gahetNA in het Nationaal Archief

Nassause Domeinraad vanaf 1581

1.08.11
Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
This finding aid is written in Dutch.

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.11
Auteur: Onder redactie van M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997
(c)

Periode:

1218-1842
merendeel 1581-1811

Omvang:

488,25 meter; 16861 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Latijn , Frans en het Duits

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten. Kennis van het 13e t/m 18e eeuwse handschrift is noodzakelijk: de Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Nassause Domeinraad was het bestuurscollege dat het beheer over de domeinen van de familie Oranje-Nassau uitoefende. Deze landgoederen strekten zich uit over het gehele territorium van de Republiek, maar lagen overwegend in Holland, Zeeland, (Noord-)Brabant en Gelderland. Ook in Duitsland, Luxemburg en Frankrijk (vnl. het prinsdom Orange) had men bezittingen. Oorspronkelijk was de domeinraad gevestigd te Breda en later vanaf eind zestiende, begin zeventiende eeuw te Den Haag aan het Binnenhof. De Raad- en Rekenkamer, zoals zij ook wel werd genoemd, telde vijf tot zeven leden met daarnaast een griffier of secretaris als belangrijkste ambtenaar.
Het beheer van de goederen vergde een uitgebreide verantwoording door tal van rentmeesters die ter plekke waren belast met o.a. het toezicht op heerlijke rechten, als bijvoorbeeld het recht op de wind of op de visvangst. Al deze rechten en bevoegdheden leverden bij elkaar aanzienlijke inkomsten op ter bekostiging van de hofhouding (paleizen, kunstcollectie e.d.). Voor het verdere beheer was in elk domein tevens een grote hoeveelheid functionarissen aangesteld variërend van hoveniers tot predikanten. Dit gold eveneens het terrein van bestuur en rechtspraak met de aanstelling van schout en schepenen.
Het archief bevat de notulen van de domeinraad; thesauriersrekeningen (m.b.t. de uitgaven) en het ambtboek met gegevens over aanstellingen in elk domein. Verder zijn er per domein reeksen rentmeestersrekeningen, gebundelde correspondentie over tal van onderwerpen van bestuurlijk-juridische aard en losse stukken (meestal met een financiële inslag). Op een aantal series bestaan zowel eigentijdse als latere nadere toegangen.

Archiefvormers:

  • Aalst, heer van
  • Acquoy, Heer van
  • Agentschap van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Ameland, Heer van
  • Antwerpen, Burggraaf van
  • Baarle-Nassau, Heer van
  • Baarn, Heer van
  • Bentheim, Heer van
  • Bergen op Zoom, Heer van
  • Borculo, Heer van
  • Borsele, Heer van
  • Bourgogne, Heer van
  • Boxmeer, Heer van
  • Bracque, Heer van De
  • Breda, Heer van
  • Bredevoord, Heer van
  • Brussel, Paleis te
  • Buren, Graaf van
  • Bütgenbach, Heer van
  • College van Administratie der Goederen in Holland gelegen van de Prins van Oranje
  • College van Administratie over de door de Fransen geabandonneerde Goederen van de Vorst van Nassau
  • Cortenbach, Heer van
  • Cortgene, Heer van
  • Cranendonk en Eindhoven, Baron van
  • Culemborg, Heer van
  • Dasburg, Heer van
  • Dieren, Heer van
  • Diest, Heer van
  • Directie der Publieke Domeinen en Geestelijke Goederen
  • Directie der Staatsdomeinen in Holland
  • Dongen, Heer van
  • Eemnes, Heer van
  • Friesland, Heer van
  • Geertruidenberg, Heer van
  • Geertruidenberg, Kastelein van
  • Gorzen Orizand, Heer van
  • Grave en Cuijk, Heer van
  • Gravenhage, 's, Oude Hof in het Noordeinde
  • Gravenhage,'s, Huis Den Bosch
  • Grimbergen, Heer van
  • Het Loo, Heer van
  • Hohenlohe, Van
  • Holede, Heer van
  • Hulsterambacht, Heer van
  • IJsselstein, Heer van
  • Intendant van de Nassause Domeinen in de Zuidelijke Nederlanden
  • Kruidberg, Hofstede de
  • Lannoy, Heer van
  • Leerdam, Graaf van
  • Lek, Heer van de
  • Lekkerkerk, Heer van
  • Lichtenvoorde, Heer van
  • Liesveld, Heer van
  • Lingen, Heer van
  • Meerhout, Heer van
  • Meurs, Graaf van
  • Ministerie van Financiën, Administratie der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Monster, Heer van
  • Monsterambacht, Heer van
  • Montfort, Heer van
  • Naaldwijk, Heer van
  • Nassau, Van
  • Nassause Domeinraad
  • Nassause Domeinraad, Ontvanger-Generaal
  • Nassause Domeinraad, Thesaurier en Rentmeester-Generaal der Domeinen
  • Nederheim, Heer van
  • Neerem, Heer van
  • Niervaart, Heer van
  • Nieuwburg, Huis ter
  • Nispen, Heer van
  • Noord-Beveland, Heer van
  • Oosterhout, Heer van
  • Oploo, Heer van
  • Orange, Prince d'
  • Orange, Prins van
  • Oranje, Van
  • Oranje-Nassau, Van
  • Paifve, Heer van
  • Peen, Heer van
  • Polanen, Heer van
  • Princeland, Heer van
  • Prinsenland, Heer van
  • Raad en Rekenkamer
  • Ravestein, Heer van
  • Rollencourt, Heer van
  • Roosendaal, Heer van
  • Russon, Heer van
  • Rutten, Heer van
  • Scherpenisse, Heer van
  • Secretariaat van Staat voor de Financiën, Secretarie de Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Sichem, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Heer van
  • Sint-Maartensdijk, Kapittel van Sint Maarten
  • Soest, Heer van
  • Soestdijk, Heer van
  • St. Vith, Heer van
  • Stadhouders van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel
  • Steenbergen, Heer van
  • Steenwijk, Heer van
  • Ter Eem, Heer van
  • Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau
  • Tholen, Heer van
  • Veere, Markies van
  • Vianden, Graaf van
  • Vlissingen, Heer van
  • Vorst, Heer van
  • Vriesland, Heer van
  • Wernhout, Heer van
  • Westcappel, Heer van
  • Westland, Heer van
  • Willemstad, Heer van
  • Zelhem, Heer van
  • Zevenbergen, Heer van
  • Zichem, Heer van
  • Zuid-Beveland, Heer van
  • Zwaluwe, Heer van

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

A. De goederen van het huis van Oranje-Nassau

"Wij Willem bij de gratie Gods Prins van Orange en Nassau, Graaf van Catzenellenbogen, Vianden, Dietz, Spiegelberg, Buren, Leerdam en Culemborg, Markies van Veere en Vlissingen, Baron van Breda, Diest, Beilstein, die stad Grave en het land van Cuijk, IJsselstein, Cranendonk, Eindhoven en Liesveld, onafhankelijk Heer van de vrije en soevereine erfheerlijkheid Ameland, Heer van Borculo, Bredevoort, Lichtenvoorde, Het Loo, Geertruidenberg, Klundert, Zevenbergen, de Hooge en Lage Zwaluwe, Naaldwijk, Polanen, St. Maartensdijk, Soest, Baarn en Ter Eem, Willemstad, Steenbergen, Montfort, St. Vith, Bütgenbach en Dasburg, Erfburggraaf van Antwerpen etc. etc." Zo begint een van de vele oorkondes van Willem V waaruit blijkt hoe omvangrijk, hoe verscheiden en hoe verspreid het goederenbezit van de Oranjes aan het einde van de achttiende eeuw was. Dit bezit was vanaf de vijftiende eeuw door vererving, schenking of koop in de familie gekomen, hoewel er tussentijds ook gedeelten weer verloren gingen (zie tabel 1). De grondslag voor dit goederenbezit werd gelegd door Engelbrecht van Nassau (ca. 1370-1442) die als eerste graaf van Nassau zijn intrede deed in de Nederlanden. Hij trouwde in 1403 met Johanna, erfdochter van het rijke bezit der Polanens. De belangrijkste goederen van dit geslacht lagen in het westen van de huidige provincie Noord-Brabant.

Een andere grondlegger van de bezittingen van de Nassaus was graaf René van Chalon (1519-1544). In 1528 erfde hij alle bezittingen en rechten van het huis van Oranje en Chalon, met de titel 'prins van Oranje'. René van Chalon stierf reeds op 25-jarige leeftijd. Erfgenaam van zijn omvangrijke bezit was zijn neef, die aldus -elf jaar oud- prins van Oranje mocht noemen. Willem van Oranje huwde tot vier maal toe, maar voor zijn goederenbezit was vooral zijn huwelijk met Anna gravin van Buren in 1551 van belang. Door dit huwelijk werd zijn bezit nog eens aanzienlijk vergroot.

1584-1609

Na de moord op prins Willem in 1584 ontstond er onenigheid over de erfenis tussen zijn drie zonen Philips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. De erfeniskwestie speelde zich af in een tijd dat het gebied in Brabant, waarin de belangrijkste bezittingen van de Nassaus lagen, frontgebied in de oorlog tegen Spanje was. Mede daardoor was het bezit van en de controle over de nalatenschap niet alleen een particuliere kwestie, maar speelden politieke belangen een rol. De goederen in het door Spanje gecontroleerde gebied waren geconfisqueerd door de Spaanse overheid.

De geschillen over de erfenis spitsten zich vooral toe op de goederen in Brabant, met name Breda en Steenbergen. Samen met Maria, de oudste dochter van Willem van Oranje uit zijn eerste huwelijk met Anna van Egmond, had Philips Willem, oudste zoon van Willem, de krachtigste aanspraken op (delen uit) de erfenis als gevolg van het devolutierecht. Dit recht bevoordeelde bij erfenis de kinderen uit een eerste huwelijk boven de kinderen uit volgende huwelijken en gold met name in het Brabantse erfrecht. Het had tot gevolg dat Philips Willem, naast de goederen van zijn moeder afkomstig, recht had op Diest, Breda, Grimbergen en Cranendonk, zonder deze te hoeven delen met de 'nakinderen'(

Dr. P. Scherft, 'Philips Willem, een displaced person' in: Jaarboek vereniging 'Oranje-Nassau Museum' (1980), p. 36.

). In het politieke krachtenveld tussen de Republiek en Spanje nam Philips Willem een kwetsbare positie in. Op 13-jarige leeftijd door Philips II in gijzeling genomen en sindsdien in Spanje verblijvend, werd hij meer geïdentificeerd met de Spaanse zaak dan met die van de Republiek. Zijn goederen in het gebied van de Republiek werden voor hem beheerd door zijn zuster Maria. Zijn goederen in het gebied van Spanje werden door zijn door de Spaanse koning aangestelde 'voogden' Karel van Berlaymont en Philips van Ongnyes beheerd.

Na de inname van Breda in 1590 beheerde Maurits, met toestemming van de Staten-Generaal en tegen de zin van Maria, de bezittingen van Philips Willem(

C.M. van der Kemp, Maurits van Nassau, prins van Oranje, in zijn leven, waardigheden en verdiensten (Rotterdam, 1843), pp. 120 e.v.

).

Na het overlijden in 1601 van Pijll, de nog in functie zijnde curator van het sterfhuis, trok Maurits ook de administratie van de nog ongedeelde boedel uit de nalatenschap van zijn vader naar zich toe, met uitzondering dus van de goederen afkomstig van Anna van Buren en Orange. Uit de opbrengsten betaalde hij de rechthebbenden, onder wie Louise de Coligny, de weduwe van Willem I, hun toelagen.

In 1603 wees Philips Willem zijn halfbroer Maurits aan tot zijn universeel erfgenaam, waarschijnlijk in het kader van de onderhandelingen met de Franse koning over het Prinsdom Orange.(

J.P. van den Cappelle, Philips Willem, prins van Oranje (Haarlem, 1828), pp. 75

)

In 1606 sloot Maria een overeenkomst met Philips Willem, die inmiddels uit de Spaanse gijzeling was bevrijd. Hierin stond zij aan hem alle goederen afkomstig van hun moeder Anna van Egmond af tegen een jaarrente van 10.000 gulden. In datzelfde jaar besloten de Staten-Generaal om Philips Willem in het vrije bezit van zijn goederen in Brabant: Breda, Oosterhout en Steenbergen te stellen. Tot een ongestoorde uitvoering van deze resolutie kwam het niet, omdat Maurits Philips Willem in de uitoefening van zijn rechten dwarsboomde.(

P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje (Leiden, 1966) pp. 249 e.v. en C.M. van der Kemp, Maurits van Nassau III, p. 56.

)

Dit werd in 1609 met een 'Tractaat van Partage' opgelost. Hoewel ook de dochters van Willem I aanspraken maakten op de erfenis, waren zij geen deelnemers in de uiteindelijke verdeling van de boedel. Hun aanspraken werden via hun broers geregeld. Ieder van de broers had de verplichting een zeker deel van de jaargelden aan zijn zussen en/of moeder te voldoen. De dochters van Charlotte de Bourbon ontvingen de bezittingen in Bourgondië.

Philips Willem werd erkend als eigenaar van Orange, alle goederen in Franche-Comté en Vlaanderen. Ook kreeg hij alle bezittingen onder de Franse kroon, behalve dus de goederen in Bourgondië, en in Brabant, behalve Grave en Cuijk. Maurits verkreeg het markiezaat van Veere, de heerlijkheden Niervaart en de Lek en Grave en het land van Cuijk. Frederik Hendrik behield Geertruidenberg, de Hooge en Laage Zwaluwe en de visserijen in de Grote Waard.(

P. Scheft, Het Sterfhuis, p. 272 e.v.

)

Uiteindelijk kreeg Frederik Hendrik na de dood van Maurits in 1625 alle goederen in zijn bezit.

1702-1734

Na de dood van koning-stadhouder Willem III in 1702 dreigde het bezit van het huis Oranje-Nassau voor een groot deel in handen van de koning van Pruisen te komen. Frederik I, koning van Pruisen, maakte aanspraak op de erfenis van Willem III op grond van het testament van Frederik Hendrik. Hij was via zijn moeder, de oudste dochter van Frederik Hendrik, verwant aan het huis van Oranje. Willem III had echter zijn neef, de Friese stadhouder Johan Willem Friso, tot universeel erfgenaam benoemd.(

Zie hierover: W.A. Ridder van Rappard, 'De aanspraken van Frederik I van Pruisen op de erfenis van de koning-stadhouder Willem III' in Tijdschrift voor Geschiedenis 79/2 (1966); G.J. Rive, Schets der staatkundige betrekkingen tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en het koningrijk Pruissen, tot het huwelijk van Prins Willem V (1701-1967) (Amsterdam, 1873)

) De Staten-Generaal waren door Willem III aangewezen als executeurs-testamentair van zijn nalatenschap.

De eerste daad van de koning van Pruisen was de bezetting van de graafschappen Lingen en Meurs, die daarmee voorgoed voor de Oranjes verloren gingen. De aanspraken van de koning waren echter niet onomstreden. Totdat er een regeling tussen de koning van Pruisen en Johan Willem Friso van Nassau over de verdeling van de nalatenschap was vastgesteld, behielden de Staten-Generaal het executeurschap-testamentair.

Geen van de betrokken partijen wilde de geschillen over de nalatenschap voor de rechter brengen. Er werd dus onderhandeld. Deze onderhandelingen werden abrupt afgebroken toen Johan Willem Friso, die onderweg was naar Den Haag voor een definitieve regeling van het geschil, in 1711 bij een ongeluk in het Hollands Diep verdronk. De Staten-Generaal besloten kort daarna, mede met het oog op het voortslepen van de onderhandelingen, aan beide partijen het genot van een bepaald inkomen toe te kennen, deels bestaande uit inkomsten toe te kennen, deels bestaande uit inkomsten uit specifieke, door de Staten-Generaal aan te wijzen goederen, deels bestaande uit een geldbedrag afkomstig uit alle door de Generaliteitsvergadering beheerde goederen te zamen. De bezittingen werden voorlopig 'geëxtraheerd' (onttrokken) onder uitdrukkelijk beding dat geen van de partijen rechten kon ontlenen op grond van deze regeling. De goederen die aldus aan de koning van Pruisen werden toegewezen waren Naaldwijk, Honselersdijk, het huis in het Noordeinde, Wateringen, het Opstal, het Hondertland, de Oranjepolder, 's-Gravenzande, het huis Nieuwburg en Hooge en Lage Zwaluwe. De nog minderjarige zoon en dochter van Johan Willem Friso en diens weduwe Maria Louisa van Hessen-Kassel ('Marijke-Meu') ontvingen de volgende bezittingen: Steenbergen, Oosterhout en Dongen, Willem- en Mariapolder, Prinsenland, Hulsterambacht, Ijsselstein, Granendonk en Eindhoven, Bredevoort en de Burense tienden, Diest en Zichem, het huis te Brussel en Noord-Beveland.(

NDR inv.nr. 300; Algemeen Rijksarchief, Resoluties van de Staten-Generaal d.d. 28 Juli, 24 Augustus en 24 oktober 1711, 5 september en 1 oktober 1712.

)

Uiteindelijk werd in 1732 een akkoord bereikt over de erfenis. Dit kwam er op neer dat de koning van Pruisen over het algemeen de bezittingen die buiten het grondgebied van de huidige Benelux lagen, kreeg en de prins van Oranje de goederen daarbinnen. Ook behield de koning de domeinen die in 1711 door de Staten-Generaal voorlopig aan hem waren toegewezen. Deze goederen -waaronder het Haagse paleis Noordeinde en Honselersdijk- werden door koning Frederik II van Pruisen in 1754 tegen een vergoeding van 700.000 gulden weer aan het huis Oranje-Nassau afgestaan.(

N. Japikse, De geschiedenis van het huis van Oranje-Nassau (Den Haag, 1938), 2 dln; deel II, p. 131

) Alleen het voor Pruisen vrij gunstig gelegen domein Montfort werd pas in 1769 door de prins van Oranje terug gekocht.

Op 1 april 1734 werden de Staten-Generaal door de prins gedéchargeerd als executeurs testamentair. (

NDR inv.nr. 300

).

1795-1813

In 1795, toen de Fransen de Republiek binnentrokken en de stadhouderlijke familie overhaast naar Groot-Brittannië vluchtte, werden de Nassause goederen door de Fransen in bezit genomen.

Met het huis Oranje-Nassau werd reeds op 16 mei 1795, bij het Haagse Verdrag tussen Frankrijk en de Bataafse Republiek, een officiële regeling getroffen. Daarbij verkreeg de laatstgenoemde het eigendom over de Nassause domeinen, die door Frankrijk in bezit waren genomen. Dit verdrag werd bevestigd door de afspraken in het vredesverdrag van Amiens van 1802 tussen Groot-Brittannië en Frankrijk, waarin tevens de afstand van en de schadeloosstelling voor de domeinen, goederen en waardigheden van het Oranjehuis werden geregeld. Deze afspraken werden vervolgens bevestigd in een overeenkomst tussen de Bataafse Republiek en het huis Oranje-Nassau van 1804, waarin de hoogte van de schadeloosstelling was vastgesteld. Deze overeenkomst werd echter nooit uitgevoerd, omdat het Wetgevend Lichaam van de Bataafse Republiek haar nooit zou ratificeren.

Intussen werden met ingang van november 1796 de domeinen genationaliseerd door de toenmalige Nationale Vergadering.

Tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon werd een gedeelte van de voormalige Nassause domeinen aan hem afgestaan. De aan de koning afgestane domeinen dienden een bedrag van 500.000 gulden op te brengen. Als de inkomsten minder zouden bedragen, dan zouden er meer domeinen aan de domeinen van de Kroon worden toegevoegd. Aan de koning werden de volgende domeinen afgestaan: Oosterhout, Dongen en Ter Brake, Breda, Grave en Cuijk, Oploo, Cranendonk en Eindhoven, Steenbergen, Roosendaal en Nispen, Het Loo, Dieren, Borculo, Bredevoort en Lichtenvoorde. Voorts werden de domeinen, geadministreerd door de Commissie van Breda aan de koning afgestaan.(

De Commissie van Breda beheerde domeinen gelegen in het grondgebied van Staats-Brabant die in buitenlandse handen waren en in gebieden afhankelijk van buiten de voormalige Republiek gelegen abdijen en kapittels.

)

Na 1813

Na terugkeer van de toekomstige koning Willem I in 1813 en zijn aanvaarding van de soevereiniteit, bleven de voormalige Nassause domeinen in bezit van de staat. Willem I maakte geen aanspraken op het bezit van zijn voormalige domeinen. Hij ontving een jaarlijks inkomen, waarvan een gedeelte moest worden opgebracht door de zogeheten Kroondomeinen. Het eigendom van deze domeinen kwam bij de Domeinwet van 1822 aan de Kroon. Koning Willem II zou het eigendom van deze domeinen vervolgens weer overdragen aan de staat. De inkomsten bleven bestemd voor de Kroon. Naast dit inkomen ontving de koning jaarlijks een bedrag voor het onderhoud van de hem ter beschikking gestelde paleizen, te weten paleis Noordeinde, paleis Het Loo, het paleis op de Dam in Amsterdam en Huis ten Bosch. Het Prinsenhof in Leeuwarden kwam door aankoop weer in het bezit van het Oranjehuis. Het paleis en domein Soestdijk werd door de staat aan de prins van Oranje, de latere koning Willem II, in eigendom gegeven als dank voor zijn krijgsverrichtingen tijdens de veldtocht van 1815.(

Japikse, Geschiedenis, pp. 214, e.v.

)

Met de oprichting van het Amortisatiesyndicaat in 1824 werd het beheer en de administratie van de voormalige Nassause domeinen bij deze instelling ondergebracht. Uit de opbrengsten van de verkoop van de domeinen zou een deel van de staatsschuld worden afgelost. Ook het archief kwam onder het beheer van het Amortisatiesyndicaat.

B. Het beheer van het goederencomplex
De Domeinraad

Geschiedenis

De heerlijkheden van de Nassaus werden in hun naam beheerd door een vaste 'Raad en Rekenkamer', later Nassause Domeinraad geheten. Deze Raad bestond uit deskundigen op rechtskundig en financieel terrein.

De instelling van een Raad en Rekenkamer heeft hoogstwaarschijnlijk onder graaf Engelbrecht II van Nassau (1475-1504) plaats gevonden.(

Drossaers I, I, p. VI.

) Vergeleken met het landsbestuur in Brabant en Holland gingen de Oranjes vrij laat over tot een gecentraliseerd en ambtelijk gestructureerd bestuur en beheer van hun domeinen. Zij stonden hierin overigens niet alleen. Zo benoemden de markiezen van Bergen op Zoom, de graven van Buren en de heren van Culemborg ook pas tegen het einde van de vijftiende en in de loop van de zestiende eeuw raden voor het beheer van hun domeinen.(

Aldus H.M. Brokken, 'De heren van Breda en hun archief' in: Noordbrabants Historisch Jaarboek 1 (1984) pp. 17-18. Zie verder: A.P. van Schilfgaarde, Het archief der Heeren en Graven van Culemborg. Eerste stuk. Inleiding, inventaris, lijst van kaarten en tekeningen (Den Haag, 1949); W.A. van Ham, Inventaris van de archieven van de Raad en Rekenkamer van de Markiezen van Bergen op Zoom. Eerste stuk: Algemene inleiding (Den Bosch, 1980)

)

Tot aan de Spaanse inname van Breda in 1581 was de Domeinraad gevestigd in het kasteel aldaar. De prins benoemde na de Spaanse bezetting nieuwe leden, waarop de nieuw gekozen Raad zich in Delft gevestigde. Het archief van de Domeinraad zou overigens in Breda achterblijven totdat in 1637 Breda werd bevrijd en een groot deel van het archief naar Den Haag werd gezonden.

In de geschiedenis van de Domeinraad zijn er behalve het vertrek uit Breda in 1581 nog enkele andere precaire momenten aan te wijzen, als gevolg van conflicten over de bezittingen van het Oranjehuis, die hiervoor al werden genoemd.

Allereerst was daar het conflict rondom de afwikkeling van de nalatenschap van Willem van Oranje.

De goederen uit zijn sterfhuis werden tussen 1584, het jaar waarin hij vermoord werd, en 1609, toen zijn nalatenschap definitief verdeeld werd tussen zijn zoons Philips Willem, Maurits en Fredrik Hendrik, door verschillende administraties beheerd. De goederen afkomstig van Anna van Egmond en de 'vaderlijke' goederen in Brabant, bestemd voor Maria en Philips Willem, werden beheerd door Anna en haar Raad. Deze goederen omvatten Buren, Leerdam, IJsselstein, St. Maartensdijk, Breda, Oosterhout en Steenbergen. Breda, Oosterhout en Steenbergen waren bezet en geconfisqueerd door Spanje en leverden bijgevolg nauwelijks iets op.(

Scherft, Het sterfhuis, pp. 96 e.v.

)

De nog onverdeelde boedel werd beheerd door de curatoren van het sterfhuis. In deze Raad hadden Van Steelant en Nicolaas Pijll zitting. Onder de onverdeelde boedel vielen de Hooge en de Lage Zwaluwe, de heerlijkheden in het Westland, Lek en Polanen, Niervaart, Geertruidenberg, Veere en Vlissingen en de visserij in de Grote Waard. Ook hier gold dat de goederen die in door Spanje bezet gebied lagen weinig opleverden voor de boedel van Willem I. Maurits liet zich bij het beheer van de aan hem toekomende goederen bijstaan door een Raad. Na het overlijden van Nicolaas Pijll in 1601, trok Maurits de gehele administratie van de onverdeelde boedel in het sterfhuis aan zich. Na de definitieve regeling van de boedel van Willem I waren er drie domeinraden werkzaam: die van Philips Willem in Breda, die van Maurits in Den Haag bij de Zuidpoort van het Binnenhof en die van Frederik Hendrik eveneens in Den Haag, in het paleis Noordeinde. Na de dood van Maurits in 1625 werd de nalatenschap van Willem van Oranje onder Frederik Hendrik weer in één hand herenigd en beheerd door één Raad. Deze Nassause Domeinraad bleef sindsdien tot 1767 gehuisvest in een pand rechts van de Zuidpoort van het Binnenhof. Het archief van de Domeinraad kreeg een plaats in de charterkamer van de prins boven de raadkamer van het Hof van Holland op het Binnenhof. Het ging hier om afgesloten archief, waarschijnlijk het archief dat uit Breda naar 's-Gravenhage was verhuisd. Deze raadkamer bevond zich boven de Rolzaal, een van de oudste gedeeltes van het Binnenhof. De thesaurie was gevestigd in een pand direct grenzend aan de zuidzijde van de Grote Zaal (Ridderzaal). In 1767 werd het huis bij de Zuidpoort ontruimd ten behoeve van de bouwplannen voor de uitbreiding van het Stadhouderlijk kwartier op het Binnenhof. De Domeinraad verhuisde naar het gebouw, waar voorheen de kastelenij was gevestigd, grenzend aan de Grenadierspoort van het Binnenhof. Het huis was door Willem IV ten behoeve van de Raad aangekocht.(

A. Ising, Het Hof te 's-Gravenhage. De prinsen van Oranje op het Stadhouderlijk Kwartier ('s-Gravenhage, 1898), p. 40-41 en 44 e.v.; J. de Riemer, Beschrijving van 's Graven-Hage (' Gravenhage 1730), pp. 125 en 161; Joh. P.M. Goudeau, Van Kwartier van Hun Hoogmogenden tot Ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (Den Haag, 1980), pp. 48-49.

)

Een tweede periode waarin meer dan een Domeinraad functioneerde was ten tijde van het geschil met de koning van Pruisen over de nalatenschap van koning-stadhouder Willem III.

De Staten-Generaal als executeurs-testamentair belastten de Domeinraad met de administratie van de bezittingen in de nalatenschap. Toen in 1711 aan de minderjarige kinderen van Johan Willem Friso en hun moeder Maria Louise van Hessen-Kassel goederen uit de boedel werden geëxtraheerd, werd de administratie van deze goederen aan het reguliere beheer van de overige domeinen door de domeinraad onttrokken.

De voogden over de kinderen van Johan Willem Friso benoemden een Raad en Rekenmeesters der geëxtraheerde goederen, die een administratie voerden welke strikt gescheiden was van die van de 'gewone' Domeinraad. (

NDR inv.nr. 1528.

).

Tot raden en rekenmeesters werden benoemd: Johan Reinhard van Dalwigh, envoyé van de landgraaf; Jacob Wiers, Johan van Essen en Johan van Schuylenburch. Als griffier werd aangesteld Johan van Schuylenburch, als thesaurier Willem van Assendelft en als auditeurs Dirk Swart en Jacob Pesters. De laatste legde pas in 1718 zijn eed af en trad vanaf dat moment in functie.

Naast de geëxtraheerde goederen administreerde deze Raad ook Soest, Baarn en Ter Eem. Deze goederen waren na de dood van prins Willem III aan de Staten van Utrecht toebedeeld. In 1714 werden deze goederen door prinses Maria Louise van Hessen-Kassel, moeder van Johan Willem Friso, weer van de Staten van Utrecht teruggekocht. (

NDR inv.nr. 768, folio 1517 e.v.

) In 1732, toen er een overeenkomst was gesloten met de koning van Pruisen over de verdeling van de goederen, werd de Domeinraad over de geëxtraheerde goederen opgeheven en de administratie over de voormalig geëxtraheerde goederen opgenomen in het geheel.

De opvolgers van de Domeinraad

In 1795 met de confiscatie en de inbezitneming van de Nassause domeinen door de gewestelijke besturen, werd de Domeinraad ontslagen. Het beheer van de voormalige Nassause domeinen werd 'provisioneel' opgedragen aan de verschillende gewestelijk besturen. Deze besturen benoemden ieder een commissie om de goederen te beheren. In Holland werden administrateuren van de goederen van de prins van Oranje, gelegen in Holland, benoemd. Goederen buiten de Republiek, zoals bv. Montfort, werden beheerd door de Franse Representanten. De domeinen in de Generaliteitslanden werden beheerd door het Comité tot de algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande.

Het zwaartepunt van de administratie bleef in Holland liggen. De Hollandse administratie had de beschikking over het archief van de Domeinraad, wat in Den Haag bleef. De administratie in Holland bleef gevestigd in de ruimte van de voormalige Nassause Domeinraad. Het was ook de Vergadering van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland die de Nassause Domeinraad bij decreet van 5 Maart 1795 ontsloeg. De daaropvolgende dag, 6 maart, beëindigde de Nassause Domeinraad officieel haar werkzaamheden. (

NDR inv.nr. 183.

)

Vanuit Holland en door het Comité tot de Algemene Zaken van de Staten-Generaal werd er geijverd voor het onderbrengen van het beheer van de goederen in één administratie. Het Comité van Algemeen Welzijn, dat de supervisie over de Hollandse administratie had, stelde in een rapport van 25 maart 1795 dat de domeinen als een geheel zouden moeten worden beheerd, en niet per 'landschap' gesplitst.(

NDR iv.nr. 805.

) Teven stelde het Comité omwille van de continuïteit functionarissen van de 'oude' Domeinraad aan te stellen. De prins had op zijn vlucht een aantal belangrijke papieren meegenomen, waaronder een blaffaard van obligaties. De kennis en ervaring van de 'oude' Domeinraad zouden hard nodig zijn om de nieuw aan te stellen Raad goed te kunnen laten functioneren. Zolang daarover geen beslissing werd genomen, werd ook in Holland de administratie provisioneel geregeld. Van de oude Domeinraad werd een aantal leden en functionarissen aangesteld.

De administrateuren van de domeinen, gelegen in Holland kregen van hun superieuren de uitdrukkelijke oekaze geen archiefstukken over te dragen. Dit verbod was mede ingegeven door de problemen die het splitsen van het archief met zich mee zou brengen. Bovendien had Holland daarmee een wapen in het streven naar een gecentraliseerd beheer.

Geregeld adviseerde het Comité van Algemeen Welzijn en de administrateuren met klem het beheer van de goederen van de stadhouder in de Republiek centraal te regelen.(

ARA, Archieven van de gewestelijke besturen in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1798 en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802, dl I, (Archief van het Comité van Algemene Welzijn), inv.nr. 124, 23 juni 1795.

) De reden was een eenvoudige: zonder centraal beheer was het niet mogelijk de crediteuren van de boedel te betalen. Alle schulden van de Prins van Oranje waren in 1772 door de thesaurier Van Olden overgenomen op de thesaurie. Dat betekende dat deze schulden niet meer berustten op onderscheiden domeinen, maar op de domeinen als geheel. Het Comité was niet precies op de hoogte van de grootte van de schuld: 'doordien de geweezen stadhouder de daartoe nodige papieren en bescheiden heeft medegenoomen', maar men schatte de renten op zo'n 350.00 gulden! De inkomsten van de goederen in Holland zouden zo'n 120 tot 130 duizend gulden bedragen. De motivatie voor het voorstel voor een centraal beheer was dus vooral gelegen in de schuldenlast, die alleen verminderd kon worden door de beschikking over alle revenuen uit de domeinen. Daarbij zal meegespeeld hebben dat de meeste schuldeisers van de stadhouder zich in Holland bevonden.

Toch duurde het tot in 1796, tot de totstandkoming van de Nationale Vergadering, voordat deze kwestie definitief werd geregeld. Toen plaatste de Nationale Vergadering het beheer en de administratie weer onder centraal gezag. De Nationale Vergadering benoemde een Commissie van Superintendentie over de domeinen van de gewezen stadhouder. (

NDR inv.nr. 200. Het archief van de Commissie van Superintendentie bevindt zich in het archief van de Nationale Vergadering.

) De archieven van de domeinen werden door de provinciale autoriteiten in Holland aan de administratie over de domeinen overgedragen. In juli van dat jaar werd een instructie voor de 'Administrateurs van den door de Franschen geabandonneerden Boedel van den Vorst van Nassau', zoals het college inmiddels heette, opgesteld.(

Decreten van de Nationale Vergadering, juli 1796 (Deel 5) p. 78.

)
Tot 1811 - het jaar waarin de Bataafse Republiek bij Frankrijk werd ingelijfd - behielden de voormalige Nassause domeinen een eigen administratie binnen het departement van Financiën. Afhankelijk van wisselingen van staatsvorm, van staatshoofd en van de organisatie van de overheid veranderde deze administratie van naam en soms van personeel, hoewel gedurende die jaren de administratie grotendeels op de zelfde leest geschoeid bleef. Het waren ook voor een deel dezelfde ambtenaren die deze administratie bestierden. Belangrijke ambtenaren in die dagen waren inspecteur E. Temminck, commissaris A.J. Verbeek en thesaurier A.C. Molière. De administratie was achtereenvolgens opgedragen aan de volgende instellingen:

  • Administrateuren over de door de Fransen geabandonneerde goederen en commissie van superintendentie over de domeinen van de gewezen stadhouder, 1796-1798;
  • Agent van Financiën, 1798-1801;
  • Thesaurier-generaal en raden van Financiën, 1801-1805;
  • Secretaris van staat voor de Financiën, 1805-1806;
  • Minister van Financiën, 1806-1809;
  • Directeur der publieke domeinen, 1809-1809;
  • Directeur der staatsdomeinen, 1810-1811.

Een uitzondering vormde de aan koning Lodewijk Napoleon afgestane domeinen. In 1808 ging de administratie van deze domeinen over naar de intendant-generaal van het Koningshuis. Toch bleef een gedeelte van de administratie achter bij het departement van Financiën. De rekeningen werden door de administratie van de voormalige Nassause domeinen afgehoord. Rentmeesters wendden zich af tot de minister, of tot de intendant-generaal. In de praktijk kwam het voor dat stukken door de minister aan de intendant-generaal werden doorgezonden voor verdere afhandeling. Voor de domeinen, die niet aan de Kroon waren gecedeerd, bleef de administratie hetzelfde. Deze bleven apart geadministreerd binnen het departement van Financiën.(

Algemeen Rijksarchief, archief Ministerie van Financiën 1798-1813, inv.nr. 1127, folio 222 recto. Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, archief Kroondomeinen en hofhouding van koning Lodewijk Napoleon en de Franse keizer, toegang 2.01.25, inv.nrs. 114, 115, 119, 123. NDR inv.nr. 676, Broculo, Bredevoort en Lichtenvoorde, 25 mei 1808.

)

Na de inlijving bij het koninkrijk Frankrijk werd op 31 december 1811 de administratie van de voormalige Nassause domeinen overgegeven aan het Enregistrement der domeinen, die in de verschillende provincies werd gevestigd. De ambtenaar Verbeek werd belast met de liquidatie van zaken tot eind 1811, onder toezicht van de intendant-generaal van Financiën.(

Algemeen Rijksarchief, Stukken van de administratie van de Nationale Domeinen en Geestelijke goederen, mei 1809 - april 1814, toegang 2.01.23, inv.nr. 32, 31 december 1811, nr. 23. Henny van Schie, Aantekeningen omtrent de organisatie van het Ministerie van Financiën over de periode 1798-1944 (uittreksel) (Den Haag 1992)

)

Taken en bevoegdheden van de Nassause Domeinraad

Instructies

De Domeinraad moest zorgen voor een ordentelijk beheer van de Nassause domeinen en de hofhouding opdat de vorstelijk levensstijl van de Oranjes kon worden bekostigd. Steeds weer bleken de inkomsten uit de domeinen ontoereikend om de schulden van de Oranjes te delgen. Misbruiken in de administratie waren onder meer de oorzaken voor de tegenvallende inkomsten. Met behulp van strenge instructies voor de Domeinraad en zijn functionarissen probeerden de prinsen van Oranje hier paal en perk aan te stellen. Over het algemeen bleven echter de schulden van de Oranjes hoger dan de inkomsten uit hun domeinen.

Prins Willem van Oranje gaf als eerste een aanzet tot een instructie voor de Domeinraad. De prins ging niet alleen gebukt onder een enorme schuldenlast, maar werd ook geconfronteerd met ernstige onregelmatigheden gepleegd door enige rentmeesters in zijn domeinen. Na een onderzoek vaardigde de prins in 1558 een ordonnantie uit, waarbij alle rentmeesters voortaan aan een strenge controle van zijn Raad zouden worden onderworpen. Deze ordonnantie zou de grondslag vormen voor de eerste, echte instructie uit 1563.(

P.J. Veeze, De Raad van de Prinsen van Oranje tijdens de minderjarigheid van Willem III, 1650-1668 (Assen, 1932), pp. 19-20.

) Om een einde te maken aan de bestaande misbruiken in de administratie werd in deze instructie veel plaats ingeruimd voor de rekeningen. (

Zie Drossaers I, I, pp. VII-X, en P.J. Veeze, De Raad, p. 20. Voor een transcriptie van deze instructie zie Drossaers I, I, pp. XIX-XXXIX.

)

Constantijn Huygens, secretaris van Frederik Hendrik, stelde in 1631 een nieuwe instructie op, die een jaar later werd aangevuld naar aanleiding van het financiële wanbeheer van de toenmalige rentmeester-generaal. (

NDR inv.nr. 780 en 786.

)Ook van later datum zijn er instructies bewaard gebleven, zoals uit 1652, 1677 en 1758. Veel wijken deze niet af van de instructie van Frederik Hendrik uit 1631. In sommige gevallen zijn de bepalingen wat uitvoeriger, is het ondersteunend apparaat in de vorm van commiezen, klerken en deurwaarders wat gegroeid of is het aantal leden van de Raad toegenomen.

Uit de instructies blijkt dat het beheer en het bestuur van de domeinen en de hofhouding van de prins tot de belangrijkste taken van de domeinraad behoorden. Daarnaast had de Raad een rechtsprekende bevoegdheid.

Beheer

Het beheer viel grosso modo uiteen in drie deeltaken, namelijk het afhoren en sluiten van de rekeningen van de rentmeesters, de hofhouding en de rentmeester-generaal; het houden van verpachtingen en de jaarlijkse inspectie van de domeinen.

Ieder jaar dienden rentmeesters en hoofdambtenaren van de hofhouding rekening en verantwoording af te leggen van hun inkomsten en uitgaven. In de zestiende eeuw reisden leden van de Domeinraad hiervoor naar de verschillende domeinen. (

Drossaers I, I, p. X.

) Gaandeweg ontwikkelde zich echter het gebruik dat rentmeesters hiervoor naar Den Haag kwamen. Drie maanden na afloop van het boekjaar - wat doorgaans op 31 december viel - werden zij geacht hun rekeningen te overleggen aan de domeinraad, zodat ze hier voor 1 mei gehoord en gesloten konden worden. Bleek de rentmeester na het sluiten van zijn rekening geld schuldig te zijn dan diende hij onmiddellijk voor betaling zorg te dragen. Bleef hij in gebreke, dan werd hem een boete opgelegd of werd zijn ambt verbeurd verklaard. Ten kantore van de Domeinraad werden de rekeningen door twee raden afzonderlijk afgehoord: één raad werd geassisteerd door de griffier, de ander door de auditeur. Rentmeesters dienden niet alleen jaarlijks hun rekeningen te laten afhoren, maar moesten ook maandstaten opsturen aan de Raad. De hofhouding diende wekelijks op maandag alle rekeningen en kohieren in, ter controle door de Raad. Voordat rentmeesters in hun ambt werden beëdigd dienden zij en 'suffisante' borg te stellen. In het archief van de Nassause Domeinraad behoren de rekeningen van de rentmeesters vaak tot de meest compleet bewaard gebleven series. Zij vormen een prachtige bron voor lokaal historisch onderzoek. (

In Staats-Brabant had de Domeinraad niet alleen rentmeesters voor de domeinen in dienst, maar vanaf 1648 ook rentmeesters voor de geestelijke goederen die met de vrede van Munster van de prins van Oranje waren gekomen. In het archief van de Domeinraad vormen deze rekeningen aparte series.

)

Het houden van verpachtingen in de verschillende domeinen was een andere belangrijke taak van de Domeinraad. Pachtgelden vormden de grootste bron van inkomsten voor de prins van Oranje. Ieder lid van de Domeinraad kreeg voor zijn pachtreis een speciale commissie en instructie, waarin de Raad de condities en termijnen van de verpachtingen omschreef. Na afloop van de doorgaans openbare verpachting leverde de commissaris een verbaal over het verloop der verpachtingen in. Verpacht werden onder andere landerijen, tienden, visgronden (waarvan de belangrijkste in Geertruidenberg, Hondertland, Hooge en Lage Zwaluwe en Wartenon gelegen waren), tollen (te Lith en Cuijk), molens, bier- en wijnaccijnzen en gemene middelen (Willemstad). De verpachtingen namen meestal een paar dagen in geslag. (

Veeze, De Raad, pp. 51-52.

) Eenvoudige verpachtingen werden meestal door de rentmeester afgehandeld.

Het houden van verpachtingen werd vaak gecombineerd met een inspectiereis. Om ervoor te zorgen dat de raadsleden bij hun bezoeken ter plaatse hun taak onpartijdig zouden uitoefenen, dienden zij zich aan verscheidene voorschriften te houden. De instructie uit 1631 schreef bijvoorbeeld voor dat ieder jaar een andere gecommitteerde naar een bepaald domein moest worden gezonden. De raadsleden mochten niet in pachtzaken bemiddelen alvorens met de verantwoordelijke rentmeester te hebben overlegd. Ook was het niet toegestaan op dienstreis bij de rentmeesters te logeren. Velerlei zaken waren tijdens deze reizen voorwerp van inspectie. Zo werden de leenboeken van de griffier van het Leenhof en rekeningen van lokale autoriteiten gecontroleerd. De commissaris van de Domeinraad die in 1774 het domein Breda inspecteerde moest bijvoorbeeld in totaal 112 rekeningen van allerlei plaatselijke autoriteiten nalopen. Van sommige van die rekeningen zijn ook kopieën in het archief aanwezig. Verder werd tijdens zo'n jaarlijkse inspectie nagegaan welke reparaties en aanplantingen verricht moesten worden. Er werd gekeken of instructies en ordonnanties werden nageleefd en de rechten van de leenheer door de beambten werden gehandhaafd. Binnen zes weken na terugkomst in Den Haag dienden de raadsleden een verbaal in te leveren, waarbij een duidelijke borderel (beknopt overzicht) van de gecontroleerde rekeningen moest zijn gevoegd. Deze verbalen geven een goed beeld van de dagelijkse gang van zaken in het desbetreffende domein. Na 1795 bleef het beheer grosso modo op dezelfde leest geschoeid.

Bestuur

De Nassause Domeinraad was tevens belast met een bepaalde vorm van bestuur. De prins van Oranje was in een groot deel van zijn domeinen leenroerig aan een andere heer, maar er waren ook vrije heerlijkheden zoals de graafschappen van Lingen, Meurs, Leerdam, Buren en IJsselstein en het prinsdom Orange. Zijn bestuursmacht evenaarde in veel domeinen die van een soeverein heerser. In sommige domeinen trad op zijn beurt de prins zelf op als leenheer door gedeeltes van zijn heerlijkheid in leen uit te geven. Hiervoor werden zogeheten stadhouders van de lenen aangesteld. In het archief zijn hiervan leenboeken en rekeningen aan de rentmeester en de griffier van de lenen bewaard gebleven.

In al zijn gebieden bezat de prins heerlijke rechten, variërend van bijvoorbeeld het recht van de wind, wat inhield dat de heer zijn toestemming diende te geven bij de bouw van een molen, tot het belangrijke en lucratieve benoemingsrecht van lokale ambtenaren. Functionarissen als schouten, schepenen, dijkgraven en heemraden ontvingen aldus vaak hun aanstelling van de prins. In de gebieden die onder de jurisdictie van Oranje vielen werd in zijn naam -in geval van lage jurisdictie- recht gesproken door een schout, of -wanneer er sprake was van hoge jurisdictie- door een baljuw of drost. Bij geschillen met personen of lichamen waarover de prins geen zeggenschap had, was het Hof van Holland of de Raad van Brabant doorgaans de bevoegde rechtsinstantie.

Het recht van benoeming van lokale functionarissen strekte zich soms ook uit tot het geven van adviezen door de Raad bij het maken van nieuwe keuren en het afhoren van de stadsrekeningen. (

Drossaers I, I,p. X.

)Verder was het niet ongebruikelijk dat predikanten en schoolmeesters, die vaak ook als koster fungeerden, door de prins benoemd en betaald werden.

Tenslotte waren er natuurlijk nog functionarissen die gewoon in dienst waren van de Oranjes, zoals jachtopzieners, tuinmannen, architecten, de rentmeester. Het toezicht op deze functionarissen berustte bij de Raad. Deze bekeek of deze mensen zich wel aan de aan hen opgedragen ordonnanties en instructies hielden.

Rechtspraak

De Domeinraad had een rechtsprekende bevoegdheid in geschillen tussen bestuursambtenaren der domeinen onderling of tussen bestuursambtenaren en ingezetenen der domeinen. (

Zie voor judiciële rollen, NDR inv.nrs. 862-868.

) Daarnaast fungeerde de Raad als beroepsinstantie voor zaken die in de domeinen zelf eerst door lokale ambtenaren waren behandeld. Raadsleden brachten over hun toegewezen aanhangige zaken een rapport uit aan de Raad, waarna deze een vonnis uitsprak. Ging het om ingewikkelde kwesties, dan werd het advies van eigen advocaten ingewonnen. Bij alle rechtszaken voor het Hof van Holland, de Hoge Raad, de Raad van Brabant waarbij de prins betrokken was werd hij vertegenwoordigd door een procureur, die namens hem eiste of verdedigde. Het was de taak van de Domeinraad toezicht te houden op het juiste handelen van officieren, advocaten en procureurs die namens de prins in processen of geschillen waren verwikkeld.

Na 1795 verviel deze taak van de administratie van de voormalige Nassause domeinen.

Werkwijze

De voltallige Raad bestond blijkens de instructie van 1563 uit vijf leden. In de daarop volgende jaren wisselde het aantal leden van de Raad: soms vijf, dan weer zes of zeven. Daarnaast had de Raad een drietal ambtenaren in dienst: de rentmeester-generaal, de auditeur van de rekeningen en de griffier of secretaris. Er werd bijna iedere dag vergaderd. Tot aan het vertrek van de Domeinraad uit Breda in 1581 maakte de drossaard van Breda hiervan deel uit. Hij vervulde dan de rol van voorzitter. Hij legde de Raad overigens alleen zaken betreffende de jurisdictie en hoge heerlijkheid van stad en land van Breda voor. Na het vertrek van de Raad uit Breda moest de drossaard deze uitzonderlijke positie binnen de Raad zeer waarschijnlijk opgeven.

Formeel oefende de Domeinraad zijn taken uit door het verstrekken van adviezen aan de prins (of de voogden). Deze adviezen betroffen in principe alle zaken met betrekking tot het bestuur en beheer van de domeinen en de hofhouding. Ze kwamen bij meerderheid van stemmen tot stand. Wanneer de prins of de voogden een besluit hadden genomen, diende de Raad dat vervolgens uit te voeren. In hoeverre de prins altijd bij de daadwerkelijke besluitvorming in de Domeinraad was betrokken, is niet duidelijk.

Met name prins Willem Karel Hendrik Friso, de latere stadhouder Willem IV, was in dit opzicht initiatiefrijk. Reeds op jeugdige leeftijd belegde hij geregeld zogenaamde conferenties met de raden der geëxtraheerde domeinen, vaak in tegenwoordigheid van zijn opperhofmeester, opperstalmeester en opperkamerheer. Tijdens deze conferenties werden niet alleen concept-besluiten met betrekking tot de Nassause domeinen aan de prins ter goedkeuring voorgelegd, maar kwam de prins zelf ook met voorstellen ter verbetering van het beheer. (

NRD inv.nrs. 191-192, notulen van de conferenties over de periode 26 november 1731 - 26 januari 1736.

)Hoe serieus hij zijn taak nam blijkt uit een resolutie van zijn hand van 5 oktober 1731. Hierin verklaart hij onder andere: ' ... hebben wij geoordeelt dat van de verpligtingen die onse volkome meerderjarigheyd op ons legt de eerste en voornaamste was, dat wij hoe eer hoe liever onse gedagten lieten gaan over den toestand van de saeken van ons huys, en niets versuymde om se naa maate dat het nodig zoude zijn te redresseeren, en se in 't algemeen in goede en volmaakte ordre te brengen ... '.

Vanaf 1751 werden door de Domeinraad wekelijks een aantal zaken ('poincten') aan de voogden van de toekomstige Willem V, Anna van Hannover en de hertog van Brunswijk en naderhand aan Willem V zelf voorgelegd, waarvoor men zijn instemming behoefde. (

Voor de 'poincten': NDR inv.nrs. 700-737. Zie in het algemeen over dit onderwerp, naast de notulen van de Domeinraad, NDR inv.nrs. 721-722 en 16535-16556.

)Dit gebeurde in de vorm van concept-adviezen, waarop de prins alleen nog maar met een ja of nee hoefde te antwoorden. In het overgrote deel van de gevallen ging de prins zonder meer akkoord. De 'poincten' waarvoor een beslissing van de prins was vereist, betroffen meestal aanstellingen van functionarissen in dienst van de prins of functionarissen waarvoor de prins benoemingsrecht had. Meestal werden deze punten aan het eind van de week gepresenteerd en ontving de Domeinraad de beschikkingen van de prins een à twee dagen later. Tegelijk met de 'poincten' werden aan de prins de concept-stukken ter ondertekening voorgelegd. Deze stukken zitten niet (meer) bij de 'poincten'. Adviezen over andere zaken, niet voortvloeiend uit een verzoekschrift, rapporten en maand- en kwartaalstaten betreffende de financiën werden apart van de 'poincten' aan de prins gepresenteerd.

De leden van de Domeinraad werden bij hun werkzaamheden geassisteerd door een aantal vaste ambtenaren. (

Veeze, De Raad, pp. 57-58 en Drossaers, deel 1, pp. VII-X.

)

De griffier had als taak het registreren en bewaren van de notulen, besluiten, commissies en ordonnanties. Verder handelde hij de ingekomen en uitgaande stukken af en droeg hij zorg voor hun bewaring. Leden van de Raad leverden na een inspectiereis hun verbaal in bij de griffier. Deze stelde ook de afgehoorde rekeningen aan de rentmeester-generaal ter hand. Hij bewaarde het grootzegel en andere cachetten van de Raad waarmee depeches werden bezegeld. Tenslotte droeg hij zorg voor het archief.

De belangrijkste zorg van de thesaurier en rentmeester-generaal gold de generale rekening van de domeinen en de hofhouding, die ieder jaar voor de eerste december van het daarop volgende jaar moest worden ingeleverd. Evenals de rentmeesters diende de rentmeester-generaal voor het aanvaarden van zijn ambt een aanzienlijke borg te stellen. Naast de verantwoording voor de inkomsten en uitgaven van de hofhouding en de domeinen, oefende hij samen met de Raad toezicht uit op de rentmeesters en controleerde hij de soliditeit en de liquiditeit van hun borgstelling. Ook leverde hij net als de rentmeesters maandstaten van zijn inkomsten en uitgaven in. Tenslotte trad de thesaurier en rentmeester-generaal in veel gevallen op financieel terrein op als een belangrijk adviseur van prins (en voogden). Behalve de griffier en de thesaurier dient hier de auditeur genoemd te worden, die de rekeningen afhoorde, apostilleerde, calculeerde en sloot.

Zoals reeds opgemerkt, probeerde de Domeinraad machtsmisbruik bij het bestuur en beheer van de domeinen te voorkomen door de verschillende taken op deze terreinen steeds aan andere raadsleden toe te vertrouwen. De verdeling van de commissies (opdrachten) voor de inspectiereizen werd elk jaar opnieuw in de vergadering gebracht. Omstreeks het midden van de 18e eeuw kwam hierin verandering, toen met het blijkbaar efficiënter achtte de domeinen in vaste 'departementen' te verdelen. Ieder departement omvatte gelijksoortige domeinen met een zelfde soort bestuur en beheer. Ook een gelijke verdeling van de 'emolumenten' voor de raadsleden bij het doen van verpachtingen, het afhoren van de rekeningen e.d. speelde een rol bij de verdeling in departementen. Het roulerend systeem voor inspectiereizen bleef overigens gewoon gehandhaafd.

Elk departement viel onder het éénjaarlijkse toezicht van een (ordinaris) (raad-)commissaris. Een uitzondering hierop vormde een aantal bezittingen in het derde departement: 'De Domeijnen geleegen in Oostenrijks Braband reeds door een Raed geadministreert werdende zoude geen jaerlijks opzigt nodig hebben, en genoeg zijn die om de drie jaeren eens na te gaen.'

Voor deze goederen was door de prins van Oranje een functionaris, meestal jurist, aangesteld met de titel van intendant(-generaal). Deze functionaris maakte dus niet direct deel uit van de Domeinraad in Den Haag maar viel wel onder het driejaarlijkse toezicht van de raad-commissaris van het derde departement. (

NDR inv.nr. 687. Over een corrupte intendant-generaal handelt het artikel van R. Spork, 'Jean Matthias Jacmain d'Ortho, raad voor de domeinen in de Oostenrijkse Nederlanden (1749-1761)' in: Nederlands Archievenblad (maart 1988), pp. 43-59.

)

De indeling in vier departementen was als volgt:

Eerste departement

Buren, Leerdam, Culemborg, Ijsselstein, Soest, Baarn, Dieren, Het Loo, Bentheimse goederen, Oranjewoud, Leeuwarden, Ameland, Bredevoort, Groningen.

Tweede departement

Liesveld, 's-Gravenzande, naaldwijk, Monster, Wateringen, Honselersdijk, Niervaart, de Zwaluwen, Geertruidenberg, Zevenbergen, Kruisberg (bij Santpoort), Oranjezaal (huis Ten Bosch), huis Ter Nieuwburg (te Rijswijk), Oude Hof (Paleis Noordeinde), het Hof te Den Haag (aan het Buitenhof).

Derde departement

Veere, Vlissingen, Noord-Beveland, St. Maartensdijk, Scherpenisse, Hulsterambacht.

Driejaarlijks toezicht

Diest, Zichem, Meerhout en Vorst, Vianden, Dasburg, St. Vith, Bütgenbach, Lannoy, Gimbergen, Burggraafschap Antwerpen, Paleis te Brussel, Rutten, Nederheim en Peen

Vierde departement

Breda, Oosterhout, Roosendaal enNispen, Steenbergen, Prinsenland, Willemstad, Cranendonk en Eindhoven, Grave en het land van Cuijk.

Deze indeling in vier departementen paste in een algemeen streven van de Domeinraad tijdens het laatste kwart van de 18e eeuw om meer greep en controle te krijgen op de gang van zaken in de domeinen. Sinds de 16e eeuw waren rentmeesters verplicht via rekeningen verantwoording af te leggen van het door hen gevoerde beheer. In de jaren zeventig van de 18e eeuw werd dit niet langer voldoende geacht en dienden zij ook zogeheten generale rapporten en memories wegens ontvangen resoluties en orders in te leveren. Een generaal rapport bestond uit een standaard vragenlijst over het domeinbeheer, die ieder jaar door de rentmeester moest worden beantwoord. De memories vormden een instrument voor de Domeinraad om te controleren of en zo ja hoe aan zijn resoluties en orders was voldaan.

Na 1795 veranderde er niet veel aan de werkwijze van de administrateuren van de voormalige Nassause domeinen. De indeling in de departementen verviel, omdat een deel van de bezittingen niet was overgegaan in handen van de Bataafse Republiek.

De rentmeesters

In elk domein werd een rentmeester (en ontvanger) benoemd. De rentmeesters waren veelal van plaatselijke herkomst. Maar ook leden van de domeinraad en ambtenaren van de Domeinraad kregen wel een aanstelling als rentmeester in een domein. Het kwam regelmatig voor dat het rentmeesterambt een familieaangelegenheid werd. De zoon volgde de vader op als rentmeester. Het ambt van rentmeester werd ook vaak gecombineerd met andere ambten in een domein, zoals dat van jachtopziener, ontvanger van verpondingen, e.d. De rentmeester was vaak een belangrijk figuur in het domein.

De taak van de rentmeester bestond uit het innen en beheren van de leen- en pachtgelden, het controleren op naleving van regels, instructies en voorwaarden door de pachters, het (laten) administreren van de gang van zaken in het domein. De instructie voor de rentmeesters bevatte voornamelijk aanwijzingen voor zijn financiële administratie. (

NDR inv.nr. 780.

)

De rentmeester diende elke zes jaar een borg te stellen. Wat betreft de financiën was de rentmeester rechtstreeks verantwoording schuldig aan de Domeinraad. De wijze waarop die verantwoording diende te geschieden, was nauwkeurig vastgelegd in de instructies voor de rentmeesters. Zo moesten de rentmeesters ook elke maand staten inleveren van de inkomsten en uitgaven en een manuaal van inkomsten en uitgaven bijhouden. Geregeld werden de rentmeesters door de domeinraad gemaand hun maandstaten in te leveren.

Raden en rekenmeesters van de prinsen van Oranje-Nassau en hun rechtsopvolgers

[De data van de zittingsperioden van de raden zijn met behulp van de in het ARA aanwezige bronnen en literatuur niet altijd meer te achterhalen. Gegevens zijn ontleend aan de repertoria op de notulen, NDR inv.nrs. 638-679; het 'Ambtboek, inv.nr. 685-687; registers 'Gemengd domestique', NDR inv.nrs. 562-569, andere literatuur en bronnen waaraan gegevens zijn ontleend staan vermeld in de noten.]

Raden van Willem I

Van de Domeinraad van Willem I werd na de instelling in 1584 van een college van administratie voor het sterfhuis van Willem I weinig meer vernomen. De Raad functioneerde niet meer en hield op te bestaan. (

Scherft, Het Sterfhuis, p. 35.

)

  • Montanus (Steven van den Berghe), ca. 1550-1568
  • Jan van Renesse, drost van Breda, ca. 1550
  • Hugo Maubus, ca. 1550
  • Jan Hovelmans, ca. 1564
  • Jacob Vlas, ca. 1564
  • Willem de Vos, ca. 1564
  • Michiel Piggen, ca. 1564
  • Philips van Marnix van St. Aldegonde, 1569-1584
  • Pierre l'Oyseleur de Villiers, ca. 1577-1584 [Zie NNBW, V, c. 412.]
  • Thomas Vlas (Lineus), ca. 1578-1599 NNBW, V, c. 59.
  • Arend van Dorp, 1572-1584 [Zie W.W. van Driel, Familliearchief Van Dorp, 1503-1657 (inleiding en inventaris) (Den Haag, 1986, 3 delen) II, pp. 120-124.]
  • Joannes Basius, ca. 1578-1584
  • Nicolaas Bruyninck, ca. 1578-1588 NNBW, V, c. 59.
  • Paul Knibbe, tot 1584

Curatoren of administrateuren van het sterfhuis van Willem I. Decreten van de Nationale Vergadering, oktober 1796 (deel 8) p. 362.

[Zie Scherft, Het sterfhuis, pp. 29, 74-79 en 113.]

  • Philips van der Aa, 1584-1585
  • Jacob Valcke, 1584-1585
  • Mark van Steelant, 1584-1588
  • Dirk van de Nijenburg, 1584-1587
  • Casembroot, 1585-1588
  • Nicolaas Pijll, 1585-1601

Raden van Philips Willem

  • Robert Moens
  • Jan Hovelmans
  • Willem van Steenhuys
  • Jan Aerts van Rijen, kastelein en schout van Oosterhout
  • Jean Baptiste Keeremans, de belangrijkste raad van Philips Willem, in 1603 in dienst getreden. Scherft, Het Sterfhuis, p. 242. In 1606 werd hij benoemd tot superintendant over de goederen in Noord- en Zuid-Nederland.
  • David Florisse de Riquebond, ca. 1618
  • Trigault, ca. 1618
  • Jean de Accosta, ca. 1618
  • Corneille Mautens, ca. 1618

Raden van Maria van Nassau,

[Zie Het Sterfhuis, pp. 66 en 148.]

  • Jacob Vlas
  • Johan Vermeren
  • Mark van Steelant
  • Jan van Steelant
  • Philips van Steelant
  • Philibert van Turnhout

Raden van Maurits,

[Zie Het Sterfhuis, pp. 60-61, 150, 185, 228, 231, 234, 255.]

  • Van Kinschot, 1584-1603
  • De Villiers, 1584-1590
  • Philips van der Aa, 1584-1595
  • Nicolaas Bruyninck, 1584-1588 [Zie NNBW, V, c. 59.]
  • Herman van Wittenhorst, 1584
  • Valkenborch
  • Van Berlicom, -1603
  • Gijsbert van Loon
  • Andries Hessels, 1591-1600
  • Philips van Marnix van St. Aldegonde, 1584-1595
  • Jacob van Malderee, 1595-
  • Cornelis van der Mijle, 1603
  • Weresteyn, ca. 1607

Raden van de prinsen van Oranje vanaf Frederik Hendrik

  • Tijmen van Volbergen, 1645-1646.
  • Constantijn Huygens van Zuylichem, (president), 1630-1687. [H.A. Hofmans, Constantijn Huygens (1596-1687). Een christelijk-humanistisch bourgeois-gentilhomme in dienst van het Oranjehuis (Utrecht, 1983), p. 143.]
  • Nicolaas Verbold, [ca. 1637]-?
  • Laurens Buysero, 1647-[1675]
  • Aarnout van Beaumont, 1630-1678
  • David de Willem, 1634-1658
  • Arend van Dorp, 1634
  • Johan de Knuyt, 1625-1654
  • Cornelis Paauw, 1632-1668 [Zie NNBW, IX, c. 762-763.]
  • Quirijn van Strijen, 1648-1656
  • Willem van Crommon, 1651-1655
  • Nicolaas Oudart, 1654-ca. 1665
  • Frederik Rivet, 1655
  • Willem Ketting de Jong, 1656-?
  • Jacob van Wevelinckhoven, 1656-1679
  • Constantijn Huygens, heer van Zelem, (de zoon) akte van survivance, 1661
  • Tot opvolging van zijn vader is het nooit gekomen. Wel werd Constantijn door Willem III aangesteld als secretaris. Hofmans, Constantijn Huygens, p. 297.
  • Johan van Vrijbergen, 1669-?
  • Johan Wierts, 1670-1684
  • Elias Stelt, 1672-1692
  • Johan Pesters, (president tusen 1692-1703), 1679-17 03
  • Diederik van Hogendorp, 1679-1705
  • Johan Andries Eckhard, (extraordinaris), [1686]
  • Willem van Schuylenburg, 1712-1735
  • Jacob Pesters, 1717-1735
  • Matthijs Lambertus Singendonk, 1724-1739
  • Paulus Huygens van Zuylichem, 1727-1737
  • Johan Duncan, 1734-[ca. 1755]
  • Jacob Staats van Halewijn van de Werve, 1735-1741
  • Jacob Reigersman, 1739-1762
  • Everhard François Schimmelpenninck van Meerkerke, 1739-1752
  • Pieter Benjamin de Beaufort, 1739-1777
  • Jan de Back, 1742-1758
  • Johan Vultejus, 1747
  • Frans Boemer, 1750-1770
  • Frederik Hendrik baron van Wassenaar, (president), 1751-[1771]
  • Campegius van der Straten, 1754-1761
  • Isaac van Schinne, 1754-1766
  • Carel de Verdun, 1757-1788
  • Jacob Carel Reigersman, 1761-1788
  • Jan Carel van der Borch van Langetrier, 1770-1782
  • Andreas Ardesch, 1770-1788
  • Abraham Perrenot, 1775-1784
  • Joachim Ferdinand de Beaufort, 1779-1788
  • Louis Stephanus le Jeune, 178201795
  • Willem baron van Lynden tot Hemmen, (president), 1783-1787
  • Carel Balthasar Wieling, 1788-1794
  • Anthony Jan Rijgerbos, 1788-1789 [Zie NDR inv.nr. 772]
  • Hermanus Tollius, 1789-1795
  • Paulinus Henricus de Dompire de Jonquières, 1792-1795
  • Jacob Amman, 1792-1795

Raden en Rekenmeester over de geëxtraheerde goederen

  • Johan van Schuylenburg, 1712-1734
  • Johan Rijnhard van Dalwigh, 1712-
  • Jacob Wierts, 1712-1717
  • Johan van Essen, 1712-1724
  • Jacob Pesters, 1716-1734
  • Johan Vultejus, 1718-1731
  • Matthijs Lambertus Singendonk, 1724-1734
  • Paulus Huygens van Zuylichem, 1727-1734
  • Johan Duncan, 1731-1734
  • Jacob Pesters, 1731-1734

Administrateuren van de goederen van de prins van Oranje in Holand gelegen, 1795-1796

  • Jacob Amman, 1795-1796 [Zie NDR inv.nr. 805]
  • Carel Edouard Schoorn, 1795-1796
  • Pieter Thomas van Son, 1795-1796
  • Johannes Hermanus Noordbeek, 1795-1796

Administrateuren over de door de Fransen geabandonneerde goederen van de vorst van Nassau, 1796-1798

[Decreten van de Nationale Vergadering, oktober 1796 (deel 8) p. 362.]

  • Johannes Hermanus Noordbeek
  • Wijnand Egbert van Dompseler
  • Evert Temminck
  • Johannes Jacobus Loke
  • Alexander Willem Swart

Agent van Financiën, 1798-1801

[NDR inv.nr. 748, missive nr. 2.]

  • Alexander Gogel, agent
  • Alexander Willem Swart, chef de bureau
  • Evert Temminck, inspecteur

Thesaurier-generaal en raden van Financiën, 1801-1805

[Besluit Staatsbewind 3 december 1801, nr. 88.]

  • A.S. Abbema, raad
  • I.H. Appelius, raad
  • J.A. de Vos van Steenwijk, raad, later thesaurier-generaal
  • P.L. de Kasteele, raad, [Zie ARA, Archieven van het ministerie van Financiën 1798-1813, inv. nr. 211 en 1122, folio 141 recto.]
  • Alexander Willem Swart, chef de bureau, 1801-1802. [Zie NDR inv.nr. 212, folio 649 en inv.nr. 671.]
  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, inspecteur, later commissaris

Secretaris van staat voor de Financiën, 1805-1806 [NDR inv.nr. 229.]

  • A. Gogel, secretaris van staat
  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, commissaris

Ministerie van Financiën, 1806-1809

  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, commissaris

Directeur der publieke domeinen, 1809-1810

  • Badon Ghijbon, chef
  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, commissaris

Directeur der staatsdomeinen, 1810-1811

  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, commissaris

Thesauriers en rentmeesters-generaal van de prinsen van Oranje

[Ontleend uit: het Ambtboek, NDR inv.nr. 685-687 en Veeze, De Raad, p, 18 e.v.; Scherft, het Sterfhuis, pp. 30, 61, 100, 228.224.]

  • Mark van Steelant, omstreeks 1560
  • Jasper van Kinschot, 1583-1603 [Overgegaan met de administratie van het markiezaat van Bergen op Zoom.] Vanaf 1584 fungeerde hij als thesaurier van Maurits. Hij was tevens thesaurier-generaal van het markiezaat van Bergen op Zoom. [Scherft, Het Sterfhuis]
  • Godevaart Montens, 1603-[ca. 1615] (thesaurier van Maurits) [NDR inv.nr. 770, Instructie voor de thesaurier-generaal Van Panhuysen, 1616.]
  • Bartholomeus Panhuijsen, 1616-1621 (thesaurier van Maurits)
  • Catharina Vivien, weduwe en boedelhoudster van Bartholomeus Panhuijsen, 1621-1624
  • Thomas Brouart, 1625-1635
  • Tijmen van Volbergen, [1635]-1646 [Zie voor begindatum Veeze, De Raad, p. 23.]
  • Willem Kettingh de Jongh, 1646-1660
  • Pieter Ardes, 1660-1672
  • IJsbrand van Noordwijk, 1672-1678
  • Dirk Verhagen, 1678-[1688]
  • Op 27 oktober 1688 zijn de raden Willem van Schuylenburch en Diderick van Hogendorp gecommitteerd tot de zaken van de thesaurie. Verhagen stond als het ware onder curatele [NDR inv.nr. 566, folio 64]
  • Willem van Assendelft, 1701-1731
  • Johannes Cornelis Radermacher, 1732-1747
  • Campegius van der Straten, 1749-1761
  • Jacob Carel Reigersman, 1761-1795
  • Rudolph van Olden, 1788-1795
  • Abel Cesar Molière, 1795-1813

 

Overzicht van de verwerving en vervreemding van Nassause domeinen
(

De domeinen zijn naar jaar van verwerving in het schema opgenomen

)

 

Tabel met zoekresultaten in archieven
NaamdomeinjaartalVerwervingjaartalVervreemding
Breda1404Door het huwelijk van Engelbrecht graaf van Nassau met Johanna van Polanen1795Bij het Haags Verdrag van 16 mei door Fankrijk aan de Bataafse Republiek afgestaan (verder aangehaald als Haags Verdrag)
Geertruidenberg1404Idem als Breda1795Haags Verdrag
Klundert (of Niervaart)1404Idem als Breda1795Haags Verdrag
Oosterhout en Dongen1404Idem als Breda1795Haags Verdrag
Brussel, paleis1404Idem als Breda1756Verkocht aan prins Karel van Lotharingen
Mechelen, huis te1404Idem als Breda?
Lek, heerlijkheid1404Idem als Breda1627Door Maurits nagelaten aan zijn natuurlijke zoon Willem
Monster en Polanen1404Idem als Breda1795Haags Verdrag
Zundert en Nispen1404Idem als Breda?
Drimmelen1411Door graaf Willem VI van Holland met deze heerlijkheid beleend1795Haags Verdrag
Steenbergen1458Door de verdeling van het gemeenschappelijk eigendom tussen Breda en Strijen1795Haags Verdrag
Diest1499Door graaf Engelbrecht II verkregen door ruiling met de heerlijkheden Millem, Gangelt en Vught1795Door Frankrijk in bezig genomen
Zichem1499Idem als Diest1795Idem als Diest
Meerhout en Vorst1499Idem als Diest1795Idem als Diest
Burggraafschap Antwerpen1499Idem als Diest1795Idem als Diest
Roosendaal en Nispen1501Gekocht door Engelbrecht van Nassau van Claas van Rijmerswaal1795Haags Verdrag
Hooge en Lage Zwaluwe1518Geschonken door Karel V aan graaf Hendrik III van Nassau1795Haags Verdrag
Orange1544Uit de nalatenschap van René van Chalon aan prins Willem I van Oranje1702Door Frankrijk in bezit genomen
1732Aan Frankrijk
Goederen in Franche-Comté1544Idem als Orange[1702]Idem als Orange
Goederen in Dauphiné1544Idem als Orange[1702]Idem als Orange
Goederen in Bourgondië1544Idem als Orange1609Bij de verdeling van de nalatenschap van Willem I aan de dochters van Charlotte de Bourbon
Buren1551Door het huwelijk van prins Willem I van Oranje met Anna van Buren1795Haags Verdrag
IJsselstein1551Idem als Buren1795Haags Verdrag
Leerdam en Acquoy1551Idem als Buren1795Haags Verdrag
Cranendonk en Eindhoven1551Idem als Buren1795Haags Verdrag
St. Maartensdijk en Scherpenisse1551Idem als Buren1795Haags Verdrag
Goederen in Noord-Beveland - Kortgene1551Idem als Buren1670Kortgene door Willem III geschonken aan Willem van Nassau, heer van Odijk
1795Noord-Beveland: Haags verdrag
Warneton1551Idem als Buren1759Bij vonnis van de Raad van Vlaanderen aan het huis van Isenghien toegewezen
Lannoy1551Idem als Buren1618Door Philips Willem van Oranje nagelaten aan Philips van Merode, graaf van Middelburg
Beverweerd1564Door Philips Willem geërfd van zijn grootmoeder van moederzijde1625Door Maurits aan zijn natuurlijke zoon Lodewijk geschonken
Lingen1578Aan Willem I geschonken door de Staten-Generaal1702In bezit genomen door de koning van Pruisen
1735Aan de koning van Pruisen afgestaan
Veere en Vlissingen1581Gekocht door Willem I1795Haags Verdrag
Bergen op Zoom1582Geschonken aan Willem I door de Staten-Generaal1648Ingevolge de Vrede van Munster
Willemstad1582Gesticht door Willem I, door de Staten-Generaal met deze stad beleend1795Haags Verdrag
Hulsterambacht1583Beschonken aan Willem I door [Vlaanderen] als vergoeding voor het verlies van zijn goederen in Bourgondië1795Als bij Vlissingen
Grave en Cuijk1595Door Philips II aan prins Willem I in pandschap gegeven1795Haags Verdrag
1611Door de Staten-Generaal, na aflossing van het pandschap, aan prins Maurits in leen gegeven
Meurs1600Geschonken aan prins Maurits door de graaf van Nieuwland1702In bezit genomen door de koning van Pruisen
1732Aan de koning van Pruisen afgestaan
Prinsenland1604Bedijkt door prins Philips Willem1795Haags Verdrag
Het Oude Hof (huis in het Noordeinde te 's-Gravenhage)1609Geschonken door de Staten-Generaal aan Louise de Coligny en Frederik Hendrik1795Haags Verdrag
Bredevoort1612Door de Staten van Gelderland in panschap gegeven aan Maurits1795Haags Verdrag
Liesveld1612Geschonken door Erik van Brunswijk aan Ernst Casimir van Nassau1795Haags Verdrag
Naaldwijk1612Door Frederik Hendrik gekocht van de graaf van Aremberg1795Haags Verdrag
Honselersdijk1612Idem als Naaldwijk1795Haags Verdrag
Wateringen1612Idem als Naaldwijk1795Haags Verdrag
Ter Brake1617Door Philips Willem gekocht van de Johannieter orde1795Haags Verdrag
Châteaurenard[1620]Door Louise de Coligny aan Frederik Hendrik nagelaten1647Verkocht
Huis Nieuwburg te Rijswijk1630Door Frederik Hendrik gekocht van Philibert Vernatti1793Het huis door Willem V gesloopt en verkocht
Zuylenstein1630Door Frederik Hendrik gekocht van de Staten van Utrecht1640Door Frederik Hendrik geschonken aan zijn natuurlijke zoon Frederik
's-Gravenzande en Zandambacht1638Door Frederik Hendrik gekocht van de Staten van Holland1795Haags Verdrag
Huis ten Bosch ('s-Gravenhage)1645Gesticht door Amalia van Solms1795Haags Verdrag
Montfort1647Bij de Vrede van Munster door Spanje aan prins Willem II afgestaan, levering vindt plaats in 16531795Haags Verdrag
Turnhout1647Bij de Vrede van Munster aan Amalia van Solms afgestaan1732Aan de koning van Pruisen afgestaan
Zevenbergen1647Idem als Turnhout1795Haags Verdrag
Dieren1647Door Willem II gekocht van de Commandeurs van de Duitsche Orde in Utrecht1795Haags Verdrag
Soest, Baarn, Ter Eem en Eemnes1674Door de Staten van Utrecht aan Willem III opgedragen1795Haags Verdrag
Oranjewoud1676Gekocht door prinses Albertina Agnes van Barent van Sevenaer1795Haags Verdrag
Goederen in Bentheim1677Door de Staten van Overijssel aan Willem III geschonken1795Haags Verdrag
Tol over de Maas bij Gennep1678Geschonken door de keurvorst Brandenburg aan Willem III1732Aan de koning van Pruisen afgestaan
Hoog-Soeren1678Geschonken door de Staten van Gelderland aan Willem III1795Haags Verdrag
Het Loo1684Door Willem III gekocht van Johan Carselis van Ulst1795Haags Verdrag
Ameland1704Gekocht door prinses Amelia van Anhalt-Dessau van de familie Schwartzenberg1795Heerlijke rechten worden verbeurd verklaard en ameland bij Friesland gevoegd
Culemborg1748Door het kwartier van Nijmegen geschonken aan prins Willem IV1795Haags Verdrag
Borculo en Lichtenvoorde1776Gekocht door prins Willem V van vorst Czartoriski1795Haags Verdrag
Oploo1778Gekocht door prins Willem V van een lid van de familie Van Welderen1795Haags Verdrag

 

Overzicht van leengoederen van de prins van Oranje
(

Gebaseerd op het overzicht van leengoederen, opgesteld in 1766 (Zie NDR inv.nr. 1543, bijlage nr. 36). Schuingedrukt zijn de namen van leenheer en/of leenkamer. De nummers tussen {} zijn volgnummers van het leenregister van Holland.

)
Luxemburg

1. Hare Keizerlijke en Koninklijke Majesteit/Provinciale Luxemburgse leenkamer

A.

1.het graafschap van Vianden en de heerlijkheden van Daasburg, St. Vith en Butgenbach
Oostenrijks Brabant

2. Hare Keizerlijke en Koninklijke Majesteit/Provinciale Leenkamer van [Oostenrijks] Brabant te Brussel

B.

1.1burggraafschap van Antwerpen
1.2de stad, 't land en de heerlijkheid van Diest met watertol, veertol en doorvaart van de rivier en helft van de voogdij van Webbekom
1.3het slot, de stad en 't land van Zichem met de heerlijke rechten
1.4de stad, 't land van Scherpenheuvel met de heerlijkheid en jurisdictie
1.5de helft van het dorp Meerhout met water- en windmolen, rechten, pachten etc.
1.6de andere helft van Meerhout met Vorst met rechten, cijnzen, etc., exclusief de hoge heerlijkheid, en een huis in Meerhout
1.7negen bunder land in Wolmerschem
1.8de manschappen en achterlenen genoemd in het leenboekje Diericx van Heetvelde omtrent Antwerpen
2.1windkorenmolen 'de Akkermolen' in Baarle-Hertog onder Turnhout
-Grimbergen met Londerzeel. (

Niet genoemd in de lijst. In 1757 verkocht aan hertog de Croy.

)
Staats-Brabant

3. Staten-Generaal/Raad van Brabant/Leenkamer van Brabant te Den Haag

C.

1.1de stad, 't land en het huis van Breda met de stad Steenbergen
1.2de hofstede Wayenberg met acht bunders land
1.3het dorp Zundert met hof, molen, wateren etc.
1.4de goederen en heerlijkheden, de dorpen Maarheze, Budel en Soerendonk met de heerlijkheden
2.de heerlijkheden van Wernhout
3.de stad Grave en het land van Cuijk
4.de stad Eindhoven, het land en de burcht van Granendonk met de heerlijkheden, de dorpen Maarheze, Budel en Soerendonk met de heerlijkheden
5.de stad Willemstad met de polder van Ruigenhil

4. Leenkamer van de abdij van Tongerlo

D.1/4 part in de tienden van Luiks Gestel

5. Raadsheer De Bordry/het Huis Hondsum

E.3 zillen beemt te Vorst in de Veeken Broek

6. Commanderij van Beckevort

F.een erfcijnx van vier halsteren rogge uit een bunder land onder Beckevort

7. Abdij van Echternaken of Echternach

G.1twee hoeven genaamd Ten Rolde en Wildert gelegen te Waalre
G.2twee scheuten tiende tot Oss

8. Gulden Huis van Rixtel

H.een erf, groot omtrent drie lopen zaailand onder St. Oedenrode
cijnzen onder Eerschot:
- zeven lopen rogge en een half en drie stuivers
- zeven lopen rogge en vijf stuivers uit drie lopen zaailand genaamd het Raamken
- zeven en een halve lopen rogge uit hetzelfde stuk land
- achttien groten uit een erf tot Eerschot
- vier groten uit een hofstede tot Eerschot
- twee en een halve stuiver uit een hofstede tot Eerschot
- tien lopen rogge uit een landje genaam het Raamken
- achttien groten uit een erf tot Eerschot
- zes groten uit een hofstede in Eerschot
Gelderland

9. Provinciale Gelderse Leenkamer

I.

1.1het slot en kasteel aan de noordzijde van de stad Culemborg met burcht en stad Culemborg met de heerlijkheden daartoe behorende en landen en tienden in het broek van Landsmeer
1.2de hofstede Muijswinkel met 55 morgen land in Ravenswaay
1.3erven in Rijswijk [Gld] groot 30 morgen land
1.4het huis binnen Vianen en 16 morgen land
1.5twee hoeven land tot Beesd
1.6het huis te Vredestein met hofstede en 5 morgen land geheten de Geroenen in Selmonde
1.7de steenweerd boven Wijk bij Duurstede aan de Stichtse zijde gelegen
1.8de weerd te Beusichem met de aanval buitendijks gelegen te Lekkerweerd met de Rode tiende
1.9de Groesbeker tiende in Avezaath
1.10het huis 't Loo met de helft van de erfgerechtigheid p het water van het dorp Apeldoorn waar de korenmolen gevestigd is
1.11een stukje land, groot een halve schepel gezaai, voor het Posmeestershuis langs de Hoge weg en een akkertje voor het Hoveniers huis langs de gemene weg naar Apeldoorn en nog een schepel gezaai aan de overzijde, afgesplitst van het goed Ten Have in Apeldoorn
1.12het hof tho Ochten in Ellecom met zeven delen en een keurdeel in het Ellecommer bos en een half deel in het Dierense bos en een hofstede tot Dieren
1.13vier schepel gezaai ten oosten an de gemene weg van Apeldoorn afgesplitst van het goed Ten Have in Apeldoorn
1.14het Veerengoed te Dieren gelegen tussen de erven van de heren van Bronkhorst en het hof te Dieren
2.de hofstede Reijgersvoort met 12 morgen land onder Tricht met de visserij voor Tricht bij Malsems sluis, een hoeve land op Acquoy, 2 guntmeren tot Reijgersvoort en een kampje land, geheten 'het kleijn weijdeken' te Salmonde

10. Provinciale Rekenkamer van Gelderland/Leenkamer van Bahr en Lathum

K.het erf en goed Middeldorp in Ellebom met huis, hof en boomgaard, groot zeven molders gezaai en drie en een half morgen weiland in drie percelen en een deijlinge in het Ellecomse bos

11. De heer van Tengnagel/Leenkamer van de heerlijkheid Bronkhorst

L.het erf en goed Avegoor in Ellecom

12 Baronesse Van Ensse/Leenkamer van het huis Swanenburg

L.het hof Schonevelt en de erven Goerverdink, Vaegedink, Nennenkate, het Lutteke Broekhuijs en Sligtenoorth gelegen in Wilsum, kerspel Ulsem in het nedergraafschap Bentheim
Holland

13. Staten van Holland/Grafelijkheid

M.

1.1de maarschalkerij van Noord-Holland {1720}
1.2een kleine tiende bij delft geheten de Draaijenburger tiende {1721}
1.3een korentiende en smaltiende in Maasland {1722}
1.4een korentiende en smaltiende genaamd de Zuid-Maaslandse tiende {1217}
1.5de tiende in Hodenpijl bestaande in vier percelen waarvan de ene genaamd is: nieuwe poldertiende {1213}
1.6de tweede: oude poldertiende {1214}
1.7de derde: nieuwe poldertiende {1215}
1.8de vierde: de tiende achter de kerk van Schipluiden {1216}
1.9in De Lier het huis met 62 morgen land en een tiende {1723}
1.10de ambachtsheerlijkheid van Capelle met huis en hofstad en grote en kleine tienden {1724}
1.11de hofstad, huis en goederen van Teijlingen in het ambacht van Warmond {1725}
1.12de wind in de parochie van Rijswijk {1726}
1.13tot Rijswijk een cijns van 15 schellingen en uit de schote aldaar 8 schellingen {1727}
1.14een korentiende in het ambacht van Rijswijk {1728}
2.15hoge heerlijkheid en ambachtsheerlijkheid van Monster {1729}
2.16alle heerlijkheden en gerechten van Monster, Monsterambacht, Poeldijk, Ter Heijde en half Loosduinen {1730}
2.17het huis en hofstede van Polanen, boven en beneden, met de steenwerf alsmede de nederhoven binnen de uiterste grachten, 28 morgen land onder Monster, de windmolen te Monster en de wind tot Voswijk {1731}
2.18de grote en smalle tienden in Monsterambacht {1733}
2.19de poldertiende tot Monster {1734}
2.20een kleine koren- en smalle tiende tot Monster {1735}
2.21de korentiende tot Monster {1736}
2.22de helft van de tiende van Loosduinredijk {1737}
2.23tien morgen land te Monster {1738}
2.24tien morgen land genaamd Waijlandt in Monster {1739}
2.25een kleine tiende in het ambacht van Monster genaamd Heer Gerards de Bruijne tiende {553}
2.26de korentiende en smaltiende in het ambacht van Monster en in Poeldijk genaamd de Tiende van Arkel {1110}
2.27de helft van een korentiende in het ambacht van Monster genaamd Loosduinredijn {1740}
2.28de korentiende en smaltiende op Heren Willemsveen en erfhuren van de venen aldaar {1741}
3.29de tienden en goederen in de ban van Monster {1370}
4.30de ambachtsheerlijkheid van Naaldwijk {1732}
4.31de hoge heerlijkheid van de parochie en de heerlijkheid van Naaldwijk {1742}
4.32de grote korentiende in het ambacht van naaldwijk {1743}
4.33de tienden tot Honselersdijk {1744}
4.34de wind in de parochie van Naaldwijk {1745}
4.35de heerlijkheid van Honsel met toebehoren {1746}
4.36de heerlijkheid van 's-Gravenzande en Zandambacht met alle toebehoren {1747}
4.37het ambacht van Wateringen met toebehoren, de tienden in de Hoek groot 21 morgen land in de Poel, vijf morgen, en twee kampen groot 8 morgen, het goed te Haijmonde, 3 ponden en 15 schellingen uit de buttinge te Wateringen, het Gerrit Gerritsz. veer in Wateringen groot 21 morgen, het Hondertland binnen- en buitendijks met de heerlijkheden en 8 ponden uit de jaarbede van Wateringe {1748}
4.38een tiende genaamd de grote tiende in het ambacht van Wateringen {1749}
5.39de heerlijkheid van Hooge en Lage of Strijense Zwaluwen met toebehoren, o.a. de rietwaard Hollards Hille en de Eersthille met 't Hilleken de Blaak {1750}
6.40de ambachtsheerlijkheid van Drimmelen met toebehoren {2115}
7.41de ambachtsheerlijkheid en gerecht an Over Waspik {1748}
7.42de hoge heerlijkheid, heerlijkheid en ambachtsheerlijkheid van Geertruidenberg en de Made, met de wind, het recht an landpoorteren, de tol tot Randenrode, de gruit te Leijndoek en Burgveld, het recht van patronaatsschap en de geestelijke goederen {955}
7.43de stad, slot, land en heerlijkheid van Zevenbergen met alle toebehoren {1078}
7.44de ambachtsheerlijkheden en gerechten van Almonde, Dubbelmonde, Twintighoeven en Standhazen met de tienden, molen, veren, visserijen vogelerij, gruiten, formenteiten, wilderden, moeren en de moeren boven Standhazen tot de palen an Brabant met de ambachtsheerlijkheid van de moeren {1751}
7.4512 hoeven moers en wilderden met alle tienden, renten en vervallende nutschappen in Stevensambacht {1752}
7.46tienden en renten in het ambacht van Drimmelen {1753}
7.47de heerlijkheid van Niervaart met alle toebehoren {1754}
7.48her Geerland van Drimmelen, groot 27 morgen {1779}
7.49de ambachtsheerlijkheden en gerechten van Nieuw Lekkerland, Gijbeland, Brandwijk, Bleskensgraaf en Stevenland met tienden, veren, veersteden en alle toebehoren {1778}
8.50de ambachtsheerlijkheid van Heemskerk en van Castricum met cijns, vrije vroonschulden en toebehorende tienden
8.51de hofstede waarop het huis Heemskerk placht te staan, binnen de uiterste grachten en daarbinnen alle hoge en lage gerechten {1781}
8.52op Hogendorp tot Heemskerk 14 viertel lands, de molenwerf, hof en tuin aldaar, de grote vrije Gorsweide groot 28 geersen; het kleine vrije Gors groot 12 geersen; 40 matmaden en 2 geersen land achter het huis op Akkermade {1782}
9.53het markgraafschap van Veere met alle toebehoren {1755}
9.54de stad en heerlijkheid van Vlissingen en Domburg met toebehoren {1756}
10.55de stad en heerlijkheid van Westkapelle met alle juristictie, tol, vond, zeedrift, bastaarden, onbeheerde en geconfisqueerde goederen, etc. {1767} [1 in 1649 aan Middelburg verkocht]
10.56de duinen en gevolgen van de zeedriften met andere gerechtighede beginnende met de afgang van 's Heren Westduinen en de jurisdictie van comburg met de polder strekkende voorbij Zoutelande {1768}
10.57het recht van balance en issue en de recognities voor het recht van de wind {1796}
10.58de baljuwschap en de secretarie {1770}
10.59de accijnzen op wijen en bier in Westkapelle {1771}
10.60de betaling van Tabbaarden en Bonnetten voor de wethouders {1772}
10.61's Heren Vronen Zuid en Noord {1773}
11.62het land van St. Maartensdijk met alle heerlijkheden en schonissen binnen en buiten {1757}
11.63de ambachten in de parochie van Scherpenisse afkomstig van Frank van Borssele {1759}
11.64het huis, dorpen en eigen goederen an St. Maartensdijk {1759}
11.65ambacht van huis en dorp St. Maartensdijk, groot 16 gemeten {1760}
11.66de tienden gelegen in Mallandt en het ambacht van Poortliet {1761}
11.67de heerlijkheid, stad, slot en boomgaard van Kortgene met 993 gemeten ambacht {1774}. In 1670 aan de heer van Odijk geschonken.
12.68Gaspaarden, Everdingen, Goilberdingen, Tulle en Honswijk {985}
12.69Everdingen en Goilberdingen {958} (

In 1680 van Gaspaarden, Tullen en Honswijk gesplitst.

)
12.702 hoeven land in Acquoy en 25 1/2 morgen land in de Rippekerwaard {986}
12.71Lang-Bolgerij met de heerlijkheid, gelegen in Zijderveld {987}
13.72het slot en heerlijkheid van Acquoy {1775}
14.73het slot, stad en heerlijkheid van Leerdam en van der Lede {1776}
14.74de heerlijkheid van Ijsselstein
15.75het kasteel en sterke huis van Liesveld met de heerlijkheid {521}
15.76de heerlijkheid van half Nieuwpoort {522}
15.77de gerechte helft van Nieuwpoort met gerechten en toebehoren {522}
15.78de heerlijkheid van Ammers Graafland en Gelkenesse van de achterlanden {523}
15.79de koren- en smaltiende van Ammers Graafland, de achterlanden en Poelwijk {523}
15.80een korentiende in Gelkenesse, in honte land en in Graveland tussen Nieuwpoort en de kerk van ammers {525}
15.81de heerlijkheid van het dorp van Ottoland in de alblasserwaard {526}
15.82de hoge heerlijkheid van Peursumambacht {527}

14. Willem Suurmond/Leenkamer van Raaphorst

N.een tiende gelegen aan de zuidzijde van de Gantel in de parochie van Monster en van Naaldwijk tussen de Swartendijk en de oude Poel vanouds genaamd Saal Bogaarts Tienden en de smaltienden aldaar

15. Graaf van Wassenaar/Leenkamer van Wassenaar en Zuidwijk

O.

1.1een korentiende tot Wateringen
1.2een kleine tiende in Wateringen genaamd de sondige Tiende
1.3de smaltiende in Wateringen

16. Ridderschap en Edelen van Holland en West-Friesland/Abdij van Rijnsburg

P.de tienden vanouds genaamd de Alengeest en nu de Paarhorsttienden met smaltienden gelegen in Monsterambacht

17. Weduwe van de advocaat-fiscaal A. van Wesele/Hofstad en baronie van Haarlem

Q.de hofstad van de Hoge en Lage Doortogt, groot 64 morgen land, in het ambacht van Monster
Zeeland

18. Staten van Zeeland/Grafelijkheids Leenkamer

R.

1.0de stad en heerlijkheid van Veere als markgraafschap
1.1de stad van Veere met het kasteel van Sandenburg en 300 gemeten land zijnde de vrijheid van Veere
1.2het Dorp van de Polder
1.3het schor strekkende na Arnemuiden
1.4de stad, het land en heerlijkheid van Vlissingen
1.5het ambacht van Sandijk
1.6land in Oud-Vlissingen
2.1het land van St. Maartensdijk met de heerlijkheden
2.2de polder van Waarhede
2.3de abmachten in Scherpenisse gelegen, afkomstig van Frank van Borssele
2.4het huis van St. Maartensdijk en de dorpen daarbij liggende
2.5het ambacht van het huis en de dorpen van St. Maartensdijk
2.6de tienden gelegen in Malland en in Old Ambacht van Poortvliet
3.1ambacht in Walcheren, in Vlissingen groot 37 gemeten 17 roeden
3.2ambacht in het nieuwe land van Cats in partijen groot 25 gemeten 278 roeden
3.3ambacht in Cats beweste 's-Walts, Hamerstede, Redekingen en Nieuwer Kerke in twee partijen groot 774 gemeten 228 roeden
3.4ambacht in het Noordambacht van Emelisse en Serwitte Kinderen ambacht in drie partijen 180 gemeten 24 roeden
3.5ambacht voor de Meershoek in twee partijen groot 180 gemeten en 24 roeden
3.6ambacht in Welle en Koningsheim in zeven partijen groot 2978 gemeten en 41 roeden
3.7ambacht in Geersdijk en Wissekerke in 254 gemeten en 100 roeden
3.8ambacht in Colijnnplaat groot 535 gemeten en 51 roeden
4.1ambacht in de polder van Ravensoort groot 150 gemeten
4.2ambacht in de polder van der Muijden groot 188 gemeten
4.3ambacht in Claas van Steelands polder groot 60 gemeten
4.4ambacht in St. Martenspolder groot 60 gemeten
5.zes partijen tienden in oud en nieuw Noord-Beveland
6.228 gemeten in 's-Gravenhoeksken onder nieuw Noord-Beveland met ambachtsrecht en ambachtsgevolge
7.1 gemet onder Sandijk waar de molen op staat
Utrecht

19. Staten van Utrecht/Provinciale Leenkamer

S.

1.goederen in het graafschap van Culemborg zonder specificatie
2.het goed genaamd de Oelte gelegen in Baarn

20. Staten van Utrecht/Leenkamer van Montfoort

T.

1.14 morgen land gelegen in Meerlo onder IJsselstein
1.24 morgen land mede gelegen in Meerlo
1.34 1/2 hond lands op het Oude Land onder Ijsselstein
2.6 morgen land gelegen in het land van Ijsselstein, op het overoude land in de Rodercamp
3.24 1/2 morgen land waarvan de 12 morgen bepaald zijn met haar uiterdijk aan de oostzijde van het huis van Liesveld strekkende tot de Tiendweg en de 12 1/2 morgen aan de westzijde van het voorschreven huis strekkende tot aan de Nieuwe Wetering

21. Proosdij van het Domkapittel

V.

1.124 morgen land en 2 morgen 'eijgen' op Redingmeervelt [Culemborg]
2.de Weerden buitendijks [Culemborg]
3.de tienden op de Koornweerd [Culemborg]
4.de cijns binnen Culemborg, zo van geld, van was als van renten
5.8 morgen land gelegen in Amerongen

22. Proosdij van Oud Munster

W.

1.1 hoeve land gelegen onder Maurik op de Bisschops Graff in het overgericht van Langsmeer
2.een halve hoeve gelegen in het nedergericht van Langsmeer

23. Kapittel van St. Jan

X.

1.de tiende gelegen achter Culemborg in het Wijdhuizer veld
2.de halve tiende tot Weijde [Culemborg]
3.de Coolhorster tienden [Culemborg]
4.de tienden tot Ravenswaay [Culemborg]
5.niet gespecificeerde lenen waarmee de vorige eigenaars bekend waren
Buren

24. Zijne Hoogheid zelf

Y.goederen onder het graafschap Culemborg
IJsselstein

25 Zijne Hoogheid zelf

Z.een stuk grasland onder Baarn, groot 5 dammaten, gemeenlijk genaamd de Staten Graskamp nemende zijn inrit op het achterweggetje, beoostende de entree van Zijne Hoogheid

 

Overzicht van de afkortingen gebruikt in de eigentijdse toegangen
Tabel met zoekresultaten in archieven
AfkortingVerwijst naarInventarisnummers
f (=folio)bladzijde meestal in Rprov en in repertorium inv.nr. 637 naar registers 561-5787
Geest r, gRkopieboeken uitgaande stukken geestelijke goederen en aanstellingen560-561, 596-597
geextrGeest ridem, in de geëxtraheerde domeinen (1713-1734)575-576, 596
geextrRzie Rgeextr
gemR'Gemengd domestiquen': stukken betreffende aanstellingen, instructies en beloning van leden van de hofhouding562-569
Liasniet meer van toepassing
Not, Notasnotulen/notulen geëxtraheerde goederen1-83, 1510-1525
NotGeextrnotulen geëxtraheerde goederen1510-1525
RCanonregister uitgaande stukken geestelijke goederen en aanstellingen in graafschappen596-597
RGeextrregister uitgaande stukken geëxtraheerde goederen1528-1530
RGemzie gemR
RGr'register Graafschappen': uitgaande stukken van belanghebbenden in de graafschappen Lingen, Meurs, Leerdam en Acquoy, Culemborg en IJsselstein587-595
ROregister Oranje (niet meer van toepassing)
RProv'register Provinciale heerlijkheden': uitgaande stukken aan belanghebbenden in de provinciale domeinen598-625
RVicregisters betreffende predikanten en andere kerkelijke vunctionarissen570-577
SecreteNotsecrete notulen552-553, 188-189, 188-190, 194-197
vvide (=zie)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in