gahetNA in het Nationaal Archief

Nassause Domeinraad vanaf 1581

1.08.11
Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.11
Auteur: Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
(c)

Periode:

1218-1842
merendeel 1581-1811

Omvang:

488,25 meter; 16861 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Latijn , Frans en het Duits

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten. Kennis van het 13e t/m 18e eeuwse handschrift is noodzakelijk: de Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Nassause Domeinraad was het bestuurscollege dat het beheer over de domeinen van de familie Oranje-Nassau uitoefende. Deze landgoederen strekten zich uit over het gehele territorium van de Republiek, maar lagen overwegend in Holland, Zeeland, (Noord-)Brabant en Gelderland. Ook in Duitsland, Luxemburg en Frankrijk (vnl. het prinsdom Orange) had men bezittingen. Oorspronkelijk was de domeinraad gevestigd te Breda en later vanaf eind zestiende, begin zeventiende eeuw te Den Haag aan het Binnenhof. De Raad- en Rekenkamer, zoals zij ook wel werd genoemd, telde vijf tot zeven leden met daarnaast een griffier of secretaris als belangrijkste ambtenaar.
Het beheer van de goederen vergde een uitgebreide verantwoording door tal van rentmeesters die ter plekke waren belast met o.a. het toezicht op heerlijke rechten, als bijvoorbeeld het recht op de wind of op de visvangst. Al deze rechten en bevoegdheden leverden bij elkaar aanzienlijke inkomsten op ter bekostiging van de hofhouding (paleizen, kunstcollectie e.d.). Voor het verdere beheer was in elk domein tevens een grote hoeveelheid functionarissen aangesteld variërend van hoveniers tot predikanten. Dit gold eveneens het terrein van bestuur en rechtspraak met de aanstelling van schout en schepenen.
Het archief bevat de notulen van de domeinraad; thesauriersrekeningen (m.b.t. de uitgaven) en het ambtboek met gegevens over aanstellingen in elk domein. Verder zijn er per domein reeksen rentmeestersrekeningen, gebundelde correspondentie over tal van onderwerpen van bestuurlijk-juridische aard en losse stukken (meestal met een financiële inslag). Op een aantal series bestaan zowel eigentijdse als latere nadere toegangen.

Archiefvormers:

  • Aalst, heer van
  • Acquoy, Heer van
  • Agentschap van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Ameland, Heer van
  • Antwerpen, Burggraaf van
  • Baarle-Nassau, Heer van
  • Baarn, Heer van
  • Bentheim, Heer van
  • Bergen op Zoom, Heer van
  • Borculo, Heer van
  • Borsele, Heer van
  • Bourgogne, Heer van
  • Boxmeer, Heer van
  • Bracque, Heer van De
  • Breda, Heer van
  • Bredevoord, Heer van
  • Brussel, Paleis te
  • Buren, Graaf van
  • Bütgenbach, Heer van
  • College van Administratie der Goederen in Holland gelegen van de Prins van Oranje
  • College van Administratie over de door de Fransen geabandonneerde Goederen van de Vorst van Nassau
  • Cortenbach, Heer van
  • Cortgene, Heer van
  • Cranendonk en Eindhoven, Baron van
  • Culemborg, Heer van
  • Dasburg, Heer van
  • Dieren, Heer van
  • Diest, Heer van
  • Directie der Publieke Domeinen en Geestelijke Goederen
  • Directie der Staatsdomeinen in Holland
  • Dongen, Heer van
  • Eemnes, Heer van
  • Friesland, Heer van
  • Geertruidenberg, Heer van
  • Geertruidenberg, Kastelein van
  • Gorzen Orizand, Heer van
  • Grave en Cuijk, Heer van
  • Gravenhage, 's, Oude Hof in het Noordeinde
  • Gravenhage,'s, Huis Den Bosch
  • Grimbergen, Heer van
  • Het Loo, Heer van
  • Hohenlohe, Van
  • Holede, Heer van
  • Hulsterambacht, Heer van
  • IJsselstein, Heer van
  • Intendant van de Nassause Domeinen in de Zuidelijke Nederlanden
  • Kruidberg, Hofstede de
  • Lannoy, Heer van
  • Leerdam, Graaf van
  • Lek, Heer van de
  • Lekkerkerk, Heer van
  • Lichtenvoorde, Heer van
  • Liesveld, Heer van
  • Lingen, Heer van
  • Meerhout, Heer van
  • Meurs, Graaf van
  • Ministerie van Financiën, Administratie der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Monster, Heer van
  • Monsterambacht, Heer van
  • Montfort, Heer van
  • Naaldwijk, Heer van
  • Nassau, Van
  • Nassause Domeinraad
  • Nassause Domeinraad, Ontvanger-Generaal
  • Nassause Domeinraad, Thesaurier en Rentmeester-Generaal der Domeinen
  • Nederheim, Heer van
  • Neerem, Heer van
  • Niervaart, Heer van
  • Nieuwburg, Huis ter
  • Nispen, Heer van
  • Noord-Beveland, Heer van
  • Oosterhout, Heer van
  • Oploo, Heer van
  • Orange, Prince d'
  • Orange, Prins van
  • Oranje, Van
  • Oranje-Nassau, Van
  • Paifve, Heer van
  • Peen, Heer van
  • Polanen, Heer van
  • Princeland, Heer van
  • Prinsenland, Heer van
  • Raad en Rekenkamer
  • Ravestein, Heer van
  • Rollencourt, Heer van
  • Roosendaal, Heer van
  • Russon, Heer van
  • Rutten, Heer van
  • Scherpenisse, Heer van
  • Secretariaat van Staat voor de Financiën, Secretarie de Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Sichem, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Kapittel van Sint Maarten
  • Soest, Heer van
  • Soestdijk, Heer van
  • St. Vith, Heer van
  • Stadhouders van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel
  • Steenbergen, Heer van
  • Steenwijk, Heer van
  • Ter Eem, Heer van
  • Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Tholen, Heer van
  • Veere, Markies van
  • Vianden, Graaf van
  • Vlissingen, Heer van
  • Vorst, Heer van
  • Vriesland, Heer van
  • Wernhout, Heer van
  • Westcappel, Heer van
  • Westland, Heer van
  • Willemstad, Heer van
  • Zelhem, Heer van
  • Zevenbergen, Heer van
  • Zichem, Heer van
  • Zuid-Beveland, Heer van
  • Zwaluwe, Heer van

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • Verwerving

      De domeinen Borculo en Lichtenvoorde zijn op 27 december 1776 door prins Willem V aangekocht voor 600.000 gulden; het transport vond plaats in januari 1777 tussen gevolmachtigden van de prins en die van prins en prinses Czartoriski. (

      NDR inv. nrs. 2058-2081

      )

      Borculo en Lichtenvoorde waren gedurende een groot deel van hun geschiedenis eenherig en deelden vele lotgevallen. Meerdere malen werd het bezit van de heerlijkheden met de daarbij behorende heerlijke rechten betwist. (

      H.A. Weststrate, 'Een Geldersche heerlijkheid in de 18e eeuw' in Bijdragen voor Vaderlandse Geschiedenis en Oudheidkunde, 4e reeks, deel V, ('s-Cravenhage, 1906), pp. 426-475.

      )

      De graaf van Bronkhorst, die door zijn huwelijk heer van Borculo en Lichtenvoorde werd in 1385, droeg de leengerechtigheid in het geheim op aan de bisschop van Munster, terwijl het 'sinds onheugelijke tijd' aan de hertog van Gelder toebehoorde. Zodra de mannelijke lijn van Bronkhorst in 1553 was uitgestorven, ontstond de strijd om de aanspraken tussen de bisschop van Munster en de Staten van Gelderland. In 1615 deed het Hof van Gelderland een uitspraak ten gunste van de Staten, die Borculo als Zutphens leen schonken aan graaf Georg van Limburg-Stirum, gehuwd met een nicht van de laatste graaf van Bronkhorst. Lichtenvoorde was reeds door Munster in bezit genomen, maar in 1616 volgde de inname van Lichtenvoorde door de Staten en werd graaf Van Limburg-Stirum ook heer van Lichtenvoorde. Tot tweemaal toe, in 1665 en 1672, probeerde de bisschop van Munster de heerlijkheid Borculo met wapengeweld in bezit te krijgen, maar Van Limburg-Stirum behield het leen dat hij in 1641 gekocht had. (

      NDR inv. nr 2048.

      )

      In 1701 verkocht Marie Magdalena van Limburg-Stirum, weduwe van Hendrik van Nassau-Siegen, de heerlijkheid Lichtenvoorde aan gouverneur-generaal Van Wesel, vrijheer van Heiden. Ruim een halve eeuw lang had Lichtenvoorde nu een andere heer dan Borculo.

      Door schulden van het geslacht Van Limburg-Stirum moest de heerlijkheid Borculo in 1727 verkocht worden. Graaf Von Flodrof-Wartensleben aanvaardde het domein met alle goederen en rechten, als gevolmachtigde van graaf Von Fleming. Vervolgens betwistte hij zijn opdrachtgever de koop. De moeilijkheden bleven voortduren tot in 1742 Borculo in handen kwam van de zoon Georg Detlof, rijksgraaf von Fleming. (

      NDR inv. nr. 2055.

      )Na diens dood in 1771 kwam Borculo samen met de aangekochte heerlijkheid Lichtenvoorde en de havezate Marhulsen in het bezit van zijn dochter Isabella, gravin van Fleming, gehuwd met de Poolse prins Czartoriski. (

      A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden (Gorinchem, 1840); J.W. Staats Evers, Gelderland's voormalige steden (Arnhem, 1891), pp. 216-221.

      )

      De heerlijkheid Borculo (

      NDR inv.nrs. 2082-2083

      )

      Borculo ligt aan het riviertje de Berkel in het graafschap Zutphen in de provincie Gelderland. Tot deze heerlijkheid behoorden de stad Borculo, het stadje Eibergen en de vier kerspelen of kerkdorpen Geesteren, Gelselaar, Neede en Rekken. Op het gebied van bestuur en rechtspraak was de heerlijkheid verdeeld in stad en schependom Borculo en nog vier voogdijen:

      1. De voogdij Geesteren, verdeeld in twee markten en acht rotten.
      2. De voogdij Eibergen, verdeeld in twee markten en zestien rotten.
      3. De voogdij Neede, verdeeld in vier markten en vierentwintig rotten.
      4. De voogdij Beltrum, verdeeld in twee markten en dertien rotten.

      Een voogdij was een gebied bestaande uit verschillende kleine dorpen en boerschappen waar bestuurlijk-juridisch gezag werd uitgeoefend en een eenheid vormde. Aan het hoofd stond de voogd, de beschermheer voor het betreffende ambtsgebied, met eventueel een ondervoogd naast zich. Het gezag in een voogdij was naar zijn aard een opgelegd gezag, niet voortkomend uit de bevolking, zoals dit bij een buurtschap of boerschap het geval was.

      Een rot was een wijk binnen een voogdij. Aan het hoofd van een rot stond een afzonderlijke rotmeester, die verantwoording aan de voogd verschuldigd was.

      Een kerspel vormde aanvankelijk een eenheid op kerkelijk gebied, maar geleidelijk verdween het verschil tussen wereldlijk en kerkelijk bestuur.

      Heerlijke rechten:

      • hoge, middelbare en lage jurisdictie;
      • het recht van collatie van politieke en kerkelijke bedieningen;
      • het recht van jacht en visserij,
      • het recht tot het houden van de wacht door de ingezetenen op het Hof en Kasteel;
      • het recht van wagen-, lijf- en handdiensten van de ingezetenen,
      • het recht van erfmarkenrichterschap van de markten of gemeenten,
      • de tienden, accijnzen, erfpachten, tijnzen, rookhoenders, renten en stedigheden;
      • het recht van water en het recht van wind (behorend bij de molen).
      Eigendommen:

      Stad en hof van Borculo, watermolen met sluis, oliemolen, erven met goederen, catersteden (

      Catersteden, dit zijn boerenhofsteden, beperkt van omvang, van zg. keuterboeren.

      ), bouw- of vloglanden, overige landerijen, heide- en plaggevelden en het hof 'Te Vaarwerk' in Eibergen.

      Bestuur

      Vele personen,benoemd door vorst Czartoriski, werden bij de overdracht in 1777 door de prins van Oranje in hun functie gehandhaafd.

      De drost was de representant van de heer; in Borculo mocht er tevens een substituut of stadhouder worden aangesteld.

      • rechter van Borculo;
      • secretaris van de stad, tevens landschrijver;
      • rechter van het hof Te Vaarwerk;
      • de hofsecretaris of griffier der lenen;
      • advocaat-fiscaal;
      • de ontvangers der verponding;
      • stadsdienaars en gerechtsboden;
      • voogden en ondervoogden;
      • provoost of cipier van de gevangenis te Borculo,
      • scherprechter of armenjager;
      • kosters;
      • schoolmeesters en voorzanger;
      • rector van de Latijnse school en voorzanger,
      • organist;
      • stadsrentmeester;
      • kerkmeesters;
      • provisoriemeesters van de stadsarmen;
      • predikanten;
      • rentmeester van de domeinen.

      Op 30 april 1778 vonden herbenoemingen plaats: verschillende functies werden in een persoon verenigd.(

      NDR inv.nr. 2030.

      )Zo was mr. Gerhard Vatebinder tegelijkertijd stadhouder, griffier, rechter van Te Vaarwerk, secretaris en landschrijver. Jan Derk Veldink was niet alleen voogd van Geesteren en Gelselaar, maar tevens huisvoogd van het hof te Borculo.

      Naast de drost bestonden er voor politie-, financie- en justitiezaken vier colleges:

      1. De magistraat en het stadsgerecht te Borculo.
      2. De magistraat van de stad Eibergen.
      3. Het landgerecht van de heerlijkheid Borculo.
      4. Het hoge, zowel criminele als breukengerecht. (

        Een breukengerecht is de rechtbank die civiele geschillen behandelt.

        )

      De rekeningen van de stadsrentmeesters en de provisoriemeesters van de stad werden afgehoord door de drost en de magistraat van de stad.

      De rekeningen van kerkmeesters en provisoriemeesters van de kerk werden afgehoord door de drost, de predikant en de magistraat van stad of dorp in aanwezigheid van de rentmeester van het domein.

      Beheer

      De administrate van de domaniale goederen en inkomsten werd gevoerd door de rentmeester. In 1777 werd Frederik Ernst Spancker gecontinueerd in zijn functie als rentmeester van Borculo.

      Rentmeesters:

      Fredrik Ernst Spancker 1775-1779
      Bernard Andreas Roelvink 1782-1797
      Eduard Daniëls 1798-1802
      Hendrik van Juchem 1804-1805
      Abraham Wiersema Walijen 1806-1813
      De heerlijkheid Lichtenvoorde en de havezate Marhulsen

      Lichtenvoorde ligt ten zuiden van de heerlijkheid Borculo in het graafschap Zutphen in de provincie Gelderland.

      De heerlijkheid bestond uit de stad en het schependom Lichtenvoorde en drie boerschappen en marken: Zuijvent, Lievelde en Vragender.

      De stad was verdeeld in zes rotten of wijken met aan het hoofd van ieder rot een rotmeester. In het boerschap Zuijvent ligt het landgoed Harreveld: de kring Harreveld vormde geen markt op zichzelf, maar behoorde tot de markt van Zuijvent.

      De ingezetenen van de drie markten hadden ieder in hun eigen mark het recht van heide en weide alsmede van turfen plaggensteken, maar de inwoners van de stad en kring van Lichtenvoorde hadden dit recht in de gehele heerlijkheid.(

      NDR inv.nr. 2121.

      )

      Een mark of markt was een stuk gemeengrond, meestal woeste grond, waarvan gemeenschappelijk gebruik kon worden gemaakt. De rechthebbende inwoners vormden tesamen een markgenootschap, waarbinnen eigen afspraken en rechtsregels golden.

      De drie markten vielen onder een erfmarkenrichter.(

      NDR inv.nr. 2082, pp. 142-148.

      )

      De havezate Marhulsen is gelegen in het schependom van de stad Groenlo, een vrije stad sinds 1236 binnen de heerlijkheid Lichtenvoorde. Een havezate is een ridderlijke hofstede met bijbehorende erven, goederen, rechten en inkomsten. (

      NDR inv.nr 2082, pp. 169-172.

      )

      Heerlijke rechten

      Middelbare en lage jurisdictie, tiendrecht en pachten. Voor de havezate Marhulsen jachtrecht.

      Eigendommen

      Huis Lichtenvoorde met meubels, erven met goederen, hooilanden, bouwlanden, huizen en percelen grond ook gelegen bij Bredevoort. Van de havezate en het goed Marhulsen: behuizing, stallen, vijvers, landerijen, houtgewassen en erven met bijbehorende rechten.

      Bestuur

      Ook in Lichtenvoorde werden vele personen door de prins van Oranje gehandhaafd in hun functie.

      • rechter, tevens landschrijver,
      • keurnoten of assessoren;
      • ontvanger van de verpondingen;
      • stadsrentmeester;
      • kerkmeester;
      • voogd;
      • ondervoogd, tevens nachtwaker,
      • armenjager of bedelvoogd;
      • advocaat-fiscaal;
      • predikant;
      • koster, schoolmeester en voorzanger;
      • organist.
      Beheer

      De administratie van de domaniale goederen en inkomsten werd beheerd door een rentmeester. In 1777 werd Severijn Huijnink in zijn functie van rentmeester gecontinueerd.

      Rekeningen van de rentmeester van het domein werden afgehoord door de Raad- en Rekenkamer van de Nassause Domeinraad, de zg. 'auditiekamer', later door de directie van de Staatsdomeinen.

      Rentmeesters waren:

      Joan Valentijn Freij 1763-1770 (niet onder de Nassaus)
      Severijn Huijnink 1770-1782
      Bernard Andreas Roelvink 1782-1799
      Eduard Daniëls 1798-1799
      Hendrik van Juchem 1804-1806
      Abraham Wiersema Walijen 1806-1812
      Archief en inventarisatie

      Omdat Borculo en Lichtenvoorde bij aankoop door de prins van Oranje aan een heer toebehoorden, zijn de betreffende archieven samengevoegd door de Nassause Domeinraad. (

      NDR inv. nr.s 2025-2030.

      )

      De rekeningen en de condities van verpachting zijn gescheiden series omdat er zowel in Borculo als in Lichtenvoorde een rentmeester werd aangesteld, hoewel dit vaak dezelfde persoon was.

      De serie rekeningen van de rentmeesters van de domeinen in Borculo is onvolledig. Daarentegen is er een groot aanral condities van verkoop en verpachting betreffende eigendommen en goederen horend onder Borculo.

      De serie rekeningen van de rentmeesters van de domeinen in Lichtenvoorde is vrijwel volledig. Er is echter een beperkt aantal condities van verkoop en verpachting betreffende eigendommen en goederen horend onder Lichtenvoorde aanwezig.

      In dit archief bevinden zich vele stukken van voor de aankoopdatum: de prins van Oranje continueerde immers de meeste functies waardoorde archiefzorg bleef doorgaan. Dit wordt o.a. duidelijk uit de rekeningen van het domein, een inventaris (register) van Borculo, de rekeningen van kerkmeesters en provisoriemeesters en lijsten van inwoners.

      Terwijl de domeinen van Borculo en Lichtenvoorde gelijktijdig zijn aangekocht en de betreffende archieven als een geheel zijn beschouwd, is het archief van het domein Bredevoort door de Nassause Domeinraad pas rond 1790 bij dat van Borculo en Lichtenvoorde gevoegd. Dit blijkt uit o.a. de ingekomen stukken (

      NDR inv.nrs 2043-2044 en NDR inv. nrs, 2206-2210, 2219 en 2282 onder Lichtenvoorde.

      ), de condities van verpachting en aanbesteding en een inventarislijst. (

      NDR inv. nrs 2153, 2156 onder Borculo.

      )

      Het archief van de heerlijkheid Bredevoort is om die reden als een zelfstandige eenheid c.q. domeinarchief behandeld.

      Uit het archief Hingman werden de inv.nrs. 5414, 5434 deels, 5445-5449, 5491-5496 in 1953 aan het Rijksarchief in Gelderland afgestaan.

      Verwante Archieven:

      Archieven betreffende de domeinen Borculo en Lichtenvoorde berusten niet alleen in het archief van de Nassause Domeinraad in het Algemeen Rijksarchief, maar zijn ook te vinden in:

      • archief van de heerlijkheid Borculo, 12361805;
      • archieven van de rentmeesters der voormalige Nassause Domeinen in Gelderland, 1456-1813; (

        Betreft Borculo, Bredevoort, Buren, Dieren, Lichtenvoorde en Het Loo.

        )
      • archief van het goed Mensink in Borculo, 1473-1852;
      • kerkarchieven van Neede, 1610-1965.

      • in de archieven van Willem III en Willem V bevinden zich pachtboeken van Borculo, alsmede enkele losse stukken, 1666-1668,1706-1727 en 1786.

      • het archief van de havezate De Hoeve in Borculo, 1729-1907.

      Archief stukken betreffende het gebied van de heerlijkheden Borculo en Lichtenvoorde bevinden zich in:

      • leenregisters, de Gelderse Leenkamer, 1326-1811;
      • oud-rechterlijk archief van stad en heerlijkheid Borculo, 1483-1811;
      • oud-rechterlijk archief van de heerlijkheid Lichtenvoorde, 1616-1811;
      • archieven van de Gelderse Rekenkamer, 1543-1795;
      • archieven van de Gewestelijke Besturen, 1795-1814.

      • stad Borculo, 1590-1817;
      • gemeentebestuur Lichtenvoorde, 1622-1817.

      • stukken betreffend Borculo en Lichtenvoorde, 15e-17e eeuw.
      • het Bisschoppelijk archief van Munster:
      • stukken betreffende de kerkelijke geschiedenis van de stad en heerlijkheid Borculo. De Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo in Borculo-Eibergen streeft ernaar een volledige collectie aan te leggen van alle verspreide archieven (op microfilm of in een andere kopievorm) en een bibliografie aan te leggen betreffende het gebied.
      Literatuur

      A. J. Van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. Gorinchem, 1840.

      L. M. Th. L. Hustinx, De archieven in Gelderland. Alphen a/d Rijn, 1979.

      F. Keverling Buisman, Van hertogdom Gelre tot provincie Gelderland. Nijmegen, 1990.

      P.J. Meij e.aa , Geschiedenis van Gelderland, 1492-1795. Deel 2. Zutphen, 1975.

      J.W. Staats Evers, Gelderland's voormalige steden. Arnhem, 1891

      Kaarten

      ARA,Collectie Hingman (VTHR), nr 1886.

      K. Zandvliet, Inventaris van domeinkaarten, afkomstig van het ministerie van Financiën 1873-1935. (Den Haag, 1979), nrs 401a, b, 402.

      J. Kuyper, Gemeenteatlas van de provincie Gelderland. (Leeuwarden, 1868).

      Topografische Dienst, Grote provinciale atlas, Gelderland, Achterhoek. (Groningen, 1991).

    • Verwerving

      Graaf Maurits van Nassau werd in 1612 pandheer van de heerlijkheid Bredevooort met slot, ambt en stad, nadat hij de stad in 1597 veroverd had op de Spanjaarden ten gunste van de Staten van Gelderland. Pas in 1697 werden heerlijkheid en rechten het eigendom van prins Willem III van Oranje. (

      H.A. Weststrate, 'De heerlijkheid Bredevoort onder de Oranjes' in Je Maintiendrai, II, Leiden, 1905

      )

      Bredevoort behoorde vanaf 1150 aan de graven van Loon. Na het uitsterven van dat geslacht maakten zowel de bisschop van Munster als de hertog van Gelre aanspraken op de heerlijkheid. Uiteindelijk bleef Bredevoort Gelders domein.

      De hertog van Gelderland heeft uit geldgebrek vanaf het midden der veertiende eeuw deze heerlijkheid verpand. Pandheren waren de heren van Gemen, Maarten van Rossum en de graaf van Bronkhorst. Tijdens de opstand tegen Spanje ontnamen de Staten van Gelderland het pandschap aan Bronkhorst, omdat deze de zijde van de Spanjaarden koos en droegen het over aan prins Maurits voor de som van 50 000 gulden voor de duur van 31 jaar. Later werd het pandschap verlengd met telkens 50 jaar. (

      NDR inv. nr. 2307.

      )De Nassaus bleven pandheer tot in 1697 de Staten van Gelderland de heerlijkheid schonken aan Willem III, koning van Engeland. Ze begunstigden hem op deze wijze in ruil voor zijn uitstaande pandpenningen (

      NDR inv. nr. 3217.

      )

      Vanaf 1616 kreeg de prins van Oranje tevens de Burense tienden, horend onder Bredevoort in bezit. (

      NDR inv. nrs. 2451-2453.

      )

      Grondgebied en benaming

      De voormalige vestingstad Bredevoort ligt in het graafschap Zutphen, in het grensgebied van Gelderland en Munster. De heerlijkheid Bredevoort omvatte de stad, het slot en het ambt Bredevoort, de kerspelen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk, en het dorp Boekhout.

      Onder Winterswijk behoorden negen buurschappen, Aalten omvatte zes buurschappen en Dinxperlo slechts drie. (

      NDR inv. nr. 2321.

      )Buurschappen of boerschappen zijn in Gelderland de oudste belangengemeenschappen: eigenaars en gebruikers van de grond maakten onderling afspraken over het beheer van middelen, wegen, water en grond.

      De stad Bredevoort kende geen buurschappen, maar bezat een ruim gebied rond de vestingwerken. Deze fortificatiewerken hadden de vorm van een ster, een ontwerp van de pandheer Maarten van Rossum. (

      NDR inv. nr. 2298.

      )

      De Burense tienden betroffen landerijen, ontstaan uit woeste grond, maar waarover de heer toestemmmg moest geven tot ontginning en gebruik. De gebruiker diende een tiende deel van de schattmg aan de heer af te staan.

      De bezittingen van de heer bestonden uit stad en slot (in 1646 door buskruit ontploft en nooit meer herbouwd), bossen, weilanden, heidegrond, landerijen met erven en hoven, het hof Miste te Winterswijk en het hof Ahove te Aalten.

      Rechten en bevoegdheden

      Het souvereine recht was in Bredevoort steeds voorbehouden aan de Staten van Gelderland, dit in tegenstelling tot Borculo, waar de heer van Borculo in 1742 het souvereine recht verwierf. Souverein recht betekent o a het recht op heffing van gemene landsmiddelen, het recht op heerbaan en de hoge junsdictie (

      NDR inv. nr. 2280, nummer 19.

      )

      In Bredevoort bezat de heer tot 1795 hofhorige lieden en goederen. (

      Aantekeningen over 'Diensten der huysluiden onder Bredevoort', NDR inv. nr. 765, folio 350-351, 416-417.

      )Een hofhorige kon zichzelf en zijn hofhorig goed vnjkopen door geld en diensten of door een ander zijn plaats te laten innemen. Hofhorigen kenden hun eigen hofgericht en waren aan zeer strenge bepalingen onderworpen. En ze waren verplicht zich in te schrijven in het hofboek, jaarlijks op l5 juli onder de Rozenboom. (

      NDR inv. nrs. 2318 en 2320.

      )
      De hofhorigheid en de overige heerlijke rechten werden in 1795 door het Franse bewind afgeschaft. De overige rechten, horend bij de heerlijkheid Bredevoort, zijn

      • middelbare en lage junsdictie,
      • patronaatsrecht van kerken en vicarieën, met collatierecht,
      • recht van wildbaan en jacht,
      • recht van visserij,
      • recht van wind en water,
      • recht van hofhorige diensten,
      • recht van inkomsten als accijns (bier en wijn), tinsen, pachten, herfst- en meibeden, hofholtsgeld en dienstgelden, vastenavond-hoenderen, rente van het honderste ei, aangegraven landsgeld, tol- en weggeld, ngthaver en schepeltiend. (

        Nijhoff, I.A, 'Heerlijke regten van Bredevoort' in Bijdragen voor de Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 8 (Arnhem, 1852), pp 181-185.

        )
      Bestuur en rechtspraak

      Als pandheer en later als heer van Bredevoort had de prins van Oranje het recht functionarissen te benoemen, zowel op wereldlijk als op kerkelijk gebied.

      De drost was namens de heer verantwoordelijk voor bestuur en rechtspraak. Samen met de rechter, de landschrijver, de stadhouder of vervanger van de drost en de advocaat-fiscaal zorgde de drost voor politie- en justitiezaken. In de stad Bredevoort werd hij bestuurlijk bijgestaan door twee burgemeesters en vijf rotmeesters: een rot was een wijk of buurt van de stad. Bij de civiele rechtspraak werd hij geassisteerd door twee keurnoten of assessoren, bij de criminele rechtspraak door de advocaat-fiscaal. (

      inv. nr. 318.

      )

      De heer benoemde de volgende functionarissen: (

      De jaartallen geven alle de begindata van de benoemingen, gebaseerd op inv. Nr. 576, 'Ambtboek', deel 1: samen met deel 2 (inv. nr. 577) geeft dit de meest uitgebreide informatie betreffende benoemingen in de domemen. 'Ambtboek', inv. Nr. 578 geeft gelijksoortige informatie, maar minder volledig.

      )

      In stad, ambt en heerlijkheid Bredevoort:

      Drossaard of drost 1637-1776
      Rechter 1637-1758
      Landschrijver 1653-1794
      Fiscaal 1649-1728
      Advocaat van de prins 1730-1783
      Procureur van de prins 1736-1752
      Rentmeester 1653-1768
      Rentmeester van de Burense tienden 1653-1751
      Keurnoot of assessor van het appellations-gerecht in het graafschap Zutphen 1639-1749
      Keurnoot of assessor van het stadsgerecht 1687-1764
      Voogd 1687-1771
      Huisvoogd 1692
      Organist 1687-1794
      Schoolmeester 1723-1781
      Koster 1687-1794
      Portier van kasteel en stad 1698-1758
      Voorlezer 1772
      Opzichter van de hout-en bosgewassen onder Bredevoort 1727-1760
      Boswachter van bossen in het ambt van Boekhout 1699-1775
      Ontvanger v.d. verpondingen 1660-1790
      Bewoner van het nieuwgemaakte recht- en gevangenhuis te Bredevoort 1720-1723
      Houder van postwagens 1736
      Rector van Latijnse school 1765
      Benoemingen in Winterswijk onder Bredevoort:

      Keurnoot of assessor van het landsgerecht 1687-1787
      Ontvanger v.d. verpondingen 1689-1758
      Kerkmeesters (twee) 1691-1782
      Marktmeesters (twee) 1691-1787
      Organist 1681-1779
      Koster 1687-1762
      Schoolmeester 1695-1765
      Voorlezer 1695-1765
      Voogd 1638-1782
      Ondervoogd 1686-1763
      Boswachter 1700
      Postbode op Amsterdam 1768
      Postbode op Deventer 1768
      Benoemingen in Aalten onder Bredevoort:

      Ontvanger 1690-1758
      Keurnoot of assessor van het landsgerecht 1687-1782
      Organist 1688-1762
      Koster 1687-1760
      Schoolmeester 1687-1781
      Kerkmeesters 1688-1782
      Marktmeesters 1688-1765
      Voogd 1618-1771
      Ondervoogd 1687-1749
      Schutter 1689-1749
      Boswachter 1700
      Benoemingen in Dinxperlo onder Bredevoort:

      Ontvanger 1691-1758
      Keurnoten of assessoren van het landsgerecht 1687-1782
      Kerkmeesters (twee) 1691-1742
      Voogd 1653-1794
      Koster 1688-1782
      Schoolmeester 1688-1783
      Voorzanger 1758-1783
      Beheer

      De rentmeester of admodiateur was verantwoordelijk voor het algemeen beheer van het domein en voor de domeinrekening. De rekening van het domein Bredevoort werd verdeeld in drieën, te weten:

      • het rentmeesterschap over de granen en hofgoederen van Bredevoort,
      • rekening over de heerlijkheid Bredevoort,
      • rekening over de Burense tienden, gelegen in het graafschap Zutphen, behorend onder de richterambten Doesburg, Doetinchem en Hummelo.

      Het rentmeesterschap van deze drie rekeningen werd door dezelfde persoon uitgevoerd. Wat betreft de Burense tienden werd de pacht door de rentmeester in ontvangst genomen op speciale hofdagen. De rechter werd weer uit deze inkomsten betaald. (

      inv. nr. 5515-5582, de domeinrekeningen.

      )Uit de opbrengsten van geestelijke goederen werden predikanten, organisten en voorzangers, kosters, schoolmeesters en de rector betaald. Rentmeesters van Bredevoort:

      Luloph ter Vile 1613-1614
      Joost ter Vile 1633-1671
      Willem Volmer 1671-1727
      Herman Hasebroek 1727-1735
      Jan Berent Roelvink 1735-1749
      Weduwe van J.B. Roelvink 1749-1751
      Herman Otto Roelvink 1751-1769
      Bernard Andreas Roelvink 1769-1798
      Eduard Daniëls 1798-1801
      Hendrik van Juchem 1804-1806
      Abraham Wiersema Walijen 1806-1812
      Archief en inventarisatie

      Het archief van het domein Bredevoort heeft een omvang van 4,5 meter en bestaat voor een groot gedeelte uit domeinrekeningen. Het archief bevat enige retroacta uit de periode voorafgaand aan de Nassaus.

      De stukken vermeld in de oude inventaris Folio betreffende Duffel, Nergena en Goch behoren niet tot dit archief, en zijn in een apart hoofdstuk IV in deel 11 van deze inventaris ondergebracht. Uit de oude inventaris Hingman werden de inv. nrs. 5583-5588 in 1953 aan het Rijksarchief in. Gelderland afgestaan.

    • Verwerving

      Door het huwelijk van Anna van Egmond, gravin van Buren met Willem van Oranje in 1551 werd het graafschap Buren onderdeel van de bezittingen van het huis van Oranje-Nassau. Na de dood van Anna van Buren in 1558 vielen al haar erfgoederen, waaronder het graafschap, volgens Brabants devolutierecht toe aan haar zoon Philips Willem. Tijdens de reformatie verkreeg hij ook alle kerkelijke bezittingen in Buren. (

      Drossaers II voor een uitgebreide beschrijving betreffende de bezitsgeschiedenis van Buren.

      )Pas in 1608 werd Philips Willem te Buren ingehuldigd als graaf van Buren en Leerdam.

      In de periode van het beheer door Maria van Nassau ontstond onenigheid met het kwartier van Nijmegen over de in het graafschap gelegen bezittingen van de abdij van Mariënweerd. In 1618 ratificeerde het kwartier van Nijmegen een met Philips Willem gesloten akkoord waarin zij hem de vrije dispositie over de Mariënweerdse goederen gaven, mits hij een daarop berustend pandschap zou inlossen. (

      B.J.P. van Bavel, Goederenverwerving en goederenbeheer van de abdij Mariënweerd (1192-1532) (Hilversum, 1993), p. 562.

      )De opbrengsten van de goederen werden aangewend voor het door Maria van Nassau opgerichte weeshuis.

      Maurits erfde, als universeel erfgenaam, van Philips Willem in 1618 al zijn bezittingen, waaronder Buren. De door Willem III aangekochte hofstede Reijgersvoort bij Tricht, een leen van de Staten van Gelderland, werd door hem bij het domein gevoegd. Bij de partage van de nalatenschappen van Frederik Hendrik en Willem III in 1732 werd Buren toegewezen aan prins Willem IV.

      Na de Franse inval in 1795 werd de graaf afgezet. Buren werd op 4 maart 1796 ingelijfd door de provincie Gelderland. Zowel de Staten-Generaal als de Nationale Vergadering, verklaarden deze inlijving ongeldig. Volgens hen maakte Buren deel uit van de generaliteit. Tot 1801 bleef deze verwarde situatie ontstaan. Eerst bij de staatsregeling van 14 September 1801 werd Buren officieel onderdeel van de provincie Gelderland.

      Grondgebied en benaming

      Het graafschap Buren omvatte de stad van die naam en zeven omliggende dorpen of buurtschappen, te weten: Beusichem, Zoelmond, Asch, Erichem, Buurmalsen, Tricht en Achter de Haag. Het 5307 morgen grote gebied grensde ten noorden aan de rivier de Lek, ten oosten aan de Neder-Betuwe, ten zuiden aan de rivier de Linge en ten westen aan het graafschap Culemborg (vanaf 1750 ook een Nassaus domein) en de abdij van Mariënweerd. De stad lag aan het kleine riviertje de Molengraaff en telde in de 18e eeuw omstreeks 200 huizen. Achter de Haag was een 370 morgen grote polder met daarin een buurtschap. Asch lag aan de weg tussen Culemborg en Buren, de polder was 525 morgen groot. Beusichem, oorspronkelijk een heerlijkheid, was een groot dorp gelegen aan de Lekdijk, iets boven Culemborg. Het had een belangrijke paardenmarkt. De bijbehorende polder was 940 morgen groot en bestond uit: de Kalveren, de Kerswerf, de Buijtenweert, de lage Weert, de Voorkoop, de Middelkoop, de Ringelepoel, de Quackernack en de Otterputten. De nabijgelegen Beusichemse Waard, groot 96 morgen, lag in het graafschap Buren maar was bezit van de graven van Culemborg. Buurmalsen bestond uit een dorp en een polder, groot 975 morgen, met de onderdelen de Hoge Spijk, de Lage Spijk, de Bustert, de Bulk, de Hooge Maat, de Lage Maat, de Boven Haan, het Hoge Broek en het Lage Broek. Erichem (ook wel Arichem genoemd) lag aan de Linge vlak onder Buren. Met bijbehorende polder was het gebied 1030 morgen groot.

      Het graafschap werd vanaf 1699 bestuurd aan de hand van een door Willem III uitgevaardigd reglement. Hierbij werd een college van gecommitteerden ingesteld dat bestond uit de drossaard en een aantal afgevaardigden van het graafschap, bijgestaan door een secretaris. Oorspronkelijk waren er vijf gecommitteerden: de stadsburgemeester, een gecommitteerde vanwege de stad en de dorpen Asch en Erichem, een vanwege Beusichem en Zoelmond, een vanwege Buurmalsen en een vanwege Tricht. De gecommitteerde was doorgaans de schout van het gebied. Maar in het geval van Buurmalsen en Tricht werden de twee grootste ingelanden gecommitteerd en na 1764 fungeerde de rentmeester als gecommitteerde van Buurmalsen en de stadsschout als gecommitteerde voor Tricht.

      Rechten en bevoegdheden

      Het graafschap Buren was een souvereine heerlijkheid en maakte formeel geen deel uit van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Er werden geen generaliteitsbelastingen geheven, hoewel de Staten-Generaal enkele keren heeft getracht deze ook in Buren in te voeren. Sinds 1472 was Buren een vrije heerlijkheid. In 1498 werd het door Rooms-Koning Maximiliaan tot graafschap verheven. (

      R. Fruin, 'De vrije heerlijkheden, gelegen in het grensgebied tusschen Gelderland, Holland en Utrecht', in: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht, 8e deel no. 5, p 353.

      )

      De graaf bezat in Buren alle rechten, o.a. het recht tot het verlenen van asiel, en de hoge en lage jurisdictie. Hij had het recht van benoeming van alle ambtenaren. Kleinere ambten in de stad werden in zijn naam door de magistraat vergeven.

      Het college vergaderde vier maal per jaar onder voorzitterschap van de drossaard. Men delibereerde over zaken betreffende de welstand van het graafschap, financiën, omslagen en uitzettingen. Over bepaalde omslagen moest eerst het advies van de magistraat en de gerechten worden ingewonnen.

      De regering van de stad Buren bestond uit twee colleges: de magistraat en de hoofdbank.

      De magistraat, voorgezeten door de drossaard had het opzicht over regeringszaken en de stadsgoederen. Het bestond uit tien leden: de drossaard van stad en graafschap, de stadsschout, een stadsburgemeester, een schepenburgemeester en zes schepenen. Een secretaris was toegevoegd. De samenstelling van de magistraat werd ieder jaar, op 3 januari, gewijzigd.

      De magistraat begaf alle kleine ambten van de stad en stelde om de drie jaar rentmeesters van de kerk en het gasthuis aan. De stadsburgemeester administreerde de stadsfinanciën, bijgestaan door de schepenburgemeester. Daarvan moest hij jaarlijks rekening en verantwoording overleggen aan een commissaris van de Domeinraad. Aan drost en magistraat presenteerde hij jaarlijks de stadsrekening van twee jaar daarvoor.

      In het graafschap bestonden drie rechtbanken. De al genoemde hoofdbank had jurisdictie over de stad Buren en de dorpen Erichem en Asch en het buurtschap Achter de Haag en bestond uit schout en zeven schepenen, waaronder de schepenburgemeester. Daarnaast was er een bank van Beusichem voor de dorpen Beusichem en Zoelmond en een bank van Tricht voor de dorpen Tricht en Buurmalsen. Beide banken werd voorgezeten door de plaatselijke schout.

      De hoofdbank fungeerde als rechtbank van appel voor de beide dorpsrechtbanken. Van de hoofdbank stond alleen appel open op de raadkamer van de graaf. Als zodanig trad de Nassause Domeinraad op.

      Het door Maria van Nassau in 1614 gestichte weeshuis kon 24 kinderen herbergen (12 uit de stad en graafschap, 6 uit IJsselstein en 6 uit Leerdam). Het weeshuis werd bestuurd door vier curatoren of regenten, bijgestaan door een secretaris. Drie curatatoren (of curatrices) werden aangesteld door resp. de drossaard, de schout en de stadsburgemeester.

      Beheer

      Omdat Philips Willem pas drie jaar oud was toen hij de goederen van zijn moeder erfde, zou zijn vader tot zijn meerderjarigheid als voogd optreden. Door de gevangenneming van Philips Willem in 1567 en zijn gedwongen verblijf in Spanje tot 1595 kon hijzelf, na zijn meerderjarigheid, niet het daadwerkelijke bestuur van de goederen op zich nernen. De hertog van Alva benoemde twee momberheren die de, in 1568 verbeurd verklaarde, Burense goederen moesten beheren: Karel van Barlaymont en Philips van Oignies. Zij belastten de raad Hovelmans van de Rekenkamer te Breda met het daadwerkelijke beheer. Nadat Willem van Oranje door de Pacificatie van Gent en het Eeuwig Edict in 1577 in zijn rechten was hersteld bepaalde hij dat hij gezamenlijk met zijn dochter Maria van Nassau de goederen van Philips Willem zou beheren. De Raad en Rekenkamer te Breda werd opgedragen dit beheer uit te voeren. Na de dood van Willem van Oranje werd het beheer van de Burense goederen door de Staten-Generaal, bij resolutie van 14 augustus 1585, aan Maria van Nassau opgedragen. Zij kreeg daarbij toestemming raden aan te stellen. Haar Raad was gevestigd in Delft. Na haar huwelijk, in februari 1595, met Philips graaf van Hohenlohe droeg zij het beheer van de Burense goederen aan haar man over. Hij richtte in 1603 een Raad voor de administratie van de Burense goederen op, die in Buren werd gevestigd en tot 1606 bleef bestaan. In 1601 stond Philips Willem de inkomsten van zijn goederen m Holland, Zeeland en Gelderland af aan zijn zuster. Na de dood van Philips van Hohenlohe sloot Maria van Nassau in 1606 een overeenkomst met haar broer, waarbij de laatste in het beheer van zijn erfgoederen trad en Maria met een jaarrente van 10.000 gulden schadeloos werd gesteld. Deze overeenkomst leidde tot een samensmelting van de Domeinraden van beide Oranjes. Na de dood van Philips Willem, in 1618, werd zijn Domeinraad verenigd met die van prins Maurits.

      Het plaatselijk beheer van de domeingoederen was in handen van een rentmeester. Deze legde verantwoording af aan de Domeinraad middels een jaarrekening.

      Het beheer van de geestelijke goederen werd op een aparte rekening verantwoord. De rentmeester van de domeingoederen was tevens rentmeester van de geestelijke goederen. Met de opbrengsten werden o.a. de predikanten en schoolmeesters betaald. Vanaf 1775 werden beide rekeningen samengevoegd.

      De Burense tienden in het graafschap Zutphen werden opgevoerd op de domeinrekening van Bredevoort.

      Polderrekeningen e.d. werden afgehoord door plaatselijke colleges. Hiermee had de Domeinraad geen directe bemoeienis. Ook met het beheer van het weeshuis, uitgevoerd door een rentmeester, bemoeide de Domeinraad zich niet.

      Functionarissen benoemd door de graaf/prins:

      (

      Ontleend aan het Ambtboek, NDR inv. nr.s 685-687.

      )

      • stad Buren
      • Apotheker
      • Boomwachter op de nieuwe brug russen Buren en Culemborg
      • Commandeur of heffer van de commanderijgoederen
      • Commissaris tot directie van de omslag van de gemene middelen en 's Lands penningen
      • Conciërge van het donjon van het Huis van Buren
      • Constapel van stad en kasteel
      • Dijkgraaf
      • Drossaard
      • Franse kostschoolhouder
      • Gerechtsbode
      • Griffier van de Lenen
      • Heemraad van de Aals- en Lingedijk
      • Hoogdijk Heemraad van de Lekkendijk
      • Hovenier van de tuinen, hoven en plantages
      • Keurmeester
      • Koster
      • Landbode van het graafschap
      • Linge Heemraad
      • Lingeschrijver van het Burense Blok Lingewater te Buren
      • Medicinae doctor
      • Notaris in de stad en graafschap
      • Ontvanger van de contributie en bedepenningen
      • Opzichter over Z.H landerijen
      • Opzichter van de gebouwen van Z.H.
      • Opzichter van de oude en nieuw geplante elzenbossen
      • Plantagemeester en opziender van de jacht, bossen en houtgewassen
      • Rentmeester van de domeinen
      • Rentmeester van de geestelijke goederen
      • Rentmeester van het Weeshuis
      • Schipper van Buren op de omliggende plaatsen
      • Schoolmeester
      • Schout van stad en jurisdictie
      • Soldaat op het Kasteel
      • Stadhouder van de Lenen
      • Stads Chirurgijn
      • Tafelhouder van de Bank van Lening
      • Vader en moeder van het Weeshuis
      • Voorzanger
      • Vroedvrouw van stad en graafschap
      • Wachtmeester of majoor van het kasteel
      • Weger op de korenmolen
      • Asch
      • Boswachter
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Beusichem
      • Directeur van de omslag van de gemene middelen en 's Lands penningen
      • Gerechtsbode
      • Hoogdijk Heemraad van de Lekkendijk
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Buurmalsen
      • Buurmeester
      • Commissaris tot directie van de omslag en uitzetting van de gemene middelen en 's Lands penningen
      • Gerechtsbode
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Voorlezer
      • Erichem
      • Boswachter
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Voorlezer
      • Tricht
      • Buurmeester
      • Commissaris tot directie van de omslag en uitzetting van de gemene middelen en 's Lands penningen
      • Gerechtsbode
      • Heemraad van de Trichter kaden
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      • Zoelmond
      • Directeur van de omslag en uitzetting van de gemene middelen en 's Lands penningen
      • Gerechtsbode
      • Koster
      • Schoolmeester
      • Schout
      • Secretaris
      Rentmeesters van de domeinen (tevens ontvanger van de contributieen bedepenningen)

      (

      Ontleend aan de rekeningen, ambtboek en brieven uit het gedeponeerd archief van Philips van Hohenlohe en Maria van Nassau.

      )

      [1584-] Hector Moeyeken
      [1601] Derk van Gemert
      [1606] Jan Pleunis
      [1611]-1630 Jacob van den Steene
      1631-1633 Cornelis Wynants van Resande
      1639-1680 Engelbert Ploos van Amstel [van Tienhoven]
      1680-1691 Philip van Borreveld
      1691-1704 Philip Johan van Borreveld
      1704-1727 Johan van Borreveld
      1727-1731 Pieter van der Meij
      1731-1745 Willem van Doorn
      1745 Maurits Hendrik Testas
      1746-1768 Warnerus Curtius
      1769-1778 Sybrand Waaff (tot 1772 waarnemend)
      1779 Willem Kooymans en Johannes des Millevilles (waamemend)
      1779-1786 Willem Kooymans
      1787-[1811] Leonard van de Kasteele
      Archief en inventarisatie

      Voor de lotgevallen van het Burense archief wordt verwezen naar pagina VII e.v. van de inleiding van S.W.A. Drossaers van haar inventaris Raad en Rekenkamer te Breda II: Goederen en rechten van Anna van Buren. Toe te voegen valt dat veel stukken uit de secretarie van Buren in 1780 of 1781 zijn verbrand en dat Pruisische troepen in 1787 delen van het overgebleven archief in Buren verbrand of zoek gemaakt hebben. (

      NDR inv. nr. 2936

      )

      Een bijzonderheid van dit archief is de aanwezigheid van een grote verzameling stukken afkomstig van Maria van Nassau en Philips van Hohenlohe.Deze stukken bevonden zich in het op het kasteel van Buren achtergebleven gedeelte van het archief. De heterogene verzameling bevat naast stukken die door hen zijn opgemaakt als administrateurs van de Burense goederen ook persoonlijke, politieke en militaire correspondentie. Ook stukken betreffende andere domeinen (b.v. IJsselstein) zijn erin aan te treffen.

      Er is voor gekozen de verzameling apart te houden van het hoofdarchief van Buren. De verschillende series correspondentie zijn nader toegankelijk gemaakt, door het vervaardigen van inhoudslijsten. Enkele stukken uit de oude deelarchieven NDRO FOLIO, Buren supplement (BUS) en Buren Vervolg na 1581 (BUR) die oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van deze verzameling, maar verspreid zijn geraakt, zijn weer ingevoegd.

      Bovenstaande houdt in dat het grootste deel van de stukken betreffende Buren, met uitzondering van eigendomspapieren en stukken betreffende het weeshuis, uit de periode van de admimstratie van Maria van Nassau en Philips van Hohenlohe (1581-1606) te vinden is in het geseponeerde archief van het echtpaar.

      Kaarten en tekeningen

      In het Algemeen Rijksarchief bevinden zich slechts een tweetal kaarten van Buren uit de 18e eeuw. Ze zijn te vinden onder de inventarisnummers kaartencollectie Hingman VTH 1859 en VTH Supll. 463.

      Te raadplegen archieven bij andere archiefdiensten

      Rijksarchief in Gelderland:

      • Rentmeesters der Nassause Domeinen, 1456-1813
      • Drossaard en gecommitteerden van het graafschap Buren, 1498-1799
      • Leenkamer van Soelen en den Aldenhaag te Buren, 1476-1808

      Streekarchivariaat Tiel-Buren-Culemborg:

      • Oud-archief stadsbestuur, 1575-1811
      • Dorpsbestuur Beusichem, 1558-1816
      Literatuur R. Fruin, ' De vrije heerlijkheden, gelegen in het grensgebied tusschen Gelderland, Holland en Utrecht'. In: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeninging tot uitgaaf der Bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, dl. 8, pp. 352-375. J A. Heuff Az., Het Graafschap Buren en het Burensche Weeshuis Haarlem, 1883 A.P. van Schilfgaarde, ' De incorporatie van het Graafschap Buren, 1795-1814.' In: Bijdragen en Mededelingen van de Vereniging Gelre, XXVII, pp. 163 e.v. P.J. Schipperus, Buren en Oranje. Buren, 1962 J.W. Staats Evens, Gelderland's voormalige steden. Amhem, 1891.
      Bijlage

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Inhoudsopgave rekening van domeinontvangsten jaar 1753inv.nr. 2706
      1 Capittul Tijnsen zo binnen Bueren als ten Platte Landen
      2 Capittul Tollen soo binnen Bueren als tot Beusighem, Soelmont en Trigt
      3 Capittul Lammer Tiendt
      4 Capittul Vheerstal tot Beusighem
      5 Capittul Gemaal soo binnen Bueren als ten platte Lande
      6 Capittul Visserije en Geweerens
      7 Capittul Ontfanck van de Griendekens
      8 Capittul Ontfanck van de Accijse van Weijnen en Bieren
      9 Capittul Ontfang van de Landerijen op Erighem
      10 Capittul Bueren binnen deijk
      11 Capittul Landerijen op Asch
      12 Capittul Landerijen op Malsen
      13 Capittul Erffpagten op Malsen
      14 Capittul Landerijen op Zoelmond
      15 Capittul Erffpagten op Zoelmond
      16 Capittul Landerijen op Tricht
      17 Capittul Landerijen in het Broek
      18 Capittul Landerijen op Beusighem
      19 Capittul Erffpagten op Beusighem
      20 Capittul Ontfanck van Kruijt en Peeper
      21 Capittul Ontfanck van de dependents van den Casteele Bueren
      22 Capittul Ontfanck van de Salm tot Giesen
      23 Capittul Ontfanck van de Meenten op Bueren en Beusighem
      24 Capittul Van de twee Vogel Coijen
      25 Capittul Onverkogte goederen van de Neederbetuwe
      26 Capittul Marienweertse Goederen
      27 Capittul Ontfanck van de Nakopen
      28 Capittul Ontfanck van de Leenen
      29 Capittul Onbeheerde Goederen
      30 Capittul Van den Aalsdeijck
      31 Capittul Ontfanck van de Beede Penningen
      32 Capittul Ontfanck van de Contributie penningen
      33 Capittul Renten op de Middelweert
      34 Capittul Ontfanck van de Turff in het Magazijn op het Casteel
      35 Capittul Ontfanck van de keersen in het Magazijn op het Casteel
      36 Capittul Ontfanck van de Patrijs vangst
      37 Capittul Ontfanck van de Recognitie der Officianten
      38 Capittul Ontfanck van de Landerijen en Tienden gehoort hebbende aan de thesaurier van St. Marien tot Utrecht
      39 Capittul Ontfanck van de 40e penninck van alle de vaste goederen die verkogt, geallieneert off gehypothekeert worden
      40 Capittul Ontfanck van den 20e Penning van de Collateraele Successien
      41 Capittul Ontfanck van den Adelijke Huijse Reijgersfoort
      42 Capittul Ontfanck van Verkogte hout
      43 Capittul Extraordinaire en gemengde ontfanck
      44 Capittul Ontfanck van de Restanten overgenomen van de weduwe Van Doorn
      Uytgaeff teegen den voorschreeven ontfanck
      1 Capittul Uijtgaeff van Schenkagien
      2 Capittul Gagien, Wedden en Tractementen
      3 Capittul Uijtgaaff van Renten
      4 Capittul Pensioenen
      5 Capittul Reparatie van het Casteel van Buren en Tuijnmans Huijs
      6 Capittul Onderhout van de tuijnen aan het Casteel
      7 Capittul Onderhout van de wallen en gragten aan het Casteel
      8 Capittul Onderhout van het Guarnisoen op het Casteel
      9 Capittul Inkoop van Turff voor het guarnisoen op het Casteel
      10 Capittul Inkoop van kaersen voor het guarnisoen op het Casteel
      11 Capittul Schattinge en omslaegen
      12 Capittul Reparatie aan de koorenmolens
      13 Capittul Reparatie aan de Bouwhooven
      14 Capittul Inkoop van Boomen, Planten, Baggeren, graven van Slooten, mest en Wieden van het Plantzoen in de plantagien
      15 Capittul Banwerk van de laege landerijen op Trigt en Sanden der landen die onverpagt sijn gebleeven
      16 Capittul Reparatie aan den Leckendeijck
      17 Capittul Reparatie aan de adelijke huijse Reijgersfoort
      18 Capittul Reparatie aan heet Vheerhujjs tot Beusighem
      19 Capittul Extra en Gemengden Uijtgaaff

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Inhoudsopgave rekening van geestelijke goederen, jaar 1650inv.nr. 2756
      1 Capittul Ontfanck van Pastorije goederen tot Buren
      2 Capittul Coorheerde goederen
      3 Capittul Pastorije goederen tot Asch
      4 Capittul Pastorije goederen tot Erichem
      5 Capittul Pastorije goederen tot Soelmondt
      6 Capittul Pastorije goederen tot Beusichem
      7 Capittul Pastorije goederen van Malsen ende Tricht
      8 Capittul Thijnsen ende Renten toebehorende de voors. Pastorije
      9 Capittul Landerijen behorende aende voors. Pastorije tot Tricht
      10 Capittul Landerijen behorende aenden heijligen cruijs altaer in de kercke tot Tricht
      11 Capittul Vicarije behorende aen St. Michiels altaer
      12 Capittul Vicarije van onsse L. Vrouwen altaer tot Buren
      13 Capittul Vicarije van St. Catharijnen tot Buren
      14 Capittul Onsse lieve vrouwen Altaer tot Tricht
      15 Capittul Thijnsen ende Renten
      16 Capittul Vicarije gefondeert op St. Jans altaer
      17 Capittul Vicarije gefondeert op St. Nicolaes altaer
      18 Capittul Vicarije gefondeert op St. Annen altaer in de kercke tot Buren
      19 Capittul Vicarije gefondeert op St. Pieters altaer binnen Buren
      20 Capittul Vicarije gefondeert op den altaer van de drije koningen
      21 Capittul Vicarije gefondeert op St. Andries altaer
      22 Capittul Vicarije gefondeert op onsse Lieve Vrouwen Seven Ween
      23 Capittul Vicarije gefondeert op St Joris altaer in de kercke tot Buren
      24 Capittul Vicarije gefondeert op St. Barberen altaer in de kercke tot Buren
      25 Capittul Vicarije gefondeert op St Jans altaer in de kercke tot Soelmondt
      26 Capittul Vicarije gefondeert op onsse Lieve Vrouwen altaer tot Malsen
      27 Capittul Vicarije gefondeert op St. Catharijnen altaer in de kercke tot Soelmondt
      28 Capirrul Vicarije gefondeert op den heijligen Geest in St. Maertenskerck tot Cuijlenborgh
      29 Capittul Reguliere Landen geleegen in de Tricht
      30 Capittul Thijnsen ende Renten
      31 Capittul Goederen behoorende aenden convente van St. Barberen tot Buren
      32 Capittul Ontfanck vanden 21e Penninck van de verpachte Parthijen
      33 Capittul Ontfanck vande Rantsoenen der verpachte Parthijen
      34 Capittul Gemengden Ontfanck
      Uijtgaaff
      1 Capittul Gagien
      2 Capittul Renten
      3 Capittul Pensioenen
      4 Capittul Reparatien aen des Predicants huijsinge tot Erichem
      5 Capittul Schattingen ende Omslagen
      6 Capittul Gemengende en Extraordinaris uitgeeff
    • Verwerving

      Op 9 juni 1748 namen de Staten van het Kwartier van Nijmegen(

      Het kwartier had het met hoge schulden belaste Culemborg in 1720 gekocht van Ernst Friedrich van Saksen-Hildburghausen voor 987.300 gulden en overname van de schulden, Marijke Gijswijt-Hofstra, Wijkplaatsen voor vervolgden. Asielverlening in Culemborg, Vianen, Buren, Leerdam en IJselstein van de 16e tot eind 18e eeuw (Dieren, 1984), p. 48.

      ) een resolutie aan waarin zij stad en graafschap Culemborg aan prins Willem IV aanboden als dank voor zijn optreden in de oorlog van 1747. Daarbij memoreerden zij o.a. de verwantschap van de prins met voormalige graven van Culemborg en het feit dat Culemborg aan bijna alle zijden werd begrensd door zijn domeinen. Willem IV aanvaardde de schenking en op 22 oktober 1748 werd het graafschap officieel getransporteerd. Op 24 oktober werd de prins, vertegenwoordigd door 2 commissarissen uit de Domeinraad, als 9e graaf en 24e heer van Culemborg ingehuldigd.

      Willem V heeft zich nooit veel gelegen laten liggen aan het lot van het graafschap. Hij kwam er bijna nooit. Voor zover valt na te gaan bracht hij slechts in 1774 en 1794 een korte tijd in Culemborg door.

      In januari 1795 werd Culemborg bezet door Franse troepen. Na de Bataafse omwenteling werd op 2 juni 1795 de grafelijke waardigheid van Culemborg vervallen verklaard door het nieuwe bestuurscollege de Landelijke Vergadering 's Lands van Culemborg. Op 22 januari 1798 werd Culemborg opgenomen in het Departement van de Rijn van de Bataafse Republiek.

      Grondgebied en benaming

      Het graafschap Culemborg (afgeleid van de oude naam Kuilenburg, wat verwees naar de ligging in lage grond) grensde ten noorden aan de Lek, ten oosten aan het graafschap Buren, ten zuiden aan de abdij van Mariënweerd, het ambt van Beest en Renoy, de baronie van Acquoy en het graafschap Leerdam en ten westen aan Vianen. Het gebied was ongeveer 4000 morgen groot. Het graafschap bestond uit de stad Culemborg met de buurtschap en polder Redichem, de polders Ham, de Geeren en de Hond, de polder en buurtschap Goilberdingen en de dorpen Everdingen en Zijderveld. Het gebied werd waterstaatkundig en, met uitzondering van Goilberdingen, ook bestuurlijk in tweeën gedeeld door de Diefdijk tussen de rivieren Lek en Linge.(

      De Diefdijk vormt de huidige grens tussen de provindes Gelderland en Zuid-Holland.

      )

      Het graafschap telde in 1796 ca. 3800 inwoners, waarvan 2400 binnen de stadsmuren woonden. Akkerbouw en veeteelt, vooral paardenfokkerijen, waren de voornaamste activiteiten op het platteland. In de stad was de handel in graan en fruit het belangrijkste bestaansmiddel. Er waren ook enige weverijen van zijden linten.(

      A.W.K. Voet van Oudheusden, Historische beschryvinge van Culemborg (Utrecht, 1753).

      ) In 1759 werd met financiële steun van de prins een geweerfabriek gesticht.(

      NDR inv.nr. 765, folio 572 e.v.

      )

      Bestuur, rechten en bevoegdheden

      (

      Ontleend aan A J. van Weel, De incorporate van Culemborg in de Bataafse Republiek (Zutphen, 1977), pp. 61 e.v.

      ) Van oudsher was Culemborg alleen leenroerig aan de Duitse keizer en daardoor een souvereine heerlijkheid. Het graafschap was niet toegetreden tot de Unie van Utrecht en maakte daarom geen deel uit van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het was een zelfstandig staatje, vergelijkbaar met Orange of het nabijgelegen Vianen. Dit feit speelde o.a. een rol bij de functie van Culemborg als asielplaats of bij de heffing van generaliteitsbelastingen. De Staten van Gelderland maakten bij tijd en wijle aanspraak op het leenheerschap, maar in 1667 werd in een overeenkomst tussen Gelderland en Culemborg vastgelegd dat de graaf wel degelijk de souvereine rechten bezat. Slechts het, toen al verdwenen, kasteel van Culemborg werd aangemerkt als een leen van Gelderland.(

      In tegenspraak hiermee is een leenbrief van stadhouder en leenmannen van furstendom Gelderland en graafschap Zutphen, dd. 16-8-1749, waarin Willem IV beleend werd met 'Het slot en casteel buijten de vest aan de noordzijde der stad Culenborg, mitsgaders de borg en stad Culenborg met de heerschap en heerlijkheid, hooge en laage daar toebehorende, voorts alsulke tienden etc.' (NDR inv.nr. 1687).

      )
      De door de Culemborgse graven verworven dorpen Goilberdingen, Everdingen, Zijderveld en Lang Bolgerij waren een Hollands leen. De graaf bezat er de hoge en lage jurisdictie.(

      Op 25 juni 1750 werd Willem IV door de Staten van Holland met de gebieden beleend (NDR inv.nr. 1713).

      )

      Omdat de graaf een souverein vorst was bezat hij alle rechten in het gebied. Na de reformatie verkreeg hij ook alle kerkelijke bezittingen in het graafschap. In het graafschap Buren bezat hij een goederencomplex; de z.g. Burense goederen. De administratie van zijn leengoederen was in handen van een Leenkamer.

      De rol die de graaf en, vanaf 1748, de Domeinraad, in het daadwerkelijke landsbestuur speelde was gering. Het bestuur werd, in naam van de graaf, door een Raadkamer uitgeoefend. Deze bestond uit een eerste raad (tevens drossaard) en vier ordinaris raden. Dit college hoorde zowel de stadsrekeningen als de gemene landsrekening af. De stad Culemborg bezat een geschreven stadsrecht uit 1318. In latere jaren werd dit stadsrecht door de verschillende graven veranderd en uitgebreid. In 1742 verscheen het bijgewerkte Stad- en Landrecht dat tot richtsnoer diende voor de rechtspraak in het graafschap, dat twee schepenbanken bezat: het schependom van de stad en het schependom van Everdingen, Zijderveld en Goilberdingen. De stadsregering van Culemborg opereerde tamelijk zelfstandig. Vanaf 1747 functioneerde een gezamenlijk college van raden en magistraat (van de stad Culemborg). Hierin werden zaken die zowel de stad als het graafschap aangingen besproken.

      Na de Bataafse omwenteling werd het bestuur van het graafschap uitgeoefend door de Landelijke Vergadering 's Lands van Culemborg. Vanaf 1 februari 1798 tot de incorporatie met Gelderland werd het bestuur waargenomen door een intermediair administratief bestuur van het gewezen landschap Culemborg.

      De graaf benoemde de volgende functionarissen:

      • Advocaten
      • Advocaaten procureur-fiscaal
      • Auditeur der Rekeningen wegens de Dorpen
      • Bode op Utrecht
      • Commissaris van het Zegel
      • Conrector van de Latijnse school
      • Deurwaarder van de Magistraat
      • Dorpskosters
      • Dorpspredikanten
      • Dorpsschoolmeesters
      • Eerste Raad, Drossaard en Dijkgraaf
      • Gerechts- en Landbode
      • Gerechtsbode
      • Hofraad of Tweede Raad
      • Hoogdijk heemraad van Everdingen
      • Hoogdijk heemraden van Culemborg (3x)
      • Kerkmeester van de St. Barbara en St. Jans Kerk
      • Leengriffier
      • Notarissen
      • Ontvanger der ordinaris en extra-ordinaris middelen
      • Predikanten in de stad
      • Procureurs
      • Raad extraordinaris (zonder emolumenten)
      • Raad en stadhouder van de Lenen
      • Raad en griffier van het Hof
      • Raad ordinaris
      • Rector van de Latijnse school
      • Rentmeester van het Gasthuis
      • Rentmeester der Culemborgse domeinen, geestelijke en Burense goederen
      • Schoolmeesters
      • Schout van Den Broek
      • Schout en ontvanger der dorpen
      • Secretaris der Dorpen
      • Stadscameraar of Thesaurier
      • Stadsmajoor
      • Stadsofficier of Scholtus
      • Stadssecretaris
      • Stadssyndicus en advocaat-fiscaal (zonder emolumenten)
      De onder staande kleinere ambten werden zelfstandig door de Raad van het graafschap vergeven:

      (

      Zie notulen dd. 9-7-1756, 25-11-1756 en 29-12-1758.

      )

      • Aannemer van wezen in het Weeshuis
      • Begrafenisbidder
      • Binnenvader en -moeder van het Weeshuis
      • Commissaris van de kerk
      • Controleur van de verkoping van vis
      • Doodgraver
      • Gerechtsen Dijkbodes van de dorpen
      • Grammer
      • Kamerbewaarder van de Raden en Magistraat
      • Karman
      • Klerk van de Raad
      • Koster van de Gereformeerde Kerk
      • Laagdijk heemraden
      • Lage heemraden van den Broek aan de Morn
      • Nachtwaker
      • Omroeper
      • Organist
      • Plaatser in het Oude Mannenhuis
      • Porter
      • Rentmeester van het Weeshuis
      • Sokkedragers
      • Stadsdcctor
      • Stadsijkmeester
      • Stadsmeters
      • Stelder van het uurwerk
      • Turfvielsiers
      • Varkenschouwer
      • Veerman op Utrecht
      • Veerman op Rotterdam
      • Veerman op Amsterdam
      • Veerman op Den Haag
      • Vendumeesters
      • Vilder
      • Voerlieden
      • Vroedvrouwen
      • Werkmeesters
      • Wijn & bierdrager
      Beheer

      In het domein Culemborg werd het financiële beheer uitgevoerd door drie grafelijke ambtenaren: een rentmeester en twee ontvangers. Zij hadden allen hun ambt gekocht en verdienden een vast salaris. Zowel de rentmeester als de ontvangers werkten onder supervisie van de grafelijke Raadkamer. Zij legden eenmaal per jaar rekening en verantwoording af aan de Raadkamer, die op zijn beurt verplicht was hetzelfde te doen ten aanzien van de Domeinraad. De tweede ontvanger liet zijn rekening ook afhoren door de gerechten van de dorpen.(

      NDR inv.nr. 764, folio 280.

      )

      De taak van de rentmeester bestond uit het beheer van de domeingoederen, de geestelijke goederen en de Burense goederen. Hij inde ook de opbrengst van deze goederen, waarvan hij 5 procent mocht behouden. De domeingoederen bestonden uit jacht-, vis- en tolrechten, hoeven en landerijen die de graaf in allodiaal eigendom of in leen bezat. De geestelijke goederen werden gevormd door de kerkelijke bezittingen die na de reformatie aan de graaf waren toegevallen. De Burense goederen bestonden uit enkele hoeven en boomgaarden gelegen in het graafschap Buren. Van alle drie goederencomplexen werden tot 1767 aparte rekeningen gevoerd. Vanaf dat jaar werden ze samengevoegd tot een domeinrekening.

      De eerste ontvanger administreerde de 'comptoiren' van ordinaris middelen, extra-ordinaris middelen en de grafelijke kamer ontvang. De ordinaris en extra-ordinaris middelen bestonden voornamelijk uit opbrengsten van over het hele graafschap verpachte accijnzen.

      De kamer ontvang, oorspronkelijk bestemd voor de hofhouding, om vatte de administrate van de opbrengst van recognities, heergewaden, vrijgeleiden en een derde deel van de opbrengst van boetes in criminele zaken. Bij resolutie van de Raad, dd. 12 december 1755 werden de rekeningen van deze comptoiren samengevoegd in een gezamenlijke rekening.

      De taak van de tweede ontvanger bleef beperkt tot het innen van enkele tienden binnen het schependom van Everdingen, Zijderveld en Goilberdingen.

      Tot 1754 werden nog twee andere rekeningen gevoerd: de rekening van het Nijmeegs comptoir betreffende kapitalen en inkomsten waarvan de rente en aflossing te Nijmegen geschiedde en een rekening van het 'Hisfeldse project'. De eerste rekening werd met ingang van 1754 overgebracht naar de domeinrekeningen de tweede opgeheven.

      Naast bovengenoemde ambtenaren was er ook nog een stadscameraar of thesaurier die de jaarlijkse stadsrekening opmaakte. Rentmeesters(

      Ontleend aan het Ambtboek (NDR inv.nr. 686). Bovengenoemde data stroken niet met de rekeningen De laatste rekening van Perrenot is van 1772; de eerste rekening van Renaud is over 1773. Beiden waren zowel rentmeester van de Culemborgse goederen in Buren als rentmeester van de domeinen en geestelijke goederen.

      ):

      Abraham Perrenot, 1749-1774

      Willem Jacob Renaud, 1774-1810

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      Omdat de rentmeester en de ontvangers hun rekeningen in eerste instantie door de Raadkamer van Culemborg lieten afhoren zijn de in de rubriek 'Culemborg' aanwezige rekeningen slechts afschriften die door de Raadkamer voor verdere afhoring naar de Domeinraad werden gestuurd.

      Aangezien de Raadkamer tamelijk zelfstandig het graafschap bestuurde wordt de onderzoeker aangeraden zeker ook het archief van de graven van Culemborg (Rijksarchief in Gelderland) te raadplegen. Hier kan men o.a. de notulen van het college vinden. Ook voor stukken over de geweerfabriek wordt u verwezen naar datzelfde archief.

      In het Algemeen Rijksarchief bevindt zich kaartmateriaal betreffende Culemborg uit deze periode. De herkomst is niet altijd duidelijk aan te geven. Het betreft de Collectie Hingman VTH 1859, VTH S 463-465, VTH S 564

      Andere archieven betreffende Culemborg:

      • Archief van de Heren en Graven van Culemborg, 1198-1817,
      • Rechterlijk archief van het graafschap Culemborg, 1440-1811
      • - Archief van de Landelijke Vergadering 's Lands van Culemborg, 1795-1799

      • Archief van de stad Culemborg, 1318-1813
      Literatuur Marijke Gijswijt-Hofstra, Wijkplaatsen voor vervolgden. Asielverlening in Culemborg, Vianen, Buren, Leerdam en IJsselstein van de 16de tot eind 18de eeuw. Dieren, 1984 J.D. de Jong, ' Culemborg in oorlogstijd (1794-1795)'. In: Bijdragen en Mededelingen Gelre, LIII, 1953, pp 201-218 G.J. Mentink, De geweerfabriek te Culemborg, 1759-1817, Vestiging, personeel, loon. Niet gepubliceerde doctoraalscriptie R.U. Utrecht, 1957. A.P. van Schilfgaarde, Het archief der Heren en Graven van Culemborg. 3 delen. Den Haag, 1949. A.W.K. Voet van Oudheusden, Historische beschryvinge van Culemborg. Utrecht, 1753. A.J. van Weel, De incorporatie van Culemborg in de Bataafse Republiek. Zutphen, 1977.
      Bijlage

      Inhoudsopgave gecombineerde rekening der domeinen, geestelijke en Burense goederen (1770)(

      NDR inv. nr.. 3070.

      )

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Den Ontfang
      cap 1de Thynsen, Erf- en Losrenten
      cap 2de Erfpachten
      cap 3de Eenjarige Landen
      cap 4de Tweejarige Dito
      cap 5de Sesjarige Dito
      cap 6de Thiendens
      cap 7de Verkopingen
      cap 8Regalia
      cap 9het Extraordinair
      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Den Uytgave
      cap 1De vaste posten van Erf en Losrenten
      cap 2Geesteli|ke en andere tractementen
      cap 3Renten van alle Capitalen
      cap 4Onderhoud van Gebouwen
      cap 5Dito van Aard en Waterwerken
      cap 6Ongelden
      cap 7Verschotten afgeschreeve posten en Extra Ord. Uijtgave
      cap 8Aangelegde penningen
      cap 9Jura van Auditeuren en Rendant

      Inhoudsopgave van de gecombineerde rekening van ordinaris en extraordinaris middelen item den kamer-ontvang (1770)(

      NDR inv.nr. 3106.

      )

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      INKOMSTEN
      1.D'Uytgezette Mergengelden of Contributien in diesen graafschappe Culemborg boven den Diefdijk
      2.De Huysgelden van de Huysen binnen de stad Culemborg betael wordende
      3.'T geen de Dorpen deeses Graefschaps Everdingen, Zijderveld en Goilberdingen jaarlijks aan desen Ontfang contribueren
      4.De portie van den Souverain in de Culemborgse Accijnzen
      5.Den Sevenden Penning der Thiendens onder den Schependom van Culemborg
      6.Den Tagtigsten penning ten Lan en Leenrechten door den geheelen Graafschappe Culemborg
      7.De helfte van het Collaterael, zijnde den 20e penning onder den Schependom Culemborg vallende
      8.'T geheele Provenu van 't Gezegelde Papier
      9.De Heergewaden van Verkogte en andersins verhefte Leenen
      10.De Recognitien van Vrijgeleijden
      11.Een derde in de Boetens en Breuken
      12.Huuren van Huysen en Gebouwen den Souverain competerende
      13.Allerleij Onfang van jaarlijxe Recognitien van Successivelijk begeevene Ampten en 't geene verder Extrordinair tot voorn. drie Ontfangsten van ouds heeft gehoort en specterende is.
      Tabel met zoekresultaten in archieven
      UITGAVEN
      1.Aan Gagies en Tractementen
      2.Aan Kortingen
      3.Aan Leges en Jura
      4.Allerhande Extraordinaire Uytgave
      5.Aan Interessen van Capitalen op die Comptoir gerepartieert
      6.Subsidien aan het Comptoir van den Rentmeester der Domeinen uyt deese Ontfanst tot Sublerement van deszelfs Comptoir betaalt wordende
    • openVII DIEREN
      Verwerving Het huis of de hof te Dieren

      Het huis of de hof te Dieren - vanaf 1218 een commanderij van de Duitse Orde -werd op 2 September 1647 door prins Willem II voor 148.886 gulden gekocht van de Balije der Duitse Orde. (

      De hof of het huis te Dieren was oorspronkelijk een bezit van de graven van Bergh, aan hen geschonken door keizer Frederik Barbarossa. Adolf van Bergh schonk het in 1218 - gedurende het beleg van Damiate - aan de Ridders van de Duitse Orde. De Orde vestigde er een commanderij die aanvankelijk onder de Balije van Koblenz en de kamergoederen van de Hoogmeester der Duitse Orde viel. Via de Balije van Aldenbiezen kwam het in bezit van de Balije van Utrecht (zie P.J.C.G van Hinsbergen, Inventaris van het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht 1200-1811 (Utrecht 1955-1982), p. 132.

      ) De koop geschiedde na goedkeuring van de Staten van Utrecht en octrooi van de Gelderse Landdag. Waarschijnlijk had de prins - gezien de spoedige aanleg van een wildbaan - behoefte aan een jachtslot en jachtterrein van enige omvang. Hij bezat als stadhouder van Gelderland al het jachtrecht op de Veluvve. (

      Martens van Sevenhoven, 'Uit de geschiedenis van het nationale park Veluwezoom' in: Bijdragen en Mededelingen Gelre LII (1952), p. 6.

      )

      Om het enigszins verdeelde bezit geografisch af te ronden kocht de prins in hetzelfde jaar en in de eerste jaren daarna nog talrijke goederen, stukken land en bosgebieden in de omgeving van het huis.

      Fraterwaard

      Koning-stadhouder Willem III kocht in 1700 de Fraterwaard als vrij allodiaal goed van de voogden van Maria gravin van Bronkhorst voor 136.000 gulden. Het op het goed rustende pandschap werd een jaar later door hem afgekocht van de erfgenamen van Diederick Huijgens.

      Koldenhovert

      In 1701 werd Koldenhoven door Willem III gekocht van jonkheer Hendrik van Boshoff voor een bedrag van 3000 gulden.

      Verkoop van de domeinen

      Het domein Dieren werd in 1795 genationaliseerd en kwam onder beheer van de Nationale domeinen. Op 19 februari 1795 brandde het huis tot de grond toe af. (

      De oorzaak was het onvoorzichtig stoken door ingekwartierde Franse soldaten.

      ) Onder koning Willem I bleef het staatsdomein en werd het aan het Amortisatiesyndicaat toegewezen.

      Vanaf 1819 werden de domeinen door de Staat der Nederlanden - met uitzondering van het erfmarkerichterschap (

      De marke werd in 1847 opgedeeld.

      ), de bosgebieden en Koldenhoven (

      Gevoegd bij Het Loo.

      )
      - in delen openbaar geveild. Eerst werden de leengoederen bij Angerlo van de hand gedaan. In 1820 volgden de Fraterwaard, de korenmolen en het veerhuis bij Dieren. Op 17 September 1821 werd tenslotte het resterende deel van het domein, bestaande uit 55 percelen, te Arnhem geveild.(

      ARA, Archief Ministerie van Financiën, Domeinen 1813-1826, inv.nr. F 32.

      )
      Zowel de Fraterwaard als het huis of de hof, nu nog slechts bestaande uit een rentmeesterswoning met jagershuis en omliggende tuinen en weilanden, werden gekocht door W.G.J. baron van Rhemen als gemachtigde van jonkvrouwe Maria Cornelia, gravin van Wassenaar. Via haar is het goed vererfd in de familie Van Heeckeren van Wassenaar. Nu is het eigendom van de Stichting Twickel.

      Grondgebied en benaming

      (

      Zie ook de grote kaart van het domein Dieren, ARA, sectie Kaarten en Tekeningen, collectie Hingman, inv.nr. VTHR 4105.

      )

      Het huis of de hof te Dieren

      Het huis te Dieren lag bij de rivier de IJssel en werd begrensd door het ambt Brummen ten noorden, de IJssel ten oosten, het dorp Rheden en het kasteel Middachten ten zuiden en de heerlijkheid Rozendaal ten westen.

      Het domein bestond rond 1700 uit de volgende onderdelen: een jachthuis met omliggende tuinen, stallen, werkschuur, manege, kaatsbaan, een wachtlokaal voor de lijfwacht (z.g. corps du garde), hoveniershuis en het Beer- en Wesselshuis (ook wel Albemarles stal genoemd). Om de terreinen van het huis lagen zeven in de loop der tijd aangekochte bouwhoeven. (

      Zie kaart van Dieren uit 1681: ARA, sectie Kaarten en Tekeningen, collectie Hingman, inv.nr. VTH 4105. De met naam aangegeven landerijen zijn: Avergoor, tho Ogten, Middeldorp en Veerengoet. Verder worden genoemd Jan Scharink bouwinge, Derk Derksen Bouwinge en Jan Claassen Bouwinge. Volgens de kaart bestond het domein uit 115 percelen land.

      ) In de buurtschap Dieren, ten noorden van het huis, bezat de prins nog een veerhuis, de 'Bronkhorster stede' en een windkorenmolen. Een groot gedeelte van Dierense Enk (

      Enk = geheel van (vroeger gemeenschappelijke) bouwlanden bij een dorp of buurtschap.

      )
      behoorde ook tot het bezit van de prins.

      Het ten westen gelegen Dierense bos en het zuidelijk daaraan grenzende Ellecomse bos werden in delen aangekocht. Onder deze bossen vielen ook de gronden Cittersbos, Wolvenbos, Sneppensvlugt en Daniëlsbosch. (

      NDR inv. nr. 7651: 'dog zijn meest al uitgeroeit en in de plantagie begreepen.'

      )

      Tegenover het kasteel Middachten bezat de prins nog een deel van het Rhederbos. Op de daar gelegen Rouwenberg bevond zich een kleiner jachthuis met stal en schuur.

      Rond het hele bezit - vele honderden hectares groot - werd na aankoop een kilometers lange, meer dan manshoge, houten omheining aangelegd , zodat er sprake was van een park of wildbaan. (

      De omheining werd in 1660 afgebroken. Een kaart van de Wildbaan is te vinden in het archief van het huis Middachten, kaartno. 596.

      ) In deze wildbaan werden ca driehonderd, uit Honselersdijk overgebrachte, reeën uitgezet.

      In de periode van Willem III werden het jachthuis en de tuinen, respeclievelijk onder de leiding van Jacob Roman en Hans-Willem Bentinck, aanmerkelijk uitgebreid en verfraaid. Tevens werd er een jachtweg aangelegd die, langs de noordgrens van het schependom Arnhem, leidde naar de Ginkelse heide bij Ede.(

      De huidige Koningsweg.

      )

      Onder prinses-gouvernante Anna, weduwe van Willem IV, werd ten bate van de houtwinning in het Dierense bos tussen 1757 en 1763 een nieuwe plantage aangelegd die verdeeld was in een 'oud en wild' bos -genoemd de Oude plantage, aangelegd na 1728 - bestaande uit 40 perken (ca. 75 hectare), de eigenlijke Nieuwe plantage bestaande uit negen hoofdperken ieder verdeeld in zes kleinere perken (ca. 95 hectare) en twee percelen met jonge aanplant, tezamen met de Lelienberg (ca. 2 hectare). De totale plantage was zodoende ca. 180 hectare groot (exclusief grote en kleinere lanen, singels of wegen, paden, sloten, schaapsdriften en wallen). De plantage werd - naar haar dochter - Carolinenberg genoemd. (

      NDR inv. nr. 768, folio 1321.

      ) Ten noorden van de plantage bevond zich nog een uitgebreid heideveld van 40 hectare.

      Langs deze plantage liep (en loopt) een door generaal G.O. van Burmania aangelegde en naar hem genoemde laan in de richting van de Rouwenberg, het westelijk gedeelte van het domein, grenzend aan het gebied van Middachten.

      In het Ellecomse bos, tussen de Carolinenberg en de Rouwenberg. werd nog een tweede plantage aangelegd: de Prins Willemberg, genoemd naarde jonge Willem V.

      Fraterwaard

      (

      NDR inv. nr. 765, folio 501.

      )

      De Fraterwaard bestond uit een aantal uiterwaarden van de IJssel vlak bij Dieren.

      In het ca. 360 hectare grote gebied bevonden zich vier hoeven geheten Noordingsbouwing, Kistenbouwing, Kockingbouwing en Dollemanstede.

      Koldenhoven

      (

      NDR inv.nr. 764, folio 268. De oude naam van Koldenhoven was Coldenhave.

      )

      Het landgoed Koldenhoven lag bij Eerbeek en behoorde tot het ambt Brummen. Het bestond, ten tijde van de aankoop, uit een oud adellijk vervallen huis, schuur en plantagebos van opgaand bos en houtgewas, twee tiendvrije bouwhoeven, een waterkorenmolen en een beek waarvan het water twee, buiten het domein gelegen, papiermolens aandreef. Direct na aankoop werden de gebouwen afgebroken, de grachten gedempt en, naar ontwerp van Jan van Arnhem heer van Rozendaal, vijf vijvers gegraven, voorzien van gemetselde riolen en cascade, omringd door een plantage met diverse boomsoorten. (

      Zie kaart ARA, sectie Kaarten en Tekeningen, collectie Hingman, inv. nr. VTH 1869.2 en NDR inv. nr. 765 folio 268. Het ontwerp is door J. Bierens de Haan aan Jan van Arnhem toegeschreven J. Bierens de Haan, Rosendael Groen Hemeltjen op Aerd (Zutphen, 1994). Volgens H.W.M. van der Wyck is het ontwerp nooit uitgevoerd (H.W.M. van der Wyck, 'Het Loo. De geschiedenis van een Koninklijk Domein' in: Bulletin van de Koninklijke Oudheidkundige Bond, 75 (1976) p. 199). Maar duidelijk in tegenspraak met zijn opvatting is de volgende aantekening over Koldenhoven in NDR inv. nr. 777: ' Het huis Coldenhave [...] en zijn aldaar, met zeer grote kosten vijf vijfers gegraven met haare gemetzelde Rioolen en Cascades in de Hoven gemaakt, alsmeede een Plantagie van Linde en Beuken en Elst-boomen mitsgaders drie buyten alles van Eyke.'

      ) De twee aanwezige bouwhoeven droegen de namen Marienhof en de Herberg. Het totale gebied was ca. 40 hectare groot.

      Rechten en bevoegdheden

      Dieren was, in tegenstelling tot de meeste Nassause domeinen, geen heerlijkheid, maar viel juridisch en bestuurlijk onder het richterambt van de Veluwezoom en het schoutambt Rheden. (

      Het scholtambt Rheden bestond uit de dorpen. Velp, Rheden, De Steeg, Ellecom, Dieren, Spankeren en Laag-Soeren.

      ) De prins bezat dus geen Enkele jurisdictie in het gebied; de souvereiniteit berustte bij de Staten van Gelderland. Aan het bezit van het huis was wel de functie van markerichter van Dieren, Ellecom, Spankeren en Soeren verbonden. De markerichter had het opzicht over de onverdeelde gronden in het noordelijk gedeelte van het schoutambt Rheden. (

      Een mark bestond uit onverdeelde gronden. De markerichter stelde gezworen bosbeheerders aan voor het dagelijks toezicht onder leiding van een holtrichter. Rechtspraak vond plaats in z.g. 'holtspraecken' of 'holtbancken'.

      )
      Deze functie werd feitelijk uitgeoefend door de rentmeester. Bij de aankoop kreeg de prins ook het visserijrecht en het recht van konijnenwarande in pacht van de Rekenkamer van Gelderland. (

      Beide rechten werden in 1651 door deGelderse Rekenkamer aan anderen respectievelijk verkocht en verpacht. Zie rekening 1651.

      )
      Het huis zelf bezat enige kleinere lenen rond Doesburg (Angerlo, Beinum). De rentmeester trad daarvoor op als stadhouder en griffier van de lenen.

      Bij de koop verkreeg Willem II ook de tienden van enkele landerijen gelegen in de Dierense Enk. Op 18 juni 1762 besloot de Raad ook over tabak tienden te heffen. (

      NDR inv. nr.. 769, folio 1648.

      )

      Tenslotte bezat de prins voor de helft het veer over de rivier de IJssel tussen Dieren en Olburgen.

      Binnen het domein lagen enkele leengoederen. Het goed Avegoor en het hof Tho Ochten waren leengoederen van de Staten van Gelderland. Het goed Middeldorp was een leen van de baronie van Bahr en Lathum.

      Beheer

      Het domein werd beheerd door een rentmeester, met uitzondering van twee korte periodes waarin een kapitein-opperjagermeester boven hem was aangesteld. (

      Op 11 oktober 1649 werd boven de rentmeester een kapitein-opperjagermeester en bewaarder van het huis en park aangesteld in de persoon van Guillaume de Sanravy (NDR inv.nr. 598 p. 202). Diens salaris bedroeg 10.000 livres per jaar.

      )

      Tussen 1685 en 1724 was de rentmeester van Dieren tevens rentmeester van Het Loo. (

      De Dierense rentmeester Matthias Sluijter is nooit expliciet tot rentmeester van Het Loo en Hoog-Soeren (zie de 'Provinciale Registers', NDR inv.nrs. 598-625) benoemd. Pas na zijn overlijden in 1724 werd een aparte rentmeester voor het buurtdomein aangesteld.

      )

      Vanaf 1701 was hij daarbij ook nog rentmeester van de Fraterwaard en Koldenhoven tot de samenvoeging van deze twee domeinen met Dieren in 1781. Tot 1781 werd er een aparte rekening van de Fraterwaard en Koldenhoven opgemaakt.

      In de periode 1799-1807 was de rentmeester van Het Loo, Albertus Gelderman, ook rentmeester van Dieren.

      Zoals al eerder vermeld trad de rentmeester op als stadhouder en griffier van de lenen en markerichter. De verpachting van tienden en landerijen geschiedde gewoonlijk te Dieren door de rentmeester ten overstaan van een lid van de Nassause Domeinraad en de schout van Rheden. Het onderhoud van het veer was de verantwoordelijkheid van de veerman, die voor de andere helft eigenaar was. (

      NDR inv.nr. 769, folio 1740.

      )

      Rentmeesters van het domein Dieren (vanaf 1781 Dieren, Fraterwaard en Koldenhoven) 1647-1821 (

      Ontleend aan NDR inv. nr. 685 en ARA, Archief van het Ministerie van Financiën, Domeinen 1813-1826, inv.nr. F 32.

      )

      1647-1664Hendrik Gijsen
      1665-1666Odilia Wolters weduwe H. Gijsen
      1667-1678Abraham Anselmus Gijsen
      1679-1724Matthias Sluijter
      1725-1726[geen rentmeester]
      1727-1742Willem Wentholt
      1743-1750Gerhard Pronck (waarnemend)
      1751-1773Abraham Elie Palairet
      1774-1781Elias Emilius Palairet (provisioneel 1774-1776)
      1782-1789B.A. Rouse weduwe A.E. Palairet (waarnemend 1782-1784)
      1790-1791Willem Frederik Rouse Palairet
      1792-1798B.A. Rouse weduwe A.E Palairet (waarnemend)
      1799-1807Albertus Gelderman
      1808-1814Alexander baron van Rhemen
      (1815-1818I. Retemeyer)
      (1819-1821J.G. Klaassen)
      Rentmeester van de Fraterwaard en Koldenhoven 1701-1781

      Personele unie met rentmeester van Dieren (na 1781 gecombineerd met Dieren).

      Andere functionarissen in vaste dienst tijdens de 18e eeuw (

      Ontleend aan de vaste salarisposten voorkomend in de rekeningen.

      )

      Voor een compleet overzicht van aanstellingen zie 'Ambtboek', NDR inv.nr. 576-577.

      • Kastelein van het huis (soms vervuld door de rentmeester)
      • Directeur van de Bossen en Plantages
      • Tuinman of Hovenier
      • Opzichter van de Allees en Omheiningen
      • 2 Boswachters
      Verantwoording van de inventarisatie

      Bij de beschrijvingen van koop-, transport- of pachtakten waarbij een van de partijen de prins zelf is wordt alleen de wederpartij genoemd. Bij verkoop- of transportakten tussen andere partijen wordt zowel verkoper als koper genoemd.

      Bij de inventarisatie bleek dat de eigendomspapieren van Koldenhoven en Fraterwaard zich onder stukken betreffende Het Loo bevonden. Blijkens een aantekening (

      NDR inv. nr. 3420.

      ) waren deze tijdelijk gelicht uit het loket Dieren maar nooit meer teruggebracht. Deze stukken zijn weer teruggevoegd.

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      De jaarlijkse rekeningen van de rentmeester vormen de ruggegraat van het archief. De rekeningen hebben een vaste indeling (zie hiervoor de bijlage). Bij de opgave van de bezittingen wordt doorgaans aangegeven wanneer en van wie het gekocht is en daarbij verwezen naar aard en datum van de eigendomspapieren. Administratieve aantekeningen op veel losse stukken in het archief verwijzen naar een folionummer van de betreffende rekening.

      Naast de rekeningen geven degenerale rapporten van de rentmeester en de inspectieverbalen van commissarissen van de Domeinraad een goed overzicht van het reilen en zeilen van het domein vanaf het midden van de achttiende eeuw, vooral wat betreft aanleg en beplanting van produktiebossen. Het archief bevat, in tegenstelling tot de meeste Nassause domeinen, geen papieren van bestuurlijke aard.

      Andere archieven met gegevens betreffende het domein Dieren zijn te vinden in:

      • Archief van het Ministerie van Financiën, Domeinen, 1813-1816
      • Verzameling Binnenlandse Kaarten (VTH en VTHR)

      • Archief van de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht
      • Stukken behorende tot het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, afkomstig van de familie Cazius

      • Gemeentebestuur, 1627-1817
      • Buurtschap van Dieren, 1799-1971

      • Rentmeesters der voormalige Nassause Domeinen in Gelderland, 1456-1813
      • Scholtambt Rheden, 1675-1811
      • Drostambt Veluwe en richterambt Veluwezoom, 1418-1811
      • Mark van Dieren, Spankeren, Soeren en Ellecom, 1600-1858
      • Familie Van Rhemen (rentmeester), 1305-1826
      Literatuur L. Bakker, ' De molen op het Hof te Dieren'. In: De Wijerd, jrg. 15. A.J Brunt (red.), Inventaris van het huisarchief Twickel, deel 1 en 6. Zwolle/Delden, 1993. Catalogus houdende aanwijzingen omtrent het voormaal vorstelijk landgoed thans genaamd: Bouwerszathe (bij Dieren) en omtrent de percelen en massa's waarin hetzelve openbaar geveild zal warden in het logement de Kroon te Dieren. Met 3 kaarten. 1844. W. Draayer, Uit Dierens verleden. Dieren, 1894. Thomas H. von der Dunk, ' Een Duits architect op doorreis, Leonard Christoph Sturms reiseanmerkungen over Gelderland' [1|'In: Bijdragen en Mededelingen Gelre, LXXXIV, 1993, pp. 42-83. P.J.C.G. van Hinsbergen, Inventaris van het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht 1200-1811. Utrecht, 1955-1982. J.H. Hora Siccama, ' Uit de geschiedenis der Domeinen van het Huis van Oranje.' In: Je Maintiendrai, z..j., pp 168-202. John Dixon Hunt en Erik de Jong, The Anglo-Dutch Garden in the Age of William and Mary/De gouden Eeuw van de Hollandse tuinkunst.' In: Journal of Garden History, vol. 8, nr. 2 en 3, pp. 139-141. W. Jacobsen, ' Onttakeling 17e eeuws lusthof' In: De Gelderlander, 11 mei 1993. S. Kalff, ' Een voormalig jachtslot der Oranjes.' In: Eigen Haard, 1904. E.J. Kruijswijk, Over eenen Schoutambt en gemeente Rheden. Oudheidkundige kring Velp/Rozendaal, 1975. Idem, Geschiedenis van Dieren. Oudheidkundige kring Velp/Rozendaal, 1975. A.H. Martens van Sevenhoven, ' Uit de geschiedenis van het nationale park Veluwezoom'. In: Bijdragen en Medelingen Gelre, LII, 1952, p. 3-20. H.C. Rogge, ' Het Huis te Dieren'. In: Zondagsblad van het Nieuws van de Dag, 1904. P. Schenk, Paradisum Oculorum. Amsterdam, 1702. D.J. van der Ven, ' Wat het Dierense hof als voormalig lustslot der Oranjes van oude en jonge tijden te verhalen heeft'. In: Op de Hoogte, 12,1915, pp. 401-412. H.W.M van der Wyck, Atlas Gelderse Buitenplaatsen. Alphen a/d Rijn, z.j. F. van Zadelhoff, Dieren, Spankeren en Lang Soeren in vroegere tijden, Oudheidkundige kring Velp/Rozendaal, 1958.
    • openVIII HET LOO
      Verwerving

      (

      De meeste gegevens zijn ontleend aan: Louise van Everdingen, Het Loo, de Oranjes en de jacht (Haarlem, 1984) en NDR inv.nr. 766, folio 1053-1059 (lemma Het Loo).

      )

      Het Nassaus domein Het Loo bestond feitelijk uit twee gedeeltes, namelijk Het Loo en omstreken en de Hoogsoerense bossen en de Heege. Voor het eerste bezit werd in 1684 met een grote aankoop door Willem III de grondslag gelegd, terwijl het grootste deel van de landerijen in het Hoogsoerense bos met de Heege pas in de jaren 1766 en 1767 werd verworven. Ofschoon er duidelijk sprake was van twee zelfstandige gebieden, vormden deze een heerlijkheid.

      De eerste belangrijke acquisitie van goederen in Hoogsoeren vond plaats in 1678, toen het jachthuis en het bijbehorende land door de Gelderse Landdag werd gekocht ten behoeve van prins Willem III. De verkoper was Jacob baron van Wassenaer, heer van Obdam, aan wie de koopsom gedeeltelijk in geld werd voldaan, gedeeltelijk door de afstand van tienden onder Ede. (

      Van Everdingen, Het Loo, pp. 48-50. Zie ook NDR inv.nr. 3661.

      )

      De oude havezate Het Loo en het omringende gebied werd in 1684 door prins Willem III gekocht van Johan Carselis van Ulst, genaamd Doornick.(

      Voor de koopakte, zie NDR inv.nr 3648.

      ) Willem III was een fervent jager die met name geïnteresseerd was in Het Loo vanwege de jachtmogelijkheden die de heerlijkheid bood. Voor f90.000,- kwam Het Loo onder andere tesamen met twee lenen grond en een aantal papieren korenmolens in het bezit van de Oranjes. Tevens verkreeg Willem III het opperjagermeestersambt van de Veluwe.

      Willem III Het nog voordat hij in Engeland koning werd op Het Loo een prachtig jachtslot bouwen, waarop toezicht werd gehouden door zijn vertrouweling Hans Willem Bentinck, eerste graaf van Portland. Verder werden er lusthoven, plantages en fonteinen aangelegd. Bouwmeester van Het Loo was Jacob Roman (1640-1716), die reeds de bouw van Slot Zeist en de verblijven in Honselersdijk en Dieren op zijn naam had staan. De decoraties werden verzorgd door Daniël Marot (1661-1752). Zowel Roman als Marot kregen van Willem III de titel 'koninklijke architect'. Het woongedeelte van het nieuwe jachthuis kwam in 1686gereed.

      Aan het karakter van het oude jachtslot Het Loo, een middeleeuws bouwwerk, werd tot de Franse tijd niets veranderd. Het bleef al die tijd ingericht en bewoond, ook door de prinsen van Oranje zelf. Tijdens de minderjarigheid van Willem V werden grote herstelwerkzaamheden aan het gebouw uitgevoerd. Constantijn Huygens jr. schetst in zijn journalen een levendig beeld van het leven op het Oude Loo.

      In 1698 werd het grondgebied verder uitgebreid met het grote en het kleine Uddelermeer. De prins liet aan de rand van een van de meren een eenvoudig jachthuis met ruime stalling bouwen, het huis Meerveld genoemd. (

      Van Everdingen, Het Loo, pp. 51-52. Zie ook NDR inv.nr. 3700.

      ) In de Uddelermeren werd tijdens het stadhouderschap van Willem V veel gevist. Willem V heeft dit bezit samen met Het Loo tot een eenheid gemaakt door de aankoop van de nog resterende vierendelen van het Hoogsoerens bos en het hof te Uddel, gelegen aan de oostzijde van het meer.

      Het goed Hoog Buurlo werd in 1701 door de heer van Cloet verkocht aan Willem III.(

      Zie NDR inv.nr. 766, folio 741-744 (lemma Hoog Buurlo).

      ) Hiervoor was toestemming nodig van het kapittel van Xanten, dat het recht op een jaarlijkse canon van fl500,- verkreeg. Over de betaling van deze canon ontstond onenigheid omdat deze niet werd voldaan tussen 1701 en 1764. Het conflict werd in 1764 bijgelegd, waarbij een nieuwe lijfrente werd uitgegeven, dit keer op drie handen (d.w.z. personen) in plaats van twee zoals voorheen.

      Voor de Oranjes diende het Hoogsoerense bos met name tot behoud van de wildbaan voor Het Loo en leverde het eiken en beuken. In het begin van 1766 bezat de prins er tien vierendelen. Bij resolutie van de Domeinraad op 17 maart 1766 werd besloten de overige vierendelen voor ieder f3l50,- te kopen, contant in geld of in obligaties. Tot de Hoogsoerense bossen werd ook de Heege gerekend, voornamelijk bestaande uit beukenbomen. Ook hier werden vierendelen voor de prins gekocht. Deze grote transactie werd uitgevoerd door de griffier Ardesc. (

      Zie verbaal van de griffier Ardesch, 12 november 1766 (NDR inv. nr.. 3667). Voor de verschillende akten van verkoop en transport, zie NDR inv. nr.s. 3668-3687.

      ) I.v.m. de nieuwe situatie werd bij resolutie van 24 november 1766 besloten een kaart van het Hoogsoerense bos te laten maken.

      De Fransen hielden in 1797 verschrikkelijk huis op Het Loo. Alles wat aan de prins van Oranje toebehoorde, werd aan stukken gestagen, gestolen of afgevoerd naar Frankrijk. In de tuin vernielde men alle waterwerken. In 1806 nam Lodewijk Napoleon Het Loo als koninklijk jacht- en buitenverblijf in gebruik. Het park werd veranderd in een Engels landschapspark en het huis kreeg het karakter van een Frans Empire buitenverblijf.

      Grondgebied en benaming

      De heerlijkheid bestond sinds 1748 uit drie kerspels: Apeldoorn, Beekbergen en Loenen. Daarnaast behoorde het ambt Barneveld tot het domein.

      In het jaar 1766 bestond Apeldoorn behalve uit het gelijknamige dorp ook nog uit 13 boerschappen met in totaal ongeveer 495 huizen.(

      Zie niet alleen NDR inv.nr. 766, maar ook inv.nr. 764, folio 65-66.

      ) Het betrof de volgende gehuchten:

      • Wissel: 30 huizen
      • Hofcamp: 6 huizen
      • Wenum 33 huizen
      • Beemte: 37 huizen
      • Broekland: 33 huizen
      • Ankelaar: 22 huizen
      • Ganzevles: 20 huizen
      • Woudhuis: 10 huizen
      • Wormingen: 38 huizen
      • Hoogbuurlo, Asselt, Orden den Brink (in Apeldoorn): 180 huizen
      • Hoogsoeren; 19 huizen
      • Noord-Apeldoorn (of Noord-Apeldoorns merkt): 67 huizen

      Tot Noord-Apeldoorn behoorden de huizen, tuinen en het park van Het Loo. In 1766 werden in Beekbergen, bestaande uit het dorp en 4 boerschappen, ongeveer 233 huizen geteld. (

      Zie niet alleen NDR inv.nr. 766, maar ook inv.nr. 764, folio 105.

      ) In de buurt van Beekbergen lag het Beekbergense Woud waar alleen bij strenge vorst hout gehaald mocht worden. Onder Beekbergen lagen verschillende papiermolens. Naast het kerspel Beekbergen bestonden de boerschappen Ugchelen (21 huizen), Engeland (37 huizen), Lier (75 huizen) en Oosterhuizen (57 huizen).

      Loenen was samengesteld uit het dorp en een boerschap met in het jaar 1766 ongeveer 116 huizen. (

      NDR inv.nr 766, folio 1051-1052.

      ) In Loenen zelf stonden 68 huizen. In de boerschap Silven stonden 48 huizen. Voordat Loenen in 1748 tot de hoge heerlijkheid Het Loo ging behoren, behoorde het tot het schoutambt Apeldoorn. In Loenen stond het huis de Horst, toebehorend aan de schepen Katzfort.

      Tot het ambt Barneveld in het kwartier van de Veluwe behoorden sinds 1748 8 boerschappen met 42 huizen tot de heerlijkheid Het Loo.(

      Zie niet alleen NDR inv. nr.. 766, maar ook inv.nr. 764, folio 98.

      ) Dit betrof: Kootwijk (4 huizen), Meerveld (9 huizen), Vossen (2 huizen), Milligen (3 huizen), Ouwendorp (4 huizen), 't Sol (2 huizen), 't Meer (1 huis), Riddel (18 huizen). Tot het ambt Barneveld werden ook het grote en kleine Uddelermeer gerekend.

      Voor de gehele heerlijkheid kwam het totaal uit op drie dorpen, 26 boerschappen en samen met de domeingoederen Hoog Buurlo en Asselt betrof dit 886 huizen of families.

      Rechten en bevoegdheden

      Sedert 1694 vormde Het Loo een heerlijkheid. Op 10 december van dat jaar droegen de Staten van Gelderland aan Willem III en zijn nakomelingen van het mannelijke geslacht de hoge en lage jurisdictie op. Een jaar later werden de grenzen van de heerlijkheid Het Loo vastgesteld. Het bezit van de prins werd afgepaald, waarin behalve de buurtschap Noord-Apeldoorn met Het Loo, het dorp Apeldoorn en de mark Orden, verder de marken of buurtschappen Wenum en Wissel, het goed Asselt en de daarbij behorende velden en tenslotte het gebied rondom de Vogelkooi (bij Vaassen) waren gelegen.

      Toen Willem III, kinderloos, overleden was, werd de hoge heerlijkheid van Het Loo direct vervallen verklaard, waardoor de jurisdictie van Het Loo weer aan het landdrostambt van de Veluwe en het gerechtshof te Apeldoorn toeviel.

      In het voorjaar van 1748 werd Willem IV tot stadhouder van Gelderland benoemd, ter gelegenheid waarvan de Staten aan Het Loo nogmaals de rechten van hoge heerlijkheid schonken. Dit keer was de hoge en lage jurisdictie niet alleen aan de mannelijke Oranjes voorbehouden, ook de vrouwelijke nakomelingen en Willem IV's echtgenote konden hier eventueel een aanspraak op doen gelden. In opdracht van de Staten van Gelderland en de Domeinraad werden in het najaar van 1748 de grenzen van de hoge jurisdictie van Het Loo nauwkeurig bepaald door Lubbert Adolph Torck, heer van Roozendael, en de raad De Beaufort. De grenzen werden nu uitgebreid tot aan de beide Uddelermeren, waardoor ook het goed Hoog Buurlo en de Hoogsoerense bossen tot het domein gingen behoren. Een afbakening met palen, voorzien van het wapen van de prins, kwam in 1752 gereed. (

      Van Everdingen, Het Loo, p. 128. Zie ook NDR inv.nrs. 3643-3646,3664.

      )

      De prins bezat het jus patronatus voor de kerk te Apeldoorn sinds 1750 en in Beekbergen sedert 1756. (

      Zie NDR inv.nr. 764, folio 65-66 en 105.

      )

      Functionarissen benoemd door de prins

      De prins had in Het Loo de volgende ambten te begeven:

      (

      Zie NDR inv. nr. 799, folio 44-46. Deze lijst dateert uit 1759. Voor een overzicht van de verschillende personen die deze funkties hebben bekleed zie de serie Heerlijkheden in de provinciën, NDR inv.nrs 598-625 en 686.

      )

      • Drossaard en stadhouder der lenen
      • Kastelein van het huis
      • Opzichter van de Konijnwarande te Hoog Buurlo
      • Opzichter van de Konijnwarande op Het Loo
      • Rentmeester
      • Schut en opziender van het wild op de Veluwe
      • Directeur en hovenier der tuinen
      • Fontainier op Het Loo
      • Fontain Knecht
      • Schut en opziender van het park en wildbaan
      • Faisantier van het park en wildbaan
      • Kooiman van de eendekooi
      • Onderhouder van de gras en griendwerken
      • Assistent van de faisantier
      • Opzichter van de volgiere [volière]
      • Kastelein op Hoogsoeren
      • Schout en ontvanger
      • Secretaris
      • Opzichter van de brandspuit
      • Ontvanger der verpondingen en ambtslasten
      • Bewoonster en opzichtster van het jachthuis te Putten
      • Oudste of de zes schepen
      • Opzichter van de jacht en wildbaan op het Uddelerveld en van het meer en de visserijen
      • Opzichter van het jachthuis en de stal op Hoogsoeren
      • Opzichter over de bossen en het park van Het Loo
      • Opzichter van de jacht
      • Architect op Het Loo en Dieren

      In deze lijst ontbreken, voor zo ver bekend, de koster in Apeldoorn, die ook door de prins werd aangesteld. (

      NDR inv. nr. 764, folio 65-66.

      ) Verder had de prins in Loenen het recht van begeving van de ambten van koster, schoolmeester en voorzanger. (

      NDR inv. nr.. 3727.

      )
      De koster ontving hiervoor geen tractement (verzoek hiertoe afgewezen bij resolutie 1 december 1766), maar genoot inkomsten uit het Loenderbos (fl2,- tot fl5,- jaarlijks) en van de classis van Nederveluwe f80,-. (

      Deze specifieke informatie over Loenen, niet onder het Loo, maar onder het lemma Loenen': NDR inv.nr. 766, folio 1051-1052.

      )

      De heerlijkheid Het Loo was toevertrouwd aan een drossaard en vijf schepenen, aangesteld bij de hernieuwing van de hoge heerlijkheid in 1748. De drossaard Schimmelpenninck van der Oyen genoot toen een tractement van f400,-; de schepenen ieder f60,- net zo als de secretaris van het gerechtshof en de schout. De schout fungeerde als plaatsvervanger van de drossaard en de secretaris.

      Verder was er nog een speciale ontvanger aangesteld voor de verpondingen, heerlijkheidslasten, 40e penning van het collateraal en 50e penning van de verkochte goederen. (

      Zie niet alleen NDR inv.nr. 766, maar ook inv.nr. 767, folio 1216-1217.

      )

      De drossaard werd bij het gerechtshof bijgestaan door een fiscaal en een schrijver. Tenslotte waren er enige advocaten gekwalificeerd om voor het gerechtshof op te treden. De ontvanger, diens knecht, de schout, de schepenen en de secretaris: zij allen ontvingen een gedeelte uit de opbrengsten van de verpondingen en de heerlijkheidslasten.

      Beheer

      De eerste twee rentmeesters voor Het Loo, Sluijter en Wentholt, waren tevens rentmeester van het domein Dieren. Vanaf 1766 was de rentmeester van Het Loo ook houtrigter van het Hoogsoerense bos, de Markt en de Heege. Hiervoor hield hij een aparte rekening bij.

      Rentmeesters van Het loo

      Matthias Sluijter1685-1724
      Willem Wentholt1727-1742
      Johan Hendrik Roschet sr.1743-1760
      Johan Hendrik Roschet jr. 1760-1796
      A. Gelderman1798-1807
      Jan Louis Timon baron van Tengnagel1808-1809
      [jaren betreffen het jaar van benoeming en jaar van af treden hetzij door vrijwillige afstand hetzij door de dood; weduwen, executeurs en gemachtigden zijn hier niet opgenomen, evenmin zijn hun ambtsjaren getrokken bij de periode van de rentmeester in kwestie zoals Spork dat gedaan heeft.]

      Verantwoording over de landerijen in Hoogsoeren geschiedde ieder jaar bij toerbeurt door een van de twee houtrigters.

      Aanwijzingen voor de gebruiker

      De eerste rekening voor Het Loo dateert uit 1685; vanaf 1687 is de jaarlijkse serie kompleet tot en met 1810. De rekeningen van de houtrigters van het Hoogsoerense bos, de Markt en Heege starten in 1765, een jaar voor de grote aankoop, en lopen ook tot 1810, met alleen een onderbreking in het jaar 1767.

      In iedere rekening worden eerst de inkomsten en vervolgens de uitgaven vermeld. Door de jaren heen verandert er niet veel aan de verschillende posten. De inhoudsopgave van een rekening van de rentmeester van Het Loo uit 1761 is hier als willekeurig voorbeeld gekozen (zie bijlage). Nadat de rentmeester/houtrigter zijn rekening in tweevoud bij de Domeinraad heeft ingeleverd, wordt de rekening in Den Haag als alles in orde is gehoord en gesloten. De thesaurier-generaal schrijft daarna het saldo (meestal overtreffen de uitgaven de inkomsten) in zijn generale rekening. Tussen het afsluiten van de rekening en het bijschrijven van het saldo in de generale rekening kan soms een periode van een jaar zitten.

      Soms is er sprake van geëxtendeerde rekeningen, waarin uitgebreid de tot het domein behorende goederen en rechten worden aangegeven. In de overige rekeningen wordt voor een omschrijving telkens naar zo'n geëxtendeerde rekening verwezen.

      In de eerste rekening van de rentmeester of houtrigter treft men doorgaans een kopie van zijn commissie aan en tevens stukken betreffende zijn borg. Voor de rekeningen van de eerste rentmeesters, Sluijter en Wentholt, raadplege men de rekeningen van Dieren. Het komt voor dat de akte van borgtocht na een aantal jaren hernieuwd moet worden. Van een dergelijke hernieuwing treft men ook stukken in de rekening van het desbetreffende jaar aan.

      De rekeningen van de houtrigters van Hoogsoeren lopen van Pasen tot Pasen.

      Elders berustende stukken behorende tot het archief van Het Loo

      • In de collectie stukken afkomstig van de rentmeesters van de voormalige Nassause domeinen (inventaris van A.P. van Schilfgaarde uit 1953) een aantal rekeningen van rentmeesters van Het Loo onder de inv.nrs. 208-241. Het betreft rekeningen uit de jaren 1727 -1788 en voor het merendeel rendantsexemplaren.

      • Collectie Hingman (VTH), 1868. Kaart van het paleis en park van Het Loo 0,54m0,65m, 18e eeuw, gemaakt door C.P. van Staden. Zie: Bijdragen en Mededelingen LXXX1I (1991), p. 52 e.v.
      • Collectie Hingman Supplement VTHR 467. Kaart van het domein Het Loo, 1812, P. Broekhoven jr., 104 bij 127 cm.

      • Caart der Limiten van de Hooge en Vrije Heerlyckhydt van Het Loo, getekend door de landmeter W. Leenen in 1748.
      Literatuur Voor de belangrijkste literatuur betreffende Het Loo wordt verwezen naar: Louise van Everdingen, Het Loo, de Oranjes en de jacht. Haarlem, 1984.

      Een greep hieruit:

      Alberts A.A, Leven op de Rand. Uit de geschiedenis van Apeldoorn. Den Haag, 1973. Asbeck J.B. baron van en E.M. L.E. Erkelens, De restauratie van Het loo van Paleis tot Museum. Den Haag, 1976. Booy, Th., Het is stil op Het Loo. Amsterdam, 1963. Drost J., Korte Historische schets van Uddel en omgeving. Apeldoorn, 1971. Hoefer, F.A., ' Mededelingen omtrent Het Oude Loo en den Cannenburch', in: Werken Vereniging Gelre, VII, Arnhem, 1908. Kramer, F.J.L., Het koninklijk park Het Loo. Amsterdam, 1909 Langenbergh-Parqui, E.Y.J., Terugblik op het oude heidegehucht Hoog-Soeren. Apeldoorn, 1983.
  • openDEEL 13 AANHANGSEL

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in