gahetNA in het Nationaal Archief

Nassause Domeinraad / Anna van Buren

1.08.06
S.W.A. Drossaers
Nationaal Archief, Den Haag
1955
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.06
Auteur: S.W.A. Drossaers
Nationaal Archief, Den Haag
1955
CC0

Periode:

1166-1580

Omvang:

12,30 meter; 2316 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Middelnederlands, een gedeelte is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Charters en geschreven documenten, kennis van het middeleeuwse handschrift is noodzakelijk.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit archief bevat charters en stukken betreffende de goederen en rechten, door Anna van Egmond, gravin van Buren, medegebracht bij haar huwelijk met Willem I. Het gaat dan voornamelijk om stukken betreffende aan de van Egmonds toebehorende heerlijkheden (o.a. Buren, IJsselstein, Arkel) over o.a. aankomsttitels, goederenbeheer, verhouding tot de landsheer, bestuur en rechtspraak, militaire aangelegenheden en waterstaatszaken. Daarnaast zijn er ook stukken betreffende onroerende goederen en inkomsten uit goederen niet gelegen in aan de Egmonds toebehorende heerlijkheden, betreffende collatierechten en betreffende personen, voornamelijk uit het geslacht van Egmond.

Archiefvormers:

  • Raad van de graaf van Buren te Buren
  • Raad en Rekenkamer van de prins van Oranje te Breda

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • R. FRUIN, Verslag omtrent oude gemeente- en waterschapsarchieven in de provincie Utrecht over 1892. IDEM, De vrije heerlijkheden, gelegen in het grensgebied tusschen Gelderland, Holland en Utrecht. In : Versl. En Meded. Oud-Vad. Recht VIII, bl. 352 e.v. J.J. DE GEER, Eiteren en IJsselstein. In : Bijdr. tot de gesch. en oudh. der prov. Utrecht, 1860, bl. 1-179 ; IDEM, Onuitgegevene oorkonden betreffende het slot, de stad en de heerlijkheid van IJsselstein. In : Codex Dipl. van het Hist. Gen. te Utrecht IV: 2, 1860, bl. 78-167. W.A. VAN SPAEN, Historie der heeren van Amstel, van IJsselstein en van Mynden, 1807. A. JOH. MARIS, Uit de Geschiedenis van Polsbroek. In : Jaarboekje van Oud-Utrecht, 1944.

      De hoge heerlijkheid van IJselstein kwam door het huwelijk van GYOTE, erfdochter van IJselstein, met JAN I, heer van Egmond, in 1330, aan de EGMONDS. Zij omvatte het slot en de stad van die naam en de drie schoutambten IJselstein, Benschop en Noord-Polsbroek. In het schoutambt IJselstein lagen de gerechten Opburen of Oudeland, Meerlo en Overijsel, later IJselveld geheten, die gaandeweg, als delen van IJselstein, niet meer afzonderlijk genoemd worden. Nagenoeg het gehele gebied werd oorspronkelijk in erfpacht of in leen gehouden 1e van het Sticht d.w.z. de bisschop of de kapittels van de Dom, Oudmunster of St. Marie, 2e van de Amstels, van wie de heren van IJselstein in een jongere tak afstamden, en 3e van Holland

      De Stichtse lenen.

      ARNOUD VAN AMSTEL kocht in 1277 het gerecht van Eiteren aan weerszijden van de IJsel met cijns, veer en visserij van WALTER UTEN GOYE, met goedvinden van JOHAN VAN KUIK als leenheer, die zelf voor deze goederen weer leenman was van het Sticht(

      Inv. no. 3.

      ) Dit was blijkens een beleningsakte van 1319(

      Inv. no. 13.

      )
      de hoge heerlijkheid over het gebied, dat zich uitstrekte links van de IJsel van Opburen tot Snodelhoek en rechts van het Gein tot Fellenoord. Bij de villa Eiteren was vóór 1279 de burcht IJselstein gebouwd, waarschijnlijk door GIJSBRECHT VAN AMSTEL heer ARNOUDSZ., de eerste AMSTEL, die zich naar IJselstein noemde en die in een akte van 1279(

      Cod. Dipl., IV : 2, bl. 85 en DE GEER, bijdr., bl. 355.

      )
      spreekt over zijn voorvaders, die heren waren van Benschop, Noord-Polsbroek en IJselstein, "dat daer toe behoert". Bij deze burcht, die een Hollands leen was, kwam de latere stad tot ontwikkeling, vooral toen de parochiekerk van Eiteren naar IJselstein was verplaatst, waar zij in 1310 onder het patronaat van St. Nicolaas werd ingewijd. In 1331 had IJselstein stadsrecht. Dit, behalve de burcht, Stichtse leengoed, verkocht OTTO VAN KUIK in 1327 met al zijn andere lenen en manschappen in het Sticht aan WILLEM III, graaf van Holland, waarbij hij zijn leenheren verzocht er de graaf mede te belenen(

      F. VAN MIERIS, Groot charterboek der graaven van Holland enz., I 1753, bl. 379.

      )
      Van die belening komt in de practijk natuurlijk niets en Holland beschikt er verder over als over vrij goed

      De Amstelse lenen.

      Van heer GIJSBRECHT, heer van Amstel, hield zijn neef, de bovengenoemde GIJSBRECHT, heer van IJselstein, gerecht, tienden, de kerkgift en 32 morgen land in Benschop, gerecht en tienden van Noord-Polsbroek en het halve gerecht van Opburen in leen. Deze goederen gaf JAN II, graaf van Holland, in 1300 na verbeurdverklaring wegens medeplichtigheid aan de moord op FLORIS V, aan zijn broeder, GUY VAN HENEGOUWEN, gedurende diens leven of totdat hij een bisdom of een daarmee gelijk te stellen goed zou krijgen(

      A.W., bl. 11.

      ) Tegen deze afspraak in gaf GUY, bisschop van Utrecht geworden, de goederen niet terug maar beleende er in 1314 heer GIJSBRECHT, heer van IJselstein mede, wiens zoon ARNOUT inmiddels gehuwd was met GUY's dochter MARIA. JAN, heer van Amstel, heer GIJSBRECHTSZ. droeg na GUY's dood in 1317 zijn aanspraken op deze Amstelse goederen over aan GIJSBRECHT en zijn zoon ARNOUT, waarop graaf WILLEM III in 1318, en zijn opvolgers na hem, er de heren van IJselstein mede beleenden

      De Hollandse lenen.

      Het was eveneens door bemiddeling van GUY VAN HENEGOUWEN, dat WILLEM III in 1309 GIJSBRECHT en zijn zoon ARNOUT na de verbeurdverklaring weer beleende met de goederen, die ARNOUD VAN AMSTEL.overl. 1291 van Holland had gehouden. Dit waren het huis te IJseistein, met 32 morgen land, waar het huis op stond, 71/2 hoeve in Gein, 60 in Rijpikerwaard, 44 in Benschop, 75 in Polsbroek, 18 in Hoencoop en 12 in Blokland. Zo was tenslotte Holland leenheer voor de drie groepen van goederen geworden, maar ARNOUD VAN IJSELSTEIN vond het toch nodig zich te verzekeren tegen moeilijkheden van de Stichtse kant(

      Inv. no. 18.

      ) In de beleningsakten worden sindsdien de lenen niet meer onderscheiden, maar wordt slechts gesproken van de goederen, die de beleende of zijn vader van de grafelijkheid placht te houden. In 1364 wordt ARNOUDS dochter GUYOTE, die reeds in 1330 gehuwd was met JAN VAN EGMOND, met IJselstein beleend, waardoor het in het bezit van het geslacht EGMOND komt. Van het kapittel van St. Marie te Utrecht kreeg GIJSBRECHT VAN IJSELSTEIN in 1279 een aantal goederen in erfpacht. Bij deze gelegenheid zowel als bij een hernieuwing in 1285 wordt breedvoerig vermeld, dat noch GIJSBRECHT noch zijn voorouders enig recht op deze goederen konden doen gelden, maar dat hij ze dan nu in erfpacht krijgt. Dit zijn de dagelijkse gerechten te IJselstein, gelegen vóór het slot, en voorts te Meerlo en in Overijsel, een gebied, dat zich uitstrekte van de Maarn-dijk langs de IJseldijk tot aan het slot, met de tijnsen van de hofsteden te IJselstein, Meerlo en Overijsel en de smalle tienden. Voorts de tienden te Opburen, Eiteren en Maarne en de visserij aldaar in de IJsel(

      DE GEER, Bijdr., bl. 355 en 357 en Cod. Dipl. IV ; 2, bl. 85 en 87.

      )
      Dit gerecht te Meerlo met tijns uit de hofstede aldaar moet niet verward worden met het land met gerecht, tijns en tienden, dat c. 1166(

      Inv. no. 33.

      )
      en later regelmatig in erfpacht werd uitgegeven door het Kapittel van Oudmunster en in 1313 als het goed, genaamd Merlo, wordt vermeld. Dit goed, dat in 1263 in de villa Eiteren lag tussen de Utweg en de Heeswijker Zijdwinde verkocht AGNESE VAN MERLO, vrouw van BAERNT VAN DORENWERD, in 1311 aan GIJSBRECHT, heer van IJselstein, zoals haar voorouders het hadden van Oudmunster. In dezelfde akte verkoopt zij hem evenwel ook de "oude hofstede van Merlo" in heer GIJSBRECHT VAN IJSELSTEINS gerecht, welke hofstede GIJSBRECHT in 1333 aan het kapittel van St. Marie verkocht. Zij blijkt dan te zijn een stuk land, groot 4 morgen, dat PETER VAN MERLO en zijn zoon LAM in leen hielden van GIJSBRECHT en dat door overlijden van LAM vrij gekomen was(

      Cod. Dipl. IV ; 2, bl. 104.

      )
      Vermoedelijk moet deze oude hofstede wèl in verband gebracht worden met het Merlo, dat St. Marie in 1279 in erfpacht gaf aan GIJSBRECHT VAN IJSELSTEIN zie boven. Van Oudmunster hielden de heren van IJselstein verder nog gerecht, tijns en tienden van Achtersloot in erfpacht. IJselstein behoorde met Leerdam en Buren tot de vrije heerlijkheden en heeft zich altijd vrij gehouden van Holland, waaraan het leenroerig was. Het Hof van Holland werd ten opzichte van IJselstein incompetent verklaard en bijdragen in belastingen werden slechts vrijwillig of onder protest en met akte van non-prejudicie betaald(

      Zie onder de afdeling

      )
      : Verhouding tot Holland.. Van de plaatselijke gerechten was beroep op het Leenhof, waarvoor later de Domeinraad in de plaats treedt

    • TH.F. VAN RIEMSDIJK, De heerlijke rechten en goederen der graven van Buren. H.S. in het Algemeen Rijksarchief. I.A.NIJHOFF, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland I-VI, 1830-1875. A.KEMP, Leven der doorluchtige heeren van Arkel, 1656.

      In 1409 huwde JAN VAN EGMOND, heer van IJselstein, MARIA VAN ARKEL na haar in 1406 ontvoerd te hebben. Zij was een dochter van JAN VAN ARKEL en JOHANNA VAN GULIK, zuster van de kinderloze REINOUD, hertog van Gelre. Daar MARIA 'S enige broeder WILLEM in 1417 bij het beleg van Gorinchem sneuvelde, werden MARIA 'S zoons de erfgenamen zowel van de Gulikse als van de Arkelse goederen. Bij een broederdeling, die JAN VAN EGMOND zijn beide zoons in 1438 liet maken(

      Inv. no. 326.

      ) behield ARNOLD de Gulikse en WILLEM de Arkelse goederen, voor zover deze niet in Gelre lagen, terwijl aan WILLEM ook de goederen van zijn vader d.w.z. Egmond en IJselstein werden toegezegd. Bovendien werd WILLEM bevestigd in het bezit van de goederen en inkomsten, die zijn grootmoeder JOHANNA VAN GULIK hadden toebehoord in de Over- en Neder-Betuwe en die ARNOLD hem reeds in 1433 had afgestaan. JAN VAN ARKEL had oorspronkelijk bezeten het land van Arkel met Gorinchem, het land van der Lede met Leerdam en het land van Schoonderwoerd, het land van Hagestein en de heerlijkheid Haastrecht. Verder nog de heerlijkheid Pierpont in het hertogdom Bar in Frankrijk, het land van Mechelen, beide ten huwelijk medegebracht door zijn moeder ELISABETH VAN BAR, en aanspraken op het land van Kleef, afkomstig van zijn grootmoeder ELISABETH VAN KLEEF. Daar ARNOLD Pierpont kreeg en de verdere aanspraken, evenmin trouwens die op Pierpont, ooit tot iets geleid hebben, kunnen die verder buiten beschouwing blijven. Van de overige bezittingen was na de Arkelse oorlogen en een tienjarige gevangenschap van JAN VAN ARKEL, waaruit PHILIPS VAN BOURGONDIË hem in 1425 ontsloeg, niets meer over dan Leerdam en Haastrecht, beide Stichtse lenen - wat Haastrecht betreft, met uitzondering van het huis, dat een Hollands leen was. - Met Leerdam werd JAN VAN ARKEL kort voor zijn dood in 1428 te Leiden, met goedvinden van PHILIPS VAN BOURGONDIË, beleend door SWEDER VAN CULEMBORG, bisschop van Utrecht in ballingschap, met Haastrecht in 1426 door het Kapittel van Oudmunster. Haastrecht is na de belening van WILLEM VAN EGMOND in 1428 niet meer in leen uitgegeven(

      Hagestein was in 1405 veroverd door WILLEM VI en FREDERIK VAN BLANKENHEIM en werd geslecht ; de heerlijkheid kwam aan het Sticht.

      )
      Nadat Leerdam in 1407 door Holland veroverd was, kreeg JAN VAN BEIEREN het bij het verdrag van Woudrichem in 1419 als leen van JACOBA VAN BEIEREN en JAN VAN BRABANT. Hij stelde WILLEM VAN YSENDOORN aan tot ambtman en kastelein, maar toen hij deze wegens ongewenste financiële verplichtingen kwijt wilde zijn, beloofde hij JAN, heer van Egmond, het ambt op voorwaarde, dat hij aan WILLEM VAN YSENDOORN betaalde, wat deze nog uit het ambt tegoed had, hetgeen geschiedde ; JAN VAN EGMOND had het ambt dus in pandschap. Met zijn hulp liet zijn zoon ARNOLD zich na de dood van zijn grootvader, JAN VAN ARKEL, als diens leen-volger huldigen als heer van Leerdam, maar hij is er nooit mede beleend. JACOBA schonk het als beloning voor bewezen diensten aan VRANK VAN BORSELEN, zoals JAN VAN ARKEL het gehad had, maar na haar geheime huwelijk in 1433 gedwongen zich aan PHILIPS VAN BOURGONDIË te onderwerpen, kreeg zij o.a. Leerdam, zoals JAN VAN EGMOND het pandsgewijs bezat. Dat was dus niet meer dan het kasteleinschap. PHILIPS was bereid de pandschap af te lossen, doch JACOBA gaf er de voorkeur aan Leerdam tegen andere goederen te ruilen. JAN VAN EGMOND handhaafde zich tegenover afgevaardigden van PHILIPS in zijn ambt en bleef Leerdam bewaren voor zijn zoon ARNOLD. Deze, ook niet gesteld op dit weinig zekere bezit, stond het in 1438 af aan zijn broeder WILLEM "in alre maten als hy dat oick nu heefft." WILLEM had na de dood van zijn vader, JAN VAN EGMOND, niet de moed deze toestand voort te zetten en bood aan rekening en verantwoording af te leggen van het kasteleinschap sedert 1430. Na een proces deed hij, ingevolge beslissing van 1460, afstand tegen aflossing van de pandsom en in 1466 nam PHILIPS VAN BOURGONDIË bezit van stad, slot en land. VAN MARIA VAN BOURGONDIË wist WILLEMS zoon FREDERIK VAN EGMOND gedaan te krijgen, dat zij in 1477 een akte opstelde, waarbij hij Leerdam kreeg als een onversterfelijk leen, ten eerste wegens bewezen diensten, ten tweede omdat de heerlijkheid aan JAN VAN ARKEL had toebehoord, en ten derde omdat WILLEM VAN EGMOND haar tot 1466 bezeten had en aan de voorwaarden, waarop hij afstand gedaan had, niet was voldaan. Zij maakte dus geen onderscheid tussen heerlijkheid en kasteleinschap. Dit deden wel de Rekenkamer en de Grote Raad, die hun goedkeuring weigerden, omdat de EGMONDS nooit de heerlijkheid hadden bezeten, maar slechts als officieren van de grafelijkheid rechten hadden uitgeoefend. FREDERIK liet zich daarop benoemen tot kapitein, kastelein, drossaard en rentmeester en riep de hulp in van MAXIMILIAAN VAN OOSTENRIJK. Toen de Rekenkamer aan deze een secretaris stuurde met de akte van 1477 en haar bezwaren daartegen, wist FREDERIK de secretaris de brief afhandig te maken. Dit gebeurde in 1488 en daarbij schijnt het gebleven te zijn(

      Inv. nos. 329 en 330.

      )
      In 1494 werd FLORIS VAN EGMOND als gemachtigde van zijn vader met Leerdam beleend, nadat hij had aangetoond, dat zijn vader het sinds de akte van 1477 ongestoord had bezeten. In 1498 verhief MAXIMILIAAN VAN OOSTENRIJK het evenals Buren tot een rijksgraafschap. FREDERIKS opvolgers FLORIS en MAXIMILIAAN werden er, niettegenstaande verzoek daartoe, niet mede beleend, ANNA, de gemalin van WILLEM I, eerst na een proces voor het Leenhof van Holland, onverminderd het recht van de keizer en het proces. Op dezelfde wijze werd PHILIPS WILLEM in 1559 beleend. Het graafschap Leerdam, oudtijds geheten de heerlijkheid van der Lede, bestond uit de polders Over-Boei- en Over-Heikop, Hoog-Middelkoop, Hoog-Leerbroek en Hoog-Oosterwijk, Bruinsdeel, de Meent, Loosdorp, Oud- en Nieuw-Schaik en Kort-Gerecht. Het werd begrensd door het land van Arkel, de heerlijkheid Vianen, het graafschap Culemborg, de heerlijkheid Ackoy en de Linge. Het rechtsgebied strekte zich ook uit over de heerlijkheid Schoonrewoerd, gelegen in Over-Heikop, die geen afzonderlijk gerecht had, en het Overeind van de heerlijkheid Spijk. Spijk was verdeeld in een Over- en een Nedereind, waarvan het Overeind leenroerig was aan Leerdam en in Holland, het Nedereind in Gelderland lag. De graaf van Leerdam zette in het Overeind een schout en 4, de heer van het Nedereind aldaar een schout en 3 schepenen. De eerste oefende in Spijk het collatierecht twee tegen de ander één keer uit(

      "Register en leenboeck van de leenen der greflickheyt van Lederdam" enz. in Inv. no. 346.

      )
      In Schoonrewoerd behoorde dit recht aan de proost van Sint Marie te Utrecht. In 1613 schonk prins PHILIPS WILLEM het Overeind van Spijk aan CORNELIS VAN AERSSEN, die het andere deel in 1611 had gekocht van GERARD VAN RENOY(

      A. J. VAN DER AA, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden X, 1847, bl. 625.

      )
      Leerdam bleef tot 1795 aan de NASSAUS

    • Zie NIJHOFF's Gedenkwaardigheden; VAN SPAEN's Oordeelkundige inleiding tot de historie van Gelderland; het HS van TH. F. VAN RIEMSDIJK; R. FRUIN, De vrije heerlijkheden. In: Versl. en Meded. O.V.R. VIII; A. C. F. KOCH en A. JOH. MARIS, Meentgenootschappen in hét land van Buren. In: Bijdr. en Meded. der Ver. Gelre XLIX.

      In 1298 moest OTTO, heer van Buren, met zijn zoon ALARD de burg te Buren overgeven aan de graaf van Gelre, die er hen vervolgens mede beleende. Al sloeg de feodaliteit hier nog alleen op het slot, zoals VAN SPAEN reeds opmerkte, uit de beleningsakte van 1367 blijkt, dat ook de heerlijkheid niet vrij eigen was gebleven. Op ALARDS zoon OTTO, die in 1326 niet meer onder de levenden was, volgde OTTO's broeder LAMBERTUS, die in 1329 beleend werd. LAMBERTUS' zoon ALARD zou door huwelijk met MABELIA VAN CATS de heerlijkheid Beusichem verworven hebben, die in 1431 voor een deel door verpanding verloren ging aan Culemborg(

      Zie echter A. JOH. MARIS, De vereniging van Beusichem met Buren in Bijdr. als boven L.

      ) ALARD werd opgevolgd door zijn gelijknamige zoon, die in 1367 met Buren beleend werd. Hij werd nogmaals beleend in December 1402, maar droegzijn lenen in 1403 op ten behoeve van zijn kleinzoon WILLEM, zoon van de reeds in 1398 overleden GIJSBRECHT; WILLEM stond toen onder voogdij van zijn oom OTTO, waaruit hij in 1415 werd ontslagen(

      A. P. VAN SCHILFGAARDE, Het- archief der heeren en graven van Culemborg II, 1949, reg. no. 614.

      )
      Hij verloor Buren in 1435 in zijn strijd met hertog ARNOLD VAN GELRE, die Buren als een afzonderlijke bezitting beheerde. Deze verpandde het in 1446 aan GERARD, heer van Culemborg, aan wie het niet gelukte in het bezit ervan te geraken. Wel kreeg hij van ARNOLDS zoon ADOLF erkenning van de pandschuld in 1467. Nadat ARNOLD in 1470 verlost was uit zijn gevangenschap, die hij sinds 1465 in Buren doorbracht, beloonde hij zijn neef FREDERIK VAN EGMOND voor bewezen trouw en daardoor geleden verliezen in 1472 met slot, stad, land en heerlijkheid van Buren als vrij eigen goed. GERARD VAN CULEMBORG schonk zijn aanspraken op Buren als huwelijksgift aan zijn zoon JASPAR. Na een mislukte poging, zich in het bezit te stellen, wendde JASPAR zich tot KAREL DE STOUTE, die toen pandheer van Gelre was. Deze gelastte FREDERIK VAN EGMOND en de andere executeurs van ARNOLDS testament de schuld aan CULEMBORG te voldoen. De executeurs bleven echter niet alleen in gebreke, maar FREDERIK wist zelfs van KAREL DE STOUTE bevestiging te verkrijgen van de schenking, hem door ARNOLD gedaan. Het Hof te Mechelen deed bovendien in 1476 uitspraak ten gunste van FREDERIK. In 1498 werd Buren tot rijksgraafschap verheven.

      Het land van Buren bestond uit Buren, sinds 1395 stad, en 6 dorpen nl. Beusichem, Asch, Erichem, Buurmalsen, Zoelmond en Tricht. Een door de heer aangestelde ambtman, later drost genoemd, had de leiding bij de plaatselijke gerechten, waarvan beroep mogelijk was op het gerecht voor de brug van het kasteel te Buren. Hier werd recht gesproken door de heer met 28 geërfden, later gewijzigd in 14 landschepenen. Bij ordonnantie van 1545 stelde MAXIMILIAAN VAN EGMOND beroep van de brug op "'s graven camer" of raden in, waarvoor, bij de vereniging van het beheer der goederen van ANNA VAN EGMOND met die van prins WILLEM I, de Domeinraad te Breda in de plaats trad

    • Bij magescheid van 1483 kreeg WILLEM VAN EGMONDS oudste zoon JAN, later graaf van Egmond, Baar, dat afkomstig was van zijn moeder, WALBURG VAN MEURS

    • De bovenstaande gegevens zijn om te beginnen geput uit de collectie CUYPERS VAN VELTHOVEN op het Rijksarchief te 's-Hertogenbosch. CUYPERS maakte c. 1880 te Brussel uittreksels uit de archieven van de Rekenkamer, en in het bijzonder uit de Comptes des reliefs des fiefs, en van het Leenhof van Brabant. De heer L. BRIL, conservator aan het A.R.A. te Brussel, heeft deze uittreksels met grote bereidwilligheid voor mij geverifieerd en zo nodig aangevuld, waarvoor ik hem hier nogmaals mijn dank betuig. Bovendien maakte hij mij opmerkzaam op het bestaan van een uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van de twee partijen in het proces van 1439 (Leenhof van Brab. proces no. 9). Kennisneming van dit stuk heeft vele raadsels opgelost. Verder zijn geraadpleegd A. VERKOOREN, Inventaire des chartes et cartulaires du Luxembourg I-V, 1914-1921, en id. des duchés de Brabant et de Limbourg I-VIII, 1910-1923; A. WAUTERS, Table chronologique des chartes etc. concernant l'histoire de Belgique I-XI, 1866-1946; G. D. FRANQUINET, Les Schoonvorst. In: Publ. de Limbourg XI, bl. 228 e.v.

      In 1484 kocht FREDERIK VAN EGMOND slot en heerlijkheid of de baronie van Cranendonk met de stad Eindhoven en de dorpen Woensel, Maarheeze, Soerendonk en Budel van JACOB, graaf van Horne. Na de koop rezen al spoedig moeilijkheden over een op de heerlijkheid rustende lijfrente, die JACOB VAN HORNE in gebreke bleef te betalen. Het gevolg was, dat HERBERCH VAN BRONCKHORST, weduwe van JAN DICBIER, vrouwe van Mierlo, die de dupe was, het vruchtgebruik kreeg toegewezen, hetgeen jaren lang zo bleef.

      JACOB VAN HORNE had zelf de heerlijkheid verkregen door koop in 1457, maar ook in de 13e eeuw waren de HORNES heer van Cranendonk geweest. Hoe zij er toen aan gekomen zijn, is niet bekend. Dat een WILLEM VAN HORNE het door huwelijk met een erfdochter VAN WICKERODE verworven zou hebben(

      Zoals F. V. GOETHALS beweert in Dictionnaire généalogique et héraldique des familles nobles de Belgique, 1849-1852, op Hornes, bl. 54 en 57.

      ) is niet bewezen. Er is aangaande de opvolgende heren van Cranendonk en Eindhoven niet veel bekend en wat er over gepubliceerd is, is dikwijls niet geheel juist. De opvolging ging dan ook niet eenvoudig in zijn werk. Op WILLEM VAN HORNE, die als heer van Cranendonk voorkomt in de jaren 1327-1338, volgt zijn broeder DIRC, vermeld in 1341 en 1342. Hij geeft met zijn vrouw, ALIJT VAN HORNE, in 1342 gemeentegrond aan inwoners van zijn heerlijkheid Budel c.a. Deze ALIJT VAN HORNE is vermoedelijk dezelfde, die nog als vrouwe van Cranendonk voorkomt in 1343 en 1354 en die een dochter was van DIRCS broeder WILLEM. Zij zou dan gehuwd zijn geweest met haar oom.Haar huwelijk met JAN VAN POLANEN, heer van Breda, waarvoor de paus in 1343 dispensatie verleende wegens verwantschap(

      G. BROM, Bullarium Trajectense I, 1891, bl. 442.

      )
      vond geen voortgang door haar gezondheidstoestand. JAN VAN POLANEN huwde haar zuster ODA en ALIJT werd abdis van de Premonstratenser abdij Keizersbosch bij Neer in Limburg. ALIJT wordt opgevolgd door de kinderen van haar zuster ERMGART, gehuwd met THOMAS, heer van Zevenborn Septfontaines, nl. door WILLEM vermeld 1354-1356, NICOLAES verm. 1357-1364 en JAN verm. 1370-1385. Zij lieten geen van drieën kinderen na, zodat de heerlijkheid vererfde op hun zuster ELISABETH, gehuwd met JAN VAN RODENMACHER, heer van Milberg. ELISABETHS zuster ERMGART, gehuwd met GILLIS VAN BERLAER en vrouwe van Haps(

      Zie, A. P. VAN SCHILFGAARDE, Het archief van het huis Bergh, 1932, Inl., bl. 167. Zij werd dat na de dood van haar broeder JAN, die gehuwd was geweest met JUTTE, vrouwe van Haps.

      )
      werd in 1386 beleend met Cranendonk, maar verkocht haar aanspraken aan JAN VAN BOECHOUT. ELISABETH, ondanks ERMGARTS belening, vrouwe van Zevenborn, Milberg en Cranendonk, had twee zoons, JAN en WILLEM en twee dochters, ALIJT, gehuwd met ARNDT VAN KERPEN, en ERMGART ?, gehuwd met JAN VAN RULDINGEN RAVILLE. JAN kreeg Milberg, WILLEM Zevenborn, terwijl Cranendonk onverdeeld aan beide bleef. JAN schijnt zich aan het bezit van Cranendonk niets gelegen te hebben laten liggen en zelfs zijn deel aan WILLEM te hebben overgedaan, van welke overdracht later de geldigheid betwist wordt. WILLEM bezwaarde de heerlijkheid zozeer, hij moest o.a. de rechten, die JAN VAN BOECHOUT er op verkregen had, afkopen, dat hij de hulp inriep van MARGARETHA VAN SCHOONVORST-DE MERODE en haar zoon JAN VAN SCHOONVORST, burggraaf van Montjoie. Zij kregen Cranendonk eerst in pand, later in bezit. Na de dood van WILLEM werd in 1411-1412 JAN VAN SCHOONVORST ermede beleend en kort na hem verschillende andere pretendenten, hetgeen evenmin verwondering behoeft te baren als de belening van ERMGART bovengenoemd, daar het Leenhof van Brabant de verheffen aannam zonder te verifiëren, of de verheffer recht had of slechts beweerde te hebben(

      Mededeling van de heer BRIL.

      )
      Inmiddels zaten de rechthebbenden niet stil. LIJSBETH, vrouwe van Zentelleer St. Hilaire, dochter van JAN VAN MILBERG, liet zich met Cranendonk belenen op instigatie van JAN VAN BERNSTORF, haar germain neef als zoon van ERMGARD en JAN VAN RULDINGEN. Zij had grotere kans op een belening dan hij, daar de rechten van een broeders dochter voorrang hadden boven die van een zusters zoon. Zij liet zich met de heerlijkheid belenen, zoals haar grootmoeder ELISABETH VAN MILBERG EN CRANENDONK haar gehad had, en deed er vervolgens afstand van ten behoeve van JAN VAN BERNSTORF. Deze werd in het bezit gehinderd door 1e WILLEM VAN MONTFORT, die rechten pretendeerde te hebben door koop, en 2e door JACOB VAN GAESBEEK als man van MARGARETHA VAN SCHOONVORST, nicht van JAN VAN SCHOONVORST en opvolgster in zijn rechten. JAN VAN BERNSTORF begon nu in 1439 een proces, dat, wat het geschil met WILLEM VAN MONTFORT betrof, beslist werd ten gunste van BERNSTORF. Met JACOB VAN GAESBEEK kwam hij tot een schikking : de heerlijkheid werd gemeenschappelijk bezit van JAN VAN BERNSTORF, zijn broeder GEORG en hun nicht LIJSBETH voor de ééne, en van JACOB VAN GAESBEEK en zijn vrouw voor de andere helft. De eerste partij verkocht haar aandeel in 1451 aan CORNELIS VAN ZUYTOERT, waarna deze tezamen met JACOB VAN GAESBEEK de gehele heerlijkheid transporteerde aan JAN, bastaard VAN St. POL, heer van Habourdin. In 1457 verkocht deze haar aan JACOB, graaf van Horne, ten behoeve van wie MARIE VAN SCHOONVORST, vrouw van JAN VAN GAVERE VAN HÉRIMEZ, als opvolgster van haar zuster MARGARETHA, afstand deed van haar rechten.

      Afgaande op hetgeen uittreksels uit leenakten of mededelingen naar overlevering, opgenomen in de oudste leenregisters(

      Algemeen Rijksarchief te Brussel : Leenhof Brabant, Register I Latijns boek, fol. 3; Reg. II Stootboek, fol. 47; Reg. IV Spechtboek, fol. 190; Chambre des Comptes, Rek. 1385-1386, 1387-1388 en 1411-1412.

      ) ons mededelen, kreeg WILLEM VAN HORNE 1327-1338 alleen de "mansio" te Cranendonk met de villa Marnaise Maarheeze en "appartinentia". Zijn opvolgers kregen de stad belening 1370-1385 of de villa 1387 Eindhoven en land en burg van Cranendonk in één akte verenigd, beide met hetgeen daartoe behoort. Tot Eindhoven behoorde Woensel, tot Cranendonk Maarheeze, Zoerendonk en Budel. Het gehucht Acht of Op Acht, dat in de stukken voorkomt, was met één schepen vertegenwoordigd in de schepenbank van Woensel(

      Zie H. A. BACHIENE, Beschrijving der Vereenigde Nederlanden IV, 1777, bl. 591.

      )
      Alle bovengenoemde dorpen vielen onder de iurisdictie van de drossaard van Eindhoven. Wanneer Eindhoven stadsrecht heeft gekregen, is niet bekend, maar in 1232 schonk hertog HENDRIK I VAN BRABANT aan "opidum et burgenses" van Eindhoven dezelfde rechten libertatem et sententias als 's-Hertogenbosch had, met hofvaart op die stad; tevens kregen zij toen een weekmarkt(

      Gedrukt bij F. N. SMITS, Beknopte geschiedenis van Eindhoven I, 1887, bl. 6.

      )
      Aan de formulering in de uittreksels, opgenomen in de leenregisters, kan niet veel waarde gehecht worden, hetgeen ook blijkt uit de benaming "villa" in een latere belening dan die, waarin Eindhoven stad genoemd zou zijn. In 1399 werd de parochiekerk van St. Catherina te Eindhoven door JAN VAN BEIEREN, elect van Luik, met goedvinden van WILLEM VAN MILBERG tot een collegiale verheven met 9 kanunniksprebenden. De hertog van Brabant en de heer hadden beurtelings de collatie van deze prebenden, waarbij de heer het recht twee, tegen de hertog één keer uitoefende(

      Gedrukt bij A. MIRAEUS, Opera diplomatica IV, 1748, bl. 425. Zie ook E. PONCELET, Cartulaire de l'église de Saint-Lambert de Liège VI, 1933, bl. 157.

      )

    • Deze drie dorpen werden 23 October 1559 door de hertog van Brabant verpand aan prins WILLEM I. Ook Ekart werd, als behorende tot Strijp, mede verpand maar werd daar later van gescheiden, waarna het een afzonderlijke heerlijkheid vormde. De oude Inventaris van de Nassause Domeinen vermeldt de verpandingsakte wel(

      Fol. 624, XXXIX

      ) maar het stuk is niet meer aanwezig. Deze dorpen hebben tezamen één schepenbank; de drossaard is dezelfde als die van Eindhoven

      (

      BACHIENE, a.w., bl. 616.

      )

    • VRANCK VAN BORSELEN, graaf van Oostervant, was de eerste, die de goederen in Zeeland, later door ANNA VAN EGMOND ten huwelijk medegebracht, in één hand verenigde. De Zeeuwse lenen waren kwade lenen en vervielen bij gebreke van zoons aan de grafelijkheid. De rentmeester verkocht ze daarna aan de meestbiedende, meestal een verwant, die ze tegen een lagere prijs dan niet-verwanten kon "lossen"(

      Zie over het Zeeuwse leenrecht, de ambachten en de naam ambachtsheer in Zeeland R. FRUIN, Inventaris van de Leenregisters van Bewesten Schelde, 1911, Inleiding; IDEM, De provincie Zeeland en haar rechterlijke indeeling vóór 1795, 1933; ID., Schot en bede in Zeeland. In: Versl. van de alg. verg. v. h. Hist. Gen. te Utrecht, 1903; I. H. GOSSES, De rechterlijke organisatie van Zeeland in de Middeleeuwen, 1917.

      ) Zo kocht VRANCK, grootvader van de graaf van Oostervant, in 1368 2825 gemeten ambacht met ambachtsgevolg in het land van Sint-Maartensdijk, die na de dood van zijn broeder FLORENS beschikbaar waren geworden(

      Zie over Sint-Maartensdijk Archief van het Zeeuwsch Genootschap der wetenschappen IV en F. NAGTGLAS, Zelandia illustrata II, 1880, bl. 316.

      )
      Behalve hetgeen FLORENS had toebehoord, kreeg VRANCK bij dezelfde akte de goederen, die verbeurd verklaard waren op de kinderen van PIETER GHERONXZ. of GHERONTSZ. VAN OVERBORDENE. Dit geslacht, gevestigd in de parochie Overbordene(

      Deze parochie wordt éénmaal vermeld in de Tiendregisters van Utrecht Bronnen kerkel. rechtspr. bisdom Utrecht, II, bl. 161. Het huis te Sint-Maartensdijk en het dorp Haestinge zullen aan deze, Overbordene aan gene zijde van het water de Borden hebben gelegen.

      )
      was zeer gegoed in het land van Sint-Maartensdijk. Zij hadden er een slot, dat in 1342 door de BORSELENS c.s. belegerd werd(

      Zei. Illustr. t.a.p.; Arch. Z. Gen. IV, bl. 100; VAN MIERIS, a.w. II, bl. 659; Werken v. h. Hist. Gen., Nieuwe serie, no. 30, II, bl. 38.

      )
      In 1354 kocht FLORENS VAN BORSELEN 1600 gemeten ambacht, die aan de grafelijkheid vervallen waren door overlijden van PIETER GHERONTSZ., en 900 gemeten, die verbeurd verklaard waren door verraad van PIETERS zoon JAN(

      Leenk. Holl. no. 48, fol. 32.

      )
      In het volgende jaar bevestigde graaf WILLEM V FLORENS in de brieven, die hij had van het goed van Sint-Maartensdijk, ambachten, molens, tienden "of in wat goede dat geleghen sy"(

      Leenk. Holl. no. 25, fol. 3.

      )
      In 1357 wordt FLORENS heer van Sint-Maartensdijk genoemd en in 1418 werd de toenmalige FLORENS beleend met het gehele land van Sint-Maartensdijk met alle heerlijkheid.

      Bij een akte van 1368 werd aan het dorp Haestinge dezelfde tolvrijheid verleend, die het in 1357 onder FLORENS had ontvangen. Haestinge was de oorspronkelijke benaming van de latere stad Sint-Maartensdijk. Het dorp strekte zich uit van de watermolen tot Sluysee en Pannekine en van de Middeldijk tot de Borden(

      Reg. no. 278.

      ) "De poort van Haestingen, die men Sint-Maartensdijk noemt"(

      Reg. no. 445

      )
      vermeld in 1389, wijst er op, behalve dat het dorp inmiddels een stad is geworden, dat de oude naam begon te verdwijnen. Dat de graaf VAN OOSTERVANT toch nog in 1434 aan JACOBA VAN BEIEREN slot en land van Sint-Maartensdijk met de stad Haestinge als douarie geeft, behoeft niet meer te betekenen dan dat ook hier, zoals zo dikwijls, een oude beschrijving van een leen zich door de eeuwen handhaaft.

      Het huis te Sint-Maartensdijk, dat VRANCK VAN BORSELEN in vrijen eigendom bezat, droeg hij in 1374 op aan de graaf, die hem er vervolgens mede beleende als met een onversterfelijk leen met hoge heerlijkheid. De heerlijkheid omvatte het huis met het daaraan liggende dorpje en het eigen erf met de grachten binnen de buitenste singel tot in de Borden, benevens 16 gemeten ambacht, waarin het huis en het dorp gelegen waren(

      Reg. no. 374.

      ) Dat een Zeeuws leen als onversterfelijk leen werd uitgegeven, geschiedde slechts bij uitzondering en als gunstbewijs. VRANK VAN BORSELENS kleinzoon, de graaf VAN OOSTERVANT, die reeds in 1456 van PHILIPS VAN BOURGONDIË vergunning had gekregen zijn goederen te vermaken aan wie hij wilde, liet deze met een enkele uitzondering na aan zijn zuster ALIENORA, gehuwd geweest, eerst met JAN VAN BUREN, en daarna met GIJSBRECHT VAN NYENRODE; zij werd er in 1471 mede beleend. In 1485, vier maanden voor haar dood, droeg zij haar Hollandse en Zeeuwse lenen op aan het Leenhof ten behoeve van haar achterkleinzoon FLORIS VAN EGMOND, die er vervolgens mede beleend werd. De tienden uit Sint-Maartensdijk en Scherpenisse, die zij in erfpacht had van Oudmunster, had zij hem al in 1474 gegeven. Haar kleinzoon, JASPER VAN CULEMBORCH, broeder van FLORIS' moeder ALEID, kwam hiertegen in verzet, zich erop beroepende, dat hij, als naaste erfgenaam, ab intestato de nalatenschap behoorde te erven, temeer daar in Maartensdijk en Scherpenisse mannelijke voor vrouwelijke nakomelingen in aanmerking kwamen, dus hijzelf en zijn nakomelingen vóór de nakomelingen van zijn zuster ALEID. Bij uitspraak van de Grote Raad in 1500 bleef FLORIS in het bezit van Sint-Maartensdijk en Scherpenisse alsmede van de tienden(

      Het vonnis van de Grote Raad van 1500 bevindt zich in het archief van het Huis de Haar Inv. no. 82 en heeft blijkens een dozsale notitie vroeger in het archief van de Nass. Domeinraad berust; een photo berust thans op het Algemeen Rijksarchief.

      )

      In Scherpenisse kwam FLORENS VAN BORSELEN in 1394 door koop van ALBRECHT VAN BEIEREN in het bezit van alle ambacht, dat door de dood van zijn neef FLORENS RASENZ. aan de grafelijkheid was vervallen(

      Leenk. Holl. no. 52, fol. 120. Het charter staat vermeld in de oude Inv. van de Nass. Domeinraad, maar is niet bewaard gebleven. De hier genoemde RAES was een broeder van FLORENS en VRANK de oude.

      ) Dit bezit breidde hij in 1400 uit met goederen, verbeurd verklaard op de zoons van ADRIAEN VAN NYENHOVE, en in 1406 met die, afkomstig van wijlen JAN VAN BORSELEN, broeder van PHILIPS, heer van Borsele en Cortgene(

      Leenk. Holl. no. 54, ult. cap., fol. 7.

      )
      Dit alles te zamen gaf FLORENS in 1407 als douarie aan zijn vrouw OEDE VAN BERGEN, die er als met een recht leen mede beleend werd. Het gevolg was, dat bij de belening van ALIENORA, die in 1471 het ambacht in Scherpenisse ontving, dat haar broeder VRANK van zijn vader had geërfd, de goederen van OEDE aan de grafelijkheid voorbehouden en van de belening uitgezonderd werden. In de beleningsakte(

      Reg. no. 1091.

      )
      wordt dit niet met zoveel woorden gezegd, maar wel in de akte, zoals zij in het leenregister is ingeschreven(

      Leenk. Holl. no. 118, cap. Zeeland, fol. 12vo.

      )
      die uitvoeriger is dan de akte, die ALIENORA in handen kreeg.

      Terwijl de BORSELENS zich van 1357 af steeds heer van Sint-Maartensdijk noemen, schijnen zij de titel "heer van Scherpenisse" niet de moeite waard gevonden te hebben. Evenmin wordt in de beleningsakten van een heerlijkheid Scherpenisse gesproken, doch wel van het ambacht, dat A of B in Scherpenisse bezit, of van zijn vader geërfd heeft(

      De ambachten waren immers in Zeeland splitsbaar tot in het oneindige; een ambachtsheerlijkheid behoorde aan een aantal portionarissen en iedere portionaris was ambachtsheer.

      ) Toch hadden de BORSELENS in Scherpenisse de hoge heerlijkheid. In de handvest, die FLORENS VAN BORSELEN in 1420 voor bewezen diensten kreeg van JAN VAN BRABANT ten behoeve van Scherpenisse, kreeg hij het recht breuken, inclusief doodslag, te berechten en keuren te maken(

      Leenk. Holl. no. 112, fol. XLV.

      )
      Dit zal een bevestiging van een eerder verkregen recht geweest zijn, zoals met Sint-Maartensdijk het geval was, waarvoor hij op dezelfde dag een gelijkluidende handvest kreeg(

      T.a.p., fol. XVIII.

      )
      terwijl de heer daar toch sinds lang de hoge heerlijkheid bezat; beide werden door JAN VAN BRABANT te Sint-Maartensdijk uitgevaardigd. FLORIS VAN EGMOND wordt in 1491 heer van Sint-Maartensdijk en Scherpenisse genoemd, misschien om bij JASPER VAN CULEMBORCH geen twijfel over zijn aanspraken te laten bestaan.

      Behalve Sint-Maartensdijk en Scherpenisse op het eiland Tholen, bezat de graaf VAN OOSTERVANT nog de heerlijkheden Borsele op Zuid-, en Cortgene op Noord-Beveland, met andere goederen op dat eiland

    • Zie Archief Zeeuwsch Gen. V, bl. 49; NAGTGLAS, a.w. II, bl. 135

      Cortgene, de enige stad op Noord-Beveland, erfde PHILIPS VAN BORSELEN van zijn vader CLAES. Toen de tak Cortgene in 1431 met PHILIPS uitstierf, verkocht JACOBA VAN BEIEREN het aan VRANK VAN BORSELEN uit de tak Sint-Maartensdijk. Bij dezelfde akte kreeg deze de andere goederen op Noord-Beveland, die in dit hoofdstuk beschreven worden, zoals PHILIPS VAN BORSELEN ze bezeten had(

      Leenk. Holl. no. 62, fol. 149 vo.

      ) JACOBA had Cortgene in 1418 tegelijk met Borsele tot een hoge heerlijkheid verheven(

      VAN MIERIS, a.w. IV, bl. 461.

      )
      VRANK VAN BORSELEN schonk het met toestemming van KAREL DE STOUTE aan zijn bastaardzoon FLORENS, die er in 1470 mede beleend werd(

      Leenk. Holl. no. 118, cap. Zeeland, fol. 9

      )
      . Daar FLORENS' zoon VRANK, uit zijn huwelijk met KATHERINA VAN EGMOND, geen nakomelingen naliet, vermaakte deze Cortgene aan FLORIS VAN EGMOND, neef zowel van hemzelve als van zijn vrouw. FLORIS werd in 1522 beleend met de heerlijkheid, stad en slot met 993 gemeten ambacht, veren, aanwassen en alle heerlijkheid(

      Leenk. Holl. no. 124, cap. Zeeland, fol. 31

      )
      . In 1530 werd Cortgene overstroomd en eerst in 1681 weder bedijkt. WILLEM III schonk het in 1670 aan WILLEM VAN NASSAU-ODIJK

    • Zie Arch. Zeeuwsch Gen. VI; REYGERSBERCH-BOXHORN, Chronijk van Zeeland, 1644, bl. 403; BEEKMAN, a.w.

      Met de naam Borsele werden oorspronkelijk enige eilanden aangeduid ten Zuid-Westen van Zuid-Beveland, waarmede zij in 1300 verenigd waren. Dit waren West- en Oost-Borsele en West- en Oost-Baarland. West- en Oost-Borsele waren van elkaar gescheiden door de Yve en door verbastering van Yve-zode (zode is dijk) werd het westelijke deel Borsele bewesten Vijfzoden genoemd; de drie andere delen verloren de naam Borsele. In Borsele bewesten Vijfzoden verenigde PHILIPS VAN BORSELEN langzamerhand alle ambacht in één hand; de laatste portie kreeg hij na overlijden van zijn broeder JAN in 1406(

      Leenk. Holland no. 54, ult. cap., fol. 7 vo.

      ) In 1418 werd Borsele tot hoge heerlijkheid verheven. Na PHILIPS dood gaf JACOBA VAN BEIEREN het aan de broeders BOUDEWIJN en FLORENS uit de tak Borsele-Brigdamme en nadat deze zonder zoons na te laten gestorven waren, kreeg VRANK het als douarie. Hij kocht in 1453 het recht er over te mogen beschikken, niettegenstaande dat het douariegoed was, en vermaakte het aan JASPER VAN CULENBORCH, kleinzoon van zijn zuster ALIENORA

    • VRANK VAN BORSELEN komt in 1371 en later voor met de titel "heer van Pendrecht", zo ook VRANK II en zijn zuster ALIENORA, vrouw van GIJSBRECHT VAN NYENRODE. Deze werd er in 1476 mede beleend. In de uitspraak over ALIENORA'S nalatenschap(

      Zie bl. 81, noot 2

      )wordt het vermeld als een schor, geheten de heerlijkheid van Pendrecht; het maakte geen deel uit van de goederen, die FLORIS VAN EGMOND erfde. Het dorp was bij de vloed van 1373 voor goed verdwenen

    • Bij de voorwaarden voor het huwelijk van FLORIS VAN EGMOND, heer van IJselstein, en MARGRIET VAN BERGEN, dochter van CORNELIS, heer van Zevenbergen(

      12 November 1500 in Koninklijk Huisarchief, Inv. 12, V, 10, 2e.

      ) kreeg de bruid de rechten op het ambt en de pandschap van stad en slot van Grave en het land van Kuik, zoals haar vader die bezat, mede. Zolang deze in het bezit bleef, zou hij 800 rijnse guldens jaarlijks betalen aan het echtpaar, dat desgewenst zijn intrek te Grave bij de ouders kon nemen. In December 1508 kreeg FLORIS wegens overlijden van zijn schoonvader het ambt van drossaard en kapitein van Grave, Kuik en Kessel, zoals CORNELIS VAN BERGEN het vervuld had(

      D. PARINGET, Beschrijving van de stad Grave en den lande van Cuyk II, 1752, no. 59.

      )
      FLORIS noemde zich gouverneur en pandheer. Grave en Kuik, oorspronkelijk als Brabants leen in het bezit van de heren van Kuik, was in 1400 door JOHANNA, dochter van WENNEMER VAN CUYCK, aan WILLEM, hertog van Gelre en Gulik, afgestaan(

      Arch. Nass. Dom., Fol. 654, no. I, thans overgedragen aan het Rijksarchief in Gelderland. Gedrukt in Nijhoff's Gedenkw. III, no. 233

      )
      . KAREL DE STOUTE had er zich als pandheer van Gelre laten huldigen, maar op verzoek van de Staten van Brabant had MAXIMILIAAN VAN OOSTENRIJK het met Brabant herenigd en bij die gelegenheid tevens bepaald, dat Grave hofvaart op Den Bosch zou hebben(

      PARINGET, a.w. II, no. 52

      )
      . Toen Grave hierop zowel van Gelre als van Brabant beschrijvingen ter dagvaart kreeg, beval MAXIMILIAAN, dat het aan geen van beide gehoor zou geven doch neutraal tussen beide zou blijven tot andere tijden(

      T.a.p., no. 54.

      )
      In 1550 loste KAREL V de pandschap af aan ANNA VAN EGMOND, gravin van Buren, met financiële steun van Grave en Kuik, verleend uit dankbaarheid(

      T.a.p., nos. 71, 73 en 74.

      )
      Hij bevestigde de privileges en verklaarde, dat zij "apart" en alleen van zichzelve dependent zouden zijn, zoals zij onder de heren van Kuik en de hertogen van Gelre en Brabant en derzelver pandheren geweest waren. Van de vonnissen zou geen appèl, maar wel reformatie mogelijk zijn op de Raad van Brabant. PHILIPS II verpandde het in 1559 wederom, nu aan prins WILLEM I en kreeg, evenals KAREL V bij de aflossing, nu, alweer uit dankbaarheid, een bijdrage bij de verpanding. De prins kreeg het als Brabants leen. Prins MAURITS kreeg het in 1611 als onversterfelijk leen in bezit, waarna de ORANJES het tot 1795 hebben behouden

    • openXII Ackoy

      Zie Leenk. Holland; A. P. VAN SCHILFGAARDE, Het archief der heeren en graven van Culemborg, 1949, en A. H. MARTENS VAN SEVENHOVEN, Schets van de geschiedenis der burgelijke gemeenten in Gelderland. In : Bijdr. en Meded. Ver. Gelre XII.

      Zie ook Inv. nos. 346, 351 en 478

      FLORIS VAN EGMOND kocht slot en heerlijkheid Ackoy met hoog en laag gerecht in 1513 van JOOST VAN KRUININGEN. Hij werd er eerst in 1517 mede beleend, nadat JOOST VAN KRUININGEN het nog in 1514 in leen had ontvangen. Het was leenroerig aan de heren van Voorne en in die kwaliteit traden later de graven van Holland bij de beleningen op. In 1330 bevestigde de hertog van Gelre ten behoeve van GERARD VAN VOORNE de kwijtschelding van leenplicht voor Ackoy aan Gelre. HERBEREN VAN HEUKELOM is de oudste heer van Ackoy, die in de hier beschreven stukken voorkomt. Hij werd er in 1386 mede beleend zoals zijn vader OTTO VAN ARKEL het gehad had. Na zijn dood verkocht zijn zoon JAN het in 1417 aan HUBRECHT VAN CULEMBORCH. Van HUBRECHTS' vrouw YOLANTE VAN GAESBEEK vererfde het in 1454 op haar broeder JACOB, die het aan WILLEM VAN BOXMEER verkocht. In 1475 werd JAN VAN MONTFOORT er mede beleend na opdracht door WILLEM VAN BOXMEER, en in 1489 AGNIESE VAN MONTFOORT, vrouw van JAN VAN KRUININGEN. Hun zoon Joost verkocht het aan FLORIS VAN EGMOND. Ackoy was onafhankelijk zoals Buren en Leerdam; de hoge regering berustte dus bij de Domeinraad. Met Leerdam had het één drossaard en werd het in 1795 bij Holland ingelijfd

    • openXIII Boxmeer.
    • openXIV Lingen.

      Zie de inleiding bij MAXIMILIAAN VAN EGMOND, bl. 185. Lingen werd nog tijdens het leven van ANNA VAN EGMOND verkocht. (Zie Archief Nass. Domeinraad Deel I, Reg. no. 3451)

    • Zie het H.S. van VAN RIEMSDIJK; Geneologische en Heraldische Bladen II, 1907, bl. 338 en Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden XII, 1772, bl. 332 e.v.

      Het huis Beverweerd te Werkhoven was een Stichts leen, dat in de 13e eeuw, en, na een korte onderbreking, wederom in het begin van de 14e eeuw in het bezit was van een tak der ZUILENS. Door het tweede huwelijk van MECHTELD, dochter van heer JAN, (haar eerste man was OTTE VAN IJSELSTEIN), kwam Beverweerd in 1354 aan heer SWEDER VAN VIANEN, zoon van HENDRIK, heer van Vianen. Op SWEDER volgde zijn zoon JOHAN, beleend in 1395, gehuwd met ELISABETH, dochter van ALARD, heer van Buren. JOHANS ZOON GIJSBRECHT liet uit zijn huwelijk met CLEMENTIA VAN POUCQUES een dochter JOHANNA na, die Beverweerd aan het geslacht BOUCHOUT bracht door haar huwelijk in 1441 met JOHAN VAN BOUCHOUT, heer van Boulaer en Schendelbeke. Vóór haar huwelijk had JOHANNA enige jaren onder voogdij gestaan van haar tweede moeder ANNA, dochter van WOUTER DE HENNIN, heer van Bossu, die later de vrouw werd van WILLEM VAN EGMOND. JOHANNA'S zoon DANIËL, beleend in 1502, liet uit zijn huwelijk met MARIE VAN LUXEMBURG wederom alleen dochters na, van wie de oudste, MARIE, HUGO DE LANNOY, heer van Lannoy, Rollencourt, Wahaignies en Tronchiennes, huwde. Zij werd in 1527 beleend. Hun dochter FRANÇOISE werd de vrouw van MAXIMILIAAN VAN EGMOND en de moeder van ANNA, gemalin van WILLEM I. Françoise stierf in 1562, haar moeder in 1563, zodat PHILIPS WILLEM Beverweerd en de andere bovengenoemde goederen rechtstreeks van zijn overgrootmoeder, MARIE DE LANNOY, erfde. In 1564 werd hij met Beverweerd beleend, dat in 1536 tot een ridderhofstad was verklaard. Tot de annexen zijn te rekenen de goederen, die tezamen met het huis in eenzelfde akte in leen werden gegeven, terwijl hier tevens beschreven zijn de stukken betreffende goederen, die de heer van Beverweerd in de omliggende gemeenten bezat en die in de oude Inventaris onder het hoofd Beverweerd zijn gebracht. Zoals bekend is, vermaakte prins MAURITS Beverweerd aan zijn zoon LODEWIJK evenals de heerlijkheid Odijk, waarmede dezelfde tak der VIANENS, die Beverweerd bezat, door de heren van Vianen beleend werd. De heren van Vianen hadden het als een Gelders leen. Odijk vererfde op dezelfde wijze als Beverweerd op PHILIPS WILLEM. Prins MAURITS kreeg beide heerlijkheden eerst nadat PHILIPS DE MÉRODE, afstammeling van een jongere zuster van MARIE VAN BOUCHOUT en in 1620 beleend, afstand had gedaan in hetzelfde jaar

    • Zie procesbundels in Archief Nass. Dom., Inv. Hingman nos. 665 en 666.

      Bij haar huwelijk met MAXIMILIAAN VAN EGMOND, graaf van Buren, bracht FRANÇOISE DE LANNOY, dochter van HUGO en MARIE VAN BOUCHOUT, mede de heerlijkheden Lannoy in Henegouwen, Santes, Wahaignies, Cointise en Coquenplus onder Rijssel, Tronchiennes in Oost-Vlaanderen en Rollencourt in Artois. Alleen van de hoge heerlijkheid Rollencourt zijn stukken bewaard gebleven; zij was leenroerig aan het graafschap Saint-Pol. FRANÇOISE DE LANNOY gaf deze goederen aan haar dochter ANNA mede bij haar huwelijk met prins WILLEM I, uitgezonderd Tronchiennes, dat MAXIMILIAAN VAN EGMOND verkocht had, maar waarover FRANÇOISE beloofde niet te zullen "querelleeren". Nadat PHILIPS WILLEM deze goederen geërfd had van zijn overgrootmoeder, die haar dochter en kleindochter overleefde, heeft hij ze met toestemming van zijn zuster, MARIA VAN HOHENLOHE, alle verkocht behalve Lannoy. Deze heerlijkheid verwierf PHILIPS DE MÉRODE, die aanspraak maakte op deze bezittingen, omdat zij bij kinderloos overlijden van ANNA VAN EGMONDS kinderen zouden terugkeren aan de vrouwelijke linie

  • Bij de rangschikking van de stukken onder iedere persoon afzonderlijk is er naar gestreefd deze te plaatsen in de volgorde: familieaangelegenheden, financiële zaken en stukken op ambtelijk en politiek gebied

  • In dit aanhangsel zijn ten eerste opgenomen stukken betreffende geestelijke stichtingen, waarvan de goederen door de heer zijn geconfisqueerd bij de Hervorming. Ten tweede stukken, afkomstig van CORNELIS VAN BERGEN, zwager van FLORIS VAN EGMOND, ten derde stukken, bestemd voor leden van het geslacht VAN BORSELEN, die niet behoren tot de tak Sint-Maartensdijk, en ten slotte stukken, waarvan het verband met het archief der EGMONDS niet blijkt

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in