gahetNA in het Nationaal Archief

Nassause Domeinraad vanaf 1581

1.08.11
Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.11
Auteur: Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
(c)

Periode:

1218-1842
merendeel 1581-1811

Omvang:

488,25 meter; 16861 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Latijn , Frans en het Duits

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten. Kennis van het 13e t/m 18e eeuwse handschrift is noodzakelijk: de Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Nassause Domeinraad was het bestuurscollege dat het beheer over de domeinen van de familie Oranje-Nassau uitoefende. Deze landgoederen strekten zich uit over het gehele territorium van de Republiek, maar lagen overwegend in Holland, Zeeland, (Noord-)Brabant en Gelderland. Ook in Duitsland, Luxemburg en Frankrijk (vnl. het prinsdom Orange) had men bezittingen. Oorspronkelijk was de domeinraad gevestigd te Breda en later vanaf eind zestiende, begin zeventiende eeuw te Den Haag aan het Binnenhof. De Raad- en Rekenkamer, zoals zij ook wel werd genoemd, telde vijf tot zeven leden met daarnaast een griffier of secretaris als belangrijkste ambtenaar.
Het beheer van de goederen vergde een uitgebreide verantwoording door tal van rentmeesters die ter plekke waren belast met o.a. het toezicht op heerlijke rechten, als bijvoorbeeld het recht op de wind of op de visvangst. Al deze rechten en bevoegdheden leverden bij elkaar aanzienlijke inkomsten op ter bekostiging van de hofhouding (paleizen, kunstcollectie e.d.). Voor het verdere beheer was in elk domein tevens een grote hoeveelheid functionarissen aangesteld variërend van hoveniers tot predikanten. Dit gold eveneens het terrein van bestuur en rechtspraak met de aanstelling van schout en schepenen.
Het archief bevat de notulen van de domeinraad; thesauriersrekeningen (m.b.t. de uitgaven) en het ambtboek met gegevens over aanstellingen in elk domein. Verder zijn er per domein reeksen rentmeestersrekeningen, gebundelde correspondentie over tal van onderwerpen van bestuurlijk-juridische aard en losse stukken (meestal met een financiële inslag). Op een aantal series bestaan zowel eigentijdse als latere nadere toegangen.

Archiefvormers:

  • Aalst, heer van
  • Acquoy, Heer van
  • Agentschap van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Ameland, Heer van
  • Antwerpen, Burggraaf van
  • Baarle-Nassau, Heer van
  • Baarn, Heer van
  • Bentheim, Heer van
  • Bergen op Zoom, Heer van
  • Borculo, Heer van
  • Borsele, Heer van
  • Bourgogne, Heer van
  • Boxmeer, Heer van
  • Bracque, Heer van De
  • Breda, Heer van
  • Bredevoord, Heer van
  • Brussel, Paleis te
  • Buren, Graaf van
  • Bütgenbach, Heer van
  • College van Administratie der Goederen in Holland gelegen van de Prins van Oranje
  • College van Administratie over de door de Fransen geabandonneerde Goederen van de Vorst van Nassau
  • Cortenbach, Heer van
  • Cortgene, Heer van
  • Cranendonk en Eindhoven, Baron van
  • Culemborg, Heer van
  • Dasburg, Heer van
  • Dieren, Heer van
  • Diest, Heer van
  • Directie der Publieke Domeinen en Geestelijke Goederen
  • Directie der Staatsdomeinen in Holland
  • Dongen, Heer van
  • Eemnes, Heer van
  • Friesland, Heer van
  • Geertruidenberg, Heer van
  • Geertruidenberg, Kastelein van
  • Gorzen Orizand, Heer van
  • Grave en Cuijk, Heer van
  • Gravenhage, 's, Oude Hof in het Noordeinde
  • Gravenhage,'s, Huis Den Bosch
  • Grimbergen, Heer van
  • Het Loo, Heer van
  • Hohenlohe, Van
  • Holede, Heer van
  • Hulsterambacht, Heer van
  • IJsselstein, Heer van
  • Intendant van de Nassause Domeinen in de Zuidelijke Nederlanden
  • Kruidberg, Hofstede de
  • Lannoy, Heer van
  • Leerdam, Graaf van
  • Lek, Heer van de
  • Lekkerkerk, Heer van
  • Lichtenvoorde, Heer van
  • Liesveld, Heer van
  • Lingen, Heer van
  • Meerhout, Heer van
  • Meurs, Graaf van
  • Ministerie van Financiën, Administratie der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Monster, Heer van
  • Monsterambacht, Heer van
  • Montfort, Heer van
  • Naaldwijk, Heer van
  • Nassau, Van
  • Nassause Domeinraad
  • Nassause Domeinraad, Ontvanger-Generaal
  • Nassause Domeinraad, Thesaurier en Rentmeester-Generaal der Domeinen
  • Nederheim, Heer van
  • Neerem, Heer van
  • Niervaart, Heer van
  • Nieuwburg, Huis ter
  • Nispen, Heer van
  • Noord-Beveland, Heer van
  • Oosterhout, Heer van
  • Oploo, Heer van
  • Orange, Prince d'
  • Orange, Prins van
  • Oranje, Van
  • Oranje-Nassau, Van
  • Paifve, Heer van
  • Peen, Heer van
  • Polanen, Heer van
  • Princeland, Heer van
  • Prinsenland, Heer van
  • Raad en Rekenkamer
  • Ravestein, Heer van
  • Rollencourt, Heer van
  • Roosendaal, Heer van
  • Russon, Heer van
  • Rutten, Heer van
  • Scherpenisse, Heer van
  • Secretariaat van Staat voor de Financiën, Secretarie de Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Sichem, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Kapittel van Sint Maarten
  • Soest, Heer van
  • Soestdijk, Heer van
  • St. Vith, Heer van
  • Stadhouders van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel
  • Steenbergen, Heer van
  • Steenwijk, Heer van
  • Ter Eem, Heer van
  • Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Tholen, Heer van
  • Veere, Markies van
  • Vianden, Graaf van
  • Vlissingen, Heer van
  • Vorst, Heer van
  • Vriesland, Heer van
  • Wernhout, Heer van
  • Westcappel, Heer van
  • Westland, Heer van
  • Willemstad, Heer van
  • Zelhem, Heer van
  • Zevenbergen, Heer van
  • Zichem, Heer van
  • Zuid-Beveland, Heer van
  • Zwaluwe, Heer van

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • Verwerving en vervreemding

      De Oranjes kwamen in het bezit van het markiezaat van Bergen op Zoom door oorlog. Niet dat zij persoonlijk het markiezaat en de stad veroverden. Maar als gevolg van oorlogsomstandigheden werden de rechtmatige markiezen verbeurd verklaard van het markiezaat en werd het gebied door de Staten-Generaal aan de Oranjes geschonken. Een aantal malen raakten de Oranjes op deze manier in het bezit van het markiezaat. Even zovele malen werd het markiezaat weer teruggegeven aan de door vererving, huwelijk of koop rechtmatige eigenaren, de markiezen. De Oranjes raakten nooit in z'n geheel in het daadwerkelijke bezit van het gehele markiezaat. Of zij ontvingen alleen het vruchtgebruik, of een deel van het markiezaat was bezet door de vijandelijke machten, wat de inbezitname van het gehele markiezaat frustreerde. In het gedeelte dat dan niet werd gecontroleerd door de Staten-Generaal, waren de markiezen heer en meester.

      De eerste keer dat de Staten-Generaal het markiezaat aan een Oranje schonken was in 1581. Jan van Wittem, markies van Bergen, was wegens zijn Spaansgezinde houding van Bergen op Zoom vervallen verklaard. De Staten van Brabant bevestigden deze schenking in 1582. Willem van Oranje werd met het markiezaat beleend. Na de dood van Willem van Oranje, verkreeg diens zoon Maurits in 1585 de rechten van vruchtgebruik. Deze schenking door de Staten-Generaal gold voor de duur van de oorlog. (

      Scherft, Het sterfhuis, pp. 12-14, 67-68.

      ) De Oranjes zijn niet in staat geweest het hele markiezaat in bezit te nemen, omdat slechts een deel van het gebied gecontroleerd werd door de Staten-Generaal.

      Toen in 1609 het Twaalfjarig Bestand tussen de Republiek en Spanje werd gesloten, werd de confiscatie van Bergen op Zoom opgeheven en het markiezaat aan de rechthebbende markiezen teruggegeven. Maurits behield wel Willemstad en Ruigenhil, welke tot het markiezaat behoorden, op grond van een artikel dat bepaalde dat degene die een plaats had versterkt of publieke werken had doen uitvoeren, het betreffende gebied niet hoefde terug te geven. Wel diende de wettige eigenaren, de markiezen dus, een schadeloosstelling te ontvangen.

      Na afloop van het bestand in 1621 keerde de toestand weer terug naar die van voor 1609 en werd het markiezaat aan prins Maurits geschonken.

      In 1647 bereikte Willem II en de koning van Spanje, in het kader van de vredesonderhandelingen, een akkoord over de goederen van het huis van Oranje. Over Bergen op Zoom werd bepaald dat Willem II in het bezit zou worden gesteld van het gedeelte van het markiezaat dat hij nog niet bezat. In ruil daarvoor zou de Spaanse koning dan de bezittingen van de Oranjes in de Zuidelijke Nederlanden krijgen. Dit artikel leverde veel problemen op. Willem had namelijk Elisabeth prinses van Hohenzollern, toenmalig markiezin van Bergen op Zoom, een equivalent van de waarde van het markiezaat beloofd in ruil voor deze regeling. Dit equivalent moest van de koning van Spanje komen. Elisabeth werd niet tevreden gesteld en de prins liet in 1648 toe dat zij haar rechten in het markiezaat zou gaan uitoefenen. Wel beloofde de markiezin dat zij bereid was het markiezaat aan de prins van Oranje af te staan in ruil voor een gelijk equivalent.(

      NDR inv. nr. 7920 en Japikse, De Geschiedenis, I, p. 222.

      )

      In 1651 werd in een nieuw akkoord tussen het huis van Oranje en Spanje bepaald dat de prins zijn goederen in de Zuidelijke Nederlanden zou behouden en in plaats van het markiezaat 500.000 gulden ineens en 80.000 gulden jaarlijkse rente zou ontvangen. De prins ontving een eerste betaling van 200.000 gulden. De uitvoering van het verdrag gaf vele moeilijkheden tot aan 1685 toe. (

      Veeze, De Rand, pp. 11-12 en 71.

      ) Wel werd Elisabeth van Hohenzollern in haar rechten als markiezin hersteld.

      De oorlog van 1672 met Frankrijk had wederom tot gevolg dat de Staten-Generaal het markiezaat confisqueerden. De toenmalige markiezin Henriette van Hohenzollern was namelijk getrouwd met Frederik Maurits dela Tour d'Auvergne, Frans veldheer. De confiscatie geschiedde in eerste instantie ten behoeve van de Rijngraaf van Hoogstraten. In tweede en laatste instantie was het prins Willem III die het markiezaat ontving. (

      ARA, Collectie Aanwinsten 1820-1922, inv.nr. 954; 'Aantekeningen betreffende de markiezen van Bergen op Zoom uit het Huis van Oranje', pp. 75 e.v.

      ) Na het vredesverdrag van Nijmegen (1678) keerde het markiezaat in de schoot van de rechthebbende markiezen terug.

      In 1688 werd, als gevolg van de Negenjarige Oorlog, het markiezaat nogmaals geconfisqueerd ten behoeve van de prins van Oranje. Deze confiscatie duurde tot 1697. Daarna is in 1701 nogmaals een procedure tot confiscatie gestart. Deze werd niet tot een eind gebracht, omdat de toenmalige markies François Egon de la Tour d' Auvergne aan de kant van de Staten-Generaal bleek te staan.

      Sindsdien heeft geen Oranje het markiezaat nog in bezit gehad. (

      W.A. van Ham, Inventaris van de archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom ('s-Hertogenbosch 1980), Eerste stuk, p. 11.

      )

      Rechten en bevoegdheden

      Gedurende de perioden dat de prinsen van Oranje in het bezit van het markiezaat werden gesteld hadden zij in principe dezelfde rechten als de markiezen. Prins Maurits gebruikte het bezit van het markiezaat vooral voor politieke doelen. Het bezit hielp hem een machtsbasis in Brabant te vestigen en zijn invloed in de Staten-Generaal te vergroten. Deze opzet lukte echter niet, omdat Brabant niet als lid tot de Staten-Generaal werd toegelaten. (

      Scherft, Het sterfhuis, pp. 99 e.v.

      )

      Voor het overige stelden de Oranjes zich tevreden met het vruchtgebruik van het (gedeelte van het) markiezaat dat zij controleerden.

      Beheer

      De Oranjes konden alleen hun rechten uitoefenen in het deel van het markiezaat dat onder controle stond van de Staten-Generaal. In het gedeelte, in handen van de Spaanse partij, oefenden de markiezen hun rechten uit. Het is niet duidelijk welke delen van het markiezaat daar precies onder vallen. In ieder geval betrof het gebied van de Oranjes Fijnaart en de polder Heijningen in het noorden van het markiezaat, alsmede de stad Bergen op Zoom en haar directe omgeving. Tussen 1582 en 1609 werd het (gedeelte van het) markiezaat beheerd door de raden en rekenmeesters van Maurits van Oranje. Na de afloop van het Twaalfjarig Bestand in 1621 beheerde de rentmeester van Willemstad tot 1648 (Vrede van Munster) Fijnaart en bijbehorende polders. Tijdens de daaropvolgende confiscaties ten behoeve van de prins van Oranje, bleef de administratie waarschijnlijk in Bergen op Zoom.

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In deze deelinventaris staan de stukken betreffende het (tijdelijk en gedeeltelijk) bezit van het markiezaat van Bergen op Zoom beschreven. Het merendeel van de stukken betreffende het beheer van het markiezaat is elders tevinden. Het belangrijkste archiefbestand is beschreven in: W.A. van Ham, Inventaris van de archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom ('s-Hertogenbosch, 1980).

      Hierin staan archieven van 'de heren en markiezen van Bergen op Zoom, van hun raden en rekenmeesters, drossaarden, schouten en rentmeesters alsmede van de door deze heren verworven heerlijkheden. (

      W.A van Ham, Inventaris, Tweede stuk, deel A, p. 152.

      ) In deze archieven bevindt zich het grootste deel van de stukken betreffende het beheer van het markiezaat, zoals rekeningen van de rentmeesters. Ook stukken uit de periode dat de Oranjes in het bezit van (een deel van) het markiezaat waren, bevinden zich in het archief van de raad en rekenmeesters van de markiezen van Bergen op Zoom.

      De stukken betreffende het beheer van Fijnaart en omliggende polders tussen 1621-1648 bevinden zich in het archief van de Domeinraad. Omdat de rentmeester van Willemstad dit gebied beheerde, zijn de stukken te vinden onder de rubriek 'Stukken betreffende Willemstad'.

      In de Kaartencollectie Hingman VTH bevindt zich een aantal kaarten die uit het archief van de Nassause Domeinraad afkomstig zijn. Het betreft inv.nrs. 1472 en S 440 A-J. De overige kaarten van Bergen op Zoom en omgeving in deze collectie betreffen vaak Bergen op Zoom als militaire vesting. De Kaartencollectie Hingman berust in het Algemeen Rijksarchief.

    • Verwerving

      Breda behoorde oorspronkelijk met o.a. Bergen op Zoom, Zevenbergen en Geertruidenberg tot het Graafschap Strijen.

      In de 12e eeuw is het land van Strijen gesplitst in een Hollands en een Brabants deel. Sindsdien waren Breda en Bergen op Zoom gezamenlijk in het bezit van de Heren van Breda, die leenroerig waren aan de hertog van Brabant.

      Eind 13e eeuw was het huis van Breda uitgestorven. In 1287 verdeelde de hertog van Brabant het gebied in twee lenen, zodat stad en land van Breda in handen kwamen van Raso van Gaveren, heer van Liedekercke, wiens geslacht het gebied in bezit hield tot 1327. (Gerard van Wezemale, heer van Kwabeecke, verwierf Bergen op Zoom).

      In 1327 werden stad en heerlijkheid van Breda verkocht aan de hertog van Brabant, waarna het gebied gedurende twaalf jaar tot het hertogelijk domein behoorde.

      In 1339 beleende de hertog van Brabant Willem van Duvenvoorde uit het geslacht Van Wassenaer met het vruchtgebruik. De eigendomsrechten werden door de hertog in 1350 aan Willem's neef Jan van Polanen verkocht. Na het overlijden van Duvenvoorde kwamen de stad en heerlijkheid van Breda geheel in handen van Jan van Polanen.

      De kleindochter van Jan van Polanen, Johanna, trouwde in 1404 met Engelbrecht, graaf van Nassau, waardoor Breda in handen van het geslacht Nassau overging. (

      NDR inv.nr. 8127-8128.

      )

      Eind 15e eeuw, onder graaf Engelbrecht II van Nassau, is te Breda de Raad en Rekenkamer, zoals de Nassause Domeinraad aanvankelijk heette, opgericht en te Breda gevestigd en fungeerde Breda als zetel van de administratie van alle Nassause domeinen. Ook toen in 1568 de goederen van Willem van Oranje verbeurd werden verklaard, bleef de Raad in functie, zij het onder toezicht van de Spaanse Raad van Beroerten. Na het sluiten van de Pacificatie van Gent kreeg Willem van Oranje weer de beschikking over zijn goederen, zij het slechts voor enkele jaren. Toen de Spanjaarden in 1581 Breda voor de tweede maal innamen is de Nassause Domeinraad vanuit Breda naar Delft verplaatst en later te Den Haag gevestigd. (

      J.C.M. Pennings en E.A.T.M. Schreuder, 'Heer en Neester van Ameland tot de Zwaluwe' in: Jaarboek van het Oranje-Nassau Museum (1994), p. 48, Drossaers I, I, p X-Xl.

      )

      In 1544 stierf René van Nassau, heer van Chalon en enige zoon van Hendrik III van Nassau, zonder kinderen na te laten. Kort voor zijn dood had hij in zijn testament al zijn bezittingen aan Willem van Nassau, de oudste zoon van zijn oom, Willem de Oude, vermaakt. Zo kwam het geslacht van Willem van Oranje in het bezit van stad en heerlijkheid van Breda. In 1552 werd hij plechtig ingehuldigd. (

      Deze gegevens zijn gebaseerd op registers met 'Aanteekeningen en aanmerkingen omtrend de onderscheydene domeinen -Orange Nassau', NDR inv.nr. 764, folio 170-172 en op het artikel van F.F.X. Cerutti, 'De institutionele geschiedenis der stad tot de aanvang der 15e eeuw' in: Geschiedenis van Breda, deel I: De middeleeuwen, red. F.F.X. Cerutti e.a., (Schiedam, 1976).

      )

      De opstand van de Nederlandse gewesten tegen Spanje, de strategische ligging van het gebied en de leidende rol van Willem van Oranje en diens zonen hebben een grote invloed op de geschiedenis van Stad en land van Breda gehad.

      Alleen al in de periode van 1567-1637 wisselde Breda vijf maal van heer, nu eens was het een prins van Nassau en dan weer de Spaanse koning, in zijn kwaliteit van hertog van Brabant:

      1552-1568 Willem van Oranje
      1568-1576 Koning van Spanje
      1577-1581 Willem van Oranje
      1581-1590 Koning van Spanje
      1590-1625 Maurits/Philips Willem/Prins Maurits
      1625-1637 Koning van Spanje/Jan van Nassau-Siegen
      1637 Frederik Hendrik

      Na de moord op prins Willem van Oranje in 1584 werd diens zwaar belaste boedel onder toezicht van colleges van curatoren gesteld, die de nalatenschap moesten afwikkelen. De erfopvolging leidde tot scherpe belangentegenstellingen tussen de oudste kinderen van Willem van Oranje, vooral tussen Maurits en Maria, die trachtte naast haar eigen belangen ook die van haar in Spanje gevangen gehouden broer Philips Willem te verdedigen. De elkaar opvolgende colleges van curatoren bleken niet voor hun taak berekend en gaven prins Maurits de kans de nog niet verdeelde erfenis voor zijn politieke aspiraties te gebruiken. De militaire successen van Maurits speelden hem in de kaart.

      Zo wist hij zes jaar na de geweldadige dood van Willem van Oranje Breda, dat sinds 1581 weer in Spaanse handen was, te heroveren (met behulp van het 'Turfschip'). Na deze succesvolle inname wilde hij er het bestuur overnemen, doch stuitte op tegenstand van zijn halfzuster Maria, die tevens als zaakwaarneemster van Philips Willem optrad. Zij stelde namens haar broer Philips Willem in 1590 en 1591 een nieuwe magistraat aan, die haar gezag ook erkende. Maurits wist echter de administratie over Breda in handen te krijgen dankzij de steun van deStaten-Generaal. (

      Scherft, Het sterfhuis, p 152 e.v.; NDR inv. nr. 8129-8131.

      )

      In 1596 keerde Philips Willem uit de Spaanse gevangenschap terug naar de Zuidelijke Nederlanden en trad in dienst van de nieuwe landvoogd aartshertog Albertus, hetgeen in de Republiek met wantrouwen werd vernomen. Hij hoopte zich in het bezit te stellen van zijn deel uit het vaderlijk erfgoed, zowel van de door de Spanjaarden geconfisqueerde goederen als van de goederen die zich op het territoir van de Republiek bevonden, waaronder Breda. De Staten-Generaal echter wensten hem, een katholieke prins in dienst van de vijand, niet tot de administratie toelaten. Maurits bleef nog lange tijd deze functie vervullen.

      Philips Willem trok zich enige jaren later van het Spaanse hof te Brussel terug. Dit feit en de succesvolle onderhandelingen over een bestand met Spanje maakten het de Staten-Generaal mogelijk hem tot de administratie van zijn goederen toe te laten. In 1606 benoemde hij Jean Baptist Keeremans tot superintendent van al zijn Nederlandse bezittinge.(

      Scherft, Het sterfhuis, p. 246; NDR inv.nr. 8132.

      ) Toch bleven er tussen Maurits en Philips Willem nog jarenlang problemen rond de magistraatsbestelling te Breda bestaan: tot 1610 werden de benoemingen door prins Maurits gedaan.

      In 1609 werd prins Philips Willem plechtig als heer van Breda ingehaald, samen met zijn echtgenote Eleonora van Bourbon. De prins toonde zich tolerant in godsdienstige zaken. Wel had hij enkele botsingen met de Staten-Generaal, zoals over zijn weigering uit de Bredase kapittelgoederen de salarissen van de predikanten te betalen. Evenmin werd de benoeming van de katholieke Jean Baptiste Keeremans tot drossaard goedgekeurd. (In diens plaats stelde hij Johan van Aerssen aan). Reeds in 1618 overleed Philips Willem, zonder kinderen na te laten, en volgde prins Maurits hem als zijn erfgenaam op.

      In 1621 werden de vijandelijkheden tussen de Republiek en Spanje hervat en na een belegering van negen maanden wist de Spaanse veldheer Spinola de stad in 1625 te heroveren en kwam Breda weer in Spaanse handen.

      In Brabant brak nu de 'retorsiestrijd' uit over de vraag: wanneer men een stad veroverd heeft, beheerst men dan tevens het van die stad afhankelijke platteland? Elk der beide partijen hing de visie aan die hem het beste uitkwam: toen de Spanjaarden in 1625 Breda in handen kregen, stelde de inmiddels opgevolgde prins Frederik Hendrik dat hij nog altijd heer van het land van Breda was. (Na de verovering van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik in 1629 oordeelden de Staten-Generaal dat behalve de stad de Meierij ook in hun handen gevallen was). Elk der partijen gebruikte deze steden als basis voor pesterijen in elkaars platteland, zoals arrestaties, belastingheffingen etc.

      Als bestuurszetel van de baronie koos Frederik Hendrik Geertruidenberg. Daar werden het leenhof en de hoofdbank -nu ui tsluitend bestaande uit de schouten van 13 dorpen in de baronie- van Breda gevestigd. Het garnizoen, magistraten en prinsgezinde burgers trokken naar het nieuwe bestuurscentrum. Daarnaast fungeerden in de stad Breda eveneens een drossaard, een leenhof en een hoofdbank, alle Spaansgezind. (

      V.A.M. Beermann en j.L.M. de Lepper, 'De lotgevallen van de stad', in: F.A. Brekelmans e.a. eds., Geschiedenis van Breda.ll Aspecten VWI de stedelijke historie 1568 - 1795 (Schiedam, 1977), pp. 54-55.

      )

      Spoedig na de Spaanse herovering plaatste Jan van Nassau-Siegen, een katholieke kleinzoon van de broer van Willem van Oranje,Jan de Oude, zich als pretendent tegenover de koning. Hij werd na een langdurig proces door de Raad van Brabant te Brussel in het gelijkgesteld. Na door de magistraat als heer van Breda erkend te zijn vernieuwde hij tot 1637 samen met een vertegenwoordiger van de Spaanse regering de magistraat van Breda.

      In 1637 wist prins Frederik Hendrik de stad definitief te heroveren, en bleef het gebied in handen van de prinsen van Oranje.

      Het kinderloos overlijden van stadhouder-koning Willem III leidde tot nieuwe moeilijkheden over de erfopvolging, ditmaal tussen Johan Willem Friso, neef van Willem III en stadhouder van Friesland en koning Frederik I van Pruisen. (

      NDR inv.nr. 7938, folio 386 e.v.

      )

      Bij de Acte van Partage in 1732 verwierf Johan Willem Carel Hendrik Friso, ofwel prins Willem IV, stad en land van Breda. Willem V zou hem opvolgen en het gebied in handen van de Oranje's houden tot aan de Franse revolutie.

      In 1793 vond al een eerste kortstondige Franse bezetting plaats. De schade aan 'zijne Hoogheids rechten en goederen' bleek zo groot dat er een speciale commissie werd ingesteld om de economische en bestuurlijke problemen in de door de Fransen bezette domeinen te inventariseren en op te lossen. (

      Resoluties van de Dorneinraad, 5 april 1793, NDR inv.nr. 179,8123 en 8306

      )Ruim een jaar later hadden de Fransen meer succes. ~a de nederlaag van de Oostenrijkse regering bij Fleurus in juni 1794 werden de Zuidelijke Nederlanden door de Fransen bezet. Vandaar uit bedreigden de Fransen onder meer Staats-Brabant. Eind augustus werden Gilze, Zundert, Rijsbergen, Etten en Princenhage veroverd. De commandant van de vesting Ven Geusau weigerde de stad over te geven. Pas na vertrek van prins Willem Ven zijn familie naar Engeland en op uitdrukkelijk bevel van de Staten-Generaal leverde hij de vesting op 28 januari 1795 aan de Fransen uit.

      Nadat de stadhouder met zijn familie naar Engeland was gevlucht, werden de domeinen geconfisqueerd en werd de Domeinraad opgeheven.

      De domeinen van de prins van Oranje, waaronder stad en land van Breda werden tot staatseigendom verklaard. De rekeningen van de rentmeesters werden van 1796-1810 door het 'Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau' afgehoord. Dit bureau vormde een onderdeel van het departement van Financiën.

      Na 1809 viel de administratie onder de 'Directeur der registratie en Domeinen'.

      Grondgebied en benaming

      Het land van Breda grenst in het noorden aan Holland, in het oosten aan de Meierij van 's-Hertogenbosch, in het zuiden aan het land van Turnhout en het graafschap Hoogstraten en in het westen aan het markiezaat van Bergen op Zoom en het land van Steenbergen.

      De Nassaus beschouwden de stad en heerlijkheid van Breda als hun voornaamste bezitting. Uit het jaar 1474 is de volgende opsomming van hun bezittingen bekend: de stad Breda met slot, de stad Steenbergen, Roosendaal, Nispen, Etten, de Haghe (= Princenhage), Terheiden, Zonzeel (=Langeweg), Oosterhout met het huis te Strijen, Gilze, Ginneken, Alphen, Baarle, Rijsbergen, Groot en Klein Zundert en Dongen. In deze gebieden bezat de heer de hoge heerlijkheid. (

      NDR inv.nr. 7938, folio 38.

      )

      Verder bezat hij een smalheerlijkheid in Groot Zundert, de smalheerlijkheid van het goed Gageldonk en tenslotte een smalheerlijkheid en wat cijnzen en renten in de parochies Roosendaal, Nispen, Woude en de Haghe. Met het laatste zijn onderdelen bedoeld van het gecompliceerde goed van Gageldonk-Hambroek, waartoe ook goederen te Sprundel behoorden. De hertog van Brabant hield bij uitgifte van deze goederen de hoge heerlijkheid aan hem zelf. In Princenhage had Gageldonk-Hambroek een eigen Leenhof en Laathof.

      Dongen, Wagenberg en het huis te Strijen maakten eerst geen deel uit van het land van Breda, maar werden daar gaandeweg toe gerekend. (

      Drossaers I, I, pp. 15-19.

      )

      De heerlijkheid Breda was soeverein; leenhulde werd aan de hertog van Brabant afgelegd. In het gehele land gold het recht van Breda behalve binnen 'de Palen van de Hoeven van Etten'. Breda oefende de criminele rechtspraak uit in alle dorpen van het land, behalve in Oosterhout en Roosendaal, die vrije heerlijkheden waren. Men kon in beroep gaan bij de Raad van Brabant.

      De benaming 'baronie' stamt uit de tijd van Willem van Oranje. Hij betitelde zich zelf als heer en baron van Breda.

      De heerlijkheden Oosterhout en Dongen bekleedden binnen de baronie van Breda een zelfstandige positie en werden afzonderlijk beheerd (zie onder de desbefreffende domeinen).

      Steenbergen was vanaf 1287 bijna twee eeuwen lang gemeenschappelijk bezit van Breda en Bergen op Zoom. In 1458 werd het aan Breda toegewezen, maar het werd als een afzonderlijke heerlijkheid beschouwd en niet tot de baronie gerekend. De lage heerlijkheid van Roosendaal werd op 1 april 1501 overgedragen aan Engelbrecht II van Nassau. (

      De volgende gegevens zijn gebaseerd op: Thomas Ernst van Goor, Beschrijving der Stadt en lande van Breda ('s-Gravenhage, 1744), pp. 352-397.

      )

      Steenbergen werd samen met Roosendaal en Nispen afzonderlijk beheerd (zie onder dit domein). De hoofdbank van Breda diende wel als hof van appèl voor vonnissen binnen Steenbergen.

      De heerlijkheid Ginneken en Bavel omvatte de dorpen Ginneken en Bavel en de gehuchten Galder, Heusdenhout, Strijbeek en Ulvenhout. De abdij van Thorn bezat het patronaatsrecht van de kerk van Bavel.

      De rechtbank van Ginneken en Bavel bestond uit een schout (dezelfde als van Gilze), zeven schepenen en tien gezworenen.

      Alphen, Baarle-Nassau en Chaam vormden een eenheid onder één schout en één secretaris. Alphen en Chaam hadden één schepenbank. Chaam had wel een eigen financiële administratie.

      Bij Baarle-Nassau behoorden het gehucht Looveren, Uilencoten, Zonderhagen en Castelre.

      Baarle bestond uit twee rechtsgebieden: Baarle-Nassau en Baarle-Hertog. Gemeenschappelijke kosten werden omgeslagen in verhouding 2/3 en 1/3.

      De abdis van Thorn had ook hier een eigen rechtbank, naast die onder de jurisdictie van de heer van Breda.

      Gilze werd waarschijnlijk vóór het jaar 1200 geschonken aan de abdij van Thorn. Dit klooster had er veel goederen en rechten, met name een rechtbank die tot 1795 bleef bestaan. De heer van Breda had er eveneens een rechtbank, bestaande uit een schout (die tevens schout van Ginneken was) en zeven schepenen. Ook hier waren er gezworenen die de zorg voor de financiën hadden.

      Rijen, Molenschot en Hulten behoorden eveneens tot dit rechtsgebied.

      Etten behoorde van oudsher bij Breda. De rechtbank, waaronder ook Leur en Sprundel behoorden, bestond uit een schout en zeven schepenen. Voor de financiën zorgden elf gezworenen. Daarnaast kende Etten nog een rechtsgebied: Etten onder de Palen van de Hoeve. Deze jurisdictie had een eigen rechtbank en een bijzonder Landrecht, de Hoevense Charter, aan Etten in het jaar 1267 door Hendrik IV, heer van Breda, geschonken.

      Ook in Zundert was er sprake van twee rechtsgebieden: Zundert-Hertog en Zundert-Nassau. Het laatste gebied was ooit door hertogin Johanna van Brabant aan Jan van Polanen verpand onder voorwaarde dat het pand voor eenzelfde som gelost kon worden, hetgeen nooit is gebeurd.

      Terheijden kreeg in 1328 een eigen schepenbank, waarvan het rechtsgebied zich uitstrekte over Hertel, Schimmaer en Wagenberg. De rechtbank bestond uit een schout en zeven schepenen. Zeven gezworenen hadden de verantwoordelijkheid voor de dorpsfinanciën. Teteringen was een dorp van buitenpoorters onder de jurisdictie van en in hoofdzaak ook onder het bestuur van de stad Breda. Men kende een afzonderlijk financieel beheer, maar geen eigen armbestuur. Bij deze heertijkheid hoorden ook de gehuchten Lovensdijk, Molengracht en Zantbergen.

      Het gezag van de heren van Breda

      (

      Gebaseerd op: F.A. Brekelmans, 'Bestuur en rechtspraak', in: F A. Brekelmans e.a. eds., Geschiedenis van Breda, II Aspecten van de stedelijke historie 1568 -1795 (Schiedam, 1977), p. 91-106.

      )

      De heren van Breda waren vanaf de 12e eeuw leenroerig aan de hertog van Brabant. In de loop van de opstand en de oorlog tegen Spanje trokken de Staten-Generaal het oppergezag over de baronie van Breda aan zich. Na de Vrede van Munster in 1648 maakte het gebied deel uit van de Generaliteitslanden. De plakkaten van de Staten-Generaal waren in stad en land van kracht, behalve voor die zaken die tot de bevoegdheden van de heer behoorden. Door de hoogheid van de positie van de heer van Breda had deze echter bijna soevereine rechten in het gebied. De invloed van de landsregering was er dus vrij gering.

      Dit gold niet voor de zaken van defensie van de Republiek en de financiën van het gemene land. Hierin had de heer van Breda de Staten-Generaal of de Raad van State te gehoorzamen. Breda was een garnizoenssstad. De Raad van State had hier rechtstreeks bemoeienis met het garnizoen, de fortificatiën en de inundatiën, de heffing van belastingen, de verpachting van tienden en de bezoldiging van predikanten. De gouverneur van de vesting werd door de Staten-Generaal benoemd.

      Ook na 1648 moesten de heren van Breda leenverhef voor hun gebied blijven doen. Zij deden dit voor de Raad en Leenhof van Brabant, sinds 1591 gevestigd in Den Haag. Telkens als er een Oranjevorst stierf moest opnieuw leenhulde door of namens diens opvolger plaats hebben.

      Heerlijke rechten en bevoegdheden

      • De heer had het recht tot het uitvaardigen van plakkaten, octrooien en beschikkingen. Hij had bijvoorbeeld het recht van de wind, d.w.z. hij gaf toestemming tot het oprichten van molens. Hij verleende octrooien tot het oprichten van industrieën, het houden van een bank van lening, tot het verkopen van erfgoederen, het maken van manufacturen, het leggen van een steenweg of een trekpad, het verleggen van jaarmarkten, het heffen van weggeld, van accijnzen, van brand- en lantaarngeld, de honderdste penning, het houden van loterijen en het stichten van een zoutkeet. Uit de Middeleeuwen stamde het recht cijnzen te heffen (een soort gebruiksrecht, geheven op landerijen en huizen). Deze zijn bekend onder verschillende namen: Herencijns, Lamberti-, St. Bavo- en Martinicijnzen, genoemd naar de dag waarop de cijns moet worden betaald (respectievelijk op 17 September, 1 oktober en 11 november).
      • Hij had het recht van confiscatie van onbeheerde nalatenschappen en van 'bastaardgoederen'.
      • Recht van de gruit en het naastingsrecht.
      • Hij had het benoemingsrecht van het stadsbestuur, de dorpsbesturen en een groot aantal stedelijke en dorpsfunctionarissen en -ambtenaren (zie hieronder).
      • Een belangrijke rol speelde de heer of de Domeinraad bij de admissie van notarissen. Na 'creatie' door de Raad van Brabant werden ze op aanbeveling van het stadsbestuur door de heer 'geadmitteerd'. Hierover ontstond wel eens onenigheid met de Raad van Brabant.
      • De zogenaamde 'Blijde Incomste' bij iedere nieuwe heer bracht hoge kosten voor Breda met zich mee vanwege de vele verplichte giften, de 'curialiteiten'. Dergelijke giften werden eveneens verwacht als de heer van Breda in het huwelijk trad of kinderen kreeg.
      • Verder hoorde de rechtspraak hen toe met bijbehorende inkomsten, zoals boeten en compositiegelden (geld betaald voor een getroffen schikking). Men had het recht tot het verlenen van gratie aan veroordeelden. In 1634 werd dit recht uitgebreid tot het hele rechtsgebied van de Raad van Brabant. Het Hof van Holland diende dergelijke gratieverleningen wel te bekrachtigen.
      • Bij de Vrede van Munster in 1648 kreeg de heer van Breda alle kloosters, godshuizen, pastorieen en andere geestelijke goederen en beneficiën (geestelijke waardigheid met daaraan verbonden inkomsten) toegewezen.
      Bestuur en rechtspraak Stad en land.

      • De drossaard was de belangrijkste ambtenaar van de heer. Hij installeerde dorps- en stadsbesturen en stelde voordrachten voor de benoemingen op. Hij had de hoge jurisdictie in de gehele baronie, behalve in de vrijheden Roosendaal en Oosterhout. Hij kondigde de plakkaten af van de Staten-Generaal en van andere overheden. Na 1637 werden de ambten van drossaard en schout in een persoon verenigd. Tevens was de drossaard voorzitter van het Leenhof. Als zijn plaatsvervanger trad een stadhouder op. De drossaard inde alle boeten en breuken, die hij sedert 1686 geheel mocht behouden. Hij had het toezicht op rentmeesters, klerken, roededragers en andere prinselijke ambtenaren. Daarnaast vervulde hij het ambt van schout. In die hoedanigheid zat hij de schepenbank in civiele en criminele zaken voor. Verder was hij kolonel van de compagnieën der burgerij en stadhouder van de lenen, d.w.z. dat hij het Leenhof voorzat. De drossaard diende een geboren Brabander te zijn. Het ambt van drossaard was zeer lucratief: in het midden der 18e eeuw werden diens inkomsten op meer dan 4774 gulden berekend, afgezien van de vacatiegelden, boeten etc. Er werd grof betaald om dit ambt te verkrijgen. De drossaard kwam gemakkelijk in conflict met de belangrijkste functionaris van de Staten-Generaal, de gouverneur van de vesting. (

        Brekelmans, 'Bestuur en rechtspraak', p. 96.

        )
      • In het Leenhof van Breda hadden de drossaard en de stadhouder van de lenen zitting alsmede elf raden, inclusief de griffier. Het Leenhof had tot taak het transporteren en verheffen van leengoederen, leenrechten, het aangaan van verbintenissen, panding etc. Het leenhof bestond uit de drossaard /stadhouder van de lenen met elf raden, inclusief de griffier. De griffier van de lenen was o.a. verplicht ieder jaar een rekening op te maken van de inkomsten uit de heergewaden.
      De stad

      • De magistraat, bestaande uit de schepenen en de binnen- en de buitenburgemeester. Zij hadden verantwoordelijkheid op het gebied van bestuur en justitie. De binnenburgemeester zat zowel de vergaderingen van het stadsbestuur als de rechtzittingen voor.
      • twee burgemeesters, een binnen- en een buitenburgemeester.
      • De binnenburgemeester was president van de schepenbank en voorzitter bij alle rechtszaken. Vonnissen van de schepenbank waren appellabel bij de Raad van Brabant, behalve bij criminele zaken. De binnenburgemeester bestuurde de stad. Hij convoceerde drost, schepenen en Tienmannen; hij ontving rekesten; tijdens de vergaderingen van de magistraat deed hij voorstellen en nam de stemmen op. Verder was hij overdeken van de Lakenhal en controleerde hij de maten en gewichten. De binnenburgemeester moest na twee jaar aftreden (deze regel werd dikwijls overtreden).
      • De buitenburgemeester wisselde elk jaar. Hij was tegelijk de thesaurier van de stad. Hij beschermde het recht van de stad en de poorters. Hij moest alle stadszaken verrichten in overleg met de drossaard, de binnenburgemeester en de schepenen. Hij was verantwoordelijk voor het inleveren van alle stadsrekeningen. Hij moest zijn rekening op 9 oktober inleveren t.o.v. een heer Commissaris van de magistraat en de Tien Raden en binnen een maand sluiten. Verder behoorde bouw en onderhoud van de stadswerken tot zijn taak.
      • De schepenbank of 'de Wet' bestond uit negen personen, acht schepenen en de binnenburgemeester.
      • De Tien Raden of Tienmannen. Zij zijn voor het eerst in 1541 aangesteld. Zij hadden geen taak in het stadsbestuur maar vertegenwoordigden de belangen van de burgerij met name, waar het de invoering van nieuwe belastingen betreft. Zij controleerden de stadsrekeningen, assisteerden bij de verpachting van de stadsmiddelen, aanbestedingen, verkopingen etc. (

        NDR inv.nr. 764, folio 179.

        )
        Tussen de magistraat en de Tienmannen deden zich nog al eens competentiekwesties voor.
      Het Land

      • Er waren elf ding- of rechtbanken, die slechts jurisdictie in civiele zaken hadden. Deze bestonden uit een schout, zeven schepenen en een secretaris, voor wie alle inwoners hun civiele procedures konden voeren. Tegen de vonnissen kon bij de Hoofdbank van Breda worden geappelleerd, bij welk college ook de hoge jurisdictie berustte. Alleen Oosterhout en Roosendaal hadden de lage, middelbare en hoge jurisdictie. De gemeenelands-lasten werden over alle dorpen verdeeld volgens een vaste repartitie d.d. 1712. Jaarlijks werd door de magistraat in elk dorp een staat van haar lasten (verpondingen, beden etc.) gemaakt en van de kosten. Deze werd ten overstaan van de drost of diens plaatsvervanger vastgesteld en getekend, met een ontwerp van omslag. Deze moest door de Nassause Domeinraad worden goedgekeurd. Daarna werden er door de gezworenen of de kwartiermeesters met schout en schepenen kohieren van de onroerende goederen opgesteld en aan de ontvanger gegeven. Deze zorgde verder voor de invordering en de verrekening. (

        NDR inv.nr. 764, folio 173-175.

        )
      • Overkoepelende colleges, die de zaken van het land van Breda behartigden, waren verder:
      • De Landsvergadering. Dit college werd in 1597 door prins Maurits ingesteld. Het was een vergadering van vertegenwoordigers van de elf gerechten in de baronie, onder voorzitterschap van de drossaard. Elk gerecht zond zijn schout en twee schepenen. Twee maal per jaar werd deze vergadering door de drossaard of diens plaatsvervanger te Breda bijeengeroepen. Besluiten werden bij meerderheid van stemmen genomen. De landsschrijver/secretaris notuleerde en stuurde naar alle rechtbanken een afschrift. De belangrijkste taak van dit college bestond uit het vaststellen van de repartitie der belastingen en van de gemene landsrekening.
      • De Hoofd- en Leenbank. Zij diende als appelgerecht voor de lagere rechtsprekende colleges in het land van Breda in civiele en leenzaken.
      Economische situatie in Breda

      Het militair en strategisch belang van de stad Breda kwam in het voorgaande uitgebreid aan de orde. Op economisch gebied stelde de stad niet veel voor. Men hield er zich wel bezig met het brouwerijbedrijf en in mindere mate met de lakenbereiding.

      Handel speelde een grotere rol. Naast Den Bosch was Breda het centrum van de doorvoer van goederen uit Holland naar de Spaanse Nederlanden en Luik, en omgekeerd. Noord-zuidwaarts gezien hield de waterweg de Mark in Breda op. De goederen werden verder zuidwaarts vervoerd met behulp van wagens.

      Een probleem hierbij vormde de steeds voortgaande verzanding van de rivier de Mark en de Dintel. In de jaren veertig van de 18e eeuw vatte het stadsbestuur het plan op een kanaal van Terheiden naar de Moerdijk te graven om zo de vaarroute te verbeteren en de verbinding te verkorten. Het gewest Holland, hierin gesteund door 's-Hertogenbosch, wist dit initiatief uit vrees voor concurrentie te dwarsbomen. (

      NDR inv.nr. 8262.

      )

      Andere inkomstenbronnen voor de stad waren de bestedingen van het garnizoen en het sporadisch verblijf van het hof van de Nassau's of van hun gasten. (

      Beerman en De Lepper 'De lotgevallen van de stad', p. 72.

      )

      Verantwoording

      Bij de inventarisatie zijn de volgende termen gehanteerd: de stad Breda; het land van Breda en stad en land van Breda. Stad en land gezamenlijk worden ook wel 'Baronie van Breda' genoemd. In de stukken zelf wordt met 'de baronie' ook wel uitsluitend het land van Breda bedoeld.

      Er bevindt zich een aantal stads- en dorpsrekeningen in het archief (kopieën), NDR inv.nrs. 8272-8294 etc. Deze rekeningen hebben niets met het eigenlijke beheer van de heerlijkheid te maken. In veel gevallen was de raadcommissaris van de Nassause Domeinraad een van de drie partijen (naast de stadhouder van de drossaard en schout en schepenen) die de rekening moest afhoren. (In totaal revideerde de raadcommissaris in een willekeurig jaar (1774) 112 rekeningen. Hiervan is dus slechts een fractie bewaard gebleven). Vandaar dat deze onder de rubriek bestuur zijn geordend.

      Een moeilijkheid vormden de stukken in de oude inventaris Hingman inv.nrs. 1203 en 1204, die in de inventaris beschreven staan als 'Twee portefeuilles met het opschrif t Klein Zundert'. Het zijn stukken, die grotendeels behoorden tot het archief van de pastoor van Klein Zundert.

      Op 24 juli 1798 werd er op last van de Agent van Inwendige Politie beslag gelegd op een groot aantal archiefstukken betreffende de bezittingen van de abdij van Tongerlo, verbonden aan de pastorie van Klein Zundert. In 1800 zijn de stukken in handen van de Commissie van Breda gekomen.

      De Commissie van Breda was gemachtigd om op alle archiefstukken beslag te leggen die voor een goede administratie noodzakelijk waren. In het geval van Klein Zundert is men daarbij nogal rigoreus te werk gegaan. Ook in het archief van de Commissie van Breda (oude inv.nrs. 1284-1330) is een deel van het archief van de pastoor terecht gekomen. De rechtsopvolger van zowel de Commissie van Breda als van de vroegere Nassause Domeinraad was de provinciale afdeling van het Enregistrement des Domaines. Mogelijk is dit de verklaring waarom zowel in dit archief als in het archief van de Commissie van Breda zich stukken van de pastoor bevinden. Deze stukken zijn in een aanhangsel ondergebracht. (

      P.T.A. Zweegers en R.J. Wols, Inventaris van de Commissie van Breda (1421) 1799-1811 (1828) ('s-Hertogenbosch, 1982) (Inventarisreeks 32), pp. 14,173-179.

      )

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      Algemene gegevens over het gebied van stad en land van Breda, de verwervingsgeschiedenis, de rechten van de heer van Breda, het lokale bestuur en de daar geldende rechtspraak etc. zijn te vinden in de registers met 'Aanteekeningen en aanmerkingen omtrend de onderscheydene domeinen - Orange Nassau', NDR inv.nrs. 764-769. Op deze serie is een afzonderlijke index gemaakt.

      Van het domein Breda is een serie 'ingekomen en minuten van verzonden stukken' bewaard gebleven, geordend naar onderwerp. Deze serie vormt een goed uitgangspunt voor onderzoek naar allerlei onderwerpen. Deze registers bieden dikwijls een aanknopingspunt voor verder onderzoek in de resoluties van de Nassause Domeinraad in het hoofdarchief.

      De hoofdindeling is als volgt:

      IHistorie der Baronie en Baronnen.
      IIDe Heer en Baron. Hierin bevinden zich stukken betreffende zijn rechten, bevoegdheden en inkomsten.
      IIIDe Baronie. Dit deel betreft bestuur en rechtspraak in Stad en land van Breda.
      IVDe Stad.
      VHet Land.

      In de inventaris, NDR inv.nrs. 7938-8084 staat een uitgebreide inhoudsopgave vermeld.

      Voor een algemeen beeld van de exploitatie van de domeinen zijn de verbalen van leden van de Domeinraad wegens hun jaarlijkse inspectiereizen NDR inv.nrs. 8089-8115 een zeer geschikte bron.

      In het archief van het domein van Breda bevinden zich zes, vanaf het jaar 1768 vijf series rekeningen, opgemaakt door verschillende soorten rentmeesters. De meeste series beginnen in het jaar 1638, toen Breda door toedoen van Frederik Hendrik definitief van Spaanse in Staatse handen overging. De meeste series lopen door tot 1810, toen de domeinen in handen van koning Lodewijk Napoleon en later in handen van het ministerie van Financiën overging en als bijlage volgen na de inleiding de inhoudsopgaven van deze series.

      1. Rekeningen van de rentmeesters van de domeinen

      Het betreft een serie rekeningen over de jaren 1634-1675 en 1707-1809. Naast de gebruikelijke kopie-commissies en akten van borgtocht bevindt er zich soms in de eerste rekening een Lijst van bij de rentmeester berustende boeken, registers en kaarten.

      In deze serie worden vooral inkomsten uit heerlijke rechten verantwoord.

      2. Rekeningen van de rentmeesters van de kapittelen andere geestelijke goederen

      Het betreft de inkomsten uit alle geestelijke goederen van de kapittels, pastorieën, en vicarieën binnen de stad en baronie van Breda, die na de verovering van Breda door Frederik Hendrik in 1637 aan de heer van Breda kwamen. Met kapittelgoederen werd bedoeld de inkomsten uit de bezittingen van het collegiaal kapittel van Breda. Deze bestonden uit inkomsten uit goederen, geestelijke bedieningen en waardigheden. Het betreft een vrijwel doorlopende serie rekeningen van 1638-1768. Daarna werd deze gecombineerd met de hierna onder 3. vermelde serie.

      3. Rekeningen van de rentmeesters van de pastorale en andere geestelijke goederen aangekomen met de vrede van 1648

      Bij de Vrede van Munster van 30 januari 1648 tussen de koning van Spanje en de Staten-Generaal verwierf de Republiek in Staats-Brabant: stad en markiezaat van Bergen op Zoom; stad en baronie van Breda; stad en meierij van Den Bosch en de stad Grave en het land van Cuijk.

      Ingevolge deze vrede kwamen aan de heer van Breda vrijwel alle kloosters, godshuizen, pastorieën en andere geestelijke goederen en beneficiën in stad en land van Breda gelegen, met alle inkomsten, renten en goederen.

      Het is een vrijwel doorlopende serie rekeningen van 1648-1768. Daarna werd deze gecombineerd met de onder 2. genoemde serie.

      4. Gecombineerde rekeningen van de rentmeesters van de geestelijke aangeslagen kapittels en pastorale goederen.

      Het is een doorlopende serie rekeningen van 1769-1810.

      5. Rekeningen van de ontvangers van de erfgranen van land en baronie van Breda

      Het is een doorlopende serie rekeningen van 1669-1810. Het betreft pacht uitgedrukt in rogge, gerst of evene. Deze moest worden omgerekend naar de daarvoor geldende prijzen op de markt van Thorn.

      6. Rekeningen van de griffiers en rentmeesters van de lenen

      Er bestaat een vrijwel doorlopende serie rekeningen van 1638-1791. De griffier van de lenen was o.a. verplicht ieder jaar een rekening op te maken van de inkomsten uit de heergewaden.

      De kopieën van stads- en dorpsrekeningen, die zich in het archief bevinden, inv. nrs. 8272-8294 etc., hebben niets met het eigenlijke beheer van de heerlijkheid te maken (zie hiervoor: Verantwoording van de inventarisatie).

      7. Cijnsboeken

      Deze geven belangrijke informatie over de eigendomsgeschiedenis van onroerend goed. Cijnsboeken werden tegelijk met een rekening ingeleverd, waarbij in de rekening hiernaar wordt verwezen. In een rekening vindt men het totale cijnsbedrag voor een bepaald gebied vermeld; cijnsboeken zijn zelf veel uitgebreider. In sommige cijnsboeken komt een naamindex voor, weliswaar alleen op de nieuwe eigenaars, niet op de vorige.

      Er zijn grote verschillen tussen de administratie, bijgehouden in de cijnsboeken.

      • soms worden betalingen niet vermeld.
      • soms is er een willekeurige volgorde, soms is er een indeling naar straat (stad Breda) of plaats.
      • belangrijk is te weten aan wie goederen precies toekomen: aan de prins als heer van Breda of aan de prins als patronaatsheer voor kapittels en kapelanieën of inkomsten verbonden aan prebendes en beneficiën. Er zijn n.l. vaak twee soorten cijnsboeken: voor de wereldlijke cijnzen en voor de geestelijke cijnzen.
      8. Condities van verkoop en verpachting

      Deze stukken zijn een belangrijke bron bij onderzoek naar pachters van bepaalde rechten of onroerende goederen. Deze bestaan niet alleen uit de eigenlijke condities/voorwaarden, maar bevatten ook de gegevens over het onroerend goed in kwestie met de naam van de oude pachter, de eerste bieder (i.v.m. strijkgeld), naam van diegene die uiteindelijk de koper, huurder of pachter is en van zijn borgen. Een dergelijke openbare verpachting of verkoop vond plaats o.l.v. de rentmeester of een lid van de raad, in het bijzijn van enige lokale functionarissen.

      9. Kaarten uit de collectie kaarten (VTH) betreffende de Baronie van Breda, afkomstig uit het archief van de Nassause Domeinraad

      Inv.nrs. 1639-1641, 1651-1654,1676-1682.

      Verwante Archieven

      Stukken met betrekking tot het domein Breda in andere archieven

      • Collectie van Nispen

      • De archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers, m.n. stukken betreffende het rentambt Breda.
      • De collectie Nassause Domeinen 1545-1810 (minuutnotulen van de Domeinraad en afgehoorde rekeningen, afkomstig uit de archieven van enige rentmeesters)
      • De collectie Pels-Rijcken
      • Het archief van de Raad van Brabant.

      Literatuur F.A. Brekelmans e.a. eds., Geschiedenis van Breda, II Aspecten van de stedelijke historie 1568 - 1795. Schiedam, 1977. H.M. Brokken, 'De heren van Breda en hun archief', in Noordbrabants Historisch Jaarboek, 1 1984, pp. 9-20. J.A. ten Cate, Inventaris van de archieven van de rentmeesters van Prins Frederik en hun opvolgers, (1465)1840-1932, 's-Hertogenbosch 1971. Rijksarchief in Noord-Brabant, lnventarisreeks nr. 8. L.P. Gachard, Inventaire des Archives des Chambres des Comptes. 6 delen. Brussel, 1837-1931. Th.E. van Goor, Beschrijving der stadt en lande van Breda. 's-Gravenhage, 1744. Geschiedenis van Breda. De Middeleeuwen. Tilburg, 1952. A .Hallema, 'De Prinsen van Oranje en de Bredase kapittelgoederen (1608-1638)'. Jaarboek 'De Oranjeboom', VIII, 1955, pp 81-101. J. Hingman, Inventaris van het archief der stad Breda. Breda, 1868. A.C.M. Kappelhof, 'Fiscale bevoordeling van Breda tijdens de Republiek'. Jaarboeken van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XL, 1987, pp. 79-104. K.A.H.W. Leenders, 'De molens in en om het land van Breda'. Jaarboeken van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XXXI ,1978, pp. 94-121. L. Merkelbach van Enkhuizen en A. Hallema, Geschiedenis der gemeente Ginneken en Bavel. Utrecht, 1941. Onderzoeksgids voor domeinarchieven betreffende Noord-Brabant ca. 1300-1981. Rijksarchief in Noord-Brabant I, 's-Hertogenbosch, 1993. Th.M. Roest van Limburg, Het kasteel van Breda. Schiedam, 1904. Rob van Roosbroeck, 'Bredase Oranjesprokkels', in: Jaarboek 'De Oranjeboom', XXIIII, 1970, pp. 69-85. M Schoengen, 'Geestelijke goederen in de baronie van Breda', in Taxandria XXXIII, 1926, pp. 256-271. J. Wagenaar, Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden. Deel 2. Amsterdam, 1740. P.T.A. Zweegers, Inventaris van het archief van de Commissie van Breda (1421) 1799-1811 (1828). Den Bosch, 1982.
      Bijlage 1 Functionarissen benoemd door de prins

      (

      Overzicht van ambten te begeven door de prins in de stad en de baronie van Breda in het jaar 1759: NDR inv. nr. 799, p. 3-16. Zie ook inv. nr. 685, folio 30verso-184.

      )

      De stad

      • Drossaard
      • Stadhouder van de lenen
      • Schout
      • Rentmeester van de domeinen
      • Rentmeester van de geestelijke goederen met de vrede aangekomen
      • Rentmeester van de nieuwe geestelijke goederen
      • Rentmeester van de granen
      • Griffier van de stad en dorpen
      • Secretaris van Breda en Teteringen
      • Stokhouder
      • Fourier
      • Ontvanger van de granen
      • Griffier van de lenen
      • Secretaris van de gem. Landsvergadering
      • Comptoirbode van de stad en baronie
      • Secretaris van de Weeskamer
      • Postmeester
      • Ontvanger der verpondingen
      • Advocaat van Zijne Majesteit
      • Servitiemeester
      • Landmeter van de baronie
      • Praeceptor van de Latijnse School
      • Conciërge van de Escurie
      • Conciërge van het huis en kasteel
      • Majoor van de burgerij
      • Conciërge van het stadhuis
      • Rentmeester van het Gasthuis
      • Notarissen
      • Controleur van de werken
      • Hovenier van de hoven en tuinen
      • Organist van de Grote Kerk
      • Opsteller van de bestekken
      • 's Heren timmerman
      • 's Heren metselaar
      • Verwer
      • Ziekentrooster
      • Voorlezer in de Grote Kerk
      • Loodgieter en pompmaker
      • Smid en slotenmaker
      • Koster van de Waalse Kerk
      • Voorlezer van de Waalse Kerk
      • Koster van de Duitse Kerk
      • Treder van de blaasbalk
      • Portier van het donjon
      • Portier van de poort na Belcrum
      • Portier van de Haagse Poort
      • Portier van de Bospoort
      • Opzichter van de jacht en bossen
      • Portier van de Ginnekse Poort
      • Boswachter van het Mastbos
      • Warandmeester van de waranden
      • Boomsluiter en havenmeester
      • Bakenmeester van de rivier de Marke
      • Boswachter van het Ulvenhoutse en verdere bossen van Ginneken en Bavel
      • Plantagemeester
      • Bode van Breda op Den Hage
      • Brandmeester van de brandspuit
      • Opzichter van de 7 hoeven op de Noord
      Het land

      • Schout in Ginneken, Gilze en Bavel
      • Stokhouder van Gilze
      • Secretaris en stokhouder van Ginneken en Bavel
      • Koster aldaar
      • Secretaris van Gilze en Rijen
      • Koster aldaar
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Voster van Gilze
      • Koster van Ginneken en Bavel
      • Schoolmeester van Ginneken
      • Voorlezer
      • Schoolmeester van Bavel
      • Voorlezer
      • Schout van De Hage
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voster
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorzangers
      • Schoolmeester op de Beek onder De Hage
      • Organist van De Hage
      • Plantagemeester onder De Hage
      • Rentmeester van De Braque
      • Comptoirbode aldaar
      • Schout van Alphen, Baarle en Chaam
      • Stokhouder aldaar
      • Secretaris
      • Voster van Chaam
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Voster van Alphen
      • Koster van Alphen
      • Schoolmeester
      • Voster van Baarle
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Rentmeester van Oosterhout en Dongen
      • Gezworenen van de Willemspolder
      • Dijkgraaf van de nieuw bedijkte landen onder Oosterhout achter Leyzen
      • Notaris van Oosterhout
      • Penningmeester van de nieuw bedijkte landen onder Oosterhout of Willemspolder
      • Comptoirbode van de rentmeester
      • Schout en kastelein van Oosterhout
      • Controleur van de domeinen van Oosterhout
      • Franse schoolmeester te Oosterhout
      • Dijkgraaf van Zijne Hoogheids landen en van de West- en Republ. polders onder Oosterhout
      • Penningmeester van de Westpolder
      • Secretaris van Oosterhout
      • Stokhouder aldaar
      • Gezworenen van de West- en Republ. Polders
      • Vosters van Oosterhout
      • Dijkgraaf van de nieuwe dijkage tussen de Groenendijkse haven en Dongendijk
      • Penningmeester aldaar
      • Gezworenen aldaar
      • Voster te Houten onder Oosterhout
      • Schoolmeester aldaar
      • Warand- en plantagemeester te Oosterhout
      • Schoolmeester te Oosterhout
      • Koster
      • Voorzanger
      • Organist
      • Dijkbode van Zijne Hoogheids landen en aanwassen aldaar
      • Sluiswachter aldaar
      • Notaris te Oosterhout
      • Schout van Dongen
      • Stokhouder
      • Secretaris
      • Landmeester aldaar en van Oosterhout
      • Voster van Dongen
      • Gezworenen over de dijk langs de Donge onder Oosterhout
      • Koster en schoolmeester te Dongen
      • Gezworenen van 's heren aanwassen in het Broek te Oosterhout
      • Schout van Roosendaal en Nispen
      • Secretaris aldaar
      • Notaris te Roosendaal
      • Stokhouder van Roosendaal en Nispen
      • Voster aldaar
      • Schoolmeester te Roosendaal
      • Een bijschool aldaar
      • Voorzanger aldaar
      • Koster, schoolmeester en voorzanger te Nispen
      • Notaris te Roosendaal
      • Koster aldaar
      • Schout van Etten
      • Secretaris
      • Stokhouder van Etten Leur en Sprundel
      • Koster en schoolmeester te Sprundel
      • Voster van Etten Leur
      • Voorzanger en schoolmeester te Etten
      • Koster
      • Dijkgraaf en penningmeester van de polders van Zwartenberg onder Etten
      • Schout van Zundert en Rijsbergen
      • Secretaris en stokhouder
      • Voster van Rijsbergen
      • Notaris van Zundert
      • Voster van Zundert
      • Opzichter van de moeren en bossen aldaar
      • Ondervoster, schutter en bogter
      • Koster en schoolmeester van groot en klein Zundert
      • Koster en schoolmeester van Rijsbergen
      • Schout en dijkgraaf van Terheijden behalve Zonzeel etc.
      • Dijkgraaf van Zonzeel Vlassel etc.
      • Secretaris van Terheijden
      • Notaris te Terheijden
      • Stokhouder
      • Penningmeester van de Zonzeelse polder
      • Gezworenen van de gem. polder
      • Gezworenen van de binnenpolder van Terheijden
      • Dijkbode van de Zonzeelse polder
      • Voster van Terheijden
      • Penningmeester van de binnenpolder onder Terheijden
      • Gezworenen van de polderkens Hazeldonk, Hoekenburg etc. onder Terheijden
      • Penningmeester van die polderkens
      • Koster en schoolmeester van Terheijden
      • Koster, voorlezer en schoolmeester van Teteringen
      • Voster aldaar
      • Gezworenen van de Hartelse polderkens
      • Penningmeester van die polderkens
      • Ontvanger van Chaam
      • Ontvanger van Teteringen
      • Ontvanger van Oosterhout
      • Ontvanger van Terheijden
      • Ontvanger van Roosendaal
      • Ontvanger over Gilze en Rijen
      • Ontvanger van Ginneken en Bavel
      • Ontvanger van Etten
      • Ontvanger van Dongen
      • Ontvanger over groot- en klein Zundert en Rijsbergen
      • Ontvanger van De Hage
      • Ontvanger van Alphen
      • Ontvanger over Baarle en het gehucht van Castelre
      • Schout, rentmeester, griffier en stadhouder van de lenen van Wernhout
      • Voster aldaar
      • Secretaris en stokhouder
      • 's lands docter in de baronie van Breda
      • Opzichter van de jacht in de baronie
      Bijlage 2 De rentmeesters

      - De hieronder vermelde jaren betreffen jaren van functioneren van de rentmeesters. De jaren sluiten niet helemaal aaneen omdat de perioden van waarneming door weduwe of erfgenamen niet staan vermeld. Als bronnen zijn gebruikt: het Ambtboek, registers uit de serie ingekomen en uitgaande stukken en de desbetreffende rekeningen van de rentmeester.

      Rentmeesters van de domeinen van stad en land van Breda

      (

      NDR inv. nrs. 576, folio 42 recto en verso, en 1042

      )

      1594 - 1600 Adriaen Backer
      1600 - 1624 Johan van Gystaij
      1624 - [1630] Pieter uyt Mattenburch
      [1634] - 1654 Adriaan Verelst*
      1661 - 1684 Samuel Zuerius
      1684 - 1696 Pieter Georg Zuerius (zijn vader Samuel bedient het rentambt tijdens zijn minderjarigheid, d.w.z. tot in het jaar 1686)
      1696 - 1738 Josias Eckhardt
      1741 - 1758 Carel van Naerssen
      1761 - 1777 Carel Hendrik van Naerssen
      1778 - 1792 Gerrit Willem Motman
      Zijn commisssie dateert uit het jaar 1780!
      1798 - 1809 Emmericus de Weert
      1809 - 1810 Emmericus Carel de Weert

      * In het archief zijn rekeningen vanaf 1634 aanwezig.

      Rentmeesters van de kapittelen andere geestelijke goederen

      (

      NDR inv. nr. 685, folio 43verso, en 1044

      )

      1618 - 1637 Pieter uyt Mattenburch
      1637 - 1654 AdriaanVerelst
      1661 - 1662 Denijs van Rucphen, provisioneel rentmeester
      1662 - 1664 Denijs van Rucphen
      1665 - 1691 Johan van der Kaey
      1691 - 1692 Samuel du Castel (rekeningen voor 1691 en 1692 zijn echter op naam van Kip)
      1692 - 1702 Huybert Kip
      1704 - 1723 Carel van der Heyden
      1728 - 1734 Jacob van Eijs
      1735 - 1765 Willem Schoorn
      1766 - 1768 Laurens Pels
      Rentmeesters van de pastorale en andere geestelijke goederen, aangekomen met de vrede van 1648

      (

      NDR inv. nr. 685, f. 43recto en inv. nr. 1044

      )

      1648 - 1654 Adriaan Verelst (commissie is pas uit 1653!)
      1661 - 1664 Denijs van Rucphen
      1665 - 1689 Johan van der Kaey
      1692 - 1700 Huybert Kip
      1704 - 1727 Carel van der Heyden
      1728 - 1734 Jacob van Eijs
      1735 - 1765 Willem Schoorn
      1766 - 1768 Laurens Pels, waarnemend rentmeester
      Rentmeesters van de gecombineerde kapittel- en pastorale goederen

      1769 - 1792 Laurens Pels
      1796 - 1810 Johannes Adrianus Rycken
      Rentmeesters en ontvangers van de erfgranen

      (

      NDR inv. nr. 685, folio 44r en 1050.

      )

      1653 - 1657 Hendrik Joosten
      1657 - 1661 Denijs van Rucphen, provisioneel rentmeester
      1661 - 1664 Denijs van Rucphen
      1664 - 1668 Cornelis van Rucphen
      1669 - 1676 Johan Darmsse
      1676 - 1686 Samuel Zuerius
      1686 - 1696 Pieter Georg Zuerius (cie is van l684, eed wordt afgelegd in 1686)
      1696 - 1738 Josias Eckhardt
      1738 - 1784 Alexander Philemon Ekhardt (commissie is van 1738, eed van 1740)
      1785: Hendrik Adriaan Wiercx (waarnemend)
      1786 - 1793 Cornelis Evert Schoorn
      1794 - 1810 Florentius Cornelis Havermans (commissie is van 1798!)
      Griffiers van de lenen:

      (

      NDR inv. nr. 685, folio 40v en 1063

      )

      1607 Dingmans van der Locht
      1637 - 1664 Denijs van Rucphen
      1664 - 1668 Cornelis van Rucphen
      1668 - 1677 Johan Damisse
      1677 - 1704 Jacob van Buerstede
      1704 - 1736 Anthony van Buerstede
      1736 - 1746 Phillipus Johannes Tollius
      1746 - 1748 Christiaan Scholten
      1748 - 1775 Willem Hendrik Verbrugge
      1776: Rombout Melchior Damisse, waarnemend
      1776 - 1779 Willem Pieter van Persijn
      1779 - 1791 Gerard Johan Faree (rekeningen lopen t/m 1791)
      Bijlage 3 Voorbeelden van een inhoudsopgave van een rekening uit elke serie.
      Van de domeinen van Breda uit 1743, NDR inv.nr. 8469 ONTFANGST

      Capittelen
      1Jaarchijnsen, Heere Chijnsen en Renten folio 12
      2Moolens folio 42
      3Tollen, veeren, Gruijten, visserijen en vervlooge Bieswarmen = bijenzwermen folio 58vo
      4Thienden folio 78
      5De kaatsbaan, stallen, eerste plaats in de vleeshalle, en verdere verhuurde huijsen binnen Breda folio 80
      6Landerijen binnen Breda, onder de Hage, Gilse, Baarle en Zundert folio 87vo
      7Landerijen onder Terheijden, nevens de Hoeven op den Noort, en groote Schans folio 110
      8Last-Geld van Turffschuijten folio 133
      9Vest-Gelden en Recognitiën folio 134vo
      10Hoffdiensten(= het afkopen van hofdiensten) folio 146
      11Leenen folio 146vo
      12Bastaart Goederen folio 147
      13Verkogt hout folio 151
      14De Savelhoeven, het Casteel van Boeverijen, den polder van Belcrum en de huijsingen van de groote en klijne Bouwerije binnen Breda folio 157vo
      15De Patrijsvangst folio 167vo
      16De Waranden folio 168vo
      17Cieringen folio 169
      18Bij panden van den Slagmoolen folio 174
      19Pond-gelden folio 175
      20Verkogte moeren folio 175vo
      21Gemengden Ontfangh folio 176vo
      22Atterminatiën folio 181
      23Rantsoengelden folio 181 vo
      24Den Een en twintigsten penningh folio 182
      25Den stuijver voor de illustere Schoolen folio 182vo
      26Geligte penningen folio 184
      27voorlijven folio 184vo
      28Affgeloste chijnsen en renten folio 186
      UIJTGIFTE

      Capittelen
      1Tractementen en pensionen folio 187
      2Renten folio 197
      3Acquesten folio 215
      4Penningen verantwoort en niet ontfangen folio 230vo
      5Reparatien aant' casteel folio 231vo
      6Reparatien en onderhoud aan de huijsingen in de doelestraat, in de bouwerijestraat, het huijs voor het casteel, de capelle in t coir, den gevangen tooren, en cappucijnenhoff folio 235
      7Reparatien en onderhout aan den polder van Belcrum, de waranden en het casteel van Boeverijen folio 236vo
      8Reparatien en onderhoud van de Moolens folio 237vo
      9Reparatien en onderhoud aan de bossen, sluijsen, waaterloopen en bruggen folio 243vo
      10Vacatien, Reijscosten, boodeloonen, strijkgelden en fooijen folio 251
      11Cieringen folio 254
      12Illustre schoole folio 256
      13Intressen folio 256vo
      14Gemengde uijtgiften en lasten folio 257vo
      15Extra ordinaire uijtgifte folio 263
      Van de kapittel- en andere geestelijke goederen van het jaar 1646, NDR inv.nr. 8547. ONTFANCK

      Capittelen
      IeEerst vande Thienden van de capittulaerien van Breda gelegen onder Ter Heyden, Wagenberck, Teteringen ende Molengracht.
      IIeAnderen ontfanck van lantpachten dije neffens des capittels thienden plagen (sic) verpacht te werden
      IIIeAnderen ontfanck van den eenentwintichsten penninck
      IVeAnderen ontfanck van rasoenen (opslag van 1schelling per pond bij het verpachten???
      UYTGEVEN

      Capittelen
      IeEerst aende canonicken van Breda ende andere pensionarissen
      IIeAnder uytgeven aen gagien van predicanten, Sieckentrooster, Coster, Organist ende andere lasten der kercke binnen Breda... mitsgaders aen pensioenen aen eenige predicanten...
      IIIeAnder uytgeven van geaccordeerde gaigen ofte subsidien tot Onderhoudt van eenige schoolmeesters ten platten lande.
      IVAnder uytgeven van strijckgelden bij de hoochste insetters van de thienden..
      VGemengt uytgeven
      Van de pastorale en andere geestelijke goederen van Breda, aangekomen met de vrede van 1648. van het jaar 1671, NDR inv.nr. 8678. Ontfanck

      le cap[itte]leThienden onder Oosterhoudt
      2Landerijen aldaer
      3Rogge ende geltrenten aldaer
      4Thienden onder Rijsbergen
      5Landerijen aldaer
      6Rogge ende geltrenten aldaer
      7Tienden onder Sundert
      8Saeijlanden aldaer
      9Weijden en beempden al[dae]r
      10Rogge ende geltrenten aldaer
      11Thienden onder De Hage
      12Landerijen aldaer
      13Rogge ende geltrenten ald[ae]r
      14Thienden onder Ginneken
      15Landerijen aldaer
      16Rogge ende geltrenten ald[ae]r
      17Innecomen der pastorije van Etten
      18Innecomen der pastorije van Sprundel
      19Thienden onder Ghilse
      20Rogge ende geltrenten aldaer
      21Thienden en landerijen te Rijen
      22Rogge ende geltrenten aldaer
      23pastorije van Alphen
      24pastorije van Bavel
      25pastorije van Ter Heijden
      26pastorije van Dongen
      27pastorije van Teteringen
      28Rasoenen
      29xxj en penninck
      30Stuijver van de Illustere Schole
      31gemengden ontfanck
      Uijtgeeff

      1e cap[itte]leGaigen van predicanten
      2Gaigen van Costers
      3pensoenen aen gewesene pastooren
      4vacatien reijscosten bodeloonen
      5winnigen, strijckgelden
      6Renten
      7gunsten gratuiteijten etc.
      8gemengden uytgeeff
      Van de geestelijke aangeslagen kapittel- en pastorale goederen van Breda, van het jaar 1776, NDR inv.nr. 8767. Ontfang

      Kapittelen
      1.Chijnsen renten en Erfpagten
      2.Landen Weiden en Beemden
      3.Koorn Tiendens
      4.Tantum en Inkoomen van Thoornse en Kannunnikke (sic) Tiendens
      5.Lammertiendens
      6.Verkogt hout
      7.Afgeloste Tenten
      8.Alderhande Ontfang
      9.Extraordinaire Restanten
      Uitgaave

      Kapittelen
      1.Renten en cheinsen
      2.Benefitien of aan Gebenefitieerdens
      3.Tractement van de Rentmeester
      4.Tractementen van Predicanten en geaccordeerde Gratificatien
      5Tractementen van Organist, voorsangers, Kosters en Schoolmeesters
      6.Tractementen aan Perdikantsweduwen
      7.Vierde Kinds Praemien
      8.Verpondingen Dijkschotten en contributien
      9.Remissien
      10.Verpagtings kosten
      11.Verduisterde Cheinsen en Renten
      12.Subsidie aan de Stad Diaconie en Klassis te Breda
      13.Kosten van de Reekening
      14.Alderhande Uitgaave.
      Van de erfgranen van land en baronie van Breda van het jaar 1704, NDR inv.nr. 8838 Ontvangst

      Kap[ittelen]
      1Rogge onder Gilse
      2Rogge onder Alphen
      3Rogge onder Chaam
      4Rogge onder Baarle
      5Rogge onder Ginneken
      6Rogge onder Meer
      7Rogge onder Zundert
      8Rogge onder Rijsbergen
      9Rogge onder de Hage
      10Gerst onder Chaam
      11Gerst onder Ginneken
      12Gerst onder Rijsbergen
      13Gerst onder de Hage
      14Evene onder Alphen
      15Evene onder Chaam
      16Evene onder Baarle
      17Evene onder de Hage
      18Gemengden ontvangst
      Uijtgifte

      Kap[ittelen]
      1Renten
      2Pensioenen
      3ordinaire gagien en weddens
      4Uijtgifte van Garst
      5Intresten
      6Gemengde uijtgifte
    • Verwerving

      De heerlijkheden Eindhoven en Cranendonk kwamen in het bezit van de Oranjes door het huwelijk van Willem I met Anna van Egmond, gravin van Buren in 1551. Eindhoven en Cranendonk waren twee heerlijkheden die samen in leen werden gehouden van Brabant. De stad Eindhoven lag in Kempenland en de baronie Cranendonk in Peelland. Kempen- en Peelland maakten deel uit van de meierij van 's-Hertogenbosch. (

      NDR inv. nr. 764, folio 291.

      )

      Willem I kocht in 1559 de dorpen Stratum, Strijp en Gestel en het goed Eckart te Woensel erbij. (

      F.N. Smits, Beknopte Geschiedenis van Eindhoven (Eindhoven, 1887) I, p 13.

      ) In 1568 werd Willem I door Philips II van Spanje van zijn goederen verbeurd verklaard. De goederen afkomstig van Anna van Egmond kwamen toen in het bezit van Philips Willem als zijn moederlijk erfdeel. Gedurende diens gedwongen verblijf in Spanje, stelde Philips II Karel van Berlaymont en Philips van Ongnyes aan als voogden over Philips Willem. Deze voogden beheerden de goederen van Philips Willem, voorzover deze in Spaanse handen waren. Eindhoven werd in die periode verscheidene malen door de Spanjaarden bezet. (

      L G A Houben, Geschiedenis van Eindhoven, de stad van Kempenland (Turnhout, 1890), I, p. 155.

      )
      In 1578 werd de confiscatie van de goederen opgeheven en kwam Willem I weer in het bezit van zijn door Philips verbeurd verklaarde goederen. Na de dood van Willem I in 1584 kwamen Eindhoven en Cranendonk definitief aan prins Philips Willem, die ook daadwerkelijk over deze heerlijkheden kon beschikken. (

      Scherft, Het sterfhuis, p. 205

      )

      Na het overlijden van Philips Willem in 1618, werd Maurits als diens erfgenaam heer van Eindhoven en Cranendonk. Na diens dood werden deze heerlijkheden gevoegd bij het bezit van Frederik Hendrik en maakten sindsdien deel uit van de Nassause domeinen.

      In 1648, met de Vrede van Munster, kwamen de goederen van het kapittel van Eindhoven aan de prins van Oranje, alsmede de goederen van het klooster Marienhage, dat gewoonlijk Ten Hage werd genoemd.

      Ook de pastoriegoederen -de pastorale inkomsten van de baronie Cranendonk en de heerlijkheid Woensel zijn bij de Vrede van Munster aan de prins gekomen.

      In 1798 werden de baronie Cranendonk en Eindhoven tot nationaal bezit verklaard. Het domein behoorde ook tot de goederen die tussen 1806 en 1810 aan koning Lodewijk Napoleon werden afgestaan. Het beheer over Cranendonk en Eindhoven bleef echter grotendeels in handen van het departement van Financiën. (

      Zie inleiding bronnen, ARA, Archief Ministerie van Financiën, inv.nr. 1127 folio 222r ARA, Archief Kroondomeinen en hofhouding van koning Lodewijk Napoleon en de Franse keizer, 2.01.25, inv. nrs. 114, 115, 119, 123

      ) In 1820 werd Cranendonk door de staat verkocht. Het goed omvatte toen de kasteelruine, de boerderijen Cranendonkse Hoef, de Perk en de Bult. (

      J Biemans, 'Geschiedenis van Budel c.a. en Maarheeze c.a.' in Aa-kroniek. Heemkundekring Budel en Cranendonk (1988) 2, pp. 64 e.v.

      )

      Grondgebied en benaming Eindhoven en Cranendonk

      Het domein Eindhoven bestond uit de stad Eindhoven, de dorpen Strijp, Stratum en Gestel en de heerlijkheid Woensel.

      Eindhoven was de enige stad in Staats-Kempenland.

      Tot 1609 had Eindhoven veel te lijden van het krijgsbedrijf van de Tachtigjarige Oorlog. De oorlogslasten waren hoog en moesten vaak aan beide partijen worden voldaan. Het waren donkere tijden voor de toekomstige lichtstad van Nederland. De welvaart en bevolking van de stad ging sterk achteruit. (

      Zie Houben, Geschiedenis en Smits, Beknopte geschiedenis.

      ) Met het afsluiten van het Twaalfjarig Bestand tussen de Republiek en Spanje in 1609 verbeterde de toestand zich.

      De regering van de stad bestond uit een drossaard, schout, burgemeester en schepenen en de vijfmannen, gekozen uit de vijf ambachtsgilden. De laatsten hadden een stem in het burgerlijke bestuur.(

      Smits, Beknopte geschiedenis, I, pp. 14 e.v.

      )

      De heerlijkheid Cranendonk lag in het uiterste zuiden van Staats-Brabant temidden van peelmoerassen. De naam Cranendonk herinnert aan de kraanvogels die in deze streek veel voorkwamen. Het kasteel Cranendonk was waarschijnlijk al in 1270 gebouwd door Engelbert van Horne, toenmalig heer van Cranendonk. In 1672 werd het kasteel van Cranendonk door de Fransen ingenomen en in 1673 opgeblazen.

      De Oranjes lieten zich baron van Cranendonk noemen en sindsdien stond Cranendonk bekend als baronie. (

      Biemans, 'Geschiedenis', passim.

      ) De baronie Cranendonk bestond uit de buurt Gastel, de dorpen Maarheeze en Soerendonk en Budel. Maarheeze, Soerendonk en Gastel bezaten samen een schepenbank. Bude! vormde een aparte jurisdictie. Tezamen hadden zij een secretaris die in Budel zetelde.

      Budel was oorspronkelijk ook een vrij goed en was in 1421 door jan van Schoonvorst als heer van Cranendonk aan de hertog van Brabant als leengoed opgedragen. (

      Biemans, 'Geschiedenis', p. 63.

      )

      De drossaard van Cranendonk was ook drossaard van Eindhoven. Hij zetelde tot 1673, toen het kasteel door de Fransen werd opgeblazen, op het kasteel van Cranendonk. Daarna verhuisde de zetel naar Eindhoven. (

      Smits, Beknopte geschiedenis, I, p. 14.

      )

      Het Leenhof van Cranendonk zetelde (na 1673) eveneens in Eindhoven. Het hof hield zijn zittingen in het klooster Ten Hage. De drossaard was stadhouder van de lenen, de rentmeester was tevens de griffier van de lenen. De vorster van Eindhoven was leenvinder van het hof. Voor het hof werden de lenen van Cranendonk en Eindhoven verheven, transporten van leengoederen verleden (deze zittingen werden Laatbank genoemd), geschillen in leenzaken beslecht, en ook 'contraventien' (nalatigheden, overtredingen) tegen de jacht- en visserijrechten van de heer vervolgd en beslist. (

      NDR inv.nr. 766, folio 1013.

      )

      Geestelijke goederen

      Het kapittel van Eindhoven was in 1399 opgericht in de H. Catharinakerk van Eindhoven. Het kapittel bestond uit negen kanunniken en een deken. In de loop der tijd werden meerdere kerken -en hun inkomsten, waaronder tienden aan het kapittel toegevoegd. Het betrof kerken uit Eindhoven, Woensel, Tongelre (ten behoeve van de cantor van het kapittel), Aarle, Maarheeze en Vught. Het kapittel en de deken benoemde in deze kerken de pastoors. Aan de pastoors werd een gedeelte van de inkomsten van het kapittel toegekend. De rest van de inkomsten was voor de kanunniken. De hertog van Brabant en de heer van Eindhoven hadden beurtelings het recht op benoeming van de kanunniken. (

      Smits, Beknopte geschiedenis, I, pp. 86 e.v.

      )

      Het klooster Onze Lieve Vrouw ten Hage was gesticht in de 15e eeuw door Jan van Schoonvorst. Aan het klooster werd het kasteel van de heren, de Hage in Woensel bij Eindhoven, geschonken. (

      Houben, Geschiedenis, p. 68.

      ) Het klooster werd tijdens de oorlogshandelingen tussen de Republiek en Spanje verwoest. De kloosterlingen weken uit naar Den Bosch, waarna zij in 1629 op het klooster terugkeerden. Van hun goederen hadden de kloosterlingen een deel gebruikt om zich in 1581 uit de Staatse handen vrij te kopen. In 1638 echter weken zij definitief uit naar Roermond. (

      Smits, Beknopte geschiedenis, I, pp. 143 e.v.

      )
      Het deels herbouwde klooster werd na 1648 bewoond door de rentmeester.

      Rechten en bevoegdheden

      Eindhoven en Cranendonk vormden een gezamenlijke heerlijkheid. De prins had er de hoge en lage jurisdictie.

      De prins van Oranje bezat in Cranendonk de grondgewincijnzen, jacht, visserijen, recht van gruit, houtschot en het z.g. voederkoorn, een moIen in Soerendonk, een bos en een hoeve met landerijen, alsmede een vijver in de heide van Gastel. (

      NDR inv.nr 765, folio 291 e.v.

      )

      In Eindhoven bezat de beer grondgewincijnzen, jacht, visserijen, grove en smalle tienden, gruit, houtschot, tol vleesaccijns, varkensbezien, waag, l0e penning van de stadsaccijnzen en grond, o.m. het plein voor het kasteel.

      In beide heerlijkheden had de heer het recht van confiscable van bastaardgoederen en onbeheerde goederen.

      In Zeelst had de heer een windmolen. Buiten de heerlijkheid bezat de heer nog goederen in Zeelst, Empel, Oss, Vught, Udenhout, St. Oedenrode etc. Deze goederen werden tezamen met de heerlijkheden geadministreerd.

      Verder bezat de prins ook de geestelijke goederen die behoorden tot het kapittel van Eindhoven, en van het klooster Ten Hage, alsmede de pastoriegoederen van Woensel, Stratum, Budel, Maarheeze en Soerendonk.(

      NDR inv.nr. 765, folio 478 e.v.

      ) Van de kapittelgoederen was twee derde deel bestemd voor de kapittel en een derde voor de prins van Oranje. (

      Smits, Beknopte geschiedenis, I, p 136.

      )
      Deze verdeling gold na af trek van de lasten. De kloosterlingen van Ten Hage mochten overigens zelf hun goederen beheren, totdat de gemeenschap uitgestorven zou zijn, in ruil voor een bepaalde jaarlijkse som. (

      Drs. H.A.M .de Wit, 'Financiën en fiscaliteit in het achttiende eeuwse Eindhoven' in: 'Eindhoven door de eeuwen' (Eindhoven, 1982).

      )
      Uit de pastorale inkomsten werd het onderhoud van de predikant en schoolmeester betaald. (

      NDR inv.nr. 765, folio 481 e.v.

      )

      Functionarissen

      De prins van Oranje benoemde in Eindhoven en Cranendonk de volgende functionarissen: (

      Ontleend aan het 'Ambtboek', NDR inv.nr. 685. In het Ambtboek zijn alle functies, die gedurende een bepaalde tijd door het huis van Oranje werden vergeven opgesomd. Het kan dus zijn dat onder de functie van 'stokhouder', zich slechts een vermelding van één persoon bevindt. Het kan dan zijn dat men of die gegevens niet voorhanden had om ze in het Ambtboek op te nemen, of dat het huis van Oranje slechts eenmaal een 'stokhouder' benoemde. Sommige functies worden meermalen onder de plaatsen waar de vermelde functionaris actief was, vermeld. Zo komt de vorster, welke een functie voor meerdere plaatsen vormde, voor onder bijvoorbeeld Eindhoven, Stratum en Strijp, waardoor het lijkt alsof het gaat om drie functies. Anderzijds komt het ook voor dat zo'n functie werkelijk voor elke plaats een aparte benoeming vergde. Voor welk gebied een functie was ingesteld is alleen in de benoemingsakten terug te lezen. De opsomming is in de volgorde van het Ambtboek weergegeven.

      )

      In Eindhoven en Cranendonk

      • Drossaard
      • Griffier van het Leenhof
      • Kastelein van het Huis van Cranendonk
      • Rentmeester van de domeinen
      • Rentmeester van de geestelijke goederen
      • Stadhouder van de Lenen
      In Budel:

      • Koster
      • Notaris
      • Ontvanger van de convooien en licenten
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voorlezer
      • Vorster
      In Cranendonk:

      • Boswachter
      In Eindhoven:

      • Koster
      • Notaris
      • Postmeester
      • Rector van de Latijnse School
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voorlezer
      • Vorster en Leenvinder
      • Ondervorster
      In Gestel:

      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Vorster
      In Maarheeze:

      • Koster
      • Notaris
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voorlezer
      • Vorster
      In Stratum:

      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Vorster
      In Strijp:

      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voorzanger
      • Vorster
      In Woensel:

      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voorzanger
      • Vorster en Leenvinder
      • Ondervorster
      In Soerendonk en Gastel:

      • Notaris
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voorzanger
      • Vorster
      Beheer

      Tot 1767 werden de domeingoederen en de geestelijke goederen ieder in een aparte rekening verantwoord. Daarna werden de domeinen en de geestelijke goederen in één rekening verantwoord. De rentmeester van de domeinen en geestelijke goederen was ook rentmeester van het kapittel. De kapittelgoederen werden in een aparte rekening verantwoord, omdat het kapittel ook een deel van de inkomsten ontving. (

      De Wit, 'Financiën', p 86.

      ) Het batig slot van rekening voor de heer (een derde deel van de 'winst') werd in de rekening van de geestelijke goederen als inkomsten opgenomen. De rekening van de kapittelgoederen werd afgehoord door de Domeinraad en door de deken en kapittulairen (leden van het kapittel) 'die daer over begeren te comen'. (

      NDR inv. nr. 9777, afschrift van de beschikking van de voogden van Willem III betreffende het beheer van het kapittel.

      )

      In 1763 werd rentmeester Nicolaas Jeremias Storm van 's-Gravesande ontslagen vanwege zijn slechte beheer. Hij was failliet gegaan en had grote schulden aan de Domeinraad. In zijn plaats werd aangesteld secretaris Jacob Spoor. (

      De Wit, 'Financiën', p. 91.

      )

      Na het vertrek van Willem V in 1795 werden Eindhoven en Cranendonk beheerd door enkele leden van de Staten-Generaal. Op 15 juli van dat jaar werd het beheer van de Eindhovense goederen overgedragen aan de municipaliteit van Eindhoven. Deze stelde J. van Mierlo aan als rentmeester. Echter het Comite tot de Algemene Zaken van het bondgenootschap te Lande, dat de domeinen in de Generaliteitslanden beheerde, herstelde Spoor, rentmeester onder Willem V, in zijn functie. (

      P.J. Latjes, Het Eindhovense stadsbestuur in de Bataafs-Franse Tijd (1794-1813). In: Eindhoven door de eeuwen. Ed. J. Spoorenberg en drs. H.A.M. de Wit (Eindhoven, 1982), p. 138.

      ) Van Mierlo heeft ook blijkens de rekeningen niet de functie van rentmeester uitgeoefend.

      Rentmeesters waren:

      (

      Ontleend aan het Ambtboek, NDR inv. n.r 685, folio 254 e.v. en aan de rekeningen van Eindhoven, NDR inv. nrs. 9508 e.v.

      )

      Johan Stappaerts, 1647-1671.
      Michiel Stappaerts, 1671-1685.
      Dirk 's-Gravesande, 1687-1715.
      SebastiaanSiebert, 1717-1729.
      Cornelis Havius, 1731-1745.
      Nicolaas Jeremias Storm van 's-Gravesande, 1747-1763.
      Jacob Spoor, 1764-1788.
      Willem Lodewijk Joost Spoor, 1790-1797.
      Johan Baptist Swinkels, 1798-1810.
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In de het algemene deel (NDR inv.nrs. 1 e.v.) zijn in de notulen van de Domeinraad, de registers met uitgaande stukken en in de rekeningen van de thesaurier ook gegevens betreffende Cranendonk en Eindhoven te vinden.

      De belangrijkste bestanddelen in dit deel van het archief zijn de 'Stukken betreffende Cranendonk en Eindhoven', de verbalen van de raden van hun inspectiereizen, de memories van de rentmeesters en voorts de leggers van cijnzen en renten en de rekeningen. In de 'Stukken betreffende Eindhoven en Cranendonk' (NDR inv.nrs. 9262-9265) treft men allerlei stukken aan. Het merendeel betreft zaken van bestuur en regelgeving: plakkaten, ordonnanties, reglementen, e.d. In NDR inv.nr. 9263 treft men vooral stukken betreffende de geestelijke goederen aan.

      In de verbalen van de leden van de Domeinraad zijn de verslagen en de bijlagen opgenomen van de leden op inspectie naar het domein. Zij doen verslag van de verpachtingen, het opnemen van de rekeningen, maar ook van lopende geschillen over (het handhaven van) de rechten van de prins van Oranje en tussen belanghebbenden, de staat van onderhoud van goederen, zoals bossen, hoeven. Tevens bevatten de verbalen een financieel overzicht van het 'boekjaar'. Deze stukken vormen voor de periode na 1755 een rijke bron voor onderzoek naar de geschiedenis van Cranendonk en Eindhoven.

      De memories van de rentmeester geven een overzicht van de resoluties en orders van de Domeinraad. Daarnaast staat aangetekend wanneer en hoe een order door de rentmeester werd uitgevoerd. Deze stukken geven een beeld van de onderwerpen van de bemoeienis van de Domeinraad en de lengte van hun 'sterke arm' bij het doen uitvoeren van de resoluties.

      De 'vaste' inkomsten, zoals de jaarlijkse renten, cijnzen en pachten, werden bijgehouden in cijnsboeken, nu leggers genaamd. Deze leggers van de vaste inkomsten werden geregeld vernieuwd door een rentmeester, meestal in opdracht van de Domeinraad. De rentmeester baseerde zich op de oude legger (cijnsboek). In de nieuwe legger werd weleens een nieuwe volgorde gehanteerd. Ook werden de inkomsten ingeschreven in andere leggers. Zo zijn de inkomsten van de pastorieën van Stratum, Strijp en Woensel eerst ingeschreven in de legger van de inkomsten van het klooster Ten Hage, in later jaren in de legger van de inkomsten van het kapittel van Eindhoven. In de 18e eeuw werden de aparte leggers in één legger gevoegd.

      Geregeld staan er per post verwijzingen naar een oud register, maar ook naar een rekening uit een bepaald jaar. Omdat de series hiaten vertonen, is het terugzoeken van het jongste naar het oudste register een hele opgave. In de beschrijvingen staat aangegeven naar welke legger de verwijzingen teruggaan. Soms zijn posten alleen terug te vinden door van elke post alle namen van cijnsplichtigen door te nemen.

      Ook in de rekeningen staan gegevens betreffende deze en andere inkomsten. De rekeningen bevatten persoonsnamen, geografische gegevens e.d. Bij de beschrijvingen van de rekeningen staat vaak de toevoeging: Met bijlagen. Meestal betreft dat een borderel en een loquatur. In een borderel werd de rekening samengevat. Een loquatur bevat aantekeningen betreffende de onderscheiden posten. Bijlagen in de vorm van kwitanties, betalingsopdrachten e.d. zijn vaak verloren gegaan. Heel soms kan men ze nog bij een rekening aantreffen.

      Van Cranendonk en Eindhoven berusten geen kaarten in het Algemeen Rijksarchief.

      Verwante Archieven

      Elders berustende bestanden:

      In de hierna volgende archiefbewaarplaatsen berusten enkele bestanden uit dezelfde periode als die waarin de genoemde plaatsen onder het beheer van de Domeinraad en zijn opvolgers stonden.

      In het Rijksarchief in Noord-Brabant:

      - Collectie Nassause Domeinen, 1545-1810, inv.nrs. 182-364.

      Streekarchief Regio Eindhoven:

      - Oud-administratieve archieven van Eindhoven, Gestel, Blaarthem, Stratum, Strijp, Tongelre, Woensel, Eckart.

      Streekarchivariaat Peelland:

      Oud-administratieve archieven van Budel en Maarheeze

      Verantwoording van de inventarisatie

      De registers met stukken betreffende Cranendonk en Eindhoven, NDR inv.nrs. 9262-9265, zijn geplaatst onder de rubriek ALGEMEEN omdat het niet mogelijk was deze te splitsen. De stukken zijn ingebonden in een aantal banden. Zij zijn te vergelijken met de 'Volumes', zoals die ook voorkomen bij Steenbergen, Roosendaal en Nispen en bij Breda. Omdat het hier gaat om minder stukken is een indeling zoals bij Steenbergen etc. weggelaten. Om de toegankelijkheid van deze stukken te waarborgen is besloten de inhoudsopgave te handhaven en in de beschrijving op te nemen. Deze is gebaseerd op de inhoudsopgave in de banden zelf. De tekst is gemoderniseerd. Voorlopig staat ook per nummer van de inhoudsopgave aangegeven om hoeveel stukken het gaat.

      Literatuur J. Biemans, 'Geschiedenis van Budel en Maarheeze' In: Aa-kroniek, Heemkunde Kring Budel en Cranendonk, 2,1988, pp. 61-64. H. Boks, 'Verpachting der Oranje-molens in de Baronie van Cranendonk'. In: Aa-kroniek. Heemkundige Kring Budel en Cranendonk, 3,1991, pp. 116-135. Eindhoven door de eeuwen heen. J. Spoorenberg en drs. H.A.M. de Wit ed. Eindhoven, 1982. J. Hagen, 'Philips Willem in Cranendonk en Eindhoven (18-20 oktober 1608)'. In: Aa-kroniek, 4,1990, pp. 264-274. J. Hagen, 'Valkeniers in de waranda van Cranendonk (1657)' In: Aa-kroniek, Heemkundige Kring Budel en Cranendonk, 1,1990, 45-52. L.G.A. Houben, Geschiedenis van Eindhoven, de stad van Kempenland. 2 delen. Turnhout, 1890. Drs. T. Klaversma, De Heren van Cranendonk en Eindhoven, ca 1200-1460. Eindhoven, 1969. 'Oud Eindhoven: Voorstudies tot de geschiedenis van Eindhoven.' Red. Drs. H. Mandos en A. D. Kakebeeke. Bijdragen tot de studie van het Brabantse heem, Deel I. Eindhoven, 1950. F.N. Smits, Beknopte geschiedenis van Eindhoven. 3 delen. Eindhoven, 1887. [J. Wagenaar], De Tegenwoordige staat der Nederlanden. Deel II. Amsterdam, 1760? J.Th.M. Meissen, 'William Throckmorton, drossaard van Cranendonk 1653-1660.' In: Brabantse Leeuw, 26, 1977, pp. 52-55 en 27, 1978.
      Bijlage

      Inhoudsopgave van de rekening wegens de domeinen en de geestelijke goederen (

      Het betreft de rekening over 1767, NDR inv. nr. 9735

      )

      Register van ontfang

      1Ontfang van 't capittel van St Catharina
      2van grondcijnzen en andere vaste renten
      3van hoeven en landen|en
      4van grove, smalle en spurrie tiendens
      5van de molens
      6van visscherijen
      7van de waage, gruyte, houtschotten, etc
      8confiscatiën van bastaerden
      9 verheffen van leenen
      10penningen van verkogte rogge
      11schaar en dorhout
      12recognitiën
      13gemengden ontfang
      Register van uytgaaf

      1erfrente in geld, rogge en gerst en andere vaste renten
      2gagien aan officieren, predicanten, etc
      3ordinaire en extra-ordinaire verpondingen en lasten
      4reparatiën aan huysingen en molens
      5van verkogte granen
      6van het coorene dat gekrompen is
      7voor 't wenden van het cooren
      8interessen van capitalen
      9aanplantingen
      10remissiën
      11penningen berekent en niet ontfangen
      12gemengden uijtgaaf
    • Verwerving Grave en het land van Cuijk

      De stad Grave en het land van Cuijk kwamen in 1559 in het bezit van Willem van Oranje. Philips II verpandde de heerlijkheid aan Willem van Oranje voor de som van 60.000 gulden. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog werd Grave tweemaal een periode door de Spanjaarden bezet. Na de verovering van Grave door prins Maurits in 1602, bleef Grave en Cuijk in het bezit van de Oranjes. In 1611 werd Maurits van Oranje door de Staten-Generaal in het wettig bezit van de stad Grave en het land van Cuijk gesteld. Sindsdien werd de heerlijkheid ook wel de baronie van Grave en Cuijk genoemd. De koning van Spanje zag tenslotte af van zijn aanspraken op Grave en Cuijk bij de Vrede van Munster in 1648. (

      Jan J.F. Wap, De geschiedenis van het Land en de heeren van Cuijk (Utrecht), pp. 165 e.v.

      ) De stad Grave en het land van Cuijk werden als een heerlijkheid beschouwd. De heerlijkheid werd als een Brabants leen door de Raad van Brabant verheven. De Cuijkse of Hapse tol maakte voor de helft onderdeel uit van de heerlijkheid. De andere helft van de tol was in het bezit van de heer van Boxmeer. (

      Diderik Paringet, Memoriaal of Beschryving van de stad Grave en den Lande van Cuyk. Paul van Alen ed. (Utrecht, 1752), p. 16.

      )
      De pastorale goederen zijn na de vrede van Munster in 1648 in het bezit van de heer, toen prins Willem II, gekomen. (

      NDR inv.nr. 768 folio 1310.

      )

      De Oranjes hebben niet ongestoord van hun bezit kunnen genieten. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog is Grave een aantal keren bezet geweest door de Spanjaarden. In 1672 werd Grave ingenomen door de Fransen. Bij de capitulatie van Grave aan de Franse bevelhebber Turenne werd echter afgesproken dat prins Willem III van Oranje in het bezit van de heerlijkheid zou blijven. (

      P. Hendrikx, Geschied- en aardrijkskundige beschrijving der stad Grave (Grave 1846), p. 53.

      )

      Tenslotte werd Grave in 1794, na een zwaar beleg door -wederom- de Fransen veroverd. Daarna werden Grave en Cuijk als alle andere domeinen van de Oranje-Nassaus genationaliseerd.

      In 1807 behoorde Grave en het land van Cuijk tot de goederen die aan de Kroon (koning Lodewijk Napoleon van Holland) werden overgegeven. In 1809 werd Grave en Cuijk weer overgedragen aan de staat. (

      NDR inv.nr. 10058.

      )

      De Lithse en Gennepse tollen

      De Lithse tol werd door de Staten-Generaal aan Maurits geschonken, als vergoeding voor het verlies van goederen in Brabant [na de vrede van Munster]. De Staten-Generaal behielden het recht van revocatie. Daar hebben zij echter nooit gebruik van gemaakt. De tol werd geheven volgens een door de Raad van State vastgestelde lijst.

      De keurvorst van Brandenburg schonk Willem III in 1678 zijn Kleefslicent of Gennepse tol. De tol werd enige tijd tweemaal geheven, eenmaal door Kleef te Gennep en eenmaal door de prins te Grave, waarschijnlijk als gevolg van de twist om de nalatenschap van Willem III van Oranje. Met het traktaat van partage in 1732 kwam de Gennepse tol aan de koning van Pruisen. (

      NDR inv.nr. 767, folio 1243.

      )

      Oploo

      Willem V kocht in 1778 de heerlijkheid Oploo van een lid van de familie Van Welderen. Deze heerlijkheid was een leen van de heer van Grave en Cuijk.

      Grondgebied en benaming

      De heerlijkheid Grave en Cuijk ligt aan de Maas en werd begrensd door het land van Kessel in het zuiden, de Peel in het westen, het land van Ravenstein in het zuidwesten en in het noordoosten door de rivier de Maas.

      Het land van Cuijk werd onderverdeeld in het Overambt en het Nederambt. In het Overambt lagen 17 dorpen of gehuchten: Maashees, Holthees, Vierlingsbeek, Overloon, Groeningen, Vortum, Sambeek, Beugen en Rijkevoort, Mulheim, Bingen, Papenvoort, Tove, Walschot, Ledeacker, Berkenbosch, alsmede de heerlijkheden Boxmeer en Oeffelt. Deze laatste twee gebieden hoorden niet tot het bezit van de Nassaus. Ook een aantal andere dorpen in het land van Cuijk hoorden aan andere heren toe dan de heren van Grave en Cuijk. De heerlijkheid Oploo lag ook in het Overambt. In het Nederambt lagen Grave en Cuijk, en verder Beers, Grootlinden, Kleinlinden, Escharen, Gassel, Mill, St. Hubert, Haps en Wanroij. (

      Wap, 'De geschiedenis', p. 3 en NDR inv. nr. 768, folio 1310.

      )

      Grave was een omwalde stad aan de Maas. In Grave hadden de heren een kasteel. Met de belegering van 1674 werd het kasteel zo beschadigd dat het niet meer is opgebouwd, maar in de jaren daarna afgebroken. (

      Tegenwoordige staat der Nederlanden II, p. 271.

      ) Het rechtsgebied van de stad strekte zich uit tot de polder Mars en With.

      Rechten en bevoegdheden

      De heer van Grave en het land van Cuijk bezat de hoge en lage jurisdictie. De hoge jurisdictie werd namens de heer uitgeoefend door de ambtman. De ambtman stelde de schepenen aan in elke lage jurisdictie in Grave en Cuijk. De ambtman beschreef ook de landdag.

      Tot omstreeks 1730 waren er drie schouten: een in de stad Grave, een in het Overambt en een in het Nederambt. Daarna zijn de drie ambten samengevoegd tot één. (

      Tegenwoordige Staat, deel II, pp. 261 e.v.

      ) De lage en een deel van de middelbare jurisdictie werd uitgeoefend door de schout.

      De heer bezat in Grave en Cuijk meerdere rechten, waaronder de oppervoogdij, het recht van jacht, benoeming van alle hoge ambtenaren en regenten. Alle molens van stad en land behoorden aan de heer, behalve die van Oploo. De inwoners van de meeste plaatsen hadden 'molendwang': zij moesten hun graan laten malen in de molen van de heer. (

      H.B.M.Essink, Een onderzoek naar absolute rechten van de heren van Cuijk. Een bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van het land van Cuijk en de stad Grave (1968), p. 70.

      ) In het Nederambt bezat de heer 16 hoeven en 16 bossen en de meeste tienden. (

      NDR inv.nr. 766, folio 891 e.v.

      )

      De heer bezat de geestelijke en pastorale goederen. Onder de geestelijke goederen werden verstaan de 'oude' geestelijke goederen. Deze behoorden vanouds tot het bezit van de heer. Pastorale goederen waren de 'nieuwe' geestelijke goederen die vanaf 1648 deel uitmaakten van het bezit van de heer van Grave en Cuijk. Uit de inkomsten van deze goederen moesten wel de predikanten, kosters en schoolmeesters worden onderhouden. Bij deze goederen behoorden ook de Mariënweerdse goederen in het land van Cuijk, die eerder tot het klooster van Mariënweerd behoorden. De goederen van het klooster St. Agatha bij Cuijk en het klooster Mariagrave (graf) in Grave bleven tegen een vergoeding voor de heer in het bezit van de kloosters, onder voorwaarde dat er geen nieuwe kloosterlingen meer aangenomen zouden worden. Aan die voorwaarden werd niet voldaan. (

      NDR inv.nr. 9955; Essink, Een onderzoek, p. 94.

      ) De heer oefende het collatie- en patronaatsrecht uit in Grave en Cuijk. (

      Essink, Een onderzoek, p. 91.

      )

      Het Leenhof van de heer was gevestigd in Grave. De ambtman fungeerde als stadhouder van de lenen en werd geassisteerd door twee (bij leenverheffing) tot zeven (bij civiele procedures) leenmannen. (

      Essink, 'Een onderzoek, p. 81.

      )

      De heer had de bevoegdheid de besluiten van de landdag goed te keuren. (

      Tegenwoordige staat II, p. 266.

      )

      In Oploo bezat de heer de hoge en lage jurisdictie. Oploo was een leen van het land van Cuijk.

      Functionarissen

      De heer benoemde de volgende functionarissen: (

      NDR inv.nr. 685, folio 343 e.v.

      )

      • Ambtman
      • Stadhouder van de lenen
      • Schout
      • Fiscaal en syndicus van Grave
      • Griffier van de lenen
      • Rentmeester van de domeinen
      • Rentmeester van de geestelijke goederen
      • Ontvanger van tollen en licenten
      • Leenvinder
      • Ontvanger van de verpondingen
      • Rentmeester van de middelen van Grave
      • Secretaris van Grave
      • Stokhouder van Grave
      • Afhanger van de venduen
      • Notaris
      • Postmeester
      • Arts van het gast-en weeshuis
      • Burgermajoor
      • Voorlezer
      • Schoolmeester
      • Koster
      • Voorlezer van de Franse kerk
      • Eerste beziender van de ingeladen koopmanschappen die de tollen passeren
      • Beziender van de tollen te Grave
      • Controleur van het tol en licent te Gennep
      • Commissaris van de tollen te Grave
      • Controleur en opzichter van de molens en bouwhoeven
      • Tafelhouder van de bank van lening
      • Leenmannen bij het leenhof
      • Agent van Grave en Cuijk
      • Dijkgraaf
      • Waldgraaf
      • Schout van het Overambt
      • Schlout van het Nederambt
      • Landschrijver van het land van Cuijk
      • Stokhouder van het land van Cuijk
      • Controleur van de tollen
      • Kosters
      • Schoolmeesters
      • Kerkmeesters
      • Gerechtsbode van Cuijk en St. Agatha in het hoofdgerecht in Cuijk
      • Boswachter
      • Opzichter van de nieuw aangelegde bossen
      • Kastelein van het klooster St. Agatha
      • Ontvanger van de verpondingen
      Beheer

      De heerlijkheid Grave en Cuijk werd voor de prinsen van Oranje beheerd door een rentmeester. De rentmeester was in rang de tweede ambtenaar van de heer in de heerlijkheid na de ambtman. Bij landdagen zat hij, namens de heer als grootste eigenaar van landerijen en tienden, voor de schout.

      De rentmeester verpachtte jaarlijks de tienden en driejaarlijks de molens van de stad en van het land.

      Een lid van de Domeinraad keurde en tekende jaarlijks de besluiten van de landdag. (

      Tegenwoordige staat, II, pp. 260 e.v.

      )

      Voor de administratie van de tollen hield de heer een apart kantoor. (

      Tegenwoordige Staat, II, p 277.

      )

      Het toezicht op de bossen werd uitgeoefend door de waldgraaf Deze was direct ondergeschikt aan de rentmeester. (

      Essink, Een onderzoek, p 31.

      )

      Ook de geestelijke goederen en -in de 18e eeuw- de heerlijkheid Oploo werden beheerd door een rentmeester. De rentmeesterschappen werden in personele unie door de rentmeester van Grave en Cuijk uitgeoefend.

      Voor de tollen was een ontvanger aangesteld.

      Rentmeesters

      (

      Ontleend aan de rekeningen en NDR inv. nr. 685, folio 347 v.

      )

      • Dirk de Haen, 1616(?)-1627
      • Gerard Trip, 1628-1647
      • Michiel Verbolt, 1647
      • Cornelis Verbolt, 1648-1652
      • Johan Ruijl, 1653-1672
      • Albert Ruijl, 1672 1681
      • Pieter Ruijl, 1681-1711
      • Johan Ruijl, 1712-1738
      • Gerard Torsinck, 1739-1771
      • Daniël Gerard Hoppenbrouwer, 1772-1775
      • Willem Arnold Motman, 1776-1778
      • Daniël Gerard Hoppenbrouwer, 1779-1790
      • J F Kneger, 1796
      • Edmundus Ruijs, 1802-

      De rentmeester hield volgens de instrucrie meerdere registers bij. Zowas hij verplicht van zijn uitgaande brieven aan de Domeinraad een brievenboek bij te houden. Ook werd hij verplicht van de ontvangen resoluties en orders van de Domeinraad notitie te houden, met aantekening van de uitvoering van de bedoelde resoluties en orders. Hiermee trachtte de Domeinraad greep te krijgen op de uitvoering van zijn besluiten in de domeinen.

      Tot 1777 diende de rentmeester vier rekeningen in van de domeinen in geld, van de domeinen in granen, van de oude geestelijke goederen en van de pastorale goederen (deze waren in 1648 in het bezit van de prins van Oranje gekomen). Vanaf 1777 werden deze rekeningen samengevoegd tot één rekening. Dit gebeurde overigens niet alleen in Grave en het land van Cuijk, maar ook in andere domeinen.

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit deel zijn de stukken betreffende Grave en het land van Cuijk beschreven. In deel 1 van deze inventaris vindt men in de series notulen, registers van uitgaande stukken, registers met historische gegevens e.d. eveneens gegevens betreffende deze domeinen.

      In dit deel van het archief zijn vrij veel stukken betreffende cijnzen en pachten bewaard gebleven. In deze registers staan gegevens betreffende onroerende goederen (landerijen, hoeven, huizen e.d.) Ook zijn er vrij veel financiële stukken bewaard gebleven uit de 18e eeuw, waardoor er een goed beeld kan worden gevormd van de financiële administratie van de rentmeester.

      De series (leggers, condities van verpachtingen) zijn niet compleet bewaard gebleven over de hele periode waarin de prins van Oranje heer van Grave en Cuijk was. Als gevolg hiervan wordt het terugzoeken in deze series bemoeilijkt. Het is niet helemaal duidelijk door het ontbreken van stukken over een bepaalde periode, hoe stukken (b.v. de leggers van cijnzen) op elkaar aansluiten. De verwijzingen naar folionummers in oudere registers, kunnen verwijzen naar registers die niet (meer) aanwezig zijn. Men moet dan met behulp van gegevens zoals rubrieken, plaatsomschrijvingen, opeenvolgende namen van cijnsplichtige het onderzoek voortzetten in de oudere registers.

      De leggers van cijnzen en renten, ook wel cijnsboeken genoemd, zijn veelal geordend naar de plaatsen waar de cijns of rente geheven wordt. Per plaats (dorp, gehucht of straat) staan er omschrijvingen van het goed (een hoeve, landerijen, huizen) waar de rente of cijns op rust. In de leggers uit de 19e eeuw worden ook de belendende percelen genoemd, m.n. in de leggers van poortcijnzen in de stad Grave. Bij elke omschrijving (posten) staan de namen van opeenvolgende cijns- of renteplichtigen vermeld. In de oudere registers staan bij de posten soms de namen van latere cijns- en renteplichtigen bijgeschreven. In de leggers van cijnzen staat per post vaak een verwijzing naar het folionummer van een eerdere legger waar dezelfde post staat vermeld. In de meeste leggers werd aantekening gehouden van de betalingen van de verschuldigde cijnzen en renten, in geld of in granen. In de oudste leggers zijn dat aantekeningen in de vorm van het alfabet. Elke letter geeft een jaar aan. Voorin staat vermeld met welkjaar de legger begint b.v. 1684 = a, 1685 = b, etc.

      De waagboeken van de molen vermelden in chronologische volgorde per partij graan de soort en het gewicht bij binnenkomst. 'naa de molen' en het gewicht uit de molen vandaan 'van de molen'.

      In de inventaris van Dr. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad. Tweede Deel. Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren. 's-Gravenhage 1955 staan de stukken van voor 1581 betreffende Grave en Cuijk beschreven.

      De kaarten van Grave en Cuijk staan beschreven in de Collectie Hingman, inv. nrs. 1684-1698.

      Verwante Archieven

      Andere archieven uit deze periode betreffende Grave en het land van Cuijk, zijn o.m. te vinden in:

      • Streekarchief Brabant Noordoost, Rayon land van Cuijk (dorps- en stadsarchieven, archieven van kloosters en parochies)
      • Rijksarchief in Noord-Brabant (oud-rechterlijke archieven, archief van de rentmeester)
      Verantwoording van de inventaris

      De stukken betreffende Grave en het land van Cuijk, NDR inv. nrs. 9952-9956 zijn geplaatst onder de rubriek ALGEMEEN omdat het niet mogelijk was deze te splitsen. De stukken zijn ingebonden. Zij zijn te vergelijken met de 'Volumes', zoals die ook voorkomen bij Steenbergen, Roosendaal en Nispen en bij Breda. Om de toegankelijkheid van deze stukken te waarborgen is besloten de inhoudsopgave te handhaven en in de beschrijving op te nemen. Deze is gebaseerd op de inhoudsopgave in de banden zelf. De tekst is gemoderniseerd. De stukken betreffende Oploo zijn bij die van Grave en Cuijk gevoegd. Het domein werd door een rentmeester beheerd en administratief als een geheel beschouwd, ook al legde de rentmeester apart voor Oploo verantwoording af in zijn rekeningen. Er zijn meerdere stukken die zowel Grave en Cuijk als Oploo betreffen en die niet te splitsen zijn zonder het geheel van het archief aan te tasten.

      Bijlage Rekening van de domeinen in geld Ontfanck

      1.Stadtspoortchijnsen
      2.Chijnsen in den Over, ende Nederampte s' landts van Cuijk
      3.Chijns gewinnen welke bij verloop, versterff of transport met dobbele chijns gewonnen worden
      4.Erffpagt van chijnsen van verlatene landerijen onder Beugen, als mede wegens 't clooster ende de nieuwen hoff in het Hapse Loo
      5.Maes ende fruitagietollen
      6.Bieraccijnsen
      7.Smaltienden
      8.Hooij, ende weijlanden
      9.Chijnsen van de erffpagten van landen onder Sambeek
      10.Moolenpagten in de Grave
      11.Moolenpagten in t land van Cuijk
      12.Coorntienden int land van Cuijk
      13.Schaarbosschen
      14.Bouwhooven tot Beers en Gassel
      15.Visscherijen
      16.Conijnwarande, en patrijsvangst
      17.Peelen, en moeren mitsgaders lijffgewinnen ende keurmondige personen
      18.Officieren der stadt Grave, ende landen van Cuijk
      Uijtgaeve

      1.Wedden en gagien
      2.Erff renten
      3.Renten van den penningh twaelf gereduceert op den penningh twintigh
      4.Renten van den penningh veertien gereduceert op den penningh twintigh
      5.Losrenten van den penningh sestien gereduceert op den penningh twintigh
      6.Renten van den Mariënweertse goederen
      7.Losrenten die Sijne Hoogheijt op de domeinen gelieft heeft te lighten tegens den penningh twintigh
      8.Ingekoghte materialen
      9.Reparatien aen 's Heeren dijck
      10.Reparatien aen den Casteele
      11.Reparatien aen de leijdacken van den Casteele
      12.Reparatien aan de glaesen van den casteele
      13.Reparatien aan het timmerhuijs
      14.Reparatien aan Sijne Majesteits grooten en cleijnen ossenstal
      15.Reparatien aan de windmoolen staende op het Blaeuwe Hooft mitsgaders de watermoolen
      16.Reparatien aen Sijne Majesteits windtmoolen op het Hampoortsbolwerck, mitsgaders den grooten rosmoolen
      17.Reparatien aan den Oragne moolen mitsgaders den cleijnen roschmoolen
      18.Reparatien aen den watermolen tot Vierlinxbeeck en de windmolen tot Sambeek
      19.Reparatien aan den wind en roschmolen tot Beugen
      20.Reparatien aen den windt en roschmolen tot Mil
      21.Reparatien aen den wind en roschmolen tot Cuicq
      22.Reparatien aen den blockwaegen
      23.Reparatien aen den twee bouwhooven tot Beers en onder Gassel
      24.Reparatien aen den Marienweertse bouwhooven
      25.Uijtgave van plantage en jonge eijcke boomen op de gemeijnte omtrent het Bortsche bosch
      26.Uijtgave van steecken van turff en verdere onkosten van peel
      27.Extraordinairen arbeijdt
      28.Gemenghden ende extraordinairen uijtgave.
      Rekening van de domeinen in granen Ontfang

      1.Weijtpagten onder de Grave
      2.Roggepagten onder de Grave
      3.Roggepagten onder Cuijk
      4.Roggepagten onder Haps
      5.Roggepagten onder Wanray
      6.Roggepagten onder Esschaaren
      7.Roggepagten onder Beugen
      8.Roggepaghten van uijtgegeve landerijen onder Beugen
      9.Roggepaghten van andere uijtgegeeve landerijen onder Beugen
      10.Roggepagten onder Boxmeer
      11.Roggepagten onder Vierlinxbeek
      12.Roggepagten onder Overloon, ende Holthees
      13.Roggepagten onder Maes, en Holthees
      14.Roggepagten onder Sambeek
      15.Roggepaghten van uijtgegeve landerijen onder Sambeek
      16.Roggepaghten van eenige landerijen voor deesen bij de eijgenaars voor den heere paght verlaeten
      17.Garstpagten onder de Grave
      19.Garstpagten onder Beugen
      20.Garstpagten onder Boxmeer
      21.Haverpagten onder de Grave
      22.Haverpagten onder Cuijk
      23.Haverpagten onder Beugen
      24.Haverpagten onder Boxmeer
      25.Haverpagten onder Vierlinxbeek
      26.Haverpagten onder Maes, en Holthees
      27.Haverpagten onder Sambeek
      28.Eevenpagten onder Vierlinxbeek
      29.Eevenpagten onder Maeshees
      30.Eevenpagten onder Sambeek
      31.Patrijsvangst
      32.Den bouwhoff onder Cuijk
      33.Tienden onder Mil
      34.Lijffgewinnen
      35.Extraordinairen ontfangh
      Uijtgave

      1.Wedden en gagien
      2.Lacagie en krimp cooren
      3.Verloore off verduijsterde coornpagten
      4.Extraordinairen uijtgave
      Rekening van de geestelijke goederen

      (

      NDR inv. nr. 10597, Rekening over 1775.

      )

      Ontvang

      1.Roggerenten competeerende het capittel van St Elisabeths kerk uijt de huijsen in de stad Grave
      2.Geldrenten binnen de stad Grave en land van Cuijk behoorende tot 't voors. capittel
      3.Roggerenten des capittels in de landen van Cuijk, Ravenstein en Overmasen met de partijen in de jare 1613 aangeslagen
      4.Geldrenten, chijns, hoenders en butgens
      5.Gecomponeerde feesten
      6.Miswijnen
      7.Brouwer en tapperaccijns
      8.Koorntienden des capittels in het land van Cuijk
      9.St. Rocusaltaar
      10.St. Laurens altaar
      11.St. Anna altaar
      12.St. Elisabethsaltaar
      13.St. Jans Evangelist altaar
      14.St. Jacobsaltaar
      15.St. Agatha altaar
      16.St. Laurens altaar
      17.St. Barbarae altaar
      18.St. Catharinae altaar
      19.St. Martens altaar
      20.St. Crisoinen altaar
      21.Divine Magdalena altaar
      22.St. Petri tot Pauli altaren
      23.St. Lucia altaar
      24.St. Annae altaar
      25.St. Joosten capel op den Ham
      26.Vicarie tot Beugen gefundeert bij ..
      27.Tienden der canomken op het slot competeerende
      28.Klinkers of blaauwe guldens
      29.Renten en inkomsten van de Carthuijsers en van de abdisse van Munster tot Roermond
      30.Van de Carthuijsers tot 's Bosch
      31.Van de Lombard
      32.Pastorie van Esscharen en capelle van Gassel
      33.Onze Lieve Vrouwe altaar met het land daartoe behoorende
      34.Pastorie van Mill
      35.St. Anthonis altaar met de renten van St Peters altaar
      36.H. Cruijs altaar met decappele Huberti
      37.Onze Lieve Vrouwe altaar met de woensdagse mis
      38.Pastorie van het dorp Wanray
      39.Pastorie van het dorp Beers
      40.Onze L.V. altaar tot Beers
      41.Vicarie Petri en Andrea
      42.Pastorie van 't dorp Haps
      43.Pastorie van Groot Linden
      44.Pastorie van Cuijk
      45.Allerheijliger altaar tot Cuijk
      46.Joh. en Andrea altaar tot Cuijk
      47.St. Maartens altaar tot Cuijk
      48.Onze L. Vrouwen altaar tot Cuijk
      49.St. Nicolaas altaar tot Beugen
      50.Pastorie van Beugen
      51.St. Anthonis altaar tot Beugen
      52.St. Nicolaas altaar tot Beugen
      53.St. Sebastiaans en Lucia altaar tot Beugen
      54.Capel op 't Rijckevoort
      55.Pastorie van Sambeek
      56.Pastorie van Neerloon
      57.St. Catharinen altaar te Neerloon
      58.Inkomsten van het klooster St. Agathe
      59.Inkomsten van het klooster van Maria Grave
      60.Pastorie van Vierlinxbeek
      61.Huijsen in de stad Grave
      62.Partijen tot de geestelijke goederen geappliceerd
      63.Extraordinairen ontfang
      Uijtgawe

      1.Wedden en gagien
      2.Renten als andersints
      3.Reparatien aan het poors huijs
      4.Reparatien aan het pastoriehuijs
      5.Reparatien aan 'tgodshuijs tot St. Agatha
      6.Verloore coorn en geldrenten
      Extraordinairen Uijtgave Rekening van de pastorale en andere geestelijke goederen

      (

      NDR inv. nr. 10599. rekening over 1650.

      )

      Ontfanck

      1.Pastorie tot Esscharen ende capelle tot Gassel
      2.Pastorie tot Mill
      3.St. Anthonis altaer tot Mill mette renten van St. Peters altaer
      4.H. Cruijs altaer tot Mill met de capelle Huberti
      5.Pastorie tot Wanray
      6.Pastorie tot Beers
      7.Pastorie tot Haeps
      8.Pastorie tot Grootlijnde
      9.Pastorie tot Cuijck
      10.Pastorie tot Beuge
      11.Capelle op Rijckevoort
      12.Pastorie tot Sambeecq
      - H. Cruijs altaer tot Sambeecq
      - St. Catharina Altaer tot Sambeecq
      - St. Anthonis Altaer tot Sambeecq
      - St. Jans Altaer tott Sambeecq
      - St. Barbara Altaer tot Sambeecq
      - Ons Lieve Vrouwe Altaer tot Sambeecq
      13.Pastorie tot Neerloon
      14.De incompsten des cloosters St. Agathen
      15.Pastorie tot Vierlinxbeeck
      - St. Laurens Altaer tot Vierlinxbeeck
      16.Pastorie van Overloon
      17.Capelle op 't Leecker
      Uytgaeff

      1.Wedden en gagien
      2.Contrerolle
      3.Renten ende lasten staende gehipotiseerd op het Godtshuijs van St. Agathen
      4.Uytgave van alimentatien ten behoeve van de respeclieve pastoors van de Roomsche religie, vande lande vanCuijk
      5.Uytgave van contributiepenningen
      6.Extraordinaris uytgave
      Rekening van de heerlijkheid Oploo

      (

      NDR inv. nr. 10842.

      )

      Ontfangst

      1.Chijnzen
      2.Jaarrenten
      3.Erf, rog en benificiepagten
      4.Tiendens
      5.Bouwhoven
      6.Plantagien en houtgewasschen
      7.Eige vrije Peel
      8.Leenkamer
      9.Privative jagt
      10.Vicariegoederen
      11.Allerhande off gemengde ontfanst
      12.Restanten
      13.Restanten van W.A. Motman
      Uitgaven

      1.Ongelden
      2.Chijnzen en uitgangen
      3.Bouw en reparatiekosten
      4.Kosten der plantagiën en houtgewasschen
      5.Interessen
      6.Allerhande uitgaven
      7.Kosten der administratie en reekening
      8.Restanten
      9.Restanten der administratie van W.A. Motman
      10.Extraordinaire uitgave
      Rekening van de Cuijkse en Lithse tollen Ontfang

      1.Van de Kuykse en Lithse tollen, mitsgaders van de Kuikse markttol, de fruitage tol als mede van de voortollen en het verlof der tollen
      2.Van de brandtollen zijnde van nieuwe schepen ofte ponten die het comtoir tot Grave nooyt van te voren zijn gepasseert of daar van de brand-tollen nooyt zijn betaalt
      3.Van de voortollen zijde van ledige schepen of andere vaartuygen
      4.Van de Kuykse tol en de markt-tol der marktschippers van Roermond, Venlo en Mook
      5.Van de Kuykse tollen wegens de goederen de Maas op ofte afgevaren en die het comtoir tot Grave met zijn gepasseert, ende die tot Kuyk zijn genoteert buyten de markt-scheepen
      6.Van de Kuykse tol van zoo veel denselve tol word ontvangen tot Maashees
      7.Van den Lithsen tol voor zoo veel den zelven is ontvangen tot Lith
      Uytgaaf

      1.Wedden en gagien
      2.Van het fatsoen der rekeningen als andersints
    • Verwerving Voorgeschiedenis van het domein Montfort

      In 1277 werd de heerlijkheid Montfort door Hendrik van Gelre aan zijn neef graaf Reinald I van Gelre geschonken. Hierdoor is zij deel uit gaan maken van het Gelders Overkwartier dat toebehoorde aan de graven, later hertogen van Gelre. De heerlijkheid omvatte het kasteel Montfort en de plaatsen Nieuwstadt, Echt, Linne, Roosteren, Posterholt en Vlodrop.

      In een rekening betreffende het graafschap Gelre uit 1294/1295 wordt voor het eerst iets vernomen over de plaats Montfort. Hierin is sprake van het oppidum Montfort, in deze periode de gebruikelijke benaming voor een versterkte plaats met zekere stadsrechten. (

      W. van Mulken, Inventaris van de archieven der gemeente Montfort 1493 (1377)-1937 (Maastricht, 1985), p. 7.

      ) Vast staat dat Montfort in 1312 stadsrechten van Roermond kreeg. Ondanks die stadsrechten is Montfort altijd een kleine nederzetting gebleven; in het midden van de 18e eeuw werd het beschreven als 'een gering Vlek'. (

      E.J.M.G. Roebroeck, Het land van Montfort. Een agrarische samenleving in een grensgebied 1647-1820 (Assen, 1967) pp. 29-30.

      )

      Toen Gelre aan het begin van de 14e eeuw eenmaal tot eenheid was geworden werd het ingedeeld in een aantal rechtsgebieden welke de naam ambt kregen. Zo werd ook het ambt Montfort gevormd, dat zich uitstrekte over een deel van het Overkwartier van Gelre aan weerszijden van de Roer. Het ten zuiden van de Roer gelegen deel van het ambt kwam grotendeels overeen met de heerlijkheid. (

      Roebroeck, Het land van Montfort, pp. 112-113.

      ) Aan het hoofd van het ambt stond de drost. Onder hem stonden de schout, de landschrijver en de schepenen.

      Vanwege de strategische ligging van het kasteel werden de mensen van het land van Montfort vaak betrokken in oorlogen. In de jaren 1538-1543 verloor het kasteel ten gevolge van ernstige verwoestingen zijn functie als vesting. Binnen de muren die waren blijven staan Iiet de drost het huis Montfort bouwen, dat het bestuurlijk centrum van het drostambt werd en tot woning ging dienen van drost, rentmeester en comptoirbode. (

      Roebroeck, Het land van Montfort, pp. 113-114.

      )

      Tijdens de opstand der Nederlanden tegen het Spaanse bewind had de bevolking van het land Montfort ook ernstig te lijden van oorlogsgeweld. Toen Gelre in 1579 toetrad tot de Unie van Utrecht is het Overkwartier deel uit gaan maken van de Zuidelijke Nederlanden. De koningen van Spanje gingen er hun rechten als hertog van Gelre uitoefenen en lieten het besturen vanuit Brussel. In 1589 werden de Zuidelijke Nederlanden onafhankelijk verklaard omdat koning Philips II van Spanje zijn dochter Isabella de soevereiniteit over dit gebied schonk ter gelegenheid van haar huwelijk met aartshertog Albert van Oostenrijk. In 1621 kwam de soevereiniteit weer in handen van de Spaanse koning vanwege het kinderloos blijven van het huwelijk. Isabella was tot haar dood in 1633 regentes.

      Verwerving door de Oranjes

      Tijdens de vredesonderhandelingen te Munster werd tussen koning Philips IV van Spanje en prins Frederik Hendrik overeengekomen dat het kasteel, het land en de heerlijkheid Montfort, benevens de heerlijkheden Stevensweert, Ohé en Laak en Middelaar en de tiend van Venray aan de prins zouden worden overgedragen. De koning zou de goederen overdragen als leen in volle eigendom. (

      NDR inv.nr. 11071.

      ) Hiermee zou de heerlijkheid een erfelijke bezitting van het huis van Oranje-Nassau worden, met de prins als heer maar de koning van Spanje als houder van de soevereine rechten. In 1648 werd hetgeen afgesproken was geïncorporeerd in het vredesverdrag.

      De feitelijke overdracht aan prins Willem III duurde tot 1653 omdat graaf Hendrik van den Bergh aanspraak maakte op de heerlijkheden Stevensweert en Ohé en Laak en goederen gelegen in Montfort. Tijdens onderhandelingen werd afgesproken dat de graaf in ruil voor de Montfortse goederen de andere heerlijkheden zou krijgen. De door de graaf overgedragen goederen worden vaak samen aangeduid als 'Het equivalent van Stevensweert'. Ten tijde van de overdracht was prins Willem III minderjarig. De prinses van Oranje en de prinses douairière machtigden de raden De Knuijt en Beaumont het leen te beheren tot de meerderjarigheid van de prins. (

      NDR inv.nr. 11071.

      )

      Uit de rentmeestersrekeningen kan de territoriale begrenzing afgeleid worden. Tot de heerlijkheid Montfort behoorden Echt, Linne, Maasbracht, Montfort, St.Odiliënberg, Posterholt, Roosteren, Vlodrop, Beesel, Belfeld en Nieuwstadt. Ruwweg werd de heerlijkheid begrensd door de Maas, de Roer, het hertogdom Gulik en de rijksgrens; Nieuwstadt was een enclave in het hertogdom en Beesel en Belfeld lagen ten noorden van de Roer. (

      NDR inv.nr. 11083.

      ) De heerlijkheid Middelaar, gelegen in het uiterste noorden van het huidige Limburg, was aanzienlijk minder uitgestrekt; in de rekeningen worden de plaatsen Middelaar en Mook genoemd. Middelaar is niet lang in het bezit geweest van de prins van Oranje. Reeds in 1692 is het goed overgedragen aan de keurvorst van Brandenburg. (

      NDR inv.nr. 51.

      )

      De tiend van Venray, ook bekend als 'grote' en 'smalle' tiend, werd door de overdracht verbonden met het domein. Venray was gelegen in het land van Kessel en viel niet onder de jurisdictie van Montfort, maar de prins had er het recht de tienden over graanopbrengsten te innen. Vaak werden de tienden verpacht. De tiend vormde een belangrijke bron van inkomsten. (

      NDR inv.nr. 11048, folio 138-153.

      ) Zo ook de inkomsten uit de heffingen van de Stevenweertse tol, ook bekend als 'Roeremondse Swijgende tol' of 'Ruremondse tol'. Het bezit van de tol hield in dat men mocht profiteren van '(...) opkomende en afvarende schepen op de Maas geladen met goederen en koopmanschappen (...)'. (

      NDR inv.nr. 11048, folio 117.

      )
      De tol mocht geheven worden vanaf de uiterste grenzen van de heerlijkheid, tot aan Roermond. De steden Roermond, Venlo, Nijmegen, Tiel, Bommel, 's-Hertogenbosch en Grave hadden tolvrijheid. (

      Ibidem.

      )

      Over de precieze omvang van de overgedragen goederen zijn de belanghebbenden het niet altijd eens geweest. Het huis van Oranje meende recht te hebben op de dorpen Swalmen en Asselt. Koning Philips IV echter had ze niet bij de overdracht inbegrepen. Vanouds ressorteerden de dorpen onder het ambt Montfort. Daar de grenzen van het ambtsgebied niet gelijk liepen met die van de heerlijkheid was het ook niet vanzelfsprekend dat de koning ze zou afstaan. Daarnaast had eertijds aartshertog Albert de belofte gedaan de dorpen niet meer te verpanden of te verkopen. (

      NDR inv.nr. 11074.

      )

      Als landsheer had Philips IV bij de overdracht bepaalde bezittingen in de heerlijkheid aan zich gehouden. Ze werden door de Raad van State der Verenigde Nederlanden beheerd als 'Gereserveerde domeinen' van de staat. De inkomsten kwamen ten goede aan de koning. (

      ARA Archief Raad van State, inv.nr. 2178.

      ) Belangrijke goederen der gereserveerde domeinen waren de maasgrienden en de twee Roosendaalse hoeven 'Heerenhof' en 'Koningshof'.

      De Pruisische periode, 1702-1769

      Hiervoor is al genoemd dat er in 1702 door de kwestie rond de erfenis van stadhouder-koning Willem III moeilijke tijden aanbraken voor de domeinen. Zowel prins Johan Willem Friso als koning Frederik I van Pruisen maakten aanspraak op de erfenis. Naast deze twee partijen maakte de vorst van Nassau-Siegen nog aanspraken. In het domein Montfort kreeg deze in 1703 slechts de Stevenweertse tol in handen; hoe lang is niet bekend.

      In afwachting van definitieve schikkingen inzake de erfenis maakte de Pruisische koning zich nog hetzelfde jaar meester van de heerlijkheid Montfort. Hij stelde onmiddellijk een rentmeester aan. Uit rekeningen blijkt dat de Pruisische koning meende recht te hebben op de heerlijkheid krachtens testamentaire bepalingen: 'Uuyt crachte des testaments van sijne hooght. den heere prince Frederick Hendric, prince van Orangiën, bey de glor. mem. gedevolveert op sijn mat. den coninck van Pruyssen (...)'. (

      NDR inv.nr. 11323, folio 12recto.

      ) De Pruisische rentmeester fungeerde gedurende de jaren 1702-1704 naast de door de Domeinraad aangestelde rentmeester, zodat er van twee kanten geprobeerd werd inkomsten uit de heerlijkheid te innen. Vanaf 1704 zijn er geen rekeningen meer opgemaakt door rentmeesters in dienst van de prins van Oranje. De koning daarentegen had, ondanks het feit dat de erfenis kwestie nog steeds niet geregeld was, rentmeesters in dienst gehouden.

      In 1703 kregen de Staten-Generaal voorlopig de soevereiniteit over het Overkwartier. Bij het Barrièretraktaat in 1715 werd het Overkwartier voorlopig verdeeld; Pruisen kreeg het grootste deel, de Staten-Generaal kregen Stevensweert, Venlo en Montfort, Oostenrijk kreeg Roermond en omgeving. Zoals gezegd werd pas in 1732, door het Traktaat van Partage, de erfenis werkelijk verdeeld tussen Willem IV en de koning van Pruisen. Laatstgenoemde kreeg naast de goederen die buiten de huidige Beneluxgrenzen lagen ook een aantal op staatsgrondgebied gelegen goederen, waaronder Montfort. In 1754 verkocht de koning zijn Hollandse goederen aan de prins van Oranje. Montfort hield hij in zijn bezit, waarschijnlijk vanwege de gunstige ligging van die heerlijkheid in het geval van verdere Pruisische gebiedsuitbreiding. (

      Roebroeck, Het land van Montfort, p. 140.

      )

      Terugkoop in 1769 van koning Frederik II van Pruisen

      In 1767 adviseerde de Nassause Domeinraad prins Willem V om Montfort van koning Frederik II terug te kopen; het was immers een patrimoniaal goed van Oranje en tevens lag het in het gebied van de Verenigde Nederlanden. (

      NDR inv.nr. 1052, folio 1-2.

      ) Daarnaast raadde men aan ook te onderhandelen over het terugkopen van de Venrayse tiend. Nog hetzelfde jaar werd er door twee zaakgelastigden gestart met onderhandelen: de hertog van Brunswijk uit naam van de prins en baron Van Hagen, staatsminister van het koninkrijk, namens Frederik II.

      Alvorens de overdracht zou plaatsvinden gaf de Domeinraad nog het advies raadscommissarissen aan te stellen om '(...) al het geene, het welke met de koninglijke Pruyssische Commisariën, omtrent den aankoop der voorn. heerlijkheid nog moet gereguleerd worden, met uw voorkennis en goedvinden te verrichten (...)'. (

      Ibidem, folio 397.

      ) De raden Boemer en Verdun werden vervolgens belast om zaken als inkomsten, lasten, rechten en gerechtigdheden te onderzoeken.

      In 1769 kon Montfort inclusief de tiend van Venray voor een gunstige prijs, 275.000 gulden, aangekocht worden. Zowel koning als prins gaven de raden van hun rekenkamers volmacht voor de afhandeling van respectievelijk verkoop en aankoop en transport en leenverheffing van de goederen. Voor Pruisen was dit de raad van de Pruisische 'Kriegs- und Domänenkammer' Plesman, voor Oranje de raden Verdun en Brandt. Op 12 mei werd het koopcontract gesloten.

      De Franse tijd betekende een omwenteling voor Montfort. Bij het verdrag van 's-Gravenhage van 16 mei 1795 werd onder andere Staats Opper Gelre, waaronder Montfort ressorteerde, aan de Franse republiek afgestaan. De inlijving, waardoor het deel uit ging maken van de 'departements réunies à la patrie', werd op 1 oktober 1795 bekrachtigd.

      Rechten en bevoegdheden

      Waarschijnlijk verschilden de rechten en bevoegdheden die in 1653 op de prins van Oranje waren overgegaan niet wezenlijk van die in 1769. (

      De serie ingekomen en minuten van uitgaande stukken bij en van de Domeinraad en de serie verbalen van de leden van de Domeinraad wegens hun inspectiereinzen zijn pas vanaf (1767) 1769 aanwezig. Juist dit zijn vaak stukken waar een overzicht van rechten en bevoegdheden in gevonden kan worden. Het is niet waarschijnlik dat er vanaf 1653 series bestaan hebben.

      )

      Bij de terugkoop in 1769 kwamen de hoge en lage jurisdictie in bezit van de prins van Oranje. De soevereiniteit die eerder aan de koning van Spanje was gebleven, was nu in handen van de Staten-Generaal. Aan het Gelderse hof trad een advocaat van de prins op in zaken betreffende het domein. Naast het benoemen van deze advocaat had de prins de meeste publieke ambten te vergeven en adviseerde hij in de collatie van de vier belangrijkste pastorieën. Van sommige ingezetenen konden diensten gevorderd worden.

      De verworven heerlijke rechten waren veelal een bron van inkomsten. Binnen de gehele heerlijkheid bezat de leenman het recht op de grote en de kleine jacht; ook daar waar anderen jachtrechten bezaten. Verder had hij het recht op visserij op Maas en Roer en het recht op vogelvangst. Op grond van het eigendoms- en grondrecht over de gemene heide en andere niet in cultuur gebrachte grond kon de prins bij uitgifte van de genoemde gronden de cijnzen en tienden hierover ontvangen. Daarnaast waren er inkomsten uit onder andere gruit of bieraccijns, koren- en hooitienden, erfpachten, boetes en tolheffing op de Maas. Ook het bezit van dwangmolens zorgde voor inkomsten. (

      Deze gegevens zijn ontleend aan NDR inv.nrs. 11048, 11052-11053.

      )

      Al eerder is gesproken over onenigheid tussen het huis van Oranje en de Spanjaarden over inbreuken op de heerlijke rechten in Montfort. In het geval Swalmen en Asselt bleek het om vermeende inbreuken te gaan. Door de jaren heen echter blijkt dat er nog al eens nonchalant met de rechten omgesprongen werd of dat het ambt Montfort benadeeld werd ten opzichte van de drie andere ambten die in het Overkwartier gelegen waren; aanvankelijk door de Spanjaarden, (

      NDR inv.nr. 11073-11076.

      ) later door de Staten-Generaal. (

      NDR inv.nr. 11090.

      )
      Mogelijk is dit veelvuldig voorkomen van inbreuken te wijten aan het feit dat Montfort zich na overdracht aan alle zijden begrensd wist door vreemde mogendheden.

      Beheer

      Bij de overdracht in 1653 waren twee heerlijkheden betrokken. Aanvankelijk was de rentmeester van Montfort tevens rentmeester van Middelaar. In 1656 werd er voor Middelaar een eigen rentmeester aangesteld voor het beheer ter plaatse; het lag geografisch gezien te ver verwijderd van Montfort. Sinds die tijd werd de heerlijkheid afzonderlijk van de heerlijkheid Montfort beheerd. Deze situatie is zo gebleven tot Middelaar in 1692 werd verkocht.

      Rentmeesters en andere functionarissen bekleedden in het domein vaak meerdere functies. (

      Zie bijlage 3.

      ) Ook kwam het voor dat een functionaris die benoemd was door de prins zijn taak niet zelf uitoefende, maar zich liet vervangen. Dit laatste was het geval bij de rentmeester van Montfort over de jaren 1684-1697; rentmeester Louis Antoine de Longas en zijn substituut Arnold van Langenacker hebben tegelijk de eed afgelegd maar wegens absentie van de eerste voerde de plaatsvervanger de werkzaamheden uit.

      Omdat de Stevenweertse tol één van de belangrijkste bronnen van inkomsten was voor het domein werd er een collecteur aangesteld die middels eigen rekeningen verantwoording aflegde. Het belang blijkt ook uit de afzonderlijke rubriek onder de ingekomen en minuten en afschriften van uitgaande stukken bij en van de Domeinraad. Toch verminderden de inkomsten in de loop der jaren enorm. Dit was te wijten aan het feit dat de tolheffing op de gehele Maas terugliep, maar tevens was er sprake van fraude door de ontvanger. (

      NDR inv.nr. 11048, folio 116-137 en inv.nr. 11107.

      )

      Verantwoording van de inventarisatie

      Bij het inventariseren is zoveel mogelijk getracht de oude orde te bewaren en waar nodig te herstellen. Voor de losse stukken die zich in het archief bevonden betekende dit dat ze vaak onderdeel zijn uit gaan maken van 'dossiers'; het bleken dikwijls retroacta te zijn bij bijvoorbeeld een zaak die in behandeling was of stukken die wel degelijk deel uitmaakten van een geheel maar verspreid in het archief terecht waren gekomen (mogelijk) vanwege de lange tijd dat een zaak in behandeling kon zijn. Het is niet in alle gevallen duidelijk of de stukken ook daadwerkelijk bij elkaar opgeborgen zijn geweest tijdens de registratuur, maar toch kan er dan om de toegankelijkheid te bevorderen voor gekozen zijn de stukken bij elkaar te plaatsen.

      De stukken die betrekking hebben op de aankoop in 1769 en beschreven zijn onder de rubriek Verwerving en vervreemding van goederen, rechten en bevoegdheden zijn in één omslag bij elkaar gevonden. De bescheiden zijn, wat niet het geval was, chronologisch geordend. Feitelijk was er dus sprake van één 'dossier'. Bij het beschrijven echter is er, ten behoeve van de toegankelijkheid en om de diversiteit van de aard van de stukken uit te laten komen, gekozen voor deelbeschrijvingen.

      Uit de beschrijvingen in de tot op heden gebruikte plaatsingslijst blijkt dat een aantal stukken zich niet meer in het archief bevond, onder andere het originele koopcontract en de ratificatie van de verkoop door koning Frederik II van Pruisen. Deze stukken bevonden zich in afschrift wel onder het oude inventarisnummer Vervolg Supplement 70.1. Deze afschriften, evenals andere afschriften ter zake onder het oude inventarisnummer Vervolg Supplement 70 zijn bij het hierboven genoemde aangetroffen 'dossier' gevoegd: nu NDR inv.nrs. 11083,11085 en 11088.

      Zoals gebruikelijk is, zijn er van de rekeningen verzamelbeschrijvingen gemaakt per rentmeester/collecteur. Het maken van verzamelbeschrijvingen had een splitsing tot gevolg van de rekening over het jaar 1703, inventarisnummer NDR 11186-11187. Over de periode tot September is de rekening opgemaakt door rentmeester Robert Coppeineur, over de tweede periode van dat jaar door rentmeester Charles de Longas. Beide katernen werden door de Domeinraad in één omslag geborgen. De oude orde is op de stukken nog te herkennen aan de aanduidingen 'fol.l' en 'fol.2'. Bij de extracten uit de rekeningen is ook uitgegaan van de verzamelbeschrijving per rentmeester.

      In het archief bevindt zich een serie rekeningen die opgemaakt is door rentmeesters in dienst van de koning van Pruisen. Waarschijnlijk zijn het retroacta. De rekeningen zijn ten behoeve van de chronologie opgenomen tussen de andere rekeningen. Bij de beschrijvingen wordt aangegeven wanneer het rekeningen betreft van Pruisische rentmeesters.

      Verder is over de series het volgende op te merken. Bijlagen bij rekeningen die aangetroffen werden in andere rekeningen dan waar ze bij opgemaakt waren, hier wellicht terecht gekomen tijdens de registratuur in verband met controle of anderszins, zijn teruggeplaatst in díe rekeningen waarbij ze ter afhoring zijn ingediend. Insommige delen in de serie rekeningen van de collecteurs van de Stevenweertse tol bevonden zich bijlagen die merendeels gefolieerd en bij het betreffende folionummer ingelegd waren; om de aangetroffen orde te bewaren dan wel te herstellen is een foliëring waar die ontbrak alsnog aangebracht en 'verdwaalde' bijlagen zijn op de juiste plek ingevoegd. Het netexemplaar van de inhoudsopgave van de ingekomen en minuten en afschriften van uitgaande stukken bij en van de Domeinraad betreffende de Stevenweertse tol zat bij stukken over een ander onderwerp en is eveneens teruggeplaatst. De brief die beschreven is onder inventarisnummer NDR 11107 bevond zich aanvankelijk tussen de serie ingekomen stukken, maar viel hier qua ordening en chronologie buiten en is daarom afzonderlijk beschreven.

      Tijdens het inventariseren zijn ongedateerde stukken aangetroffen. Het merendeel kon gedateerd worden op grond van andere stukken die er bijgevoegd waren of wanneer de oude orde hersteld was. Bij één stuk was dit niet het geval. Het betreft het charter onder inventarisnummer NDR 11065. Dit oudste stuk van het archief Montfort is geschreven in een middeleeuwse hand. De uitvaardiger was bekend: 'Hendrik, bisschop van Luik'. Volgens C. Eubel, Hierarchia Catholica medii aevi I (Regensbergianae, MDCCCCXIII) is er slechts één Hendrik bisschop geweest in Luik en wel Hendrik III van Gelre, degene die Montfort in 1277 aan zijn neef schonk. Hij is elect geweest van 1247-1274 en bewoonde het kasteel van Montfort. De datering is vastgesteld op [c.1260]; het middelste jaar van zijn zittingsperiode.

      Na inventarisatie zijn er enige stukken die niet tot het archief behoorden overgedragen aan het Rijksarchief in Limburg. Het betreft het rendantsexemplaar van de rentmeestersrekening van Jan Alexander Michiels over het jaar 1790 en stukken (veelal gedrukt) die gericht waren aan de rentmeester/drost van het ambt Montfort. Deze stukken zijn uiteraard niet in deze inventaris opgenomen.

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In de akte van transport uit 1653, waarbij het domein Montfort en Middelaar aan de prins van Oranje kwam, zijn eerdere verdragen tussen de koning van Spanje en de prins geïnsereerd, evenals stukken die betrekking hebben op de verdragen met graaf Hendrik van den Bergh aangaande 'Het equivalent van Stevensweert'. Ook zijn er afschriften van de vredesonderhandelingen te Munster in 1647, de ratificatie hiervan in 1648, de verdragen met Hendrik van den Bergh en de overdracht in 1653 opgenomen in de eerste rentmeestersrekeningen, naast de commissie voor en de verklaring bij de rekening door de rentmeester. De commissie en de verklaring zijn overigens in de meeste rekeningen opgenomen.

      De series stukken van algemene aard dateren vanaf 1769, toen Montfort van Pruisen werd teruggekocht. In deze series is veel informatie betreffende de heerlijkheid te vinden. In het verbaal van de raden Verdun en Brandt over het jaar 1769 wordt uitgebreid verslag gedaan van begrenzingen, inrichting, inkomsten, functionarissen, rechten en bevoegdheden etc. Het verbaal heeft een tweedeling:

      'I.Het politieke wezen.'

      'II.Aangaande zaken betrekking hebbend op het dominiale en schikkingen gemaakt met relatie tot de administratie en tevens betreffende de feitelijke situatie van de Venrayse tienden.'

      Voor de begrenzing van het domein en welke goederen er onder de heerlijkheid ressorteerden kan men ook heel goed de rekeningen en financiële staten en tabellen raadplegen. Uit de serie ingekomen stukken kunnen ook gegevens gehaald worden betreffende functionarissen en aanstellingen; uit de stukken blijkt de onvolledigheid van de zogenaamde ambtboeken. (

      NDR inv.nr. 590-595, 626-628, 685-686.

      ) Het is dus raadzaam zonodig ook andere stukken te raadplegen inzake aanstellingen.

      Onder de losse stukken die opgemaakt zijn bij de terugkoop in 1769 zijn niet alleen aktes van overdracht, procuratie, leenverheffing en dergelijke te vinden, maar ook stukken betreffende te vergeven ambten, een topografisch kaartje van de heerlijkheid, extract-resoluties van de Domeinraad.

      Voor pachtcondities van de Venrayse tiend kan men naast de rubriek verpachtingen ook de serie ingekomen en minuten en afschriften van uitgaande stukken bij en van de Domeinraad bekijken. Tevens zijn hier lijsten te vinden van degenen die tienden verschuldigd waren en uit welke blokken de tienden bestonden. Het is van belang de onderwerpsaanduiding van de ingekomen stukken niet al te strikt te hanteren; wanneer er gezocht wordt naar gegevens betreffende de gereserveerde domeinen kunnen stukken inzake tienden in deze domeinen ook opgenomen zijn onder 'tienden'.

      In de memories van rentmeester Jan Alexander Michiels wegens ontvangen resoluties en orders, inventarisnummer NDR 11117, wordt verwezen naar een boek, 'Boek A, sub no.', waarin de memories zijn uitgewerkt. Vooralsnog is niet duidelijk welk boek bedoeld wordt; het bevindt zich niet in het archief Montfort, is niet band A van de ingekomen stukken en kan ook niet verwijzen naar de notulen van de Raad. Mogelijk bestaat het stuk niet meer.

      Verwante Archieven

      Elders berustende archivalia betreffende Montfort

      • Het Rijksarchief Limburg, Inventaris van het archief van de rentmeester van het ambt Montfort en Inventaris van het archief van de familie Michiels van Kessenich, met de Inventaris van het archief van de drossaard van het ambt Montfort verschenen in één verzamelinventaris (1995).
      • Het Archief in Merseburg (voormalige DDR). Hier bevindt zich bijna het gehele archief van de koning van Pruisen vóór 1812. De Nederlandse goederen die in de 18e eeuw aan Pruisen vielen zijn te vinden in het Generaldirektorium. Oranisches Archiv, repositur 64. Het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg heeft een selectie van acten uit het archief op microfilm overgenomen. In Het jaarboek van het sociaal-historisch centrum voor Limburg (XV 1970) is van het verfilmde materiaal dat daar aanwezig is een lijst opgenomen en een volledige inventaris in verkorte vorm van het Limburgse deel (Montfort) van de Hollandse goederen.
      Bijlage 1

      Lijst van kaarten en tekeningen aanzvezig in het archief van het domein Montfort en Middelaar

      • Topografisch kaartje van de heerlijkheid Montfort. NDR inv.nr. 11083, stukken betreffende de verkoop en het transport door koning Frederik II van Pruisen aan Willem V van de heerlijkheid..., 1769. NDR inv.nr. 11048, bijlage 1 bij het verbaal van leden van de Domeinraad wegens hun inspectiereizen over het jaar 1769.
      • Plattegrond van de benedenvertrekken van het 'kasteel' Montfort. NDR inv.nr. 11048, bijlage 62 bij het verbaal over het jaar 1769.
      • Plattegrond van de bovenvertrekken van het 'kasteel' Montfort. NDR inv.nr. 11048, bijlage 63 bij het verbaal over het jaar 1769.
      • Kaartje van de tuin van het 'kasteel'. NDR inv.nr. 11048, bijlage 64 bij het verbaal over het jaar 1769.
      • Kaartje van de bossen, plantages en houtgewassen bij de Borgshof in Posterholt. NDR inv.nr. 11114 bijlage 12 bij het generale rapport van rentmeester Jan Alexander Michiels wegens de gesteldheid van het domein over het jaar 1784.
      • Tekeningen voor een nieuwe rosmolen in Echt. NDR inv.nr. 11063, bijlagen A en B bij de ingekomen brief bij de Domeinraad, 30 maart 1786.
      • Tekening voor de aanbouw aan de banmolen in Echt. NDR inv.nr. 11115, bijlage D bij het generale rapport over het jaar 1789.
      • Tekening voor een nieuw bakhuis en een oven voor de hoeve't Steenenhuis in St.Odiliënberg. NDR inv.nr. 11115 bijlage M bij het generale rapport over het jaar 1789.
      • Tekening voor een nieuwe kamer aan het 'Huis Vrijmersu- m' in St.Odiliënberg. NDR inv.nr. 11115, bijlage N bij het generale rapport over het jaar 1789.
      • Tekening van de kerk van Nieuwstadt voor de renovatie en de aanbouw van een klokketoren. NDR inv.nr. 11063, bijlage 2 bij de ingekomen brief bij de Domeinraad, 2 maart 1790
      Bijlage 2 Lijst van rentmeesters Van Montfort:

      • Pieter van Boshuijsen 1653-1684
      • Louis Antoine de Longas 1684-1697
      • Substituut Arnold van Langenacker 1684-1697
      • Arnold van Langenacker 1697-1702
      • Charles de Longas 1703-1704
      • Substituut Robert Coppeineur 1703
      • Johan van Laer 1702-1716
      • François Willem van Ravesteijn 1716-1723
      • Jan van de Heijden 1723-1729
      • Heinrich Ulander 1729-1733
      • Johan Poell 1733-1735
      • Paulus de Partz 1769-1774
      • Jan Alexander Michiels 1774-1794
      • Henri Joseph Michiels 1794-1808
      Van Middelaar:

      • Pieter van Boshuijsen 1653-1656
      • Wolfgang van Aken 1656-1658
      • Johan Ruijl 1658-1677
      • Albert Ruijl 1677-1685
      • Pieter Ruijl 1685-1693
      Bijlage 3 Functionarissen benoemd door de prins

      (

      NDR inv.nrs. 685-687.

      )

      Beesel en Belfeld

      • gerechtsbode
      Echt

      • gezworene
      • gerechtsbode (idem van Maasbracht en Roosteren)
      • koster
      • schout
      • stadsrentmeester
      Linne

      • pastoor
      • gerechtsbode
      Maasbracht

      • commies van de tollen
      • gerechtsbode (idem van Echt en Roosteren)
      Middelaar

      • boswachter
      • drost (tevens aangesteld als schout en rechter)
      • gerechtsbode
      • pastoor
      • rentmeester (tevens aangesteld als kastelein)
      • schepen ad vitam
      • secretaris (tevens aangesteld als koster)
      Montfort

      • advocaat van de prins voor het hof van Gelre
      • advocaat-fiscaal
      • beziender van de Stevenweertse tol
      • collecteur van de Stevenweertse tol
      • comptoirbode
      • drost
      • gerechtsbode
      • griffier van de lenen
      • jachtopzichter
      • landschrijver
      • leenbode
      • pastoor
      • rentmeester
      • schout
      • stadhouder van de lenen
      • tolknecht
      Nieuwstadt

      • gerechtsbode
      • pastoor
      • schout
      St. Odiliënberg

      • gerechtsbode
      Roosteren

      • gerechtsbode (idem van Echt en Maasbracht)
      Vlodrop

      • gerechtsbode
      • jachtopzichter in het Voldropse bos
      Bijlage 4 Inhoudsopgave van de rekening van de rentmeester van Montfort uit 1787 Register van ontfang

      • 1ste capittel Geld, kooren, chinsen en erfpagten
      • De stad Ruremonde
      • Montfort
      • Linne
      • Echt
      • Roosteren
      • Vlodrop
      • Posterholdt
      • Beezel en Belfeldt
      • Odilien Bergh
      • Nieuwstadt
      • 2de Herftschat, meijbeeden en waegengeld
      • 3de Gruijte of bieraccijns in de steeden
      • 4de Waagh en opslag van Linne
      • 5de Gruijte of bieraccijns op de dorpen in't ampt
      • 6de Moolens
      • 7de Visserijen
      • 8de Bouwhoeven en losse landerijen
      • Den voorhof te Montfort
      • Breewegshof te Linne
      • Schroever en Breewegslanden tot Linne
      • Rullaardslanden tot Linne
      • Lillaardslanden tot Linne
      • De Heerenbemden tot Echt
      • Pagtlanden in den Bruul tot Echt
      • De Commellanden en die aan den Peupeleweg tot Echt
      • De Borgerlanden te Roosteren
      • Grouwelshoeven te Posterholdt
      • De Heerenbemden te Posterholdt
      • Borchshof te Posterholdt
      • Schreevenhof te Maesbragt
      • Den hof Ingensand te Beezel
      • Den voorhof Vrijmersum te Od: Bergh
      • Het aadelijk huijsje Vrijmersum te Od: Bergh
      • Saapslanden te Od: Bergh
      • Den hof Clein Dasselraij te Od: Bergh
      • 41/2 morge heijde te Od: Bergh
      • Den hof Het steenen huijs te Od: Bergh
      • Den hof De waard te Od: Bergh
      • Een stuk land voorhin houdgewas te Beezel
      • Landen te Montfort voorhin bij den drosd gebruijkt
      • Tuijnen en boomgaarden van het casteel en landen
      • Het aangekogde weijdje van de geweesene Jesuiten
      • Het parceel van Groensecamp bij den Echter moolen
      • Aangekogde landerijen anno 1786 tot Beezel
      • 9de Koore, lammere, ganse en bijen thiende
      • 10de De Venraeijse thiende
      • 11de Verkogde graenen
      • 12de Turverijen
      • 13de capittel Verkogt houdt
      • 14de Steevenswaardse thol
      • 15de Intressen
      • 16de Allerhande extraordinaire ontfang
      • Register van uijtgave
      • 1ste capittel Erfrenten, in gelden en vrugten
      • 2de Onvindbaare posten
      • 3de Tractementen
      • 4de Schattingen
      • 5de Reparatien en gebouwen
      • 6de Bat en waeterwerken
      • 7de Aanplantingen en houdgewassen
      • 8de Remissien
      • 9de Proceskosten
      • 10de Krimpkoren en zolderhuure
      • 11de Verpachtingskosten
      • 12de Reekeningskosten
      • 13de Allerhande extraordinaire uijtgave
    • Verwerving

      Prinsenland maakte oorspronkelijk deel uit van Steenbergen. Het gebied bestond uit gorzen, schorren, aan- en opwassen aan de uiterste grens van de heerlijkheid Steenbergen. (

      A. Hallema, Geschiedenis van Dinteloord en Prinsenland in de zeventiende eeuw (Breda, 1955), p. 8.

      )

      Samen met Breda maakte Steenbergen deel uit van de erfenis van Willem I van Oranje. Prins Philips Willem, de oudste zoon van Willem I, erfde Steenbergen en Breda na de dood van zijn vader. Lange tijd was hij niet in staat, door zijn gedwongen verblijf in Spanje, door oorlogshandelingen en door geschillen met Mauri ts van Nassau, zijn halfbroer, over de nalatenschap van Willem I, deze goederen daadwerkelijk te beheren. Ondanks de geschillen over de nalatenschap van Willem I, werkten Philips Willem en Maurits samen bij de bedijking van het gebied bij Steenbergen, het latere Prinsenland. Philips Willem vroeg -en kreeg- een octrooi voor de bedijking aan bij de aartshertogen van Brabant. Deze waren formeel de landsheer van Brabant. Maurits vroeg namens Philips Willem octrooi aan bij de Staten-Generaal. De Staten- Generaal beheersten, als gevolg van het verloop van de Tachtigjarige oorlog, feitelijk het westelijk deel van Brabant. (

      Scherft, Het sterfhuis, pp. 243 e.v.

      )Deze octrooibrieven zijn in zekere zin een soort verleibrieven voor dit nog onontgonnen gebied. Tevens werd in die brieven aan de bedijkers en aan de kopers van de kavels bescherming en vrijgeleide naar Steenbergen en (het latere) Prinsenland beloofd. Ook werd er vrijstelling van belastingen beloofd.

      De belangrijkste kopers van de te bedijken kavels waren François van Aerssen, Nederlands gezant in Frankrijk, Johan van Oldenbarneveld, raadpensionaris en Johan van Veken, koopman te Rotterdam. (

      Hallema, Geschiedenis, p. 40.

      )

      In 1605 werd met de bedijking met de Prinsenlandpolder begonnen. Deze polder heette later toen er meer gebied was ingepolderd, 'Het Oude Land', en nog later de Oud-Prinslandse polder.

      Tussen 1606 en 1609 werd het gebied met de daarop berustende rechten verkocht aan François van Aerssen, met recht van terugkoop door Philips Willem. Pas na de definitieve verdeling van de door Willem I nagelaten goederen in 1609, kon Philips Willem de heerlijkheid terugkopen. (

      Hallema, Geschiedenis, pp. 52 e.v.

      )

      In de nieuwe polder Prinsenland werd tevens een dorp gesticht: Dinteloord, genoemd naar de dichtbijzijnde rivier met de naam Dintel.

      Grondgebied en benaming

      Prinsenland ligt ten noorden van het domein Steenbergen, in het westen van Brabant. Aan de noordzijde grensde Prinsenland aan Fijnaart en Klundert. Prinsenland was een gebied van gorzen, waterlopen en slikken. In de loop der eeuwen is het gebied ingepolderd, te beginnen met de oudste polder Prinsenland, aan welke polder het hele gebied zijn naam ontleende. Nadien is Prinsenland uitgebreid met de volgende polders: Willemspolder (1649); Mariapolder (1699); Koningsoordpolder (1699); Dintelpolder (1707), Annapolder (1755) en de Carolinapolder (1756). (

      NDR inv.nr. 768, folio 1329.

      )De huidige gemeente draagt de naam Dinteloord en Prinsenland.

      Een deel van de polders werd ingedijkt door anderen dan de heer van Prinsenland. Zo werden de gorzen, aanwassen e.d. van de Willems- en Mariapolder in admodiatie uitgegeven met de verplichting voor de admodiateurs om een bepaalde som geld te besteden aan de bouw en onderhoud van werken ter bevordering van de aanwas en bedijking. Dit contract van admodiatie (een soort pacht) werd voor een periode van 30 jaar afgesloten. (

      NDR inv.nr. 606, 1 mei 1679, folio 412 e.v., en NDR inv.nrs. 11825-11827 (redeningen van de admodiateurs).

      )

      Tussen Heiningen en Prinsenland Iagen twee eilandjes: Ruijgeplaat en Rolleplaat. Alleen Ruijgeplaat viel onder de jurisdictie van Prinsenland.7(

      NDR inv.nr. 768, folio 1329.

      )Prinsenland was een gemengd landbouwgebied.

      Rechten en bevoegdheden

      Lang werd Prinsenland als deel van Steenbergen beschouwd. In de titulatuur en in de opsomming van de Brabantse heerlijkheden werd Prinsenland niet apart genoemd. Toch was Prinsenland als een aparte heerlijkheid te beschouwen. De heer had in Prinsenland de hoge, middelbare en lage jurisdictie. Daarnaast werd Prinsenland in leen gehouden van de heer van Breda, evenals Steenbergen. (

      Hallema, Geschiedenis, pp. 84 e.v.

      )

      Voor een groot deel waren de reglementen van de 'moedergemeente' Steenbergen van kracht. Het appel op civiele vonnissen had echter plaats op de Leenhof te Breda. In criminele zaken was geen beroep mogelijk.

      De regering werd namens de heer uitgeoefend door schout en schepenen. In de polders waren polderbesturen, bestaande uit dijkgraaf en heemraden, aangesteld. De dorpsrekeningen behoefden goedkeuring van de heer, i.c. de Domeinraad. Tot de heerlijke rechten van de heer hoorden de tollen, veren, jacht, vogelarij en de visserij. De heer benoemde in Prinsenland en Dinteloord de volgende functionarissen: (

      De opsomming is overgenomen uit het Ambtboek, NDR inv.nr. 687, pp. 525 e.v.

      )

      • Schout
      • Dijkgraaf
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Rentmeester
      • Penningmeester/ontvanger van de verpondingen
      • Dijkgraaf van de Dintelpolder
      • Penningmeester van de Dintelpolder
      • Gezworenen van de Dintelpolder
      • Sluiswachter van de Dintelpolder
      • Dijkgraaf van de Willems- en Mariapolder, genaamd het Nieuwland
      • Gezworenen van de Willems- en Mariapolder, genaamd het Nieuwland
      • Dijkgraaf van de Koningsoordpolder
      • Gezworenen van de Koningsoordpolder
      • Gezworenen van Prinsenland
      • Schoolmeester
      • Lijkbidder
      • Vo[r]ster van Prinsenland en Dinteloord
      • Onder- of tweede vo[r]ster
      • Sluiswachter van de Annapolder
      • IJkmeester te Prinsenland
      • Molmeester van Prinsenland
      • Sluiswachter van de sluis in de kreek ten oosten van de sluiskil van de Mariapolder
      • Bakenmeester van de stromen langs en om Prinsenland Geadmitteerde schippers van Prinsenland op Dordrecht en Rotterdam
      • Postmeester
      • Medicine dokter
      Beheer

      Prinsenland en Dinteloord werd beheerd door een rentmeester. De eerste rentmeester was Pieter uyt Mattenburg, die voordien in dienst was van Maria van Buren in haar domein op Noord-Beveland. (

      Hallema, Geschiedenis, 63.

      )

      De rentmeester beheerde naast de gebruikelijke rechten en goederen ook een aantal 'privatieve' polders. Deze polders waren in hun geheel in het bezit van de prins -er waren geen andere ingelanden- en stonden onder de administratie van de rentmeester. Wel benoemde de prins in deze polders dijkcolleges voor het schouwen en onderhoud van de waterstaatswerken. Deze stonden echter onder direct toezicht van de Domeinraad. Het betrof de Willems- en Mariapolder, de Anna-, Carolina- en Kooipolder en de bezomerkade gorzen van de Willemspolder en Koningsoordpolder. (

      Zie NDR inv.nr. 11493: 'Provisionele instructie voor dijkgraaf en gezworenen', en de betreffende lemma's in de registers van historische aantekeningen, inv.nrs. 764-769.

      )In 1775 werden de dijkcolleges van deze polders samengevoegd tot één college. (

      NDR inv.nr. 144, 4 juli 1775.

      )
      De resoluties van dit dijkcollege betreffende zaken, waar de Domeinraad ook bemoeienis mee had, werden in een register voor de Domeinraad afgeschreven.

      In de 18e eeuw werd de domeinrekening gesplitst. De Domeinraad verlangde van de rentmeester een aparte rekening over de besteding van een aantal waterstaatswerken, mede om de domeinrekening overzichtelijk te houden. (

      NDR inv.nr. 11829; rekening van de extraordinaire werken.

      )

      Na 1795 werd Prinsenland korte tijd beheerd door het Comité van Algemene Zaken van het Bondgenootschap ter Lande, een commissie van de Staten-Generaal die het beheer van de Nassause domeinen in de Generaliteitslanden voerden. Na de nationalisatie van de domeinen werd het beheer van Prinsenland gevoegd in het beheer van alle Nassause domeinen.

      Rentmeesters (

      Ontleend aan de rekeningen en aan het Ambtboek, NDR inv.nr. 687.

      )

      Pieter uyt Mattenburg, [1606]-1612.
      Cornells Boot, 1613-1647.
      Maximiliaan Boot, 1650-1656.
      Diederick van Hogendorp, 1656-1679.
      Willem van Hogendorp, 1679-1729.
      Johan Swijters, provisioneel, 1734.
      Assuer baron van Heekeren, 1734-1752.
      Samuel Dingmans, substituut van Assuer baron van Heekeren, 1734-1752.
      Johan van de Leur, provisioneel, 1752-1760
      Adrianus Bane, provisioneel, 1761-1762
      Adriaan Sebastiaan van Fenema, waarnemend, 1763.
      Jacob Creijghton, 1764-1790.
      Jan Dirk Christiaan van Marie, 1790.
      Lodewijk Fesquet, 1796-1797.
      Willem Gerard van der Grijp, 1798-1810.
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit deel van het archief staan de stukken betreffende Prinsenland en Dinteloord beschreven. Het archief bevat veel gegevens betreffende de bedijking van het gebied Prinsenland: bestekken, rekeningen e.d. De serie rekeningen in dit archief is vrijwel compleet.

      Meer gegevens betreffende dit domein zijn te vinden in de serie notulen en de series uitgaande stukken in de afdeling Stukken van algemene aard van het archief van de Nassause Domeinraad.

      Verwante Archieven

      In het Algemeen Rijksarchief bevinden zich ook kaarten van Dinteloord en Prinsenland. De herkomst van deze kaarten is niet duidelijk. De kaarten bevinden zich in de Kaartencolletie Hingman (VTH), inv.nrs. 1201, 1777, 1781-1787, 1790-1793, S 316 en S 442.

      Andere archieven met stukken betreffende Prinsenland zijn te vinden in:

      • Gemeentearchief van Dinteloord en Prinsenland, 1605-1810.
      • Archief van de Oud-Prinslandse Polder, 1606-1971.
      • Archief van de Koningsoordpolder, 1748-1886.

      • Archief van de Hoofd- en Leenbank, 1535-1810.
      Verantwoording van de inventarisatie

      In dit deel van het archief van de Nassause Domeinraad zitten ook stukken, die lijken te behoren tot het archief van de rentmeester, nl: de minuten en afschriften van de 'remonstranties', brieven van de rentmeesters van Prinsenland aan de Domeinraad (inv.nrs. 11412-11414). Deze stukken zijn niet afgezonderd van het archief, omdat zij waarschijnlijk op last van de Domeinraad naar Den Haag zijn verzonden.

      Literatuurlijst A. Hallema Geschiedenis van Dinteloord en Prinsenland in de zeventiende eeuw. Breda 1955. P.Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden, 1966. J.H. van Cappelle, Filips Willem prins van Oranje. Haarlem, 1828. H. Vriend, De rivier de Mark door de eeuwen heen (I); in: Jaarboek van de Geschied-en Oudheidkundige kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', dl VI, jaargang 1953. Pp. 11 e.v. Dr. P. Scherft, Philips Willem, een displaced person, in: Jaarboek van de Vereniging Oranje-Nassau Museum, 1980. pp.27 e.v.
      Bijlage Inhoudsopgave van de rekening over 1735

      (

      NDR inv.nr. 11737.

      )

      Capittel

      1. Van erff en grontchijnsen.
      2. Van Heerenchijnsen van erven aende dorpe van Dinteloort.
      3. Van Chijnsen off renten.
      4. Van twe partijkens
      5. Van coornzaat en smaltienden
      6. Lammertienden van Princelant
      7. Dijck en gorsingen
      8. Acchijnsen en bierboom
      9. De waage
      10. Coorn wintmoolen
      11 Visserijen binnen slants
      12. Visserijen buijten slants
      13. Voogelvlugt rontsomme de landen van Princelant
      14. Bievlugt en patrijsvangst
      15. Veeren
      16. Domeijnen
      17. Van goederen bij confiscatie
      18. Van den eenentwintighen penning des verpagte partheijn
      19. Alderhande ontfang
      20. Lantpagten van Willemspolder
      21. Coorn en zaatthienden van Willemspolder
      22. Lammerthienden van Willemspolder
      23. Dijk en gorssen van Willemspolder
      24. Dijckschotten van Willemspolder
      25. Gemengden ontfang van Willemspolder
      26. Lantpagten van Mariapolder
      27. Coorn zaat en andere thienden van Mariapolder
      28. Lammerthienden van Mariapolder
      29. Dijck en gorsepagt van Mariapolder
      30. Dijckschotten van Mariapolder
      31. Gemengden ontfang van Willem en Mariapolder
      32. Lantpagten van Koningsoortpolder
      33. Coorn zaat en andere thienden van Koningsoortpolder
      34. Lammerthienden van den Koningsoortpolder
      35. Dijck en gorsettingen van Koningsoortpolder
      36. Alderhanden ontfang van Koningsoortpolder
      37. Lantpagten van Dintelpolder
      38. Koorn zaat en andere thienden van Dintelpolder
      39. Lammerthienden van Dintelpolder
      40. Dijck en gorsettingen van Dintelpolder
      41. Dijckschotten van Dintelpolder
      42 Alderhanden ontfangh van Dintelpolder
      43. Extraordinaris ontfangh wegens geattermineerde restanten en lantpagten van Willem, Maria en Koningsoortpolder
      Uijtgeeff

      1. Reparatie aen de Coornmoolen
      2. Reparatie aen het hooft van Princelant
      3. Reparatie aende Spuij
      4. Reparatie aen de kaaij
      5. Reparatie aen den dam
      6. Reparatie aen het hooft en rijsdammen
      7. Reparatie aende veerdammen
      8. Reparatie aende ponten en trossen
      9. Reparatie aent veerhuijs
      10. Ordinaris gagie
      11. Dijckschotten en verpon[dingen]
      12. Strijkgeld
      13. Intresten van 14.000 gulden
      14. Alderhande uijtgeeff
      15. Reparatie aen het hooft van Willemspolder
      16. Wegens zeebraken
      17. Dijckschotten en verpon[dingen]
      18. Ordinaris gagien
      19. Intresten van capitalen
      20. Alderhanden uijtgeeff
      21. Reparatie aende sluijssen van Mariapolder
      22. Reparatie aenden dam
      23. Reparatie aent veerhuijs
      24. Reparatie wegens zeebraaken
      25. Verpond(ingen] en dijckschotten
      26. Ordinaris gagie
      27. Intresten van Capitalen
      28. Remissien van Mariapolder
      29. Alderhande uijtgeeff
      30. Gemengden uijtgeeff van Willem en Mariapolder
      31. Dijckettingen en verpon[dingen] van Koningsoortpolder
      32. Verpondingen van de Koningsoortpolder
      33. Ordinaris gagie vanden Koningsoortpolder
      34. Alderhande uijtgeeff
      35. Dijckschotten van Dintelpolder
      36. Verpondingen van Dintelpolder
      37. Ordinaris gagie van Dintelpolder
      38. Alderhande uijtgeeff
      39. Gemengden uijtgeeff
    • Verwerving Oosterhout

      (

      Drossaers I,I, pp. 15-19; F.F.X. Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid Breda. Deel 1, Inleiding-rechtsbronnen tot 1405 (Utrecht, 1956) (Oud-vaderlandse rechtsbronnen); Van Goor, Beschrijving, pp. 360-362; NDR inv.nr. 767, folio 1221-1223.

      )

      Oosterhout vormde binnen het land van Breda een min of meer afzonderltjke heerlijkheid. In de loop van de 14e eeuw verwierf Willem van Duvenvoorde vrijwel alle heerlijke rechten in dit gebied. (

      Drossaers I, inv.nr. 409. Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen, I, pp. LII e.v.

      ) De kinderloos gestorven Willem van Duvenvoorde liet in 1353 al zijn bezittingen na aan zijn neef Jan II van Polanen. Diens kleindochter Johanna huwde in 1404 Engelbrecht van Nassau. Door dit huwelijk kwam ook Oosterhout, zoals zoveel andere goederen, in het bezit van de Nassaus.

      Een deel van de tienden in dit gebied en het patronaat van de kerk van Oosterhout behoorden van oudsher tot het complex van goederen en rechten onder de commanderij Ter Brake dat tot 1617 in bezit was van de Johannieterorde. Toen Philips Willem in 1617 de bezittingen van de commanderij kocht, kwamen daarmee dit patronaatsrecht en het merendeel van de tienden weer bij de heer van Oosterhout.

      Gedurende de eeuwen tot 1795 bleven de Nassaus heer van Oosterhout. Tijdens de Bataafs-Franse tijd kwam natuurlijk ook een einde aan deze heerlijkheidsrechten. Onderdelen van de voormalige heerlijkheid Oosterhout werden in 1816 als domeingoederen geschonken aan prins Frederik. Na diens dood in 1881 werden deze goederen staatsdomein.

      Dongen

      (

      Het archief van de heren van Dongen werd door Drossaers opgenomen in de inventaris van het archief van de raad en rekenkamer te Breda tot 1581, zie Drossaers I,I, pp. 83-98; NDR inv.nr. 765, pp. 386-388; Van Goor, Beschrijving, pp. 362-364; Drossaers, I,I, pp. 15-17; Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen, I, pp. XLV e.v.

      )

      Willem van Duvenvoorde werd in 1329 door Willem van Horne en Altena beleend met de Brabantse heerlijkheid Dongen. In 1350 verkocht Van Duvenvoorde Dongen met uitzondering van de hoge en middelbare jurisdictie aan zijn dochter Beatrijs, vrouwe van Hooge en Lage Zwaluwe. Willem van Dalem, zoon van Beatrijs en haar man Roelof van Dalem, werd in 1357 door Jan van Polanen mede beleend met de heerlijkheden Dongen en Lage Zwaluwe, waarna deze twee heerlijkheden gedurende bijna twee eeuwen in het bezit bleven van het geslacht Van Dalem.

      De laatste Van Dalem die heer van Dongen en Lage Zwaluwe was, Joost, pleegde verschillende misdaden, waaronder manslag aan de onderschout van Turnhout, Karel van Lier. Alle leengoederen, die hij van Breda te leen hield, werden daarom in 1500 verbeurd verklaard en bij de landsheerlijkheid gevoegd. Door confiscatie in 1513 en afkoop in 1541 kwamen de rechten in handen van de heer van Breda: Hendrik III, graaf van Nassau. Hiermee kwam ook Dongen weer terug binnen het conglomeraat van heerlijke rechten dat ooit het 'Land van Breda' was en dat inmiddels de 'Baronie van Breda' werd genoemd. Binnen de baronie wist de heerlijkheid Dongen, samen met de heerlijkheid Oosterhout een zekere zelfstandige positie te handhaven. (

      Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen, I, pp. L-LXIII.

      )

      Evenals Oosterhout bleef Dongen gedurende de eeuwen tot 1795 in het bezit van de Nassaus.

      Commanderij Ter Brake

      (

      In het archief komt men vooral de benaming 'Ter Bracque' tegen. In deze inleiding en in de beschrijvingen in de inventaris werd gekozen voor de 'moderne' spelling; Drossaers I,I pp. 228-229; Van Goor, Beschrijving, p. 273; Arnoud-Jan Bijsterveld, 'Alphen van Echternachs Domein tot Bredase heerlijkheid, 1175-1312. I en II' in: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom' XLIII (1990), pp. 77-111 en XLIV (1991) pp. 110-148; A.A. Streefland, 'Tempeliers in Brabant; de commanderij Ter Brake bij Alphen' in: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom' XXXII (1979) en XXXIII (1980) pp. 141-166.

      )

      Waarschijnlijk was de commanderij Ter Brake 'gesticht' in de tweede helft van de 12e eeuw, door de heer van Breda, die allerlei goederen in Oosterhout en Alphen aan de orde van de Tempeliers geschonken zou hebben. (

      Streefland, 'Tempeliers', pp. 147-148; Streefland noemt de datering 1144 aanvaardbaar.

      ) De ridderorde van de Tempeliers en na zijn opheffing in 1312 de orde van de Johannieters bezat in Alphen een eigen 'hof', een ontginningsboerderij, Ter Brake geheten. Tot de bezittingen van de commanderij behoorden van oudsher erfcijnzen en landerijen onder Breda, Oosterhout, Dongen, Alphen, Baarle en Chaam die de heer van Breda aan de orde had geschonken. De begeving van het pastoorschap in Oosterhout en Alphen en van rectoraten van verschillende altaren in de kerk van Oosterhout waren eveneens rechten van de commanderij. (

      Drossaers I, I, pp. 228-229; zie over dit recht vooral: Bijsterveld, 'Alphen', I, pp. 81 e.v.

      )

      In 1473 verkocht de meester van Chaintraine als overste van de orde van de Johannieters een groot deel van de rechten in Alphen en Oosterhout aan Jan IV van Nassau, heer van Breda. (

      Streefland, 'Tempeliers', p. 155.

      ) Het onroerend goed bleef in bezit van de orde, de 'publiekrechtelijke rechten' kwamen in handen van de heer van Breda: het recht meier en schepenen aan te stellen, het recht boeten te ontvangen, alle rechten op de woeste gronden, het molen- en jachtrecht, het recht te erven en te onterven en het recht diensten te eisen. (

      Bijsterveld, 'Alphen', II, p. 124.

      )

      De resterende onroerende goederen en de daaraan verbonden rechten die nog aan de orde van de Johannieters behoorden werden in 1617 gekocht door Philips Willem van Oranje. (

      O.a. NDR inv.nr. 11909, folio 261recto-264recto en inv.nrs. 11988, 11990.

      )

      In 1648, bij de herverdeling van goederen met de Vrede van Munster, werd de voormalige commanderij met alle daarbij behorende goederen en rechten toegewezen aan de heer van Breda. Hiermee bleef het goederencomplex dat de commanderij was, in handen van de Nassaus. Daarmee was een oud streven bereikt: door het vergroten van de heerlijkheid Breda, waar uiteindelijk ook de commanderij Ter Brake deel van uitmaakte, was de rechtsmacht van de heer van Breda in dit gebied aanzienlijk versterkt. (

      Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen, I, p. LI.

      )

      In 1816 werd het goederencomplex toegewezen aan prins Frederik. De goederen vervielen na diens dood in 1881 aan het rijk, waarna zij in 1887 aan een particulier werden verkocht.

      Grondgebied en benaming Oosterhout

      (

      'Oosterhout, een zeer aangenaam Vleck, veele kleyne Steden in uytgestrektheid en fraye gebouwen overtreffende, (..)' volgens Van Goor, Beschrijving, p. 360.

      )

      Oosterhout werd vrijwel geheel omsloten door andere domeinen die in het bezit waren van de Nassaus. Gelegen ten noordoosten van Breda, grensde Oosterhout aan de Hollandse domeinen Hooge en Lage Zwaluwe, Geertruidenberg en Raamsdonk. Ten zuidoosten lag het Brabantse Dongen. De naam Oosterhout is onmiskenbaar gerelateerd aan de vele bossen in deze omgeving. Tot het rechtsgebied van Oosterhout behoorden naast de vrijheid Oosterhout met zijn omgeving ook de gehuchten Den Hout, met een kapel die er in 1336 door Willem van Duvenvoorde werd gesticht, en Dorst. (

      NDR inv.nr. 767, folio 1221 e.v.; Van Goor, Beschrijving, pp. 360-362.

      )

      De polders die tot het domein behoorden waren:

      • Westpolder;
      • Republiekpolder;
      • Willemspolder;
      • Dongendijksepolder;
      • Brieltjespolder;
      • Oranjepolder.

      Al in 1272 verkregende inwoners van 'het Vlek of de Vrijheid' Oosterhout, vrijdom van tol en wegen gruitgeld in heel Brabant. Bovendien bezat Oosterhout het recht van een vrije week- en jaarmarkt

      Samen met de zeven schepenen vormden de twaalf gezworenen het bestuur dat werd gehoord over '...belastingen en ontlastingen en over verdere zaaken geldmiddelen raakende..'. De schout voerde de titel 'schout en kastelein van Oosterhout, al was er weinig tastbaars overgebleven van het 'Huis van Strijen'. (

      NDR inv.nr. 767, folio 1221 e.v.; De twaalf gezworenen: twee uit Middelwijk, vier uit het Westkwartier en zes uit het Oostkwartier.

      )

      Dongen

      Ten zuidoosten van Oosterhout lag de heerlijkheid Dongen, genoemd naar de rivier die door dit gebied stroomt de Donge. Deze heerlijkheid grensde in het oosten aan de heerlijkheid Tilburg in de meierij van 's-Hertogenbosch en werd verder omsloten door de heerlijkheid Oosterhout en de overige 'landen' van de baronie van Breda. Van het 'Huis te Dieren', het slot van de heren van Dongen door Willem van Duvenvoorde gebouwd, stond lange tijd nog de toren als laatste aandenken.

      Het besruur bestond uit het college van schout en schepenen, waaraan twee gezworenen werden toegevoegd 'tot 't verhandelen der Dorps geldtmiddelen'. (

      Van Goor, Beschrijving, p. 364.

      )

      Ter Brake

      (

      A.F.O. van Sasse van Ijsselt, 'Nog eens de Kommanderij Ter Braake te Alphen bij Tilburg' in: 'Taxandria', tijdschrift voor noordbrabantse geschiedenis en volkskunde, 41 (1934) pp. 64-72; J.P.W.A. Smit, 'De commanderij 'ter' Braake onder Alphen' in: 'Taxandria', tijdschrift voor Noordbrabantse geschiedenis en volkskunde, 27 (1920) pp. 142-149.

      )

      Tot de voormalige commanderij Ter Brake behoorden hooi- en weilanden en zaailanden. In totaal bijna 50 bunder van deze hooi- en weilanden lag onder Oosterhout in de Republiekpolder en de Willemspolder. De zaailanden lagen zowel onder Oosterhout als onder Alphen en besloegen in totaal zo'n 8 bunder. De hoeve Ter Brake, gelegen onder het rechtsgebied van Alphen en ook behorende tot de bezittingen van de voormalige commanderij, besloeg ruim 48 bunder. (

      NDR inv.nr. 764, folio 270; Onder het kopje 'Oude Domeinen van Z.Hd. onder Oosterhout' treffen we een gespecificeerde opsomming (situatie in 1762) aan van in totaal 400 bunder hooi- en weiland en 5 bunder zaailand. Hier staat ook vermeld dat de heer een dijkgraaf aanstelt over deze Oude Domeinen (gewoonlijk de rentmeester) en vijf gezworenen. In het overzicht van functionarissen zoals vermeld in het 'Amptboek' vinden we deze dijkgraaf terug in de omschrijving 'Dijkgraaf van de Vrijheid Oosterhout'. Het is niet duidelijk of met deze Oude Domeinen alleen de voormalige commanderijgoederen worden aangeduid: NDR inv.nr. 767, folio 1264.

      ) De hoeve zelf (de boerenhofstede) heette sinds de 19e eeuw 'De Prinsehoef' en werd in 1860 afgebroken.

      Rechten en bevoegdheden Oosterhout

      In Oosterhout bezat de heer naast de middelbare en de lage ook de hoge rechtsmacht. De rechtbank bestond uit een schout, die door de heer werd aangesteld, en zeven schepenen. In halsstraffelijke zaken was geen beroep ('noch hervorming') mogelijk. In zg. burgerlijke zaken was beroep mogelijk bij de Hoofdbank in Breda. (

      Van Goor, Beschrijving, pp. 360-362.

      )

      De jaarlijkse rekening die de ontvanger van de verpondingen indiende, werd afgehoord door de gecommitteerde van de Domeinraad in aanwezigheid van de drossaard van Breda, de Oosterhoutse drossaard en de schepenen en gezworenen. Ook andere rekeningen werden jaarlijks of tweejaarlijks Afgehoord door het college van schout en schepenen aangevuld met een lid van de Domeinraad, de predikant (de kerkrekening en de armenrekening) of andere functionarissen. (

      NDR inv.nr. 766, folio 388-394.

      )

      In Oosterhout waren twee molens (de Lage en de Hoge Molen) die aan de heer toebehoorden en die telkens voor drie jaar werden verpacht.

      Voor de Dongendijkse polder werden een dijkgraaf ('..zijnde de drossaard..'), een penningmeester en twee gezworenen door de Domeinraad aangesteld. Dit college benoemde vervolgens de sluiswachter die tevens dijkbode was. (

      NDR inv.nr. 766, folio 394-396. Dit is in tegenspraak met de gegevens uit NDR inv.nr. 685, folio 81 e.v.

      )De heer benoemde in Oosterhout: (

      NDR inv.nr. 685, folio 81-101.

      )

      • Dijkgraaf van de Vrijheid Oosterhout
      • Schout (later drossaard) en kastelein
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Rentmeester
      • Ontvanger
      • Notarissen
      • Controlleur van de domeinen
      • Comptoirbode van de rentmeester
      • Landmeter
      • Organist
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorzanger
      • Franse kostschoolhouder
      • Franse demoiselle
      • Dijkgraaf van de WilIemspolder
      • Gezworenen van landen in het Broek van Oosterhout
      • Dijkbode van landen en aanwassen tevens sluiswachter
      • Dijkgraaf van de Nieuvve Dijk (tussen de Groenendijkse haven en de Dongendijk)
      • Penningmeester van de Nieuwe Dijk (tussen de Groenendijkse haven en de Dongendijk)
      • Gezworenen (twee) van de Nieuwe Dijk(-age) (tussen de Groenendijkse haven en de Dongendijk)
      • Dijkgraaf van de West- en Republiekpolder
      • Penningmeester van de Westpolder
      • Gezworenene over de dijk langs de Donge
      • Dijkgraaf over de dijk langs de Donge
      • Dijkgraaf van de nieuwbedijkte landen onder Oosterhout (achter [Leijren], Den Horst en Den [Bercht])
      • Penningmeester van de nieuwbedijkte landen onder Oosterhout (achter [Leijren], Den Horst en Den [Bercht])
      • Gezworenen van de nieuwbedijkte landen onder Oosterhout (achter (Leijren], Den Horst en Den [Bercht])
      • Warande plantagemeester en boswachter
      • Vosters
      • Schoolmeester in Den Hout
      • Voster in Den Hout
      • Schoolmeester in Stuivezand
      • Schoolmeester in Hoogerheide
      • Doodgraver in Oosterhout
      Dongen

      In Dongen bezat de heer slechts de middelbare en lage rechtsmacht. De schout werd door de heer aangesteld en samen met de zeven schepenen werd recht gesproken. (

      NDR inv.nr. 765, folio 387.

      ) In zaken van criminele rechtspraak was de Bredase rechtbank bevoegd. (

      M.A. Hiemstra en B.C.M. Jacobs, 'Aan de grenzen van de samenleving; Criminaliteit en jurisdictiemacht in het grensgebied van Staats-Brabant en Holland in de achttiende eeuw' in: Noordbrabants Historisch Jaarboek 12 ('s-Hertogenbosch, 1995) pp. 82-118.

      )

      In Dongen stonden een windmolen en een watermolen, die beide werden verpacht. Een belangrijke bron van inkomsten werd hier gevormd door de moernering. De heer benoemde in Dongen: (

      NDR inv.nr. 685, folio 81-101.

      )

      • Dijkgraaf
      • Schout
      • Stokhouder
      • Secretaris
      • Rentmeester
      • Ontvanger
      • Notaris
      • Comptoirbode van de rentmeester
      • Controlleur van de domeinen
      • Landmeter
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voster
      Ter Brake

      De rechten die van oudsher toebehoorden aan de orde van de Johannieters en die sinds 1648 alle aan de heer van Breda behoorden waren o.a. het collatierecht in Oosterhout, het molenrecht in Alphen en Oosterhout, het recht op de vroente en de lage rechtspraak. Bovendien behoorden tot de commanderij Ter Brake tienden onder Oosterhout, Dongen, Alphen en Breda. Deze tienden vormden een belangrijke inkomstenbron.

      De heer benoemde in Ter Brake: (

      NDR inv.nr. 685 folio 81-101.

      )

      • Rentmeester van de goederen
      • Comptoirbode
      Beheer

      Hoewel de heerlijkheden Oosterhout en Dongen en de voormalige commanderij Ter Brake een apart beheer kenden, was er een grote verwevenheid van de bezittingen. Allereerst waren dat de commanderijgoederen, die verspreid waren over de hele baronie van Breda (en ook daarbuiten o.a. in Turnhout), maar een zwaartepunt hadden in de gebieden onder Oosterhout en onder Alphen. Daarnaast waren er ook Oosterhoutse bezittingen onder Dongen en niet te vergeten Dongense bezittingen onder Oosterhout en Rijen (Tiggelrijt). Toen in 1643 Laurens Smits zowel voor Oosterhout als voor Dongen werd aangesteld als rentmeester, werd de verwevenheid er zeker niet kleiner op, ondanks de orders gescheiden rekeningen in te dienen. Het gezamenlijk beheer was niet nieuw: in de 16e eeuw werden de domeinen Oosterhout en Dongen ook al door één rentmeester beheerd, zij het dat ook maar één jaarlijkse rekening werd ingediend en wel de rekening van de rentmeester van de domeinen onder de heerlijkheden Oosterhout en Dongen en van de visserijen gelegen onder de heerlijkheden van Standhazen, Drimmelen, Almonde, Dubbelmonde en Twintighoeven. Het beheer over de verdronken heerlijkheden Standhazen, Drimmelen, Almonde en Dubbelmonde en daarmee het visserijbeheer in dit deel van de Verdronken Waard van Zuid-Holland kwam na 1580 onder de verantwoordelijkheid van de rentmeester van Geertruidenberg. De rentmeester van de Zwaluwe kreeg het beheer over de voormalige ambachtsheerlijkheden Twintighoeven en Klein-Waspik. (

      Zie hiervoor de onderdelen van deze inventaris betreffende Geertruidenberg en Zwaluwe; van 1592-1610 diende Joan van de Corput rekeningen in wegens het beheer van de heerlijkheid Hooge Zwaluwe, Almonde, Twintighoeven, Standhazen en Klein-Waspik (zie NDR inv.nrs. 7764-7768/Zwaluwe).

      )

      In 1748 werd de personele unie van de rentmeesters van Oosterhout en Dongen met de rentmeester van Ter Brake een feit, zodat vrijwel het hele oostelijke deel van de baronie van Breda vanaf die tijd door één rentmeester werd beheerd. De verschillende rekeningen werden jaarlijks ingediend door de rentmeester of zijn vertegenwoordiger en vormden het bewijs en sluitstuk van zijn zorgvuldig beheer.

      Een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden van de rentmeester was de verpachting van onroerende goederen en rechten. De verpachting van landerijen, tienden en molens vormde in deze domeinen een belangrijke bron van inkomsten. Het totaal aan inkomsten over het jaar 1720 in het domein Oosterhout bedroeg b.v. 18.560 pond. Hiervan vormde de verpachting van 'Landen Beemden en Weijden' verreweg de grootste post: 8806 pond. Pikant is dat in dit jaar de opbrengst van de z.g. 'oude domeintienden' (2170 pond) niet opwoog tegen de uitgaven aan verpondingsgelden over dezelfde landen (2308 pond; onderdeel van de post 'Gemenghden uijtgeeff' ) (

      NDR inv.nr. 12118.

      )

      De functie van rentmeester leverde vele emolumenten op. In de rekening over 1720 nam Schoorn de hele lijst waarop hij recht had op: (

      NDR inv.nr. 12300 folio 8v-10v.

      )

      'Het tantiesme ofte ontfangloon van de verpachte ende vercogte goederen bij den Rentmeester verantwoort bedraegende den 21ste penning van allen de partijen die met heeren guldens van 21 stuijvers worden verpacht ende vercogt

      Het tantiesme oft den ontfangloon van de verpondingen daar hem aan de gemeenten te verantwoorden beloopende vier en een half ten hondert van sijnen ontfangh. Het branthout jaerlijks geschat op twaelft guldens

      Voor t' opstellen schrijven ende grosseeren van de rekeningen en van de doubble vandien twee stuijvers per bladt ten waere goet gevonden wiert een geproportioneert tantum daer voor toe te leggen

      Voor t' opstellen schrijven ende doubbleeren de conditien van verpachtinge en vercoopingen bij de rekeningen overgelegt twee st.rs per bladt

      Voor t' schrijven der biljetten tot bekentmaekinge der sitdaegen het innen der chijsen en voor de andere onkosten in de ontfangh derselves vallende jaerlijks een vijffen twintigh guldens

      Voor t' overbrengen der gelden dienende tot voldoeninge der slooten der reekeninge ter Thesaurie ses stuijvers van yder hondert guldens

      Voor t' overbrengen ter auditie ses en dartigh guldens

      Voor een advijs volgens reglementeenen gulden 10 st.rs

      Voor t' overboeken der chijsen ses stuijvers van iedere chijns

      Nog twee stuijvers tot een boete van ijder chijns over ijder jaer dat deselve versuijmt wert te betaelen

      De permissie om mede te mogen jaegen

      Aldus opgestelt ende gearresteert in den Raedt desen 19 Augusti 1720

      en was getijkent ... Vultejus'

      (in de marge: 'volgens de lijste aen de Liasse ter Griffie hierop nagesien')

      Een overzicht van de rentmeesters: Rentmeester van de domeinen onder de heerlijkheden Oosterhout en Dongen en van de visserijen gelegen onder de heerlijkheden van Standhazen, Drimmelen, Almonde, Dubbelmonde en Twintighoeven

      Anthonis de la Ruyelle [1539]-1556
      Jane van den Berge 1557
      Rentmeester van Oosterhout(

      Gegevens uit de series rekeningen en uit NDR inv.nr. 685, folio 81-101.

      )
      Laurens Smits (

      Volgens NDR inv.nr. 685, folio 82v. werd Smits in 1643 aangesteld als rentmeester. Pas vanaf 1654 zijn zijn rekeningen bewaard gebleven.

      )
      1643-1663
      Thomas Claypole 1663-1719
      Nicolaas Kuijpers 1696[-1698] (provisioneel)
      Johannes Klis 1699-1719 (commies)
      Johan Carel Schoorn 1720-1751
      Theodorus Ruijssenaars 1752-1773
      Johannes van Ercom 1774 (provisioneel)
      Simon Anthoni de Vries 1775-1794
      Jan Simon Hallunguis
      (gecommitteerd tot liquidatie van het kantoor van wijlen zijn oom S.A. de Vries) 1795-1798
      Willem David van Dompselaar 1799-1809
      Lucas Hendrik Rijsterborgh (gelastigde van de borgen van W.D. van Dompselaar) 1808-1809
      Lucas Hendrik Rijsterborgh 1810
      Rentmeester van Dongen
      François van Clootwijck 1624
      Pieter Pels 1625-1632
      Machteld Fourcy, weduwe van Pieter Pels 1633-1643
      Vanaf 1643 zoals in Oosterhout (personele unie)
      Rentmeester van Ter Brake
      Adriaan Verelst [vóór 1647]-1657
      Pieter Huart 1657-1693
      Anthonij Pesser 1694-1716
      Simon Lodewijk van de Pol 1717-1736
      Jan Frederik van de Pol (geauthoriseerd tot het waarnemen van het rentmeesterschap in verband met de minderjarigheid van Simon Lodewijk van de Pol) 1717-1724
      Pieter de Bruijn 1737-1746
      Vanaf 1748 zoals in Oosterhout en Dongen (personele unie)
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit onderdeel worden de stukken van de Domeinraad betreffende Oosterhout, Dongen en Ter Brake beschreven. De combinatie van deze domeinen is historisch gegroeid. De bezittingen van deze drie domeinen liepen geografisch gezien door elkaar: zo bezat de voormalige commanderij Ter Brake een aanzienlijke hoeveelheid grond en tienden in Alphen, maar ook in Oosterhout en Dongen. Vanaf 1643 werd in Dongen dezelfde persoon tot rentmeester benoemd als in Oosterhout. Een eeuw later volgde ook Ter Brake. Hoewel de drie domeinen vanaf die tijd dezelfde rentmeester hadden, werden de domeinen wel (grotendeels) apart geadministreerd.

      In dit deel van het archief treft men o.a. een aantal algemene series aan die betrekking hebben op de domeinen Oosterhout en Dongen en de commanderij Ter Brake. Veel van deze series vangen pas de tweede helft van de 18e eeuw aan, zoals de 'Verbalen van de leden van de Domeinraad wegens hun jaarlijkse inspectiereizen' (vanaf 1768) en de 'Generale rapporten van de rentmeesters' (vanaf 1777). Bijzondere series zijn ook zeker de 'Registers met stukken betreffende ...' waarin voornamelijk inkomende en uitgaande stukken betreffende het domein werden opgenomen. In deze registers treft men echter b.v. ook complete cijnsboeken aan (NDR inv.nr. 11909) of lijsten van inwoners opgemaakt ten behoeve van de inning van het hoofdgeld (NDR inv.nr. 11890). In de inhoudsopgaven van de registers treft men ook veel 'blanco nrs.' aan: beschrijvingen van srukken die niet in het register werden opgenomen. De verwijzingen maken duidelijk dat deze stukken in de oude 'FOLIO'-verzameling werden geplaatst. Resultaat is dat m.n. deze inhoudsopgaven een vrij volledig (chronologisch) beeld geven van de belangrijkste gebeurtenissen. (

      Vergelijk b.v. de registers met stukken betreffende de commanderij Ter Brake, NDR inv.nr. 11909 met inv.nrs. 11957-11986.

      ) De onderwerpsgewijs gebonden stukken zijn via de inhoudsopgaven goed toegankelijk.

      De series 'Rekeningen van de rentmeesters' en 'Condities van verpachting' bevatten veel gegevens met betrekking tot de exploitatie van het domein en de (jaarlijkse) gang van zaken. Met name de rekeningen geven een beeld van de belangen van de heer in het domein: de verschillende inkomstenbronnen en uitgavenposten worden hierin beschreven over een periode van twee eeuwen. De inhoudsopgaven van de rekeningen vormen als het ware een overzicht van het beheer van het domein. (Zie de bijlage bij deze inleiding).

      De condities van verpachting zijn niet zo volledig bewaard gebleven en beginnen bovendien ook pas, met een enkele uitzondering, zo rond 1764. Een bijzondere bijlage bij de condities van verpachting van de molens vormen de 'Prisatiën' of taxatierapporten: (inventaris-)lijsten van onderdelen van de molen met de prijs / waarde per onderdeel. De rapporten werden telkens aan het einde van een pachtperiode opgemaakt door beëdigde timmerlieden. De prisatiën werden ook opgenomen in de rekeningen.

      Van dit domein treft men slechts enkele stukken betreffende cijnzen en grondrenten aan. De meeste leggers van cijnzen en tienden van de domeinen Oosterhout, Dongen en Ter Brake zijn bewaard gebleven in de archieven van de rentmeesters van prins Frederik. (

      J.A. ten Cate, Inventaris van de archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers ('s-Hertogenbosch, 1971), met name pp. 22 en 61-70. (stukken ter inzage in het Rijksarchief in Noord-Brabant).

      )

      Vanaf 1775 zijn er verschillende keren inventarissen van de archiefstukken berustende op het domeinkantoor opgemaakt. Deze inventarissen geven een beeld van de (administratieve) organisatie van het rentmeesterskantoor en natuurlijk van de stukken die de rentmeester beheerde.

      In de inventaris Drossaers I treft men de beschrijvingen aan van de stukken betreffende deze domeinen van voor 1581. De stukken staan (voornamelijk) beschreven onder de rubriek Het land van Breda en Steenbergen.

      Over de periode na 1581 treft men ook hierboven in Drossaers I, deel 1 gegevens betreffende deze domeinen aan o.a. in de series notulen, de registers van uitgaande stukken en in de registers met historische gegevens.

      Verwante Archieven

      Omdat Oosterhout, Dongen en Ter Brake een onderdeel vormden van de baronie van Breda is het van belang bij onderzoek ook deel 7 / III (BREDA) te raadplegen. Kaarten betreffende de domeinen Oosterhout, Dongen en Ter Brake over de hele periode tot 1795 zijn vermeld in: J.H. Hingman, Inventaris van de verzameling kaarten berustende in het Rijksarchief..., Tweede gedeelte ('s-Gravenhage, 1871) en: A.J.H. Rozemond, Inventaris der verzameling kaarten berustende in het A Igemeen Rijksarchief, zijnde het eerste en tweede supplement op de collectie Hingman ('s-Gravenhage, 1969), deze beide collecties worden aangeduid met VTH en VTHR. Voor Oosterhout, Dongen en Ter Brake is met zekerheid vast te stellen dat de nrs. 1643,1644-1645 en 1646 afkomstig zijn uit het Domeinarchief. De nrs. 1647-1649 en 1657-1669 behoorden mogelijk tot het archief van de Domeinraad.

      Stukken betreffende Oosterhout, Dongen en Ter Brake over de periode 1581-1811 bevinden zich ook in:

      • Collectie Nassause Domeinen, 1545-1810.
      • Collectie Cuypers van Velthoven, 1320-1870.
      • Archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers, (1456) 1840-1932.

      • Oud-archief van de gemeente Oosterhout, 1450-1810.

      • Oud-archief van de gemeente Dongen, 1430-1811.

      • Oud-archief van het dorp Alphen, c.1640-1810.
      Literatuur Arnoud-Jan Bijsterveld, 'Alphen van Echternachs Domein tot Bredase heerlijkheid, 1175-1312. I en II'. In: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom'. XLIII, 1990, pp. 77-111 en XLIV, 1991, pp. 110-148 J.A. ten Cate, Inventaris van de archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers. 's-Hertogenbosch, 1971. F.F.X. Cerutti en F.A. Brekelmans, ed., Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid Breda. Utrecht/Bussum/Zutphen, 1956,1972,1990. Thomas Ernst van Goor, Beschrijving der stadt en lande van Breda, (...). 's-Gravenhage, 1744. M.A. Hiemstra en B.C.M. Jacobs, 'Aan de grenzen van de samenleving; Criminaliteit en jurisdictiemacht in het grensgebied van Staats-Brabant en Holland in de achttiende eeuw'. In: Noordbrabants Historisch Jaarboek, 12, 's-Hertogenbosch, 1995, pp.82-118. H.Ch.G. baron van Lawick, 'Enige verzamelde gegevens omtrent de commanderij ter Braecke van de Orde der Ridders van St. Jan in Noord-Brabant'. In: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', II, 1949, pp. 1-16. J.H. van Mosselveld, 'De slotjes te Oosterhout'. In: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XVII (1964) pp. 61-102. A.F.O. van Sasse van IJsselt, 'Nog eens de Kommanderij Ter Braake te Alphen bij Tilburg'. In: 'Taxandria', tijdschrift voor noordbrabantse geschiedenis en volkskunde, 41,1934, pp. 64-72. J.P.W.A. Smit, 'De commanderij 'ter' Braake onder Alphen'. In: 'Taxandria', tijdschrtft voor Noordbrabantse geschiedenis en volkskunde, 27,1920, pp. 142-149. A.A. Streefland, 'Tempeliers in Brabant; de commanderij Ter Brake bij Alphen'. In: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundtge Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XXXII, 1979 en XXXIII, 1980, pp. 141-166
      Bijlage Domeinen onder Oosterhout

      (rekening over 1654) (

      NDR inv.nr. 12055.

      )

      Cathalogus oft register vande cappittelen inde reeckeningh vanden jaere 1654
      Ontfanck
      Cap'

      1Erffgront chijns
      2Gansen Cappoenen ende hoenderen
      3Landen Beemden Weijden
      4Castelijnie goederen
      5Accijns Gruijt gemael en tol
      6Visscherije en vogelderije
      7Thienden
      8Vaertgeld en gerechtichheijt over de schors
      9Molens
      10Uijtgegeven Vroenten
      11Confiscatie van bastaerden en onbeheerde goederen
      12Vercoft hout
      13Hooftschen en erffpacht Rogh
      14Prijseringh van Molens
      15Visscherijen inden [Ver]droncken Weert van Suijthollant
      16Gemenghden ontvanck
      Uuijtgeeff
      Cap'

      1Penningen hier vooren berekent en nijet ontfangen
      2Gelt renten
      3Reparatie aen Molens
      4Reparatie aen tbos
      5Erffrogh berekent en nijet ontfangen
      6Roghrenten
      7Gagien
      8Prijseringh van Molens
      9Gemenghden uijtgeeff
      Domeinen onder Dongen (rekening over 1624)

      (

      NDR inv.nr. 12207; de rekening bevat geen inhoudsopgave.

      )

      i' CappleOntfanck van erffchijnsen ende erffgrontpachten onder Donghen
      ii' CappIeOntfanck van Gansen, Capoenen ende hoenderen
      iii' CappleOntfanck van Lantpachten verpacht voor sess Jaren, (...)
      iiii' CappIeOntfanck van Thienden verpacht voor eenen jare, (...)
      v' CappleOntfanck vande Vervlogen [Swarmen] Wechgelt ende Smael Thiende, Verpacht voor eenen Thermijn van drie Jaren, (...)
      vi' CappleOntfanck van Molens Verpacht voor eenen Termijn van vijff Jaren, (...)
      vii' CappleOntfanck van Erfpacht
      viii' CappleOntfanck van Erffpacht Rogge
      ix' CappIeOntfanck van Schaerhout
      x' CappleOntfanck van Priseringen van Molens ende afslijtinge van dien
      xi' CappleOntfanck van Visscherijen inden Verdroncken Weert van Zuiithollant aen de Zuijtsijde vande oude Mase, onder heerlijckheijt van Stanthasen, Almonde, Dubbelmonde ende Drimmelen gelegen (

      LET OP: 'Vande voorss parthijkens der Visscherijen, sijn ennige, bijder Rendants voorsaten verpacht geworden, maer overmits deselve sijn appendent den Domeijnen der Visscherijen van St. Geertruijdenberch, ende dat van wegen Sijne P':Ex': Mauritie is geordonneert, die te laten volgen sijn Ex':p.hendrick fredrick, soo heeft de rendant daer van ontfangen -nyet'

      )
      met kanttekening: 'Memorie - Vid: hier op de Rekening van Geertruijdeneberch'
      xii' CappleOntfanck vanden xxi' Penninck der verpachte partijen
      xiii' CappIeOntfanck vande Rantsoenen der Verpachte
      Parthijen
      i' CappleUuijtgeeff tegens den voorss Ontfanck
      Eerst van Penningen hier voor voor Vollen
      Ontfanck berekent ende niet ontfangen
      ii' CappleGeltrenten beset op de heerlijckheijt van
      Dongen
      iii' CappleReparatien aende Molens
      iiii' CappleReparation aende Groote ende Cleene hoeven
      v' CappleRogrenten
      vi' CappleRogge, hiervoor is Ontfanck berekent ende
      niet ontfangen
      vii' CappleUijtgeeff van Priseringen van Molens
      viii' CappleGagien
      ix' CappleGemengden Uuijtgeeff
      Domeinen onder Dongen rekening over 1720)

      (

      NDR inv.nr. 12300.

      )

      Catalogus ofte register vande cappittelen in dese rekeninge vervath
      ontfangh
      Cappittelen

      1Erffgrontchijnsen
      2Ganssen, Cappoenen etc
      3Lantpachten
      4Thienden
      5Vervloogen [Swarmen] en Smaltient Weggelt
      6Moolens
      7Erffpachten
      8Hooffsche en erffpachtrogge
      9Vercogt hout
      10Uijtgegeven vroenten
      11Priseeringe van moolens
      12Visserije in de riviere de Dunga
      13Confiscatien van Bastaerd en onbeheerde goederen
      14Vercogte hoofsche pachtrogge
      15Recognitien van offitien en ampten
      16Gemengden ontfangh
      17Van de aangecogte goederen (

      Het betreft hier inkomsten op de goederen aangekocht uit de boedel van Thomas Claypole: 'Ontvangh van lantpachten cooppenningen van executie vercogte goederen toebehoort hebbende Jonkheer Thomas Claijpoole welke op ordre van haer edele moogenden geëxecuteert en ten behoeven van de Furstelijke weisen inge cogt sijn geleegen onder Dongen en den Rijen onder Gils en Oosterhout' (f.61).

      )
      Cappittelen Uiftgaeff

      1Penningen bereekent en niet ontfangen
      2Geltrenten
      3Reparatien aan de moolns
      4Rogrenten
      5Hooffsche en erffpachtrogge bereekent en niet ontfangen
      6Priseeringe van moolns
      7Gasien
      8Gemengden uijtgaeft
      9Van de aangecogte goedere
      Domeinen onder Ter Brake (rekening over 1681)

      (

      Het betreft goederen die toebehoorden aan de commanderij Ter Brake onder Breda, Oosterhout, Dongen, Alphen en omgeving.

      )

      (

      NDR inv.nr. 12391.

      )

      Tafel vande Cappitulen deser Reeckeninge
      Ontfanck

      Capl.1Erffchijnsen ende erffrenten onder Breda
      2Erffcijnsen onder Oosterhout
      3Erffchijnsen ende erffrenten onder Dongen
      4Erffchijnsen onder Alphen Baarle en Caam
      5Landerien onder Breda
      6Landerien onder oosterhout
      7Beemden ende weijden onder 50.bunderen aenden Vijfdijck onder Oosterhout
      8De houve ter Braaque
      9Ontfanck van Thienden
      10Zaet en wintergeerst thienden
      11Leengoederen
      12Erffpachten in Rogge ende Evene
      13Casteleine goederen onder Oosterhout
      14Extraordinaris ontfanck
      15Houtgewas
      Capl. Uutgave

      1Chijnsen ende renten in gelde ende rogge
      2Gagien
      3Schattingen vanden vijffden pennink
      4Reparatien vande houve ter Braaque
      5Gelichte penningen
      6Alderhanden uijtgaven
    • Verwerving Steenbergen

      Steenbergen kwam in het bezit van de Nassaus door de definitieve deling van het gezamenlijk bezit van de heren van Bergen op Zoom en Breda in 1458. Steenbergen werd toegewezen aan de baron van Breda, graaf Jan van Nassau. De markies van Bergen op Zoom behield wel enige inkomsten en grond in het domein. (

      W.A. van Ham, Inventaris van de archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom ('s-Hertogenbosch 1980), I, p.58

      )

      Steenbergen behoorde oorspronkelijk onder de baronie van Breda, maar werd beschouwd als een 'zelfstandige' heerlijkheid. Het beheer en bestuur vond los van Breda plaats. De band met Breda was alleen nog terug te vinden in de rechtspraak: op vonnissen binnen Steenbergen was beroep mogelijk op de hoofdbank in Breda en daarvandaan op de Raad van Brabant. (

      NDR inv.nr. 769.

      )

      De heerlijkheid werd wel aangeduid als baronie van Steenbergen. Deze benaming is waarschijnlijk een afgeleide van de baronie van Breda. Er zijn geen aanwijzingen dat Steenbergen op zich een baronie was. (

      Albert Delahaye, 'Stad en heerlijkheid', in: Steenbergen in de middeleeuwen (Steenbergen, 1972), p. 37.

      )

      Steenbergen is tot 1795 een heerlijkheid van Nassau en Oranje gebleven. Daarna werd de heerlijkheid genationaliseerd.

      Roosendaal en Nispen

      Roosendaal en Nispen maakten deel uit van de baronie van Breda. Na het uitsterven van de heren van Breda door de dood van Hendrik V van Breda en Schoten in 1287, kwam Roosendaal in het bezit van andere heren, die de heerlijkheid in leen hielden van de heren van Breda. De hoge jurisdictie bleef berusten bij de heer van Breda. In 1501 verkocht Klaas van Reimerswaal de heerlijkheid van Roosendaal en Nispen aan Engelbrecht van Nassau, waarmee Roosendaal weer met Breda werd verenigd. (

      T.E. van Goor, Beschryvinghe der stadt en lande van Breda ('s-Gravenhage, 1744), p. 383.

      )

      Nispen hoorde onder het rechtsgebied van Roosendaal. Een gedeelte van Nispen werd in 1387, samen met Groot- en Klein-Zundert, Sprundel en de helft van Princenhage door Johanna van Brabant in pandschap aan Jan van Polanen afgestaan voor een som van 1000 Franse gulden die Johanna aan Jan van Polanen schuldig was. (

      Van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek, VIII, p. 245.

      ) De abdij van Tongerloo had een groot gedeelte van de tienden in eigendom, alsmede het patronaatsrecht van de kerk. Dit laatste recht werd in 1648 door de prins van Oranje overgenomen.

      Grondgebied en benaming Steenbergen

      Steenbergen ligt ten westen van Breda, 'omtrent den utersten paal ons lants van Brabant' en wordt in het noorden begrensd door het Volkerak en de Vliet. (

      Albert Delahaye, 'Heerlijkheid en stad', in: Steenbergen in de middeleeuwen (Steenbergen, 1972), p. 45.

      ) Steenbergen is gesticht in de 13e eeuw. In de 14e en 15e eeuw stond Steenbergen bekend als handelsstad, voornamelijk als gevolg van handel met Engeland en Denemarken. Ook werd in Steenbergen in de Middeleeuwen zout gewonnen en turf gestoken.

      Van de heerlijkheid Steenbergen maakten deel uit de stad Steenbergen en land er omheen. De belangrijkste polders zijn: Cruysland, Oudland, Westland, Kromwiel, de Rubeen, Graaf Hendrikpolder en de Triangel. In de polder de Heen werd in 1614 een dorp gesticht. Aanvankelijk had het dorp een eigen schepenbank. Op verzoek van de magistraat van Steenbergen werd het dorp in 1619 geheel onder de jurisdictie van Steenbergen gebracht (

      Albert Delahaye, 'De polder van Steenbergen' in: Steenbergen in de Middeleeuwen (Steenbergen, 1972), pp. 265 e.v.

      )

      De stad Steenbergen was een omwalde vesting. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog is Steenbergen een aantal malen door de Spanjaarden veroverd en bezet geweest. Vanaf het begin van de Tachtigjarige Oorlog had Steenbergen geregeld een garnizoen te huisvesten. (

      Albert Delahaye, De vesting Steenbergen (Archivariaat 'Nassau-Brabant', 1975).

      )

      Roosendaal en Nispen

      De oudste kern van bewoning van Roosendaal en Nispen was het dorp Nispen, waarvan de naam 'Nispia' al in de 12de eeuw voorkomt. (

      B.H. Stolte, Oversicht van de geschiedenis van Roosendaal en Nispen (Roosendaal, 1965), pp. 3 e.v.

      ) Door een combinatie van factoren streefde Roosendaal Nispen voorbij. Na de verwoesting van Nispen door Maarten van Rossum in 1542 en een pestepidemie rond 1605, was Nispen een klein dorp en is dat sindsdien gebleven (

      J.T. Boekholt, Roosendaal en Nispen in verleden en heden (Amsterdam, 1924), pp. 42 e.v.

      )

      Roosendaal lag op een kruispunt van verbindingen tussen noord en zuid en oost en west. Daardoor kon Roosendaal zich ontwikkelen tot markt- en verzorgingscentrum voor het omringend platteland. Omdat Roosendaal niet was versterkt werd de stad gedurende de Tachtigjarige Oorlog meerdere keren door krijgsbenden overvallen. De stad had, mede als gevolg van oorlogshandelingen, ook enige keren te lijden van zware branden die een groot deel van de huizen wegvaagden.

      Roosendaal is nooit tot een echte stad uitgegroeid. De bevolking leefde nog lang in de oorspronkelijke dorpen Kalfsdonk, Langdonk en Hulsdonk.(

      B.H. Stolte, Overzicht van de geschiedenis van Roosendaal en Nispen Roosendaal 1965. p. 6

      )

      Rechten en bevoegdheden Steenbergen

      De heer van Steenbergen had de hoge en lage jurisdictie. Voorts bezat de heer vrijwel alle tienden, welke een belangrijke inkomstenbron vormde. Alle ambten werden door de heer begeven. Burgemeester en schepenen werden door de prins van Oranje benoemd uit een dubbelgetal.

      De prins van Oranje benoemde de volgende funktionarissen:

      • drossaard
      • dijkgraaf
      • schout
      • secretaris
      • stokhouder
      • rentmeester van de domeinen
      • rentmeester van de geestelijke goederen
      • ontvanger van de verpondingen
      • notarissen
      • postmeester
      • bode
      • vorsters
      • penningmeester van het Westkwartier
      • gezworenen van de polder van Westland
      • pennigmeester van de Graaf Hendrikspolder
      • gezworenen van deze polder
      • gezworenen van de Omcommenpolder
      • gezworenen van het Oude Land
      • voorzanger
      • Landsdokter
      • veerschipper op Breda
      • hoefsmid
      Roosendaal en Nispen

      In Roosendaal en Nispen had de heer de hoge, middelbare en lage justitie. In crimineele of 'lijfstraffelijke' was geen beroep mogelijk op een hoger rechtssprekend college, in civiele of 'burgelijke' zaken was beroep mogelijk op de Hoofdbank van Breda. (

      Tegenwoordige staat der Nederlanden II, p. 228.

      )

      Voorts benoemde de heer de volgende funktionarissen:

      • schout secretaris
      • stokhouder
      • rentmeester
      • rentmeester van de geestelijke goederen
      • ontvanger
      • notaris
      • koster in Roosendaal
      • schoolmeester in Rossendaal
      • bijschoolhouder in Roosendaal
      • Franse schoolmeester in Roosendaal
      • voorlezer van Roosendaal
      • koster in Nispen
      • schoolmeester in Nispen
      • voorlezer in Nispen
      • voster
      • postmeester
      • organist
      • vroedvrouw (

        NDR inv.nr. 685, folio 103 e.v.

        )

      Onder de jurisdictie van Roosendaal vielen nog twee achterlenen van het Huis van Breda, te weten Langdonk en Borteldonk die hun bijzondere leenhoven hadden.

      Roosendaal genoot de vrijdom van accijns, had een weekmarkt, was vrij van hofdiensten, die de andere dorpen presteren moesten. Deze en andere voorrechten waren aan Roosendaal door prins Willem I geconfirmeerd. In 1561 kreeg Roosendaal het recht om een belasting te leggen op alle vreemde bieren.

      Beheer

      Steenbergen werd tesamen met Roosendaal en Nispen beheerd door één rentmeester. De namen van de rentmeesters zijn bekend vanaf 1634. De rentmeesters beheerden zowel de domeinen als de geestelijke goederen van Steenbergen, Roosendaal en Nispen.

      In de periode tussen 1659 en 1680 lijken er twee rentmeesters op te treden. De rekeningen over de domeinen werden ingediend door Isaac Noirot, de rekeningen over de geestelijke goederen door Daniël Noirot. De rekening van de geestelijke goederen over 1680 wordt ingediend door Isaac Noirot. Volgens de 'ambtboeken' trad tussen 1659-1680 Daniël Noirot op als rentmeester van zowel de domeinen als de geestelijke goederen.

      Rentmeesters van de domeinen van Steenbergen, Roosendaal en Nispen, tevens rentmeesters van de geestelijke goederen in dezelfde heerlijkheden

      Daniël Noirot, [1637]-1646
      Isaac Noirot, 1647-(1659)-1680
      Daniël Noirot, 1659-1680
      Adriaan Backx, 1680-1725
      Carel van Naerssen, 1725-1740
      Abraham Kips, 1741-1746
      Frederik Kips, 1747 (provisioneel) (

      Van hem zijn er geen rekeningen

      )
      Stephanus de Weerd, 1752-1761
      Emmericus de Weerd, 1763-1801
      Emmericus Carel de Weerd, 1802-1810. (

      NDR inv.nr. 686, folio 719 e.v.

      )
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit hoofdstuk zijn de stukken van de Domeinraad betreffende Steenbergen, Roosendaal en Nispen beschreven. In de inventaris van drS.W.A. Drossaers staan de stukken betreffende deze domeinen van voor 1581 beschreven onder de rubriek Het land van Breda en Steenbergen.

      Verwante Archieven

      Stukken betreffende Roosendaal en Nispen bevinden zich ook in:

      • Collectie Nassause Domeinen 1548-1810

      • Administratief archief der gemeente tot 1811
      • Oud-rechterlijk archief tot 1811

      Stukken betreffende Steenbergen bevinden zich o.m. in:

      • Collectie Nassause Domeinen 1548-1810

      • Gemeentearchief Steenbergen tot 1810
      • Archieven van diverse polders tot 1810

      • Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom
    • De heerlijkheid Wernhout werd op 21 maart 1698 aangekocht door Willem III van Cornelis van Aerssen, heer van Wernhout en Boekelo, drossaard van het land van Dalhem en Hertogenrade in het land van Overmaas. (

      NDR inv.nr. 685, folio 139, met een verwijzing naar RsPr.f.31; Cornelis van Aerssen, zoon van Cornelis van Aerssen en Johanna Cats, trouwde Elisabeth Havius. Overleed ca. 1700. In het archief van de familie Van Aerssen van Voshol zijn van hem geen stukken aanwezig. Ook stukken betreffende Wemhout zijn in dit archief niet aanwezig.

      ) De verkoopsom bedroeg 16.250 gulden en de koop werd gesloten op voorwaarde dat Cornelis van Aerssen zich de rest van zijn leven nog heer van Wernhout zou mogen noemen en dat Robertus Lemkens, schout, secretaris, stadhouder alsmede griffier en stadhouder van de lenen, ook de rest van zijn leven deze functies zou mogen behouden, hetgeen geschiedde. (

      NDR inv.nr. 12951.

      )

      De grenzen van deze heerlijkheid waren verre van duidelijk. (

      A Delahaye, 'De drie heerlijkheden van Zundert' in: Publicaties van het archivariaat ''Nassau-Brabant', Deel 9, p. 53.

      ) Wernhout werd omsloten door de heerlijkheid Zundert in de baronie van Breda, maar er lagen ook Wernhoutse goederen in het gebied van de heerlijkheid Zundert. De heerlijkheid Wernhout behield ook na de aankoop in 1698 een min of meer aparte status.

      De heerlijkheid bezat de hoge, midden en lage jurisdictie. Er was een aparte schepenbank, bestaande uit een schout en zeven schepenen, bevoegd tot het berechten van halsmisdrijven. De rechtbank bleef tot 1810 bestaan. Naast de hoge jurisdictie bezat de heer het recht van malerij, molen-, jacht-, visserij- en vogelarijrecht. Inkomsten waren er bovendien uit de cijnzen en achterlenen, en de rechten op het verkopen van goederen.

      Het 'administratief bestuur van Wernhout en Zundert vormde wel een eenheid: 'Schouten, schepenen, mannen van leen en kwartiermeesters van Groot en Klein Zundert, Wernhout en de omliggende kwartieren, representerend het corpus en de hele gemeente van Zundert'. Deze samenwerking betrof alleen zaken als verpondingen en armenlasten. (

      NDR inv.nr. 769, folio 1895; Delahaye, 'De drie heerlijkheden', p. 57.

      ) Sinds 1811 vormen Zundert en Wernhout één gemeente. De heer stelde aan: (

      Gegevens ontleend aan NDR inv.nr. 685 folio 139-140.

      )

      • schout
      • stadhouder en griffier van de lenen
      • secretaris
      • stokhouder
      • rentmeester
      • vorster

      Het schoutambt, het stadhouderschap en het rentmeesterschap werden overigens vanaf 1699 telkens gelijktijdig uitgeoefend. Bovendien was de persoon in kwestie vanaf 1713 ook schout van Rijsbergen. Ook de functies van secretaris en stokhouder werden vanaf 1713 gelijktijdig vervuld door één persoon die tevens secretaris en stokhouder van Rijsbergen was.

      De achtereenvolgende rentmeesters waren: (

      Gegevens ontleend aan NDR inv.nr. 685, folio 140 en NDR inv.nrs. 12953-12969 (rekeningen van de rentmeesters).

      )

      1699-1752 Robertus Lemkens (tijdens de minderjarigheid van zijn zoon werd Hendrik Lemkens geacht het ambt waar te nemen;
      1750-1752 Zacharias Zijlman, executeur van het testament van Lemkens) (

      Opmerkelijk is dat op 12 mei 1699 de minderjarige Robertus Lemkens benoemd werd in alle funkties, behalve die van vorster. Zo was hij schout, stadhouder en griffier van de lenen van 1699-1752 en secretaris en stokhouder van 1699-1713.

      )
      1752-1783 Johannes van Vechelen (1780-1783 Catharina Anemaet, zijn weduwe)
      1784-1786 Gijsbertus Cornelis van Doorn
      1787-1803 Frederik Raijmond Robert van de Wall
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      Zowel in de oude 'Folio'-inventaris als in de oude 'Hingman'-inventaris werden de stukken betreffende Wernhout geplaatst in of na de rubriek Oosterhout, Dongen en Ter Brake. De reden hiervoor was waarschijnlijk de vrij zelfstandige positie die de heerlijkheid Wernhout in het land van Breda innam. Voor de onderzoeker is het echter van belang de verwevenheid van de heerlijkheid Wernhout met die van Zundert en de baronie van Breda te onderkennen. Met name in deel 7.111 (BREDA) bevinden zich enkele belangrijke stukken betreffende Wernhout: NDR inv.nrs. 7961 (Register met stukken betreffende cijnzen en renten onder Zundert en Wernhout) en 8073 (Register met stukken betreffende Wernhout).

      Het deelarchief bevat geen retroacta. Mogelijk bleven deze stukken in handen van de (nazaten van) Van Aerssen. Tussen de verzameling stukken, afkomstig van de familie Van Aerssen van Voshol en het supplement daarop, berustend bij het Algemeen Rijksarchief, bevinden zich geen stukken met betrekking tot Wernhout. (

      Theo Thomassen gaat in zijn inleiding op het supplement Van Aerssea uitvoerig in op de omzwervingen die de archiefstukken hebben gemaakt. Theo Thomassen, lnvenlaris van het archief Van Aerssen Supplement (Den Haag, 1984) Typescript.

      )

      Het Rijksarchief Noord-Brabant beheert het archief van de schepenbank van Wernhout (1541-1808) en het archief van de Gequalificeerde van Zundert en Wernhout (1805-1811).

      Het Streekarchief Nassau-Brabant (bewaarplaats Zundert) beheert het gemeente-archief van Zundert (1402-1810).

      Bijlage

      Inhoudsopgave van de rekening over het jaar 1720 (

      NDR inv.nr. 12954.

      )

      Index van de Respective Capittelen

      • 1 Capl. het regt van den heer
      • 2 Capl. ontfangh vande chijnsen
      • 3 Capl. ontfangh vande leenregte
      • 4 Capl. ontfangh vande renten
      • 5 Capl. ontfangh vande moole
      • 6 Capl. ontfangh vande visscherijen
      generaelen uijtgaeff

      • jegens den ontfangh
    • Tot 1615 maakte Willemstad, gelegen in de polder Ruigenhil, deel uit van het markiezaat van Bergen op Zoom.

      In 1582 (

      Volgens Scherft, Het sterfhuis in 1583.

      ) werd Willem van Oranje beleend met het Markiezaat van Bergen op Zoom, als schadeloosstelling voor de offers die hij had gebracht tijdens de opstand tegen Philips II van Spanje. Kort daarvoor was Jan van Wittem, markies van Bergen op Zoom, vanwege zijn Spaansgezinde houding door de Staten-Generaal van zijn bezit vervallen verklaard. Tot het gebied van het markiezaat hoorde ook Ruigenhil. Deze polder lag met de plaatsen Klundert en Fijnaart en het later ingepolderde Heijningen op een eiland in de noordwestelijke hoek van Brabant. Dit eiland werd 'het Eiland van Klundert' genoemd, later ook van 'de Ruigenhil' of van 'Willemstad'. De grens tussen Holland en Brabant liep dwars over het eiland. Het Hollandse gedeelte met Klundert (of Niervaart) behoorde aan de Nassaus, het Brabantse gedeelte, met Fijnaart, Ruigenhil (het latere Willemstad) en Heijningen, behoorde tot het Markiezaat van Bergen op Zoom. (

      C.A.I.L. van Nispen, De vesting Willemstad. Deel I. Willemstad in de Tachtigjarige Oorlog (Archivariaat 'Nassau-Brabant', 1983), p. 5-6. H Goulooze, De archieven van Willemstad. Deel I. Het oud-Archief' van de gemeente, 1558-1810 (Willemstad, 1978), p 4-5.

      )
      Als gevolg van het Twaalfjarig Bestand ging het vervallen verklaarde bezit van het Markiezaat van Bergen op Zoom in 1609 weer terug naar de 'oude' eigenaren. Op basis van artikel XIX van het bestand maakt Maurits aanspraak op Willemstad, zoals de vesting op Ruigenhil toen genoemd werd. In het artikel werd bepaald dat degene die een plaats had versterkt, of publieke werken had doen uitvoeren, het betreffende gebied niet hoefde terug te geven. Wel diende de wettige eigenaren een schadeloosstelling te ontvangen. Maurits deed met succes een beroep op dit artikel. In 1611 wees de Raad van Brabant hem Willemstad en de jurisdictie over de hele polder de Ruigenhil toe. Wel hielden de markiezen enige goederen en alle tienden in hun bezit. In 1615 tenslotte sloot Maurits met de wettige eigenaar -toen de voogden van Maria Elisabeth van den Bergh, markiezin van Bergen op Zoom- een overeenkomst over de schadeloosstelling voor Willemstad. Van toen af aan was Willemstad een afzonderlijke heerlijkheid en noemden Maurits en zijn opvolgers zich Heer van Willemstad. (

      Van Nispen, De vesting Willemstad, pp. 61-62

      )
      Na afloop van het Twaalfjarig Bestand verkreeg de prins van Oranje weer gezag in een groot deel van het markiezaat, waaronder Fijnaart met de polders Heijningen, Schuddebeurs, Appelaar en Juffrouwenpolder. Bij de vrede van Munster herkreeg de toenmalige markiezin Maria Elisabeth II het gehele gezag over het markiezaat, behalve dus Willemstad en Ruigenhil. (

      W.A. van Ham, Inventaris van de archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom, pp. 10-11, 20.

      )

      In 1795 gaf de toenmalige gouverneur van Willemstad, baron van Boetzelaer, de stad over aan de Fransen. Het bestuur werd door de municipaliteit overgenomen. Het domein werd genationaliseerd.

      Grondgebied en benaming

      Het gebied Ruigenhil werd in 1564 ingepolderd.

      Vanaf ongeveer 1572 was Ruigenhil het toneel van oorlogshandelingen tussen de Spaanse troepen enerzijds en de Geuzen en Staatse troepen anderzijds.

      Nadat Willem van Oranje met het markiezaat van Bergen op Zoom was beleend in 1582 werd het dorp Ruigenhil versterkt. De plaats lag strategisch aan het Hollands Diep: toegang tot de grote waterwegen van de Republiek. Het dorp Ruigenhil werd al tijdens het leven van Willem I van Oranje Willemstad genoemd. Prins Maurits bevestigde deze naam bij het verlenen van stadsrechten aan het dorp Ruigenhil in 1586: voortaan zou er alleen sprake zijn van Willemstad. (

      Goulooze, De archieven, p. 5.

      )

      Maurits voltooide, na de dood van zijn vader, de versterking van de stad. Sindsdien was Willemstad een vestings- en garnizoensstad. De stad had zeven bolwerken. Tot de jurisdictie van de stad behoorde de polder Ruigenhil.

      Rechten en bevoegdheden

      De prins van Oranje bezat in Willemstad de hoge, middelbare en lage jurisdictie. Er was appèl mogelijk op vonnissen van de heer van Willemstad bij de Raad van Brabant. Verder had de prins alle 'seigneuriale' (heerlijke) rechten zoals keuren, boeten, breuken, accijnzen, bodemgeld, bierboom (soort accijns op bier), afslag van de vis, venduen, sterfhuizen, grondcijnsen, wind- en rosmolen, collatie van de kerkdienaren, recht van jacht, van vogelarij, visserij, erfpacht van dijkettingen, van de nakoop van aanwas, recht van bede, van zeedrift.

      Als heer van Willemstad hadden de prinsen van Oranje ook het genot van de verpondingen, de inkomsten van de gemene middelen en alle andere lasten, die door de Raad van State in andere steden van de Generaliteit werd geheven. Dit genot hadden zij ook in Fijnaart en bijbehorende polders, in ruil waarvoor de Oranjes de veiligheid van het gebied dienden te verzekeren. Uit de gemene inkomsten diende het onderhoud van de vestingwerken betaald te worden. Na de dood van Willem III ontstond er een geschil tussen het huis van Oranje en de Raad van State. De Raad van State poogde het recht op de gemene middelen aan zich te trekken, hetgeen niet lukte. (

      Tegenwoordige Staat, II, pp. 301 e.v.

      ) De rentmeester, tevens ontvanger van de gemene middelen, inde de verpondingen en de gemene lasten.

      De Staten-Generaal benoemden de gouverneur van de vesting Willemstad. De prinsen van Oranje hadden als stadhouder, én als heer van Willemstad, grote invloed op de benoeming. De gouverneurs waren vrijwel allen afkomstig uit de naaste omgeving van de prins. Tot het gouvernement van Willemstad hoorde tevens Klundert en Noordam. De gouverneur was de hoogste militaire autoriteit van de vesting. Tussen hem en de magistraat van de stad ontstonden geschillen over de bevoegdheden, met name op het gebied van het sluiten van de poorten en jurisdictie. Bij afwezigheid van de gouverneur was de groot-majoor de hoogste autoriteit. (

      C.A.I.L. van Nispen, De gouverneurs van Willemstad (1583-1795). eerste deel (Archivariaat 'Nassau-Brabant', 1978), pp. 4 e.v.

      ) De ingezetenen van Willemstad en Fijnaart betaalden serviesgeld, een recognitie aan de gouverneur vanwege de beveiliging tegen vijandelijke invallen en plundering door soldaten; ook Staatse!

      De magistraat werd benoemd door de prins van Oranje. Het stadsbestuur bestond uit twee burgemeesters, waarvan de een binnen de bank en de ander buiten de bank. De burgemeester binnen de bank was voorzitter van het gerecht, van de schepenbank; de buitenburgemeester nam het voorzitterschap van de magistraat waar als de schout niet aanwezig was: hij bekleedde dus de eerste plaats na de schout. Daarnaast was er nog een tresorier, belast met de inning van de stadsinkomsten en het doen van de uitgaven. Voorts benoemde de prins de weesmeesters. (

      Tegenwoordige Staat, II, p. 315.

      )

      De visserij was verdeeld in een binnendijkse visserij die in percelen werd verpacht en de buitenlandse buitendijkse visserij die in steken, zalmen staalsteken, werd verpacht. (

      NDR inv.nr. 769, folio 1806-1807.

      )

      De molen was een dwang of banmolen voor het hele gebied. Dat betekende dat de ingezetenen verplicht hun graan bij de molen van de heer moesten laten malen.

      De heer had het benoemingsrecht van de volgende functionarissen: (

      NDR inv.nr. 687, folio 829 e.v.

      )

      • Schout
      • Dijkgraaf
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Rentmeester
      • Ontvanger van de algemene middelen
      • Opzichter
      • Kerkmeester
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Deurwaarder en comptoirbode van de ontvanger en rentmeester
      • Gerechtsbode
      • Voster (boswachter)
      • Majoor van de burgerij
      • Kwartiermeester
      • Opzichter van de poorten, corps de guardes en wachthuizen
      • Oppasser van de collecteur van de algemene middelen
      • Postmeester
      • Arts
      • Stadschirurgijn
      • Majoor of wagenmeester van de Blaak
      • Penningmeester van de Ruigenhil
      • Gezworene van de Ruigenhil
      • Sluiswachter van de Ruigenhil
      • Notaris
      • Sluiswachter van de sluizen Westbeer en van de Oost- en Westhouwerdam
      • Constapel
      • Timmerman
      • Metselaar
      • Smid
      • Schilder
      • Glazenmaker
      • Commissaris van de loodsen op Dordrecht
      • Loods
      • Commissaris van de voerlieden
      • Voerman
      • Marktschipper op Dordrecht en Rotterdam
      • Beurtschipper op Dordrecht
      • Tafelhouder van de Bank van Lening
      • Kapitein van de burgerij
      • Luitenant van de burgerij
      • Vaandrig van de burgerij
      • Gezworene van de Juffrouwenpolder
      • Gezworene van de Heijningenpolder
      • Vorster van de Heijningen
      • Gezworene van de Oude Appelaar
      • Marktschipper op St. Gillis en Hulsterambacht
      • Sergeant-majoor
      • Vroedvrouw
      • Secretaris van de Heijningen
      • Stokhouder
      • Opzichter van de fortificatiewerken
      Beheer

      Willemstad werd beheerd door een rentmeester, die tevens ontvanger van de verpondingen en gemene middelen in Willemstad en Fijnaart was.

      Als gevolg van het tijdelijke bezit van (delen van) het markiezaat van Bergen op Zoom in 1621-1648, stelde de prins van Oranje gedurende die periode ook rentmeesters aan in Fijnaart en bijbehorende polders. In die periode werd blijkens de rekeningen de polder Ruigenhil ook door de rentmeester van Fijnaart beheerd.

      De rentmeesters waren: (

      Ontleend aan het Ambtboek, NDR inv.nr. 687, en de rekeningen. Het Ambtboek vermeldt niet alle in functie geweest zijnde rentmeesters.

      )

      Frederik van der Heijden, 1600-1608;
      Joost van den Heuvel, 1606-1614;
      Andries Vos, 1615-1618,
      Adriaan Hoevenaer, 1619-1646;
      Dirck van Baersenburch, 1647-1661;
      Jan van Baersenburch; 1662-1669;
      Samuel de Lannoij, 1670-1675,
      Gabriël de Lannoij, 1676-1695,
      Johan van Baarsenburg, 1699 (

      (waarschijnli]k niet daadwerkelijk in functie geweest);

      )
      Lodewijk Orisandt, substituut-rentmeester voor Constant de Rebecque, 1700-1717;
      Pontiaan van Twist, 1721-1733;
      Albertus van Twist, 1734,
      Samuel de Back, 1734-1750;
      Martinus Jacobus Sprangers, waarnemend renrmeester voor zijn zoon Jacobus, 1751-1763;
      Jacobus Sprangers, 1764-1794;
      Willem Gerard van der Grijp, 1798-1811.
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit deel van het archief zitten stukken betreffende de bouw van de fortificaties van Willemstad, met daarbij enige bouwtekeningen. Ook zijn er veel stukken over de heffing van de gemene middelen. Het is aan te raden bij onderzoek naar de fortificaties van Willemstad tevens de stukken betreffende de gemene middelen te betrekken. Omdat uit opbrengst van de gemene middelen de fortificaties betaald dienden te worden, bevatten ook deze stukken gegevens over de bouw van de fortificaties, met name de kosten van de bouw.

      Verwante Archieven

      Stukken betreffende Willemstad tijdens het Ancièn Regime zijn eveneens te vinden in:

      • Archief van de Raad van State, 1581-1795; met name betreffende militaire zaken;

      • gemeentearchief van Willemstad, 1562-1810;

      • archief van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom.

      Ook in het rijksarchief in Noord-Brabant berusten in diverse archiefbestanden stukken betreffende Willemstad (rechterlijke en notariële archieven).

      In de Kaartencollectie Hingman bevinden zich meerdere kaarten van Willemstad en omgeving. De kaarten zijn te vinden onder inv.nrs. 1715, 1720, 1721, 1723-1724, 1729-1731, 1804-1806, 1808, 4096-4097, 4331, 4627, 4788 en 5440. Enkele van die kaarten zijn waarschijnlijk in opdracht van de prins van Oranje of de Domeinraad gemaakt.

      Bijlage Inhoudsopgave rekening wegens Willemstad

      (

      NDR inv.nr. 13056, rekening over 1616.

      )

      Ontfanck

      • Capittel van de erffchijnsen bynnen der Stede Willemstadt
      • Capittel van erffchijnsen s'landts vanden Ruygenhil
      • Capittel vanden molenpacht bynnen der stede Willemstadt het weylandeken achter de huysinge vanden constapel der wijn ende bier acchijns van Willemstadt. Bierboom het veer op de Plaet ende den affslagen vanden vissche.
      • Capittel over den pacht van den bynnen barn vande wal bynnen der stede Willemstadt.
      • Capittel vanden landpacht vanden landen gelegen inden lande vanden Ruygenhil
      • Capittel vanden bodempgelt over den lande vanden Ruygenhil bynnenlantsche visscherijen inden voors. lande vanden Ruygenhil ende andere buytenlantsche visscherijen beginnende vanden vlacken hoeck ende streckende ter halver tonnen.
      • Capittel van de jaerlijcxse recognitie vanden rosmolen bynnen Willemstadt diendende tot gerieff vanden brouwerije.
      • Capittel vanden vercochte materyalen.
      • Capittel extraordinaris
      Uuytgave

      • Capittel belangende de gagien
      • Capittel van de dijckgeschoten ende honderste penn.
      • Capittel extraordinaris onder de voorgaende capittelen nyet gehoorende.
      Inhoudsopgave van de rekeningen van de gemene middelen

      (

      NDR inv.nr. 13326, rekening over 1669/70.

      )

      Ontfanck

      ICappittel vande impposten innegegaen den 1 april 1669
      IICappittel imposten innegegaen den 1 October 1669
      IIICappittel vande extraordinaris lasten ende consenten ommegeslaegen van verpondingen over Willemstadt met de appendentien ende dependentien vandien.
      4Cappittel vanden dijck ende gerettingen van Maltha ende de thienden vanden Ruijgenhil, Fijnaerdt, etc.
      VCappittel vande vercoghte materialen
      VICappittel gemengder ontfanck
      VIICappittel van genegocieerde penningen
      VIIICappittel extraordinaris ontfanck
      Uijtgaeve

      ICappittel van tractementen vande officieren van oorloog.
      IICappittel vanden dienaer des goddelijken woorts, rendant, doctoor ende den contrerolleur.
      IIICappittel van turff en kaersen
      IVCappittel vande ammunitie van oorlooge
      VCappittel vande serviciegelden
      VICappittel vande onderhoudinge vanden Westhouwerdam
      7Cappittel vanden onderhoudinge vanden Oosthouwerdam
      VIIICappittel reparatien vande speuije buijten de waeterpoordt ende de selve poort.
      9Cappittel reparatien vande houte ende steene beeren buijten de waterpoort.
      XCappittel reparatien vande brugge buijten de lantpoort
      XICappittel reparatien vant oossdt bollewerck
      12Cappittel reparatien vant noortoost bolwerck
      13Cappittel reparatien aent bolwerck aende west sijde metten steenen beer bewesten.
      14Capittel reparatien ende oncosten aende borstweeringe rontsomme Willemstadt.
      15Capittel reparatien ende oncosten gedaen aende doornhaege staende rontsomme de walle der stede Willemstadt.
      16Cappittel reparatien vande fortificatie sijnde van geen een natuijr.
      17Cappittel reparatien van Sijne Hoogheijts huijsinge binnen Willemstadt.
      18Capittel van genegocieerde penningen.
  • openDEEL 13 AANHANGSEL

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in