gahetNA in het Nationaal Archief

Nassause Domeinraad / Anna van Buren

1.08.06
S.W.A. Drossaers
Nationaal Archief, Den Haag
1955
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.06
Auteur: S.W.A. Drossaers
Nationaal Archief, Den Haag
1955
CC0

Periode:

1166-1580

Omvang:

12,30 meter; 2316 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Middelnederlands, een gedeelte is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Charters en geschreven documenten, kennis van het middeleeuwse handschrift is noodzakelijk.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit archief bevat charters en stukken betreffende de goederen en rechten, door Anna van Egmond, gravin van Buren, medegebracht bij haar huwelijk met Willem I. Het gaat dan voornamelijk om stukken betreffende aan de van Egmonds toebehorende heerlijkheden (o.a. Buren, IJsselstein, Arkel) over o.a. aankomsttitels, goederenbeheer, verhouding tot de landsheer, bestuur en rechtspraak, militaire aangelegenheden en waterstaatszaken. Daarnaast zijn er ook stukken betreffende onroerende goederen en inkomsten uit goederen niet gelegen in aan de Egmonds toebehorende heerlijkheden, betreffende collatierechten en betreffende personen, voornamelijk uit het geslacht van Egmond.

Archiefvormers:

  • Raad van de graaf van Buren te Buren
  • Raad en Rekenkamer van de prins van Oranje te Breda

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De bezittingen van Anna van Egmond

In dit deel worden de stukken behandeld betreffende de goederen en rechten, door Anna van Egmond, medegebracht bij haar huwelijk met WILLEM I, berustende deels op het kasteel te Buren, deels in de Rekenkamer te Breda in het jaar 1581, voor zover deze stukken later onder de Domeinraad te 's-Gravenhage zijn gekomen.

De Egmonds, begonnen als advocati en leenmannen van de abdij, wisten zich van deze banden, voor zover deze niet in hun voordeel waren, in het einde van de 14e en het begin van de 15e eeuw los te maken. Zij waren rijk door huwelijken en gezocht om hun rijkdom, o.a. als geldschieters van hun souvereinen, hetgeen hun weer hoge ambten bezorgde. De eerste aanwinst door huwelijk was de heerlijkheid IJselstein, waarnaar zij zich noemden, totdat zij graven van Buren werden. Niet minder belangrijk was het huwelijk van Jan II in 1409 met Maria van Arkel, van moederszijde erfgename van Gelre en Zutfen, van vaderszijde van de Arkelse goederen, die o.a. aanspraken op Leerdam inhielden. Frederik vermeerderde het bezit met Buren door schenking, met Cranendonk en Eindhoven door koop en met Leerdam door bevestiging van de bovengenoemde aanspraken. Door zijn huwelijk met Aleid van Culemborg kreeg zijn zoon Floris de Zeeuwse goederen Sint-Maartensdijk, Scherpenisse e.a.. Floris zelf kreeg door huwelijk de pandschap van Grave en Kuik, door gift Jaarsveld, door koop Ackoy, en Cortgene door erfenis. Zijn schoondochter Françoise de Lannoy eindelijk bracht bij haar huwelijk met Maximiliaan van Egmond, behalve Odijk en Beverweerd, enige goederen in Frankrijk mede, waarvan haar kleinzoon Philips Willem de meeste verkocht. Hetzelfde deed hij met Jaarsveld, dat Floris in 1489 van Maximiliaan van Oostenrijk had gekregen.

De Raad van de graaf van Buren

Het beheer van de goederen van de Burense tak van het geslacht Egmond was te Buren gecentraliseerd.

Een Raad vinden we te Buren, evenals dit te Breda het geval was, eerst in het eerste kwart van de 16e eeuw in de stukken vermeld. In 1522 gaan inwoners van Sint-Maartensdijk in beroep bij de Raad van de graaf. In 1527 houdt de Raad zich bezig met de verdediging van Buren. In Buren zelf, waar van ouds beroep op de Hoge Brug van het kasteel bestond, werd bij ordonnantie van 1545 beroep van de Brug op 's graven Raad toegestaan.

Uitgezonderd de bemoeienis met de verdediging, die men onder politie zou kunnen indelen, schijnt de Raad te Buren zich uitsluitend met justitie te hebben ingelaten en niet met administratie. Het woord Rekenkamer komt dan ook in de stukken niet voor. Dat de raad Brielis Van Rapenburch zich zowel herhaaldelijk naar Sint-Maartensdijk begeeft om processen te beëindigen als te Buren rekeningen controleert en afhoort, moet dan als een personele unie beschouwd worden van lid van de Raad en toezichthouder op de rentmeesters en de rentmeester-generaal.

Hoe het ook zij, de beheersfunctie over de Burense goederen is later overgegaan op de Raad en Rekenkamer te Breda. De Raad van Buren ging in 1581 uiteen.

De Raad en Rekenkamer te Breda

Na de dood van zijn vrouw Anna Van Egmond (1558), belastte Willem I als voogd van zijn zoon Philips Willem, die de nalatenschap van zijn moeder had geërfd, de Rekenkamer te Breda met het opperbeheer. De rentmeestersrekeningen werden te Breda afgehoord of ter plaatse door afgevaardigden uit Breda, die zo nodig elders zitting hielden bv. te IJselstein; de Raad werd gehoord bij het nemen van beslissingen en zonder zijn voorkennis mochten geen verpachtingen worden gehouden. Dit zijn slechts enkele van de vele voorbeelden van zijn bemoeienis met het beheer van het Burense goederencomplex. In 1563 kreeg de Raad te Breda dan nog de bevoegdheid in appèl recht te spreken in processen te Buren, IJselstein, Leerdam óf elders, een bevoegdheid, die de Raad van de graaf van Buren had bezeten(

Zie Ie deel, bl. XXIII.

).

Na de confiscatie van de goederen van prins Willem I in 1568 werkte de Raad te Breda onder oppertoezicht van de Raad van Beroerten. Voor de goederen van Philips Willem stelde Philips II daartoe twee momberheren aan, Charles, baron van Berlaymont, hoofd van de Financiën, gouverneur van Namen, en Philippe, heer van Oignies, groot-baljuw van Brugge en het Vrije, beide verwanten van de pupil van moederszijde, die beide te vergeefs hadden getracht zich aan de benoeming te onttrekken(

Afschrift van de akte van aanstelling in het Kon. Huisarchief zie Inv. XII Afd. 5, no. 14.

). De raad Hovelmans te Breda werd door de voogden belast met het beheer.

Nadat de prins bij de pacificatie van Gent in het bezit van zijn goederen hersteld en in 1577 teruggekeerd was, droeg hij het beheer van de goederen van Philips Willem op aan zijn dochter Maria om dat tezamen met haar vader te voeren, d.w.z. zij zou in alles door zijn raden gekend worden. Na zijn dood (1584) werd zij door de Staten-Generaal gemachtigd het beheer over de moederlijke goederen, gelegen binnen de Verenigde Provinciën, te blijven voeren en daartoe raden te benoemen. Deze raden waren te Delft gevestigd, totdat de graaf van Hohenlohe, met wie Maria in 1595 gehuwd was, in 1603 een Rekenkamer te Buren instelde (

Verslag omtrent oude gemeente- en waterschapsarch. in de prov. Utrecht over 1892 R. Fruin, Inventaris van het archief der Gemeente IJselsten, no. 20.

).

In 1609 nam Philips Willem zelf het beheer in handen, waartoe hij in 1606 toestemming had gekregen van de Staten-Generaal. Hij vestigde zijn Rekenkamer te Breda(

Zie verder de Inleiding tot het Ie deel.

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in