gahetNA in het Nationaal Archief

Nassause Domeinraad vanaf 1581

1.08.11
Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.11
Auteur: Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
(c)

Periode:

1218-1842
merendeel 1581-1811

Omvang:

488,25 meter; 16861 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Latijn , Frans en het Duits

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten. Kennis van het 13e t/m 18e eeuwse handschrift is noodzakelijk: de Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Nassause Domeinraad was het bestuurscollege dat het beheer over de domeinen van de familie Oranje-Nassau uitoefende. Deze landgoederen strekten zich uit over het gehele territorium van de Republiek, maar lagen overwegend in Holland, Zeeland, (Noord-)Brabant en Gelderland. Ook in Duitsland, Luxemburg en Frankrijk (vnl. het prinsdom Orange) had men bezittingen. Oorspronkelijk was de domeinraad gevestigd te Breda en later vanaf eind zestiende, begin zeventiende eeuw te Den Haag aan het Binnenhof. De Raad- en Rekenkamer, zoals zij ook wel werd genoemd, telde vijf tot zeven leden met daarnaast een griffier of secretaris als belangrijkste ambtenaar.
Het beheer van de goederen vergde een uitgebreide verantwoording door tal van rentmeesters die ter plekke waren belast met o.a. het toezicht op heerlijke rechten, als bijvoorbeeld het recht op de wind of op de visvangst. Al deze rechten en bevoegdheden leverden bij elkaar aanzienlijke inkomsten op ter bekostiging van de hofhouding (paleizen, kunstcollectie e.d.). Voor het verdere beheer was in elk domein tevens een grote hoeveelheid functionarissen aangesteld variërend van hoveniers tot predikanten. Dit gold eveneens het terrein van bestuur en rechtspraak met de aanstelling van schout en schepenen.
Het archief bevat de notulen van de domeinraad; thesauriersrekeningen (m.b.t. de uitgaven) en het ambtboek met gegevens over aanstellingen in elk domein. Verder zijn er per domein reeksen rentmeestersrekeningen, gebundelde correspondentie over tal van onderwerpen van bestuurlijk-juridische aard en losse stukken (meestal met een financiële inslag). Op een aantal series bestaan zowel eigentijdse als latere nadere toegangen.

Archiefvormers:

  • Aalst, heer van
  • Acquoy, Heer van
  • Agentschap van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Ameland, Heer van
  • Antwerpen, Burggraaf van
  • Baarle-Nassau, Heer van
  • Baarn, Heer van
  • Bentheim, Heer van
  • Bergen op Zoom, Heer van
  • Borculo, Heer van
  • Borsele, Heer van
  • Bourgogne, Heer van
  • Boxmeer, Heer van
  • Bracque, Heer van De
  • Breda, Heer van
  • Bredevoord, Heer van
  • Brussel, Paleis te
  • Buren, Graaf van
  • Bütgenbach, Heer van
  • College van Administratie der Goederen in Holland gelegen van de Prins van Oranje
  • College van Administratie over de door de Fransen geabandonneerde Goederen van de Vorst van Nassau
  • Cortenbach, Heer van
  • Cortgene, Heer van
  • Cranendonk en Eindhoven, Baron van
  • Culemborg, Heer van
  • Dasburg, Heer van
  • Dieren, Heer van
  • Diest, Heer van
  • Directie der Publieke Domeinen en Geestelijke Goederen
  • Directie der Staatsdomeinen in Holland
  • Dongen, Heer van
  • Eemnes, Heer van
  • Friesland, Heer van
  • Geertruidenberg, Heer van
  • Geertruidenberg, Kastelein van
  • Gorzen Orizand, Heer van
  • Grave en Cuijk, Heer van
  • Gravenhage, 's, Oude Hof in het Noordeinde
  • Gravenhage,'s, Huis Den Bosch
  • Grimbergen, Heer van
  • Het Loo, Heer van
  • Hohenlohe, Van
  • Holede, Heer van
  • Hulsterambacht, Heer van
  • IJsselstein, Heer van
  • Intendant van de Nassause Domeinen in de Zuidelijke Nederlanden
  • Kruidberg, Hofstede de
  • Lannoy, Heer van
  • Leerdam, Graaf van
  • Lek, Heer van de
  • Lekkerkerk, Heer van
  • Lichtenvoorde, Heer van
  • Liesveld, Heer van
  • Lingen, Heer van
  • Meerhout, Heer van
  • Meurs, Graaf van
  • Ministerie van Financiën, Administratie der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Monster, Heer van
  • Monsterambacht, Heer van
  • Montfort, Heer van
  • Naaldwijk, Heer van
  • Nassau, Van
  • Nassause Domeinraad
  • Nassause Domeinraad, Ontvanger-Generaal
  • Nassause Domeinraad, Thesaurier en Rentmeester-Generaal der Domeinen
  • Nederheim, Heer van
  • Neerem, Heer van
  • Niervaart, Heer van
  • Nieuwburg, Huis ter
  • Nispen, Heer van
  • Noord-Beveland, Heer van
  • Oosterhout, Heer van
  • Oploo, Heer van
  • Orange, Prince d'
  • Orange, Prins van
  • Oranje, Van
  • Oranje-Nassau, Van
  • Paifve, Heer van
  • Peen, Heer van
  • Polanen, Heer van
  • Princeland, Heer van
  • Prinsenland, Heer van
  • Raad en Rekenkamer
  • Ravestein, Heer van
  • Rollencourt, Heer van
  • Roosendaal, Heer van
  • Russon, Heer van
  • Rutten, Heer van
  • Scherpenisse, Heer van
  • Secretariaat van Staat voor de Financiën, Secretarie de Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Sichem, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Kapittel van Sint Maarten
  • Soest, Heer van
  • Soestdijk, Heer van
  • St. Vith, Heer van
  • Stadhouders van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel
  • Steenbergen, Heer van
  • Steenwijk, Heer van
  • Ter Eem, Heer van
  • Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Tholen, Heer van
  • Veere, Markies van
  • Vianden, Graaf van
  • Vlissingen, Heer van
  • Vorst, Heer van
  • Vriesland, Heer van
  • Wernhout, Heer van
  • Westcappel, Heer van
  • Westland, Heer van
  • Willemstad, Heer van
  • Zelhem, Heer van
  • Zevenbergen, Heer van
  • Zichem, Heer van
  • Zuid-Beveland, Heer van
  • Zwaluwe, Heer van

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • Verwerving

      (

      De meeste gegevens zijn gebaseerd op de 'Registers van aantekeningen (... )', NDR inv. nrs. 764-769.

      )

      Het domein Geertruidenberg

      Willem van Duvenvoorde (de bastaardzoon van Arend van Duvenvoorde) kreeg in 1323 van Willem III graaf van Holland, het schoutambt van Geertruidenberg. (

      W.H. Lenselink, 'Een derde Hollands burggraafschap? Het kastelein- en schoutschap van Geertruidenberg' in Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom' XXVIII (1975) pp 39-55. Drossaers I, I, p 98 en inv. nr. 606. Overigens worden er verschillende jaartallen genoemd. Alleen deze wordt door een akte gestaafd.

      ) Toen deze Willem van Duvenvoorde in 1353 stierf liet ook hij slechts een bastaardzoon, Willem geheten, na. Deze liet het merendeel van zijn goederen na aan zijn neef Jan van Polanen, nadat zijn andere neef, Arend van Duvenvoorde, hem niet gunde de volle wapenen van Duvenvoorde zonder bastaardteken te voeren in ruil voor de nalatenschap. Toen Engelbrecht van Nassau in 1404 trouwde met de erfdochter Johanna van Polanen kwam hiermee het schoutambt van Geertruidenberg in handen van de Nassaus.

      Op 12 oktober 1558 gaf Philips II, als graaf van Holland, de hoge heerlijkheid van Geertruidenberg, Standhazen en Drimmelen in pandschap aan Willem van Oranje. Na de dood van Willem van Oranje volgde een langdurige strijd om zijn nalatenschap. In 1609 kwam men tot een definitieve regeling. De heerlijkheid Geertruidenberg werd samen met andere heerlijkheden als Hooge en Lage Zwaluwe, toegewezen aan Frederik Hendrik.

      In 1668 overwogen de Staten van Holland de inlossing van de verpanding (6 à 7000 gulden) zodat de (hoge) heerlijkheid aan de staat zou komen. De Staten van Holland begonnen alvast met de aflossing ook al maakte de prinses-douarière, die de belangen van de nog jonge Willem III behartigde, hiertegen bezwaar. In dezelfde tijd ontstond ook een conflict over het recht van Willem III op 'zekere geestelijke goederen' onder Geertruidenberg. Ten gevolge van het aflossen van het pandschap zou het recht van Willem III op de geestelijke goederen vervallen zijn. De Hoge Raad deed een voorlopige uitspraak in het geschil en bepaalde dat de geestelijke goederen, patronaatsrecht en wind- en molenrecht aan de prinses-douarière toekwamen. De Staten van Holland werden bevestigd in het recht op het hoge en lage rechtsgebied in Geertruidenberg. Holland maakte met name bezwaar tegen het patronaatsrecht. Bij akte van 28 oktober 1672 werd bepaald dat Willem III al zijn rechten aan Holland zou afstaan en Holland de heerlijkheid in erfleen aan Wtllem III zou uitgeven (tegen betaling van 20.000 gulden van Willem aan Holland). Hiermee werd Willem in het volle bezit van de heerlijkheid Geertruidenberg hersteld. Hieronder vielen ook (de met onaanzienlrjke inkomsten op) de visserijen in de Zuidhollandse Waard. (

      NDR inv. nr. 765, folio 548 en inv. nr. 4303 (in deze rekening treft men een beschrijving aan van de rechten verbonden aan de heerlijkheid). Een verslag van het gebeurde 'wegens het accoort ende transactie (... ) op 28 oktober 1672' door Van Beaumont in: NDR inv. nr. 4035.

      )

      Pas in 1795 werden deze bezittingen vervreemd bij het z.g. Haags Verdrag werd de heerlijkheid door de Fransen afgestaan aan de Bataafse Republiek.

      De geestelijke goederen

      Voor de reformatie stonden er twee kloosters op het grondgebied van Geertruidenberg. Het kartuizerklooster genaamd het Hollandse Huis, werd in 1335 door Willem van Duvenvoorde gesticht, buiten de muren van Geertruidenberg, in het grensgebied tussen Holland en Brabant. In 1573, toen de geuzen Geertruidenberg naderden, zochten de kartuizers hun toevlucht binnen de muren van Geertruidenberg. Later vluchtten zij naar Breda en vandaar verder naar Lier. Slechts een korte periode waren de goederen van het klooster eigendom van de prins van Oranje, als heer van Geertruidenberg van 1573 tot 1582. De stenen van het Hollandse Huis werden gebruikt voor de bouw van het Prinsenhof. Bij resoluoe van 27 juni 1582 eisten de Staten van Holland de goederen van het kartuizerklooster op. Het merendeel van de goederen werd ook daadwerkelijk bij de domeinen van de Staten van Holland gevoegd. (

      J.G.M. Sanders, Inventaris van het archief van het kartuizerklooster 'Het Hollandse Huis' bij Geertruidenberg (1266) 1336-1573 (1593) ('s Hertogenbosch, 1984) en Waterland als woestijn. Geschiedenis van het kartuizerklooster 'Het Hollandse Huis bij Geertruidenberg 1336-1595 (Hilversum, 1990).

      )

      Het convent van Tertiarissen van St. Franciscus genaamd St. Catharinadal stond in de Koestraat, binnen de muren van de stad. Al vóór 1421 was dit klooster in Geertruidenberg gevestigd. (

      NDR inv. nr. 4062, Drossaers I, inv. nr. 670, P. Dalm van Heel, O.F.M. , 'Het klooster van de zusters der 3e orde van het St. Franciscus, genaamd St. Catharinendal te Geertruidenberg' in: Taxandria jrg 44, pp. 217-230.

      )

      Bovendien bezat Geertruidenberg een kapittelkerk, de St. Geertrudiskerk. Het beheer over de bezittingen van het klooster en van het kapittel van de St. Geertrudiskerk kwam in 1573 ook in handen van de prins vanOranje, als heer van de stad. In 1579 stond de prins de inkomsten uit de goederen gelegen buiten Geertruidenberg af aan de zusters van St. Catharinadal voor hun alimentatie. Voorwaarde was wel dat zij jaarlijks verantwoording moesten afleggen aan de rentmeester. (

      Drossaers I, I, pp. 109-110.

      ) Getuige de brieven van deze rentmeester van de geconfisqueerde goederen waren de inkomsten echter gering. (

      Drossaers I, inv.nr. 672.

      )
      In 1594 werd een contract gesloten waarin bepaald werd dat de rentmeester alle goederen voorheen in bezit van de zusters van St. Catharinadal, in het geheel zou verpachten, waarna de ene helft van de opbrengsten naar de Nassaus ging en de andere helft naar de zusters. Daarnaast zouden de zusters worden voorzien van 'huijsinge off woningen tot sijnen (= het sterfhuis van de prins) coste'. (

      NDR inv.nr. 4417-4420.

      )

      Verdronken Waard van Zuid-Holland en het recht op de visserij

      De ambachtsheerlijkheden Almonde en Dubbelmonde, Twintighoeven, Klein Waspik en Standhazen werden ook door Willem van Duvenvoorde verworven in de eerste helft van de 14e eeuw. (

      Drossaers I, I, pp. 115-121.

      ) Na de Elisabethsvloed van 1421 werd dit grote visserijgebied in de Verdronken Waard van Zuid-Holland een van de belangrijkste inkomstenbronnen van de Nassaus. Hoewel de onderhandelingen over de nalatenschap van Willem van Oranje pas in 1609 werden afgerond, werd Frederik Hendrik al 1601 beleend met het visserijgebied van de Verdronken Waard van Zuid-Holland. (

      Scherft, Het sterfhuis, p. 235.

      )
      Vanaf die tijd tot de Bataafse Revolutie bleef het visserijrecht in dit gebied in handen van de Nassaus.

      Drimmelen

      De heerlijkheid Drimmelen verkreeg Engelbrecht van Nassau van Willem IV, graaf van Holland, als een onsterfelijk leen van Holland in 1411. (

      NDR inv.nr. 765, folio 404; Drossaers I, I, pp. 130-132.

      ) Evenals de andere rechten in dit gebied bleef Drimmelen tot de Bataafse tijd in het bezit van de Nassaus.

      Grondgebied en benaming

      De heerlijkheid Geertruidenberg bestond uit de stad van die naam met grondgebied eromheen en de buitenpoorterij Made. De heerlijkheid werd begrensd door de rivier de Donge (de heerlijkheid Raamsdonk) ten oosten, de baronie van Breda ten zuiden en de heerlijkheid (Hooge) Zwaluwe ten westen. De oppervlakte bedroeg ruim 347 morgen land. Onder de heerlijkheid Geertruidenberg vielen vanaf de 17e eeuw ook het gebied van de voormalige ambachten Almonde (

      Almonde was vóór de Elisabethsvloed een uitgestrekte heerlijkheid. In het oosten begrensd door het Hoekenisse en Standhazen, in het zuiden door Drimmelen, in het westen door Dubbelmonde en in het noorden door deMaas; NDR inv.nr. 764, folio 47.

      ) en Dubbelmonde. (

      Dubbelmonde was vóór de Elisabethsvloed een heerlijkheid, waarvan niets overbleef (dan water!). In het oosten lag Almonde, ten zuiden Zwaluwe en in het westen Twintighoeven; NDR inv. nr. 765, folio 422.

      )
      Gasthuisland en Lijndonk waren twee eilandjes gelegen in de Donge schuin boven de stad Geertruidenberg en van elkaar gescheiden door een klein slootje. Lijndonk behoorde aan de heer en werd in erfpacht uitgegeven. (

      NDR inv.nr. 765, folio 531.

      )

      Geertruidenberg was Hollands oudste stad. Reeds in 1213 verleende graaf Willem I een aantal stadsrechten aan de inwoners. Geertruidenberg lag zeer gunstig: aan de zuidgrens van het graafschap Holland, precies tussen de steden Dordrecht, Heusden en Breda. Aan de noordzijde lag, na de Elisabethsvloed van 1421, de huidige Biesbosch. De getijden zorgden voor een voortdurende aanvoer van vers water in de stad. Het was dan ook niet verwonderlijk dat met name de brouwerijen en de visserij de drijfveren werden van de Bergse economie. Door de bouw van vestingwerken (kort na 1576) ontstond een grote haven (plaats voor 100 schepen), die echter door verzanding grotendeels onbruikbaar werd.

      In 1580 begon Maurits met de bouw van het Groot-Prinsenhof. Waarschijnlijk was het de bedoeling hier de Raad van Brabant te huisvesten. De plannen werden maar ten dele uitgevoerd. In de 18e eeuw was de commandant van Geertruidenberg er gehuisvest en werden er verpachtingen gehouden van de domeinen en visserijen van de prins. De rentmeester van de prins van Oranje woonde in het Klein-Prinsenhof.

      De kerk, voor de reformatie gewijd aan de H. Geertrudis, stond (en staat) eveneens aan de Markt. De twee predikanten die tot de classis Zuid-Holland behoorden, werden benoemd door de prins van Oranje en evenals de koster en de ziekentrooster betaald uit de inkomsten uit de geestelijke goederen. Er was ook een rooms-katholieke statie die door een wereldlijk priester werd bediend. De magistraat genoot de 20ste penning van de afslag op de vroonvis, waarvan de kerk moest worden onderhouden. (

      NDR inv.nr. 765, folio 539-540.

      )

      Drie maal per jaar was er jaarmarkt en eens per week een weekmarkt. Belangrijke bronnen van inkomsten waren van oudsher de brouwerij en de visserij (op steur, zalm en elft). (

      NDR inv.nr. 765, folio 639.

      ) In de loop van de 18e eeuw liep deze inkomstenbron echter sterk terug.

      Made, ten zuidwesten van Geertruidenberg, was oorspronkeltjk de gemene weide van Geertruidenberg. In 1346 gaf Margaretha, gravin van Holland, de stad toestemming om dat gebied in erfcijns uit te geven. (

      l Drossaers I, inv. nr. 620.

      ) Langzaam ontstond er een dorp. Er werd een koren- en rosmolen gebouwd, die in 1559 geheel in bezit kwam van de prins van Oranje en dat tot in de negentiende eeuw bleef.

      Onder Made behoorden de landen: Noord- en Zuideinde van de Middelmade, Noord- en Zuideinde van de Made, de Plukmade en de Vierendelen van de Wijngaard, Breda, Steenbergen en Oosterhout. (

      NDR inv. nr. 767, folio 1074-1085.

      )

      Made ontworstelde zich in 1795 aan de voogdij van de stad Geertruidenberg. Tot 1810 was het een afzonderlijke 'municipaliteit'. In 1810 werd Made bij Drimmelen en Standhazen gevoegd en sinds die tijd is dat een gemeente. (

      F.A. Brekelmans, Een blik in de geschiedenis van Made bij haar zesde eeuwfeest 1346-1946 (Princenhage, 1946).

      )

      De ambachtsheerlijkheden Drimmelen en Standhazen lagen tussen de heerlijkheden Zwaluwe en Geertruidenberg. De ambachtsheerlijkheden behoorden tot de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, maar ten aanzien van de gemene middelen tot Geertruidenberg. Drimmelen was tot 1421 een vrij groot dorp, maar leed zwaar onder de Elisabethsvloed. In de 18e eeuw stond er een dertigtal huizen. De visserij was de belangrijkste bron van inkomsten voor de inwoners van Drimmelen. (

      NDR inv. nr. 765, folio 405, Tegenwoordige staat, VII, p. 229.

      ) De heer genoot de inkomsten uit alle tienden en de bieraccijns. Ganseweide was een gedeelte van Drimmelen dat ressorteerde onder het domein Geertruidenberg. (

      NDR inv. nr. 765, folio 522.

      )
      Buiten de zeedijk van de Emiliapolder lagen nog twee percelen land genaamd 'De Ribben' die ook bij Drimmelen hoorden. Onder Drimmelen behoorden verder:

      • Prinsenpolder
      • Achter de Huizen
      • Worppolder
      • Opperpolder of Witboom of Malleland
      • Kerkepolder
      • Heel en Moer
      • Nagtegaal

      Standhazen was slechts 'een huis op de dijk'. Onder het grondgebied van Standhazen lag ook een stuk land genaamd 'De Grote Brand'. (

      NDR inv. nr. 765, folio 632.

      ) Het schor Dombos gelegen onder de jurisdictie van Standhazen en ressorterend onder het domein van Geertruidenberg grensde aan Raamsdonk. Het was begroeid met gras, riet en biezen en werd geheel verpacht. (

      In 1764 werd o.a. een stuk land genaamd 'De Aanwas' aangekocht om 'te dienen tot een uitweg (...) wanneer dezelve zal worden bekaayt'; NDR inv. nr. 765, folio 396.

      )

      Het hele gebied van de Verdronken Waard van Zuid-Holland, dat zich uitstrekte over de grondgebieden van de heerlijkheden en ambachten Geertruidenberg, Drimmelen, Almonde, Dubbelmonde, Hooge Zwaluwe en Twintighoeven bestond, behalve uit water, ook nog uit aanwassen en (bedijkte) polders. Het waterstaatkundig beheer over het gebied was na de Elisabethsvloed van 1421 versnipperd geraakt. Na een overstroming in 1640 gaf de Domeinraad, de voornaamste ingelande in de verschillende polders, opdracht aan de landmeter M.C. van Inneveld een ringdijk om de polders te ontwerpen. In februari 1645 werd besloten tot bedijking over te gaan De bedijking werd nog datzelfde jaar voltooid, de nieuwe bestuursvorm liet nog even op zich wachten. Op 20 juli 1650 vaardigde Willem II ordonnantiën en statuten uit die het gehele gebied onder één bestuur moesten brengen. Uitvoering kwam pas in 1653 tot stand. De Emiliapolder maakte deel uit van de ambachtsheerlijkheden Drimmelen, Standhazen en Hooge Zwaluwe, de stad Geertruidenberg en het gebied van het dorp Made. (

      W.A. van Ham, Het archief van het waterschap 'De Emiliapolder' (z.p. 1967).

      )

      Een groot deel van het grondgebied van de heerlijkheid Geertruidenberg bestond dus uit water. Eeuwenlang bestond er onduidelijkheid over de grenzen in dit watergebied. De exploitatie van de visserij was echter een belangrijke inkomstenbron en er werd dus bij tijden een hevige strijd gevoerd over die begrenzing. Allereerst tussen de graaf van Holland (later de Staten van Holland), die de visserijrechten in het noordelijk deel van dit gebied bezat, en de Nassaus, die de visserijrechten in het zuidelijk deel bezaten. Maar ook waren er conflicten tussen pachters en vissers van het Zwaluwse domein en van het domein Geertruidenberg. In 1560 werden de grenzen vastgesteld door de landvoogdes Margaretha. (

      Drossaers I, inv. Nrs. 717-720.

      ) Tegen het einde van de 16e eeuw kregen de vispercelen zelf ook een permanent karakter. Hierna was het decennialang min of meer rustig. In de 18e eeuw ontstonden er toch weer conflicten. Ditmaal werden zij veroorzaakt door problemen met de afwatering van het gebied dat steeds verder verlandde. De oude bolbakens die de grenzen aangaven, waren ten dele verdwenen. Regelmatig werden er landmetingen verricht. Om problemen zoals die in de 16e eeuw waren ontstaan te voorkomen vond er in 1756 een herijking plaats van de in 1560 vastgestelde grenzen. (

      Zie o.a. NDR inv. nr. 4074. Voor een uitvoenge beschrijving van de metingen zie Martens, De zalmvissers van de Biesbosch. Een onderzoek naar de visserij op het Bergsche Veld 1421-1869 (Tilburg, 1993), pp. 79-83.

      )

      Bestuur en rechtspraak

      Geertruidenberg was een hoge heerlijkheid, er werd recht gesproken in criminele en civiele zaken. In civiele zaken was beroep mogelijk bij het Hof van Holland. Als heer van Geertruidenberg stelde de prins van Oranje het stadsbestuur aan dat bestond uit een schout (crimineel en civiel), twee burgemeesters, zeven schepenen, een thesaurier en een secretaris. Schout, burgemeesters en schepenen vormden bovendien nog een 'Collegie' waarin de 'zaaken van belang over de burgerlijke regeering en geldmiddelen (moesten) verhandeld worden'. Een 'Oud Raad' bestaande uit de niet dienende regenten, raakte in onbruik. Schout en schepenen bestuurden de weeskamer.

      Made viel onder de jurisdictie van Geertruidenberg en er werd dus ook geen aparte schout benoemd: 'Schout, scheepenen en secretaris van Geertruijdenbergh exerceeren meede hunne Officie onder de Made'. (

      NDR inv.nr. 767, folio 1074-1075. De opsomming in het 'Amptboek' (NDR inv.nr. 685 folio 419-420) doet anders vermoeden. Onder Made treffen we een opsomming van functies en functionarissen aan. Het gaat hier echter over de schout, secretaris en stokhouder van Geertruidenberg (en Made). Ook in de andere gevallen komen we dezelfde namen achter dezelfde functies in Geertruidenberg en Made tegen. Of we hier te maken hebben met aparte functies, al dan niet in personele unie uitgevoerd, of in een functie voor Geertruidenberg (en daarmee ook voor Made) moeten de commissiebrieven zelf uitwijzen.

      ) Het dorpsbestuur bestond uit twee gezworenen, een aantal 'geëde' mannen en 'de XV mannen'. Zij allen werden door het stadsbestuur van Geertruidenberg benoemd. (

      F.A. Brekelmans, Een blik, pp.12-13.

      )

      Drimmelen en Standhazen hadden samen één bestuur; schout, secretaris en ontvanger van de verpondingen werden door de heer aangesteld. De schout stelde de schepenen en de schutter, die tevens bode was, aan. Er waren twee geoctrooieerde marktschippers, die ook de twee veren exploiteerden. Elke twee jaar legde de schout van Drimmelen rekening en verantwoording af aan de commissaris van de raad in aanwezigheid van de schepenen. (

      NDR inv. nr. 765, folio 407.

      )

      Het bestuur van de Emiliapolder, dat eveneens door de heer werd benoemd, bestond uit een dijkgraaf en vijf heemraden (twee uit Zwaluwe, ieder een uit Geertruidenberg, Made en Drimmelen/Standhazen. Na 1679 waren er nog vier heemraden: uit elk kwartier één). De heer benoemde verder een penningmeester, een boekhouder, een opzichter en een (dijk-)bode. De penningmeester moest rekenschap afleggen aan de leden van de Domeinraad. De voornaamste taak van het polderbestuur was, naast de waterbeheersing in de polder, het beheer en onderhoud van de ringdijk. De belangrijkste bron van inkomsten werd gevormd door de polderlasten, de zgn. dijkschoten.

      Functionarissen die de heer van Geertruidenberg aanstelde: in Geertruidenberg:

      • Schout (

        NDR inv. nr. 685, folio 402v e.v. en inv.nr. 799, folio 35 e.v. Niet alle functies werden voortdurend ingevuld. Zo werd b.v. ' 's Lands medicine doctor' alleen in 1760 aangesteld (NDR inv.nr. 685, folio 415v.)

        )
      • Rentmeester der domeinen
      • Rentmeester der geestelijke goederen
      • Ontvanger der ordinaris en extraordinaris verpondingen
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Majoor van de burgerij en wachtmeester
      • Ondermajoor en havenmeester
      • Conciërge van het Hof
      • Gerechtsboden (twee)
      • Controleur van de vis
      • Koster (

        Volgens een aantekening in de inhoudsopgave van NDR inv. nr.. 685, folio 55 werden schoolmeester en organist (van Geertruidenberg) aangesteld door de magistraat.

        )
      • Zieketrooster
      • Vroedvrouw (

        De bronnen spreken elkaar tegen: volgens NDR inv. nr.. 685, folio 409 werd de vroedvrouw aangesteld door de magistraat; in de opsomming die inv. nr.. 799, folio 37 geeft, wordt de vroedvrouw genoemd als aangesteld door de heer.

        )
      • Postmeester op Breda
      • Dienaar van de justitie
      • Tafelhouder van de bank van lening
      • Gezworen meters van (Zijne Hoogheids wateren in) de Verdronken Waard in Zuid-Holland
      • Tekenaar van (Zijne Hoogheids) visserijen in de Verdronken Waard in Zuid-Holland
      • 's Lands medicine doctor
      • (Bewoner van het Hof);
      in Made:

      • Schout
      • Dijkgraaf
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Ontvanger der ordinaris en extraordinaris verpondingen
      • Gerechtsbode
      • Schoolmeester (

        De functies koster, voorzanger en schoolmeester zowel in Made als in Standhazen/Drimmelen werden van 1665-1769 telkens in personele unie vervuld. NDR inv.nr. 685, folio 420 e.v.

        )
      • Koster
      • Voorzanger
      in Drimmelen:

      • Schout
      • Dijkgraaf
      • Secretaris
      • Notaris
      • Ontvanger der ordinaris en extraordinaris verpondingen
      • Schoolmeester
      • Schoolmeester op het Spui
      • Koster
      • Voorzanger
      • Opzichter op het Verlaat op de Drimmelse Vaart (

        Waarschijnlijk wordt hier bedoeld: het Groot-Verlaat.

        )
      • Geadmitteerde koren- en marktschippers van Drimmelen op Dordrecht en Rotterdam (twee);
      • in Standhazen: (

        Veelal werden de functionarissen benoemd in personele unie met dezelfde functies in Drimmelen.

        )
      • Dijkgraaf
      • Schout
      • Secretaris
      • Notaris
      • Ontvanger der ordinans en extraordmaris verpondingen
      in de Emiliapolder:

      • Dijkgraaf
      • Penningmeester
      • Heemraden of gezworenen
      • Boekhouder
      • Opzichter van het Verlaat van de Emiliapolder
      • Dijkbode
      Beheer

      De heer stelde een rentmeester aan om zijn rechten en goederen in het domein te beheren. Tot de belangrijkste taken van de rentmeester behoorden de openbare verpachting van de 'Domeinen en verdere inkomsten', het innen van de pachtpenningen en het tot betaling dwingen van onwillige debiteuren. De rentmeester werd geacht hiervan een nauwkeurige administratie te houden en jaarlijks 'pertinente Reekeningen, Bewijs en Reliqua (...)' over te leveren. (

      NDR inv.nr. 4528.

      ) De visserijen in de Verdronken Waard vielen tot 1580 onder verantwoordelijkheid van de rentmeester van Oosterhout. Na 1580 werd het gebied van de (voormalige) ambachtsheerlijkheden Twintighoeven en Klein Waspik beheerd door de rentmeester van de Zwaluwe, ook het visserijbeheer in dit gebied kwam onder zijn verantwoordelijkheid. Het gebied van de verdronken ambachtsheerlijkheden Almonde en Dubbelmonde kwam samen met dat van Standhazen onder Geertruidenberg. De rentmeester van Geertruidenberg beheerde zo een belangrijk deel van de visserijen in dit gebied.

      In 1601 leverde Matthijs van Clootwijk twee rekeningen in: één als rentmeester over de visserijen in de Verdronken Waard van Zuid-Holiand '..die hij doet den selven sterffhuyze van allen pachten, visscherijen, molenen ende andere goedern tot sijnen ontfanck behoorende..' en één als rentmeester van de domeinen van Geertruidenberg '..die hij doet sijne Gen: Graeff Hendrick Fredrick van Nassau pantheere van Gheertruydenberch voorss. ..'. In de laatstgenoemde rekening werden inkomstenposten opgevoerd als: schoutambt, landpoorters en gravenchijns. Het was de achtste rekening in deze reeks (de andere rekening die Van Clootwijk indiende was de dertiende). In de rekening over het jaar 1604 kreeg Van Clootwijk opdracht de beide rekeningen samen te voegen. (

      NDR inv. nr. 4237, folio 39v.

      )

      Voor het beheer over de geestelijke goederen in het domein werd ook een rentmeester aangesteld. Na 1626 vormden de rentmeesters van het domein en van de geestelijke goederen een personele unie. De rekeningen werden tot 1783 wel afzonderlijk opgemaakt en ingediend. In 1784 stelde Ardesch, de griffier van de Domeinraad, voor de rekeningen voortaan te combineren. (

      NDR inv. nr. 3970,15 juni 1784.

      )

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Rentmeesters van de geestelijke goederen: (

      Gegevens uit: serie rekeningen.

      )
      Peter van Clootwijk, 1579-1583 (rentmeester van de rechten en goederen die toebehoorden aan de capitularen en zusters binnen Geertruidenberg).
      Dirck van Clootwijk, [..]-1602 (rentmeester van de geestelijke goederen gelegen onder de jurisdictie van Geertruidenberg). (

      NDR inv.nr. 4038 (extractrekening 1603).

      )
      Dirck van Teijlingen, 1603 en van 1623-1625. Voor de tussenliggende periode ontbreken gegevens. Van 1604-1605 was Dirck van Teijlingen rentmeester voor de zusters van St. Catharinadal betreffende de helft van haar landpachten, roggepachten en renten.

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Rentmeesters van het domein: (

      Gegevens uit. serie rekeningen.

      )
      Peter van Clootwijk, 1580-1585
      Matthijs van Clootwijk, 1586-1610. (

      Van 1594-1604 werden de rechten verbonden aan het 'pandheerschap van de hoge heerlijkheid' en de overige 'domeinrechten' (zoals de visserijen, de molenrechten en de pachtopbrengsten) apart beheerd. NDR inv.nrs. 4233-4237.

      )
      Johan van Clootwijk, 1611-1625

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Rentmeesters van het domein en rentmeester van de geestelijke goederen: (

      Gegevens uit: NDR inv.nr. 685 folio 405-406 en de series rekeningen.

      )
      Carel van Beveren, 1626-1654.
      Christoff Carel, 1654-1668.
      Maurice Carel, 1668-1677 (vanaf 1658 adjunct en mede-rentmeester).
      Jacobus Hoogewerf, 1677-1689.
      Christoffel Tomer, 1689-1700.
      Pieter Vedrines, 1700-[1707].
      Dingman Adriaan Dingmans, 1709-1711 (provisioneel).
      Gijsbert van Issem, 1711-1728 (van 1711-1719 substuut van Vedrines).
      Walterus van Heusden, 1728-1739.
      (Adriana Vereijk, weduwe van Walterus van Heusden, (1740-1741).
      Johan van Doorn, 1742-1782.
      Michiel Smits, 1783-1797.
      Petrus van Aelberg, 1798-[1810].
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit hoofdstuk zijn de stukken betreffende Geertruidenberg, Drimmelen en Made en de visserij in de Verdronken Waard van Zuid-Holland van na 1581 beschreven. De stukken van voor 1581 werden eerder beschreven in: dr. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581. 's-Gravenhage 1948. Eerste deel, 1. Over de periode na 1581 treft men ook in deel 1 'ALGEMEEN' gegevens betreffende dit domein aan o.a. in de series notulen, de registers van uitgaande stukken en in registers met historische gegevens. De kaarten over de hele periode tot 1795 betreffende Geertruidenberg, Drimmelen en Made en de Verdronken Waard van Zuid-Holland zijn in beheer bij de sectie Kaarten en Tekeningen van het Algemeen Rijksarchief en worden beschreven in: J.H. Hingman, Inventaris van de verzameling kaarten berustende in het Rijksarchief..., Tweede gedeelte. 's Gravenhage 1871 en: A.J.H. Rozemond, Inventaris der verzameling kaarten berustende in het Algemeen Rijksarchief, zijnde het eerste en tweede supplement op de collectie Hingman. 's-Gravenhage 1969.

      In dit deel van het archief treft men o.a. een aantal algemene series aan die betrekking hebben op het domein Geertruidenberg. Veel van deze series vangen echter pas de tweede helft van de 18e eeuw aan, zoals de 'Verbalen van de leden van de Domeinraad wegens hun jaarlijkse inspectiereizen' (vanaf 1756), de 'Generale rapporten van de rentmeesters' (vanaf 1785) en de 'Extract-resoluties van de Domeinraad' (vanaf 1742). Ook een serie 'Brievenboeken van de rentmeesters' (17831811) verschaft de onderzoeker inzicht in het reilen en zeilen van het domein. Deze series hebben gemeen dat er veelal bijzondere, specifieke zaken en voorvallen in worden beschreven.

      De series 'Rekeningen van de rentmeesters' en 'Condities van verpachting' bevatten veel gegevens met betrekking tot de exploitatie van het domein en de (jaarlijkse) gang van zaken. Met name de rekeningen geven een beeld van de belangen van de heer in het domein: de verschillende inkomstenbronnen en uitgaveposten worden hierin beschreven over een periode van twee eeuwen. De condities van verpachting zijn niet zo volledig bewaard gebleven en beginnen bovendien ook pas zo rond 1740. Een bijzondere bijlage bij de condities van verpachting van de molens vormen de 'Prisatiën' of taxatierapporten: (inventaris-)lijsten van onderdelen van de molen met de prijs/waarde per onderdeel. De rapporten werden telkens aan het einde van een pachtperiode opgemaakt door beëdigde timmerlieden.

      Enkele stukken betreffende cijnzen, grondrenten en roggepachten treft men ook aan. Het 'Cijnsboek van de stad Geertruidenberg, 1576-1578' dat eerder door Drossaers werd beschreven, werd in 1963 overgebracht naar het Gemeentearchief van Geertruidenberg, nu Streekarchivariaat in de kring Oosterhout. (

      Drossaers I, inv.nr. 640 en NDR inv. nr. 4164. Al eerder (in 1960) waren enkele rekeningen van de thesaurier van Geertruidenberg naar het Gemeentearchief overgebracht. Het betrof stukken die destijds door Hingman beschreven werden onder inv. nr. 7167.

      ) De leggers van renten en roggepachten, die behoorden aan de capitularen en de zusters binnen Geertruidenberg en aan de kerk van Drimmelen, zijn voor wat de 18e eeuw betreft wel bewaard gebleven. Ook het netexemplaar dat rentmeester Van Doorn in 1770 samenstelde en waarin hij alle posten uit de oude leggers ('cijnsboeken') met inbegrip van de 'vergeten en verduisterde' opnieuw opschreef is bewaard gebleven. (

      NDR inv.nrs. 4168-4173.

      )

      Hoewel de magistraat van Geertruidenberg recht had op de 20ste penning van de visafslag, had ook de heer van Geertruidenberg hier een belang getuige de serie 'Rollen van de afslag van de zalm, steur en elft binnen Geertruidenberg' (1742-1810) die bewaard bleef. Omdat de kwaliteit van het viswater de hoogte van de pachtsom van een perceel bepaalde, moest de rentmeester natuurlijk nauwkeurig op de hoogte blijven van de hoeveelheid vis die van elk perceel kwam. De rollen vermelden de namen van de vissers, de soort en het aantal vissen, de prijs (in stuivers) en de namen van de kopers. Per maand en per jaar werden totaalsommen gemaakt. (

      NDR inv. nrs. 4108-4163 en P.J.M. Martens, De zalmvissers, m.n. pp.180-191.

      )

      De inventarissen van het domeinkantoor van Geertruidenberg tenslotte geven een beeld van de (administratieve) organisatie van het rentmeesterskantoor en natuurlijk van de stukken die de rentmeester beheerde.

      Verwante archieven

      Stukken betreffende Geertruidenberg, Drimmelen en Made en de visserij in de Verdronken Waard van Zuid-Holland over de periode 1581-1811 bevinden zich ook in:

      • Collectie Nassause Domeinen 1548-1810.

      • Oud-archief van de gemeente Geertruidenberg, 1355-1811.

      • Oud-archief van de gemeente Made, 1694-1810.
      • Oud-archief van de gemeente Drimmelen en Standhazen, 1668-1810.

      • Archief van de Emiliapolder, 1646-1971.
      Verantwoording van de inventarisatie

      De stukken betreffende de ambachtsheerlijkheden in de Verdronken Waard van Zuid-Holland werden tot ca.1590 apart geadministreerd. Drossaers bracht deze stukken dan ook onder in een aparte rubriek. (

      Drossaers I,I, pp. 115-121: 'De ambachtsheerlijkheden en de visscherij in de Groote Waard'.

      ) Van 1592 tot 1602 werden inkomsten en uitgaven met betrekking tot Drimmelen, Almonde, Dubbelmonde, Twintighoeven, Standhazen en Klein Waspik opgenomen in de rekeningen van Hooge Zwaluwe. Hierbij ging het om de visserij in het gebied dat viel onder de jurisdictie van de Zwaluwe. Tegelijkertijd werden de inkomsten en uitgaven met betrekking tot 'de visserijen in de Verdronken Waard van Zuid-Holland aan de zuidzijde van de Oude Maas' (in ieder geval vanaf 1580) opgenomen in de rekeningen van Geertruidenberg. Vanaf 1638 werd het rentmeesterschap van de Zwaluwe in een adem genoemd met dat van Twintighoeven en Klein Waspik.

      In deze inventaris zijn de stukken die betrekking hebben op de voormalige ambachtsheerlijkheden Almonde en Dubbelmonde en de stukken met betrekking tot Drimmelen en Standhazen onder GEERTRUIDENBERG geplaatst, de stukken met betrekking tot Twintighoeven (en Klein Waspik) zijn geplaatst onder HOOGE EN LAGE ZWALUWE. Het is duidelijk dat er zeker in de periode 1580-1640 overlappen bestaan: in die gevallen wordt de onderzoeker aangeraden beide hoofdstukken te raadplegen. In een enkel geval zijn beschrijvingen pro memorie opgevoerd.

      De serie brievenboeken van de rentmeester behoort archivistisch gezien tot het archief van de rentmeester. De serie is echter op zeker moment opgenomen in het archief van de Domeinraad, vooralsnog is het moment waarop dit gebeurde evenals de reden waarom onbekend. De brievenboeken zijn naar hun aard geplaatst onder de rubriek ALGEMEEN.

      Van de oude eigendomsakten (oude inventaris Folio, FOL1059-1079, FOL1081-1083) werden de originelen door Drossaers al beschreven. De afschriften van deze stukken -vaak in veelvoud- bevonden zich nog tussen de stukken 'Nassause Domeinraad Folio'. In bijlage 1 zijn deze stukken opnieuw beschreven. Hierbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de beschrijvingen van Drossaers en voor zover mogelijk wordt een verwijzing naar inventaris- en regestnummers (in Drossaers) gegeven.

      Voor de korte periode (1600-1604) waarin jaarlijks twee rekeningen (een van domein en visserijen en een van de rechten betreffende de hoge heerlijkheid) werden ingediend, zijn geen aparte series gemaakt. Het leek overzichtelijker de rekeningen in een beschrijving op te nemen.

      Enkele stukken betreffende het patronaatsrecht en de tienden van de kerk van Raamsdonk werden in de oude inventaris 'Nassause Domeinraad Folio' beschreven onder de rubriek 'Geertruidenberg en Raamsdonk'. Deze rechten in Raamsdonk vielen echter niet onder de heerlijkheid of het rentmeesterschap van Geertruidenberg. Het leek dus juister deze stukken m een apart onderdeel te beschrijven.

      Literatuur J.J.F.W. van Agt, ' De Sint-Gertrudiskerk te Geertruidenberg'. In Bulletin Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, XIII, 1960, pp. 136-178. F.A. Brekelmans, Een blik in de geschiedenis van Made bij haar Zesde Eeuwfeest 1346-1946, Princenhage, 1946. F.A. Brekelmans, Inventaris van het gemeente-archief van Made en Drimmelen 1569-1936. Breda, 1947. I.J. Brugmans, ' Geertruidenberg, Hollands oudste stad' In: Varia Historica Brabantica, II, 1966, pp. 13-30. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad. Eerste deel: Het archief van den Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581. Den Haag, 1958. W.A. van Ham, Het archief van het waterschap "De Emiliapolder". z.p. 1967. (Inventaris Gemeenschappelijk archivanaat 'Nassau-Brabant'). W.A. van Ham, ' De bedijking van de Emiliapolder en haar voorgeschiedenis' In: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XIX, 1966, pp. 158-181. P. Dalmatius van Heel O.F.M., ' Het klooster van de zusters der 3e orde van het St. Franciscus, genaamd St. Catharinendal te Geertruidenberg'. In: Taxandria, 44, pp. 217-230. K.A.H.W. Leenders, Verdwenen venen: een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad (1250-1750). Wageningen, 1989. (Reeks Landschapsstudies 13). W.H. Lenselink, ' Een derde Hollands burggraafschap? Het kastelein- en schoutschap van Geertruidenberg'. In: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XXVIII, 1975, pp. 39-55. P.J. Margry, ' De topografische ontwikkeling van Geertruidenberg in de middeleeuwen'. In: jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XXXVII, 1984, pp. 111-162. P.J.M. Martens, De zalmvissers van de Biesbosch. Een onderzoek naar de visserij op het Bergsche Veld, 1421 1869. Tilburg, 1993. C.J. Mollenberg, Onuitgegeven bronnen voor de geschiedenis van Geertruidenberg. 's-Hertogenbosch, 1899. J.H. van Mosselveld, ' Geertruidenberg 750 jaar stad'. In: Brabantia XII, 1963, pp. 215-220. J.H. van Mosselveld, ' De stedelijke godshuizen van Geertruidenberg'. In: jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XVIII,1965, pp. 1-71. I. van Nuyssenberg, Korte beschrijving van Geertruidenberg. Dordrecht, 1774. J.G.M. Sanders, Inventaris van het archief van het karthuizerklooster 'Het Hollandse Huis' bij Geertruidenberg (1266)1336-1573(1593) 's-Hertogenbosch, 1984. J.G.M. Sanders, Waterland als woestijn. Geschiedenis van het karthuizerklooster 'Het Hollandse Huis' bij Geertruidenberg 1336-1595. Hilversum, 1990. A. van Sasse van Ysselt, Chronologisch overzicht van de geschiedenis van Geertruidenberg. 's-Hertogenbosch, 1938. Of: J.H. Busch, (idem) 1950 (2de druk). J. Wagenaar, Tegenwoordige stoat der Vereenigde Nederlanden. Deel 7. Amsterdam, 1749.
      Bijlage Inhoudsopgaven van de rekeningen Domeinen 1683

      (

      NDR inv.nr. 4314.

      )

      Domeijnen van Geertruijdenbergh 1683

      • I~ Cappll: Ontfanck vande Wintcorenmolens ende rosmolens staende binnen Geertruijdenbergh als opde made, Jurisdictie van geertruijdenbergh voorss.
      • II~ Cappll: Ontfanck vande Visscherijen inde verdroncken weert van Zuijdt Hollandt, opde Zuijdtzijde vande ouden mase, gelegen onder de heerlijckheden van Stanthasen, Drimmelen, Almonde, Dubbelmonde, ende Twintighoeven, sijn hoogheijt toebehoorende.
      • III~ Cappll: Ontfanck vande landen, weijden, Rietbosschen, ende aenwasschen onder Geertruijdenbergh, Stanthasen ende Raamsdonck die de Catthuijsers Buijten Geertruijdenbergh voorss. eertijdsbeseten ende gebruijkt hebben [..] Anderen ontfanck.
      • ..van ingelden ofte 20-penn: gecomen vanden afslagh vande vis (gevangen sijnde opde Visscherijen) gehouden binnen geertruijdenbergh
      • .. vande landen der domeijnen van Drimmelen, ende Stanthasen altesamengelegen inden Amilia Polder de welcke bewinterdijckt inden jare 1645.
      • 5~ Capll: Anderen ontfanck vande thienden der domeijnen van geertruijdenbergh, de made Drimmelen en Stanthasen voor den jare 1683 tijde deser reeck: overmits de dijckagie vanden Amiliapolder inden jare 1645 gevallen
      • 6~ Cappll: Anderen ontfanck vande domeijnen van Geertruijdenbergh ende eerst het schoutampt aldaer vande secretaris Ampten aldaer vande bode Ampten van Geertruijdenbergh ende opde made
      • 7~ Cappll: Ontfanck vande Gravenchijns Swijgende toll ende de gruijte tot geertruijdenbergh
      • 8~ Cappll: Extraordinaris Ontfanck
      • 1~ Cappll: Uitgeeft Jegens den Voornden Ende eerst uijtgegeven de visscherijen aengaende
      • 2~ Cappll: Uijtgeven van noodelijke reparatien gevallen, ende gedaen aenden huijse van sijnne hoogheijt staende inde hoijstrate Binnen geertruijdenbergh, mitsgaders vande tractementen vande conchiergie vanden selven huijsen ende dat voor den Jare tijde deser reeckeninge
      • 3~ Cappll: Uijtgeeft tot lasten vande domeijnen van geertruidenbergh
      • 4~ Cappll: Uijtgeeft van eennige renten staende tot laster van zijn hooght.
      • 5~ Cappll: Uijtgeeft van noodelijke Reparatien gevallen, ende gedaen aen de wintcorenmolens ende rosmolens mitsgaders molenhuijs van sije hoogheijt staende Binnen geertruijdenbergh, ende opde made
      • 6~ Cappll: Anderen uijtgeeft van verscheijde naturen
      • 7~ Cappll: Uijtgeeft van penningen Bereeckent en niet ontfangen
      • 8~ Cappll: Anderen Uijtgeeft van penningen Bereeckent, en niet ontfangen, ofte well remissie penn: van eenige landen, Tienden, ende molens hier vooren in ontfanck gebracht, te weten
      Domeinen 1782

      (

      NDR inv.nr. 4415.

      )

      Registers van de capittels op deze rekening dienende
      Ontvang

      Capittel

      • 1~ Molenpachten
      • 2~ Visscherijen
      • 3~ Landen, Rietbosschen en Weiden
      • 4~ Landpachten der Domeinen
      • 5~ Tienden
      • 6~ Recognitie-Penningen
      • 7~ Graven-Cijns
      • 8~ Veergelden, Biezen, Plaaten, etc.
      • 9~ Extraordinairis Ontvang
      Uitgaave

      • 1~ Visscherijen
      • 2~ Tractementen
      • 3~ Reparatien
      • 4~ Renten
      • 5~ Verscheide Natuuren
      • 6~ Faulten
      Geestelijke goederen 1683

      (

      NDR inv.nr. 4482.

      )

      • 1~ Cappll: Ontfanck vande Landen weijden, ende Beemden, onder geertruijdenbergh, drimmelen ende Stanthasen, gelegen gecomen vande Cappittulairen, ende convent van Cathalijnnen dale, Beijde eertijds Binnen geertruijdenbergh, mitsgaders vande kercke tot drimmelen, altesamen gelegen inder Amilia Polder, de welcke bewinterdijckt is inden jare XVIc. vijff en veerrigh verpacht voor een termijn van vijff jaren, aen een geduirende (...) Landen gecomen vande Cappittulairen eertijts Binnen Geertruijdenbergh
      • 2~ Cappll: Landen gecomen vande susteren
      • 3~ Cappll: Parthijen van Landen gecomen vande kercke tot drimmelen
      • 4~ Cappll: Anderen ontfanck vande thienden gecomen vande Cappittulairen eertijds binnen Geertruijdenbergh verpacht voor den jare XVIc. drie en tachtigh (...)
      • 5~ Cappll: Anderen ontfanck vande gelt renten, ende rogh pachten gecomen vande convente van Cathalina dalen, ende Cappittulairen beijde eertijts binnen geertruijdenbergh, mitsgaders de kercke rente tot drimmelen, (...)
      • 1~ Cappll: Uitgeeft Jegens den voornoemden ontfanck Ende eerst ordinaris gagien en tractementen
      • 2~ Cappll: Allerhanden Uijtgeeft
      • 3~ Cappll: Anderen Uitgeeft van Penningen bereeckent, en niet ontfangen
      • 4~ Cappll: Anderen Uijtgeeft van penningen Bereeckent, en niet ontfangen, ofte well remissie penningen vande zaijlanden hier vooren in ontfanck gebracht, te weten
      • 5~ Cappll: Anderen Uijtgeeft van penningen Bereeckent, en niet ontfangen, ofte well remissie penningen vande Thienden hier voor in ontfanck gebracht, te weten
      Geestelijke goederen 1782

      (

      NDR inv.nr. 4581.

      )

      Register van de capittels op deze reekening dienende
      Ontvang

      Cappittel

      • 1~ Landpachten der Capitulairen
      • 2~ Zusteren
      • 3~ Kerk van Drimmelen
      • 4~ Thienden der Capitulairen
      • 5~ Renten en rochpachten
      • 6~ Extraordinaris Ontvang
      Uijtgaaf

      • 1~ Gagien en Tractementen
      • 2~ Allerhande Natuuren
      • 3~Penningen Berekent en niet ontvangen
      Domeinen en geestelijke goederen 1783

      (

      NDR inv.nr. 4582.

      )

      Register van de capittels op deze rekening dienende
      Ontvang

      Capittel

      • 1~ Chijnsen en Renten
      • 2~ Erfpachten
      • 3~ Dominiale Tollen, Gruiten en Accijnsen
      • 4~ Dominiale Visscherijen
      • 5~ Land- en Weide-pachten
      • 6~ Tiendens
      • 7~ Dominiale Molens
      • 8~ Veergelden
      • 9~ Riet, Biezen en Plaaten
      • 10~Verkogt Hout
      • 11~ Recognitien
      • 12~ Verleende Alterminatien
      • 13~ Gemengden en Extraordinairen Ontvang
      • 14~ Restanten van voorige Jaaren
      • 15~ Tractementen en Emolumenten
      Uitgaaf

      • 1~ Gagien, Tractementen en Pensioenen
      • 2~ Verponding en Omslagen, etc.
      • 3~ Reparatien en Onderhoudskosten
      • 4~ Onkosten van de Verpachting der Visscherijen, Landen, Tienden, enz.
      • 5~ Remissien
      • 6~ Restanten en onbetaalde pachtpenningen
      • 7~ Faulten van Cijnsen en Rogpachten
      • 8~ Gemengden Uitgaave
      • 9~ Extraordinaris Uitgaaf
      • 10~ Rekeningskosten
    • Verwerving Het Stadhouderlijk Hof en Kwartier

      Aan het Hof van de Graven van Holland, gelegen aan het Binnenhof en het Buitenhof in Den Haag, was het een oud gebruik om de stadhouder, als plaatsvervanger van de graaf van Holland, aan het Hof te laten wonen.

      Na de dood van prins Willem van Oranje in 1584 koos prins Maurits Den Haag als residentie en bewoonde de appartementen aan de noordwestelijke kant van het grafelijk Hof tussen het Buitenhof en de Hofvijver. (

      P. den Boer, 'Het huijs int noorteynde', het Koninklijk Paleis Noordeinde historisch gezien, (Zutphen, 1986), p. 18.

      )Deze residentie, het zg. Stadhouderlijk Kwartier, werd door Maurits en diens opvolgers wel bewoond als stadhouder, maar het gebouw bleef het bezit van de Staten-Generaal. Ook verbouwingen en vernieuwingen werden door de Staten Generaal bekostigd. In 1632 liet Frederik Hendrik een inventaris opmaken van de inboedel en in de twee jaren daarna liet hij lijsten aanleggen van gekochte meubels, stoffen en goederen voor het Stadhouderlijk Kwartier. (

      NDR inv. nr. 4680.

      )
      De prins van Oranje bewoonde voornamelijk de verdiepingen langs de vijver en het Buitenhof; gelijkvloers lagen de vergaderzalen: voor de Staten van Holland langs de Vijver, voor de Gecommitteerde Raden aan het Buitenhof.

      Uit een 'Inventaris van de inboedel van het Stadhouderlijk Hof te 's-Gravenhage, 1757-1759 (

      Inventarissen, II, pp. 653-677: 'In deze inventaris wordt onderscheid gemaakt tussen Stadhouderlijk Hof en het Stadhouderlijk Kwartier.'

      )blijkt, dat er in toenemende mate door de staat van hofhouding, die de prinsen van Oranje voerden, meer ruimte nodig was in de vorm van logementen en woningen voor gasten en familie, voor hofpersoneel, voor de gardes du corps, voor manege en stallen.

      Voor dit doel werden, vooral door prins Willem V, huizen, erven, stukken grond en stallen aangekocht in de omgeving van het Stadhouderlijk Kwartier. Deze aankopen vormden tezamen met het Stadhouderlijk Kwartier het Stadhouderlijk Hof, kortweg het Hof genoemd. De genoemde nieuwe aanwinsten waren:

      1. Het Hondenhuis in Den Haag, 1670,
      2. Laboratorium, 1750-1751,
      3. Huizen op het Buitenhof, gekocht achtereenvolgens in 1766, 1771, 1773 en 1789,
      4. Het huis van de Raad en Rekenkamer, 1767 en 1768,
      5. Manege en stal van de gardes du corps, 1769-1771 en 1782-1783;
      6. De manege, voorheen het klooster of de Franse sociëteit, 1770 en 1772,
      7. Het huis voor de compagnie gardes, 1773, 1777 en 1793.

      Op het huis op het Buitenhof (

      A. ter Meer Derval, 'Namen van de opeenvolgende eigenaars der huizen, staande aan de Noord-, West- en Oostzijde van het Buitenhof van 1600 tot circa 1830' in: Jaarboek Die Haghe, ('s-Gravenhage 1941), p. 131.

      ), in 1766 door prins Willem V van Oranje gekocht van de grafelijke familie Van Aumale rustte een fideïcommis van 19.300 gulden. Deze last werd in 1764 opgeheven. (

      NDR inv. nr. 4624.

      )

      Een fideicommis is een erfstelling 'over de hand' en kan doorgaan tot in de vierde graad. (

      A.S. de Blecourt, Kort begrip van het Oud-Vaderlands burgerlijk recht, (Groningen, 1967), pp. 360-361.

      )Dat houdt in, dat een erfenis van een onroerend goed door een bloedverwant wordt geërfd. De erfgenaam maakt gebruik van het eigendom, maar houdt het kapitaal in stand, b.v. in de vorm van obligaties. Het bezit blijft in de familie en mag niet aan vreemden worden doorverkocht: wilde de prins van Oranje het huis kopen, dan kon dit pas na ontslag van het fideicommis, dat er op rustte.

      Het Stadhouderlijk Hof, met als kern de verblijven van de stadhouder, het Stadhouderlijk Kwartier, wordt in verschillende boedelinventarissen beschreven.

      In een boedelinventaris opgemaakt in 1759 wordt het Hof als volgt ingedeeld:

      • het kwartier van hare koninklijke hoogheid, met kamers, kabinetten, zaal en bibliotheek; het Kwartier van zijne hoogheid, met kamers en bibliotheek; het kwartier van prinses Caroline, met koepelkamer en garderobe;
      • het stadhouderlijk kwartier, met muziekzaal, galerie, kamers, kabinet en portaal; de kamers van bibliotheek en rariteitenkabinet; zaal voor de assemblées, de maarschalkseetzaal; de eetkamer van de onderhofmeester; de secretarie;
      • de kwartieren van de heren en dames en verdere bedienden en domestiquen van het hof, met kamers, kabinet, zolder, vertrekken van de gardes du corps;
      • het kwartier van de kastelein, met kamers en zolder;
      • de kwartieren van de bedienden buiten het Hof logerend, met kamers, eetzaal en zolder;
      • de manege; het Valkhuis;
      • het huis van de kamerdienaars op het Buitenhof, met kamers, zolder en stal. (

        Inventarissen, II pp. 653-677. Zie ook deel III pp. 1-17, waar een inboedel-inventaris wordt besproken, opgemaakt in 1763. Ook hier is o.a. sprake van 't huis en de stal op het Buitenhof.'

        )

      Het Stadhouderlijk Kwartier bestond in 1795 uit:

      • observatorium, torenkamers, brandzolder, secretarie van de prins, kamers van commies en knechten;
      • appartementen, genaamd 'princen quartier', de plankenkamer, de anti-chambre van de prinses, audiëntiekamers en slaapkamers, het geborduurde kabinet, het toilet-kabinet en het groene kabinet, de kamer van de edellieden, een witte zaal, de brigadierswacht, het wachtvertrek van de garde du corps, eetzaal en kabinet, de bibliotheek van de prinses, de kamers van Stamford en diens personeel, de kamers van prins Frederik, de blauwe kamer, de groene kamer, de bibliotheek, het Cabinet, garderobe knechts en zolder, de ordinaire eetzaal, buffetkamer, antichambres, muziekzaal, galerij, het Brabants kabinet, grote zaal, vogelkabinet, buffetkamer bij de muziekzaal;
      • het zg. Singelhuis: twaalf kamers op de eerste verdieping, een kamer van de kamerdienaar van de prins, en een kabinet, negen kamers op de tweede verdieping en een kabinet, een beddezolder met kasten en kamertjes, de zg. kleine zolder, een tweede zolder met kast, een lange zolder met kasten;
      • het oude 'Kinder Quartier:' drie kamers, kapelkamer, trap en draai-kamer, de keukenschrijvers-provisiekamer, de zilverkamer, de lardeerkamer, de braadkeuken, de hal, het groentehok, de broodkamer, het koper hok, het waterhok, koffers en kisten met inhoud;
      • het Valkhuis: koetsen.
      • op de Denneweg een jachtwagen. (

        Zie NDR inv. nr. 4686.

        )

      Direct nadat Willem V in januari 1795 naar Engeland was gevlucht betrokken de Fransen van de 'Convention Nationale' het Hof. Bovengenoemde inventaris van 1795 werd opgemaakt nadat deze Fransen het Hof weer hadden ontruimd en waren vertrokken. De meubels en goederen werden uitgezocht: in de inventaris wordt aangegeven wat 'van de Provintie van Holland' en wat 'van den Prince' is. Vóór maart 1795 werd het Stadhouderlijk Hof ingericht voor de Nationale Vergadering. In de trjd van Lodewijk Napoleon werd een gedeelte van het Hof gebruikt voor het ministerie van Financiën.

      Het Oude Hof (Noordeinde)

      Na de dood van Willem van Oranje in 1584 was het de bedoeling van de Staten en van prins Maurits om de weduwe Louise de Coligny met haar gezin in de nabijheid van de regering te hebben, vooral wegens de opvoeding van de jonge Frederik Hendrik. Na enige jaren ging Louise de Coligny in op dit verzoek en in 1592 huurden de Staten van Holland voor haar het Huis in het Noordeinde een patriciërswoning gebouwd door Willem Goudt in 1530, ook wel 'de huysinge van Brandtwyk' genoemd, naar een latere eigenaar. Temidden van buurhuizen met erven en tuinen, waaronder het Gasthuis met de Gasthuisweide, viel het huis op door de fraaie bouwstijl en de imposante voorgevel met twee karakteristieke torens. (

      Den Boer, Het huijs, pp. 11-15.

      )Maar het huis had nog niet het karakter van een prinselijk hof.

      In 1609 schonken de Staten-Generaal het huis aan Louise de Coligny en Frederik Hendrik in eigendom. (

      NDR inv. nrs. 4643.

      )In hetzelfde jaar kocht de prinses de Gasthuisweide en een aansluitend erf om de tuinen te kunnen uitbreiden. In de jaren 1611-1619 kocht Frederik Hendrik een aantal huizen en erven rondom het Huis in het Noordeinde om het gebouw te kunnen uitbreiden. (

      NDR inv. nrs. 4644-4650.

      )
      In 1620 overleed Louise de Coligny in Franknjk. Frederik Hendrik huwde Amalia van Solms in 1625. Zij betrokken het Stadhouderlijk Kwartier aan het Binnenhof. Het Huis in het Noordeinde werd sindsdien 'Het Oude Hof' genoemd. Het werd gebruikt voor feesten en als onderkomen voor hooggeplaatste en koninklijke gasten.

      Volgens de inventaris van 1632 was de indeling van het Hof in het Noordeinde: (

      Zie NDR inv. nr. 4680.

      )

      • twee zalen en gaanderij;
      • kwartier van de prinses met kamers, kabinet en garderobekamers;
      • kwartier van de prins met kamers, kabinet en garderobekamers;
      • het kwartier van de raad Nicaster, stalmeester en hofmeester van de prinses;
      • enkele meubelzolders, waar meubels, schilderijen, tapijten en serviesgoed stonden opgeslagen (honderden stuks);
      • logementen en kamers voor hofpersoneel en stalmeester.

      Na de dood van Frederik Hendrik betrok Amalia van Solms opnieuw het Oude Hof. Bij het verdelingsverdrag in 1732 werd het Oude Hof aan Pruisen toegewezen, maar prinses Anna van Hannover, weduwe van prins Willem IV kon het Hof in het Noordeinde in 1754 tegen een aanzienlijke vergoeding terugkopen. Het gebouw was verwaarloosd en werd hersteld onder leiding van architect D. van Stolk. (

      Den Boer, P den, Het huijs, pp. 8 en 76.

      )In 1768 kreeg architect P.W. Schonk opdracht tot verbouwingen.

      In 1795 werd het Huis in het Noordeinde in beslag genomen en gebruikt door generaal Pichegru en zijn staf. De Nassause Domeinraad bleef in de Franse tijd de belangen van de vorst in ballingschap behartigen, maar kon niet verhinderen, dat de onroerende goederen van het huis van Oranje aan de Repubhek der Verenigde Provinciën werden overgedragen. Ten behoeve van een openbare verkoop van de goederen op het Oude Hof werd in 1795 een inventaris opgesteld. (

      NDR inv. nr. 4692.

      )

      Na de komst van Willem I als soeverein vorst werd in 1814 door een speciale hofcommissie het besluit genomen het Oude Hof tot winterpaleis te verbouwen: het paleis in het Noordeinde.

      Aan de bewoning van het Huis in het Noordeinde waren voor de eigenaar, de prins van Oranje, enkele verplichtingen verbonden. Het was de bedoeling, dat de prins de doorgang van de Molenstraat naar de Gasthuisweide vrij liet voor de verschillende buren, zodanig dat er koetsen en wagens voor konden rijden. De sloot, gelegen langs de Gasthuisweide en het erf van de prins, was het eigendom van de prins. Hij diende als eigenaar ervoor te zorgen, dat de sloot bevaarbaar bleef 'om daardoor hout, turf, misse en andere nootdruftigheden, van en aan dezelve tuin, erve en huis te mogen voeren.' (

      NDR inv. nr. 4660.

      )

      De omheiningen langs sloot en doorgang moesten volgens strikte afspraken gemaakt zijn op nokhoogte zonder licht of opening; de prins had de zorg voor het onderhoud van muren en omheiningen. Wanneer een buur een speciale toestemming van de prins verkreeg om een stuk aan de muur te veranderen of de poort bij de doorgang te verhogen, dan werd daar tegelijkertijd een akte van non-prejudictie aan toegevoegd: d.w.z. dat de toestemming van de prins de betreffende persoon geen enkel recht gaf en deze dus niets ten nadele van de prins kon opeisen. (

      NDR inv. nrs. 4647, 4660.

      )

      Huis te Nieuwburg

      De ambachtsheerlijkheid van Rijswijk in de omgeving van Den Haag, die van 1474 tot 1557 het bezit van Nassau was geweest, werd in 1557 opgedragen aan de president van het Hof van Holland, mr. Cornelis Suis. (

      NDR inv.nr. 768, folio 1463.

      )

      Bij deze ambachtsheerlijkheid Rijswijk kocht prins Frederik Hendrik in 1630 van Philibert Vernatti een huis met landerijen, genaamd te Nieuwburg voor de som van 30.000 gulden. Vervolgens deed hij in de jaren 1630-1632 aankopen rondom het bezit te Nieuwburg, zoals twee huizen met erven, landerijen, berg en bebossingen, gelegen in de Plaspolder bij Rijswijk. Dit omvangrijke terrein (

      NDR inv.nrs. 4667-4673.

      )moest dienen voor de bouw van een nieuw buitenverblijf op de plek van het oude Huis te Nieuwburg van Vernatti. Met grote waarschijnlijkheid werd de Franse architect Jacques de la Vallee door Frederik Hendrik betrokken bij de bouw van dit hof. (

      Den Boer, Het huijs, p. 33, zie ook: kaartnr. S 394 van de de sectie kaarten van het Algemeen Rijksarchief en R Vermeulen, 'Bouwgeschiedenis en beschrijving van het voormalig Huis te Nieuwburch te Rijswijk' in: Nederlandsche Historiebladen I (Utrecht 1938), p. 122.

      )

      In 1633 werd de bouw aanbesteed en in 1634 waren de eerste paviljoens van het Huis te 'Nieuburch' volgens de betalingen n.a.v. de bestekken gereed: een Frans klassiek gebouw, symmetrisch ingedeeld. De tuinen werden geometrisch aangelegd, eveneens naar Frans voorbeeld. In 1636 werd met de afwerking van dakwerk, balustraden en hekwerk en de aanleg van vijvers en tuinen het nieuwe buitenverblijf voltooid. (

      NDR inv.nr 4694.

      )

      Na het overlijden van prins Willem III, koning van Engeland, in 1702, volgde er een erfeniskwestie met de koning van Pruisen, die voortduurde tot 1732. Gedurende die gehele periode bleven alle goederen onder beheer van de Domeinraad, die verantwoording schuldig was aan de Staten-Generaal. Bij het verdelingsverdrag in 1732 kreeg koning Frederik Willem I van Pruisen het Huis te Nieuwburg toegewezen. Uit vriendschapsoverwegingen deed Frederik van Pruisen echter afstand van Huis te Nieuwburg ten gunste van Willem IV. (

      Inventarissen, I, Inleiding, pp. XXVII-XXVIII en XXXII.

      )

      Het Huis te Nieuwburg werd volgens een contract van 1753 in dat jaar verhuurd aan graaf J.Golofkin, ambassadeur van de tsarina van Rusland. (

      NDR inv.nr. 4698.

      )

      In 1789 gaf de architect P.W. Schonk, in een rapport aan de prins, het advies om tot sloop van het verwaarloosde hof over te gaan, nadat hij dit had overlegd met de intendant A. Douglas en de rentmeester van het Westland A.G. Christ. Bovendien adviseerde hij om uit de opbrengsten van de verkoop van roerende goederen en landerijen een monument op te richten ter nagedachtenis aan de vrede die in 1697 in het Huis te Nieuwburg gesloten werd tussen Frankrijk, Spanje, Engeland en de Republiek, de zogenaamde 'Vrede van Rijswijk'. (

      NDR inv.nrs. 4701,4617.

      )

      Uit de resoluties van de Domeinraad blijkt dat in 1790 op grond van het advies van Schonk begonnen werd met de afbraak van het Huis te Nieuwburg, van de paviljoenen en de bijgebouwen. (

      NDR inv.nr 666.

      )De laatste stallen en het koetshuis werden verkocht in 1793. (

      NDR inv.nr. 667.

      )
      Op de plek van het Huis staat nu nog de 'naald van Rijswijk', het gedenkteken ter nagedachtenis van de vrede.

      Oranjezaal (Huis ten Bosch)

      Als gevolg van de vorstelijke levenswijze en de staat van hofhouding, die Frederik Hendrik en Amalia van Solms voerden, ontstond bij hen de behoefte aan een zomerresidentie niet ver van het Stadhouderlijk Hof. Zo ontstond, vooral op aandringen van Amalia het plan tot het bouwen van het Huis in het Bosch in 's-Gravenhage, naar ontwerpen van Pieter Post. (

      Iventarissen, I, pp. 379-383.

      )In 1645 kregen zij voor dit doel van de Staten van Holland een terrein van ruim 18 morgen ten geschenke; akkerland, weiland, 'valleye en wildernisse' gelegen aan de oostzijde van het Haagse Bos. (

      NDR inv. nr. 4675.

      )
      In September 1645 legde Elisabeth Stuart de Winterkoningin, de eerste steen van het Huis in het Bosch.(

      M. Loonstra, "Het huijs int bosch", het Koninklijk Paleis ten Bosch historisch gezien, (Zutphen, 1985), pp. 23-24.

      )
      Zij verbleef als gast samen met haar man Fredenk, keurvorst van de Palts en haar gezin en hofhouding op het Oude Hof in Den Haag.

      Fredenk Hendrik heeft de voltooiing van het Huis in het Bosch niet kunnen meemaken. Na zijn overlijden in 1647 liet Amalia de oorspronkelijke opzet en bestemming wijzigen: het accent kwam te liggen op de centrale hal, die onder leiding van Jacob van Campen werd ingericht als mausoleum. Hij liet de grote zaal versieren met schilderijen ter nagedachtenis aan de roemrijke daden van Fredenk Hendrik. Deze imposante zaal werd Oranjezaal genoemd. Op advies van Huygens, die vanaf het begin betrokken was bij de bouw, de inrichting en de decoratie, kreeg het gehele Huis in het Bosch de naam 'Orangesael'. Pas in 1654 werd het Huis ten Bosch in eerste opzet voltooid.

      Het schilderijenbezit van Fredenk Hendrik en Amalia van Solms was bijzonder omvangrijk. Zij bezaten o.a. werken van Rubens, Van Dyck, Rembrandt, Lievens en Honthorst. Hun hofschilder was Michiel van Mierevelt. Niet alleen in de Oranjezaal, maar ook in daartoe gebouwde galerijen in het Oude Hof en het Stadhouderlijk Kwartier vonden deze kunstwerken een plaats.

      Amalia bewoonde voornamelijk de Oranjezaal, afwisselend met het Oude Hof, tot haar dood in 1675. Bij de boedelscheiding in 1676 ging de Oranjezaal als gemeenschappelijk bezit over op haar dochters:

      1. de nakomelingen van de overleden dochter Louise Henriette, keurvorstin van Brandenburg: de beide prinsen van Brandenburg;
      2. Albertina Agnes, weduwe van Willem Fredenk van Nassau-Dietz;
      3. Henriette Catharina, vrouw van Johan George van Anhalt-Dessau;
      4. Maria, weduwe van Lodewijk Hendrik Maurits, paltsgraaf van Simmern. De tweede dochter, Albertina Agnes, verkreeg het vruchtgebruik van het Huis in het Bosch. (

        Drossaers I, I, pp 325-377.

        )

      Ook Zevenbergen dat het persoonlijk eigendom van de prinses was, vermaakte zij op deze wijze aan haar dochters. In 1703 werd bij testament van Willem III bepaald, dat jaarlijks een rente van 1000 gulden uit Zevenbergen werd bestemd voor het onderhoud van het Huis in het Bosch. (

      NDR inv.nr. 4704.

      )

      Bij de nalatenschap van Willem III ontstond een erfeniskwestie, veroorzaakt door het vroegere testament van Amalia van Solms. Fredenk I van Pruisen, zoon van de oudste dochter Louise Henriette eiste zijn deel van de erfenis op. Bij het verdelingsverdrag in 1732 werd zijn eis ingewilligd en kreeg hij het Huis ten Bosch toegewezen. Uit vriendschapsoverwegingen schonk deze het aan Willem IV van Oranje.

      Aangezien het gebouw was verwaarloosd, maakte Willem IV plannen voor restauratie en de aanbouw van twee nieuwe vleugels. De architect D. Marot kreeg in 1733 opdracht een ontwerp te maken. In 1734 werd de bouw van de beide zijvleugels aanbesteed: hierbij werd de architect Coulon belast met de inspectie en begeleiding van het werk. Deze had echtereen slechte verhouding met de thesaurier Duncan en met Marot: ze vonden, dat Coulon onnodig hoge kosten maakte. Coulon kreeg de steun van de werklieden. (

      NDR inv.nr. 4705.

      )In 1735 werd de bouw halverwege de eerste vleugel gestaakt. Pas in 1747, na de verheffing van de prins tot stadhouder van alle gewesten, werd de bouw opnieuw gestart. Bovendien kocht Willem IV in 1748 twee hofsteden, het Kleine Loo en het Oude Loo, met erven, boerenwoningen, stallen, weiland en hooiland, grenzend aan het terrein van het Huis in het Bosch.(

      NDR inv.nrs. 4677,4707.

      )
      De hofstede het Oude Loo werd weer verkocht in 1786.

      De Oranjezaal en het Kleine Loo werden in 1795 door de Fransen in beslag genomen en later geschonken aan het Bataafse volk, waardoor het onder nationaal beheer kwam. De vele goederen werden opgeslagen en geïnventariseerd. Veel werd verkocht, maar de schilderijen werden buiten de verkoop gehouden. (

      NDR inv.nrs. 4618 en 4709-4710.

      )Na een staatsgreep werden door Daendels in 1798 leden van het Uitvoerend bewind en leden van de Volksvertegenwoordiging tijdelijk opgesloten in het Huis ten Bosch, waarvan de ramen waren geblindeerd. (

      J.J. Mostard, Den Haag Oranje residentie (Den Haag, 1980), 106-107, en E.M.Ch.M. Janson, Kastelen in en om Den Haag, (Den Haag, 1971), pp 21-22.

      )

      Nadat van verschillende andere verblijven van de prins van Oranje meubels en schilderijen naar het Huis in het Bosch waren getransporteerd, opende men in 1799 een Nationale Kunstgalerij, bestaande uit de Oranjezaal, de Chinese Kamer en de zuidelijke of Haagse vleugel. (

      NDR inv.nrs. 4711-4719.

      )Het resterend gedeelte van het gebouw werd enige jaren als hotel gebruikt voor hoge gasten.

      Vanaf 1805 gebruikte eerst R.J. Schimmelpennick tijdens zijn eenhoofdig bewind het Huis in het Bosch als verblijf. (

      NDR inv.nrs. 4716-4717.

      )Daarna werd het bewoond door koning Lodewijk Napoleon en na herstelwerkzaamheden kreeg het tenslotte onder koning Willem I het karakter van een paleis: het Huis ten Bosch.

      Beheer Stadhouderlijk Hof

      Het financiële beheer viel onder de verantwoordelijkheid van de thesaurier-generaal. Een kastelein voerde de directie van het Hof en verzorgde de wekelijkse inkomsten en lasten. Hij bewoonde de 'Casselenije' naast de grafelijke zalen. Voor de tuinen en stallen was een opzichter aangesteld. Een hofarchitect hield toezicht op de toestand en staat van gebouwen en tuinen. Door de prins benoemde functionarissen: (

      NDR inv. nr.. 686, folio 679-683.

      )

      • Controlleur van de grafelijkheidsgebouwen, de architect
      • Wapen of stempelsnijder
      • Horlogemaker
      • Timmerman en schrijnwerker
      • Commies van het Cabinet
      • Klerk van het Cabinet
      • Drukkers en leveranciers
      • Planbewaarder van de landkaarten en militaire stukken
      • Bibliothecaris
      • Messemaker
      • Opzichter van de tuinen en menagerieën
      • Pompmaker en leidekker
      • Commies of boekhouder
      • Glazenmaker
      • Metselaar
      Het Oude Hof (Noordeinde)

      Het financiële beheer viel onder de verantwoordelijkheid van de thesaurier-generaal. Een intendant voerde de directie van het Hof en verzorgde de wekelijkse inkomsten en lasten. Er was een kastelein of huismeester voor de verzorging van het Hof. Voor de tuinen waren een hovenier en twee knechten aangesteld. Voor onderhoud en verbouwingen aan het gebouw had de hofarchitect de leiding, een opzichter voerde het werk uit.

      Door te prins te benoemen functionarissen:

      • Architect
      • Intendant van het Huis
      • Controlleur en opzichter van de werken
      • Kastelein
      • Hovenier
      • Portier
      • Twee permanente knechten
      Huis te Nieuwburg

      Een opzichter voerde de directie van het Huis. De conciërge verzorgde de maandelijkse rekeningen en diende de maandstaten in bij de thesaurier. Het financiële beheer viel rechtstreeks onder de thesaurier-generaal en niet onder een rentmeester. (

      NDR inv.nr 1041, folio IIc LXXX van de rekening van de thesaurier.

      )

      Uit de archiefstukken blijkt, dat in de periode rond 1790 en later de rentmeester van het Westland betrokken werd bij bepaalde beheersactiviteiten, zoals bij verkoop - b.v. houtverkoop - en verpachting van goederen, landerijen en visserij en bij inspectie.

      Door de prins te benoemen functionarissen:(

      NDR inv.nr. 687, p.469.

      )

      • Directeur en opzichter
      • Conciërge en ontvanger van de inkomsten
      • Plantagemeester
      • Hovenier
      • Fontainier en grottier
      Oranjezaal (Huis ten Bosch)

      Het financiële beheer viel onder de verantwoordelijkheid van de thesaurier-generaal. Op het Huis ten Bosch was een conciërge benoemd. Voor de tuinen was een hovenier aangesteld. Bovendien hadden de beide hofsteden een hovenier. Voor onderhoud en herstelwerkzaamheden aan de hofsteden waren een metselaar, timmerman en glazenmaker aangesteld. Door de prins te benoemen functionarissen: (

      NDR inv. nr.. 687, folio 513-514.

      )

      • Conciërge
      • Hovenier
      • Hovenier op het oude Loo
      • Hovenier op het kleine Loo
      • Brandmeester of opzichter van de brandspuit
      • Timmerman op het oude Loo
      • Metselaar op het oude Loo
      • Glazenmaker
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In de registers van notulen van de Domeinraad (inv.nrs. 1-183) en evenzo in de repertoria op de notulen (inv.nrs. 637-679) treft men voortdurend ordonnanties van betaling voor leveranties, voor arbeidsloon en andere zaken van beheer: zoals bv. aanbestedingen n.a.v. bestekken van architecten voor vernieuwing van gebouwen en tuinaanleg, aanleg en onderhoud van tuinen en gebouwen, inspecties i.v.m. reparaties, inventarisatie van de inboedel. Zowel het Stadhouderlijk Hof als het Oude Hof, het Huis te Nieuwburg en de Oranjezaal zijn onder aparte trefwoorden te vinden.

      Kwesties als benoemingen, instructies en behandeling van zaken aangaande personeel, en ook toezicht en controle op onderhoud van gebouwen, dienstwoningen en tuinen, aankoop van goederen en controle op de boedel kan men aantreffen in de ingekomen stukken bij de Domeinraad (inv.nrs 286-557). Voor wat betreft het Stadhouderlijk Hof bevinden zich veel gegevens in het register van stukken betreffende het beheer van de hofhouding en de administratie van de prins van Oranje {inv.nr. 770).

      In het hier beschreven onderdeel van het archief van de Nassause Domeinraad berusten vooral stukken betreffende verwerving en beheer. De stukken van verwerving betreffende het Stadhouderlijk Hof zijn met name akten van transport met bijlagen betreffende de huizen en erven rondom het Stadhouderlijk Kwartier. Het Kwartier zelf werd vanouds door de Staten-Generaal bekostigd.

      In de rubriek beheer zijn o.a. boedelinventarissen en stukken betreffende verbouwingen, uitbreidingen en afbraak te vinden.

      Elders berustende stukken

      Ook bij het Koninklijk Huisarchief berusten stukken betreffende het Hof en de andere huizen in Den Haag en omgeving, b.v. in het archief van Willem I, prins van Oranje, koning der Nederlanden, 1772-1859, en in het archief van de Intendance der koninklijke paleizen te 's-Gravenhage na 1816.

      Kaarten

      1. Stadhouderlijk Hof
        Collectie Hingman (VTHR) inv. nrs. S 330, S 332 en S 396.
      2. Oude Hof (Noordeinde)
        Collectie Hingman (VTHR) inv. nrs. 3315, 3317 en 4696.
      3. Huis te Nieuwburg
        Collectie Hingman (VTHR) inv. nrs. 2397-2400, S 392-394.
      4. Oranjezaal (Huis ten Bosch)
        Collectie Hingman (VTHR) inv. nrs. 4698-4700, 3322-3325, 3329-3334 en S 47
      Literatuur Boer, P den, "Het huijs int noorteynde", het Koninklijk Paleis Noordeinde historisch gezien, Zutphen 1986. Calkoen, G.G., 'Het Binnenhof van 1247-1747 (volgens de rentmeesterrekeningen van Noord-Holland) met een afbeelding en drie plattegronden' In: Jaarboek Die Haghe, 'sGravenhage, 1902. Erkelens, A.M.L.E., De inrichting van het oude hof onder koning Willem I. Leiden, 1974 (doctoraalscriptie). S.W.A. Drossaers en Th.H. Lunsingh-Scheurleer, Inventarissen van de inboedels in de verblijven van de Oranjes en daarmede gelijk te stellen stukken, 1567-1795, deel I, II en III. 's-Gravenhage 1974-1976, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie, nrs 147-149. J.H. Hora Siccama, 'Uit de geschiedenis der domeinen van het Huis van Oranje in Nederland'. In: Je mainttendrai, Leiden, 1905, dl II, pp. 168-202. A. Ising, Het Hof te 's-Gravenhage, de prinsen van Oranje op het Stadhouderlijk Kwartier, 's-Gravenhage, 1898. E.M.Ch.M. Janson, Kastelen in en om Den Haag. Den Haag, 1971. M. Loonstra, "Het huijs int bosch", het Koninklijk Paleis ten Bosch historisch gezien, Zutphen, 1985. A ter Meer Derval, 'Namen van de opeenvolgende eigenaars der huizen, staande aan de Noord-, West- en Oostzijde van het Buitenhof van 1600 tot circa 1830, met kaart en twee afbeeldingen.' In: Jaarboek Die Haghe, 's-Gravenhage, 1941. H.J.A.H.G. Metselaars (red ), Particuliere archieven in Nederland. Houten, 1992 (pp. 225-256, Koninklijk Huisarchief). J.J. Moerman, Op en om het historisch Binnenhof. 's-Gravenhage, 1940. A.J. Servaas van Rooyen, e.a., Haags jaarboekje 1899. 's-Gravenhage, 1898. F. Vermeulen, 'Bouwgeschiedenis en beschnjving van het voormalig Huis te Nieuwburch te Rijswijk.' In: Nederlandsche Historiebladen, Eerste jaargang, Utrecht, 1938, pp. 115-134. P. Wander, Haagse huizen van Oranje. Den Haag, 1982.
    • Verwerving De baronie

      Onder de baronie van IJsselstein waren het kasteel en de stad van die naam, Benschop en Noord-Polsbroek begrepen. De eerste bezitters van de goederen en rechten van deze baronie waren leden van de familie Van Amstel. Door het huwelijk in 1330 van Jan I van Egmond en Guyotte van Amstel kwam IJsselstein aan het huis Egmond om door het huwelijk in 1551 van prins Willem van Oranje en Anna van Egmond, eveneens een erfdochter, over te gaan op het huis Oranje-Nassau. (

      Voor uitgebreide gegevens over de vererving van Egmondse goederen op de families Amstel en Egmond zie onder meer: R. Fruin, 'De vrije heerlijkheden gelegen in het grensgebied tusschen Gelderland, Holland en Utrecht' in: Verslagen en mededelingen van de Vereeniging tot uitgaafder bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht. 8 (Utrecht, 1934), pp. 354-358.

      )Na het overlijden van Anna in 1558 erfde Philips Willem de bezittingen van zijn moeder. Zijn vader werd voogd, eerst omdat hij minderjarig was en later wegens zijn gevangenschap in Spanje. Na de moord op Willem van Oranje werd Maria van Nassau door de Staten-Generaal gemachtigd om de Burense goederen, waaronder IJsselstein, te beheren voor haar broer prins Philips Willem. Nadat Philips Willem in 1618 was overleden, vererfden naast de Nassause ook de Burense goederen op zijn halfbroer Maurits. Het kinderloos overlijden in 1702 van stadhouder-koning Willem III gaf aanleiding tot langdurige geschillen over de verdeling van diens nalatenschap. Partijen in dit geschil waren de Friese stadhouder graaf Johan Willem Friso en Frederik I koning van Pruisen. In 1712, ver voor de uiteindelijke regeling van het geschil, werd de baronie toegewezen aan prins Willem IV die dit domein als douarie aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel gaf. Daar zij haar zoon overleefde vererfde de baronie bij haar dood in 1765 op haar kleinzoon prins Willem V. In de Bataafs-Franse tijd werden de goederen van de prins van Oranje genationaliseerd. Na als voormalige baronie heen en weer geschoven te zijn tussen verschillende toen bestaande departementen, werden IJsselstein, Benschop en Noord-Polsbroek in 1814 als aparte gemeenten gevoegd bij de provincie Utrecht.

      Bij de stad lag het kasteel IJsselstein. De heren van IJsselstein uit de families Egmond en Oranje hebben spaarzaam van dit huis gebruik gemaakt. Ten tijde van de Republiek diende het kasteel als woning van de drost. De Fransen gebruikten het als kazerne voor hun soldaten. In 1812 werd het kasteel door Domeinen verkocht aan de familie Strick van Linschoten om in 1887 verkocht te worden voor de sloop. Alleen de hoektoren bleef gespaard. (

      Zie in: Kastelen en ridderhofsteden in de provincie Utrecht, onder auspicien van de Stichting Utrechtse Kastelen, 1995.

      )

      De geestelijke goederen

      Voordat sprake was van IJsselstein lagen in dit gebied andere gerechten waarvan de namen nog bekend zijn, zoals Achterveld, Meerlo en Over-IJssel of IJsselveld. Deze gerechten behoorden tot het kerspel Eiteren. (

      J J. de Geer, 'Eiteren en IJsselstein' in: Bijdrage tot de geschiedenis en oudheden der provincie Utrecht (Utrecht, I860), pp. 13-19, 29-34 en verder.

      )De kerk aldaar was gewijd aan O.L. Vrouwe Hemelvaart. Na de stichting van IJsselstein werd deze kerk door Gijsbrecht van Amstel overgebracht naar IJsselstein waar zij in 1309 gewijd werd aan de heilige Nicolaas. In Eiteren bleef een kapel bestaan met een vicarie, gewijd aan de Heilige Maagd en gesticht door Agnes, weduwe van ridder Werenbold de Vlaming. (

      De Geer, Eiteren en IJsselstein, pp. 30-31 en 175.

      )
      Ten tijde van de Republiek bleef deze kapel een bedevaartsoord.

      Eveneens in Eiteren lag het klooster van Onze Lieve Vrouwenberg, ook wel Onze Lieve Vrouw op de Berg genoemd, van de orde der cisterciënzers. Dit klooster was in 1342 gesticht door Gijsbrecht van IJsselstein en diens zoon Arnoud. (

      Drossaers II inv.nrs. 95-100.

      )Uit een afschrift van een akte blijkt dat Arnoud van Egmond rond 1399 'in onssen nieuwer stede van IJselsteijn' nog een klooster had gesticht. Dit klooster behoorde tot de orde van St. Bernardus. (

      J.A. Jaeger, Handschriften Derde Afdeling tot en met 1950 ('s-Gravenhage, 1968), inv. nr. 765, zie ook NDR inv.nr 4822.

      )
      Voor zover bekend wordt de stichting van dat klooster nergens genoemd. De confiscatie van de goederen van de kerken en kloosters in de baronie van IJsselstein vond plaats tussen 1577 en 1578 waarna ze gevoegd werden bij de domeinen van de prins van Oranje.

      Grondgebied en benaming

      De in de Lopikerwaard tussen Holland en Utrecht gelegen baronie van IJsselstein omvatte naast het kasteel IJsselstein de stad met het schoutambt van die naam en de ambachten Benschop en Noord-Polsbroek.

      De stad IJsselstein ligt aan de IJssel en werd begrensd door het land van Montfoort ten noorden, het Nedereinde van Jutphaas en het gebied van Vreeswijk ten oosten, Lopik en Zuid-Polsbroek ten zuiden, en Vlist en Bonrepas ten westen. Tot het schoutambt behoorden de polders Broek, Neder-Oudeland, Over-Oudeland, IJsselveld en Hoge Biezen. Van al deze polders is het Broek of de Broekpolder de grootste. Lage Biezen, Achtersloot, Meerlo en Broek zijn gedeelten van deze polder. IJsselstein dankt haar naam aan de IJssel en het kasteel, de stenen burcht aan de IJssel, letterlijk IJsselstein.

      Het ambacht Benschop omvatte het dorp en de polder van die naam en werd begrensd door Willeskop ten noorden, IJsselstein ten oosten, Lopik ten zuiden en Polsbroek ten westen De oorspronkelijke naam Benscoop, later Benskop of Benschop, werd bijna altijd op dezelfde manier geschreven. Benschop betekent de koop van Benno. Waarschijnlijk was deze, overigens onbekende, Benno de eerste die toestemming kreeg om aldaar land te ontginnen.

      Het ambacht Noord-Polsbroek werd in het oosten begrensd door Benschop, ten zuiden en westen door Zuid-Polsbroek en ten noorden door Hoenkoop en Willeskop. De wetering die Noord-Polsbroek scheidt van Zuid-Polsbroek werd rond 1289 gegraven. De scheiding van Polsbroek in een noordelijk en een zuidelijk gedeelte dateert echter al van voor die tijd. (

      Drossaers II, inv. nr. 82, A. Johanna Maris, Uit de geschiedenis van Polsbroek, in Jaarboek Oud Utrecht (1944), p. 25.

      )Behoudens spellingsvarianten heeft Polsbroek altijd dezelfde naam gehad. De betekenis van deze naam is niet precies bekend. Mogelijk betekent hij zoveel als hoge plek in laagland of eilandje in het moeras. (

      H.J. Moerman, Nederlandse plaatsnamen. Een overzicht (Leiden, 1956), pp. 43 en 183.

      )

      Rechten en bevoegdheden

      Het kasteel van IJsselstein met het omliggende land was een Hollands leen. De bezittingen van de baronie waren voor een deel leenroerig aan Amstel en voor een ander deel aan Cuijk. Na de moord op graaf Floris V verbeurden de heren van Amstel hun goederen aan de graaf van Holland. De Cuijkse lenen werden in 1327 aan de graaf verkocht waardoor de gehele baronie een Hollands leen werd. (

      Voor een gedetailleerde beschrijving van de herkomst en de verwerving van de verschillende onderdelen van de baronie door de graven van Holland, zie onder meer Drossaers II, I, pp. 2-5.

      )Aan de macht van de heren van IJsselstein wordt toegeschreven dat de invloed van het gewest Holland op de baronie gering is geweest. Zo had het Hof van Holland geen zeggenschap in de baronie (

      IJsselstein was, evenals Buren en Leerdam, een vrijstad. Brieven van vrijgeleide zijn te vinden in NDR inv. nrs. 4723-4726. Zie ook M Gijswijk-Hofstra, Wijkplaatsen voor vervolgden. Asielverlening in Culemborg, Vianen, Buren, Leerdam en IJsselstein van de 16de tot eind 18de eeuw (Dieren, 1984).

      )
      en werden alleen bij uitzondering aan Holland belastingen betaald. (

      Drossaers, Tweede Deel, inv. nr. 46, NDR inv. nr. 4752, P.A. Meilink, bewerkt door H.J.Ph.G. Kaajan, Inventaris van de archieven van de Staten van Holland vóór 1572 ('s-Gravenhage, 1993), inv. nr. 846.

      )
      Philips II erkende de baronie in 1556 als souvereine heerlijkheid waardoor zij in haar vrijheid werd bevestigd. Als zodanig werd met de Staten-Generaal in 1585 overeen gekomen dat jaarlijks een vast bedrag betaald zou worden als bijdrage in de oorlogslasten. Met wisselend succes is getracht om in vredestijd onder deze regeling uit te komen. (

      NDR inv. nr. 4755. Zie ook R. Fruin, 'De vrije heerlijkheden', pp. 362-363.

      )

      Het bestuur van de baronie was samengesteld uit een college waarin zitting hadden de drost, als vertegenwoordiger van de heer, en de schouten van IJsselstein, Benschop en Noord-Polsbroek De rentmeester woonde de vergaderingen bij maar maakte daar officieel geen deel van uit. In dit bestuurscollege werden zaken behandeld die de gehele baronie betroffen. (

      De meeste gegevens zijn ontleend aan W.F.J. den Uyl, De Lopikerwaard, Deel I: Dorp en kerspel tot 1814 (Utrecht, 1963).

      )

      Als vrije en hoge heerlijkheid werd recht gesproken in civiele en criminele zaken. Tot 1602 was beroep mogelijk bij het Leenhof van IJsselstein, daarna alleen bij de Nassause Domeinraad. (

      De uit zes banden bestaande rol van het Leenhof, 1543-1601, bevindt zich in het Rijksarchief in Utrecht, Collectie Nassause Domeinraad, IJsselstein, inv. nrs. 227.1-227.6.

      )

      De zaken die de waterstaat betroffen werden geregeld door het hoogheemraadschap van de Lekdijk-Benedendams.

      Wanneer IJsselstein stadsrechten heeft gekregen is niet precies bekend. In een akte van 1331 worden de inwoners van IJsselstein al poorters genoemd. (

      Drossaers II, I, p. 3.

      )De stad werd bestuurd door de drost en de schout als vervangers van de heer, en twee burgemeesters. Hoewel de rentmeester geen deel uitmaakte van het stadsbestuur woonde ook hij alle vergaderingen bij. De invloed van de vroedschap op het stadsbestuur was in de loop der eeuwen nagenoeg verdwenen. Ten tijde van prinses Maria Louise werd de vroedschap gedeeltelijk in haar oude bevoegdheden hersteld. (

      R Fruin, 'De vrije heerlijkheden', p. 362.

      )

      De prins van Oranje stelde in IJsselstein de volgende functionarissen aan: (

      Deze lijst is ontleend aan het Ambtboek, NDR inv. nr. 686, folio 437 recto-466 verso.

      )

      • Collecteur van de quotisatie
      • Conciërge
      • Drost
      • Dijk-en watergraaf en heemraad van Bijleveld en Marendijk
      • Franse kostschoolhouder
      • Franse kostschoolhoudster van jonge dochters
      • Gerechtsbode
      • Griffier van de lenen
      • Heemraad van het land van IJsselstein en de Lopikerwaard
      • Hovenier van het kasteel
      • Keurmeester
      • Koster van de Nicolaaskerk
      • Lector humaniorum literarum
      • Leenbode
      • Medicinae doctor over de baronie
      • Notaris
      • Ontvanger van de contributiepenningen
      • Ontvanger van de omslagen over de vijf polders
      • Opzichter van de plantages
      • Organist
      • Portier van de Benschopperpoort
      • Procureur voor het gerechtshof
      • Rector van de Latijnse school
      • Rentmeester van de domeinen
      • Rentmeester van de geestelijke goederen
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stadhouder van de lenen
      • Stads doctor
      • Tafelhouder van de Bank van Lening
      • Voorzanger

      Benschop werd bestuurd door een schout en twee burgemeesters. Evenals in IJsselstein was de invloed van de magistraat en de schepenen of gezworen heemraden te verwaarlozen. Besluiten konden alleen worden uitgevoerd na goedkeuring door de drost en de rentmeester, die de vergaderingen meestal bijwoonden. De schepenbank berechtte de civiele zaken. Criminele zaken werden aanhangig gemaakt voor de schepenbank in IJsselstein. Appel was mogelijk op het Leenhof van IJsselstein. In 1602 gingen zaken in beroep over op de Domeinraad.

      In Benschop stelde de prins van Oranje de volgende functionarissen aan: (

      Deze lijst is ontleend aan het Ambtboek, NDR inv.nr. 686, folio 44verso-449recto.

      )

      • Armmeester van de grote armen
      • Collecteur of ontvanger van de verpondingen en omslagen
      • Gerechtsbode
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Voorzanger

      Het bestuur van Noord-Polsbroek had veel overeenkomst met dat van Benschop. Ook hierlag het bestuur hoofdzakelijk in handen van de magistraat, bestaande uit de schout en twee burgemeesters, en was de invloed van de schepenen gering. De besluiten die de schepenbank nam konden alleen na goedkeuring door de drost en de rentmeester worden uitgevoerd. Noord-Polsbroek had een gerecht voor civiele zaken. Evenals in Benschop werden criminele zaken berecht voor de schepenbank in IJsselstein en kon tot 1602 geappelleerd worden aan het Leenhof. Daarna ging de behandeling van zaken over op de Domeinraad.

      In Noord-Polsbroek stelde de prins van Oranje de volgende functionarissen aan: (

      Deze lijst is ontleend aan het Ambtboek, NDR inv.nr. 686, folio 451recto-452verso.

      )

      • Collecteur of ontvanger van de verpondingen en de gemene omslagen
      • Gerechtsbode
      • Rooms armmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      Beheer

      Het beheer van de baronie lag in handen van de rentmeester. Naast de inkomsten uit de domeinen was hij ook verantwoordelijk voor die uit de kapittel- en kloostergoederen.

      (

      Uit de rekeningen valt niet op te maken of de inkomsten afkomstig waren van de goederen van een of meerdere kloosters. Dat er meer kloosters waren blijkt alleen uit retroacta. Zie NDR inv.nr. 4819-4822.

      )

      Tevens was hij griffier van de lenen en ontvanger van de beden. Tot 1734 waren er drie series rekeningen: namelijk van de domeinen, het kapittel en van de kloosters. In de kapittel rekeningen werden ook de inkomsten uit vicariegoederen verantwoord. In 1735 werd besloten de rekeningen samen te voegen met als reden de onduidelijke herkomst van de goederen. De rentmeesters waren verplicht de rekeningen zelf naar de Rekenkamer van de Domeinen te brengen om te worden afgehoord. Deze Rekenkamer was eerst gevestigd in Breda. Philips van Hohenlohe, de echtgenoot van Maria van Nassau, richtte in 1603 in Buren een eigen Rekenkamer op voor het beheer van de Egmondse goederen. Hierdoor zijn stukken over IJsselstein, ongeveer over de periode 1584 tot 1619, gemengd geraakt met die van het domein Buren.

      (

      Drossaers II, I, pp. VII-VIII. Zie ook deze inventaris Domein Buren.

      )

      In 1609 nam prins Philips Willem het beheer van al zijn goederen in eigen hand en vestigde hij zijn Rekenkamer weer in Breda. Na zijn dood in 1618 werden alle rekeningen afgehoord bij de Rekenkamer te 's-Gravenhage die tot het einde der republiek daar gevestigd was.

      (

      Drossaers I,I, p. XII.

      )
      Rentmeesters van de domeinen van IJsselstein

      (

      De gegevens zijn ontleend aan de serie rekeningen. Een nieuwe rentmeester was verplicht om voorin zijn eerste rekening zijn commissie af te schrijven. Bij verzuim werden zij vaak door de Domeinraad gemaand dit in de eerstvolgende rekening te herstellen.

      )

      Herman van den Steen (1582)-1598.
      Eric Dimmer [1599]-[1621].
      Willem Dimmer 1621-1636.
      Jan Dimmer 1637-1678.
      Hendrik Laurens Spiegel 1679-1685.
      Jacques de Gruijter 1686-1693.
      Adriaan van Schuijlenburg 1704-1731.
      Johan Marchand, substituut, 1694-1703.
      Adriaan Maas 1732-1734.
      Rentmeesters van de geestelijke goederen
      Herman van den Steen (1582)-1598.
      Eric Dimmer [1599]-[1621].
      Willem Dimmer 1601-1636.
      Jan Dimmer 1637-1678.
      Hendrik Laurens Spiegel 1679-1685.
      Jacques de Gruijter 1686-1693.
      Adriaan van Schuijlenburg 1704-1731.
      Johan Marchand, substituut, 1694-1703.
      Adriaan Maas 1732-1734.
      Rentmeesters van de domeinen en geestelijke goederen
      Adriaan Maas 1735-1744.
      Jan Graves 1745-1764.
      Pieter van der Meulen, wrn. 1764-1768.
      Cornelis Johannes van Affelen Codde 1769-1797.
      Theodorus Bijmholt 1798-1811.
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      Op een enkele uitzondering na dateren de stukken in dit hoofdstuk van na 1581. De stukken van voor die tijd zijn geïnventariseerd door dr. S.W.A. Drossaers. In de inleiding beschrijft zij uitgebreid de lotgevallen van de domeinarchieven van het huis Egmond, waaronder die van IJsselstein. (

      Drossaers II. De leenregisters echter berusten in het Rijksarchief in de provincie Utrecht.

      )

      Oorzaken van verlies van archieven, naast calamiteiten als brand of waterschade, kwamen voort uit ambtelijk handelen. Om verschillende redenen hielden ambtenaren stukken uit hun ambtsperiode vaak onder zich waardoor de kans op verspreiding en verlies niet uitgesloten was. Zo deden ook de drosten Pieter Benjamin en Joachim Ferdinand de Beaufort. De omvangrijke hoeveelheid stukken die zij tijdens de uitoefening van hun ambt onder zich hadden werd, na hun overlijden niet aan de Domeinraad teruggegeven maar bij de familie bewaard. Deze stukken zijn nu te vinden in het familiearchief De Beaufort. (

      E.P. de Booy, Inventaris van het archief van de familie De Beaufort, 1556-1976 (Utrecht, 1985), inv. nrs. 1525-1695.

      )Een ander verlies werd geleden in 1949. Door de toenmalige Algemene Rijksarchivaris werd een groot gedeelte van het domeinarchief van IJsselstein in het Rijksarchief in de provincie Utrecht gedeponeerd. (

      VROA (1949), p. 30. Idem (1950), p. 68.

      )
      Van deze verzameling bestaat een globale inventaris. (

      C.D. van der Dussen, Archivalia betreffende de goederen behorende onder het Leenhof en de rentmeester van de heren van IJsselstein (Utrecht, 1950).

      )

      Bij Samenwerking archiefzorg Lopikerwaard van de gemeenten Lopik, Oudewater en IJsselstein zijn onder andere de archieven van de baronie en het stad IJsselstein in beheer. Dit omvangrijke archief is geïnventariseerd door mr. R. Fruin. (

      R. Fruin, 'Inventaris van het archief der gemeente IJsselstein van de oudste tijden tot de invoering van het Franse bestuur, (1285)1447-1811', in: Verslag over oude gemeente en waterschapsarchieven in de provincie Utrecht over 1892. Bijlage E, pp. 1-127.

      )Na de laatste gemeentelijke herindeling werden Benschop en Polsbroek (

      In 1857 werden de gemeenten Noord- en Zuid-Polsbroek opgeheven en samengevoegd tot de nieuwe gemeente Polsbroek. Zie Maris, Polsbroek, p. 66.

      )
      bij Lopik gevoegd waardoor ook de archieven van deze gemeenten bij archiefzorg Lopikerwaard bewaard worden.

      Literatuur A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek. Gorinchem 1840-1847. J J. Abbink Spaink, IJsselstein, verleden en heden. IJsselstein, 1962. J. Acquoy, Het archief van het Ewoudsgasthuis te IJsselstein van 1477-1817. IJsselstein, 1963. J.G.M. Boon, IJsselstein uw woonstede, in historische en hedendaagse beelden. IJsselstein, 1971. J.G.M. Boon, Beknopte geschiedenis van een oude dorpskerk, Woerden, 1959. (Dit is de kerk van Benschop). A.W.E. Dek, Genealogie van der Heren en Graven van Egmond. 's-Gravenhage, 1958. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad. Eerste Deel. Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581. 's-Gravenhage, 1948. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad. Tweede Deel Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren 's-Gravenhage, 1955. C.D. van der Dussen, Archivalia betreffende de goederen behorende onder het Leenhof en de rentmeester van de heren van IJsselstein. Rijksarchief Utrecht, 1950. R. Fruin, 'Inventaris van het archief der gemeente IJsselstein van de oudste tijden tot de invoering van het Fransche bestuur'. In: Verslag over oude gemeente- en waterschapsarchieven in de provincie Utrecht over 1892, Bijlagc E, pp. 1-127. R Fruin, 'De vrije heerlijkheden gelegen in het grensgebied tusschen Gelderland, Holland en Utrecht'. Verslagen en mededelingen van de Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht, Deel 8, 1934. J.J. de Geer, 'Eiteren en IJsselstein'. In: Bijdragen tot de geschiedenis en oudheden der provincie Utrecht, Utrecht, 1860. J.J. de Geer, Codex diplomaticus neerlandicus, 2de serie, IV 2, Utrecht, 1860 (pp. 78-167). Marijke Gijswijt-Hofstra, Wijkplaatsen voor vervolgden. Asielverlening in Culemborg, Vianen, Buren, Leerdam en IJsselstein van de 16de tot eind 18de eeuw. Dieren, 1984. Handt-Vesten der Stadt ende Baronnye van Ysselsteyn. Gedrukt te Utrecht bij Meinardus van Dreunen, 1675. Tweede druk: met eenige Byvoegselen. Gedrukt te Utrecht bij Joannes Kannewet, 1710. B. Heesters, 'O.L. Vrouwenberg te IJsselstein'. In: Jaarboekje Oud-Utrecht, 1968. L.J. van der Heijden, Geschiedenis van het miraculeuse beeldje van O. L. Vrouw van Eiteren en van de parochie van de H. Nicolaas te IJsselstein. 1936. Kastelen en ridderhofsteden in de provincie Utrecht. Onder auspiciën van de Stichting Utrechtse Kastelen, 1995. F. Ketner, 'De elect Jan van Nassau en zijn tijd'. In: Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden, XII, 1957, nr 1. J.C. Kort, 'De lenen van de hofstede IJsselstein, 1310-1656'. In: Ons Voorgeslacht, jrg. 38,1983, pp. 449-499 en 513-552. A. Johanna Maris, 'Uit de geschiedenis van Polsbroek'. jaarboek Oud Utrecht, 1944. P.F.J. Obbema, 'The IJsselstein manuscripts in the Orange-Nassau library'. In: Litterae textuales, essays presented to G.J. Lieftinck, Amsterdam, 1972,1, pp. 61-74. R.J. Ooyevaar, De Sint Nicolaaskerk te IJsselstein. IJsselstein, 1972. P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden, 1966. Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige Staat van alle volken, dl. XVII (Holland). 1749. Louise van Tongerloo, Middeleeuws IJsselstein. Uitgaven Stichting Historische Kring IJsselstein, 1977 nummer 4. W.F.J. den Uyl, 'De grenzen van het gewest Utrecht sedert 1795'. In: Jaarboek Oud-Utrecht, 1957, pp 89-109. W.F.J. den Uyl, De Lopikerwaard. Deel I: Dorp en kerspel tot 1814. Deel II: De waterschappen. Utrecht, 1963.
    • Verwerving en ligging

      In 1682 kocht prins Willem III voor een bedrag van 30.000 carolus guldens, de hofstede de Cruydberg of Kruitberg, gelegen in het baljuwschap van Brederode bij Santpoort en behorend onder banne of jurisdictie van Velsen. Het terrein ca. 60 morgen groot, was voor een groot deel geestgrond, en lag gedeeltelijk op de zogeheten Brederogeest. Dit was een crofte ofwel een stuk geestgrond gelegen tegen de duinen bij Santpoort. Het bezit omvatte voorts weilanden, landerijen met beplantingen, boomgaarden, boerenwoningen met erven, schuren en een werf.

      De hofstede werd door Willem III als buitenverbiijf en jachthuis gebruikt. Na diens overlijden lieten prins Johan Willem Friso en zijn moeder meubilair en huisraad weghalen om deze goederen te vervoeren naar het hof te Leeuwarden en Soestdijk, nadat er inventaris van de boedel was gemaakt met het oog op de erfeniskwestie met de koning van Pruisen.

      Het landgoed bleef lange tijd ongebruikt en stond onder toezicht van C.J. van Velsen. Vanaf 1724 werd de hofstede met de landerijen verpacht. Het goed is in 1795 aan de staat vervallen.

      Beheer van goederen

      Het financiële beheer viel onder de verantwoordelijkheid van de thesaurier-generaal. Voor onderhoud van huis en goed en voor het beheer was slechts één functionaris aangesteld: een opzichter van huis en tuin. (

      NDR inv.nrs. 685-687.

      )Er werd niet veel zorg aan het onderhoud besteed, ook niet in financieel opzicht.

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      De ingekomen stukken in dit gedeelte van het archief betreffen de periode van 1768-1798. Andere stukken van algemene aard zijn te vinden in de notulen en resoluties van de Nassause Domeinraad in het deel 'Algemeen'. Datzelfde geldt voor de rekeningen van de thesaurier-generaal in het algemeen gedeelte.

      De stukken van verwerving zijn vooral retroacta van de vele eigenaren; dit geeft ook goed de versnippering aan van het terrein. Slechts enkele inventarisnummers betreffen de stukken van de aankoop door de prins van Oranje.

      Bij de stukken van beheer treft men een inventaris en rekeningen aan.

      Literatuur S.W.A. Drossaers, S.WA. en Th.H. Lunsingh Scheurleer, Inventarissen van de inboedel in de verblijven van de Oranjes en daarmede gelijk te stellen stukken, 1567-1795. 3 delen. 's-Gravenhage, 1974-1976, Rijks Geschiedkundige Publication, GroteSerie, nrs. 147-149. H.J.A.H.G. Metselaars, Particuliere archieven in Nederland. Houten, 1992 (: pp. 225-256, Koninklijk Huisarchief). P. Wander, Haagse huizen van Oranje. Den Haag, 1982.
    • Verwerving

      Door het huwelijk van Anna van Egmond, gravin van Buren en Leerdam met Willem van Oranje kwamen de Burense goederen, waaronder het graafschap Leerdam en de heerlijkheid of baronie Acquoy, terecht in het huis van Oranje-Nassau. (

      Drossaers II.

      ) Leerdam was, evenals Buren, in 1498 verheven tot rijksgraafschap. Anna van Egmond werd, na een proces voor het Leenhof van Holland, met Leerdam beleend, onverminderd het recht van de keizer. Acquoy werd in leen gehouden van de grafelijkheid van Holland.(

      Acquoy was oorspronkelijk een leen van de Heren van Voorne.

      )
      Haar zoon Philips Willem werd in 1559 op dezelfde voorwaarden beleend met het graafschap en de baronie.

      Philips Willem schonk in 1613 het Overeinde van de heerlijkheid Spijk, wat deel uitmaakte van het graafschap, aan Cornelis van Aerssen. (

      Cornelis van Aerssen had in 1611 het Nedereind van Spijk van Gerard van Renoy gekocht.

      )

      Op 14 juli 1699 heeft Willem III het slot en de heerlijkheid Acquoy aan Joost van Keppel, graaf van Albemarle bij schenking bij leven gegeven. Na het overlijden van Van Keppel in 1718 viel de heerlijkheid weer terug aan de leenheer.

      Rechten en bevoegdheden

      De heerlijkheid Leerdam was door keizer Maximiliaan op 24 juni 1498 tot een vrij graafschap verklaard. Vanwege deze 'rijksonmiddelbare' status maakte Leerdam formeel geen deel uit van de Republiek. De Staten van Holland hebben deze souvereiniteit altijd betwist. Prins Willem II erkende bij akte van 12 mei 1650 de leenroerigheid van Leerdam en IJsselstein aan de Staten van Holland. Maar tot een werkelijke invulling, vooral wat betreft het heffen van gewestelijke belastingen, is het nooit gekomen. Aan het eind van de 18e eeuw werd de kwestie weer actueel, getuige diverse rapporten over de status van het graafschap.

      Prins Philips Willem bevestigde bij akte van 6 november 1608 de handvesten en privileges van Leerdam.

      De graaf bezat de volgende rechten: eenjaarlijkse bede {Leerdam en Schoonderwoerd 4/5, Acquoy 1/5), ontvang van heergewaden, maalrecht en molendwang, veerrecht (samen met de graaf van Asperen), recht op visserij en recht van voor- en nakoop, recht op zwaansdrift, tiendrecht etc.

      De baronie van Acquoy, hoewel door personele unie verbonden met het graafschap Leerdam, was in zekere zin onafhankelijk. Slechts het drostambt werd gemeenschappelijk met Leerdam gevoerd. (

      Vanaf 1772 werd in de benoemingsakte van de drossaard van Leerdam tevens de titel drossaard dijk en Linge graaf van Acquoy opgenomen.

      ) Acquoy had een eigen schout en alle andere ambtenaren werden afzonderlijk benoemd. Schoonderwoerd was een aparte heerlijkheid, maar viel bestuurlijk onder Leerdam.

      Grondgebied en benaming

      Het graafschap Leerdam lag ten noorden van de rivier de Linge en strekte zich uit tot aan het gebied van Everdingen in het graafschap Culemborg. Ten noordwesten lagen het land van Arkel en het land van Vianen. Ten oosten van Leerdam lag de baronie van Acquoy, van Leerdam gescheiden door de Diefdijk. Acquoy grensde aan het Gelderse drostambt Neder-Betuwe ten oosten en het graafschap Culemborg ten noorden. Leerdam -vroeger heerlijkheid van der Lede genaamd- was ca. 2800 morgen groot en bestond uit de polders Oud Schaik, Nieuw Schaik, Kort-Geregt, Hoogeinde van Middelkoop, Loosdorp, de Meent, Bruijnsdeel en Hoog-Leerbroek, Hoog Oosterwijk, de Geere, Over-Heikop en Over-Boeikop. Het rechtsgebied strekte zich ook uit over de heerlijkheid Schoonderwoerd, de polder Over-Heikop, en het Overeind van de heerlijkheid Spijk. (

      Spijk was verdeeld in een Over- en Nedereind.

      )

      De baronie van Acquoy besloeg ca. 685 morgen. Het gebied kende vele paardenfokkerijen. In de 18e eeuw telde de stad Leerdam ongeveer 240 huizen. De voornaamste bedrijvigheid was een bierbrouwerij en lakenweverij, verder wordt het maken van stoelen genoemd.

      Bestuur

      Leerdam werd bestuurd door een drossaard -als vertegenwoordiger van de graaf-, twee stadsburgemeesters en zes schepenen. Zowel de stadsregering als de schepenbank werden bijgestaan door dezelfde secretaris. Alle polders hadden twee lage heemraden of waardslieden aangesteld die met de schout het opzicht hadden. Leerdam kende verschillende rekeningen; zeven polderrekeningen, de stadsrekening (tevens gemene landsrekening), dijkgraafrekening, gasthuisrekening, kerkrekening van Leerdam en de kerkrekening van Schoonderwoerd. Al deze rekeningen werden door een lid van de Domeinraad eens per jaar afgehoord en gecontroleerd.

      Het gemene land van Acquoy werd apart van het graafschap Leerdam bestuurd en voerde, gedeeltelijk, een eigen administrate. Zowel de stadsrekening, de kerkrekening als de dijkgraven- en polderrekeningen werden afgehoord door een lid van de Domeinraad. De domein- en geestelijke goederen werden opgevoerd op de rekening van Leerdam. Verpachtingen werden ook ten overstaan van een raad verricht.

      De prins bezat het recht van benoeming van de volgende functionanssen:

      Leerdam

      • Dijkgraaf
      • Drossaard
      • Gerechtsbode van stad en graafschap
      • Griffier van de lenen
      • Hoogdijkheemraad
      • Hoogdijkheemraad van het land van Lede, Schoonderwoerd en Acquoy
      • Houtvester
      • Keurmeester
      • Koster
      • Franse Kostschoolhoudster
      • Leenbode van stad en graafschap
      • Medianae doctor van stad en graafschap
      • Organist
      • Penningmeester van de ordinaris en extraordinaris dijkpenningen
      • Postbode van Leerdam op Gorinchem
      • Rector van de Latijnse school
      • Rentmeester van de domeinen
      • Rentmeester van de geestelijke goederen
      • Schoolmeester
      • Franse en Hoogduitse schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Stadhouder van de lenen
      • Tafelhouder van de bank van lening
      • Voorzanger
      • Waardsman en gemene lands timmerman
      • Waardsman-generaal over de polders
      • Weger van het koren en meel op de molen te Leerdam
      Land van Ter Lede

      • Dijkgraaf
      Schoonderwoerd

      • Dijkgraaf
      • Drossaard
      • Hoogdijkheemraad
      • Houtvester
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Voorlezer
      Acquoy

      • Buurmeester
      • Dienaar van de Justitie
      • Drossaard Dijk en Linge graaf
      • Gadermeester
      • Gerechtsbode
      • Hoogdijkheemraad van het land van Lede, Schoonderwoerd en Acquoy
      • Houtvester
      • Keurmeester
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      Beheer

      Vanaf 1621 bestaan er rekeningen afkomstig van de rentmeester van Leerdam. Tussen 1612 en 1620 fungeerde een admodiateur van de domeinen en geestelijke goederen, een soort verpachter van de landerijen. De functies van rentmeester van domeinen en van die van geestelijke goederen werden door dezelfde persoon vervuld. De rentmeester verantwoordde zijn administrate door middel van jaarrekeningen die werden afgehoord door de Domeinraad. Vanaf 1768 werden de rekeningen van domeingoederen en geestelijke goederen gecombineerd in een gezamenlijke rekening.

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Rentmeesters urn Leerdam, Acquoy en Schoonderwoerd (vanaf 1621)
      1621 Verelst, Huijbrecht(

      Van 1612-1620 admodiateur.

      )
      1648 Saagmans, Julius
      1667 Saagmans, Jan Adriaan
      1711 Santvoord, Johan
      1721 Cleijn, Hendrik
      1753 Noorle, Johan van(

      Provisioneel.

      )
      1755 Noorle, Johan van
      1763 Bierman, Arnold(

      Waamemend.

      )
      1767 Bie, Huybert de(

      Assistent.

      )
      1767 Bierman, Arnold
      1780 Bierman, Dirk
      1792 Musquettier, A.(

      Provisioneel.

      )
      1793 Bijmholt, Theodorus
      Literatuur R. v.d. Berg, Leerdam in de Gouden Eeuw. Ameide, z.d.
      Bijlage Inhoudsopgave domeinrekening

      bron: NDR inv. nr. 5586.

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Index ofte Tafel der Cappittulen van den Ontfangh dezer Domijnen Reekening over de Jaare 1746, 1747, 1748, 1749, 1750, 1751 en 1752.
      1 CapittelOntfangh van grove domijnen Tienden onder 't graaffschap Leerdam
      2Smalle Tienden van Raapzaat, Coolzaet, Wintergerst en Rogge
      3Smalle Tienden die men noemt krijtende Tienden
      4Ontfangh van Lantpagten in het graafschap Leerdam
      5Ontfangh van het gemaal van den Koornmolen binnen Leerdam
      6Ontfangh van het Leerdamse veer
      7Ontfangh van den Leerdamse Hoender en geld thijns
      8Ontfangh van den Spijkse hoender en geld thijns
      9Ontfangh van de vissereij van Leerdam
      10Ontfangh van de Erfpagten in het graaf schap Leerdam
      11Beede Penningen tot Leerdam
      12Ontfangh van de Grove Domijnen Thienden in het Laag van Acquoi
      13Ontfangh van de Smalle Thienden van Raapzaet, Coolzaet, wintergarst, en Rogge op Acquoij
      14Smalle Thienden die men noemt krijtende Thienden op Acquoij
      15Ontfangh van Landpagten op Acquoij
      16Landpagten op Speijk
      17Hoender Thijns tot Acquoij
      18Ontfangh van geld Tijnsen onder Acquoij
      19Erfpagten onder Acquoij
      20't Veerschip tot Acquoij
      21Visserij tot Acquoij
      22Accijns tot Acquoij
      23Griendingen tot Acquoij
      24Beede Penningen tot Acquoij
      25Ontfangh van Heeregewaaden
      26Ontfangh van nakopen of 100e Penningen
      27Confiscatien Bastaerden en Onbeheerde goederen
      28Ontfangh van de 21e penningh der verpagte Parthijen
      29Van de Rantzoenen
      30Gemengden Ontfangh
      31Ontfangh van den 40e Penn. van de vaste goederen
      32Ontfangh vanden 20e penningh ofte Collaterale successie
      33Overman Slagen

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Index ofte Tafel der Cappittulen van den uijtgave dezer Domijnen over de Jaare 1746, 1747, 1748, 1749, 1750, 1751 en 1752.
      1 Capp.Uijtgave van Gasien
      2Uijtgave van Pensioenen
      3Uijtgave van Reparatien aan de wint en Roskorenmolens, als meede van de Sonsbrugh
      4Gemengden Uijtgave
      Inhoudsopgave rekening geestelijke goederen

      bron NDR inv. nr. 5741.

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Index off Taeffel der cappittelen van de rekeningen der geestelijke goederen in het graeffschap Leerdam en barronij van Acquoij gelegen over den jare 17 sevenensestigh
      1e CapOndffangh van de grove Tienden onder Oosterwijk
      2e CapSmalle Tienden van raepsaedt, koolsaed, wintergarst en rogge
      3e CapOndffangh van Landpagten van de Kerk van Leerdam
      4e CapLandpagten competerende de pastorij van Leerdam
      5e CapOndffang van Landpagten van onse Lieve Vrouwe Vicarij binnen Leerdam
      6e CapLandpagten van de Heijlige Vicarij binnen Leerdam
      7e CapLandpagten van St. Annen Vicarij binnen Leerdam
      8e CapLandpagten van St. Nicolaes binnen Leerdam
      9e CapLandpagten van St. Barbera gilden binnen Leerdam
      10e CapLandpagten van St. Anna gilden binnen Leerdam
      11e CapLandpagten van het Kruijsgilden binnen Leerdam
      12e CapLandpagten van Onse Lieve Vrouw glide binnen Leerdam
      13e CapLandpagten competerende de Kerk van Schoonrewoerd
      14e CapLandpagten competerende de pastorij van Schoonrewoerdt
      15e CapLandpagten competerende de costerie van Schoonrewoerd
      16e CapLandpagten van de Dobbe Vicarij
      17e CapLandpagten van de Heer Bogaerds vicarij
      18e CapLandpagten van de vicarij van St. Victor te Heukelom
      19e CapLandpagten van het capittel te Gorinchem
      20e CapLandpagten van St. Anne vicarij op den polder Cruijnsdel
      21e CapLandpagten van de carthuijsers buijten Geertruijdenberg op de Geere gelegen
      22e CapOndffangh van Landpagten toebehorende de Kerk in Spijk
      23e CapOndttangh van Landpaglcn toebehorende de kerk in Leerbroek
      24e CapAccijns te Schoonrewoerd
      25e CapDe Kerkegriend gelegen op Schoonrewoerd
      26e CapGrove Tiendens competerende de pastorij in Spijk
      27e CapLandpagten competerende de Kerk in Spijk
      28e CapOndffangh van renten en thijnsen competerende de Kerk in Leerdam
      29e CapOndffangh van renten en thijnsen behorende tot onse Lieve Vrouwe binnen Leerdam
      30e CapRenten en thijnsen behorende tot St. Barbera gilden binnen Leerdam
      31e CapOndffangh van Renten behorende tot St. Anne gilden binnen Leerdam
      32e CapOndffangh van Renten behorende tot het Cruijs gilden binnen Leerdam
      33e CapOndffangh van renten behorende tot onse Lieve Vrouwe gilde binnen Leerdam
      34e CapOndffang van Renten behorende tot de Kerk van Schoonrewoerd
      35e CapOndffangh van Landpagten behorende tot de pastorij van Acquoij
      36e CapOndffangh van Landpagten behorende tot onse Lieve Vrouwe vicarij tot Acquoij
      37e CapOndffangh van Landpagten behorende tot de vicarij van Acquoij
      38e CapOndffangh van Landpagten behorende tot de Kruijs te Asperen
      39e CapOndffangh van Landpagten behorende tot St. Anne vicarij te Asperen
      40e CapOndffangh van Landpagten behorende tot de vicarij te Asperen
      41e CapOndffangh van Landpagten behorende tot de Kruijsbroeders van Cuijlenborgh
      42e CapOndffangh van Landpagten behorende tot de Rattings Landen op Acquoij
      43e CapOndffangh van Renten en thijnsen competerende de kerk van Acquoij
      44e CapOndffangh van Landpagten behorende tot de vicarij van St. Jacop daer Anthonius van Sijl het patronaedschap van heefft
      45e CapGemengden ondffangh

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Index of Tafel der capittelen van den ijdgaeff desen Geestelijke Rekeningh over den jaere 17 sevenensestigh
      1e CapEerstelijk van Gagien aen de Predicaten Haere Weduwen en Schoolmeesters
      2e CapUijdgaeff van Renten
      3e CapUijdgaeff van Pensioenen
      4e CapUijdgaeff van verschod off molengelden
      5e CapUijdgaeff van reparatien aen de kerk Leerdam
      6e CapUijdgeff van Reparatien aen de Kerk van Schoonrewoerd
      7e CapUijdgaeff van Reparatien aen de Kerk van Acquoij
    • Verwerving

      De baronie Liesveld is een polder in het noorden van de Alblasserwaard, gelegen aan de Lek. Onder Liesveld vallen de ambachten Ammers, Graveland, Gelkenes, Achterland en Peulwijk, Ottoland en Peursum. Het voormalige huis of kasteel te Liesveld behoorde onder Gelkenes. Het huis werd in 1740 gesloopt. (

      A.I.J.M. Schellart en Th de Vries, Woonsteden der Oranje's (Zaltbommel, 1965).

      ) De baronie van Liesveld was een heerlijkheid met hoge en lage jurisdictie en kwam in het bezit van het Friese huis van Nassau door schenking.(

      NDR inv.nr. 5825.

      )

      Graaf Philips van Hohenlohe was met de baronie door Erik van Brunswijk beleend geweest en had de titel van baron van Liesveld gevoerd. Bij de belening aan Philips van Hohenlohe was bepaald dat de baronie weer aan Van Brunswijk zou komen te vervallen als Philips van Hohenlohe kinderloos zou overlijden. Na de dood van Van Hohenlohe in 1606, hij was kinderloos gebleven, werd de baronie door Erik van Brunswijk geschonken aan Ernst Casimir van Nassau. Ernst Casimir was getrouwd met de dochter van Van Brunswijk, Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbiittel. De neef en erfgenaam van Van Hohenlohe, Philips van Hohenlohe, maakte echter aanspraak op de baronie. Er werden procedures gevoerd voor het Hof van Holland. Uiteindelijk werd het huis van Nassau in zijn rechten erkend en met de baronie beleend door de Staten van Holland in 1622.(

      NDR inv.nr. 5824.

      ) In 1627 bevestigde het Hof van Holland Ernst Casimir in zijn rechten op Liesveld.

      Na het overlijden van Willem III in 1702 werd Liesveld verenigd met de goederen uit de nalatenschap van Willem III en maakte sindsdien deel uit van de Nassause domeinen.

      Nieuwpoort werd door de graven van Nassau als heer van Liesveld samen met de heer van Langerak in leen gehouden van de Grafelijkheid van Holland.

      De visserij in de Lek werd in erfpacht van de deken en het kapittel van Oudmunster te Utrecht gehouden en werd door de rentmeester van Liesveld beheerd.

      Rechten en bevoegdheden

      De hoge jurisdictie in Liesveld werd, namens de heer, uitgeoefend door een baljuw of drossaard, die in het kasteel zetelde. Deze functionaris werd benoemd door de Nassaus. De lage jurisdictie in de ambachten werd uitgeoefend door een schout, welke functionaris ook door de Nassaus werd benoemd. De inkomsten van de hoge en lage jurisdictie werden gevormd door boeten en verbeurdverklaringen.

      De heer van Liesveld bezat voorts het tiendrecht, het jachtrecht, cijnsrecht, het zegelrecht, voogdij over wezen. Hij had het recht op benoeming van een heemraad in de Overwaard. Ook had de heer het patronaatsrecht voor de kerken in Liesveld.

      Door de Nassaus werden verder de volgende functionarissen benoemd:

      Liesveld

      • griffier van de lenen,
      • secretaris,
      • rentmeester,
      • kastelein van het huis en kasteel van Liesveld,
      • gerechtsbode,
      • portier,
      • opzichter op de hoeven, plantages en andere werken in de baronie,
      • gemene lands timmerman van Gelkenes, Ammers, Graveland, Agterland en Peulwijk,
      • opzichter-generaal der domeinen,
      • markschipper,
      • opzichter voor de jacht
      Nieuwpoort

      • drossaard (in personele unie met de drossaard van Liesveld),
      • schout,
      • gerechtsbode.
      Ammers

      • markschippers.
      Ottoland

      • schout (in personele unie met de schout van Liesveld en Nieuwpoort),
      • gemeene landssmid,
      • koster (benoeming wordt overgelaten aan de kerkeraad),
      • schoolmeester (idem als bij koster),
      • voorzanger (idem als bij koster)
      Gelkenes

      • vroedvrouw,
      • gemene landssmid.

      Meerdere functies werden vaak door een persoon uitgeoefend, zoals b.v. de functie van drossaard en rentmeester van Liesveld. Deze functies werden dan ook nog gecombineerd met de functie van schout van Nieuwpoort, secretaris, enz. (

      NDR inv. nr. 685.

      ) Regelmatig werd er ook een substituut aangesteld, die de functie met alle verantwoording waarnam. Met name voor het ambt van rentmeester werd er regelmatig een substituut aangesteld.

      Naast de benoeming van bovenstaande functionarissen, hadden de Nassaus als heren van Nieuwpoort het benoemingsrecht van de magistraat van Nieuwpoort (burgemeesters, schepenen, kerken armmeesters). Deze bestuurders werden benoemd uit dubbeltallen. (

      Zie de verbalen van leden van de Domeinraad, NDR inv.nrs. 5798-5805.

      )

      Beheer

      De Friese Nassaus hadden voor hun administrate een 'raad en secretaris' in dienst. Eenmaal per jaar ging de raad als gecommitteerde van de Nassaus naar Liesveld om de 'regering te verzetten' (meestal werden de diverse ambtenaren herbenoemd), verpachtingen te doen en de stads-, rentmeester-, kerkrekeningen binnen Liesveld af te horen. Van deze verrichtingen werd een rapport opgemaakt en aan de Nassaus aangeboden ter goedkeuring. In de periode 1702-1735 bleef Liesveld in beheer bij een Friese raad. In 1735 werd de administratie en het beheer van de baronie Liesveld overgedragen aan de Nassause Domeinraad in 's-Gravenhage. (

      NDR inv. nr. 93, 27 januari 1735.

      ) De jaarlijkse tocht naar de baronie door een van de raadsleden bleef gehandhaafd.

      Het beheer van de baronie ter plaatse, verkopingen en verpachtingen die niet door de raad zelf konden worden afgehandeld, onderhoud van de roerende en onroerende goederen, innen van gelden, e.d. en de administratie daarvan, werd gevoerd door een rentmeester.

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Rentmeesters van de baronie van Liesveld
      1652-1664 Jacob Gramberingen, baljuw en rentmeester.
      1665-1668 Petrus Schoemans, substituut baljuw en rentmeester.
      1670-1672 Cornelis Jongeneel, baljuw en rentmeester.
      1673-1674 Job Stolk, baljuw en rentmeester.
      ca.1680 Willem Hendrik Tammas, baljuw en rentmeester.
      1722/1723 Fredrik Statius van Dalen, drossaard en rentmeester.
      1725/1734 Frederik Tieleman van Schelluinen, substituut-rentmeester.
      1734-1737 Johan Hendrik Hermans, substituut-rentmeester.
      1737-1739 Anthony Veuge, substituut-rentmeester.
      1739-1747 Frederik Arnold Hildenberg, rentmeester.
      1747-1764 Anthony Veuge als substituut rentmeester voor Frederik Arnold Hildenberg.
      1764/1795 Carel Frederik Hildenberg, rentmeester.
      1796-1811 Cornelis Vonck, rentmeester.
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit deel van het archief van de Nassause Domeinraad zijn stukken te vinden die van belang kunnen zijn voor onderzoek naar de geschiedenis van de Alblasserwaard, met name de polder Liesveld, op het gebied van de waterstaat, landbouw en economie. In de rekeningen van de rentmeester zijn gegevens te vinden over de opbrensten van de landerijen, gegevens betreffende de grootte en ligging van de percelen land, de gewassen en de namen van pachters, de tienden en gegevens over de uitgaven inzake het onderhoud van het domein, de huizen, de wegen en dijken. In de rekeningen en de condities van verpachtingen zijn de percelen onder een nummer vermeld. Dit nummer komt overeen met de nummers vermeld op een kaart van Liesveld uit 1767, gemaakt door de toenmalige rentmeester C.F. Hildenberg (Afdeling Kaarten en Tekeningen, VTH2456). In de condities van verpachtingen staan naast de namen van pachters, gegevens over de percelen land en de gewassen die er groeiden. In de condities is meermalen sprake van koop. Men dient erop bedacht te zijn dat het gaat om pacht.

      In de rapporten en verbalen van de gecommitteerden namens de Friese Nassaus, later de leden van de Nassause Domeinraad, zijn gegevens te vinden over de omslagen, de verpachtingen en het 'verzetten van de magistraat'. Ook wordt er verslag gedaan van de toestand van het domein: staat van onderhoud, bestuurlijke verhoudingen en afhandelingen van rekesten e.d. In de stukken betreffende de waterstaat zijn gegevens te vinden over de bouw en het onderhoud aan waterstaatswerken, zowel in Liesveld zelf als in de waterschappen Alblasserwaard en Overwaard.

      Bouwtekeningen van werken kan men vinden in de stukken betreffende de bouw of verbouw van onroerende goederen, aanleg en onderhoud van waterstaatswerken, etc.

      Verwante archieven

      Andere stukken betreffende Liesveld als bezit van de Nassaus zijn te vinden bij het Algemeen Rijksarchief sectie 3, Inventaris van het rentmeestersarchief van de heerlijkheid Liesveld (Nassaus Domein, 1734-1802.) Het betreft hier voornamelijk rendantsexemplaren van rekeningen van de rentmeesters en een inventaris van de goederen binnen Liesveld.

      Op de Afdeling Kaarten & Tekeningen bevinden zich drie kaarten betreffende Liesveld: een kaart van 4 percelen land, VTH 2455; een kaart van landerijen onder Liesveld, VTH 2456 en een plattegrond van het kasteel en park te Liesveld, VTH 2557.

      Literatuur J H. Hora Siccama, 'Uit de geschiedenis der domeinen van het Huis van Oranje in Nederland'. In: Prof dr F.J.L.Kramer e a. (red.) Je maintiendrai, deel II, p. 177. Jacob van Oudenhoven, Out-Hollandt, nu Zuyt-Hollandt, vervangende een generale beschrijvinge mitsgader de Privilegien, Keuren, Hantvesten, Costuymen, Herkomens, Observantien ende Gewijsdens van de voorz. Landen. Dordrecht, 1654.
    • openVIII NIERVAART
      Verwerving

      Niervaart hoorde aanvankelijk tot de heerlijkheid Strijen. Niervaart werd van de heerlijkheid Strijen afgescheiden nadat er een geschil ontstond over het bezit van deze landen tussen Zweder van Abcoude, heer van Gaasbeek, Putten en Strijen, en Jan van Polanen, heer van de Lek en Breda, samen met zijn zoon Jan van de Lek. Laatstgenoemde verkreeg uiteindelijk de landen en heerlijkheid van de Niervaart. Hij droeg zijn heerlijke goederen in 1390 op aan Albrecht van Beieren en ontving ze naderhand van hem als een onversterfelijk erfleen. Na zijn dood en die van zijn vrouw Odilia van Salms, die door hem met de heerlijkheid 'belijftocht' was, kwam het erfleen aan hun dochter Johanna van Polanen van de Lek die in het huwelijk trad met Engelbrecht van Nassau, waardoor de heerlijkheid in het huis van Nassau kwam. Bij de 'portage' van 1732 werd Niervaart aan het huis van Oranje toebedeeld. (

      Zie ook Van der Aa, Aardri]kskundig woordenboek der Nederlanden, deel 8.

      )

      In 1795 werd Niervaart in beslag genomen en in 1796 genationaliseerd.

      Grondgebied, benaming en bestuur

      De heerlijkheid van Niervaart -tegenwoordig Klundert- lag met de polder van dezelfde naam ten zuiden van het Hollands Diep, ten oosten en ten zuiden van Zevenbergen, waarvan ze door de Roodevaart of de Keene werd afgescheiden. Ten westen grensde Niervaart aan de polder de Ruigenhil. Het domein Niervaart behoorde oorspronkelijk tot het gewest Holland.

      Van het domein maakten in de 16e eeuw deel uit de stad Klundert, het fort Suijkerberg, diverse polders, de Moerdijk en het Strijense Sas, en nog enige gehuchten als de Tenmereek, Noordschans en Logtenberg. Tegenwoordig ligt dit gebied in de province Noord-Brabant.

      De Klundert of Niervaart was een kleine stad, gelegen aan de Roodevaart, ook wel 'Mooie Keene' genoemd. De stad werd regelmatig versterkt met wallen en had vier bolwerken met een grachtenstelsel. Deze vestingwerken werden in 1583 op last van prins Willem I gebouwd. In het stadje waren in de 16e eeuw zeven of acht straten, die alle lijnrecht liepen, met in het midden een brede gracht, de Kreek geheten. Voorts was er een haven aan de Roodevaart.

      In Niervaart lag een kleine bezetting onder het bevel van een majoor die afhankelijk was van de gouverneur van Willemstad. Aan de andere kant van de vaart lag het fort Suijkerberg. In het begin van de 16e eeuw bevond zich aan het Hollands Diep nog een kleine versterking, de Noordschans, maar die werd halverwege de 16e eeuw gesloopt. (

      NDR inv.nr. 766, folio 856recto.

      )

      Hoewel de Moerdijk een gehucht was, had het grote bekendheid door de overvaart van en naar het Strijense Sas. Het gehucht behoorde voor het grootste gedeelte onder de heerlijkheid van Niervaart, met inbegrip van de haven. Het oostelijke gedeelte behoorde onder de Lage Zwaluwe.

      Het bestuur van de heerlijkheid werd gevormd door een baljuw en twee burgemeesters, waarvan de een tevens thesaurier was en de ander tevens president-schepen naast zes andere schepenen. Baljuw en secretaris werden voor het leven benoemd door de heer van Niervaart.

      Hoger beroep van de gewezen vonnissen door de schepenen was mogelijk bij het Hof van Holland, en in zaken betreffende de gemene middelen bij de Gecommitteerde Raden.

      De rentmeester, die tevens kastelein was, had met de baljuw de benoeming 'van 't dubbel getal der magistraats personen'. Van deze lijst benoemde de heer van Niervaart de magistraat.

      De ontvanger der verpondingen werd door de heer aangesteld, stelde borg aan de magistraat en deed rekening aan gemelde magistraat ten overstaan van een commissaris.

      Voorts was er een pastorie, waarvoor de predikant een bijdrage aan de heer van Niervaart moest leveren. De predikant inde de 100ste en 200ste penning en de ordinaris penning, alsmede inkomsten als gevolg van de tiendverpachting. Onder de jurisdictie van Niervaart behoorden de volgende gebieden (

      NDR inv.nr. 766, folio 858recto-859recto

      ):

      Niervaart:

      • de Grote of Niervaartspolder, met de helft van de Tonnekreek, de grens met Ruigenhil,
      • de Bloemendaalse polder,
      • de Manciapolder voor een gedeelte,
      • de Westpolder,
      • de Louckerspolder,
      • de Ketel,
      • de Plaat,
      • de nieuwe Nieuwendijk voor een gedeelte,
      • Boertiensgors en de omloop van dat gors,
      • de buitenschorren van de omloop van het Boertiensgors,
      • de Nassaupolder voor een gedeelte,
      • de Arenbergpolder voor een gedeelte,
      • de Bredase polder voor een gedeelte,
      • de Blokpolder,
      • de nieuwe Moerdijk,
      • Mr. Claasland,
      • Louckersgors.
      Aan de overzijde van het Hollands diep:

      • het Strijense Sas, ook het Wilderland genoemd,
      • de aanwassen van het Land van Essen

      Behalve de nieuwe Moerdijk en Mr. Claasland waren de polders meestal in eigendom van de heer van Niervaart.

      De verschillende polders en landen die onder Niervaart vielen werden beheerd door een college van dijkgraaf, de rentmeester, gezworenen en penningmeester, maar de heer van Niervaart had het recht om er drie gezworenen aan te stellen alsmede de rentmeester. (

      Voor een overzicht aanwezig van de bezittingen aan landerijen, hoeven, boerenwoningen en schuren die zich in deze heerlijkheid bevinden zie NDR inv. nr 766, folio 858recto-859recto.

      ) Een aantal polders werkte samen met andere naburige heerlijkheden voor zover het bijvoorbeeld de gemeenschappelijke belangen in de watermolens betrof. Zo was Niervaart gecombineerd met de polders Zandberg en de Nieuwendijk, beide gelegen onder Zevenbergen. Deze drie polders voegden ieder een gezworene bij het college van de Niervaartse polder, dat het beheer had over de gecombineerde polders. De Grote Polder van Niervaart onder de Klundert was in 1554 bedijkt.

      Rechten en bevoegdheden

      De prins van Oranje als heer van Niervaart oefende hoge, lage en middelbare jurisdictie uit, alsmede het strandrecht en het aanslaan van onbeheerde goederen. Tot zijn heerlijke rechten behoorde de 'privative' jacht, de cijnzen, tienden, recht van de wind.

      De heer van Niervaart stelde de volgende functionarissen aan: (

      NDR inv. nr 685, folio 97-100.

      )

      • Gouverneur
      • Baljuw
      • Commandeur
      • Dijkgraaf
      • Schout
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Rentmeester
      • Kastelein
      • Ontvanger van de verpondingen
      • Penningmeester van de Niervaart
      • Comptoirbode van het domein
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorzanger
      • Schoolmeester op de Moerdijk
      • Schoolmeester op het Strijense Sas
      • Vorsters
      • Majoor van de burgerij
      • Portier
      • Comrrussaris van de wagens op de Moerdijk
      • Schipper van de Niervaart op Delft en 's-Gravenhage
      • Dijkbode van Niervaart
      • Gezworenen van de Grote Polder
      • Molenmeester van de watermolen in de Grote Polder
      • Gezworenen van Bloemendaal, Nassau- en annexe polders
      • Vorster van de polder Bloemendaal en annexe polders
      • Heemraden van de Strijense Polder
      • Penningmeester van de Strijense Polder
      • Medicine doctor van de Niervaart
      • Opzichter van het veer bij de Moerdijk
      • Postmeester
      • Bakenmeester van het Strijense Sas
      • Kapitein van de burgerij
      • Lieutenant van de burgerij
      • Vaandrig van de burgerij
      • Kapitein van de huisluiden in de Grote Polder
      • Lieutenant van de huisluiden in de Grote Polder
      • Vaandrig van de huisluiden in de Grote Polder
      • Kapitein van de huisluiden onder Bloemendaal en de Nassause Polder
      • Lieutenant van de huisluiden onder Bloemendaal en de Nassause Polder
      • Vaandrig van de huisluiden onder Bloemendaal en de Nassause Polder
      Beheer

      Het beheer was in handen van de rentmeester, die binnen de gemeenschap een aanzienlijke positie had. Als kastelein genoot de rentmeester de vrijdom van 's lands impositien (belaslingen).

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Achtereenvolgens waren rentmeester:
      Michiel Piggen, 1563
      Hendrik van Baerl, 1564-1566
      Artus van Noort, 1571
      Daniel de Loecker, 1584-1586
      Martin de Loecker, 1587-1605
      Joost van den Heuvel, 1608-1616
      Enoch Much, 1617-1619
      Bernaert la Faille, 1637-1652
      Melchior van den Kerckhove, 1653-1665
      Adriaen Pietersons, 16-1711
      Nicolaas Ghijs, provisioneel rentmeester, 1712-1713
      Maerten Adriaan van Sipersteijn, 1714
      Barend van Rhijn, 1715-1716
      Johan van de Moer, 1717
      Lucia Verhoeff, weduwe van Johan van de Moer, 1718-1720
      Adriaan van de Moer, 1721-1727
      Josina van de Moer, erfgename van Adriaan van de Moer, 1728-1729
      Johan Dingemans, 1730-1775
      Johannes Dirk Feuilletau de Bruijn voor Johan Dingemans, 1777-1787
      Horatius Leendert Lauta van Aisma, 1788-1791
      Jacobus Johannes Hetterscheij 1792-1810
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      Dit hoofdstuk beschrijft de stukken betreffende Niervaart. Het archief vormt met name voor de sociaal-economische geschiedenis van het gebied een rijke bron van informatie De rekeningen geven per jaar een inzicht in de sociaal-economische ontwikkeling die het gebied in de loop der eeuwen doormaakte. Voor onderzcek naar dijkonderhoud en de strijd tegen het water, de ontwikkeling van de landbouw en handel is raadpleging van de rekeningen aan te bevelen. De eerste rekening dateert uit 1563; vanaf 1587 is de jaarlijkse serie op circa 40 jaargangen na compleet tot en met 1810.

      Bovengenoemde eerste rekening van 1563 is tevens het oudste stuk van het archief, net zoals de laatste rekening uit de Franse tijd van 1810 het jongste stuk van het archief is.

      Voor de periode eind 18e eeuw tot en met het einde van de Franse tijd zijn de condities van verpachting van groot belang.

      Inzake onderzoek naar de bestuurlijke aspecten leveren vooral de verbalen van de leden van Domeinraad en de generale rapporten van de rentmeesters veel gegevens op.

      Verwante Archieven

      Andere stukken betreffende Niervaart zijn te vinden in deel 1 in de serie Notulen van de Domeinraad en de serie registers van uitgaande stukken aan belanghebbenden, beschreven in de rubriek 'Stukken van algemene aard'.

      Andere archieven betreffende Niervaart uit de periode dat de prins van Oranje heer van Niervaart was, bevinden zich in:

      • Waterschap De Striene, te Fijnaart
      • Streekarchief Nassau-Brabant, bewaarplaats Klundert
      • Rijksarchief in Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch
      Bijlage

      Inhoudsopgave van de rekening (

      Ontleend aan de rekening over 1768, NDR inv.nr. 6478.

      )

      Ontfang

      1. Bastaerden en onbeheerde goederen
      2. Grondt en losbaere chijnsen
      3. Den erfpagt van Nassauen grondt
      4. Accijnsen, smalthienden, veeren
      5. Van het schroden ambagt en afslag van de vis
      6. Visserijen en molenpagt, wijn en bieraccijns in Niervaert en Nieuwen Moerdijk, smalthienden en bakengelt
      7. Landpagten van de geheele jurisdictie
      8. De dijkettingen van de geheele jurisdictie
      9. Zaetthienden van de geheel jurisdictie
      10. Coornthienden van de geheele jurisdictie
      11. Ontfang van de slicken en aenwassen en landtpagt in het Wilderlant
      12. Crauwelsgors
      13. Den patrijsvangst
      14. Extraordinaris of gemengde ontfang
      15. Extraordinair cappittel van den generaelen staedt van restanten en geattermineerde schulden
      Uijtgaeff

      1. Ordinaire gagien
      2. Renten en pensioenen
      3. Dijkgeschoten ten laste van den Heer
      4. Verpondingen tot lasten van den Heer
      5. Reparatien ende oncosten aen de kerck, hoeven, molen, veeren, hoofden, dammen
      6. Reparatien ende oncosten aende de bedijkte landen op de Plaet
      7. Reparatien aen Vliegershil in den Nassauenpolder
      8. Reparatien ende oncosten gedaen aan Mariapolder
      9. Reparatien ende oncosten gedaen aen de Blockpolder
      10. Reparatien ende oncosten gedaen aen de landen van Louckerspolder
      11. Reparatien ende oncosten aen den Arenbergerpolder
      12. Reparatien ende oncosten aen den Westpolder
      13. Quijdtscheldingen
      14. Atterminatien
      15. Extraordinaire of gemengde uijtgaeff
    • Verwerving

      De bezittingen van de prins van Oranje in het Westland vallen uiteen in een aantal goederencomplexen: Monster met Poeldijk, Ter Heijde en half Loosduinen; Naaldwijk met Honselersdijk en Hondertland en verder Wateringen, De Lier, 't Opstal en Oranjepolder en 's-Gravenzande en Zandambacht.

      Monster met Poeldijk, Ter Heijde en half Loosduinen behoorden tot de erfenis afkomstig van Jan van Polanen. Tot 1588 bezaten de Nassaus alleen de ambachtsheerlijkheid Monster. De Staten van Holland verleenden in 1588 aan prins Maurits de hoge heerlijkheid. (

      Scherft, Het sterfhuis, p. 110.

      )Vanouds waren de lenen van Polanen en de Lek in een register opgetekend. Het beheer en de administratie van deze lenen werd in 1627, na de dood van prins Maurits, gescheiden. De heerlijkheid de Lek had hij nagelaten aan zijn natuurlijke zoon Willem. Diens broer Lodewijk, heer van Beverweert vererfde uiteindelijk de heerlijkheid van de Lek. De heerlijkheid Polanen omvatte de hofstad Polanen, de ambachtsheerlijkheden Monster en Naaldwijk met de grote en smalle tienden en de Loosduinerdijkse tienden in Monsterambacht. (

      Drossaers I, I, pp. 9 en 13.

      )
      De hofstad Polanen lag tussen Monster en Poeldijk. Al in de 14e eeuw was het huis van Polanen met de grond gelijk gemaakt. Het goederencomplex bleef de naam van Polanen behouden. Van Loosduinen behoorde de andere helft tot Haag-ambacht. (

      Tegenwoordige staat, VI (Holland III), pp. 586 e.v.

      )

      Naaldwijk, met Hondertland en Honselersdijk werd in 1612 door prins Frederik Hendrik gekocht van de graaf van Aremberg.

      De goederen van graaf Karel van Aremberg, waaronder de hoge heerlijkheid Naaldwijk, Honselersdijk, Wateringen en Hondertland, waren in 1583 door de Staten van Holland geconfisqueerd, omdat de graaf in Spaanse dienst was gebleven.

      In 1598 gaven de Staten van Holland aan Maurits huis, tuinen en boomgaarden van Honselersdijk in concessie. Honselersdijk was vanouds de plaats waar het slot van de heren van Naaldwijk stond. Met het Twaalfjarig Bestand kreeg de graaf van Aremberg, volgens de bepalingen dat allen van wie de goederen gedurende oorlog waren aangeslagen of verbeurd verklaard, weer in het bezit van hun goederen zouden worden hersteld, zijn bezittingen in het Westland terug. Omdat deze goederen voor de graaf een lastig bezit waren, aangezien hij een hoge positie in de Spaanse dienst bekleedde, verkocht hij ze in 1612, na onderhandelingen vanaf 1610, aan prins Frederik Hendrik. Deze kocht de goederen voor de somma van 360.000 gulden. In hetzelfde jaar schonk zijn broer Maurits aan Frederik Hendrik de rechten op de ambachtsheerlijkheid van Naaldwijk. De ambachtsheerlijkheid was eertijds in handen van het geslacht Van Woert. Door koop en vererving (uit het erfdeel van Polanen) was de ambachtsheerlijkheid in bezit gekomen van prins Maurits. Door de schenking van Maurits aan Frederik Hendrik werden ambacht en heerlijkheid in één hand verenigd. (

      E. van Bergen Geschiedenis van Naaldwijk van vroegste tijden tot begin 20e eeuw, (Naaldwijk, 1924), pp. 90 e.v.; Th. Morren, 'Het huis Honselersdijk' in: Je Maintiendrai, red. prof. dr. J.F.L. Krämer. dl I, p 229 e.v.

      )

      De bevolking van de goederen bracht, ter gelegenheid van de overdracht van de goederen in handen van een prins van Oranje een som van 4000 gulden op, als ereblijk voor de nieuwe eigenaar.

      Honselersdijk en Hondertland behoorden onder Naaldwijk. Hondertland was een klein ambacht met recht van hoge heerlijkheid in het Westland. Aan Hondertland was de titel van erfmaarschalk van Holland verbonden. (

      NDR inv.nr. 765, folio 720 e.v.

      )

      In 1638 werd Frederik Hendrik beleend met het recht van visserij met schuttingen in Hondertland. De Hoge en Lage Doortoge werden in 1634 door Frederik Hendrik gekocht van de broers en zussen Van der Linden, eigenaren van deze hofsteden. Deze hofsteden lagen in het ambacht van Monster, maar vielen onder het baljuwschap van Naaldwijk. (

      NDR inv.nr. 6583.

      ) De hofsteden waren leenroerig aan de vrouwe van Assendelft. De Oranjepolder werd bedijkt op octrooi van de Staten van Holland van 17 maart 1644 en ligt naast Hondertland. (

      Zie kaart Collectie Hingman VTH, inv, nr. 2387-b.

      )

      Ook 't Opstal maakte deel uit van Naaldwijk. In 1612 werden door prins Frederik Hendrik in 't Opstal tienden en een boerenwoning gekocht. Voor de criminele politic en finantie behoorde dit gebied onder Naaldwijk, voor het civiele onder Honselersdijk. (

      NDR inv.nr. 767, folio 1244.

      )

      Van Wateringen bezat de prins van Oranje alleen de ambachtsheerlijkheid. Wateringen maakte deel uit van de goederen die van de graaf van Aremberg waren gekocht. De hoge heerlijkheid behoorde aan de Staten van Holland, die de baljuw benoemden.

      In 1712 werden Naaldwijk, Honselersdijk, Wateringen, Oranjepolder en Hondertland door de Staten-Generaal aan de koning van Pruisen geextraheerd, Bij de overeenkomst van 1732 over de erfenis tussen de koning van Pruisen en de prins van Oranje-Nassau werden deze goederen definitief aan de koning van Pruisen toegewezen. In 1754 kwamen de goederen weer in de handen van de Oranjes door koop van de koning van Pruisen.

      Prins Frederik Hendrik kocht in 1638 's-Gravenzande en Zandambacht van de Staten van Holland, met recht van hoge heerlijkheid.

      Grondgebied en benaming

      De bezittingen van de prins van Oranje in het Westland besloegen een groot deel van het Westland. Van deze bezittingen was Naaldwijk het grootst in omvang. De naam Westland komt voort uit het onderscheid dat werd gemaakt tussen de Oost- en de Westambachten binnen het hoogheemraadschap van Delfland. (

      Tegenwoordige Staat, VI, Holland III, p 480.

      )

      Dankzij de ligging vlakbij 's-Gravenhage en het zeeklimaat, kon het Westland zich ontwikkelen tot het tuinbouwgebied dat het nu is. De beoefening van de tuinbouw nam pas in de 17e en 18e eeuw een grote vlucht. De tuinbouw werd bevorderd door pastoor François Verburch, die in 1647 als eerste pastoor na de Reformatie in het Westland zijn standplaats kreeg. Ook aanleg en onderhoud van groente- en moestuinen bij de diverse buitenplaatsen in het Westland, zoals bij het huis te Honselersdijk, heeft waarschijnlijk de beoefening van de tuinbouw bevorderd. De hovenier van Honselersdijk, Jacobus Groen, kreeg bekendheid door zijn handboek voor de tuinbouw 'De Nederlandsche Hovenier'. (

      J.G. de Ridder, Uit de geschiedenis van het Westland (Den Haag, 1979), pp. 11-13.

      )

      Het bekendste goed in Westland was Honselersdijk, vanwege het lustslot dat prins Frederik Hendrik liet bouwen, in plaats van het oude vervallen kasteel op die plaats. Omstreeks 1620 moet met de aanvang van de bouw zijn begonnen. Bij de bouw waren als architecten betrokken: Jacques de la Vallée (1634-1637), Jacob van Campen (vanaf 1637) en Pieter Post (vanaf 1646). Bij ontwerp en inrichting van het huis en de tuinen waren tal van kunstenaars betrokken. (

      Morren, 'Het huis Honselersdijk', pp. 229 e.v.

      )

      Frederik Hendrik zelf verbleef geregeld op het huis Honselersdijk. Het huis was het toneel van ontvangsten en feesten en jachtpartijen. Zijn zoon Willem II echter had een voorliefde voor Dieren en kwam weinig op Honselersdijk. Willem III, die een deel van zijn jeugd doorbracht op het huis, kwam er weer vaker, maar na zijn kroning tot koning van Engeland vertoonde hij zich nog maar weinig op het huis. Na zijn dood kwam het huis in handen van de koning van Pruisen, Frederik I. Deze bezocht Honselersdijk herhaaldelijk en liet het zelfs verfraaien. Zijn zoon Frederik Willem deed niets aan het onderhoud van het huis. Het huis werd bewoond door diens ambtenaren. Een gedeelte van de inboedel, waaronder schilderijen liet hij naar Berlijn overbrengen. Nadat de Oranje-Nassaus de goederen in het Westland weer van de koning van Pruisen hadden teruggekocht, werd het huis te Honselersdijk hersteld en opgeknapt. Prinses Carolina en haar man, prins Karel Christiaan van Nassau-Weilburg, hadden het huis als vaste woonplaats. (

      Van Bergen, Naaldwijk, pp. 96 e.v.

      ) Na de omwenteling van 1795 heeft het huis dienst gedaan als gevangenis en ziekenhuis en is het gebruikt voor militaire doeleinden. In 1814 bleek het huis zo verwaarloosd en herstel zo kostbaar dat werd besloten het huis te Honselersdijk te slopen. Wat overbleef waren enkele bijgebouwen, bekend onder de naam: het Hof. (

      Van Bergen, Naaldwijk, p. 123 en pp. 136-137.

      )
      Honselersdijk behoorde onder de hoge en middelbare jurisdictie van Naaldwijk.

      Rechten en bevoegdheden

      De prins van Oranje had in vrijwel alle heerlijkheden het recht van benoeming van baljuw en schout. Ook had hij benoemingsrecht voor welgeboren mannen en schepenen, die hij benoemde uit een dubbelgetal dat was opgesteld door de baljuw of schout.

      In het Westland werden geregeld meerdere functies door één persoon uitgeoefend. Zo werd het baljuwschap van de verschillende heerlijkheden en functies als ontvanger van de verpondingen in de 18e eeuw bekleed door één persoon. Ook het rentmeesterschap over de verschillende goederen werd geregeld door een persoon waargenomen. De rechten en bevoegdheden van de prins van Oranje waren vrij uitgebreid, zoals mag blijken uit de opgave van functionarissen waarvan de prins benoemingsrecht had, of waarvoor hij octrooi mocht verlenen.

      Beheer

      De goederen in het Westland werden beheerd door meerdere rentmeesters, één rentmeester per goederencomplex. Nadat Naaldwijk en 's-Gravenzande in 1754 weer van de koning van Pruisen waren teruggekocht, werden deze goederen door één rentmeester beheerd en in één rekening verantwoord.

      De Domeinraad hoorde de rekeningen van de verschillende colleges en functionarissen jaarlijks af. Het afhoren van rekeningen van de rekenplichtige ambtenaren vond vaak plaats ten overstaan van baljuw, schout en schepenen, ingelanden of bruikers door een lid van de Domeinraad. Ook deed de gecommitteerde van de Domeinraad de jaarlijkse verpachtingen.

      Ten behoeve van een zorgvuldige administratie van met name aan grondbezit verbonden inkomsten, diende het bezit in kaart te worden gebracht. Zo is het kaartboek van de domeinen in Westland door Floris Jacobsz., gemaakt in de periode 1615-1634, waarschijnlijk in opdracht van de Domeinraad vervaardigd. (

      NDR inv. nr. 6691.

      ) Ook het kaartboek van het baljuwschap van Naaldwijk, door Floris Jacobsz omstreeks 1620, dus niet lang na de aankoop van Naaldwijk vervaardigd, is waarschijnlijk een opdracht van de Domeinraad. (

      Kaartboek van het baljuwschap van Naaldwijk. Kaartboek van de landerijen gelegen in de heerlijkheden Naaldwijk, Honselersdijk en het Honderdland, omstreeks 1620 door Floris Jacobsz vervaardigd. M. Kok, ed. (Alphen aan de Rijn, 1985, Genootschap Oud Westland in samenwerking met Canaletto).

      )
      Ook losse kaarten van de hand van Floris Jacobzs en Floris van der Salm zijn bewaard gebleven. (

      Het betreft de kaarten collectie Hingman inv. nrs. VTH 2347-2350, 2353-2354, 2358-2363

      )

      In 1757 werd voor het Westland een intendant aangesteld 'tot beter administratie en bevorderinge der inkomsten'. (

      NDR inv. nr. 115, 25 februari 1757.

      ) Abraham Douglas werd als intendant aangesteld. Deze Douglas bekleedde al diverse functies in het Westland (baljuw, ontvanger der verpondingen, etc.). Over zijn gedragingen werden door inwoners van Westland meermalen klachten geuit. Toch bleef Douglas tot 1795 in zijn functies gehandhaafd, met een kort intermezzo toen hij tijdens de patriotse woelingen door de patriotten gevangen werd gezet. De rentmeesters van Westland waren: (

      NDR inv. nr. 686, folio 763 e.v.

      )

      Polanen, Monster, Poeldijk, Ter Heijde, half Loosduinen met toebehoren:

      Jasper van Kinschot, []-1591
      Pieter van Treslong, 1619-1625
      Simon van Catshuijsen, 1626-1650
      Pieter van Butselaer, 1651-1655
      Frederik Schoon, 1658-1661
      Balthasar van der Hoijkens, 1662-1676
      Vincent Turnhout, 1677-1688
      Dirk Helt, 1690-1716
      Jan Pieter Ravens, 1720-1754
      Jan Ravens, 1755-1778
      Gijzemarus Abraham Christ, 1779-1797
      Nicolaas Armand, 1799-1804
      Johan Nicolaas van der Trappen, 1805-1811
      Naaldwijk, Honselersdijk, Wateringen, Opstal, Hondertland, de tienden in de Lier en nog enige andere goederen:

      Simon van Catshuijsen, 1617-1650
      Frederik Schoon, 1650-1681
      Willem Schoon, 1682-1685
      Elizabeth Bernagie, 1686-1688
      François Ravens, 1689-1711
      's-Gravenzande en Zandambacht:

      Simon van Catshuijsen, 1639-1650
      Pieter van Butselaer, 1651-1655
      Frederik Schoon, 1658-1681
      Willem Schoon, 1682-1688
      François Ravens, 1689-1711
      Oranjepolder

      Willem Kettingh de Jong, [1657]-1668
      Jacob Hodenpijl, 1670-1677
      Frederik Schoon, 1681
      Willen Schoon, 1682-1688
      François Ravens, 1689-1711
      Vanaf 1754 werd Naaldwijk samen met 's-Gravenzande en Zandambacht en Oranjepolder door een rentmeester beheerd.

      Jan Ravens, 1754-1777;
      Gijzemarus Abraham Christ, 1779-1797;
      Nicolaas Armand, 1798;
      Weduwe van Armand, 1799-1804;
      Johan David Nicolaas van der Trappen, 1805-1812

      In bovenstaande lijst zijn alleen de rentmeesters opgenomen die een commissie hebben ontvangen. Erfgenamen, weduwen en borgen die gedurende een aantal jaren het rentmeesterschap waarnamen zijn hierin niet opgenomen.

      Stadhouders van de lenen waren:

      Van Polanen:

      Ewoud Brand, 1647-1652;
      Ewoud Brand, de zoon, 1653-1671;
      Ewoud Brand, de (klein)zoon, 1671-1720;
      Pieter Brand, 1722;
      Jan Pieter Ravens, 1724-1768;
      Andreas Ardesch, 1769-1788;
      Jacob Amman, 1789;
      Louis Stephanus le Jeune, 1790-?
      Van Naaldwijk:

      Ewoud Brand, 1647-1652
      Ewoud Brand, de zoon, 1653-1671
      Ewoud Brand, de (klein)zoon, 1671-1711
      Carel Bernard Schwarm, 1747-1763
      George Ulbo van Schwarm, 1764-1770
      Andreas Ardesch, 1771-1787
      Jacob Amman, 1789
      Carel Frederik Brand, 1790-?
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit hoofdstuk zijn de stukken betreffende het Westland opgenomen. Hierin bevinden zich ook stukken, opgemaakt en/of ontvangen door andere archiefvormers dan de Domeinraad. Het gaat hier om personen of instanties die kortere of langere tijd in het bezit waren van goederen in het Westland. Dat waren de Staten van Holland ten tijde van de confiscatie van de goederen van de graaf van Aremberg, de graaf van Aremberg zelf en de koning van Pruisen, na de verdeling van de erfenis van Willem III van Oranje. Zoals gebruikelijk werden bij de overdracht van de goederen aan de nieuwe eigenaar ook delen van het archief overgeleverd. Het ging dan voornamelijk om eigendomsbewijzen, zoals registers van lenen en akten van koop en overdracht van goederen.

      Verwante Archieven

      De rekeningen en stukken van functionarissen als baljuw, schout, schepenen en burgemeesters worden beheerd door de gemeenten: De Lier, Monster, 's-Gravenzande, 's-Gravenhage (voor stukken betreffende Loosduinen), Naaldwijk, Wateringen. Alleen in Naaldwijk is een gemeentearchief gevestigd. De archieven in de overige gemeenten worden in het algemeen op de secretarie beheerd. Ook sectie 3 van het Algemeen Rijksarchief beheert archieven die betrekking hebben op het Westland, zoals b.v. van de rechtscolleges.

      Literatuur Stukken betreffende het Westland zijn eveneens beschreven in Drossaers, Inventaris van het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581.

      Kaarten van goederen in het Westland zijn in beheer bij de afdeling Kaarten & Tekeningen van het Algemeen Rijksarchief.

      Inventarisatie

      De rubrieken in de inventaris zijn onderverdeeld naar de goederencomplexen zoals die door de rentmeester(s) werden beheerd. De leenregisters van Polanen zijn bij de stukken betreffende het Westland gevoegd, omdat Polanen deel uitmaakte van het goederencomplex Monster.

      Bijlage Functionarissen

      (

      NDR inv. nr. 687.

      )

      Hondertland

      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      • Bewaarder en ontvanger van de zeevondsten
      • Ontvanger van verpondingen
      • Marktschipper van Delft op Rotterdam en 's-Gravenhage
      Honselersdijk

      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      • Conciërge van het huis
      • Bewaarder en ontvanger van de zeevondsten
      • Bode
      • Schoolmeester
      • Hovenier
      • Boswachter/opzichter over het groot en klein wild
      • Portier
      • Faisantier
      • Timmerman
      • Opziender en directeur van de Indiase en uitheemse gewassen
      • Schipper op Delft, Leiden etc
      • Chirurgijn
      • Baggeraar van de vaart van Honshol naar Loosduinen
      Loosduinen

      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      • Rentmeester
      • Bode
      • Marktschipper van Loosduinen
      • Ontvanger van verpondingen
      • Grutter
      Monster

      • Rentmeester
      • Rentmeester van de geestelijke en kerkelijke goederen
      • Bode
      • Koster
      • Marktschipper op Rotterdam, Delft, Maaslandse sluis en Vlaardingen en Leiden en 's-Gravenhage
      • Grutter
      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Bidder en doodgraver
      • Chirurgijn
      • Vroedvrouw
      • Marktschipper
      Naaldwijk

      • Baljuw
      • Stadhouder van de lenen
      • Griffier van de lenen
      • Schout
      • Secretaris
      • Rentmeester
      • Bewaarder en ontvanger van de strandvondsten
      • Rentmeester van het oude mannen- en vrouwenhuis
      • Rentmeester van de kerke- en heilige geest goederen
      • Ontvanger van de verpondingen
      • Gerechtsbode
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Bidder ter begrafenissen
      • Koster en voorlezer van het oude mannen- en vrouwenhuis
      • Hoefsmid
      • Chirurgijn
      • Grutter
      • Marktschipper
      • Gra(a)fmaker en turfmeester
      Opstal

      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      Oranjepolder

      • Baljuw
      • Schout
      • Dijkgraaf
      • Heemraden
      • Rentmeester
      • Dijkbode
      • Marktschipper Delft, Rotterdam en 's-Gravenhage
      Poeldijk

      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      • Rentmeester
      • Bode
      • Schoolmeester
      • Bidder ter begrafenissen
      • Geadmitteerd chirurgijn
      • Marktschipper op Delft, 's-Gravenhage, Leiden en Rotterdam
      Polanen

      • Stadhouder der lenen
      • Griffier van de lenen
      Ter Heijde

      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      • Rentmeester
      • Bode
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Schrijver van vis
      • Bidder
      • Doodgraver
      Wateringen

      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      • Gerechtsbode
      • Rentmeester van de kerk- en gasthuisgoederen
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Kinderschoolhoudster
      • Marktschipper van Wateringen op Leiden etc.
      • Marktschipper op Delft, Leiden en 's-Gravenhage
      • Ontvanger van de verpondingen
      • Chirurgijn
      • Grutter
      Westland

      • Intendant
      • Rentmeester
      • Ontvanger der verpondingen, deze inde de verpondingen en droeg deze af aan de ontvanger-generaal van de Staten van Holland (NDR inv. nr. 601, folio 120.)
      • Doctor in de medicijnen
      • Apotheker
      • Jager en opziender van de jacht
      • (Chirurgijns, dokter en apotheker worden 'geoctroieerd' door de Domeinraad) (

        Van Bergen Naaldwijk, pp. 218 e.v.

        )
    • Verwerving

      De Staten van Holland eisten bij de Vrede van Munster in 1648 de heerlijkheid Zevenbergen op. Samen met Turnhout werd Zevenbergen vervolgens door de Staten van Holland als persoonlijk bezit toegewezen aan Amalia van Solms, de weduwe van prins Frederik Hendrik. Op 29 mei 1649 werd zij door de Leenkamer van Holland beleend met stad, slot, land en heerlijkheid van Zevenbergen. (

      NDR inv. nr. 1611.

      ) Daarmee kwam een definitief einde aan de relatie tussen Zevenbergen en het huis Aremberg. (

      De eeuw daarvoor (sinds 1550) was Zevenbergen in bezit geweest van de Arembergs. Zie A. Delahaye, 'Heerlijkheid en heren van Zevenbergen' I en II in Publicaties van het archivariaat 'Nassau-Brabant', 1 (1968) en 8 (1969).

      )

      Hoewel Amalia van Solms haar bezittingen had toegewezen aan haar vier dochters, werd zij in Zevenbergen, na haar dood in 1675, toch opgevolgd door haar kleinzoon Willem III. Hiermee was een groot deel van het Hollandse gebied dat grensde aan Staats-Brabant en in het bijzonder aan de baronie van Breda, van Geertruidenberg tot Klundert, in handen gekomen van de Nassaus. Het beheer over het domein Zevenbergen viel voortaan onder verantwoordelijkheid van de Domeinraad. In 1719 werd Zevenbergen gevoegd bij de (geëxtraheerde) goederen, toegewezen aan de minderjarige kinderen van Oranje en Maria Louise van Hessen-Kassel, hun moeder en voogdes, en beheerd door de Raad en Rekenmeesters der geëxtraheerde goederen. (

      NDR inv.nr. 78 en inv. nr. 1529, folio 12v e. v.

      ) Op 26 juni 1731 schonk Willem IV Zevenbergen als weduwegoed aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel. Toen zij in 1765 stierf viel de heerlijkheid weer terug aan Willem V.

      Samen met de andere voormalige bezittingen van de Nassaus werd Zevenbergen in 1795 bij het Haags Verdrag door Frankrijk aan de Bataafse Repubhek afgestaan.

      In 1816 werd Zevenbergen aangewezen als een van de rentambten die gezamenlijk de jaarlijkse inkomsten van 190.000 gulden aan prins Frederik moesten waarborgen, in ruil voor zijn verloren rechten op Luxemburg. Een maatregel die in 1840 effectief werd. Na de dood van prins Frederik in 1881 kwam het rentambt Zevenbergen weer aan de staat. (

      J.A. ten Cate, Inventaris van de archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers (1456) 1840-1932 ('s-Hertogenbosch 1971, Rijksarchief in Noord Brabant, Inventarisreeks nr. 8), pp. 1-16.

      )

      Samenvatttend:

      ca 1550 Huis Aremberg
      1648 Amalia van Solms
      1675 Willem III
      1719 Kinderen van Oranje
      1731 Maria Louise van Hessen-Kassel
      1765 Willem V
      1795 Bataafse Republiek
      1840 Prins Frederik
      1881 Staat der Nederlanden
      Grondgebied en benaming

      De heerlijkheid Zevenbergen werd begrensd door het domein Willemstad en het markiezaat van Bergen op Zoom in het westen, de Roodevaart en de heerlijkheid Niervaart (Klundert) in het noorden. De heerlijkheid van Hooge en Lage Zwaluwe lag ten oosten en de baronie van Breda tenslotte begrensde Zevenbergen in het zuiden. (

      Tegenwoordige staat, VII, Holland IV, pp.221-226.

      ) Het grootste deel van het gebied bestond uit polderland, met vruchtbare weide- en zaaigronden.

      Commissaris A.W. Swart gaf in zijn verbaal van 1797 de volgende beschrijving van het domein Zevenbergen:

      'Dat de goederen tot dit Domein behoorende niet aanmerkelijk zijn, als makende de tienden aldaar jaarlijks vallende, zo van vlas, zaad, garst, tarw en andere veldvruchten, verre het grootste deel uit van de inkomsten.

      En bestaan derhalven de goederen, behalven deeze tienden alleenlijk in dijken, gorssen en riethillen, welke in ruim vijftig parceelen werden verpagt, en waarbij dan tevens de avelingen en eenige gorssen gevoegd zijn. voorts in 17 buinderen Lands aan den langen weg in het oudland geleegen, in 20 buinderen Lands en Gorssen gelegen langst de Rivier de Keene in de Lande genaamd Jonkerhoef. In een groot Gors aan het Lamsgatsevheer en eindelijk in agt a negen buinderen weijland, in diverse kleine partijen geleegen nabij de stad Zevenbergen.

      Nog behoord tot Domein een Koornmolen, doch welke van hout gebouwd en met schelijen belegt zeer kostbaar valt in onderhoud, vooral wanneer men het verwen daarby reekent:-gelijk mede het Lamgatsevheer, Item de chijnsen, dezen zijn uitsteekend menigvuldig, alzo bij na geen eenig stuk land onder Zevenbergen daar van vrij is, hoe zeer zij naauwelijks f1000 's Jaars bedragen. Item den afslag van de visch, het recht op de waag, de stadsaccijnsen op wijn en bier, en eenige niets noemenswaardige visscheijen... ' (

      NDR inv. nr. 7427.

      ) Vooral in de tweede helft van de 16e eeuw waren er vele bedijkings- en inpolderingswerkzaamheden verricht. (

      Dit gebeurde onder het bestuur van Margaretha van der Marck, gravin van Aremberg en vrouwe van Zevenbergen 1568-1599. Het betrof de Nieuwe Nieuwendijk, Kleine Meeren, Gelderse Polder, Oude en Nieuwe Pelgrom, Schenkeldijken, Bredase Polder, Bruinings Polder, Blokpolder en Korte Blokken; Delahaye, Zevenbergen II, p. 39.

      )
      Een belangrijke polder ontstond toen Amalia van Solms in 1666 octrooi verleende om samen met de ingelanden van Zwaluwe en Niervaart de Royalen Polder te herdijken. (

      Slechts een klein deel van deze polder betrof Zevenbergs grondgebied; een groot deel viel onder Zwaluwe en een vergelijkbaar deel onder Klundert. De stukken betreffende de Royale Polder treft men aan in het hoofdstuk 'De Zwaluwen'.

      )

      Andere polders onder Zevenbergen waren:

      • Kleine Noord of Slikpolder
      • Nassaupolder
      • Oude Polder of het Oudland
      • Bredasche polder
      • Oude Moerdijk.

      Al sinds de 13e eeuw was er een kasteel, een kerk en een schepenbank. (

      Delahaye, 'Zevenbergen', I, p.15.

      ) De stadsmuren waren al in de 15e eeuw vernield en nooit weer opgebouwd. (

      Delahaye, 'Zevenbergen', 11, p.7.

      )
      Naast het kasteel bezat de heer het zg. huis 'Luchtenburg'. (

      Ook wel 'Lochtenburg'.

      )
      Het kasteel werd tot 1599 door de Arembergs gebruikt als residentie en raakte in de 17e eeuw in verval, in 1728 werd tot sloop overgegaan. (

      Delahaye, 'Zevenbergen', II, p. 71.

      )
      Het huis Luchtenburg werd ook in de 18e eeuw nog als woonhuis gebruikt door de drossaard. (

      Delahaye, 'Zevenbergen', II, pp.14 en 43-44. In 1783 werd het perceel bij het huis Luchtenburg vergroot en drossaard Coene bouwde op deze grond een woning, die daarna door de opeenvolgende drossaards werd bewoond. Ook dit pand stond er in 1797 leeg en vervallen bij volgens de toenmalige rentmeester Hetterschij; NDR inv.nr. 7443, folio 13. Overigens is er in 1776 ook sprake van aankoop door de domeinraad van het huis Luchtenburg en een perceel land; NDR inv.nr. 7435.

      )

      De drossaard vormde samen met de schepenen de magistraat van stad en land van Zevenbergen.(

      NDR inv.nr. 7440; A. Delahaye, 'De Roodevaart of Haven van Zevenbergen' in: Jaarboek 'De Oranjeboom', XVI (1963) pp.111-141.

      ) Het stadsbestuur bestond, naast deze door de heer aangestelde magistraat, ook nog uit een vroedschap. De leden kwamen voort uit de elite en zij vormden een min of meer rechtstreekse vertegenwoordiging van de bevolking. Het door Cornelis van Zevenbergen in 1541 opgerichte 'St. Jorisgilde' had zich in de periode van een eeuw ontwikkeld van een schuttersgilde tot de vroedschap van Zevenbergen. De vroedschap had o.a. het recht van voordracht van nieuw te benoemen schepenen en burgemeesters. Vanzelfsprekend werden veelal leden van de vroedschap voorgedragen. Bovendien vroeg de magistraat de vroedschap regelmatig advies. Dit alles gaf de vroedschap grote macht binnen het stadsbestuur. (

      A. Delahaye, 'Het St Jorisgilde of de vroedschap van Zevenbergen' in: Publicaties van het archivariaat 'Nassau-Brabant', 24 (1973).

      )

      De benaming 'baronie van Zevenbergen' evenals de titel baron (barones), werd in de 16e eeuw gebruikelijk. Ook de Nassaus noemden zich baron(-es) van Zevenbergen. (

      Delahaye, 'Zevenbergen' II, p.36.

      )

      Rechten en bevoegdheden

      Zevenbergen was een vrije en hoge heerlijkheid. Recht werd gesproken in de Vierschaar door schout (later drossaard), schepenen en secretaris 'alle veertien dagen des maandags'. (

      NDR inv.nr. 7442,folio 13.

      ) Beroepszaken dienden voor het Hof van Holland. Justitie en politie waren in Zevenbergen zwaar vertegenwoordigd. Naast de drossaard, die tevens dijkgraaf en stadhouder van de lenen was, waren er drie 'vorsters', twee 'rode roeden' en nog een 'dienaar van justitie'. Al deze functionarissen werden door de heer of in naam van de heer benoemd. De functie van de vorster is te vergelijken met die van de 20ste-eeuwse deurwaarder. De functie rode roede was in de 18e eeuw kennelijk niet helemaal duidelijk, getuige de notulen van 15 juli 1771. Hierin vroeg de Domeinraad zich o.a. af of de rode roede wel enige bevoegdheid had in het opvangen en loslaten van bedelaars en vagebonden, hetgeen waarschijnlijk toch zijn hoofdtaak was. (

      NDR inv.nr. 136,15 juli 1771.

      )

      Omdat de oude keuren in onbruik waren geraakt en zeker ook om opnieuw orde op zaken te stellen werd op 11 juni 1570 een hernieuwde keur afgekondigd, opgesteld door Jan de Ligne, heer van Zevenbergen, en goedgekeurd door Philips II. Deze keur was ook tijdens het bewind van de Nassaus nog van kracht. (

      NDR inv.nr. 7442.

      )

      Grondcijns, tienden, visserijen in de binnendijkse wateren en het recht van de wind (de dwang-, wind- en rosmolen aan de oostzijde van Zevenbergen) (

      NDR inv.nr. 7473, folio 12v.

      ) waren de belangrijkste rechten van de heer in Zevenbergen. Accijns op wijn en bier kwam weliswaar aan de heer toe, maar vanwege een oud akkoord met Aremberg ontving de stad hiervan jaarlijks 450 gulden. In de praktijk pachtte de stad voor 450 gulden de accijns en behield alles wat daarboven geïnd werd. (

      Delahaye, 'Zevenbergen' II, p.73

      )

      Samen met de markies van Bergen op Zoom bezat de heer van Zevenbergen ook nog het Lamgatseveer, de route van Holland naar Antwerpen over de rivier de Mark.

      De heer had het recht de volgende functionarissen te benoemen: (

      Overgenomen uit: NDR inv. nr. 686, folio 861-864v.

      )

      • Drossaard
      • Stadhouder van de lenen
      • Dijkgraaf
      • Ontvanger van de ordinaris en extra ordinaris verpondingen
      • Rentmeester
      • Secretaris van destadweeskamer en baronie
      • Stokhouder
      • Medicine doctor
      • Postmeester
      • Eerste voster
      • Tweede voster
      • Derde voster
      • Twee Roode Roeden
      • Dienaar van de justite
      • Comptoirbode
      • Notarissen

      Lang niet al deze functionarissen werden ook werkelijk door de heer en voor hem door de Domeinraad benoemd. In 1692 liet Willem III zelfs weten de benoeming van de ambten waarbij het domein niet financieel betrokken was, over te laten aan de magistraat. (

      Delahaye, 'Zevenbergen' II, p 68.

      ) Dat de benoeming van de financieel maar zeker ook politiek belangrijke functies als drossaard en secretaris aan de heer bleven, sprak voor zich.

      Beheer

      Pas in 1676, toen Willem III in het bezit kwam van Zevenbergen, werd de heerlijkheid Zevenbergen beheerd door de Domeinraad. Van 1649-1676 werd het beheer over de heerlijkheid uitgeoefend door de Raad en Rekenmeester[s] van Amalia van Solms.

      De belangrijkste inkomstenbron was het tiendrecht en dan met name het recht op de korentienden: in 1703 leverde dit recht ruim 8500 pond op, tegen bijvoorbeeld de verpachting van landerijen die zo'n 1660 pond inkomsten opleverden. De grootste onkostenpost was dat jaar de verponding en het dijkschot: bijna 3000 pond. De rekening van 1703 had een batig slot van 7527 pond.(

      Overzicht van de inkomsten in dat jaar:

      Captl. Ontfanck

      1: Onquijtbare Chijnsen: 817-8-3.3/4

      2: Quijtbare Chijnsen: 52-8-3

      3: Redemptie van thienden: 383-16-9

      4: dijcken van Nassouw polder: 9-12-0

      5: dijcken van riethillen: 2073-15-0?

      6: Landerijen: : 1659-10-10.1/2

      7: accijns van wijnen & bieren: p.m.

      8: visserije en molen: 1139-8-0 en 15 viertellen rogge

      9: zaadt thiende: : 827-12-6

      10: coren thiende: 8525 pond

      11: gemengden ontfangh: 933-9-0

      totalis somma 15.522-0-8.1/4 en 15 viertellen rogge

      Captl. Uijtgeeff

      1: renthen: : 438-7-0

      2: ordinaire gagie: :1264-19-0 en 15 viertellen rogge

      3: verpondinge & dijckschot: 2950-3-9

      4: reparatien: 988-15

      5: gemengden uijtgeeff: 2352-3-6

      totalis somma: 7994-8-3 en 15 viertellen rogge

      De opbrengsten in 1703 bedroegen dus: 7527-12-5.1/4; NDR inv. nr. 7499, folio 15

      )Zoals in alle domeinen was het dagelijks beheer de verantwoordelijkheid van de rentmeester.

      In Zevenbergen werden aangesteld: (

      Volgens NDR inv. nr. 685, folio 862-863 en inv. nrs. 7456-7610 (rekeningen).

      )

      1649-1663 Pieter de Balmakers, rentmeester van Amalia van Solms
      1664-1675 onbekend
      1676-1689 Johan van der Kaeij
      1692 Samuel du Castel, Huijbert Kip, in zijn plaats
      1693-1703 Huijbert Kip
      1704-1707 Johan Wiltens
      1709-1713 Jacob Artopé
      1714-1716 Herculus van Hoornbeek
      1717-1746 Dingman Anemaat
      1747-1770 Anthonie Anemaat
      1771-1787 Sebastiaan Anemaat
      1788 Jacobus Johannes Hetterschij, geauthoriseerd bij resolutie van de Domeinraad
      1789-1790 Jacobus Johannes Hetterschij, provisioneel
      1792 Diederik Valerius Meijners (

      Meijners maakte de rekening over het jaar 1791 op

      )
      1792-1802 Jacobus Johannes Hetterschij
      1803-1810 Cornelis Gualtherus Hetterschij
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      In dit hoofdstuk worden de stukken betreffende het domein Zevenbergen beschreven. Zevenbergen nam nogal eens een bijzondere positie in, binnen het geheel van de Nassause domeinen. Dit heeft soms gevolgen gehad voor de archiefvorming. Opvallend is dat er bijna geen eigendomspapieren zijn overgeleverd in dit deelarchief. Een enkel stuk dat dateert van voor 1648, enkele 18e-eeuwse afschriften van stukken betreffende eigendom, rechten en plichten en overzichten van de bestaande situatie boden de Domeinraad enig houvast in het bestuur van dit domein. De landmeter Jacob Jan Simonsz vervaardigde in 1611 een kaart met bijbehorend 'Veltboeck' waarin hij alle bezittingen van Charles van Aremberg, heer van Zevenbergen optekende. (

      NDR inv. nr. 7437; een afschrift treft men aan in NDR inv. nr. 7442.

      ) Deze legger geeft, in combinatie met de kaart waar hij bijhoort, een gedetailleerd overzicht van de heerlijkheid in het begin van de 17e eeuw. Waarschijnlijk omdat Willem IV Zevenbergen als weduwgoed aan zijn moeder schonk, werd een overzicht gemaakt van alle octrooien, commissies, akten en appointementen betreffende de heerlijkheid Zevenbergen over de periode 1679-1728. (

      NDR inv.nr. 7439.

      )
      Tenslotte werd in 1775 een afschrift vervaardigd van keuren en ordonnanties voor stad en land van Zevenbergen. (

      NDR inv. nr.. 7442.

      )

      De serie rekeningen is ondanks de cesuren in eigendom vrijwel compleet vanaf 1648, en is ook voor de huidige onderzoeker nog een belangrijke informatiebron met betrekking tot de exploitatie van het domein. De verbalen van de leden van de Domeinraad (vanaf 1765) en de generale rapporten van de rentmeesters (vanaf 1776) kunnen de onderzoeker inzicht verschaffen in de jaarlijkse besognes in Zevenbergen.

      In deel 1 van de inventaris treft men ook gegevens betreffende dit domein aan. Van belang zijn dan met name de series notulen en de registers van uitgaande stukken. Ondanks de aanwezigheid van een serie rekeningen over de jaren 1659-1663 en enkele andere oudere stukken, werden de stukken betreffende Zevenbergen pas vanaf 1675 opgenomen in de administratie van de Domeinraad. Voor die tijd immers was Zevenbergen persoonlijk bezit van Amalia van Solms. In dit verband is het van belang te verwijzen naar het register van uitgaande stukken van Frederik Hendrik, Amalia van Solms en Willem II aan belanghebbenden betreffende het bestuur en beheer van het Huis ten Bosch en tuin, Zevenbergen en Turnhout en de hofhouding van Amalia van Solms, 1645-1667. (

      NDR inv. nr.. 913.

      )

      Het rentmeestersarchief van Zevenbergen is voor wat betreft de 18e en 19e eeuw voor een groot deel bewaard gebleven en berust bij het Rijksarchief in Noord-Brabant. (

      Ten Cate, Inventaris, pp.87-95.

      ) Met name de serie 'cijnsleggers' (inv.nrs. 1781-1790) vormt een welkome aanvulling op dit hoofdstuk.

      Verwante Archieven

      Overige stukken betreffende Zevenbergen berustende bij :

      • In de inventaris van dr. S.W.A. Drossaers Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581. Deel 2: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren treft men onder de rubriek 'Stukken afkomstig van Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen' de beschrijvingen aan van voornamelijk 15e-eeuwse stukken. (

        De aanwezigheid van deze vroege stukken in het archief van de Nassause Domeinraad heeft niets te maken met de latere eigendomsverhoudingen. Het veelvuldig verblijf van de vader van Cornelis van Bergen op het kasteel van Grave en Cornelis' familierelatie met Floris van Egmond verklaart de aanwezigheid van de stukken in het archief van de Egmonds; Drossaers II, I, pp.222-238.

        )
      • Kaarten betreffende het domein Zevenbergen over de hele periode tot 1795 (1810) bevinden zich in: J.H. Hingman, Inventaris van de verzameling kaarten berustende in het Rijksarchief..., Tweedegedeelte. 's-Gravenhage 1871 en: A.J.H. Rozemond, Inventaris der verzameling kaarten berustende in het Algemeen Rijksarchief, zijnde het eerste en tweede supplement op de collectie Hingman. 's-Gravenhage 1969.

      • Schepenbankarchieven: Zevenbergen, 1542-1811.
      • Notariële archieven: Zevenbergen, 1590-1584, 1637-1895.
      • Archief van de Weeskamer te Zevenbergen, 1564-1810.
      • Archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers (1456) 1840-1932.
      • Collectie Cuypers van Velthoven, 1320-1870.

      • Gemeente-archief van Zevenbergen, 1485-1810.

      • Archief van het samenwerkingsverband Elderenspolder, Landeke Voordaag, Bredasche Polder, de Bloken, Strepenland, Korte Bloken en St. Sebastiaansland, (1601)-(1671).
      • Archief van het Hoogland, genaamd de Bloken, Strepenland, Korte Bloken en St. Sebastiaansland, 1632-1666.
      • Archief van het Oudland van Zevenbergen, (1656)-1971.
      • Archief van de Royale Polder, 1666-1971.
      • Archief van de Nassaupolder, 1697-1890.
      • Archief van de Haven en Sassen van Zevenbergen, (1774)-1943.
      Literatuur J.A. ten Cate, Inventaris van de archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers (1456) 1840-1932. 's-Hertogenbosch, 1971. (Rijksarchief in Noord-Brabant, Inventarisreeks nr.8). A. Delahaye, 'Heerlijkheid en heren van Zevenbergen'. I en II. In. Publicaties van het archivariaat 'Nassau-Brabant', 1,1968 en 8,1969. A. Delahaye, 'Het St. Jorisgilde of de vroedschap van Zevenbergen'. In: Publicaties van het archivariaat 'Nassau-Brabant', 24,1973. A. Delahaye, 'De Roodevaart of Haven van Zevenbergen'. In. Jaarboek 'DeOranjeboom, XVI, 1963, pp.111-141. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581. Deel 2: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren. 's-Gravenhage, 1955. [J. Wagenaar], Tegenwoordige staat der vereenigde Nederlanden, zevende deel. Behelzende het vervolg der beschrijvinge van Holland. Amsterdam, 1749. (Staat der Nederlanden, deel VII, Holland IV).
      Bijlage Inhoudsopgave van de rekening over het jaar 1703
      (NDR inv. nr. 7499). Tafel van de Capittelen deser rekeningh

      Captl. Ontfanck
      1Onquijtbare Chijnsen
      2Quijtbare Chijnsen
      3Redemptie van thienden
      4dijcken van Nassouw polder
      5dijcken van riethillen
      6Landerijen
      7accijns van wijnen & bieren
      8visserije en molen
      9zaadt thiende
      10coren thiende
      11gemengden ontfangh
      Captl. Uijtgeeff

      1renthen
      2ordinaire gagie
      3verpondinge & dijckschot
      4reparatien
      5gemengden uijtgeeff
    • Verwerving

      De heerlijkheden Hooge en Lage Zwaluwe in het graafschap Holland waren door de eeuwen heen niet altijd in handen van één en dezelfde heer geweest. In 1376 werd het ambacht Hooge Zwaluwe door Beatrijs van Duvenvoorde afgestaan aan Jan van Polanen ten behoeve van diens echtgenote Margaretha van Lippe, vrouwe van de Leck en Breda. Lage Zwaluwe bleef bij Beatrijs en haar oudste zoon Willem van Dalem, heer van Dongen. Deze Willem van Dalem werd in 1404 door Jan van Polanen beleend met Hooge Zwaluwe, zodat de beide Zwaluwen weer onder één heer kwamen. In 1513 werden de goederen van Jan van Dalem, heer van de beide Zwaluwen, verbeurd verklaard ten gunste van Hendrik, graaf van Nassau. Nadat in 1517 gratie werd verleend aan de weduwe van Jan van Dalem, werden de geconfisqueerde goederen door Karel V teruggegeven. Echter de Rekenkamer van Holland weigerde registratie en een slepend proces tussen de Nassaus en de Van Dalems, die beide aanspraak maakten, volgde.

      Pas in 1580 was het probleem eindelijk uit de wereld: Philips II beleende Willem van Oranje met de Zwaluwe 'zoals Jan van Dalem het eertijds bezat' en Magdalena van Dalem deed afstand van haar rechten in ruil voor 300 carolusguldens per jaar. (

      Zie over deze kwestie Drossaers I, inv.nrs.818-821.

      )

      Na de dood van Willem III in 1702 voerden de Staten-Generaal, als executeur-testamentair, het beheer over de nalatenschap van Willem III. Frederik I, koning van Pruisen, maakte aanspraak op een deel van deze nalatenschap. Na de onverwachte dood van Johan Willem Friso in 1711 werden de goederen geëxtradeerd. Hooge en Lage Zwaluwe werden toegewezen aan Frederik I. Pas in 1732 kwam het tot een akkoord over de erfenis: het Tractaat van Verdeling. Hierbij werd onder andere geregeld dat Frederik I heer werd van de Zwaluwe. Voor f700.000,= (en f5000,= voor de meubelen) kocht Anna van Hannover, als voogdes van de latere Willem V, in januari 1754 de 'Hollandse' bezittingen weer terug. (

      Zie ook NDR inv.nr. 7641.

      )

      In februari 1793 bezette het Franse leger voor korte tijd de Zwaluwe. Net als de andere Hollandse domeinen kwam de heerlijkheid in 1795 onder beheer van de administrateurs van de goederen van de prins van Oranje, gelegen in Holland. (

      Zie algemene inleiding.

      ) In 1815 werden de grenzen gewijzigd. De voormalige heerlijkheid Hooge en Lage Zwaluwe was vanaf die tijd Brabants grondgebied.

      In 1816 werden Hooge en Lage Zwaluwe aangewezen als een van de rentambten die gezamenlijk de jaarlijkse inkomsten van 190.000 gulden aan prins Frederik moesten waarborgen, in ruil voor zijn verloren rechten op Luxemburg. Een maatregel die in 1840 effectief werd. Na de dood van prins Frederik in 1881 kwam het rentambt weer aan de staat. (

      J.A. ten Cate, Inventaris, pp. 1-16.

      )

      Grondgebied en benaming

      De heerlijkheid de Zwaluwe grensde in het noorden aan Dordrecht. Het Hollands Diep vormde de natuurlijke scheiding. De St. Elisabethsvloed van 1421 veranderde een groot deel van het noordelijk gedeelte van de heerlijkheid in water. Verschillende nederzettingen verdwenen in de vloedgolf. Van de ambachten Almonde, Dubbelmonde en Standhazen bleven slechts de namen bewaard. Slechts een kleiner deel van dit gebied viel sinds de 16e eeuw onder de jurisdictie van (Hooge) Zwaluwe. De aanspraken op de visserij en de aanwassen in dit 'Verdronken Land' waren eeuwenlang strijdpunten. (

      Martens, De zalmvissers, pp.50 e.v.

      )

      In het oosten grensde de Zwaluwe aan de heerlijkheid Geertruidenberg. Ten zuiden lag de baronie van Breda en ten westen lagen Zevenbergen en Klundert (of Niervaart). Zowel Geertruidenberg als Breda, Zevenbergen en Klundert behoorden tot de Nassause domeinen.

      In 1732 woonden in de dorpen Hooge Zwaluwe (met de gehuchten Heikant en Gart) en Lage Zwaluwe (met de gehuchten Gartse Huizen,Groene Plattedijk en Moerdijk) 1450 personen boven de 4 jaar. Hoewel Lage Zwaluwe door de eeuwen heen in inwoneraantal groter was, was Hooge Zwaluwe het dorp waar de bestuursgebouwen stonden en waar de notabelen woonden. Daarmee was Hooge Zwaluwe het centrum van de heerlijkheid. (

      NDR inv.nrs. 764-769.

      ) Beide dorpen waren ongeveer voor de helft katholieken voor de andere helft gereformeerd. In 1787 pas was er sprake van een R.K. parochie. (

      P.M. Toebak De oprichting van de katholieke parochie te te Zwaluwe in 1785-1787 (1980, Publicaties van her archivariaat 'Nassau-Brabant', nr.54).

      )
      De gereformeerde kerk in Hooge Zwaluwe werd in 1641 gesticht door Frederik Hendrik. Eens in de veertien dagen predikte de dominee ook in Lage Zwaluwe, in een daartoe in 1695 aangekocht huis. In beide dorpen stond een school.

      Met name in de tweede helft van de 18e eeuw was het erg onrustig in deze streek De dreiging van de revolutie was zeker in dit grensgebied zeer voelbaar. Belangengroeperingen kwamen steeds weer tegenover elkaar te staan: Lage Zwaluwe tegen Hooge Zwaluwe, roomsen tegenover gereformeerden, orangisten tegenover patriotten. In de jaren 80 waren er verschillende rellen en over enkele functionarissen (de schoolmeesters, de baljuw) werd veelvuldig geklaagd bij de Domeinraad.

      Het ambacht Twintighoeven was door de Elisabethsvloed weggespoeld. De opslikkingen en aanwassen werden in 1660 bewinterdijkt, zodat het gebied weer geëxploiteerd kon worden. De grond werd met biezen beplant.

      Tot het domein Hooge en Lage Zwaluwe behoorde verder nog het ambacht Klein Waspik, ook wel Over-Waspik genoemd. Het gebied was gelegen tussen Groot Waspik en Nederveen-Capelle aan (en 'over') de Oude Maas.

      De heerlijkheid besloeg tenslotte een aantal polders, waarvan de percelen bebouwd werden met haver, vlas en hooi- en weigras. Er werd turf gestoken en ook het verbouwen van riet, biezen en griend vormden inkomstenbronnen. Met Geertruidenberg ontstond een gemeenschappelijk belang toen in 1645 de Emiliapolder, die zich uitstrekte over het grondgebied van de beide heerlijkheden, bedijkt en in exploitatie gebracht werd. (

      Voor het ontstaan van de Emiliapolder zie W.A. van Ham, 'De bedijking van de Emiliapolder en haar voorgeschiedenis' in: Oranjeboom XIX (1966) pp. 158-181. Zie voor stukken betreffende de Emiliapolder Het hoofdstuk Geertruidenberg.

      ) In 1650 werden verschillende kleine polders samengebracht onder 'een reglement en Huyshouding'. Allereerst de Royale Polder, een gebied gelegen kort onder de Moerdijk, grenzend aan Klundert en Zevenbergen en ressorterend onder Lage Zwaluwe. Alle functionarissen werden door de heer aangesteld en de rekening werd jaarlijks door een commissaris van de Domeinraad afgehoord in een herberg aan de Moerdijk. (

      NDR inv. nr. 768, folio 1441-1444.

      )
      De Nieuwe Zwaluwepolder werd eveneens in 1650 ingepolderd. Deze polder lag deels op grondgebied van Hooge en deels op dat van Lage Zwaluwe. Ook hier werden de functionarissen benoemd door de heer en werd de jaarlijkse rekening afgehoord, ditmaal in een herberg in de Hooge Zwaluwe. (

      NDR inv. nr. 767,(0110 1185-1187.

      )

      Rechten en bevoegdheden

      De heerlijkheid Hooge en Lage Zwaluwe bezat de lage, middelbare en hoge jurisdictie. De schout werd door de heer benoemd. In Hooge Zwaluwe stond een 'geregthuys' waar door schout en (zeven) schepenen, die samen de rechtbank vormden, recht werd gesproken. Het vonnis kon worden geappelleerd bij het Hof van Holland. (

      Over de jurisdictie in dit gebied van de 'voormalige Hollandse gebieden in de provincie Noord-Brabant' bestaat nog grote onzekerheid. Zie hierover o.a. M.A. Hiemstra en B.C.M. Jacobs, 'Aan de grenzen van de samenleving, Criminaliteit en jurisdictiemacht in het grensgebied van Staats-Brabant en Holland in de achttiende eeuw' in: Noordbrabants Historisch Jaarboek 12 ('s-Hertogenbosch, 1995), pp. 110-111, noot 2.

      )

      De heer bezat een aantal belangijke rechten. (

      Uitgangspunt van deze opsomming zijn de rekeningen en de condities van verpachting zoals zij in dit hoofdstuk voorkomen.

      ) Allereerst het weiderecht dat door verpachting te gelde werd gemaakt. Het recht van (dijk-)etting was onderdeel van dit weiderecht. Het recht van eendekooi, (

      Zie ook NDR inv. nr. 7634.

      )
      het windrecht onder Hooge Zwaluwe en het recht op cijnzen behoorden aan de heer. De visserij werd verpacht evenals de jacht (vogelvlucht, snippevangst en jacht). (

      NDR inv.nr. 769, folio 1707-1708 (visrecht) en inv.nr. 766, folio 795 (jachrrecht)

      )

      Zowel Hooge als Lage Zwaluwe had een haven. Beide havens waren voorzien van een trekpad. De 'kaaien havengelden' werden verpacht. De route van Holland naar Brabant liep door Lage Zwaluwe. Het veer over de Biesbosch was dan ook van niet te schatten belang. Ook dit schippersveer en het rij- of wagenveer werden verpacht. Met name het recht van aanwas was aanleiding tot grote en langdurige conflicten. Niet verwonderlijk in een gebied waar het land jaarlijks 'groeide', nadat de ramp in 1421 grote delen onder water had gezet. (

      Zie o.a. NDR inv.nrs. 7655,7658 en 7721.

      ) Tot slot bezat de heer ook het collatierecht in dit domein.

      Functionarissen die de heer van de Zwaluwe aanstelde

      (

      De functies zoals vermeld in NDR inv.nr. 686, folio 865 e.v. In veel gevallen werden functionarissen in meerdere functies tegelijk aangesteld. Het is niet altijd duidelijk wanneer het om aparte functies ging. Om hierover zekerheid te verkrijgen moeten de aanstellingsakten zelf geraadpleegd worden, waarnaar in het 'Amptboek' verwezen wordt.

      )

      in Hooge en Lage Zwaluwe:

      • Baljuw
      • Dijkgraaf
      • Schout
      • Ontvanger der verpondingen
      • Secretaris
      • Stokhouder
      • Rentmeester
      • Bode van het domein
      • Bode van de Zwaluwe
      • Apotheker
      • 's Lands Medicine Doctor
      • Kerkmeester
      in Hooge Zwaluwe:

      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Onderschoolmeester
      • Korenmartschippers
      • Voerlieden
      • Chirurgijn
      • Organist
      in Lage Zwaluwe:

      • Koster
      • Schoolmeester
      • Onderschoolmeester
      • Voorzanger
      • Commissaris van de veerschippers
      • Commissaris van het Nieuwe Veer
      • Korenmart schippers
      • Spuiwachter van het spui voor de haven
      • Chirurgijn
      in de Vierendelenpolder:

      • Dijkgraaf
      • Penningmeester
      • Heemraden (

        Deze heemraden werden ook aangesteld voor de polders Oud en Nieuwland en Quistgeld.

        )
      • Bode
      • Sluiswachter (

        Tevens sluiswachter van de Nieuwe Zwaluwse Polder en van de Emiliapolder

        )
      in de Royalen Polder:

      • Dijkgraaf
      • Heemraden
      • Penningmeester
      • Bode
      in de Nieuwe Zwaluwse polder:

      • Dijkgraaf
      • Heemraad
      • Penningmeester
      • Molenaar van de gestichte watermolen
      in de overige polders:

      • Heemraden voor de Zwaluwe in:
      • -Emiliapolder
      • -Zonzeelse Polder
      • -Binnenpolder
      • Gezworenen van de Lage Zwaluwe
      • Heemraden onder de polders van de Hooge en Lage Zwaluwe
      • Gezworenen van de Kikvorsenpolder
      in de Turverij:

      • Opzichter over de arbeiders
      • Notitiehouder en Lijstenformeerder
      • Pijler van de dikte en opmeter van de op het veld liggende beslagen moer
      • Opzichter over de Riet-, Biezen-, Grienden Houtgewassen
      in Twintighoeven:

      • Schout
      • Secretaris
      • Dijkgraaf
      • Heemraden
      • Gezworenen
      in Klein Waspik:

      • Schout
      • Secretaris
      Beheer

      De rechten en goederen in het domein werden beheerd door de rentmeester, die binnen de gemeenschap een aanzienlijke positie had. Tot het begin van de 17e eeuw werden de heerlijkheden nog als aparte domeinen beschouwd getuige het feit dat er aparte rentmeesters werden aangesteld: een voor de heerlijkheid Lage Zwaluwe en een voor de heerlijkheid Hooge Zwaluwe, Twintighoeven en Klein Waspik. (

      Zie de rekeningen over deze periode: Lage Zwaluwe, 1588-1615 onder NDR inv.nrs. 7732-7759 en Hooge Zwaluwe, etc, 1592-1610 onder NDR inv.nrs. 7764-7778. Tot en met 1600 werden in de rekeningen van Hooge Zwaluwe ook de ambachten Drimmelen, Almonde, Dubbelmonde en Standhazen genoemd.

      ) In beide heerlijkheden was Joan van de Corput aangesteld als rentmeester, de rekeningen waren gescheiden.

      Hoewel Joan van de Corput in de rekeningen tot en met 1600 schreef dat hij rentmeester was van '... Hooge Zwaluwe, Twintich hoeven, Dubbelmonde, Almonde, Drimmelen, Stanthasen ende Cleijn Waspyck ..' moest hij wel een slag om de arm houden: '..voor zoo vele als van elcker heerlickheyt in desen ontfange gecomprehendeert wordt..'. Vanaf 1580 werd het grote visserijgebied van de verdronken ambachten Almonde en Dubbelmonde, evenals de ambachten Standhazen en Drimmelen beheerd door de rentmeester van Geertruidenberg. Een klein deel van de visserij in de Verdronken Waard, voorzover het viel onder de jurisdictie van Hooge (en Lage) Zwaluwe, werd beheerd door de rentmeester van de Zwaluwen. In 1602 schreef Van de Corput dan ook bescheiden dat hij rentmeester was '..vander Hooge Zwaluwe, Twintich hoeven ende van Cleijn Waspyck mette toebehoren..'. (

      NDR inv.nrs. 7770-7778.

      )

      Toen Frederik Hendrik in 1611 heer werd van de beide Zwaluwen, werd het beheer van het gebied een eenheid: de rentmeester diende nog slechts een rekening in 'wegens het beheer van de domeinen Hooge en Lage Zwaluwe, Twintighoeven en Klein Waspik'. (

      Twintighoeven en Klein Waspik'. De eerste tijd werden de ontvangen gelden van de beide heerlijkheden nog wel apart vermeld.

      ) In de periode na de dood van Johan Willem Friso behoorde de Zwaluwe tot de geëxtradeerde goederen, waaruit de inkomsten voorlopig toekwamen aan Frederik van Pruisen. Nadat in 1732 een akkoord was bereikt over de erfenis werd Frederik van Pruisen heer van Hooge en Lage Zwaluwe. Tot 1754 waren de rentmeesters en alle andere functionarissen dan ook benoemd door en in dienst van de koning van Pruisen.

      Achtereenvolgens waren rentmeester:

      (

      De hier gegeven jaartallen zijn gebaseerd op de jaren waarover de rekeningen zijn ingediend; voor nadere gegevens zie het zogenaamde 'Amptboek' NDR inv.nr. 686, folio 866r e.v.

      )

      1588-1614 Joan van de Corput (

      Ook wel als Johan of Jean de Corput geschreven.

      )
      1615-1637 N.N.
      1638-1654 Coenraet Ruysch
      1655-1674 Johan Nicolaas van Malepert
      1675-1689 Daniël van Bodegom
      1692-1699 Willem van Neurenberck
      1700-1711 Nicolaas Dierquens
      Adriaan Anemaat, gesubstitueerd
      1712-1754 (benoemingdoor Frederik, koning van Pruisen, heer van de Zwaluwe)
      - Anthoni Swaens [1711?]-1723 (

      Zie NDR inv.nr. 7669 (commissiebrief).

      )
      - Bernard de Brengues 1723-(...) (

      Zie NDR inv. nr.. 7669 (commissiebrief).

      )
      - Johan Recalt van Fenema 1735-1751 (

      In NDR inv. nr.. 7660 wordt Van Fenema genoemd als rentmeester van de koning van Pruisen in Zwaluwe

      )
      - Pieter Kleijn, substituut 1752
      1754 Pieter Kleijn, provisioneel
      1756-1766 Pieter Kleijn
      1767-1769 Geertruij Asbeek, weduwe van de rentmeester Pieter Kleijn
      1770-1776 Johan Dirk Feuilletau de Bruijn
      1770-1776 Horatius Leendert Lauta van Aysma
      1787-1791 Jacob Lauta van Aysma
      Daniël van de Meer, vervanger van Jacob Lauta van Aysma
      1792-1806 Johan Christaan Engelke
      1807- Daniël de Jongh, gequalificeerde van de borgen van J.C. Engelke
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      Dit deel van het archief van de Nassause Domeinraad vormt samen met het Oud Administratief Archief van Hooge en Lage Zwaluwe en het archief van de schepenbank van Hooge en Lage Zwaluwe een rijke bron voor de bestudering van de geschiedenis van deze streek. De geschiedenis van Hooge en Lage Zwaluwe is, met name op het gebied van de aanwassen in de Biesbosch en de visserij, zeer verweven met de geschiedenis van Geertruidenberg. Het inpolderen van de nieuwe stukken land tussen de Zwaluwe en Geertruidenberg gebeurde deels gezamenlijk. De exploitatie van de nieuw ontstane polders leverde daarna ook de nodige problemen op. In beide deelarchieven zijn stukken hierover te vinden.

      In dit hoofdstuk zijn de stukken betreffende Hooge en Lage Zwaluwe, Twintighoeven en Klein-Waspik beschreven. De stukken van voor 1581 werden eerder beschreven in: dr. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581. 's-Gravenhage 1948. Eerste deel, 1. Over de periode na 1581 treft men ook in deel 1 Algemeen gegevens betreffende dit domein aan o.a. in de series notulen, de registers van uitgaande stukken en in registers met historische gegevens. (

      Een deel met de letter Z ontbreekt of heeft nooit bestaan. De gegevens over de Zwaluwe moeten dus -meer dan in andere gevallen- bij elkaar worden gesprokkeld. De meeste informatie treft men aan in (voor Hooge Zwaluwe) NDR inv. nr. 766, folio 718-719 en (voor Lage Zwaluwe) NDR inv. nr. 766, folio 912-913. Zie de index op de registers door M. Brummer.

      ) De kaarten over de hele periode tot 1795 betreffende Hooge en Lage Zwaluwe zijn in beheer bij de sectie Kaarten en Tekeningen van het Algemeen Rijksarchief en werden beschreven in: J.H. Hingman, Inventaris van de verzameling kaarten berustende in het Rijksarchief..., Tweede gedeelte. 's-Gravenhage 1871 en: A.J.H. Rozemond, Inventaris der verzameling kaarten berustende in het Algemeen Rijksarchief, zijnde het eerste en tweede supplement op de collectie Hingman. 's-Gravenhage 1969. (

      Kaarten betreffende Hooge en Lage Zwaluwe in deze collectie VTH inv.nrs 1716-1719,1722,1725,1821-1846,1933-1936, 2025 en 4664-4669. In de de beschrijving van de stukken hierachter wordt verwezen naar specifieke nummers.

      )

      In dit deel van het archief treft men o.a. een aantal algemene series aan dat betrekking heeft op het domein Hooge en Lage Zwaluwe. Veel van deze series vangen echter pas de tweede helft van de 18e eeuw aan, zoals de 'Verbalen van de leden van de Domeinraad wegens hun jaarlijkse inspectiereizen' (vanaf 1757) en de 'Generale rapporten van de rentmeesters' (vanaf 1776). Deze series hebben gemeen dat er veelal bijzondere, specifieke zaken en voorvallen in worden beschreven. De bestuurlijke wederwaardigheden vinden hun neerslag in deze verbalen en rapporten.Tal van kwesties zijn hierin van stap tot stap te volgen.

      De series 'Rekeningen van de rentmeesters' en 'Condities van verpachting' bevatten veel gegevens met betrekking tot de exploitatie van het domein en de (jaarlijkse) gang van zaken. De rekeningen die de rentmeesters jaarlijks opmaakten geven een goed beeld van het reilen en zeilen van de heerlijkheid over een periode van zo'n 200 jaar. De strijd tegen het water, de kosten van dijkonderhoud, het terugwinnen op het water van stukken land, maar ook de ontwikkeling van de landbouw, de handel. Dit alles is op de voet te volgen. De condities van verpachting zijn, enkele uitzonderingen daargelaten, van veel latere datum. Een deel van het voormalige rentmeestersarchief, met daarin stukken betreffende het beheer over het onroerend goed in dit domein, ging in 1816 over naar het rentambt Zwaluwen. Deze stukken bevinden zich nu in het Rijksarchief in Noord-Brabant (Archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers).

      Verwante Archieven

      Stukken betreffende Hooge en Lage Zwaluwe, Twintighoeven en Klein Waspik over de periode 1581-1811 bevinden zich ook in:

      • Archief van de schepenbank van Hooge en Lage Zwaluwe, 1559-1811.
      • Archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers (1456) 1840-1932.

      • Oud Administratief Archief van Hooge en Lage Zwaluwe tot 1814.
      • Archief van het waterschap 'De Emiliapolder', 1646-1954.
      Verantwoording van de inventarisatie

      De stukken betreffende de ambachtsheerlijkheden in de Verdronken Waard van Zuid-Holland werden tot ca.1590 apart geadministreerd. Drossaers bracht deze stukken dan ook onder in een aparte rubriek. (

      Drossaers I, I, pp. 115-121: 'De ambachtsheerlijkheden en de visscherij in de Groote Waard'.

      ) Van 1592 tot 1602 werden inkomsten en uitgaven met betrekking tot Drimmelen, Almonde, Dubbelmonde, Twintighoeven, Standhazen en Klein Waspik opgenomen in de rekeningen van Hooge Zwaluwe. Hierbij ging het om de visserij in het gebied dat viel onder de jurisdictie van de Zwaluwe. Tegelijkertijd werden de inkomsten en uitgaven met betrekking tot 'de visserijen in de Verdronken Waard van Zuid-Holland aan de zuidzijde van de Oude Maas' (in ieder geval vanaf 1580) opgenomen in de rekeningen van Geertruidenberg. Vanaf 1638 werd het rentmeesterschap van de Zwaluwe in een adem genoemd met dat van Twintighoeven en Klein Waspik. In deze inventaris zijn de stukken die betrekking hebben op de voormalige ambachtsheerlijkheden Almonde en Dubbelmonde en de stukken met betrekking tot Drimmelen en Standhazen in het hoofdstuk Geertruidenberg geplaatst, de stukken met betrekking tot Twintighoeven (en Klein Waspik) zijn geplaatst in het hoofdstuk betreffende Hooge en Lage Zwaluwe. Het is duidelijk dat er zeker in de periode 1580-1640 overlappen bestaan: in die gevallen wordt de onderzoeker aangeraden beide hoofdstukken te raadplegen.

      Literatuur J.A. ten Cate, Inventaris van de archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers (1456) 1840-1932. 's-Hertogenbosch, 1971 (Rijksarchief in Noord-Brabant, Inventarisreeks nr. 8) A. Delahaye, Inventaris van het Oud Administratief Archief van Hooge en Lage Zwaluwe tot 1814. 1982 (typescript). S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad. Eerste deel: Het archief van den Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581. Den Haag, 1948. Mr S.J. Fockema Andreae, "De Grote of Zuidhollandse Waard". Leiden, 1950. (Studiën over waterschapsgeschiedenis III) W.A. van Ham, 'De bedijking van de Emiliapolder en haar voorgeschiedenis'. In: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XIX, 1966, p 158-181. W.A. van Ham, [Inventaris van] Het archief van het waterschap "De Emiliapolder", 1646-1954. Z.p., 1967. M.A.Hiemstra en B.C.M. Jacobs, 'Aan de grenzen van de samenleving, Criminaliteit en jurisdictiemacht in het grensgebied van Staats-Brabant en Holland in de achttiende eeuw' in: Noordbrabants Historisch Jaarboek, 12, 's-Hertogenbosch, 1995. pp. 82-118. R.C.M. Jacobs, 'Onrust in Hooge en Lage Zwaluwe (1782-1794)'. In: 'Holland', regionaal-historisch tijdschrift van de Historische Vereniging Holland', Dordrecht, 1982, p 161-167'. F.C.J. Ketelaar,Oude zakelijke rechten. Leiden/Zwolle, 1978. P.J.M.Martens, De zalmvissers van de Biesbosch: een onderzoek naardezalmvisserij op het Bergse Veld 1421-1869. Tilburg, 1992. (Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland, XCIII) L.P. Toebak, 'Enkele bio- en bibliografische aspecten van Johannes Petrus Kleijn'. In: 'Oranjeboom'. XXXVII p. 36-67. P.M. Toebak, De oprichting van de katholieke parochie te Zwaluwe in 1785-1787. Publicaties van het archivariaat 'Nassau-Brabant', nr 54,1980. P.M. Toebak, 'De wapening te Zwaluwe in 1784-1785; een 'barre' winter'. In: 'Oranjeboom', XXXVI, pp. 65-84. P.M. Toebak, 'De verbouwing van de Mades-Zwaluwse kerkschuur in 1765-1767'. In: Oranjeboom XXXV p. 41-52. P.M. en L.P. Toebak, 'Een literator in de politiek, onuitgegeven brieven van J.P. Kleijn'. In: Oranjeboom, XXXV, pp. 5-21.
      Bijlage Inhoudsopgaven van de rekeningen

      Enig inzicht in wat er in een domein omging verkrijgt men door de inhoudsopgave van de rentmeestersrekening te bestuderen. De rekening veranderde in de loop der jaren aanzienlijk.

      In 1663 bevatte de rekening die Johan Nicolaas van Malepert instuurde de volgende posten: (

      NDR inv. nr. 7797.

      )

      Hooge Swaluwe
      Ontfanck

      IHorenhil
      IIVierendeel
      IIIDijckettingen
      IVKenenpolder
      VDijckettingen
      VIVerckensweijen
      VIIPolderken
      VIIIOuden Moer
      IXNieuwe Bruijckwaren
      XDijckettingen
      XIThijnden
      XIIBierexchijns
      XIIIVisscherijen
      XIVLantchijns over Cleijn Waspijck
      XVChijnsen
      XVICuijpgelde
      XVIIMolen
      XVIIIVogelarijen
      XIXBastaerde Goederen
      XXSteecken van Turff
      XXIRecognitiën
      Laege Swaluwe
      Ontfanck

      IOudtlandt
      IINieuwlant
      IIIDijckettingen
      IVSchuddeborsch
      VDijckettingen
      VICaede
      VIIQuistgelt
      VIIIBoerenpolder
      IXDijckettingen
      XThijenden
      XIVisscherijen
      XIIChijnsen ende erfpacht
      Uutgeeff

      IFabrijcque vande kercke etc
      IIRenten
      IIIGagien
      IVOuden Moer
      VVierendeelen
      VIKenenpolder
      VIINieuwe Swaluwen
      VIIIWeddens vacatien
      IXOudt en Nieuwlant
      XBoerenpolder
      XIQuistgelt
      XIISchuddeborsch
      XIIISluijsen
      XIVAlderhande Articulen
      XVVerhael remissie

      Hoewel de hoofdindeling in ontvangsten en uitgaven hetzelfde bleef zag de rekening er ruim een eeuw later (in 1782) toch heel anders uit. Opvallend is dat de scheiding tussen Hooge en Lage Zwaluwe (voor wat betreft de inkomsten) en ook de onderverdeling in polders verdween. (

      NDR inv. nr. 7872.

      )

      Ontvang

      • Chijnsen en renten
      • Recognitien en Octroyen
      • Landpagten
      • Thiendens
      • Rietbiesen en Houtgrienden
      • Visscherijen
      • Schippersveer
      • Koornmolen
      • Bier accijns
      • Vogelvangst en Jagt
      • Schaarhout
      • Bastaardgoederen
      • Strandgoederen
      • Kaade en Havegeld
      • Turverije
      • Gemengde ontvang
      • Oude Pruysische restanten
      • Onverpagte Hoeve
      Uitgaaf

      • Tractementen
      • Dijkschotten en reparatien in de private polders van den Heer
      • Verpondingen en Dorpslasten
      • Interessen en genegotieerde Capitalen
      • Reparatien Koornmolen
      • Gemengde uitgaaf
      • Penningen berekent en niet ontvangen
      • Onverpagte Hoeve of Bedrijfschap
      Ontfanck

      • Turverije
  • openDEEL 13 AANHANGSEL

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in