gahetNA in het Nationaal Archief

Nassause Domeinraad vanaf 1581

1.08.11
Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.11
Auteur: Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
(c)

Periode:

1218-1842
merendeel 1581-1811

Omvang:

488,25 meter; 16861 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Latijn , Frans en het Duits

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten. Kennis van het 13e t/m 18e eeuwse handschrift is noodzakelijk: de Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Nassause Domeinraad was het bestuurscollege dat het beheer over de domeinen van de familie Oranje-Nassau uitoefende. Deze landgoederen strekten zich uit over het gehele territorium van de Republiek, maar lagen overwegend in Holland, Zeeland, (Noord-)Brabant en Gelderland. Ook in Duitsland, Luxemburg en Frankrijk (vnl. het prinsdom Orange) had men bezittingen. Oorspronkelijk was de domeinraad gevestigd te Breda en later vanaf eind zestiende, begin zeventiende eeuw te Den Haag aan het Binnenhof. De Raad- en Rekenkamer, zoals zij ook wel werd genoemd, telde vijf tot zeven leden met daarnaast een griffier of secretaris als belangrijkste ambtenaar.
Het beheer van de goederen vergde een uitgebreide verantwoording door tal van rentmeesters die ter plekke waren belast met o.a. het toezicht op heerlijke rechten, als bijvoorbeeld het recht op de wind of op de visvangst. Al deze rechten en bevoegdheden leverden bij elkaar aanzienlijke inkomsten op ter bekostiging van de hofhouding (paleizen, kunstcollectie e.d.). Voor het verdere beheer was in elk domein tevens een grote hoeveelheid functionarissen aangesteld variërend van hoveniers tot predikanten. Dit gold eveneens het terrein van bestuur en rechtspraak met de aanstelling van schout en schepenen.
Het archief bevat de notulen van de domeinraad; thesauriersrekeningen (m.b.t. de uitgaven) en het ambtboek met gegevens over aanstellingen in elk domein. Verder zijn er per domein reeksen rentmeestersrekeningen, gebundelde correspondentie over tal van onderwerpen van bestuurlijk-juridische aard en losse stukken (meestal met een financiële inslag). Op een aantal series bestaan zowel eigentijdse als latere nadere toegangen.

Archiefvormers:

  • Aalst, heer van
  • Acquoy, Heer van
  • Agentschap van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Ameland, Heer van
  • Antwerpen, Burggraaf van
  • Baarle-Nassau, Heer van
  • Baarn, Heer van
  • Bentheim, Heer van
  • Bergen op Zoom, Heer van
  • Borculo, Heer van
  • Borsele, Heer van
  • Bourgogne, Heer van
  • Boxmeer, Heer van
  • Bracque, Heer van De
  • Breda, Heer van
  • Bredevoord, Heer van
  • Brussel, Paleis te
  • Buren, Graaf van
  • Bütgenbach, Heer van
  • College van Administratie der Goederen in Holland gelegen van de Prins van Oranje
  • College van Administratie over de door de Fransen geabandonneerde Goederen van de Vorst van Nassau
  • Cortenbach, Heer van
  • Cortgene, Heer van
  • Cranendonk en Eindhoven, Baron van
  • Culemborg, Heer van
  • Dasburg, Heer van
  • Dieren, Heer van
  • Diest, Heer van
  • Directie der Publieke Domeinen en Geestelijke Goederen
  • Directie der Staatsdomeinen in Holland
  • Dongen, Heer van
  • Eemnes, Heer van
  • Friesland, Heer van
  • Geertruidenberg, Heer van
  • Geertruidenberg, Kastelein van
  • Gorzen Orizand, Heer van
  • Grave en Cuijk, Heer van
  • Gravenhage, 's, Oude Hof in het Noordeinde
  • Gravenhage,'s, Huis Den Bosch
  • Grimbergen, Heer van
  • Het Loo, Heer van
  • Hohenlohe, Van
  • Holede, Heer van
  • Hulsterambacht, Heer van
  • IJsselstein, Heer van
  • Intendant van de Nassause Domeinen in de Zuidelijke Nederlanden
  • Kruidberg, Hofstede de
  • Lannoy, Heer van
  • Leerdam, Graaf van
  • Lek, Heer van de
  • Lekkerkerk, Heer van
  • Lichtenvoorde, Heer van
  • Liesveld, Heer van
  • Lingen, Heer van
  • Meerhout, Heer van
  • Meurs, Graaf van
  • Ministerie van Financiën, Administratie der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Monster, Heer van
  • Monsterambacht, Heer van
  • Montfort, Heer van
  • Naaldwijk, Heer van
  • Nassau, Van
  • Nassause Domeinraad
  • Nassause Domeinraad, Ontvanger-Generaal
  • Nassause Domeinraad, Thesaurier en Rentmeester-Generaal der Domeinen
  • Nederheim, Heer van
  • Neerem, Heer van
  • Niervaart, Heer van
  • Nieuwburg, Huis ter
  • Nispen, Heer van
  • Noord-Beveland, Heer van
  • Oosterhout, Heer van
  • Oploo, Heer van
  • Orange, Prince d'
  • Orange, Prins van
  • Oranje, Van
  • Oranje-Nassau, Van
  • Paifve, Heer van
  • Peen, Heer van
  • Polanen, Heer van
  • Princeland, Heer van
  • Prinsenland, Heer van
  • Raad en Rekenkamer
  • Ravestein, Heer van
  • Rollencourt, Heer van
  • Roosendaal, Heer van
  • Russon, Heer van
  • Rutten, Heer van
  • Scherpenisse, Heer van
  • Secretariaat van Staat voor de Financiën, Secretarie de Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Sichem, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Kapittel van Sint Maarten
  • Soest, Heer van
  • Soestdijk, Heer van
  • St. Vith, Heer van
  • Stadhouders van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel
  • Steenbergen, Heer van
  • Steenwijk, Heer van
  • Ter Eem, Heer van
  • Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Tholen, Heer van
  • Veere, Markies van
  • Vianden, Graaf van
  • Vlissingen, Heer van
  • Vorst, Heer van
  • Vriesland, Heer van
  • Wernhout, Heer van
  • Westcappel, Heer van
  • Westland, Heer van
  • Willemstad, Heer van
  • Zelhem, Heer van
  • Zevenbergen, Heer van
  • Zichem, Heer van
  • Zuid-Beveland, Heer van
  • Zwaluwe, Heer van

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • Verwerving

      Eeuwenlang waren de Cammingha's heren van Ameland, tot deze Amelander tak in 1680 uitstierf. Ameland behoorde toen korte tijd toe aan de Schwartzenbergs. Goslinga en Burmania Schwartzenberg verkochten de vrije heerlijkheid Ameland in 1704 aan prinses Henriette Amalia van Anhalt-Dessau. (

      NDR inv. Nr. 764, folio 54r

      )Sindsdien behoorde Ameland tot het bezit van de Friese Nassaus. In 1795 werden de heerlijke rechten verbeurd verklaard en Ameland bij de provincie Friesland gevoegd. Het bestuur van Ameland bleef echter op de oude voet voortgaan. Pas in 1798 werd er op Ameland een gemeentebestuur geïnstalleerd, nadat de belangrijkste opponenten waren gearresteerd. In 1801 werd Ameland officieel gevoegd bij de provincie Friesland en kwam een eind aan haar formele onafhankelijkheid. (

      Jan Houwink, De Staatkundige en Rechtsgeschiedenis van Ameland tot deze eeuw (Leiden, 1899), pp 91 e v.

      )
      Ameland als domein viel evenals de overige domeinen van de Oranje-Nassaus onder het beheer van de gecentraliseerde administratie.

      Grondgebied en benaming

      Het eiland Ameland was een vrije heerlijkheid. Dat hield in dat Ameland rechtstreeks in leen werd gehouden van de keizer. Deze leenverhouding was nog slechts in naam, in de praktijk was er geen bemoeienis van of met de keizer. Ameland behoorde formeel niet tot de Republiek. Wel stond Ameland onder beschermheerschap van de Staten-Generaal en van de Staten van Friesland. De heren van Ameland waren als persoon overigens wel onderdanen van de Republiek.

      In een opzicht was Ameland de Republiek, en dus ook Friesland, ver vooruit: er was geen discriminatie op basis van kerkelijke gezindheid. De hervormden, de doopsgezinden, de rooms-katholieken: ze hadden dezelfde vrijheden en rechten.

      De drie belangrijkste dorpen op Ameland waren Nes, Hollum, Ballum. De bevolking op Ameland voorzag in het levensonderhoud door de visserij, zeevaart, veeteelt. Ook werd op Ameland de veefokkerij beoefend. Ameland stond ook bekend om de paardenfokkerij. Deze bedrijvigheid werd gestimuleerd door de vestiging van een prinselijke stoeterij op het eiland. (

      F. Allan, Het eiland Ameland en zijne bewoners (Amsterdam, 1857), pp 12 e v

      )

      Rechten en bevoegdheden

      Als vrije en soevereine heer van Ameland hadden de Nassaus de hoge en de lage jurisdictie. De heer van Ameland had benoemingsrecht van alle functionarissen. De vroedschappen werden door hem benoemd uit een dubbelgetal van 12 personen.

      Omdat Ameland een vrije heerlijkheid was, was beroep op vonnissen alleen mogelijk bij de heer. Bij de behandeling van belangrijke zaken in de criminele justitie diende het advies van een pensionaris te worden ingewonnen. Deze werd benoemd door de heer. Ook werd wel het advies van Friese rechtsgeleerden ingewonnen. In de rechtsbedeling gold het in Friesland gangbare recht; krachtens een besluit der Staten-Generaal van 1620 werden tevens de Friese statuten - in eigen redactie dan - overgenomen. (

      Houwink, De Staatkundige en Rechtsgeschiedenis, pp. 110 e.v.

      )

      Op Ameland werden noch generaliteits-, noch gewestelijke lasten geheven. Wel stonden de dorpsgemeenschappen de heer middelen ter dekking van de onkosten van het Landschap toe.

      De heer van Ameland had o.m. het recht op de jacht op konijnen. Aangezien deze dieren in grote aantallen op het eiland leefden, vormde de verpachting van dit recht (duinpacht genoemd) een aardige inkomstenbron. Een van de belangrijkste rechten van de heer was het strand- en zeevondrecht: het recht op een belangrijk aandeel in zee- en strandvond. Bij de uitoefening van dit recht wilde er nog wel eens het een en ander mis gaan. Goederen werden door de bergers niet aangegeven, er ontstonden geschillen over het aandeel van de heer in de vondsten, en ook de lading van schepen die (nog) niet gestrand waren werd door de bevolking aan land gebracht. (

      Houwink, De Staatkundige en Rechtsgeschiedenis, pp.115 e.v.

      )

      Benoeming van functionarissen

      Overzicht van door de prins van Oranje te begeven ambten in de heerlijkheid Ameland. (

      NDR inv.nr. 685, folio 4.

      )

      • Baljuw
      • Schout
      • Secretaris
      • Vendumeester
      • Rentmeester
      • Pensionaris
      • Kastelein van 't Slot
      • Executeur
      • Keurmeester van schapen
      • Assistenten
      • Opzichter van de stoeterij
      Beheer

      Ter plaatse werd Ameland beheerd door de rentmeester. De functie werd veelal in personele unie uitgeoefend met die van baljuw, schout, secretaris, executeur, fiscaal, etc. Deze persoon fungeerde als hoofd van de regering van Ameland.

      Het beheer van Ameland stond onder toezicht van de raad en secretaris van de prins in Leeuwarden. In 1748 werd het beheer overgedragen aan de Domeinraad te 's-Gravenhage, zij het dat de raad en secretaris de kleinere zaken zou blijven behandelen.

      Al vanaf 1745 worden er inspectiereizen gemaakt door leden van de Domeinraad. (

      NDR inv.nr. 1787, folio 1 v.

      )Na 1795 blijft het plaatselijk beheer in handen van een rentmeester onder toezicht van de administrateurs over de Nassause domeinen en hun opvolgers.

      Beheer Ter plaatse werd Ameland beheerd door de rentmeester. De functie werd veelal in personele unie uitgeoefend met die van baljuw, schout, secretaris, executeur, fiscaal, etc. Deze persoon fungeerde als hoofd van de regering van Ameland.

      Het beheer van Ameland stond onder toezicht van de raad en secretaris van de prins in Leeuwarden. In 1748 werd het beheer overgedragen aan de Domeinraad te 's-Gravenhage, zij het dat de raad en secretaris de kleinere zaken zou blijven behandelen.

      Al vanaf 1745 worden er inspectiereizen gemaakt door leden van de Domeinraad. (

      NDR inv.nr. 1787, folio 1 v.

      )Na 1795 blijft het plaatselijk beheer in handen van een rentmeester onder toezicht van de administrateurs over de Nassause domeinen en hun opvolgers.

      Tabel met zoekresultaten in archieven
      Rentmeesters van Ameland (

      Gegevens ontleend aan de rekeningen van de rentmeesters.

      )
      Gerbrandus Metz 1705-1727,
      Campegius van der Straten 1726-1761
      Pieter van der Straten 1761-1762, 1772-1779
      Michiel van Wetzens 1763-1772
      Isak Polet (plaatsvervanger van Hans Willem van Plettenburg) 1780-1785
      jhr. Julius van Burmania 1786-1799
      Willem Aufmorth, genaamd Oppenaarth 1800-1805
      G.F. van Asbeek 1806-1811
      Aanwijzingen voor de gebruiker

      Van de heerlijkheid Ameland zijn complete series rekeningen bewaard gebleven (1705-1811), waardoor de sociaal-economische ontwikkeling van het eiland gedurende lange tijd gevolgd kan worden. Opvallend is de aanwezigheid van diverse retroacta bij de archiefstukken betreffende de vrije heerlijkheid Ameland. Een groot deel van deze stukken is getranscribeerd. De transcripties bevinden zich in de Collectie Handschriften van de Provinciale Bibliotheek van Friesland. Deze collectie berust in het Rijksarchief in Friesland.

      Het archief bevat ook informatie over onderwerpen van meer bestuurlijke aard, die je niet direct in een domeinarchief zou verwachten. Zo is in het archief informatie te vinden over de bewapening van Amelanders tegen de dagelijks voorbijvarende zeerovers; de neutraliteit van het eiland; de diverse geloofsgemeenschappen die naast elkaar woonden en werkten en de kortstondige onlusten die van roomse zijde hierdoor ontstonden; strandrecht en strandvonderij; en verschillende ordonnanties, al dan niet in boekvorm vastgelegd. Van Ameland zijn in dit archief slechts een paar condities van verhuur en verpachting bewaard gebleven.

      Omdat de Domeinraad pas vanaf 1748 het beheer over Ameland voerde, zijn er in de algemene series (notulen, registers van uitgaande stukken, etc.) alleen stukken van na die datum te vinden.

      Andere archieven betreffende Ameland uit deze periode berusten in het Rijksarchief in Friesland en bij de gemeente Ameland. Het gaat om de volgende archieven:

      • archief van het gerecht;
      • notarieel archief;
      • archief van de gemene weide van Nes en de Leijen;
      • archieven van de familie Van Haer, Arnoldi; inventaris door M.G.I. Nierstrasz-Ledeboer.
      • archief van het gemeentebestuur 1650-1929.
    • Verwerving

      In Friesland werd, na de dood van Willem I van Oranje, op 16 oktober 1584 graaf Willem Lodewijk van Nassau als stadhouder benoemd. Zo werd de grondslag gelegd voor het Friese stadhouderlijke geslacht, de graven, later vorsten van Nassau-Dietz (

      In 1654 schonk keizer Ferdinand III de graven van Nassau de rang van 'vorst'. Ontleend aan: A.A. Kleijn De stadhouders van Friesland (Nijkerk, 1904), p.105.

      )en weer later de prinsen van Oranje-Nassau. De Friese Nassaus hielden residentie in Leeuwarden, totdat Willem Karel Hendrik Friso als Willem IV in 1747 tot erfstadhouder der Verenigde Nederlanden werd verheven en naar 's-Gravenhage vertrok.

      De goederen in Friesland omvatten het hof en de Prinsentuin te Leeuwarden, het jacht van de prins, het huis en landerijen Oranjewoud, een huis en landerijen in De Bildt, alsmede het jachtrecht aldaar. Het eiland Ameland behoorde formeel niet tot Friesland.

      Hof en Prinsentuin te Leeuwarden

      In 1587 kochten de Staten van Friesland het aanzienlijke gebouw van de rentmeester-generaal van Friesland, Boudewijn van Loo, in het centrum van Leeuwarden. Dit gebouw werd aan de toenmalige stadhouder Willem Lodewijk, graaf van Nassau-Dietz, aangeboden als residentie, ter vervanging van een eerdere behuizing van hem. Tot aan het vertrek van Willem IV naar 's-Gravenhage fungeerde dit gebouw als stadhouderlijk hof van de Friese stadhouder. Het gebouw bleef het eigendom van Friesland. Verbouwingen en onderhoud werden door de Staten van Friesland betaald. (

      G.P.Karstkarel, 'Nassause sporen in Leeuwarden. Hofstad Leeuwarden van cl587-1765' in: jaarboek Oranje-Nassau Museum, (1985/1986), p. 59.

      )

      De Staten kochten er in 1603 het westelijk gelegen Dekemahuis bij. Dit werd de woning van de hofmeester en bood ook onderdak aan de secretarie. Tezamen bevatten de huizen, bekend staand onder de naam het hof van Leeuwarden, 37 vertrekken.

      In 1795 werd stadhouder Willem V door de Staten van Friesland van zijn waardigheden vervallen verklaard. Het hof werd gebruikt voor andere bestemmingen dan de huisvesting van de stadhouder. Het huis diende achtereenvolgens tot weeshuis, school en hospitaal, waarna het aan particulieren werd verkocht en verbouwd. Koning Willem I kocht het in 1814 terug. (

      W. Eekhoff, Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden (Leeuwarden, 1846), II, p. 295.

      )Koning Willem III gaf het in 1880 aan de Staat in bruikleen onder voorwaarde, dat het tot woning van de Commissaris van de Koning in de provincie Friesland zou dienen. Koningin Juliana verkocht het ten slotte in 1971 aan de gemeente Leeuwarden. (

      Karstkarel, 'Nassause sporen', pp. 61 e.v.

      )

      In 1648 ontving Willem Frederik van de stad Leeuwarden het gebruik van grond gelegen in de Doelendwinger, te gebruiken als tuin. In de loop van de tijd werd deze tuin, nu bekend onder de naam 'Prinsentuin', uitgebreid en verfraaid.

      Na 1795 meende de stad Leeuwarden eigenaar van de tuin te zijn. De tuin werd echter beheerd als nationaal eigendom door de administratie van de domeinen, de opvolgers van de Nassause Domeinraad. Na 1813 bleef de Prinsentuin in beheer van het rijk. Toen de tuin verkocht dreigde te worden, verzocht het gemeentebestuur aan koning Willem I de tuin te behouden. Bij Koninklijk Besluit van 21 mei 1819 werd Leeuwarden in het bezit van de Prinsentuin gesteld. (

      Eekhoff, Geschiedkundige beschrijving, pp. 309 e.v. Drs. G.P. Karstkarel, 'Nassause sporen in Leeuwarden III. De grafkapel, gestoeltes, gedenkstenen, de Prinsentuin en Mariënburg' in: Jaarboek Oranje-Nassau Museum (1989), p 63-88.

      )

      Buitenplaats Oranjewoud

      De buitenplaats Oranjewoud kwam door vererving in het bezit van het huis van Oranje-Nassau, toen Johan Willem Friso bij zijn meerderjarigheid het beheer van Oranjewoud overnam van zijn moeder prinses Henriette Amalia van Anhalt-Dessau. (

      Drs. R.L P. Mulder-Radetzky en B H de Vries, Geschiedenis van het Oranjewoud: van vorstelijk lustslot tot voorname buitenplaatsen (Alphen aan de Rijn, 1989), p.17.

      )

      Het bezit was afkomstig van Albertina Agnes, prinses van Oranje en weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau. Deze kocht in 1676 nabij Heerenveen van Barent Sevenaer een 'huizinge' annex boerenbedrijf aan dat sedert 1681 bekend zou staan als het buitenverblijf Oranjewoud. (

      Zie A.L. Heerma van Voss, 'De Friese stadhouders uit het huis Nassau en hun residentieverblijven' in: De Vrije Fries, 44 (1960), p. 86.

      )Zij verbleef vaak op het landgoed, vooral na de meerderjarigheid van haar zoon Hendrik Casimir II. Na haar dood in 1695 erfde haar schoondochter Henriette Amalia van Anhalt-Dessau het landgoed. (

      Mulder-Radetzky, Geschiedenis van het Oranjewoud, p. 13.

      )
      Na haar vertrek naar Dietz nam haar zoon Johan Willem Friso het beheer over en maakte het landgoed deel uit van de goederen van het huis Oranje-Nassau.

      In 1795 kwam Oranjewoud eerst onder beheer van de Provisionele Representanten in Friesland. Vanaf 1796 kwam het onder beheer van de centrale overheid. Tot 1812 werden delen van het landgoed verkocht, waaronder ook het lustslot (de oostvleugel in 1803, de westvleugel in 1805). Het slot werd afgebroken. In 1813 volgde de finale verkoop.

      Op dit gebied en in de omgeving ontstonden in de 19e eeuw nieuwe buitens, waarvan enkele nog steeds te bewonderen zijn. (

      Mulder-Radetzky, Geschiedenis van het Oranjewoud, pp. 47-48.

      )

      Hof te Groningen

      In Groningen bezat de stadhouder een residentie, die hem ter beschikking was gesteld door de Staten van Groningen. Alleen de meubelen in het hof waren het eigendom van de prins van Oranje. Deze werden 'beheerd' door de secretaris in Leeuwarden, onder toezicht van de Domeinraad.

      Bewoning

      Hof te Leeuwarden

      Graaf Willem Lodewijk van Nassau-Dietz vestigde zich na zijn huwelijk in november 1587 met prinses Anna van Oranje, dochter van Willem I in het hof. Ook zijn opvolgers, zijn broer Ernst Casimir, diens zoon Hendrik Casimir, Willem Frederik, Hendrik Casimir II bewoonden met hun gezinnen het hof te Leeuwarden.

      Met het oog op het aanstaande huwelijk van Johan Willem Friso (1687-1711) werd in 1708 het stadhouderlijk hof in Leeuwarden gemoderniseerd. De plannen werden gemaakt door de architect Daniël Marot, die ook werkzaam was als hofarchitect voor stadhouder-koning Willem III van Oranje. Het verbouwingsplan uit 1709 voor het stadhouderlijk hof te Leeuwarden werd echter niet geheel uitgevoerd. De uitvoering van de verbouwingsplannen was ook afhankelijk van de financiële middelen die Friesland daarvoor ter beschikking wilde stellen.

      De volgende verbouwing vond plaats ter gelegenheid van Willem Karel Hendrik Friso's huwelijk met Anna van Hannover in Londen op 25 maart 1734. Na zijn verheffing tot algemeen erfstadhouder der Verenigde Nederlanden verruilde prins Willem IV Leeuwarden als woonplaats voor Den Haag. Het stadhouderlijk hof bleef wel fungeren als logeeradres voor de stadhouderiijke familie. Nog aan het einde van het stadhouderlijke tijdperk onderging het hof te Leeuwarden een ingrijpende verbouwing, waardoor de voorgevels het uiterlijk kregen, dat in grote trekken overeenkomt met de huidige toestand. (

      Eekhoff, Geschiedkundige beschrijving, pp. 295 e.v.; Karstkarel, 'Hofstad Leeuwarden', pp 30-63.

      )

      Buitenplaats Oranjewoud

      Het Oranjewoud bestond uit een aantal boerderijen en landerijen. Prinses Albertina Agnes bracht enkele wijzigingen aan het voormalige huis van Van Sevenaer aan. Ook liet zij tuinen aanleggen.

      Prinses Henriette Amalia van Anhalt-Dessau, regentes voor Johan Willem Friso, liet op het landgoed een nieuw lustslot bouwen, naar een ontwerp van Daniël Marot. Het oude huis bleef staan, het nieuwe zou uit een hoofdgebouw met twee vleugels bestaan. De bouw nam een aanvang in 1703. De beide vleugels kwamen tot stand, maar het hoofdgebouw is nooit afgebouwd. Onduidelijk is of de oorzaak hiervoor gevonden moet worden in de plotselinge verdrinkingsdood van Johan Willem Friso, of in de beschikbaarheid van de finandele middelen.(

      NDR inv.nr. 1108, folio 31. Mulder-Radetzky, Geschiedenis van het Oranjewoud, p 20.

      )

      Ook werden, waarschijnlijk naar het ontwerp van Daniël Marot, tuinen aangelegd.

      Voor 1747 verbleven Willem Karel Hendrik Friso en Anna van Hannover 's-zomers op Oranjewoud of Het Loo. Toen in 1747 deze Friese stadhouder als Willem IV tot algemeen stadhouder werd verkozen, werd de Friese hofhouding aanmerkelijk gereduceerd. Na hun vestiging in Den Haag kwamen zij zelden meer in Friesland. 'De verheffing van Willem IV werd daarmee de val van Oranjewoud'. (

      J. Hepkema, 'Het Oranjewoud als voormalig vorstelijk buitenverblijf in: De Friesche Volksalmanak (1896), p. 28.

      )

      Beheer

      Het beheer over de verblijven in Friesland, tot 1754, werd gevoerd door de hofmeester van de Friese Nassaus en door de raad en secretaris.

      Prinses Albertina Agnes, eigenaresse van Oranjewoud, stelde een opziender en controleur aan voor het beheer over Oranjewoud en de bijbehorende boerderijen. De prinses werd bij het beheer geadviseerd door de hofmeester van de Nassaus, Philips Ernst Vegelin van Claerbergen. (

      Mulder-Radetzky, Geschiedenis van het Oranjewoud, p. 10.

      )

      In de 18e eeuw werd Oranjewoud beheerd door een administrateur, tevens tuinman. Deze stond eveneens onder toezicht van de hofmeester, nu Dirk van Lynden van der Parck. Na diens vertrek nam raad en secretaris Arnoldi deze taak over. Als gevolg van de verhuizing naar 's-Gravenhage in 1747, werd de Friese hofhouding aanmerkelijk gereduceerd en volgde een deel van het personeel zijn werkgever naar Den Haag. De administratie en het beheer over de goederen in Friesland werden in 1754 aan de Domeinraad overgedragen. Raad en secretaris Arnoldi bleef in Leeuwarden achter en adviseerde de Domeinraad over het beheer van de Friese goederen. (

      R. Bijlsma en E. Hoogendijk, 'Beschrijving eener verzameling stukken, behorende tot het Friesche Stadhouderlijk Archief in: IRA (1928), p. 38; Mulder-Radetzky, Geschiedenis van het Oranjewoud, pp 10, 41-43.

      )

      Na de dood van Arnoldi in 1777 werd er geen nieuwe secretaris meer aangesteld. Er was nog te weinig te doen om de aanstelling van een secretaris te rechtvaardigen. (

      NDR inv.nr. 1787, verbaal van 1759, p 17.

      )Wel resideerde in Leeuwarden een klerk ter thesaurie, Hemsing, die klusjes opknapte, de tractementen van prins Willem V in de drie noordelijke provincies inde: kortom als contactpersoon fungeerde. (

      NDR inv.nr. 1999.

      )

      In 1777 werd het archief van de stadhouder vanuit Leeuwarden overgebracht naar Den Haag.

      De inkomsten van De Bildt werden beheerd door de secretaris van de grietenij Het Bildt, die om de 2 à  3 jaren de inkomsten en uitgaven verrekende met de secretaris Arnoldi. (

      NDR inv.nr. 1787, p. 27. Verbaal over het jaar 1759.

      )

      Functionarissen (

      NDR inv. nr. 685 folio 80.

      )

      De functionarissen in Friesland waren allen functionarissen in dienst van de Friese Nassaus.

      • Raad, secretaris en tresorier te Leeuwarden
      • Kastelein te Leeuwarden
      • Tuinman te Leeuwarden en op Oranjewoud
      • Architect te Leeuwarden en op Oranjewoud
      • Kastelein op Oranjewoud
      • Jager op Oranjewoud
      • Jager op Het Bildt
      • Turfdrager
      • Kapitein op het binnenjacht van de prins

      Aanwijzingen voor de gebruiker In deze rubriek staan de stukken betreffende de goederen in Friesland beschreven. Het merendeel van deze stukken betreffen Oranjewoud. De stadhouder had als gebruiker van het hof te Leeuwarden slechts in beperkte mate van doen met het onderhoud, financiering, e.d.

      Wat het domein Oranjewoud betreft is een aantal condities van verpachting en verkoop uit het einde van de 18e eeuw bewaard gebleven die een zeer globaal inzicht verschaffen in het beheer van dit buitenverbiijf met zijn talloze landerijen. Verder zijn er weinig series in dit archief bewaard gebleven.

      De stukken betreffende de Friese goederen in het archief van de Domeinraad zijn voor het grootste deel van na 1754, toen de Domeinraad het beheer over de goederen verkreeg. Stukken van eerder datum zijn o.m. te vinden in:

      • het Koninklijk Huisarchief,
      • het archief van de familie Van Eysinga-VegeIin van Claerbergen (in beheer bij het Rijksarchief in Friesland).

      Inventarissen van boedels in de verblijven van de Oranjes, ook de verblijven in Friesland, zijn gepubliceerd in de volgende publikaties: Inventarissen van de inboedels in de verblijven van de Oranjes en daarmee gelijk te stellen stukken. S.W.A. Drossaers en Th. H. Lunsingh Scheurleer, ed. (Rijks geschiedkundige Publicatiën Grote Serie 147-149 (3 dln) 's-Gravenhage 1974/1976). Zie voorts:

      • Familiearchief Van der Haar, Arnoldi en van andere aanverwante families (1487) 1665-1970. Inventaris door M.G.I. Nierstrasz-Ledeboer (Leeuwarden, 1986) (Rijksarchief in Friesland)
      • Familiearchief Bieruma Oosting (Gemeentearchief Leeuwarden) [alleen voor stukken over Oranjewoud].
  • openDEEL 13 AANHANGSEL

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in