadden. (

      Deze overdracht was in de eerste plaats een bevestiging van de schenking die het Vrije van Brugge op 15 September 1582 aan de prins had gedaan van de goederen van Ter Duinen en van de proosdij van Eversom (Fruytier, Uit het rijke verleden, p 76). De andere Leden schonken o.a. de abdijgoederen van St.Adriaans en Oudenaarde (NDR inv.nr. 13491).

      )
      Dat er voorlopig uit deze kwetsbaar zuidelijk gelegen gebieden weinig opbrengsten te verwachten zouden zijn, kreeg Willem van Oranje al spoedig te horen van zijn hofpredikant en raadsman De Villiers, die bovendien twijfelde aan de Vlaamse standvastigheid. Dit vermoeden kwam uit toen de hertog van Parma in 1584 de Vlaamse opstandelingen terugbracht onder het Spaanse gezag, waarna geestelijke instellingen als Ter Duinen in hun bezit hersteld werden. (

      Scherft, Het sterfhuis, pp. 17-21 en Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 77.

      )

      Na een mislukte poging vijf jaar tevoren wist Maurits van Nassau in 1591 Hulst te heroveren, waardoor in ieder geval de in Hulsterambacht gelegen geestelijke goederen in het familiebezit terugkeerden. Dit waren de plaatselijke bezittingen van Ter Duinen, een cisterciënzer abdij in de Westvlaamse duinen bij Koksijde. Hoewel dit in de 15e eeuw een van de rijkste Vlaamse kloosters was geweest, (

      De Kraker, Het grondbezit, p. 57.

      ) hadden decennia van zware overstromingen en oorlog hun sporen nagelaten. Sterker nog, de abdij was in 1579 verwoest en het enige wat restte waren de gehavende goederen in Hulsterambacht met de uithof Ten Zande.

      In 1596 nam Albertus, de nieuwe landvoogd, Hulst na een zwaar beleg opnieuw voor de Spanjaarden in, waarna deze streek deel bleef van de Zuidelijke Nederlanden tot het einde van de Tachtigjarige Oorlog. De Duinenabdij werd andermaal in haar bezittingen hersteld. In 1601 gaven de aartshertogen Albertus en Isabella, sinds 1598 soevereine vorsten van de Zuidelijke Nederlanden, alle in beslag genomen bezittingen van Willem van Oranje vrij. Daarbij waren de destijds door Brabant en Vlaanderen aan Willem geschonken geestelijke goederen echter niet inbegrepen. Bij de onderhandelingen die leidden tot het Twaalfjarig Bestand werd namens de beheerders van Oranjes onverdeelde nalatenschap aan de aartshertogen gevraagd om een geldsom, als vergoeding voor de niet vrijgegeven Brabantse en Vlaamse bezittingen. Dit verzoek werd afgewezen op grond van het feit dat de oorlogsschulden waarvoor de giften bedoeld waren geweest, inmiddels grotendeels door de Staten-Generaal waren overgenomen. (

      Scherft, Het sterfhuis, pp. 257-269.

      )

      Prins Frederik Hendrik voltooide in 1645 zijn verovering van een buffer rondom de Republiek met de inname van Hulst, waardoor de Duinense abdijgoederen voor de derde keer in het bezit kwamen van de Oranjefamilie. Van het oorspronkelijke eigendomsrecht, gebaseerd op een compensatie voor oorlogsschulden, was geen sprake meer: het ging nu om in beslag genomen, 'gesaisseerde' geestelijke goederen. De Staten-Generaal erkenden in 1646 Frederik Hendriks aanspraak op het Duinense bezit in Hulsterambacht en omstreken, waarna het Verdrag van Munster deze situatie twee jaar later bevestigde in het hieraan gewijde artikel 44. (

      Fruytier, Uit het rijke verleden, pp. 83-84.

      )

      De abdij Ter Duinen stelde jarenlang alles in het werk om genoegdoening te krijgen voor haar opnieuw verloren eigendom, totdat in 1681 de Raad van Vlaanderen in Middelburg alle bezwaren definitief afwees. (

      Oranje maakte aanspraak op 'het Clooster van Sande', wat door de abdij werd aangevochten met het argument dat Ten Zande geen klooster was maar een uithof, die enkele ordegeestelijken herbergde. De rentier van Ten Zande, Adriaen Mueleman, heeft in Den Haag onder andere van zich laten horen door zijn vlugschrift Deductio difficultatis quae est inter religiosos B.M. de Dunis et Dominum Principem Orangiae occupantem bona dictie monasterii sita in territorio Hulstensi (Fruytier, Uit het rijke verleden, pp. 84 en 86). Voor het vonnis van de Raad van Vlaanderen zie inv.nr. 13498

      ) De prinselijke aanspraken in Hulsterambacht werden in 1674 uitgebreid door inbeslagname van goederen van de abdijen van Boudeloo en Cambron en van het kapittel van Kortrijk. Dit blijkt uit de aanstelling van een 'ontvanger van de verdere geannoteerde en gesaisseerde geestelijke goederen, gelegen onder Hulst' (

      NDR inv.nr. 606, folio 78 verso. De rekeningen over 1675-1676 en 1678 zijn bewaard gebleven, evenals een manuaal over 1652-1678 (NDR inv.nrs. 13725-13727). De laatste rekening (over 1678) is niet afgehoord, en deze goederen zijn nadien evenmin in de gewone domeinrekeningen opgenomen. Hierdoor rijst het vermoeden dat de aanspraken van prins Willem III rond 1680 ongeldig verklaard werden of door de abdijen en het kapittel zijn afgekocht

      )

      In 1794 veroverde het Franse leger de Zuidelijke Nederlanden. Bij het Verdrag van Den Haag droeg de (inmiddels Bataafse) Republiek het voormalige Staats-Vlaanderen over aan Frankrijk, dat het opnam in het departement van de Schelde. De Bataafse Republiek kon de domeinen van de gevluchte stadhouderlijke familie voor een zeer hoog bedrag kopen van Frankrijk, en zo werd Hulsterambacht onderdeel van het algemeen Staatsdomein. Aan de Oranjes werd in 1804 schadeloosstelling beloofd voor het verloren bezit, maar die zou er pas na de Franse tijd komen: vanaf 1813 kreeg het koningshuis een jaarlijks inkomen dat deels uit de domeinen werd opgebracht. (

      Pennings en Schreuder, 'Heer en meester', p. 52.

      )

      Voorgeschiedenis en bestuur van het ambacht

      Hulsterambacht (het huidige Oost-Zeeuws-Vlaanderen) was een van de Vier Ambachten, die in het noorden van Vlaanderen gelegen waren rond Hulst, Axel, Assenede en Boekhoute. De oudste vermelding van de Vier Ambachten dateert van 963, volgens een 13e-eeuwse kroniek van de St. Baafsabdij in Gent, en hun eerste privilege kregen ze voor 1191 van de Vlaamse graaf Filips van de Elzas. (

      Encyclopedie van Zeeland III (Middelburg, 1982) p. 215.

      ) Alleen in hun rechterlijke organisatie hadden de Vier Ambachten enige samenhang: de graaf van Vlaanderen benoemde in ieder ambacht een baljuw en zeven schepenen. De bevoegdheid van deze achtkoppige colleges gold de rechtspraak in alle criminele en civiele zaken; voor uitzonderlijke gevallen moest de vierschaar van een ambacht alle schepenen uit de andere drie ambachten consulteren. (

      J.J.C. van Dijk, R.L. Koops en H.Uil, Overzicht van de archieven en verzamelingen in de openbare archiefbewaarplaatsen in Nederland III (Alphen aan den Rijn, 1979), pp. xxvi-xxvii.

      )

      Van oudsher heeft Noord-Vlaanderen veel te lijden gehad van het water, vooral door overstromingen van de Westerschelde. Vanaf de 16e eeuw pleegden ook oorlogsplunderingen en tactische inundaties zware aanslagen op deze frontlinie tussen de Republiek en de Zuidelijke Nederlanden.

      Hulsterambacht grensde in het zuiden aan de stad Hulst, in het noorden aan de Westerschelde, in het westen aan Axelambacht en in het oosten aan de (in 1584 verdronken) heerlijkheid Saeftinghe. Het bevatte de dorpen Hontenisse, Ossenisse, Hengstdijk en Pauluspolder, en een groot aantal polders. Binnen het ambacht lag tevens de baronie St. Jan-Steen, een vrije heerlijkheid. (

      A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden V (Gorinchem, 1844) p. 740

      ) In 1740 had het ambacht ongeveer vierduizend inwoners, met als voornaamste middelen van bestaan de verbouw van graan en koolzaad. Het te voet doorkruisen van Hulsterambacht kon in vier uren gebeuren van noord tot zuid, en in drie van oost tot west; het oppervlak was ongeveer 20.000 gemeten groot (zo'n 100 hectare). (

      Register van aantekeningen en aanmerkingen omtrent de domeinen (NDR inv.nr. 766, folio 320).

      )

      Toen Hulst in 1645 teruggebracht werd onder het gezag van de Republiek (de zogenaamde 'reductie') werd Hulsterambacht Generaliteitsland. De rechten die de Vlaamse graaf er voorheen had uitgeoefend werden overgenomen door de Staten-Generaal.

      Voor Hulst en Hulsterambacht was er één erfelijke schout en een baljuw, totdat de Staten-Generaal deze functies in 1645 samenvoegden. Daarnaast had ieder van de vier Hulsterambachtse dorpen een eigen dijkschout. Het dijkschoutendom werd gepacht van de hoofdschout van Hulst en Hulsterambacht; na 1645 werden de dijkschouten aangesteld door de baljuw en schout van het ambacht. (

      W.J. Annard, Bestuur en bestuurders in Oost Staats-Vlaanderen 1645-1673 (Hulst, 1993) pp. 13,17, 22. Voor de aanstelling van de dijkbesturen zie ook noot 27.

      ) Ieder jaar stelde de Vlaamse graaf - en vanaf 1645 dus de Staten-Generaal - zeven schepenen aan in het ambacht, waarvan de voorzitter burgemeester werd genoemd. Hulsterambacht kende bovendien een college van notabelen, bestaande uit rond de twintig voormalige magistraatsleden en bezitters van ten minste veertig gemeten grond. (

      Annard, Bestuur en bestuurders, p. 20. In het 'Register van aantekeningen en aanmerkingen omtrent de verschillende domeinen', dat o.a. gebaseerd is op mededelingen van rentmeester J.F. de Beaufort in 1763, staat dat notabelen minimaal dertig gemeten land moeten bezitten (NDR inv.nr. 766, p. 775)

      )

      Aangezien vanaf de 17e eeuw alleen gereformeerden openbare ambten mochten vervullen, werden in 1646 praktisch al deze functies in het katholieke Hulst en Hulsterambacht vergeven aan 'vreemdelingen' uit met name Holland en Zeeland. In 1648 werd het katholicisme zelfs verboden; geestelijke goederen werden in beslag genomen en geestelijken moesten vertrekken. Opmerkelijk is dat Hulsterambacht, in tegenstelling tot het westehjke deel van Staats-Vlaanderen, toch katholiek is gebleven. Een veel groter deel van de bevolking dan in andere delen van de Republiek heeft daardoor te Iijden gehad van de 'anti-paapse' overheidsmaatregelen. (

      Annard, Bestuur en bestuurders, pp. 12 en 50-52.

      )

      Rechten en bevoegdheden

      De prins van Oranje bezat vanaf 1645 het dorp en de polder van Hontenisse en een groot deel van de polders bij Ossenisse en Hengstdijk; volgens een beschrijving uit 1763 was ongeveer een derde van de grond in het ambacht zijn eigendom. (

      NDR inv.nr. 766, 771-772

      )

      Jurisdictie

      In Hontenisse, Ossenisse en Hengstdijk deelde de prins de lage en middelbare jurisdictie met het ambachtsbestuur; hij was bevoegd tot het aanstellen van de dijkbesturen ('dijkwetten'), die recht spraken over kleine plattelands- en waterschapsovertredingen. Deze colleges bestonden uit een dijkschout, burgemeester en zes schepenen. Volgens Annard werden de burgemeester en schepenen van de dijkbesturen van de drie dorpen slechts voorgedragen door de rentmeester van de prins, waarna het ambachtsbestuur ze aanstelde. (

      Annard, Bestuur en bestuurders, 22. Het 'Ambtboek' vermeldt de aanstelling door de Domeinraad van de schout en een schepen van de dijkwet van Hontenisse. Andere hiermee verwante aanstellingen in het Ambtboek: dijkgraaf en twee of drie 'gesworens' van de zeewerken bij Hontenisse, dijkgraaf en een of twee gezworenen in de Melopolder, en een gezworene in de Willem Hendrikspolder (NDR inv.nr. 685, folio 429 e.v.).

      )

      Het Register met aantekeningen stelt dat in de drie dorpen de dijkgraaf, schout, burgemeester, zes schepenen en twee schutters of voogden jaarlijks worden aangesteld door het lid van de Domeinraad dat Hulsterambacht inspecteert (NDR inv.nr. 766, folio 773).

      De prins had dus niet zo veel te zeggen in Hulsterambacht, want de overige rechtspraak werd gedaan door de magistraat van het ambacht: de baljuw, burgemeester en schepenen.

      Rechten op goederen

      De voornaamste bronnen van inkomsten bestonden uit pachtgelden en cijnzen. Er waren cijnzen op de drie windmolens, de dijk en het huis op de Zandberg. De verpachting van het visrecht in de Grote en Kleine Vogel werd gedeeld met de abdij van Boudeloo. Ook landerijen en hofsteden werden verpacht, evenals dijken, het veer van Walsoorden, het recht op de derde schoof en de tienden. De tiend op koolzaad was daarvan de belangrijkste; verder waren er tienden van de polders, lammertienden en tienden op mee, koren, vlees, en op aardappelen en andere eetbare gewassen die niet in een schoof geleverd werden. Tienden konden ook door de pachters afgekocht worden. (

      Domeinrekening over 1704 (NDR inv.nr. 13626) en verbalen uit 1756 en 1757 door raad De Beaufort (NDR inv.nr. 13472).

      )

      Verder had de prins het jachtrecht in Hontenisse, Ossenisse en Hengstdijk. Partijen die hem dit recht bestreden waren het ambachtsbestuur en belanghebbenden in nieuvv gewonnen polders. (

      NDR inv.nr. 766, folio 791.

      )

      Benoemingsrechten

      Belangrijk was verder het benoemingsrecht van functionarissen. Volgens het 'Ambtboek', een register van aanstellingen tussen 1636 en 1797, benoemde de Domeinraad in het ambacht namens de prins van Oranje de volgende beambten (tussen haakjes de oudste en jongste vermelding van iedere benoeming): (

      NDR inv.nr. 685, folio 429 e.v.

      )

      In Hulsterambacht:

      rentmeester (1646/1797)
      'agent van S. Hoogh. om de verduysterde goederen van de abdijen van Duijnen in 't ligt te brengen' (alleen 1682 en 1727)
      procureur van Hulst en Hulsterambacht (1685/1722)
      ontvanger van de geannoteerde en gesaiseerde geestelijke goederen onder Hulst (alleen 1674)
      notabel in de polder (

      Het Ambtboek licht toe: 'Vide t.o.v. de begevinge van enige notabelsplaats in de polder onder Hulsterambacht gelegen - het recht der geextradeerde goederen beginnende met 't jaar 1719'. Benoemingen worden echter niet vermeld.

      )
      In Hontenisse, Ossenisse en Hengstdijk (in ieder van de dorpen):

      (

      Het Register met aantekeningen NDR inv.nr. 766 meldt dat de Domeinraad ieder jaar deze aanstellingen bepaalde. Het verbaal uit 1756 (NDR inv.nr. 13472) bevestigt dit; de aanstellingen werden gedaan door de rentmeester volgens instructie van de Domeinraad. Op dit punt is er een lacune in het Ambtboek, want dat noemt alleen de aanstelling van de schout en schepenen van de Hontenissense dijkwet, en dan slechts tussen 1725 en 1727.

      )

      schout van de dijkwet (alleen 1725 en 1727)
      burgemeester
      zes schepenen van de dijkwet (alleen 1726 en 1727)
      twee voogden of schatters
      In Hontenisse:

      boekhouder van de dijk (1723/1763)
      In Walsoorden (onder Hontenisse): (onder Hontenisse):
      dijkgraaf van de zeewerken (1678/1786)
      gezworenen van de zeewerken (twee of drie; 1678/1785)
      opzichter van de dijken en wateringen, tevens inkoper van materialen voor dijkage (alleen 1733 en 1748)
      zes schippers van het veer (1739/1794)
      In de Melopolder:

      dijkgraaf (alleen 1682)
      gezworene (1682/1770)
      boekhouder (1704/1763)
      penningmeester (vanaf 1717 tevens van Willem Hendrikspolder, 1682/1743) 1682/1743)
      In de Willem Hendrikspolder:

      gezworene (1727/1780)
      boekhouder (1704/1763)

      Een andere eigentijdse bron voor de aanstellingsbevoegdheden is een register uit 1759, NDR inv.nr. 799. Hier komt onder Hulsterambacht nog een andere functionaris voor die niet in het Ambtboek staat: adviseur van de prins voor de Grote Raad van Mechelen. Wel noemt het Ambtboek (onder 'Brabant en Brussel') de aanstelling van een procureur voor deze Grote Raad. (

      NDR inv.nr. 685, folio 25 verso.

      )

      Andersom ontbreken in het register uit 1759 inmiddeis twee functies die eerder wel genoemd worden in het Ambtboek, namelijk de ontvanger van de 'geannoteerde en gesaisseerde goederen' en de notabel in de polder.

      De voornaamste lokale functionaris in ieder domein was de rentmeester, die een mandaat tot beheer had van de Domeinraad. Zijn aanstelling werd vergezeld van een uitgebreide instructie; als voornaamste taken had hij:

      1. het innen en beheren van de pacht- en leengelden
      2. het controleren van de naleving van regels, instructies en voorwaarden door pachters
      3. het (laten) administreren van de gang van zaken in zijn domein
      4. het afleggen van financiële verantwoording aan de Domeinraad.

      In Hulsterambacht maakte de rentmeester van het prinselijke domein deel uit van het ambachtscollege van notabelen. Dit had een adviesfunctie en kwam verder jaarlijks bijeen voor de 'raming der middelen', het bepalen van de op te leggen belastingdruk die nodig zou zijn om de verwachte lasten en baten van het ambacht met elkaar in evenwicht te brengen. (

      Annard, Bestuur en bestuurders, p. 20.

      ) Uit het Ambtboek (NDR inv.nr. 685) blijkt dat vanaf 1722 de rentmeester tevens dijkgraaf was van de dijk van Walsoorden.

      Volgens een aantekening uit 1763 fungeerde hij in de drie dorpen Hontenisse, Ossenisse en Hengstdijk bovendien als opperschout, hoewel de baljuw van Hulsterambacht hem dat recht bestreed. (

      Register met aantekeningen, NDR inv.nr. 766, folio 773. Dit register is grotendeels ontleend aan deel II van J. Wagenaar, Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden (Amsterdam 1740), waar deze controverse echter niet vermeld wordt. Het register is tevens gebaseerd op een verslag uit 1763 van J.F. de Beaufort, die toen al 24 jaar rentmeester was en later lid van de Domeinraad zou worden. Vermoedelijk was het een betrekkelijk kortlopende kwestie van na 1740, en had de rentmeester geen fundamenteel recht op het schoutendom.

      ) De ambtswoning was het huis Ten Zande.

      Door de Nassause Domeinraad zijn de volgende rentmeesters van Hulsterambacht aangesteld: (

      Gebaseerd op het Ambtboek NDR inv.nr. 685 en op de rekeningen NDR inv.nrs. 13571-13723.

      )

      1646-1664 François de Smytere (

      Het Ambtboek geeft geen jaar van benoeming van deze rentmeester, terwijl de Domeinraadsnotulen door hun onvolledigheid in deze periode evenmin uitsluitsel geven. De oudste bewaard gebleven rekening van na de reductie van Hulst is die over 1648, opgesteld door François de Smytere. Uit het verbaal van Graswinckel en Van Strijen blijkt echter dat deze al in 1646 door hen werd geïnstalleerd als rentmeester (citaat uit het verbaal bij Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 90). Dit wordt bevestigd door de aantekening in De Smytere's rekening over 1649 (NDR inv.nr. 13572): 'vierde rekening van den rendant'.

      )
      1665 Dingman Doenssen
      1666-1668 Anna Thiens, diens weduvve
      1669-1699 Johan Henrick Bornius (

      In de literatuur (Annard, Bestuur en bestuurders, Encyclopedie van Zeeland, Fruytier, Uit het rijke verleden) wordt herhaaldelijk gesproken van het eigengereide optreden als rentmeester van de querulante professor Henrick Bornius. Uit het archief van de Nassause Domeinraad blijkt echter niets van diens aanstelling tot rentmeester. Integendeel, uit erkentelijkheid voor de goede diensten van de professor (die Latijn doceerde aan de latere prins Willem III) werd het rentmeesterschap van Hulsterambacht verleend aan zijn zoon. De zoon kreeg tegelijk toestemming om zich in zijn ambt te laten vervangen, wat een mogelijke verklaring is van de verwarring (NDR inv.nr. 598, folio 85-87). Die verwarring wordt versterkt door de bijna identieke namen. De oude Bornius was schepen van Hulsterambacht, en wellicht heeft hij door deze constructie de onverenigbaarheid van twee ambten kunnen omzeilen. Al was junior dan op papier de rentmeester, de domeinrekeningen 1669-1672 werden ingeleverd door de 'vader van den rendant'. In 1675 liet de Domeinraad het kantoor van 'rentmeester Henrick Bornius' verzegelen, en hijzelf werd met zijn papieren en koffers in Den Haag vastgezet totdat de betalingsachterstanden ter waarde van tweehonderduizend gulden opgelost waren (NDR inv.nrs. 624 en 1046). Kort daarna overleed de oude Bornius, waarna zijn zoon het rentmeesterschap ook in de praktijk overnam. Vanaf 1686 komt in de domeinrekeningen een post voor met uitgaven 'van de restanten onder d'administratie vanden Rendants vader zaliger'.

      )
      1700-1702 Maria Verbeek, diens weduwe
      1703 (geen rekening)
      1704-1719 Anthony Lammens
      1720-1739 Pieter Benjamin de Beaufort
      1740-1765 Joachim Ferdinand de Beaufort
      1766-1780 Adriaan Sebastiaan van Fenema
      1781-1784 Hendrik Adriaan Anemaat als executeur van het testament van Van Fenema
      1785-1792 H.A. Anemaat als rentmeester
      1793-1808 Jan Christoffel Neeteson
      Beherende instanties vanaf 1580

      Nadat de Gentse calvinisten in 1580 beslag legden op de Duinense goederen, werd het beheer daarvan opgedragen aan het Vrije van Brugge. (

      De Kraker, 48-50. Volgens Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 75 vond inbeslagname twee jaar eerder plaats.

      ) De nog door de abt van Ter Duinen aangestelde rentmeester bleef in functie, naast zijn werk als baljuw van Hulst. (

      Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 75

      )

      Na de herovering van Hulst in September 1591 plaatsten de Staten-Generaal stad en ambacht onder het gezag van de Gecommitteerde Raden van Zeeland, als deel van het zogenaamde Committimus. (

      Het Committimus bestond verder uit Axel, Biervliet en Terneuzen.

      ) De Duinense goederen maakten deel uit van het 'sterfhuis' van Willem van Oranje, diens toen nog altijd onverdeelde nalatenschap. Het sterfhuis stond onder curatele van een commissie die moest proberen de immense schulden te saneren. Zo zou uit Hulsterambacht een betaling van zevenduizend gulden gedaan worden aan Jan van Nassau de Oudere, die dat al zeer pover vond in verhouding tot zijn vordering van ruim een miljoen gulden, terwijl van deze aflossing bij nader inzien in 1592 een derde deel gebruikt werd voor een andere schuld. (

      Scherft, 125-126.

      )
      De rekening over 1592, als enige uit die jaren bewaard gebleven, is in 1594 ingediend door de baljuw van Hulst, die toen fungeerde als ontvanger van deze goederen en dat mogelijk bleef doen tot de Spaanse inname van Hulst in 1596. (

      NDR inv.nr. 13570. De rekening is opgesteld in de zomer van 1592 en is de tweede van deze ontvanger. Kennelijk heeft hij een eerdere (verloren gegane) rekening opgesteld nadat Hulst op 24 September 1591 veroverd werd. De rekeningen over 1593-1595 zijn evenmin bewaard gebleven, terwijl betwijfeld kan worden of er ooit een over 1596 gemaakt is: het Spaanse beleg van Hulst begon op 7 juli van dat jaar.

      )

      Na de 'reductie' (herovering) van Hulst kreeg de Nassause Domeinraad het beheer over de goederen in het ambacht die de prins van Oranje zich had toegeëigend. De advocaten Graswinckel en Van Strijen kregen opdracht om een overzicht te maken van de omvang en toestand van de goederen. Hun bevindingen van mei 1646 formuleerden ze in een verbaal, waarvan uitgebreide citaten opgenomen zijn in het boek van Fruytier. (

      Pp. 89-97.Het verbaal zelf is in 1907 van het Algemeen Rijksarchief overgebracht naar het Rijksarchief in Zeeland.

      ) In 1646 werd nog gebruik gemaakt van enkele diensten van Adriaen Mueleman, rentier van het hof Ten Zande, die vervolgens bij de Domeinraad solliciteerde naar het rentmeesterschap van Hulsterambacht. Niettemin viel in datzelfde jaar de keus op François de Smytere als rentmeester. (

      NDR inv.nr. 13522. De aanstelling van De Smytere wordt gemeld in het verbaal van Graswinckel en Van Strijen, zoals geciteerd in Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 90.

      )
      Het beheer kreeg nu meer structuur, zoals blijkt uit vergelijking van het sindsdien gevormde archief met de veel rommeliger samengestelde oudere stukken. (

      Een voorbeeld van de minder gestructureerde oudere administratie is het manuaal van inkomsten van Ter Duinen over 1640-1646 (NDR inv.nr. 13806).

      )

      In 1702 werd de erfenis van koning-stadhouder Willem III aangevochten door koning Frederik I van Pruisen, die evenals Willem een kleinzoon van Frederik Hendrik was. De Staten-Generaal stelden zich als scheidsrechter op en wezen aan beide partijen een voorlopig inkomen toe uit een aantal 'geëxtraheerde goederen'. Dit waren domeinen en rechten die tijdelijk werden losgemaakt uit het Oranjebezit. Hierdoor werd Hulsterambacht vanaf 1713 beheerd door een Raad en Rekenkamer der geëxtraheerde goederen, ingesteld door Willems weduwe voor het beheer van de aan haar toegewezen goederen. Nadat er eindelijk een akkoord met de Pruisische koning bereikt was werd deze extra Raad in 1734 opgeheven, en zette de Nassause Domeinraad het beheer over het complete Oranjebezit voort. (

      Pennings en Schreuder, 'Heer en meester', pp. 49-51.

      )

      Na de Bataafse omwenteling bleef het domeinbeheer in grote lijnen gelijk: zelfs de meeste rentmeesters waren op hun posten teruggekeerd. Alleen stonden ze nu onder overheidstoezicht, want de 'Commissie der domeinen herkomstig van de vorst van Nassau' viel onder het departement van Financiën. (

      Pennings en Schreuder, 'Heer en meester', pp. 52-54 en M.D. Lammerts, 'Inventaris van de archieven van de rentmeesters van de rentambten van de prinsen van Oranje in de provincie Zeeland, 1592-1833', in: IRA III (1930) 723-747, aldaar 723.

      ) Hulsterambacht werd beheerd door 'Administrateurs over de door de Fransen geabandonneerde goederen van de vorst van Nassau', (

      NDR inv.nrs. 13486-13487.

      )
      zo geheten omdat deze goederen na de Franse annexatie van Vlaanderen aan de Republiek waren verkocht. Deze rechtsopvolger van de Nassause Domeinraad werd in 1811 buiten werking gesteld nadat Frankrijk een jaar eerder de Bataafse Republiek had ingelijfd; het domeinbeheer werd overgenomen door het 'Enregistrement des Domaines'. Twee jaar eerder schonk Napoleon delen van Hulsterambacht aan enkele van zijn getrouwen; zo kreeg de hertog van Bassano - een voormalig minister - het huis Ten Zande met omliggende landerijen. (

      C. Boschma, 'Het huis te Zande' in De woonstede door de eeuwen keen 103 (1994) pp. 32-40, p. 36

      )

      Na de vlucht van de Fransen in 1813 kwamen de meeste oude rentmeesters terug. De burgemeester van Hulst, die voordien tevens rentmeester was geweest voor de hertog van Bassano, kreeg in 1814 opdracht van de hoofdadministrateur van de goederen van de prins van Oranje om de plaatselijke bezittingen en papieren van het voormalige Oranjedomein in beslag te nemen en voorlopig te beheren. In 1819 namen de ambtenaren der registratie de beheerstaken en de archieven over van dit inmiddels staatseigendom geworden domein. (

      Lammerts, 'Inventaris van de archieven van de rentmeesters', p. 723.

      ) Tot op de huidige dag is het beheer over de staatsdomeinen een taak van het ministerie van Financiën.

      Het archief

      In het hele Domeinraadsarchief zitten hiaten, veroorzaakt door de vele omzwervingen die samenhangen met de lange en woelige geschiedenis van de archiefvormer. Bovendien heeft in 1798 de Agent van Financiën een klerk gemachtigd om uit dit archief alle stukken te vernietigen die door ouderdom onleesbaar of 'van geen belang' waren. De omvang van deze ernstige aanslag laat zich moeilijk reconstrueren, omdat indertijd niet is vastgelegd wat er vernietigd werd. Het deelarchief Hulsterambacht heeft zich niet kunnen onttrekken aan deze hiaatvorming, waarbij nog aan te tekenen valt dat belangrijke stukken afgedwaald of overgebracht zijn naar de Rijksarchieven in Zeeland en Utrecht. (

      Wel bestaat er een inventaris van de stukken die rond 1798 op het domeinkantoor van Hulsterambacht aanwezig waren (NDR inv.nr. 13488).

      )

      Verwante Archieven

      Elders berustende archieven betreffende Hulsterambacht:

      Kaarten, betrekking op Hulsterambacht hebben de volgende nummers van de collectie Hingman (VTH) in de Sectie Kaarten en Tekeningen van het Algemeen Rijksarchief: 2764, 2968, 2972-2974, 2976-2987, 2989-3006, 3008-3014, 3721, 4268-4269, 4529-4530a, 4536, 4541, 4718, S 168 en S 627.

      De Staten-Generaal bestuurden tot 1795 de Generaliteitslanden, waaronder Staats-Vlaanderen. Het deel van Hulsterambacht dat niet aan de prins van Oranje toebehoorde (dus ongeveer tweederde van het ambacht) viel ook onder dit bestuur. Zodoende zijn ook in het archief van de Staten-Generaal, dat zich in het Algemeen Rijksarchief bevindt, stukken te vinden die Hulsterambacht betreffen. Het gaat hier om de 'Rekeningen van Vlaanderen', die werden ingeleverd bij de Staten-Generaal: rekeningen van Hulsterambacht 1654-1793 en van Hulst 1648-1793. De inventaris van het archief van de Staten-Generaal heeft als toegangsnummer 1.01.05; de inventarisnummers zijn 10098-10223 (Hulsterambacht) en 9970-10097 (Hulst).

      • Rentmeesterarchieven van de rentambten van de prinsen van Oranje in de provincie Zeeland, 1592-1833. Inventaris van M.D. Lammerts, uitgegeven in Inventarissen van Rijks- en andere Archieven III (1930) 723-747, aldaar 741-744. Hierin bevinden zich veel stukken die in 1877 naar het ARA waren overgebracht en vervolgens in 1907 teruggingen naar Zeeland (zie aanhangsel 1). Hierin bevindt zich veel kaartmateriaal.
      • De archieven van het Vrije van Sluis, 1584-1796 en Hulsterambacht, 1242-1795. Inventaris van A. Meerkamp van Embden (Den Haag 1928). Met veel afgedwaalde stukken: inv.nrs. 481-490 bevatten stukken betreffende goederen van het huis van Oranje tussen 1646-1689. Inv.nrs. 1478-1494 bevatten registers en minuut-akten van verpachting tussen 1600-1795.
      • Archief van de magistraat van Hulsterambacht, 1503-1795
      • Oud-rechterlijk archief van Hulsterambacht, 1550-1795

      • Archief van de familie De Beaufort, c.1600-c.1950. Inventaris E.P. de Booy, 1985. Hierin bevinden zich veel ambtelijke stukken van Pieter Benjamin en zijn zoon Joachim Ferdinand de Beaufort, die beiden na hun rentmeesterschap van Hulsterambacht werden benoemd in de Domeinraad en bovendien drost van IJsselstein werden. Zie aanhangsel 2.

      • Archief van het Waterschap Hulster Ambacht. Inventaris van T.T.A.B.M. van der Aalst, P.J. Brand en J.P.B. Zuurdeeg (Hulst 1979)
      • Weeskamerarchieven van Hulsterambacht
      • Notariële archieven van Hulst

      • Archief van de abdij Ter Duinen
      Literatuur A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. Deel V Gorinchem, 1844 T.T.A.B.M. van der Aalst, P.J. Brand en J.P.B. Zuurdeeg, Gebundelde inventarissen van de oude archieven van het waterschap Hulster Ambacht, 1609-1972. Hulst, 1979. W.J. Annard, Bestuur en bestuurders in Oost Staats-Vlaanderen, 1645-1673. Hulst, 1993. E.P. de Booy, Inventaris van het archief van de familie De Beaufort, 1556-1976. Utrecht, 1985. Boschma, C., 'Het huis te Zande'. In: De woonstede door de eeuwen heen, 103,1994, pp. 32-40 J.J.C. van Dijk, R.L. Koops en H. Uil, Overzicht van de archieven en verzamelingen in de openbare archiefbewaarplaatsen in Nederland. Deel Ill. Alphen aan den Rijn, 1979. Encyclopedie van Zeeland. Deel III. Middelburg, 1982. R. Fruin, De provincie Zeeland en hare rechterlijke indeeling voor 1795. Middelburg, 1933. A. Fruytier, Uit het rijke verleden van Hontenisse, haar hof te Zande en omliggende plaatsen. Hontenisse, 1950; herdruk 1980. M.K.E. Gottschalk, De Vier Ambachten en het land van Saaftinge in de middeleeuwen. Assen, 1984. S. Groenveld, en H.L.Ph. Leeuwenberg, 'Die originele unie metten acten daemaer gevolcht', in S. Groenveld en H.L.Ph. Leeuwenberg, ed., De Unie van Utrecht. Wording en werking van een verbond en een verbondsacte. Den Haag, 1979, pp. 5-55 J.H. Hora Siccama, 'Uit de geschiedenis der domeinen van het huis van Oranje in Nederland'. In: Je Maintiendrai. Den Haag, 1905. N. Japikse, De Geschiedenis van het huis van Oranje-Nassau. Den Haag, 1938. A.M.J. de Kraker, 'Het grondbezit van de abdij Ter Duinen en de exploitatie daarvan in Noordoost-Vlaanderen tussen 1196 en 1645'. In: De Duinen, XX, Koksijde 1990, pp. 33-84 A.M.J. de Kraker, 'Waterschapsorganisatie en binnenwaterbeheersing tijdens de zestiende eeuw in Noordoost-Vlaanderen. Het voorbeeld Hulsterambacht'. In: jaarboek 1990-1991 Oudheidkundige Kring 'De Vier Ambachten', Hulst, 1991, pp. 21-50 F.J.L. Krämer, 'De bezittingen van het huis van Oranje-Nassau in de zeventiende eeuw'. In: De Navorscher, 43, Nijmegen, 1893. J. Kuyper, 'De domeinen van het huis van Oranje'. In: Haagsch Jaarboekje, 11, Den Haag, 1899. M.D. Lammerts, 'Inventaris van de rentmeesters van de rentambten van de prinsen van Oranje in de provincie Zeeland, 1592-1833'. In: IRA, III, 1930. A. Meijer et al., Gids voor historisch onderzoek in Zeeland. Middelburg, 1991. J.C.M. Pennings en E.A.T.M. Schreuder, 'Heer en meester van Ameland tot de Zwaluwe. Beheer en bestuur van de goederen en rechten van het Huis Oranje-Nassau door de Nassause Domeinraad (eind 15de eeuw-begin 19de eeuw).' In: Jaarboek Oranje-Nassaumuseum, 1994, 44-75 Het rijksarchief in de provinciën. Overzicht van de fondsen en verzamelingen. Deel I. Brussel, 1975. P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden, 1966. R. Spork en W.G.T. van den Berg, Inventaris van de archieven Nassause Domeinraad zuidelijke Nederlanden (1213) 1577-1795 (1812). Den Haag, 1990. B.J. Veeze, De Raad van de Prinsen van Oranje tijdens de minderjarigheid van Willem III, 1650-1668. Assen, 1932. J. Wagenaar, Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden. Deel II. Amsterdam, 1740. M. van Hattum en H. Roosenboom, Glossarium van oude Nedertandse rechtstermen. Amsterdam, 1977.
      Bijlage Inhoudsopgave van de rekening van de rentmeester van Hulsterambacht uit 1686.

      (

      Deze transcriptie is gebaseerd op de inhoudsopgave van deze rekening (NDR inv.nr. 13609). Posten die daar erg summier geformuleerd staan, zijn ten behoeve van het informatieve gehalte van deze bijlage uitgebreid met tekst uit de volledige hoofdstuktitels zoals die verderop in de rekening gegeven worden.

      )

      Index der Cappiltelen deser Rekeninge soo van ontfanck als uyt gave over deesen Jaare 1686

      1.Ontfanck van de landen gelegen in den Zande polder
      2.Maria polder
      3.Noorthof polder
      4.Perck polder
      5.Burgh polder
      6.Meulen polder
      7.Kievits polder
      8.Noortdijck
      9.Cruys polder
      10.Schapers polder
      11.Heijnsdijck
      12.Keune polder
      13.West vogel
      14.Oost vogel
      15.Oude Grouwe
      16.Meloo polder, geseyt den Nieuwe Grouwe
      17.Langen dam genaemt de Rape
      18.Clinge buyten Hulst
      19.Kieldrecht, geseyt den vreeden polder
      20.Wilhelmus polder
      21.Schorre pachten
      22.Cooren wint moolens
      23.de visscherien
      24.'t veer van Walsoorden naer 't Landt van der Goes
      25.d'huysinge binnen Hulst
      26.thiende pachten
      27.Chijnsen, erf pachten, Baten naerheden, admodiatien ende anders
      28.d(')amodiatie penningen vande Meloo polder
      29.'t Coolsaet inde Meloo polder te velde vercocht
      Cappittelen van uyt geef

      1.dijckagie van Hontenisse volgens de ordonnantie over dese Mey keuringe 1686
      2.Teeringe van Dijck graef en geswoorens als mede schout Borgemeester ende dijck schepenen van Hontenisse en Ossenisse over dese Mey keuringe 1686
      3.voornoemde dijckagie over de Bamis keuringe deses jaer 1686
      4.de Cramwercken in Wilhelmus polder
      5.Teeringe baafmis keuringe
      6.dijckage Heyns en Rummersdijck
      7.anderen uytgeeff
      8.Zeewercken van Walsoorde
      9.ploegen en besaayen van de landen inde polder de Nieuwe Crouvve
      10.verpondingen, settingen, Dijckgeschoten etc.
      11.Wegens een braeckjaer 't geene sommige pachters op de generale ses jaeren verpachtinge hebbe bedongen
      12.remissien bij u Edele Moogenden aen diversse pachters verleent
      13.Extraordinairen uytgeeff over d'opgenoomen penningen en verder Betalinge ten dienste van den polder van Canisvliet
      14.Ontfanck en uytgeeff wegens de restanten gevallen onder d(') administratie van den Rentmeester Doenssen zaliger
      15.restanten gevallen onder d(') administratie van den Rendants Vader zaliger
      Inhoudsopgave van de rekening van de rentmeester wegens de rijs- en zinkwerken van de zeedijk bij Walsoorden uit 1750

      (

      Op folio 3-4 van NDR inv.nr. 13750 staat als toelichting onder andere: 'Ontfang en Uitgaaf [ ] wegens de gelden van de verkreege Remissien, mitsgaders gedaane Negotiatie en daaruit gesupporteerde onkosten aan de extraordinaire Zink- en Rijswerken tot conservatie en herstellinge van de Dijkagie en Zeewerken van de Polder van Hontenisse'.

      )

      1. Ontfang van de Penningen geprovenieert van de Remissien der Lasten deren Jaare 1750 genoten
      2. Anderen Ontfang wegens genegotieerde Penningen
      3. Anderen Extraordinairen Ontfang van Subsidie uit de ordinaire Administratie betaald
      4. Anderen Ontfang raakende den Eijgendom van den Toorn van den Polder Naamen
      5. Uitgaaf en betaalinge gedaan tegens den vorenstaanden Ontfang
      6. Anderen Uitgaaf wegens betaalde Interesten van genegotieerde Kapitaalen en Onkosten daarop gevallen
      7. Anderen Uitgaaf van afgeloste Kapitaalen ten Laste van dit Domain loopende
      Aanhangsel 1: Overdracht van archiefstukken aan Rijksarchief Zeeland

      In 1876 inspecteerde archivaris J.H. Hingman in opdracht van de minister van Financiën de oude archiefstukken in de kantoren der registratie en domeinen in Middelburg, Goes, Kortgene en Hulst. Stukken van ambtenaren die ten tijde van de Republiek ressorteerden onder de Rekenkamer van Zeeland werden op zijn voorstel overgebracht naar het (toen nog) Provinciale archief te Middelburg, en stukken die met Staats-Vlaanderen te maken hadden gingen naar het Algemeen Rijksarchief. Moeilijker was het om de juiste bestemming te bepalen van de rentmeestersarchieven van de Nassause domeinen: deze verdeelde Hingman tussen Middelburg en Den Haag. (

      VROA (1901), pp. 238-239.

      )

      Vanaf 1900 begon de Zeeuwse rijksarchivaris Fruin een discussie met de algemene rijksarchivaris Van Riemsdijk, waarbij ook de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën betrokken werden. (

      Het archiefwezen viel destijds onder de afdeling Kunsten en Wetenschappen van het eerstgenoemde departement. Het ministerie van Financiën was na de nationalisatie van de Nassause domeinen in 1795 rechtsopvolger van de Domeinraad.

      ) Inzet was de vraag: moeten lokaal gevormde rentmeestersarchieven teruggeplaatst worden in het archief van het bestuur waaraan ze verantwoordingsplichtig geweest zijn?

      Fruin meende van niet en vond dat deze bestanden daarom ten onrechte naar het ARA waren overgebracht. Hij begon zijn aanval met een beroep op de zojuist verschenen Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven, waarvan hij mede-auteur was: 'Met het archief van een bestuur behooren in één archiefdepôt vereenigd te worden de archieven van die besturen, wier rechten of functiën zijn overgegaan op eerst vermeld bestuur.' Naar zijn mening was het bestuur overgegaan op de ambtenaren der registratie en domeinen, een in Zeeland opererende instelling. Voor de Nassause rentmeestersarchieven zou dan ook hetzelfde moeten gelden als voor rechterlijke archieven, die vanuit opgemeld beginsel teruggebracht waren naar de provinciale depots. (

      VROA (1901), 241.

      ) Van Riemsdijk bracht daar tegenin, dat de functies van de rentmeesters waren overgegaan op rijksbelastingorganen, zodat de archieven wel degelijk onder dat van het hoofdbestuur hoorden te berusten. Bovendien, zo betoogde hij, stelden deze archieven op zichzelf niet veel voor, aangezien correspondentie, rekesten, memories, condities van verpachting en bestekken van aanbestede werken - kortom bijna alles - door de rentmeester ingeleverd werden bij de Domeinraad, die er liassen van maakte. De Domeinraad had zijn eigen archief altijd nauwkeurig laten aansluiten bij die van de vroegere heerlijkheidsadministraties, waarmee het een geheel geworden was dat bovendien nauw samenhing met het Nassause familie-archief. Het losmaken van delen eruit zou leiden tot een onaanvaardbare versnippering van dit historisch waardevolle archief. (

      VROA (1902), 242-243, 246-247.

      )

      Daarop repliceerde Fruin: het gaat hier om een ter plaatse door de rentmeesters gevormde administratie, aangelegd voor hun eigen gebruik en nooit deel geweest van het Domeinraadsarchief. Sterker nog, Van Riemsdijk mocht blij zijn dat zijn eigen stelsel niet was aangenomen door de vergadering van rijksarchivarissen in 1895, dat luidde: 'De archieven van de colleges en ambtenaren, die dezelfde gemeenschap vertegenwoordigen, behooren bij elkander en vormen te zamen de archieven dier gemeenschap.' Volgens dat principe zou het Domeinraadsarchief versplinterd raken, aangezien de archieven van de verschillende graafschappen en heerlijkheden dan teruggebracht zouden moeten worden naar archiefdepots in de plaatsen van ontstaan. De vergadering vond dat ook en nam het amendement van Fruin aan: 'Met het archief van een college of persoon behooren in één archiefdepôt vereenigd te worden de archieven van de colleges of personen, wier rechten of functiën zijn overgegaan op eerst vermeld college of persoon.' (

      VROA (1902), pp. 248-250. Vergelijk dit laatste citaat met het kennelijk daarop gebaseerde beginsel uit de Handleiding.

      ) Zo wist de Zeeuwse rijksarchivaris na een taaie strijd de chef van Van Riemsdijk, de minister van Binnenlandse Zaken, te overtuigen van de logica om de rendantsarchieven terug te brengen naar Zeeland. Op 14 oktober 1901 kwam er een ministeriële beschikking (nr. 2412 afdeling KW) die de overdracht gelastte. Fruin zou zijn tegenstander in deze kwestie overigens in 1912 opvolgen als algemeen rijksarchivaris.

      Van Riemsdijk haastte zich intussen niet: pas zes jaar later, in 1907, ontving het Zeeuwe Rijksarchief de gewraakte stukken. Ze maken daar sindsdien deel uit van de archieven van de rentmeesters der rentambten van de prinsen van Oranje in de provincie Zeeland, 1592-1833. (

      De inventaris, gemaakt door M.D. Lammerts, is gepubliceerd in IRA (1930), pp. 723 e.v. De stukken betreffende Hulsterambacht zijn te vinden vanaf pagina 741.

      )

      Op grond van een hooggestemde beginselenstrijd is dus gekozen voor overdracht naar Zeeland van rentmeestersarchieven. Weliswaar wemelt het huidige Domeinraadsarchief nog van dergelijke stukken, dus consequent is het niet, maar het principe is verdedigbaar. In de inventaris van Lammerts vinden we in de eerste plaats, als ruime interpretatie van het begrip rendantsarchief, allerlei stukken die met verpachting te maken hebben: vergaarboeken van tienden, erfcijnzen en erfpachten, kohieren van de tienden en de admodiatiepachten, registers van erfcijnsgronden, taxatielijsten van tienden, ontvangboeken van cijnzen en lijsten van pachters. (

      Inv.nrs. Lammerts 267-272, 280 en 283-285.

      )

      Als gevolg van kennelijke verwarring over de plaats waar ze thuishoren zijn enkele soorten stukken betreffende Hulsterambacht in beide archiefbewaarplaatsen terechtgekomen. Zo is in 1907 een everingboek uit 1668 overgebracht naar Zeeland, terwijl het ARA in 1954 blijkbaar vond dat dergelijke boeken toch een plaats in het Domeinraadsarchief verdienen, getuige de aankoop van een everingboek uit 1788, 'afkomstig van en teruggeplaatst in het archief van de Domeinraad'. (

      Het overgebrachte everingboek had in de Hingman-inventaris nr. 4310 E, en heeft nu bij Lammerts nr. 287. Het van een particulier aangekochte 'kaart- en everingboek' met taxatie van o.a. tienden heeft NDR inv.nr. 13568.

      )

      Er zijn echter ook stukken betreffende het domein Hulsterambacht naar Middelburg gebracht die niet onder de noemer rentmeestersarchief vallen, zoals onderstaande voorbeelden aangeven (het Zeeuwse inventarisnummer wordt tussen haakjes gevolgd door het nummer uit de Hingman-inventaris). (

      De Beschrijvingen zijn grotendeels gebaseerd op Hingman maar iets beknopter gemaakt.

      )

      256(4306)Bundel met titels en bewijzen betreffende voormalige goederen van de abdij van Ter Duinen, begin 12e eeuw-eind 18e eeuw. 1 deel
      263(4307 A) Verbaal van Dirk Graswinckel en Adriaan van Strijen betreffende hun inspectiereis in opdracht van de Staten-Generaal en de prins, 1646. Afschrift. 1 omslag N.B. Inv.nr. 256 bevat ook een dergelijk afschrift.
      292(4309 B)Stukken betreffende een proces tegen een inwoner van de Zandepolder, waarin de Raad van Vlaanderen in 1777 uitspraak gedaan heef t, 1776-1788. Met retroacta vanaf 1754. 1 pak

      Aparte aandacht verdient het verbaal, omdat het de bevindingen weergeeft van de eerste beambten die het domein betraden na 50 jaar afwezigheid van prinselijke vertegenwoordigers. Merkwaardigerwijze bevindt zich een deel van de bijlagen bij dit stuk in het Domeinraadsarchief (NDR inv.nr. 13493), terwijl het verbaal zelf dus in Zeeland berust. Nota bene in tweevoud!

      Bij nadere beschouwing blijkt de Zeeuwse inventaris niet alleen stukken te beschrijven die door het ARA overgedragen zijn (traceerbaar aan de hand van de Hingman-inventaris), maar ook andere stukken waarvan op zijn minst betwijfeld kan worden of ze daar wel horen te zijn, omdat ze te maken hebben met verwerving en betwisting van goederen. (

      De beschrijvingen van deze voorbeelden zijn eveneens ingekort.

      )

      257Stukken betreffende de stichting van de abdij Ter Duinen, 1190-1303. Afschriften. 1 omslag
      258Stukken betreffende de goederen in Hulsterambacht van het kapittel van Kortrijk, 1199-1486. Afschriften. 1 omslag
      259Stukken betreffende geschillen tussen het kapittel van Kortrijk en de abdij Ter Duinen, 1199-1486. Afschriften. 3 stukken
      260Akte van koop door de abdij Ter Duinen van een stuk land, 1241.1 charter
      261Vonnis betreffende een geschil tussen gravin Margareta van Vlaanderen en de abt van Ter Duinen, 1278.1 charter
      262Stukken betreffende verwerving door de prinsen van Oranje van de goederen in Hulsterambacht van de abdij Ter Duinen, 1582-1648. Afschriften. 1 pak
      264Stukken betreffende onderhandelingen tussen de abt van Ter Duinen en de prinsen van Oranje over de goederen in Hulsterambacht, 1648-1658. Met retroacta vanaf 1582.1 omslag
      265Stukken betreffende een proces voor de Raad van Vlaanderen tussen de Domeinraad en het kapittel van Kortrijk, 1681-1693. Met retroacta vanaf 1609.1 pak
      288Stukken betreffende onderhandelingen namens prins Willem III met de abt van Boudeloo over herdijking, 1684. Afschriften. 2 stukken

      Resumerend kan gesteld worden dat het archief van de Nassause Domeinraad, althans in de onderzochte stukken betreffende Hulsterambacht, als gevolg van de overdracht in 1907 onnodige hiaten heeft gekregen.

      Aanhangsel 2: Afgedwaalde stukken in het familiearchief De Beaufort

      De familie De Beaufort is in Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen sterk vertegenwoordigd geweest in allerlei bestuurlijke colleges. De eerste telg uit deze Franse familie die zich in de Nederlanden vestigde was Pierre de Beaufort, zoon van een kleermaker en koopman die in 1646 in het huidige Zeeuws-Vlaanderen belandde. Hij en zijn nakomelingen trouwden met vrouwen uit aanzienlijke Zeeuwse geslachten en speelden anderhalve eeuw een prominente rol in de bestuurlijke constellatie van Zeeland. Door het huwelijk van Willem Hendrik (1775-1829) is de familie verwant geraakt aan een gegoede familie in de buurt van Utrecht, en sindsdien hebben de meeste De Beauforts zich rond Utrecht gevestigd. Ook deze tak van de familie heeft veel bestuurders voortgebracht; een van de latere nazaten bracht het rond 1900 zelfs tot minister van Buitenlandse Zaken. (

      E.P. de Booy, lnventaris van het archief van de familie De Beaufort, 1556-1976 (Utrecht, 1985) pp. 5-8.

      )

      In het archief van de familie, berustend in het Rijksarchief in Utrecht, bevinden zich veel stukken van ambtelijke herkomst. Vanuit een Domeinraadsoptiek zijn vooral die van Pieter Benjamin (1688-1777) en Joachim Ferdinand (1719-1807) van belang. Zowel vader als zoon hebben drie ambten bekleed in dienst van de prins van Oranje: beiden begonnen als rentmeester van Hulsterambacht en werden vervolgens lid van de Nassause Domeinraad en drost van stad en baronie van IJsselstein. Stukken die ze in een van die functies ambtshalve hebben ontvangen of opgemaakt - en die ook volgens hun eigen ambtelijke instructies overgebracht hadden moeten worden naar het Domeinraadsarchief - zijn vermengd geraakt met hun persoonlijke papieren. Deze stukken verdienen bestudering, zoals uit onderstaande voorbeelden moge blijken; de nummers verwijzen naar de inventaris van het familie-archief.

      (

      De beschrijvingen zijn iets ingekort

      )

      Rentmeestersarchivalia:

      195Staten van inkomsten en uitgaven van de domeinen onder Hulsterambacht, 1694-1745. Met verklarende memories en kladaantekeningen. 1 pak
      373Stukken betreffende maatregelen door Maurits van Saksen tot vrijwaring van de bezittingen van de prins van Oranje van overlast door de Franse troepen, 1745 en 1747.1 omslag
      375Memorie betreffende de rekeningen van het domein over 1750-1757.1 stuk
      376Register van besluiten,aanstellingen en brieven door de rentmeester ontvangen en verzonden, 1739 en 1766. l deel
      380Register van pachters van de domeinen van Hulsterambacht, aangelegd in 1762, bijgehouden tot 1766.1 deel
      Archiefstukken die samenhangen met het lidmaatschap van de Domeinraad:

      206-207Correspondentie met prins Willem IV en diens moeder, 1742-1764. 2 pakken
      233Stukken betreffende de positie van prins Willem III als stadhouder en lid van de Raad van State, 1670-1674. l omslag
      214Stukken betreffende het voornemen van de Staten van Zeeland om Vlissingen en Veere te onttrekken aan het gezag van prins Willem IV, 1733-1736. 1 omslag
      222Stukken betreffende de voogdij over prins Willem V, 1759. 1 omslag
      403Staat van de vaste goederen van prins Willem V over 1777-1786, opgesteld in 1795. 1 omslag
      404Aantekeningen van J.F. de Beaufort over het voorgevallene in de Domeinraad ter gelegenheid van de aanzegging van de inbeslagname van de goederen van prins Willem V en de verzegeling van papieren en charters, 1795. Met bijlagen. 1 pak
      Aanhangsel 3: Instellingen die een rol spelen in dit deelarchief Abdij van Boudeloo

      Cisterciënzerklooster, gesticht in 1197 te Sinaai-Waas als dochterklooster van Cambron. Had het hof Lamswaarde in de gelijknamige Hulsterambachtse polder en bezat het grootste deel van het dorp Pauluspolder. Nadat de abdij verwoest was in 1578 en de goederen in beslag genomen waren door de stad Gent, vestigden de monniken zich in hun Gentse refugium. Dit werd in 1602 tot klooster verheven. (

      Registers met aantekeningen en aanmerkingen omtrent de verschillende domeinen (NDR inv.nr. 766, folio 772); Het rijksarchief in de provinciën, p. 174; Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 18. Wat betreft de stichting heeft Het Riiksarchief een andere opvatting dan de aangehaalde van Fruytier, namelijk dat de abdij werd opgericht door een benedictijn, waarna de overgang naar de orde van Cîteaux in 1215 zou hebben plaatsgevonden.

      ) In 1674 werd een deel van de abdijgoederen in beslag genomen door de Domeinraad. (

      NDR inv.nr. 606, folio 78verso. De rekeningen lopen slechts tot 1678 (NDR inv.nrs. 13725-13727) en in de latere domeinrekeningen zijn deze inkomsten niet opgenomen. Het is daarom niet duidelijk wat er na 1678 met deze goederen gebeurd is.

      )

      Abdij van Cambron

      Cisterciënzerklooster, gesticht in 1148 bij Ath in Henegouwen, met Stoppeldijk als uithof in de Hulsterambachtse Hofpolder In 1674 legde de Domeinraad beslag op een deel van de abdijgoederen. De Fransen schaften het klooster af in 1796. (

      Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 18. Voor de inbeslagname door de Domeinraad zie vorige noot.

      )

      Abdij van Drongen

      In 1136 gesticht als augustijnerklooster, ging later over naar de orde der norbertijnen Door de Fransen afgeschaft in 1795 (

      Ibidem, 18 en Het rijksarchief, 167.

      )

      Abdij Ter Doest

      Cisterciënzerklooster, gesticht in 1175 te Lissewege als dochterabdij van Ter Duinen. Had zijn meeste bezittingen en de uithof Groda in de Hulsterambachtse Graauwpolder. Bij de kerkelijke herindeling van 1559 moesten de grote kloosters een deel van hun bezit afstaan aan de nieuwe bisdommen, en zo werd een gedeelte van Ter Doests inkomsten toegewezen aan de bisschop van Brugge (

      De Kraker, 'Waterschapsorganisatie en binnenwaterbeheersing tijdens de zestiende eeuw in Noordoost-Vlaanderen. Het voorbeeld Hulsterambacht' in Jaarboek 1990-1991 Oudheidkundige Kring 'De Vier Ambachten' (Hulst, 1991) pp. 21-50, aldaar p. 26. Volgens Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 69 werd Ter Doest niet bij het bisdom Brugge gevoegd, maar bij dat van Gent.

      ) Rond 1579 werd de abdij verwoest door de Geuzen. In 1624, toen nog slechts een van de monniken in leven was, kreeg de abt van Ter Duinen toestemming van de generaal-abt van zijn orde om de resterende goederen van Ter Doest los te maken van het bisdom en toe te voegen aan het bezit van Ter Duinen. (

      Fruytier, Uit het rijke verleden, pp. 17-18, 81-82, 98.

      )

      Abdij Ter Duinen

      Rond 1106 gesticht door de kluizenaar Sigerius in de Westvlaamse duinen bij Veurne en Koksijde, en in 1138 opgenomen in de orde van Cîteaux (Cistertium in het Latijn). Door de bedrevenheid van deze 'landbouworde' in de winning en ontginning van land, schonken of verkochten de Vlaamse graven graag onbruikbare stukken overstroomd of bedreigd kustland aan cisterciënzers. Ter Duinen werd weldra actief in de Vier Ambachten en op de Zeeuwse eilanden, en samen met Ter Doest heeft het een belangnjk aandeel gehad in het bedijken van de Belgische kust. Tijdens haar grootste bloeiperiode, in de 13e eeuw, had de abdij 120 monniken (die zich bijna uitsliutend met geestelijke zaken bezig hielden), 248 conversen en vele broeders-familiares en dienstknechten. (

      Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 17 en 21.

      )

      In Hulsterambacht richtte de Duinenabdij vijf uithoven op: het hof Ten Zande, het Noordhof, Moerhof, Nieuw Noordhof en het hof in Frankendijk. De abdij had verder bezittingen in de heerlijkheid Saeftinghe en in de ambachten van Assenede en Axel, en werd in de 14e en 15e eeuw gerekend tot de rijkste kloosters van Vlaanderen. (

      De Kraker, Het grondbezit, pp. 37 en 57.

      ) Door zware stormvloeden in de 16e eeuw nam de Westerschelde sterk toe, ten koste van veel polders van Ter Duinen. (

      Na de overstromingen van 1530 en 1532 was de schade in Hulsterambacht zo ernstig, dat de abdij besloot om haar plaatselijke bezittingen te verkopen. Hiervan heeft men uiteindelijk afgezien (Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 62)

      )
      Verder waren er de opzettelijke inundaties in het kader van de oorlog, waardoor bijvoorbeeld het Land van Saeftinghe in 1584 voorgoed onder water verdween. Bovendien werden de Duinense goederen vanaf 1572 meermaals geplunderd door de watergeuzen en de Gentse calvinisten. De abdij werd in 1579 verwoest, waama slechts de Hulsterambachtse bezittingen rond het hof Ten Zande resteerden. (

      De Kraker, Het grondbezit, p. 48 en Fruytier, Uit het rijke verleden, p 75.

      )
      In 1580 werden de Duinense en andere geestelijke eigendommen door de Vier Leden van Vlaanderen in bezit genomen om uit de inkomsten hun verdere activiteiten mede te financiëren. (

      De Kraker, Het grondbezit, p. 48.

      )
      Een ruime selectie van geestelijke goederen werd in 1583 geschonken aan Willem van Oranje, maar een jaar later sloeg de hertog van Parma de Vlaamse opstand neer en werden de geestelijke instellingen in hun bezit hersteld. De gevluchte Duinense monniken keerden terug en vestigden zich voorlopig op hun hof Ten Zande.

      Afgezien van de periode 1591-1596, toen de generaliteit Hulsterambacht in handen had, kon Ter Duinen tussen 1584 en 1645 betrekkelijk ongestoord haar goederen herstellen. Een nieuwe Duinenabdij werd gebouwd bij Brugge in 1627, nadat drie jaar eerder de goederen van de abdij Ter Doest aan haar bezit waren toegevoegd. (

      Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 81.

      )

      Toen de kloostergoederen in 1646 opnieuw naar de Oranjefamilie gingen, was er van het Hulsterambachtse grondbezit van de abdij minder dan de helf over ten opzichte van de bloeiperiode rond 1400. (

      De Kraker, Het grondbezit, p. 73.

      ) Hoewel de Duinheren jarenlang alles in het werk stelden om genoegdoening te krijgen voor wat hun ontnomen was, wees de Raad van Vlaanderen in Middelburg in 1681 alle bezwaren definitief af. (

      Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 86 en NDR inv.nr. 13498.

      )

      Tot 1795 bleven de voormalige abdijgoederen in bezit van de Oranjes. Nadat de Fransen Vlaanderen binnenvielen, confisqueerden ze in 1796 alle bezittingen van geestelijke instellingen. Het Nassause domein Hulsterambacht werd aan de Bataafse Republiek verkocht als staatsdomein. Ook het bezit dat Ter Duinen sinds 1646 weer voor zichzelf had opgebouwd werd door de Fransen geconfisqueerd en te gelde gemaakt. (

      Fruytier, Uit het rijke verleden, p. 135.

      )

      Hof Ten Zande

      De centrale uithof van Ter Duinen. Vele abten van de Duinenabdij begonnen ooit als rentier van Ten Zande; de financieel-administratieve ervaring van deze functie kon gunstig doorwerken in de bestuurs- en beheerstaken van een abt. Oudere literatuur noemt Ten Zande een klooster, wat ook in de huidge plaatsnaam Kloosterzande gesuggereerd wordt, maar dat is onjuist. In de 13e eeuw werd Ten Zande het middelpunt van de exploitatie der abdijgoederen van Ter Duinen in Hulsterambacht en Zeeland. Rond 1265 werd het met muren en grachten omgeven.

      Toen in 1579 de Duinenabdij verwoest werd, bleef Ten Zande deels gespaard: dankzij de grachten werd het 'slechts' leeggeroofd. Vanaf 1584 vestigden de Duinense monniken zich op de uithof, totdat er in 1627 een nieuwe abdij gebouwd werd en Ten Zande weer een normale uithof werd. In 1616 brandde het hof geheel uit, waarna het in een verkleinde vorm hersteld werd. (

      De Kraker, Het grondbezit 73; Fruytier, Uit het rijke verleden, pp. 21, 75 en 80.

      )

      In 1646 moesten de Duinense monniken die in het huis Ten Zande woonden op last van de Domeinraad vertrekken, zodat het huis ambtswoning kon worden voor de rentmeester. Ten Zande werd in 1809 door Napoleon geschonken aan zijn minister van Buitenlandse respectievelijk Binnenlandse Zaken, de hertog van Bassano. In 1813 vervielen deze en dergelijke schenkingen aan de Nederlandse staat. (

      Boschma, 'Het huis te Zande', p. 36. De confiscatie van het huis in 1646 wordt beschreven in NDR inv.nr. 13494.

      )

      Kapittel van Kortrijk

      Dit kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk werd gesticht in de 12e eeuw. Het bezat de meeste tienden in Hulsterambacht, en had volgens een schatting uit 1763 een jaarlijkse opbrengst van achttienduizend gulden. (

      Register met aantekeningen, NDR inv.nr. 766, 772.

      ) Vanaf 1674 werd een deel van de kapittelgoederen door de Domeinraad in beslag genomen; het is niet duidelijk wat daarmee gebeurd is na 1678.

      Raad van Vlaanderen

      In 1386 stichtte Filips de Stoute in Rijsel de 'Camere van den Rade' (ook wel 'Raet geordonneert in Vlaenderen'), die bestond uit een gerechtshof en een rekenkamer. De juridische afdeling, hoogste rechtbank van het graafschap, werd in 1407 verplaatst naar Gent. Na 1568 voerde deze Raad van Vlaanderen tevens de taken uit van de vroegere stadhouder in Vlaanderen; door de Fransen werd hij afgeschaft in 1795. Hulsterambacht stond tot 1645 onder het gezag van deze rechtbank, die niet verward moet worden met de Raad van Vlaanderen in Middelburg, het hof van appel voor Staats-Vlaanderen dat in 1599 werd ingesteld. Pas vanaf 1645, toen Hulst met omgeving Generaliteitsland werd, ressorteerde deze streek voor beroeps- en leenzaken en geschillen tussen ambtenaren en overheden onder de Raad (ook wel: 'Hof') van Vlaanderen in Middelburg. Beroep op uitspraken van dit hof was mogelijk bij de Staten-Generaal, die dan meestal de visie overnamen van de Hoge raad van Holland en Zeeland in Den Haag. (

      Annard, Bestuur en bestuurders, pp. 14-15.

      )

      St. Baafsabdij

      Benedictijnerklooster, gesticht in de 7e eeuw in Gent. Had zeer uitgebreid grondbezit ten zuiden van Antwerpen, rond Brugge en in de Vier Ambachten. (

      Het rijksarchief, p. 164.

      )

      St. Pietersabdij

      Benedictijnerklooster, gesticht in de 9e eeuw in Gent.

    • Verwerving

      De oudst bekende ambachtsheren van St. Maartensdijk kwamen uit het geslacht Overbordene. Zij bezaten ambacht in de Oudelandpolder van St. Maartensdijk.

      De Zeeuwse lenen waren 'kwade lenen': zij waren tot in het oneindige deelbaar en bij gebreke van zoons vervielen zij aan de grafelijkheid. Vervolgens werden zij dan verkocht aan de meestbiedende. Zo kocht Frank van Borssele in 1368 circa 3000 gemeten grond in het land van St. Maartensdijk, die na de dood van zijn broer Florens beschikbaar kwamen. Frank kocht ook de verbeurd verklaarde goederen van Pieter Gherontzn. van Overbordene en verenigde zo alle ambachten te St. Maartensdijk in één hand. In 1374 kreeg hij dit leen van de graaf als onsterfelijk leen met de hoge heerlijkheid. (

      J. Wagenaar, Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, deel X Zeeland, Amsterdam 1753. p. 544

      ) De laatste van Borssele, Alienora schonk de heerlijkheid aan haar achterkleinzoon Floris van Egmond. Zijn zoon Maximiliaan erfde het domein in 1539 bij het overiijden van Floris. Toen Maximiliaan in 1549 stierf, erfde zijn dochter Anna van Buren, ook wel van Egmond genoemd, de heerlijkheid. In 1551 kwam de heerlijkheid in het bezit van de Oranjes door het huwelijk van Willem met Anna van Buren. Na haar dood werd haar oudste zoon Philips Willem heer van St. Maartensdijk. (

      Tegenwoordige staat, X, p. 541.

      )

      Met de verwerving van St. Maartensdijk verstevigde Willem van Oranje zijn machtspositie in Zeeland. In 1562 maakte hij aanspraak op het recht van Eerste Edele, waardoor hij een belangrijke stem kreeg in de Staten van Zeeland. (

      J.P.B. Zuurdeeg, Sint Maartensdijk stad aan de Pluimpot (Tholen, 1985), p. 12.

      )

      Willem van Oranje had na de dood van zijn eerste gemalin de Burense goederen beheerd voor hun zoon Philips Willem wegens diens verblijf in Spanje. Later had hij zijn dochter Maria bereid gevonden het beheer op zich te nemen. (

      Scherft, Het sterfhuis, p 64.

      )

      Na de dood van Willem van Oranje in 1584 ontstond onenigheid over de erfenis tussen zijn kinderen.

      Het bestuur over St. Maartensdijk ging stilzwijgend over op Maria, omdat zij immers al het feitelijk beheer voerde. De curatoren van de onverdeelde erfenis hadden daarmee geen bemoeienis, evenmin als Maurits. Maurits maakte echter wel aanspraak op de erfgoederen in Zeeland, hetgeen voor Maria reden was om St. Maartensdijk te bezoeken in 1585, alwaar zij zich met enig huldevertoon installeerde als vrouwe van St. Maartensdijk. (

      Scherft, Het sterfhuis, p. 64.

      )

      In 1601 kwam het tot een voorlopige boedelscheiding tussen Maria en Philips Willem. De laatste deed voorlopig afstand van St. Maartensdijk en Scherpenisse. (

      Scherft, Het sterfhuis, pp. 244-248.

      ) In 1606 gaf Maria o.a. deze domeinen aan Philips Willem in ruil voor een jaarlijkse uitkering van 10.000 gulden. (

      Scherft, Het sterfhuis, p 248.

      )
      Na de dood van Philips Willem in 1618 kwam St. Maartensdijk in handen van Maurits.

      Een apart onderwerp betreft de geestelijke goederen. (

      B.M. De Jonge van Ellemeet, Geschiedkundig onderzoek naar den rechtstoestand der Zeeuwsche geestelijke goederen van 1572 tot in het begin der 17e eeuw (Zierikzee, 1906).

      ) In 1577 ging het eiland Tholen, als gevolg van de Pacificatie van Gent over tot de prins van Oranje. Het beheer der geestelijke goederen werd in Zeeland gesteld onder een extraordinaris rentmeester. Deze rentmeester was rekenplichtig aan het college van Gecommitteerde Raden van de Staten van Zeeland. Hieraan onttrokken werden de goederen van de kerken en gilden in St. Maartensdijk en Scherpenisse. Zij werden in bezit genomen door de prins van Oranje. Aanvankelijk legden de Gecommitteerde Raden zich niet neer bij deze gang van zaken, omdat zij bang waren dat dit voorbeeld navolging zou vinden. Dit geschil was echter van korte duur en werd beslecht in het voordeel van de prins van Oranje. (

      Drossaers II, I pp. 100-101.

      )

      Daarnaast pachtte de prins van Oranje tienden van het kapittel van Oudmunster tegen betaling van een jaarlijkse uitkering. (

      Voor meer informatie betreffende de tienden van het kapittel in Zeeland, zie: C. Dekker, Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de middeleeuwen (Assen, 1971), p. 383. Zie ook: D.G. Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goeideren onder liet canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht (Utrecht, 1905)

      )

      Grondgebied, benaming en bestuur

      (

      Tegenwoordige staat, pp. 537-541, 551-552.

      )

      Het domein bestond uit St. Maartensdijk en Scherpenisse op het eiland Tholen.

      Het dorp St. Maartensdijk ontstond in de Oudelandpolder, omstreeks het jaar 1200. Het stadje dankte zijn opkomst aan het kasteel van St. Maartensdijk, waar op een afstand van vijftig roeden zuidwaarts een dorpje ontstond, dat door de ligging aan de Pluimpot, een zijtak van de Oosterschelde, uitgroeide tot een kleine stad. Het werd genoemd naar het water de Haast-Ee: Haastinghe of Haastrecht is de benaming van St. Maartensdijk, die men in oude stukken kan aantreffen. Men treft als herinnering hieraan nog steeds een haas aan in het vvapen van St. Maartensdijk.

      Het bestuur van St. Maartensdijk bestond uit een drossaard die hier hoge jurisdictie uitoefende voor de heer, een burgemeester van politie, een schepenburgemeester, acht schepenen, een schout en een secretaris. (

      NDR inv.nr. 686. In dit 'amptboek' dat de periode 1636 ca. - 1795 beslaat, staat 'drossaard en baljuw'. Volgens Zuurdeeg, St. Maartensdijk, p. 12, heette de baljuw sinds ca. 1590 drossaard. Aanwijzingen hiervoor heb ik niet kunnen vinden in het archief.

      )

      De drossaard woonde op het kasteel genaamd het 'Hof te St. Maartensdyke'. Hij was voorzitter van het bestuur van de polders, het zogenaamde 'Collegie van Dykgraaf en gezwoorene', dat ondersteund werd door een penningmeester. De drossaard was tevens rentmeester van het domein St. Maartensdijk en Scherpenisse.

      Schuin tegenover St. Maartensdijk, aan de overzijde van de Pluimpot, ligt het dorp Scherpenisse. Scherpenisse had net als St. Maartensdijk een haven gelegen aan de Pluimpot. Er was tot circa 1556 een veer tussen St. Maartensdijk en Scherpenisse. (

      Door de gedeeltelijke inpoldering van de Pluimpot werd het veer overbodig. De inkomsten van dit veer werden echter steeds opnieuw opgenomen in de rekeningen van de rentmeester in de 17e en 18e eeuw, om het recht daarop niet te verliezen. Zie: rekeningen van de rentmeester wegens het beheer van de domeinen St. Maartensdijk en Scherpenisse. Zie ook: Tegenwoordige staat, X, p. 537-538.

      ) Qua omvang, aantal straten en inwoners was Scherpenisse groter dan St. Maartensdijk.

      In dezelfde polder waarin Scherpenisse ligt, ligt het dorp Westkerke. Westkerke behoorde niet tot het domein van de heer van St. Maartensdijk, maar viel onder een andere heer. Omdat Scherpenisse en Westkerke gemeenschappelijke dijken hadden, was er een overeenkomst gesloten tussen de Domeinraad en de heer van Westkerke over de aanstelling van verschillende functionarissen. De aanstellingen geschiedden beurtelings door de heer van St. Maartensdijk en Scherpenisse, en de heer van Westkerke. (

      NDR inv.nr. 13839.

      ) De ingezetenen van Westkerke behoorden kerkelijk tot Scherpenisse. Scherpenisse had een eigen bestuur, apart van St. Maartensdijk. Het bestuur van Scherpenisse bestond uit een burgemeester, acht schepenen en een secretaris.

      De drossaard van St. Maartensdijk voerde ook in Scherpenisse hoge jurisdictie in naam van de heer. Ook in Scherpenisse was de drossaard tevens rentmeester. In de praktijk was de drossaard en rentmeester van St. Maartensdijk dezelfde persoon als die van Scherpenisse, maar het waren gescheiden functies. (

      NDR inv.nr. 686.

      )

      Polders van St. Maartensdijk

      (

      A. Hollestelle, Geschied- en Waterstaatkundige beschrijving van de polders en waterschappen opTholen, (Tholen, 1919), pp. 202-264.

      )

      • Oudelandpolder
      • Middellandpolder
      • Noord polder
      • Nieuwlandpolder
      • Muijepolder
      • Kleine Muijepolder
      • Slabbekoornepolder
      • Molenpolder
      • Nieuw Ravensoortpolder
      • Pluimpotpolder (gedeeltelijk)
      • Groot en Klein Landekespolder
      • Oude Zuidmoerpolder (gedeeltelijk)
      • Nieuwe Zuidmoerpolder (gedeeltelijk)
      • Nieuw Kempershofstede (gedeeltelijk)
      Polders van Scherpenisse en Westkerke:

      • Zoutelandpolder
      • Geertruidapolder
      • Wulpendal
      • Steelandspolder
      • Gorishoek
      Rechten en bevoegdheden

      De heer van St. Maartensdijk had de volgende rechten: (

      NDR inv.nr. 768.

      ) strandrecht, bastaard- en onbeheerde goederen, bijenvluchtaccijns, waagrecht, recht op de banmolen, tienden, visserijen, verpachting van de dijken.

      De heer had het recht tot benoeming van de volgende functionarissen:

      St. Maartensdijk:

      (

      NDR inv.nrs. 685-687

      )

      • Armmeesters
      • Baljuw
      • Bode van stad en land
      • Commissarissen van kleine (rechts)zaken
      • Dijkbode
      • Dijkgraaf
      • Drossaard
      • Gezworene
      • Gezworen klerk van de dijkage
      • Gezworen klerk van de dijkage van de Muyepolder
      • Gezworene van de dijkgraaf
      • Gezworene van de Muyepolder
      • Hoofdgecommitteerde in het college van de dijkgraaf
      • Koddebeijer
      • Koster
      • Kosteres
      • Landmeter van de dijkage
      • Notaris
      • Ontvanger van de armen
      • Opzichter van de bossen en tuinen van het kasteel
      • Penningmeester van de dijkage
      • Penningmeester van de Muyepolder
      • Rentmeester van de domeinen
      • Rentmeester van de geestelijke goederen
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Spuiwachter en Bakenmeester
      • Stokhouder
      • Vendumeester
      • Voorzanger
      • Weesmeesters
      Scherpenisse:

      • Baljuw
      • Bode
      • Boekhouder
      • Drossaard
      • Dijkgraaf
      • Gezworene
      • Koster
      • Notaris
      • Penningmeester van de dijkage
      • Rentmeester van de domeinen
      • Rentmeester van de geestelijke goederen
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voorlezer
      Westkerke:

      • Boekhouder
      • Dijkgraaf
      • Gezworene
      • Penningmeester
      • Penningmeester van de dijkage
      Beheer

      De domeingoederen van St. Maartensdijk en Scherpenisse werden beheerd dooreen rentmeester. Deze beheerde naast de gebruikelijke rechten en goederen ook de tienden gelegen in Zuid-Beveland en de geestelijke goederen. De rentmeester van St. Maartensdijk, de rentmeester van Scherpenisse en de rentmeester van de geestelijke goederen werden apart benoemd, maar in de praktijk werd deze functie door één persoon uitgeoefend.

      De rentmeester legde eenmaal per jaar verantwoording af aan de Domeinraad. Daartoe diende hij, of zij indien bij overlijden de weduwe zaken waarnam, twee rekeningen in: een van het domein en een van de geestelijke goederen.

      De rekeningen van de geestelijke goederen bestaan uit twee onderdelen: de geestelijke goederen behorende bij de kerken en gilden van St. Maartensdijk en Scherpenisse èn de 'Cappelerie' van St. Maartensdijk. Waarom deze onderverdeling heeft plaatsgevonden is niet duidelijk. Mogelijk houdt zij verband met de schenking van een deel van de geestelijke goederen aan het stadje St. Maartensdijk door prinses Maria van Buren, bij haar bezoek in 1585 aan St. Maartensdijk. (

      Scherft, Het sterfhuis, p 64.

      )

      Vanaf 1770 werd de rekening van het domein samengevoegd met de rekening over de geestelijke goederen. (

      NDR inv.nr. 14180. De voormalige waarnemend rentmeester W. Catshoek had bij de Domeinraad een voorstel ingediend tot het maken van een gecombineerde rekening van het domein en de geestelijke goederen, om een beter overzicht van inkomsten en uitgaven te bewerkstelligen. Bij de resolutie van 20 oktober 1774 ging de Domeinraad met dit voorstel akkoord.

      )

      Na de Franse inval in 1795 werden de rekeningen ingediend bij de administrateurs.

      Rentmeesters van St. Maartensdijk waren:

      Lambert Baken 1575-
      Johan Liens 1579-
      Jans Versen 1595-1597
      Joachim Liens 1610-1613
      Philippus Liens 1622-
      Cornelis Liens 1624-1627
      Josias Musch 1636-
      Jasper van Vosbergen 1637-1642
      David Godin 1643-1662
      Jacob Godin 1663-1667
      Johan Cabeljau 1668-1670
      Pieter Munnecx 1672-1681
      François Leidecher de Jonge 1685-1715
      Diederik Willem Leidecher 1718-
      Paulus Huijgens van Zuijlichem 1719-1725
      Jacob Vleugels 1727-1748
      Willem Hendrik Nolthenius 1749-1758
      Cornelis de Jonge Corneliszn. 1761-1768
      Willem de Jonge van Ellemeet 1771-1801
      Marinus de Jonge van Ellemeet 1802-1810
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit deel van het archief van de Nassause Domeinraad kunt u stukken vinden betreffende St. Maartensdijk en Scherpenisse, maar ook stukken die betrekking hebben op tienden en (geestelijke)goederen op het eiland Tholen. Schaars aanwezig zijn stukken betreffende Zuid-Beveland, omdat de tienden die de prinsen van Oranje daar hadden van zeer weinig waarde waren en gering in omvang. (

      Tegenwoordige staat, X, pp. 264-330.

      )

      Meer gegevens betreffende het domein St. Maartensdijk en Scherpenisse kunt u aantreffen in de serie notulen en de series uitgaande stukken in de afdeling Stukken van algemene aard van het archief van de Nassause Domeinraad.

      Verwante Archieven

      In het Algemeen Rijksarchief bevinden zich ook kaarten van St. Maartensdijk en Scherpenisse. Het betreft de collectie Hingman, VTH 2783, VTH 2785, VTH 2787, VTH 2788, VTH 2793, VTH 2795, VTH 3443, VTH 3446, VTH 3447, VTH 4712.

      De herkomst van deze kaarten is niet altijd duidelijk aan te geven.

      Andere archieven met stukken betreffende St. Maartensdijk en Scherpenisse zijn:

      • het archief van de gemeente St. Maartensdijk
      • het archief van de gemeente Scherpenisse
      • het archief van de Nederlands Hervormde Kerk van St. Maartensdijk, uitgezonderd de acta
      • het archief van de Nederlands Hervormde Kerk van Scherpenisse, uitgezonderd de acta
      • het oud-rechterlijk archief, daarin ook het weeskamerarchief
      • archief van het St. Maartengodshuis
      • enkele gildenarchieven

      • de acta

      • polderarchieven van St. Maartensdijk en Scherpenisse

      • het archief van het kapittel van Oudmunster
      Literatuur B.M. De Jonge van Ellemeet, Geschiedkundig onderzoek naar den rechtstoestand der Zeeuwsche geestelijke goederen van 1572 tot in het begin der 17e eeuw. Zierikzee, 1906. C. Dekker, Zuid-Beveland. De historische geografie en de instelIingen van een Zeeuws eiland in de middeleeuwen. Assen, 1971. R. Fruin, De provincie Zeeland en Hare Rechterlijke Indeeling vóór 1795. Middelburg, 1933 A. Hollestelle, Geschied- en Waterstaatkundige beschrijving van de waterschappen en de polders in het eiland Tholen. Tholen, 1919 J.C.M. Pennings en E.A.T.M. Schreuder, 'Heer en meester van Ameland tot de Zwaluwe. Beheer en bestuur van de goederen en rechten van het Huis Oranje-Nassau door de Nassause Domeinraad (eind 15de eeuw-begin 19de eeuw)'. In. Jaarboek Oranje-Nassaumuseum 1994, Rotterdam, 1995, pp. 44-75. D.G. Rengers Hora Siccama, De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht. Utrecht, 1905. P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden 1966. [J.Wagenaar], Tegenwoordige Staat der Nederlanden deel IX en X. Amsterdam, 1760. J.P.B. Zuurdeeg, Sint-Maartensdijk, stad aan de Pluimpot. Tholen 1985.
      Bijlage Inhoudsopgave van de rekening van de rentmeester van de domeinen uit 1631.

      (

      NDR inv.nr. 13866.

      )

      Inventaris van de Capittels deser rekening(e) met de annotatie vande folios daar deselve zyn beginnende
      Ende eerst den Ontjanck
      Cap(pitte)l:

      1. Ontfanck van lantpachten van Martensdijck ende Scherpenisse
      2. lantpachten in den pluijmpot
      3. lantpachten in den breeden vliet
      4. lantpachten in Scherpenisse
      5. lantpachten in Stavenisse
      6. Tijenden in Martensdyck
      7. Lammertienden
      8. Tyenden in Scherpenisse
      9. Dijkettinge in Maertensdijk
      10. Opcomen in Scherpenisse
      11. Dijckettingen in Scherpenisse
      12. Accijnsen van Martensdijk ende Scherpenisse
      13. Die waage van Martensdijk
      14. Molens van Martensdijck en Scherpenisse
      15. Vischeryen
      16. Ontfanck van geschoten
      17. boomgaarden ende cingelen
      18. Ontfanck van Veeren
      19. bienvlucht
      20. Estrangeersche zeevonden bastaarden
      21. erffelijke relatie
      22. een rente op Sommelsdijk
      23. Renten, paijen, atterminaten
      24. Gemengden ontfanck
      Inventaris van den uuytgeeff
      Capittel:

      1. Renten ende pensioenen
      2. Gagen ende Wedden
      3. Verpensie van
      4. Lantsoncosten ende betaling leninge van Martensdijk ende Scherpenisse
      5. dobbele honderste penningen
      6. Lantsoncosten in Scherpenisse
      7. Reparatien van't Casteel
      8. Reparatien aan die wiek molens
      9. Reparatien aan Speuijen ende Cayen
      10. Uuytgeven Extraordinaris
      Inhoudsopgave van de rekening van de rentmeester van de geestelijke goederen uit 1647.

      (

      NDR inv.nr. 14056.

      )

      Tafel vande Cappitttelen deser reeckeninge mette Annotatien vande folio daer yder Cappittel is beginnende Cap(pitte)l:

      1. Lantpachten van t'Capp(itte)l in St.Meertensdijck
      2. Lantpachten in Kempenshofstede
      3. Lantpachten van T'cappittel in Scherpenisse
      4. Lantpachten in Westkercke
      5. Lantpachten vant Cappittel in poortvliet
      6. Lantpachten van t'capp(itte)l int Roolant van Tholen
      7. T'Cappittel Thienden
      8. Capp(itte)ls huijs ofte decanye
      9. Lantpachten vande Coralen in St.Meertensdijck
      10. Lantpachten vande Coralen in Scherpenisse
      11. Lantpachten vande Coralen in Westkercke
      12. Lantpachten vande Coralen in S(in)te Geertruydenpolder
      13. Lantpachten vande Coralen in poortvliet
      14. T'Coralen huijs
      15. Lantpachten vanden Apt
      16. Thienden vanden Apt
      17. Lantp(ach)ten vande Cellewaerder
      18. Lantpachten vanden proost
      19. Lantpachten van t'Cruys Cappittel in Scherpenisse
      20. Lantpachten vant Sacraments Gilde in Scherpenisse
      21. Lantpachten van t'sacraments Gilde in poortvliet
      22. Lantp(ach)ten aencomende Domini Nostra ende t'orgel in Scherpenisse
      23. Lantp(ach)ten vande keure in Scherpenisse
      24. Cure thienden
      25. Lantpachten van S(in)t.Janscappellerye in S(in)te Meertensdijck
      26. S(in)te Laurens Viccarie in S(in)te Meertensdijck
      27. S(in)te Laurens Viccarie in poortvliet
      28. S(in)te Anthonis Viaccarie in Sinte Meertensdijck
      29. S(in)te Anthonis Viccarie in Scherpenisse
      30. S(in)te Anthonis Viccarie in Sinte Geertruyden polder
      31. S(in)te Anthonis Viccarije in poortvliet
      32. S(in)te Jacobs Cappellerije in S(in)te Meertensdijck
      33. S(in)t Jacobs Cappellerije in S(in)te Geertruyden polder
      34. S(in)te Jacobs Viccarije in poortvliet
      35. S(in)te Catharinen Viccarije in S(in)te Meertensdijck
      36. S(in)te Geertruyts Cappellerije
      37. S(in)te Barbara Cappellerije
      38. Scholasterije
      39. Jacob Harts Cappellerije
      40. Heer Roels Cappellerije
      41. Heer Cor(neli)s Gillisen Cappellerije
      Extraordinaren ende gemengden ontjanck. Tajel van uytgeef. Capp(itte)l:

      1. Lants oncosten ende statepen(ningen) van t'Capp(itte)l
      2. Lants oncosten van(den) coralen
      3. Lants oncosten vanden Abt
      4. Lants oncosten van(den) Cellewaerder
      5. Lants oncosten vanden proost
      6. Lants oncosten in Scherpenisse en Westkercke
      7. Lants oncosten in S(in)te Geertruydenpolder
      8. Lantsoncosten in Kempenshofstede
      9. Lantsoncosten in poortvliet
      10. Uytgeef van dubbelen hondert item penninck
      11. Renten ende pensioenen
      12. Uitgeeff van reparatien aende decanije
      13. Vuytgeeff van gagien
      14. Vuytgeeff van S(in)te Laurens Viccarie
      15. Vuytgeeff van s(in)te Anthonis Viccarije
      16. Vuytgeeff van S(in)te Jacobs Viccarije
      17. Vuytgeef ter saecke van S(in)te Catharijns Viccarije
      18. Vuytgeef ter saecke van Sinte Barbara Cappellerije
      19. Vuytgeeff van D'heer Roels Cappellerije
      20. Vuytgeef van D'heer Cornelis Gillisen Cappellerije
      21. Extraordinaris ende gemengden vuytgeeff
    • Verwerving

      De goederen en rechten in Noord- Beveland, Colijnsplaat en Orisant waren, met die in Zuid-Beveland en Wolfaartsdijk, oude bezittingen van de familie Van Borssele.(

      Voor uitgebreide gegevens over de verwerving van deze goederen zie- Drossaers II, I, pp. 114 en 79-82. Zie ook A.E.W. Dek, Genealogie van de heren van Borselen (Zaltbommel, 1979), pp. 36-42.

      ) Doordat het huwelijk dat in 1508 gesloten werd tussen Frank van Borssele en Catharina van Egmond kinderloos bleef vererfden deze goederen op het huis Egmond. Door het huwelijk in 1551 van prins Willem I met de erfdochter Anna van Egmond kwamen de bezittingen aan de Oranjes. Na het overlijden van Anna in 1558 erfde prins Philips Willem de bezittingen van zijn moeder. Wegens minderjarigheid en gevangenschap in Spanje werd het Burense goed eerst door zijn vader en later door zijn zuster Maria beheerd.(

      Na haar huwelijk in 1596 met Philips van Hohelohe nam deze de zaken voor zijn vrouw en zijn zwager waar. Wegens grote verdienste werd hij door de Staten van Zeeland beloond met goederen en rechten. Zie NDR inv. nrs. 14245,14251-14252 en 14320.

      )
      Nadat hij zowel als zijn zuster Maria van Nassau kort na elkaar kinderloos waren overleden kwam de gehele Burense erfenis op hun halfbroer Maurits als universeel erfgenaam. Na hem erfde prins Frederik Hendrik en vervolgens diens zoon prins Willem II en kleinzoon prins Willem III deze bezittingen.

      Al deze goederen vererfden niet zonder meer. In Noord- en Zuid-Beveland hield het huis Oranje-Nassau verschillende goederen in leen van de Staten van Zeeland. Veel van deze lenen waren 'rechte' of 'kwade' lenen die bij gebrek aan een mannelijke nakomeling vervielen aan de leenheer. Dit was onder meer het geval in 1702 bij het overlijden van prins Willem III. De Staten van Zeeland lieten beslag leggen op alle kwade lenen en, toen deze niet werden gelost, door de rentmeester der domeinen aan de meest biedende verkopen. Hierdoor gingen in Noord-Beveland veel en in Zuid-Beveland alle tienden verloren. Uit de goederen van Noord-Beveland verdween ook Kortgene daar prins Willem III deze heerlijkheid, met recht van retour, in 1670 aan Willem van Nassau-Odijk geschonken had.(

      De prins van Oranje bleef met Kortgene beleend. Zie: Leen- en Registerkamer van Holland, inv.nr. 175, caput Zeeland. Zie ook NDR inv.nr. 766, folio 878.

      )

      Door het kinderloos overlijden van prins Willem III ontstonden tussen verwanten twisten over de verdeling van diens nalatenschap. Ver voor de uiteindelijke regeling hiervan werden de domeinen in Noord- en Zuid-Beveland door de Staten-Generaal toegewezen aan Maria Louise van Hessen-Kassel voor haar zoon, de latere prins Willem IV, wiens vader graaf Johan Willem Friso, een van de partijen was in het geschil. Na het overlijden van prins Willem IV kwamen de goederen op diens zoon prins Willem V. In de Bataafs-Franse tijd werden de goederen van de prins genationaliseerd. Noord-Beveland, Wolfaartsdijk en Zuid-Beveland werden in 1799 gevoegd bij het Departement van Schelde en Maas en in 1810 bij het Departement van de Monden van de Schelde. Het aantal gemeenten op Noord-Beveland werd in de loop der tijd zover teruggebracht dat bij de laatste herindeling slechts twee gemeenten, Wissenkerke en Kortgene, overbleven. De gemeente Wissenkerke bestaat uit Wissenkerke, Kamperland en Geersdijk en de gemeente Kortgene uit Kortgene, Colijnsplaat en Kats.

      Grondgebied en benaming

      Het eiland Noord-Beveland heeft veel geleden onder dijkbreuk en grond- en dijkval die grote overstromingen veroorzaakten. Katastrofaal waren die van 1530 en 1532 waardoor het gehele eiland onder water gezet werd. Rond 1590 waren de slikken en schorren weer zover aangeslibd dat in 1593 grond ter bedijking werd uitgeven. In 1596 gaven de Staten van Zeeland toestemming voor bedijking en in 1598 was de eerste bedijking gereed.(

      NDR inv.nr. 14240-14241,14264-14266.

      ) Die eerste polder, tevens de grootste, kreeg de naam Noord-Beveland. In 1616 werd de volgende polder ingedijkt onder de naam Nieuwe Polder later Nieuw-Noord-Beveland of de Rick. De eerste bedijking werd daarna Oud-Noord-Beveland genoemd. Gedurende de gehele 17e en 18e eeuw vonden bedijkingen plaats.(

      Zie bijlage 1.

      )
      De dorpen Kats, Kortgene, Wissenkerke en Geersdijk werden min of meer op de oude plaats herbouwd terwijl Colijnsplaat een nieuw dorp was.(

      In NDR inv.nr. 14325 folio 24r-28v vindt men regels voor de bouw van de huizen en de aanleg van de straten in wat men toen het 'Nieuwe Dorp' noemde.

      )
      Hoewel er vanaf de inpolderingen in de jaren negentig van de 16e eeuw tot de zware stormen van 1809 geen stormvloeden meer zijn geweest die de waterstanden van 1530 en 1532 overtroffen, bleven dijkval en dijkbreuk niet uit waardoor polders geheel verloren gingen of deels werden buitengedijkt.(

      NDR inv.nr. 767 folio 1206. Zie ook de kaarten van Noord-Beveland. Algemeen Rijksarchief, kaarten collectie Hingman b.v. de nrs. 2799, 2800 en 2801 waarop het buitengeslagen land met oude dijken en dijkstalen staan weergegeven.

      )

      Het eiland was niet geheel eenbezitting van de Oranjes. Wet waren zij de grootste geïnteresseerden. De hoge heerlijkheid Kortgene, de ambachtsheerlijkheden van Colijnsplaat en van 's-Gravenhoek en het gors Halisant echter behoorden hen alleen toe. In de meeste polders bezaten zij land, een of meerdere hofsteden en verschillende rechten, waarvan de tienden en de dijk- en gorsetting de voornaamste waren.

      Tussen het etland Noord-Beveland en de noordelijk daarvan gelegen plaat Orisant stroomde het Faal, een arm van de Oosterschelde. Na de ondergang van Orisant vormden de Roompot en de Oosterschelde de scheiding met het eiland Schouwen. In het oosten waren het Faal en het Katse Rak, later de Oosterschelde, de scheiding tussen de eilanden Duiveland en Oost-Beveland. In het zuiden werd Noord-Beveland door de Zuidvliet gescheiden van het eiland Wolfaartsdijk. In het westen vormde het Veerse Gat de scheiding met het eiland Walcheren.

      Noord-Beveland werd meestal op dezelfde manier geschreven. Een enkele keer leest men Beverland. De betekenis van deze naam is niet bekend. Sommigen denken aan Bifeland of Bavo's land naar de adbij van St. Bavo in Gent die op Noord-Beveland veel bezittingen had.

      Kortgene lag in het zuiden van Noord-Beveland en werd in het noorden begrensd door Colijnsplaat, in het oosten door Kats, in het zuiden door het Zuiddiep en in het westen door Wissenkerke en Geersdijk. Kortgene werd vroeger meestal geschreven als Korthem, Cortkeen, Cortkene of Cortgeen. Een van de betekenissen die aan deze naam wordt toegekend is korte of kleine heerlijkheid.

      's-Gravenhoek werd in 1616, tegelijk met Nieuw-Noord-Beveland, ingepolderd en grensde in het noorden aan de Layeplaat, in het oosten aan Oud-Noord-Beveland, in het zuiden aan Nieuw-Noord-Beveland en in het westen aan de polder Nieuw-'s-Gravenhoek. Voor de overstromingen van 1530 en 1532 lag er een dorp, dat ook wel Soecke, Hoek of Houke genoemd werd. In dit archief komen de namen 's-Gravenhoecxken, 's Gravenhoekske en 's-Gravenhoekje het meeste voor.

      De Colijnsplaat lag in het noordoosten voor de kust van Noord-Beveland en werd in 1598 tegelijk met Oud-Noord-Beveland ingepolderd. Het dorp dat in deze polder gebouwd werd grensde in het noorden aan het Faal en later, na de ondergang van Orisant, aan de Oosterschelde. In het noordoosten lag de Keten, in het oosten Kats, in het zuiden Kortgene, en in het westen Wissenkerke en 's-Gravenhoek. Bij de stichting in 1599 sprak men van het Nieuwe Dorp, maar al spoedig werd de naam Colijnsplaat, ook wel geschreven als Colinsplate of Cooltjesplaat, wat plaat van Colijn betekent. Wie deze Colijn was is niet meer bekend.

      Orisant lag noordnoordwest van Noord-Beveland en werd daarvan gescheiden door het Faal. De west-, noord- en oostkant van het gors lagen in de Oosterschelde. De vele erfrenten die kloosters en kerken op Orisant hadden, doen vermoeden dat het vroeger bedijkt is geweest.(

      Zie de uitgavenposten in de rekeningen onder 'erfrenten gaende uijt Orisande'. In de rekeningen wordt in grote trekken ook het lot van Orisant verhaald.

      ) De oorspronkelijk kleine stroom die door het gors stroomde werd zo vergroot dat er twee gorzen ontstonden namelijk Oost-Orisant en West-Orisant. Door stormvloeden, grondval en erosie verdween Oost-Orisant in 1682 in de Oosterschelde. West-Orisant werd met het gors Oude Lek ingepolderd en vastgedijkt aan Noord-Beveland. Orisant werd vroeger geschreven als Worighesant, Woordesande of Woresant. De betekenis van deze naam niet bekend.

      Halisant lag volgens de rekeningen aan de noordzijde van 'het land', waarmee Noord-Beveland bedoeld zal zijn. Blijkens de verpachting lag het aan de Halisantse Vate en raaide op de toren van Zierikzee.(

      Gegevens in de rekeningen b.v. NDR inv.nr. 14435 folio 18v en 21v.

      ) In augustus 1636 is het gors verdronken.

      Hongersdijk bestond uit schorren en gorzen die de overblijfselen vormden van een dorp en een polder die in 1551 hetzelfde lot ondergingen als geheel Noord-Beveland. Hongersdijk was het oostelijk gedeelte van het eiland Wolfaartsdijk, dat tussen Noord- en Zuid-Beveland lag, en grensde in het noorden aan de Zuidvliet, in het oosten aan verschillende gorzen en kreken die het van Oost-Beveland scheidde, (

      In 1644 ontstond met de Staten van Zeeland een langdurig conflict over de eigendom van de schorren, ten oosten van Hongersdijk, dat door de Staten gewonnen werd. Een van de gevolgen was een gedeeltelijke inpoldering van de gorzen onder de naam Oost-Beveland. Zie NDR inv.nr. 766 folio 726-729 en in de rekeningen onder Hongersdijk.

      ) in het zuiden aan de Puie, en in het westen aan Oosterland op Wolfaartsdijk. In 1809 werden Hongersdijk en de omliggende schorren ingepolderd en met Wolfaartsdijk en Oost-Beveland vastgedijkt aan Zuid-Beveland. Hongersdijk werd ook wel geschreven als Hongersdike en Hungersdike. Honger is waarschijnlijk afgeleid van de oude persoonsnaam Hunger of Unger en betekent in dat geval de dijk of bedijking van Hunger. Anderen geven de voorkeur aan honger in die zin dat het een dijk of bedijking was waarin armoede heerste en honger geleden werd.

      De Burenpolder en Schaapspolder lagen op het eiland Zuid-Beveland ten noordoosten van Yerseke aan de Oosterschelde. Voor de overstroming van 1532 lagen hier de Schachtekijnspolder, Nieuwepolder en de Yersekepolder die in de 16e eeuw tezamen de Yersekedamsepolder genoemd werden.(

      Zie voor deze polders. Dekker, Zuid-Beveland, pp. 111 en 209-212.

      ) In 1532 ging het land ten oosten van Yerseke geheel verloren waardoor het Verdronken Land van Zuid-Beveland ontstond. In 1597 gaf prins Philips Willem de gorzen, die eens zijn polders waren, ter bedijking uit aan Johan de la Salle, waardoor een gedeelte van het verloren gegane gebied onder de naam (Graaf van) Burenpolder en de meer naar het oosten Iiggende Schaapspolder, teruggewonnen werd. De grondeigenaren viel het dijkonderhoud van de nieuwe inpoldering zo zwaar dat zij deze in 1614 weer wilden overdoen aan de prins, die daar echter geen oren naar had.(

      NDR inv.nrs. 14348,14401,14552 en 767 folio 1477.

      )
      De Schaapspolder is ten onder gegaan. De huidige Burenpolder heeft aan drie zijden dijken in de Oosterschelde en grenst in het zuidwesten aan de gemeente Yerseke.(

      Hoevvel in de rentmeestersrekeningen meestal alleen gesproken werd van Schaapspolder is de huidige naam Burenpolder. Zie b.v. Encyclopedie van Zeeland, pp. 344,346 en 420.

      )

      Rechten en bevoegdheden

      Kortgene, de enige stad op Noord-Beveland, was een hoge heerlijkheid. Daar het gebied van deze heerlijkheid laat werd ingepolderd hebben de prinsen van Oranje weinig profijt gehad van de hieraan verbonden rechten en bevoegdheden. Voor 1670, het jaar waarin prins Willem III de heerlijkheid schonk aan zijn neef Willem van Nassau-Odijk, waren er inkomsten uit rechten van visserij, vogelarij en etting. De rentmeester van Noord-Beveland was in deze periode tevens baljuw van Kortgene.(

      Zie NDR inv.nr. 14348 folio 54v.

      )

      Colijnsplaat was een ambachtsheerlijkheid met middelbare en lage jurisdictie. De hoge jurisdictie werd uitgeoefend door de rentmeester-generaal van Zeeland bewesterschelde, standplaats Middelburg, die tevens baljuw was van het platteland van Noord- en Zuid-Beveland en Wolfaartsdijk. Beroep was mogelijk bij het Hof van Holland. Onder de jurisdictie van Colijnsplaat behoorden de polders Oud- en Nieuw- Noord-Beveland, een gedeelte van de Frederikspolder en de polder Oude Lek of West-Orisant. Colijnsplaat werd bestuurd door een schout en zeven schepenen die door de prins van Oranje werden aangesteld. De polders werden bestuurd door dijkgraven en gezworenen waarvan de prins eveneens het benoemingsrecht had.

      Kats was een ambachtsheerlijkheid waarin de prins van Oranje zijn rechten delen moest met andere heren, zoals het recht van de molen, aanwas, etting en waar men verder recht op had. Zo'n ambacht noemde men een portionarisambacht.

      's-Gravenhoek was een ambachtsheerlijkheid die wel ingepolderd werd maar waarvan het dorp nooit werd herbouwd.

      De prins van Oranje bleef ook in het bezit van alle rechten en bevoegdheden die verbonden waren aan de portionarisambachten Coningshem, Ekinge of Redekinge, Emelisse, Soetelingskerke, Welle of Weele en Vliet, dorpen die bij de overstromingen van 1530 en 1532 waren verdronken, en niet meer opgebouwd. De grond waarop deze dorpen hadden gelegen werd geheel of gedeeltelijk weer herdijkt waardoor, evenals in 's-Gravenhoek, bepaalde rechten als tienden en etting werden uitgeoefend.(

      NDR inv.nr. 14239,14248,14254,14552.

      )

      Tiendrechten in Noord-Beveland, die de prins in leen had van de Staten van Zeeland en na de dood van prins Willem III niet meer werden uitgeoefend, lagen in Colijnsplaat, Oud-Noord-Beveland, Kats, Nieuw-Noord-Beveland en Wissenkerke.(

      Zie de rekeningen vanaf NDR inv.nr. 14416.

      )

      Orisant behoorde, in tegenstelling tot Noord-Beveland, tot het rentmeesterschap van Zeeland beoosterschelde.(

      Aangenomen wordt dat Orisant zich in onheuglijke tijden uitstrekte tot vlak voor Zierikzee. De Schelde zou dan tussen Noord-Beveland en Orisant hebben gestroomd.

      ) Dit hield onder meer in dat het voor de hoge jurisdictie viel onder de rentmeestergeneraal tevens baljuw van Zeeland beoosterschelde, standplaats Zierikzee.(

      Zie ook NDR inv.nr. 14292.

      )

      Hongersdijk was een ambachtsheerlijkheid die onder het beheer van de Nassause Domeinraad ongedijkt bleef. De hieraan verbonden rechten werden nooit uitgeoefend. De prins van Oranje was hierin voor een vierde gedeelte gerechtigd.

      De Schaapspolder en Burenpolder in Zuid-Beveland waren vrije hoge heerlijkheden met het recht van asiel. Dit hield in dat de baljuw van Zeeland bewesterschelde, of diens stadhouder, geen recht had om daar misdadigers te vervolgen. De polders werden daarom ook wel Vrije Polders genoemd.(

      NDR inv.nr. 14549.

      ) Toen prins Philips Willem in 1597 de gorzen ter bedijking uitgaf hield hij alle rechten, waaronder dat van de hoge jurisdictie, aan zich. Van de aanstelling van een baljuw over deze polders is in dit archief echter niets gebleken. Wel zijn verklaringen aanwezig waarin getuigd werd dat delinquenten voor kortere of langere tijd daar verblijf hielden. Van berechting sprak men echter niet.

      In Zuid-Beveland bezat de prins ook tiendrechten. Deze lagen in de ambachten 's-HeerArendskerke, Heinkenszand, Ovezand, het Oostambacht van Capelle, Eversdijk en Kloetinge. Al deze tienden waren kwade lenen die 'bij gebrek aan een capabel oir' in 1702 aan de Staten van Zeeland vervielen.

      De prins van Oranje stelde in Noord-Beveland de volgende functionarissen aan:(

      Deze lijst is ontleend aan het Ambtboek, deel I, NDR inv.nr. 685 pp. 103 en 104.

      )

      In Colijnsplaat:

      • Bode, tevens bode voor het gehele eiland
      • Creëerder
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Schutter van de vis
      • Spuiwachter
      • Secretaris
      • Secretaris van de weeskamer
      • Stokhouder
      • Veerschipper
      • Voorlezer
      In Kortgene:

      • Baljuw
      • Secretaris
      • Vendumeester
      In de polder Oud-Noord-Beveland:

      • Dijkgraaf
      • Gezworene
      In de polder Nieuw-Noord-Beveland:

      • Dijkgraaf
      • Gezworene
      In de Frederikspolder:

      • Dijkgraaf
      • Gezworene
      • Penningmeester
      Beheer

      Het beheer van de domeinen in Noord-Beveland, Wolfaartsdijk en Zuid-Beveland lag in handen van de rentmeester en werd in één rekening verantwoord. Voor de herdijking beheerde de rentmeester van St. Maartensdijk de ondergelopen landen door de schorren, gorzen en platen te verpachten aan schaapherders. Daarnaast waren er inkomsten uit visserij en uit de tienden in Zuid-Beveland.(

      Domein St-Maartensdijk en Scherpenisse, NDR inv.nrs. 13854-13855.

      ) Bij de eerste bedijking van Noord-Beveland in 1598 stelde Philips van Hohenlohe Pieter uit Mattenburg aan als aparte rentmeester over Noord-Beveland.(

      Vóór 1530 had Noord-Beveland met Wolfaartsdijk en Zuid-Beveland ook een aparte rentmeester. Zie Drossaers II inv.nr. 665.

      )
      In diens aanstellingsbrief werd niet alleen als reden het overlijden van zijn voorganger gegeven maar ook dat 'mits den dijckagie van Noortbevelandt nodich is dezelve officïen te separeren'... 'totter administratien van de voors. goeden ende incommen van Cortkene, Noortbevelandt ende andere vuytergorssen ende goeden gelegen in Zeelandt buijten den Eylande van der Tholen'.(

      Zie NDR inv.nr. 14324.

      )
      De rekeningen werden door de rentmeesters persoonlijk naar de Rekenkamer van de Domeinen gebracht om daar te worden afgehoord.(

      Naast het afhoren werd ook op andere zaken gelet. In de rekening van 1636 kreeg de rentmeester last 'int toecomende beter papier te nemen, 'twelck niet doorvloeyt, (daer) hij hierinne jaerlijcx gecontinueert'.

      )
      Ten tijde van het bewind van Maria van Nassau en prins Philips Willem bevond de Rekenkamer voor de Burense goederen zich in Breda, Delft of Buren. Blijkens de kanttekeningen van de rentmeesters zijn de rekeningen van Noord-Beveland ook afgehoord in St. Maartensdijk en Brussel. Nadat prins Maurits de Burense goederen geërfd had werden deze, evenals de Nassause bezittingen, afgehoord in de Rekenkamer te 's-Gravenhage die tot het einde der Republiek aldaar gevestigd was.

      Rentmeesters van Noord-Beveland:(

      Gegevens over de rentmeesters vóór 1581 zijn ontleend aan Drossaers II, inv.nrs. 503, 656 en 670 en NDR inv.nr. 14239.

      )

      Cornelis Pietersz. [1529-1534]
      Cornelis Cornelisz. [1527-1534]
      Gilles van Borre 1534-15..
      Pieter Woutersz. 1567-1570
      Lambert Baken 1571-1575
      Johan Liens 1576-1594
      Johan Verssen 1595-1597
      Pieter uit Mattenburg 1598-1600
      Marinus Werckendet 1602-1603
      Pieter uit Mattenburg(

      Pieter uit Mattenburg werd tweemaal tot rentmeester benoemd.

      )
      1606-1610
      Jasper van Clootwijk 1611-1653
      Mathijs van der Merwede van Clootwijk 1654-1675
      Adriaan Dingmans 1690-1719
      Jan van Bueren 1720-1748
      Jacob Nebbens 1749-1773
      Abraham Swemer 1776-1806
      Anthonie Jacob Marinussen 1807-1810
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit hoofdstuk van de inventaris zijn de stukken beschreven betreffende de domeinen in Noord-Beveland, Wolfaartsdijk en Zuid-Beveland, die bijna allen dateren van na 1581. Dr. S.W.A. Drossaers beschreef al eerder de stukken van voor die tijd. In de inleiding op haar inventaris zijn uitgebreid de lotgevallen van de domeinarchieven van het huis Buren beschreven. Een gedeelte van de archieven van de domeinen in Noord-Beveland van na 1581 is in 1907 overgedragen aan het Rijksarchief in de provincie Zeeland.(

      VROA (1901) pp. 238-251. VROA (1907), pp. 189-190.

      ) Het betreft hier onder meer briefwisselingen tussen de Domeinraad en de rentmeesters, memorialen met verzoekschriften van de rentmeesters aan de Domeinraad, rekeningen van de Frederikspolder en de Sophiapolder, voorwaarden van verpachting, manualen van landpachten, dijketting enz.(

      M.D. Lammerts, Archieven van de rentmeesters der rentambten van de prinsen van Oranje in de provincie Zeeland, in IRA III (1930), pp. 723-746, voor Noord-Beveland inv.nrs. 115-253.

      )
      Veel kaarten van deze domeinen berusten bij de afdeling Kaarten en Tekeningen van het Algemeen Rijksarchief.(

      Hingman, Inventaris van de verzameling kaarten en Rozemond, Inventaris van de verzameling kaarten.

      )

      De heerlijkheid Kortgene werd in 1842 gekocht door Adriaan van Hoboken, heer van Rhoon en Pendrecht. Te vrezen valt dat het archief van deze heerlijkheid, evenals dat van Rhoon en Pendrecht, in 1940 tijdens het bombardement van Rotterdam, is vernietigd.

      De rapporten die de leden van de Domeinraad opstelden van hun inspectiereizen, te vinden onder de rubriek Algemeen, bevatten veel gegevens over zaken betreffende het beheer en bestuur van de domeinen in Noord-Beveland die elders in deze inventaris niet aangetroffen worden.(

      In de rapporten vindt men b.v. geschillen, verzoekschriften, bestekken, gespecificeerde opbrengsten van gewassen en cijnzen, verpachtingen en keuren en reglementen van de Staten van Zeeland en van de Domeinraad.

      ) Naast deze rapporten zijn de rekeningen van de rentmeester een bron van informatie. In de eerste jaren na de inpoldering van Noord-Beveland waren er weinig baten met gevolg dat de omvang van de rekeningen gering was. Hoe verder men met de drooglegging vorderde hoe omvangrijker de registers werden. De rentmeesters waren niet alleen gewoon om in de rekeningen de reële inkomsten te verantwoorden, zij beschreven eveneens, voor memorie 'tot conservatie van mijns Genadigen Heren gerechticheijd', inkomsten die te verwachten waren uit land en rechten. Ook vervallen inkomsten, zoals tienden, buitengedijkte landen, verdwenen gorzen, het weggegeven Kortgene, bleven tientallen jaren pro memorie in de rekeningen staan, evenals pachters van de eerste bedijkingen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rekeningen een schat aan informatie bevatten over het wel en wee van Noord-Beveland. Hoewel dit ook van toepassing is op de goederen in Wolfaartsdijk en Zuid-Beveland, blijft het wedervaren van de Buren- en Schaapspolder vaag. De rekeningen spreken van de 'bedijckten lande van Schaeps ende Buerense polderen' en de dijken en dijkstallen van de Schaapspolder. In latere rekeningen staat Buren- of Schaapspolder en uiteindelijk is er alleen sprake van de Schaapspolder. Dit is temeer verwarrend daar tegenwoordig alleen nog de Buren-polder bestaat.

      Gegevens over de gemeenten Colijnsplaat, Kats en Kortgene zijn ook te vinden in het gemeentehuis van Kortgene waar de oud-archieven van deze burgerlijke gemeenten worden bewaard. In het Rijksarchief in de provincie Zeeland berusten de oud-rechterlijke -, notariële - en weeskamerarchieven van de gemeenten op Noord-Beveland. De archieven van de waterschappen berusten bij het Waterschap Zeeuwse Eilanden in Goes.

      Bijlage 1 Polders in Noord-Beveland die ten tijde van het beheer van de Nassause Domeinraad zijn ingepolderd

      (

      Deze gegevens zijn ontleend aan NDR inv.nr. 14229.

      )

      In de cursief gedrukte polders had het huis Oranje-Nassau geen grondbezit.

      1598 Oud-Noord-Beveland
      1616 Nieuw-Noord-Beveland en 's-Gravenhoek
      1641 Frederikspolder
      1652 Wissenkerkerpolder
      1658 Camperland
      1665 Oudelek of West-Orisant.
      1657 Laijeplaat.
      1667 Polder van Oud-Kortgene
      1668 Geersdijkerpolder
      1670 Alteklein
      1669 Campens Nieuwland
      1671 Nieuw- 's-Gravenhoek
      1687 Vlietepolder.
      1688 Catsenpolder
      1697 Thoornpolder.
      1699 Heerjanspolder
      1713 Rippolder
      1719 Mariapolder
      1727 Jonkvrouw Annapolder
      1747 Anna-Frisopolder
      1769 Jacobapolder
      1771 Willemspolder
      1775 Sophiapolder
      Bijlage 2 Inhoudsopgave van de rekening van de domeinen 1623 (NDR inv.nr. 14351). Staet off Register opt wat folio ofte bladt die Capittelen deser Rekeninghe staen als volcht.
      Ontfanck.

      1-Cap. Landen in Colijnsplaete ende Noortbevelant
      2-Landtpachten vanden Goidts-acker
      3-Landpachten op Oresande
      4-Coren-Thienden van Colijnsplaete
      5-Coren-Thienden in Catz
      6-Coren-Thienden in Noordtbevelandt
      7-Lammer-Thienden in Colijnsplaete, Noortbevelant ende Oresande
      8-Cooren-Thienden int ambochtsquartier in Noortbevelant ende Catz
      9-Lammerthiende int voors. ambochtsquartier
      10-Redemptie der thienden vant Nieulant annex Noortbevelant
      11-Coren-thienden in Zuijdtbevelandt
      12-Coren-thienden in Schaeps-polder aldaer
      13-Dijck ende gors ettingen van Colijnplaete
      14-Dijck ende gorsettingen in Noortbevelandt
      15-Dijck ende gorsettingen van 't Nieulant annex Noortbevelant
      16-Ambochts gevolge in Catz
      17-Gorssen van Oresande
      18-Diversche gorssepachten in Noort ende Zuijtbevelant enz.
      19-Accijns op Colijnsplaete
      20-Van de waege in Colijnsplaete
      21-Cooren-Windtmolen op Colijnsplaete
      22-Visserijen ende Vogelrijen
      23-Van Veeren
      24-Van Bien-vlucht
      25-Erffcijnssen op Colijnsplaete
      26-Erffrenthe op Schaeps-polder
      27-Vanden XXI sten penninck der verpachte parthijen
      28-Van rantsoenen der verpachte parthijen
      29-Gemengden Ontfanck
      Wtgeeff

      1-Cap Erffrenthen gaende wt Oresande
      2-Dijckschoten in Noortbevelant ende Oresande
      3-Reparatien ende onderhout vande straeten, kaije, Spuijedammen, molen ende andere dergelijcke wercken
      4-Doublen Csten penninck
      5-Ordinaris Wtgeeff van pensien ende gagien
      6-Gemengden Wtgeeff
      Inhoudsopgave van de rekening van de domeinen 1709 (NDR inv.nr. 14423). Staet off Register opt wat folio ofte bladt de Capittelen deser rekeninge staen als volcht.
      Ontfanck.

      1-Cap. Landen in Colijnsplate ende Noortbevelant
      2-Landen vanden Godts-acker
      3-Landen op Orisande
      4-Corenthiende op Colijnsplaet
      5-Corenthiende van zijne majesteits eijgen ambacht in Catz
      6-Corenthiende in Noortbevelant en Catz
      7~Corenthiende op Orisande
      8-Lammerthienden in Colijnsplaet en Noortbevelant, Catz en Orisande
      9-Thienden in het ambagtsquartier in Noortbevelant en Catz
      10-Thienden in het Nieulant annex Noortbevelant
      11-Lammerthiende in het voorsz. Nieulant
      12-Landerijen in Fredricx-polder
      13-Corenthiende van de voorsz Fredricx-polder
      14-Lammerthiende van de voorsz Fredricx-polder
      15-Corenthiende in Zuijtbevelandt
      16-Corenthiende van de Schaeps-polder
      17-Dijk ende gorsettinge van Colijnplaet
      18-Dijk en gorsettinge van Noortbevelant
      19-Den Droogendijk ofte Slapaert tusschen Out en Nieuw Noortbevelant
      20-Dijk ende gorsettingen van Nieuw Noortbevelant
      21-Ambagt revenues van Catz
      22-Gorsinge van Orisande
      23-Dijk ende gorsettinge tussen Noortbevelant en Fredricx-polder
      -gecavelde dijken in Wissenkerke
      -vercavelde dijken in Camperlant
      -dijken van Vlietepolder
      -revenues ende uijtdeijlinge van't ambagt Geersdijk ende Wissenkerke
      24-Andere partijen van gorsen inden Eijlande van Noort ende Suijtbevelant namenlijck,
      -gorsingen van 's-Gravenhoecxken
      -gorsingen van Weel ende Vliet
      -'tcontingent in Geersdijk ende Wissenkerke
      -aengedijkte vroonen in Wissenkerke
      -aengedijkte gorsen van Geersdijck ende Wissenkerke
      -Ouwelecq of Orisande
      -Ouwelecqs bedijkte landen
      -Hongersdijk
      -Schaepspolder
      -Cortgeen
      -Zouken ende Laijenplaet
      -landen van Cats in Catsepolder
      -nieugedijkte landen, 1687, in Vlietepolder
      -Thoornpolder anno 1697 bedijkt
      -Eijnde dijcx van Soucke
      -Corenthiende onder Cortgeen
      -Corenthiende onder Wissenkerke
      -Corenthiende onder 'sGravenhoecxken
      -Item nieuwe Wissenkerke ende out Campen
      -tienden inden Catsepolder
      25-Accijns en kaijgelt op Colijnsplaet
      26-De wage aldaer
      27-Corenwintmolen aldaer
      28-Vis ende vogelarije
      29-Veren
      30-Patrijsvanck
      31-Bijen vlugt
      32-Erfchijnsen op Colijnsplaet
      33-Erfchijnsen opde Schaepspolder
      34-Gemengden ontfanck
      35-Extraordinaren ontfanck
      Uijtgeeff

      1-Cap. Erfrenten gaende uijt Orisande
      2-Ongelden van dijckgeschoten ende statepenningen
      3-Doublen C- penninck vande thienden, molen, dijk en gorsettinge
      4-Reparatien en onderhout van strate, kaije, spuijdamme en diergelijcke wercken,
      5-Ordinaris uijtgeeff van pentien ende gagien
      6-Gemengden uijtgeeff
      7-Extraorinaren uijtgeeff
      Inhoudsopgave van de rekening van de domeinen 1770. (NDR inv.nr. 14485). Register op wat Blad of Folien de Capittels deser Rekening staen.
      Capittels - Ontfang

      1-Erffchijnsen en Erfpachten
      2-Accijns en Kaaijgelt
      3-De Waag
      4-Recognitien van Bedienden, Veeren en Neringdoende persoonen
      5-Vis en Vogelarijen, Patrijsvangst, de Jagt en de Bijenvlugt
      6-De Koorn windmoolen
      7-Landpagten
      8-Dijk en Gorsettingen
      9-de Koorn en Lammertienden
      10-Verkogt hout
      11-Allerhanden extraordiairen Ontfang
      12-Ontfang van Restanten
      Capittels - Uijtgave

      1-Erfchijnsen
      2-Tractementen
      3-Interessen
      4-Statepenningen en dijkgeschoten
      5-Dubbele C~ penning van Tienden, Moolen, Dijk en gorsettingen en Huisschatting
      6-Reparatien aan de straet, Kaij, Spuijdammen, Moolen en hofsteden
      7-Aanplantingen
      8-Kosten van Verpagtingen
      9-Remissien
      10-Gemengden Uijtgave
      11-Rekeningskosten
      12-Restanten
      Literatuur J. van der Baan, Wolfaartsdijk, eiland en ambachtsheerlijkheid.Goes, 1866 M.P. de Bruin, 'De bedijking en verdere geschiedenis van de Wissenkerkepolder en zijn voorliggende polders'. In: OTAR Orgaan van de Vereeniging van technische Ambtenaren van den Rijkswaterstaat, jaargang 35 nr 10, April 1951,10, pp. 215-223. M.P. de Bruin, 'De ondergang en gedeeltelijke herwinning van het eiland Noord-Beveland'. Overdruk uit: OTAR. Orgaan van de Vereeniging van technische Ambtenaren van den Rijkswaterstaat, december 1952. A.W.E. Dek, Genealogie van de heren van Borselen. Zaltbommel, 1979. C. Dekker, Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen. Assen, 1971. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad. Deel II. Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren. 's-Gravenhage 1955. Encyclopedie van Zeeland. 3 delen. Uitgave van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1982-1984. R. Fruin, De provincie Zeeland en hare rechterlijke indeeling vóór 1795. Uitgave van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Middelburg, 1933. M.K. Elisabeth Gottschalk, Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland van 1400-1700. 3 delen. Assen, 1971-1977. Historisch jaarboek voor Zuid- en Noord-Beveland. Goes, 1975-. H.J.Ph.G. Kaajan, Archief van Johan van Oldenbarnevelt. 's-Gravenhage, 1984. J.B. Krüger, Potamo-chorographie of Naauwkeurige navorschingen over de Schelde met een beknopt historisch verhaal van Zeeland, van het Verdronken Zuid-Beveland, mitsgaders van alle plaatsen der Zeeuwsche eilanden benevens eene mededeling van de abdijen, kloosters, kerken enz. die daar in vorige tijd bestaan hebben. 2 delen. Bergen op Zoom, 1854. J.M.G van der Poel, De Wilhelminapolder, 1809-1959. In opdracht van de Maatschap 'De Wilhelminapolder'. Wageningen,1959. Laurens Priester, Campen en Soelekerke. De middeleeuwse geschiedenis van twee ambachten in het westen van Noord-Beveland. Middelburg, 1994. R. Rentenaar, 'Samenstellingen met persoonsnamen in de middeleeuwse Zeeuwse toponymie'. In: Archief van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap, jaargang 1991, pp. 1-32. R. Rentenaar, 'De plaatsnamen op -ingen in Zuidwest-Nederland'. in: Archief van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap, Jaargang 1992, pp. 1-31. G.F. Sandberg, Overzetveren in Zeeland. Middelbrug, 1970. J.W. Zondervan, 'Van Charlois naar Noord-Beveland: Hollandse emigratie naar nieuwe Zeeuwse polders'. In: Ons Voorgeslacht. Maandblad van de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie. Jaargang 51, no 473, pp. 377-390. J.P.B. Zuurdeeg, Gebundelde inventarissen van de oude archieven van het Waterschap Noord-Beveland. Deel I, Polders en Waterschappen. 1968-1970.
    • Verwerving van Veere, Vlissingen en Domburg

      Wolfert, zoon van Hendrik Wisse van Borssele, maakte aanspraak op het goederenbezit van zijn vader in het noordoosten van Walcheren, dat deze in 1276 aan zijn zoons gezamenlijk had gegeven. In 1282 droeg Wolfert (I) zijn bezit op aan gravin Beatrix en aan haar man Floris V. Hij verkreeg deze goederen weer terug als onsterfelijk erfleen. Sindsdien noemde het hoofd van de familie zich: heer van der Veere.(

      W.S. Unger en J.J. Westendorp Boerma, 'De steden van Zeeland. Vere', in: Archief. Vroegere en latere mededelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1955), pp. 1-2. Tiny Polderman en Peter Blom, Veere, van vissersbuurt tot vestingstad: bouwstenen voor een stadsgeschiedenis (Goes, 1996), p. 17.

      )

      Philips van Bourgondië gaf in 1452 Vlissingen, Westkapelle en Domburg aan Hendrik (IV) van Borssele, graaf van Grantpré en heer van Veere, in pand. Diens zoon Wolfert (VI) van Borssele, graaf van Buchan, kocht Vlissingen, Westkapelle en Domburg definitief van Maria van Bourgondië in 1473. (

      NDR inv.nr. 14595.

      )Toen deze Wolfert van Borssele stierf gingen Veere en alle hiervoor genoemde steden en heerlijkheden over in de handen van het regerende vorstenhuis van Bourgondië door het huwelijk van de erfdochter Anna van Borssele met Philips van Bourgondië, zoon van Antheunis.

      In 1555 verhief keizer Karel V Maximiliaan van Bourgondië, afstammeling van de eerder genoemde Philips, wegens grote verdiensten tot markies van Veere en Vlissingen. Niet alleen deze steden, maar ook alle andere bezittingen en rechten van Maximiliaan op Walcheren werden tot dit markgraafschap verbonden.(

      NDR inv.nr. 1538, folio 321-326recto; L.E. de Brakke, 'Inleiding tot eene beschrijving der rechten van de Heer van Veere' in: Archief Zeeuwsch Genootschap (1930), p. 165.

      )

      In 1558 stierf Maximiliaan van Bourgondië. Na zijn dood bleken diens goederen zo zwaar met schulden belast te zijn dat deze verkocht moesten worden. De krachtens het testament van Maximiliaan van Bourgondië aangewezen erfgenaam, zijn neef Maximiliaan van Hennin, weigerde de nalatenschap. De erfenis kwam nu toe aan Maximiliaan van Kruiningen. Van 1563 tot 1565 was hij markies van Veere en Vlissingen. Ook voor hem bleek de schuldenlast, die op het markiezaat rustte, te zwaar.

      Het markgraafschap werd daarom in 1566 op last van de Grote Raad van Mechelen verkocht, niet als geheel, maar in delen (dit feit hebben tegenstanders van de invloed van de Oranjes in de 18e eeuw als argument aangegrepen om opheffing van het markiezaat en de devassalage te rechtvaardigen). Westkapelle werd definitief uit het markiezaat losgemaakt, ook al zou het wel van 1567 tot 1648 tot de Nassause domeinen behoren en had het zelfs van 1618 tot de verkoop in 1648 dezelfde rentmeesters als Veere. Gegadigden voor de koop van Veere en Vlissingen waren de stad Middelburg, Anthonis van Hennin en prins Willem van Oranje. De steden werden echter niet aan de meestbiedende maar aan koning Philips II verkocht; hij maakte zich op 14 april 1567 door naasting meester van het markiezaat. De koning verplichtte zich de schulden van Maximiliaan van Bourgondië over te nemen en te voldoen. Hij liet zich uit hoofde van het markgraafschap vertegenwoordigen als Eerste Edele in de Staten van Zeeland. De titel 'markies van Veere en Vlissingen' werd door Philips II nooit gevoerd.(

      Verknocht en niet te scheiden. Gids bij de expositie over vier eeuwen Markiezaat en Oranje, 1581-1981 (Veere, 1981), p. 6. De Brakke, 'Inleiding', p. 168-169.

      )

      Bij het uitbreken van de opstand in 1572 staakte koning Philips II de aflossing van de schulden en eisten de crediteurs dat het Hof van Holland het markiezaat weer zou verkopen. Gegadigden waren: de steden zelf, de stad Antwerpen en prins Willem van Oranje, die zo zijn positie in het gewest wilde versterken. De prins wist Veere en Vlissingen uiteindelijk eind juni 1581 voor 144.600 gulden te verwerven.(

      [J. de Back], Het Regt van Syne Hoogheyd den Heere Prince van Orange en Nassau etc. tot het Marquisaat van Veere en Vlissingen (Franeker, 1733), pp. 14-15, Verknocht en niet te scheiden, p. 7.

      )

      De Staten van Holland en van Zeeland beschouwden zich als opvolgers van koning Philips II als graaf van Holland en Zeeland; de prinsen van Oranje waren dus verplicht voor hun bezittingen in Zeeland leenverhef voor beide colleges doen.

      De koop van het markiezaat door prins Willem van Oranje had een drievoudige betekenis. Naast de inkomsten uit het domein, had de stadhouder een gebied van groot strategischbelang in handen. Bovendien wist hij hierdoor zijn politieke invloed als stadhouder van Zeeland aanzienlijk te vergroten (zie voor de politieke betekenis van de functie van Eerste Edele hieronder).

      Na de moord op prins Willem van Oranje kwam de zwaar belaste boedel onder toezicht van colleges van curatoren te staan, die de nalatenschap moesten afwikkelen. De diverse colleges van curatoren bleken niet voor deze taak berekend en gaven prins Maurits zo de kans de nog niet verdeelde erfenis voor zijn politieke aspiraties te gebruiken. Hij was juist stadhouder van Holland en Zeeland geworden, toen Vlissingen (evenals Rammekens en Brielle) in 1585 aan Engeland werd verpand in ruil voor militaire hulp aan de Republiek. Dit betekende dat een Engels garnizoen onder leiding van een Engels gouverneur werd gelegerd. De Staten-Generaal, de Staten van Holland en de Staten van Zeeland verleenden prins Maurits akten van indemniteit (schadeloosstelling), waarin zij zich garant verklaarden voor zijn rechten en inkomsten uit Vlissingen. (

      NDR inv.nr. 14927.

      ) Maurits nam hiermee geen genoegen en ging zich 'markies van Veere en Vlissingen' noemen. Hij werd slechts door de Staten van Holland en het Hof van Holland als zodanig erkend. De magistraat van Veere bleef naast Maurits ook de curatoren van het sterfhuis consulteren. Pas op 20 november 1588 werd hij in die kwaliteit in Veere ingehuldigd. Ook trok Maurits de waardigheid van Eerste Edele van Zeeland aan zich (zie hieronder). Hij kreeg hierover onenigheid met zijn halfzuster Maria, die trachtte de belangen van de door koning Philips II gevangen genomen prins Philips Willem, de rechtmatige erfgenaam, te behartigen. Op 21 oktober 1613 ten slotte werd prins Maurits officieel met het markiezaat van Veere, Vlissingen en Domburg beleend, nadat deze domeinen hem bij boedelscheiding waren toebedeeld. (

      Scherft, Het sterfhuis, pp. 62-64, 66-68. NDR inv.nr. 14603-14605.

      )
      De opvolgers van stadhouder Maurits, de prinsen Frederik Hendrik, Willem II en Willem III, werden achtereenvolgens met het markiezaat beleend. Een uitzondering hierop vormt Domburg, dat deel uitmaakte van het domein Veere. Het werd met Westkapelle op 12 februari 1648 aan Middelburg verkocht. Hiertoe behoorden ook de Westduinen, te beginnen bij de duinen van Middelburg tot aan Oostkapelle. (

      NDR inv.nr. 765, folio 386.

      )

      Na de dood van koning-stadhouer Willem III, die kinderloos gestorven was, werden de Staten-Generaal als executeurs-testamentair aangewezen. Prins Willem III had namelijk zijn achterneef, de Friese stadhouder Johan Willem Friso als universeel erfgenaam benoemd. In het testament van Frederik Hendrik werd echter bepaald dat, in het geval zijn geslacht in mannelijke lijn uitstierf, de erfenis aan de nakomelingen van zijn oudste dochter Louise Henriette zou bevallen. Dit zou betekenen dat koning Frederik I van Pruisen de erfgenaam van Willem III zou zijn en o.a. markies van Veere en Vlissingen zou worden. De Staten-Generaal lieten zich in 1703 en in 1712 ten behoeve van de toekomstige erfgenaam met het makiezaat belenen. (

      NDR inv.nr. 1607; Verknocht en niet te scheiden, pp. 9-10.

      ) Juist toen er een vergelijk op komst was overleden kort na elkaar beide pretendenten. Hun zonen, stadhouer Willem IV en koning Frederik Willem I van Pruisen, waren nu de gegadigden.

      De Staten van Zeeland wensten echter een einde te maken aan de grote invloed van de Oranjes in hun gewest. Zij waren van mening dat de prinsen van Oranje de titel van 'markies' altijd al ten onrechte hadden gevoerd en wilden het markiezaat van Veere en Vlissingen opheffen. De stad Veere wist een dergelijke stap enige tijd tegen te houden. Ook de functie van Eerste Edele, die tot 1702 door Willem Adriaan van Nassau-Odijk namens Willem III was bekleed, werd opgeheven. Verder trokken de Staten van Zeeland het benoemingsrecht van regenten in Veere en Vlissingen aan zich, een recht dat voorheen de markies toekwam. De Nassause Domeinraad spande daarom als vertegenwoordiger van de markies een procedure bij de Hoge Raad van Holland en Zeeland aan, omdat de rechten van de markies geschonden werden, echter zonder resultaat. (

      Zie voor het verloop van deze strijd ARA, Archief Hoge Raad van Holland en Zeeland, inv.nr. 1005: Hoge Raad aan de Staten van Holland, 30 januari 1704; NDR inv.nr. 14607-14610

      )

      Op 14 mei 1732 kwam het 'Tractaat van Verdeelinge' tussen prins Willem IV en Frederik Willem I, koning van Pruisen, tot stand, waarbij aan eerstgenoemde het markiezaat van Veere en Vlissingen werd toebedeeld. Kort daarna, in november van dat jaar, liet Veere zijn aanvankelijk verzet varen en verklaarden de Staten van Zeeland dat Veere en Vlissingen voortaan aan elke vorm van vazaliteit en leenroerigheid waren ontslagen. Zo begon de periode van 'devassalage'. Prins Willem IV tekende verzet aan bij de Staten van Zeeland en weigerde de door de Staten aangeboden schadeloosstelling van 100.000 rijksdaalders te aanvaarden. Zijn schoonvader, koning George II van Engeland, trachtte te bemiddelen, maar tevergeefs. Toen echter in april 1747, tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog, Franse troepen Staats-Vlaanderen waren binnengevallen en Zeeland rechtstreeks bedreigd werd, ontstond er te Veere een volksopstand. Onder druk van de opstandige menigte erkende het stadsbestuur als eerste prins Willem IV als stadhouder van Zeeland. De Staten van Zeeland volgden twee dagen later.

      Het markiezaat van Veere en Vlissingen werd niet automatisch in ere hersteld. De vader van prins Willem IV, Johan Willem Friso, werd post-huum als erfgenaam van koning-stadhouder Willem III met het markiezaat beleend. Daarna pas volgde de belening van prins Willem IV. Ook leenrechtelijk was de devassalage nu ongedaan gemaakt. (

      Verknocht en niet te scheiden, p. 11.

      ) Als schadeloosstelling voor de gederfde inkomsten werden prins Willem IV en diens opvolgers voortaan ontslagen van hun verplichting de 'zee- en andere werken' in Veere en Vlissingen te onderhouden. De Staten van Zeeland verleenden beide steden een subsidie van resp. 1000 en 4037 ponden Vlaams in plaats van de prinselijke bijdrage.(

      NDR inv.nr. 1102, Rekening Generaal 1755/1757, folio 10; Gedrukte Notulen van de Staten van Zeeland, 23 oktober 1647, p.848, z.j., z.p. Voor gegevens over de feitelijke regelingen met Veere en Vlissingen na intrekking van de devassalage zie: NDR inv.nr. 765, folio 342-349.

      )

      In 1766 volgde prins Willem V zijn reeds in 1751 gestorven vader in alle rechten op. Tijdens de revolutie van 1787 eiste een Oranjegezinde volksmenigte te Veere - en met succes -dat prins Willem V in al zijn rechten en waardigheden zou worden gehandhaafd.

      Na de Franse revolutie werden bij het tractaat van 16 mei 1795 de Nassause domeinen aan de Bataafse Republiek overgedragen. De zittende rentmeesters konden hun functie blijven vervullen tot 1809. Het beheer werd daarna aan de ambtenaren van de Directie der registratie en domeinen in Zeeland opgedragen.(

      'Archieven van de rentmeesters van de prinsen van Oranje in de provincie Zeeland', in IRA III, p. 723.

      )

      Het recht van de Eerste Edele

      Vóór de opstand bestonden de Staten van Zeeland uit twee leden: prelaat en edelen, en de 'goede' steden (steden, die rechtstreeks onder de landsheer vielen) nl. Middelburg, Zierikzee, Reimerswaal, Goes en Tholen. Veere en Vlissingen, die een bijzondere heer hadden, konden daardoor geen zitting hebben in de Statenvergadering, Aanvankelijk kwamen alle grote edelen ter Statenvergadering. Na 1520 vertegenwoordigde Adolf van Bourgondië, heer van Beveren, Veere en Vlissingen, als Eerste Edele de Zeeuwse adel in de Staten van Zeeland. In deze functie kon men de politiek van het gewest naar zijn hand zetten. Keizer Karel V en diens opvolger, koning Philips II, waren eropuit deze positie in betrouwbare handen te geven.

      Toen Karel V Maximiliaan van Bourgondië tot markies van Veere en Vlissingen verhief had dit grote consequenties voor de toekomst. Met enkele onderbrekingen en de nodige strijd zou de positie van Eerste Edele in de Staten van Zeeland aan het markiezaat van Veere en Vlissingen verbonden blijven.

      Prins Willem van Oranje, stadhouder van Holland en Zeeland, had er zelf bij Margaretha van Parma op aangedrongen dat het recht om als Eerste Edele te fungeren los werd gekoppeld van het markiezaat van Veere en Vlissingen, en dat de Eerste Edele door de Staten van Zeeland zou worden aangewezen. Zo bekleedde prins Willem van Oranje na de dood van Maximiliaan van Bourgondië enige jaren (1562-1567) de positie van Eerste Edele als 'garde noble' voor zijn minderjarige zoon Philips Willem, die van zijn moeder, Anna van Egmond, o.a. de heerlijkheid St. Maartensdijk had geërfd.

      Toen koning Philips II het markiezaat in handen kreeg, liet hij zich uit hoofde van het markiezaat als Eerste Edele in de Staten van Zeeland vertegenwoordigen.

      Nadat prins Willem van Oranje het markiezaat had gekocht, verwachtte hij met deze koop ook het recht van Eerste Edele in de Staten van Zeeland te verwerven. De Staten van Zeeland weigerden echter dit recht aan het markiezaat te koppelen, maar verleenden het hem alsnog vanwege zijn grote verdienste voor de provincie. (

      Scherft, Het sterfhuis, p 106-109.

      )Dit betekende dat Willem van Oranje (en zijn opvolgers) drie van de zeven stemmen in de Staten van Zeeland kreeg: die van de Eerste Edele en de stemmen van de steden Veere en Vlissingen. De prinsen van Oranje bekleedden deze positie niet in persoon maar wezen een vertegenwoordiger aan.

      Ook in de Staten van Walcheren (het bestuur van de dijkgraafschappen op Walcheren) had de Eerste Edele een doorslaggevende stem.(

      NDR inv.nr. 769, folio 1862-1864.

      )

      Pieter de Rijcke vertegenwoordigde eerst prins Willem van Oranje, dan prins Maurits als Eerste Edele in de Staten van Zeeland. Toen De Rijcke in 1596 overleed bleken er naast prins Maurits meerdere pretendenten voor deze functie te zijn: de Zeeuwse adel en de man van Maurits' halfzuster Maria, Philips van Hohenlohe. De Staten van Zeeland hielden vast aan hun recht zelf de Eerste Edele aan te wijzen en kenden deze functie aan prins Maurits toe, uitsluitend op grond van zijn verdiensten voor het land, net als dit bij zijn vader was gebeurd.(

      Scherft, Het sterfhuis, pp. 185-187.

      )

      Een soortgelijk geschil deed zich voor in 1651, na de dood van prins Willem II. Willem III, nauwelijks drie jaar oud, werd in 1653 met het markiezaat van Veere en Vlissingen beleend. Het recht van Eerste Edele werd hem door de Staten van Zeeland pas in 1668 toegekend. Tijdens zijn regering als stadhouder bekleedde Willem Adriaan van Nassau-Odijk namens hem deze positie. Het tweede stadhouderloze tijdperk betekende een tijdelijke afschaffing van de functie van Eerste Edele.

      Willem IV werd in 1748 in zijn rechten hersteld en herkreeg zijn plaats als Eerste Edele in de Staten van Zeeland. Zijn rechten gingen probleemloos over op zijn zoon prins Willem V. In de revolutie van 1787 hadden de prinsgezinden in Zeeland de overhand. De Fransen maakten aan het 'ancien régime', en dus ook aan deze functie, definitief een eind.(

      Verknocht en niet te scheiden, p 6-12, S.J. Fockema Andreae, De Nederlandse Staat onder de Republiek (Amsterdam, 1982), pp. 51-52.

      )

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      Aangezien de domeinen van Veere en Vlissingen op institutioneel en bestuurlijk gebied soms nauw met elkaar verweven bleken te zijn - denk bijvoorbeeld aan de 'devassalage'-, maar op administratief gebied volkomen gescheiden, is er gekozen voor een algemene inleiding voor beide domeinen. Hierin komt de gezamelijke geschiedenis van het markiezaat en het recht van de Eerste Edele aanbod. Daarna volgt de inleiding, die specifiek over het bestuur, de rechtspraak en de administratie van het domein Veere handelt. In het hoofdstuk betreffende Veere en het markiezaat van Veere en Vlissingen staan onder de rubriek B. verwerving, vervreemding en betwisting van goederen en rechten, nr 1. stukken vermeld die op de domeinen van Veere en Vlissingen betrekking hebben. In het hoofstuk betreffende Vlissingen wordt bij dezelfde rubriek naar het hoofdstuk Veere verwezen. Hetzelfde geldt voor stukken betreffende het bestuur (inventaris van Veere, rubriek C1), en betreffende renten, die zowel op Vlissingen en op Veere waren gevestigd (rubriek D. 2a van de inventaris van Veere).

      Behalve over de domeinen zelf kan men in de stukken betreffende Veere en Vlissingen informatie vinden over de politieke strijd tussen het Oranjehuis en de Staten van Zeeland, m.n. in de rubrieken B.'Verwerving, vervreemding en betwisting van goederen en rechten' en C. 'Bestuur en rechtspraak'. Onder rubriek D. 2b 'Aflossing van renten' van beide domeinen vindt men enige gegevens over de aflossing van de schulden, die op het sterfhuis van Willem van Oranje rustten.

      Afgedwaalde archiefstukken

      In het Rijksarchief in Zeeland bevinden zich stukken die bij diverse archieven van rentmeesters van Zeeuwse domeinen horen. Van Vlissingen bevindt er zich een aantal rekeningen over de jaren 1773/74, 1775/76, 1789/90 en 1793/94, inv.nrs. 293-296 uit M.D. Lammerts, 'Inventaris van de rentmeesters van de rentambten van de prinsen van Oranje in de provincie Zeeland' in: Inventarissen van rijks- en andere archieven. Van rijkswege uitgegeven, voor zoover ze niet afzonderlijk zijn afgedrukt (IRA) III, 's-Gravenhage 1930.

      Het betreft stukken uit het archief van de Nassause Domeinraad, die ingevolge de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 oktober 1901, no. 2412, afd. K.W. zijn afgestaan.

      Verwante Archieven

      Andere archiefdiensten met stukken betreffende de domeinen van Vlissingen en Veere

      • Het archief van de Staten van Zeeland en hun Gecommitteerde Raden.
      • Het archief van de Rekenkamer van Zeeland

      • Het stadsarchief

      • Het stadsarchief.

      • De Hoge Raad
      • het Hof van Holland
      • De Staten van Holland
      • Collectie Van Dorp

      Literatuur [Jan de Back], Het Regt van syne Hoogheyd den Heere Prince van Orange en Nassau &c. tot het Marquisaat van Veere en Vlissingen. Franeker, 1733. L.E. de Brakke, 'Inleiding tot eene beschrijving der rechten van den Heer van Vere' In: Archief Vroegere en latere mededeelingen voornameli]k in betrekking tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1930, p 141-204. M. van der Bijl, Idee en interest. Voorgeschiedenis, verloop en achtergronden van de politieke twisten in Zeeland en vooral in Middelburg tussen 1702 en 1715. Groningen, 1981. Elinor Courthope, 'The journal of Thomas Cuningham of Campvere'. In: Publications of the Scottish history Society, 1928 P.H. Damsté, Veere, vier eeuwen markiezaat. De Bilt, 1961. Encyclopedie van Zeeland. 3 delen. Middelburg, 1984. Jacobus Ermerins, Eenige Zeeuwsche Oudheden, uit echte stukken opgehelderd en in het licht gebragt. 6 delen. Middelburg, 1780-1792. Pieter Fagel, Zeven eeuwen Veere Middelburg, 1983 R. Fruin, De Provincie Zeeland en hare rechterlijke indeeling vóór 1795. Middelburg, 1933. R. Fruin, 'Het Stapelcontract van 12 april 1675'. In: Archief. Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1911, pp. 1-18. The History of the Marquisate of Veere and Flushing, From its first Origine tot the Present Time. London, 1741. N. Japikse, 'De Prins van Oranje en de Schotse Stapel te Veere in 1668'. In: Archief. Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1906. M.D. Lammerts, 'Inventaris van de rentmeesters van de rentambten van de prinsen van Oranje in de provincie Zeeland' in: IRA III, 's-Gravenhage, 1930. J.W. Perrels, 'Bijdragen tot de geschiedenis van den Schotsen Stapel te Vere'. In: Archief Zeeuwsch Genootschap, 1905, p. 91-172. Tiny Polderman en Peter Blom, Veere, van vissersbuurt tot vesttngstad: bouwstenen voor een stadsgeschiedenis. Goes, 1996. P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden, 1966. M. Smallegange, Nieuwe Cronyk van Zeeland. Middelburg, 1696. J.B.J.N. De van der Schueren, 'Bijdrage tot de geschiedenis der confiscatie van de geestelijke goederen in Holland en Zeeland, en mededeelingen omtrent sommige dier goederen bepaaldelijk die in Middelharnis, Walcheren en Wemeldingen gelegen'. Uitgave van de Nederlandse Genealogische Vereniging, afdeling Zeeland, 1893. J.B.J.N. De van der Schueren ed., Arend van Dorp. Brieven en onuitgegeven stukken. Utrecht, 1887-1888 Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, nieuwe serie, dl. 44 en 50. J.H. de Stoppelaar, Willem III in Zeeland. Middelburg 1863. W.S. Unger en J.J. Westendorp Boerma, 'De steden van Zeeland' in: Archief. Vroegere en latere mededelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1955, pp. 1-65. Verknocht en niet te scheiden. Gids bij de expositie over vier eeuwen Markiezaat en Oranje, 1581-1981. Veere 1981. J. Wagenaar, Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden. Amsterdam 1753, deel 10, Zeeland, 2e deel.
    • Verwerving

      De graven van Holland hielden het gebied van Zeeland bewesten de Schelde al sinds de tweede helft van de 12e eeuw in leen van de graven van Vlaanderen en trachtten, met wisselend succes, het gebied van de Vlaamse vazalliteit te bevrijden. Na lange strijd is graaf Willem III in 1323 hierin definitief geslaagd. Philips van Bourgondië gaf in 1452 Vlissingen, Westkapelle en Domburg aan Hendrik (IV) van Borssele, graaf van Grantpré en heer van Veere, in pand. Diens zoon Wolfert (VI) van Borssele, graaf van Buchan, kocht Vlissingen, Westkapelle en Domburg definitief van Maria van Bourgondië in 1473.(

      K. Baart, Westkapelle, hare bevolking, Westkapelsche dijk (Middelburg 1889, heruitgave Hes, Utrecht 1972), pp. 32-33; NDR inv.nr. 14595 en 15161

      ) Toen deze Wolfert van Borssele stierf gingen Veere en alle hiervoor genoemde steden en heerlijkheden over in de handen van het regerende vorstenhuis van Bourgondië door het huwelijk van de erfdochter Anna van Borssele met Philips van Bourgondië, zoon van Antheunis.

      In 1555 verhief keizer Karel V alle goederen en rechten, die Maximiliaan van Bourgondië op Walcheren bezat tot een markiezaat en beleende hem met dit markiezaat. Na de dood van Maximiliaan bleken diens goederen met zware schulden belast te zijn, zodat het markiezaat in 1566 op last van de rechter van de Grote Raad van Mechelen aan Arend van Dorp, raadsheer van prins Willem van Oranje, werd verkocht. Tevoren had Philips II Van Dorp met de stad en de heerlijkheid van Westkapelle beleend. Met deze verkoop werd Westkapelle uit het verband van het markiezaat losgemaakt.

      Korte tijd later, in 1567, verkocht Van Dorp Westkapelle aan Willem van Oranje, die het aan zijn oudste zoon Philips Willem overdroeg. Na de dood van Philips Willem in 1618 ging Westkapelle over in handen van diens broer prins Maurits. In 1625, het jaar van het overlijden van Maurits, gingen stad en heerlijkheid Westkapelle over naar Frederik Hendrik.(

      NDR inv.nr. 15158 en 15160.

      ) In februari 1648 werd Westkapelle (samen met Domburg) aan Middelburg verkocht.(

      NDR inv.nr. 769, folio 1898; inv.nr. 14714,15161. Veeze, De Raad, p 23.

      )

      Grondgebied en benaming

      Westkapelle bestond uit de stad en de heerlijkheid Westkapelle-Buiten. Westkapelle ontleent haar naam aan een christelijke kapel, waarvan voor het eerst in 1162 melding wordt gemaakt.

      Van de 12e tot eind 14e eeuw was Westkapelle een welvarende plaats, vooral dankzij zijn bloeiende haven. Men leefde er van de scheepvaart, visserij en de scheepsbouw. Er kwam een einde aan de bloei van de stad door het steeds verder afkalven van de duinen, waardoor de haven verdween en de stad gedeeltelijk onderliep (eerste Elisabethsvloed in 1404, tweede in 1422). Dit betekende het einde van de scheepvaart in Westkapelle en droeg bij tot de bloei van Vlissingen. Ook op het gebied van de haringvisserij nam Vlissingen in de loop van de 15e eeuw de prominente rol van Westkapelle over. In Westkapelle legde men zich vanaf 1540 op de aanleg en het onderhoud van de beroemde Westkapelse dijk en op landbouw toe. Tijdens de opstand koos Westkapelle in 1572 de kant van de prins, waarop de Spanjaarden de stad plunderden. Hierdoor ging het met Westkapelle nog verder bergafwaarts.

      Westkapelle bloeide echter in de loop van de 17e eeuw weer op, getuige de opbrengst van de accijnzen en belastingen en de ambitieuze verfraaiing van het stadhuis.(

      W.S. Unger en J.J Westendorp Boerma, 'De steden van Zeeland I' in: Archief Zeeuwsch Genootschap (Middelburg, 1954), pp. 85-87; Baart, Westkapelle, pp. 70-71.

      )

      Bestuur en rechtspraak

      Westkapelle had al in 1223 van Floris V stadsrecht gekregen. Het behoorde tot de zogenaamde 'smalsteden', steden die geen zitting ter Statenvergadering hadden.

      De regering van de stad bestond uit een baljuw, twee burgemeesters en vijf schepenen. Westkapelle kreeg bij het Groot Privilege in 1477 gedurende een korte tijd criminele rechtspraak. In 1497 kregen de steden die onder de heren van Veere ressorteerden dit recht weer terug, dus ook Westkapelle.

      Rechten en bevoegdheden

      De prinsen van Oranje werden zowel door de Staten van Holland als door de Staten van Zeeland met Westkapelle beleend. In de akte van belening van Arend van Dorp worden de rechten als volgt geformuleerd:(

      NDR inv.nr. 15151; NDR inv.nr. 1538, folio 243 verso-244.

      )

      • de hoge, middelbare en lage jurisdictie
      • de tol
      • de vont/zeedrift
      • de bastaarde,onbeheerde en geconfisceerde goederen
      • alle rechten, baten, profijten, die Maximiliaan van Bourgondië placht te hebben
      • de duinen beginnende aan de Westduinen, met alle rechten ertoe behorende
      • de jurisdictie van Domburg met de polder zich uitstrekkende zuidwest- en zuidwaarts voorbij Zoutelande, zoals Maximiliaan van Bourgondië die bezeten had
      • het recht van Balance (de Waag)
      • het recht van exue (heffing op erfenissen, die aan personen buiten Westkapelle toevallen)
      • het windrecht over twee molens: resp. vierachtendeel en zesachtendeel
      • het benoemingsrecht van de baljuw, de secretarie en alle andere officiën, die Maximiliaan van Bourgondië had
      • 's Heeren vronen, gelegen ten Zuiden en Noorden van de stad
      • de accijnzen op wijn en bier. Hieruit moesten de volgende kosten betaald worden, overeenkomstig het contract met Anna van Borssele uit 1514(

        NDR inv.nr. 15150.

        )
        :
      • De gages van de baljuw, secretaris, stadsboden, klokstelder, schoolmeester en vroedvrouw
      • Voor de wethouders: kleedgeld, de reiskosten voor dienstreizen en hun verteringen op de Sacramentsdag en op het feest van St. Catharina
      • Kapoenen voor de vrouwen van de burgemeesters
      • Vuur en licht op het stadhuis
      • Het schoonhouden van de waterlopen
      • Onderhoudskosten aan het stadhuis, straten etc.

      Verder had de prins van Oranje nog enkele landerijen in Heer Boudewijnskerck, Heer Poppekerck, en St. Janskercke (zie hierna de inhoudsopgave van de rekening).

      Beheer Rentmeesters waren:

      Matthias Zegers, 1618-1633
      Josua Apollonij, 1635-1640.
      Cornelis Apollonij, 1640-1642.
      Leonard Pool, 1642-1647.

      Namen van rentmeesters uit de periode 1567-1617 zijn niet bekend. Vanaf 1618 zijn het dezelfde rentmeesters als die van Veere. Tussen 1602 en 1618 schijnen er geen rekeningen geweest te zijn. De rekening van 1618 werd blijkens de aantekeningen in de marge als de (niet-aanwezige) rekening van 1602 ingericht.

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In de oude Folio-inventaris bestond hoofdstuk CC. West Cappel uit 1. West Cappel en 2. West Cappel en Domburch. De onder 2. genoemde stukken betreffen de verwerving van de heerlijkheden Vlissingen, Westkapelle en Domburg door Hendrik van Borssele en de oprichting van het markiezaat van Veere en Vlissingen. Ze staan in dit hoofdstuk Westkapelle onder blanco nummer vermeld, met verwijzing naar het hoofstuk betreffende het markiezaat van Veere en Vlissingen. De stukken zijn daar opgenomen aangezien ze op het hele markiezaat betrekking hebben en in dat hoofdstuk ontbraken.

      Literatuur K. Baart, Westkapelle, hare bevolking, Westkapelsche dijk. Middelburg, 1889. Heruitgave: Hes, Utrecht, 1972. R. Fruin, De Provincie Zeeland en hare rechterlijke indeeling vóór 1795. Middelburg, 1933. P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden, 1966. J.B.J.N. De van der Schueren ed., Arend van Dorp. Brieven en onuitgegeven stukken. Utrecht, 1887-1888. Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, nieuwe serie, deel 44 en 50. W.S. Unger, 'Rechtsbronnen van Westkapelle' in: Verslagen van de Vereniging oud-vaderlands recht, VII, pp. 244 e.v. W.S. Unger en J.J. Westendorp Boerma, 'De steden van Zeeland' I in: Archief. Vroegere en latere Mededelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Middelburg, 1954, pp. 85-87.
      Bijlage Inhoudsopgave van de Reeckeninge van Westcappel van 1 juni 1618 - 31 mei 1619

      (

      NDR inv.nr. 15165.

      )

      Ontfanck

      1. Ontfanck van den Wijn ende Byeraccys
      2. Ontfanck van Exuegelt
      3. Ander Ontfanck vande Balance
      4. Ander Ontfangh vanden Wintcoremolen tot Westcappel
      5. Anderen Ontfangh van onbeheerde goederen ende zedriften
      6. Ander Ontfanck van tambacht binnen der Stede Westcappel
      7. Ander Ontfanck van de duynvronen besuyden ende benoorden Westcappel
      8. Ander Ontfanck van de ambachten in de Parochie van Westcappel met Wentkensdorp, Heer Boudewijnskerck, Heer Poppekerck, ende St. Janskercke.
      Vuytgave

      1. Van den Vuytgeeff der Ordinaris gaigien op den eersten Meye
      2. Van den Vuytgeeff tot de maeltyt ende brandt voor de Stadt
      3. Van den gemengden extraordinaris vuytgeef
  • openDEEL 13 AANHANGSEL

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in