Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Regeeringsarchieven (algemene inleiding)

1.01.01.00
R. Bijlsma
Nationaal Archief, Den Haag
1926
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.01.01.00
Auteur: R. Bijlsma
Nationaal Archief, Den Haag
1926
CC0

Periode:

1567 september - 1588 mei

Omvang:

totaal 4,6 meter

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands en in het Frans.

Soort archiefmateriaal:

Normale gedrukte en geschreven documenten, geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit document is een algemene inleiding op de zgn. Regeeringsarchieven der Geünieerde en der Nader Geünieerde Nederlandse Provinciën, gevormd in de periode september 1567 - mei 1588, toegangen 1.01.01.01 t/m 1.01.01.06 en 1.01.01.08 t/m 1.01.01.11.

Archiefvormers:

  • Staten-Generaal, 1576-1588
  • Gouverneur-Generaal Matthias, Aartshertog van Oostenrijk, en de Raad van State nevens hem, 1578-1581
  • Kamer der Beden van de Generaliteit: Tresorier-Generaal; Ontvanger-Generaal der Beden van de Generaliteit, 1576-1581
  • Gedeputeerden der Provinciën; College van de Nader-Geünieerde Provinciën, 1578-1581
  • Generale Landraad [1581-1582]; François, Hertog van Anjou en de Raad van State nevens hem [1582-1583], 1581-1583
  • Gemachtigden tot het Beleid der Financiën en Beden [1582]; Kamer der Beden [1582-1584], (1577), 1582-1584
  • De Landraad aan de oostzijde der Maze, 1581-1584
  • Gedeputeerden van de Geünieerde Provinciën aan de Oostzijde der Maze, 1583
  • Raad van State, 1584-1586
  • Gouverneur-Generaal Graaf van Leycester en de Raad van State nevens hem, 1586-1588
  • Kamer van de Tresorie dezer Landen [1586], Kamer van Financiën en Domeinen [1586], Kamer van de Tresorie [1586-1588], 1586-1588

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

ALGEMEENE INLEIDING.

Onder een gemeenschappelijken titel zijn in dit boek, gelijk de inhoudsopgave uitwijst, een elftal inventarissen opgenomen. Het schijnt gewenscht deze uitgave, waarvan het door mij ontworpen plan reeds ter sprake is gebracht in het Verslag van het Algemeen Rijksarchief over 1922, met enkele toelichtingen in te leiden, die in de eerste plaats mogen verklaren, hoe ik er toe gebracht werd, alle deze archieven bijeen te groepeeren en onder één titel te beschrijven.

Wie zich bezig houdt met het oudste gedeelte van het archief der Staten-Generaal, wordt getroffen door een abnormaliteit, op welke reeds door verschillende onderzoekers gewezen is. De losse bescheiden in het archief der Staten-Generaal over de vroegste periode zijn voor een groot deel bewaard in de pakken der zoogenaamde Liassen Loopende; in deze lias-pakken komen echter over de jaren 1576-1588 niet alleen papieren voor, behoorend tot het archief der Staten-Generaal, maar eveneens worden er tal van vreemde bescheiden uit deze jaren in aangetroffen, bescheiden namelijk, die behoorden te berusten in de archieven van Gouverneur-Generaal Matthias en den Raad van State nevens Zijne Hoogheid (1578-1581), van den Generalen Landraad en van den Hertog van Anjou en diens Conseil d'Etat (1581-1583), van Graaf Maurits en Raden van State (1584-1586), en van den Graaf van Leycester en den Raad van State nevens Zijne Excellentie (1586-1588). In grooten getale worden dergelijke stukken ook aangetroffen in de liaspakken der Duitsche landen; zij zijn echter gelicht uit de liaspakken der Loopende stukken om tot aanvulling te dienen voor de formeering der liaspakken Duitsche landen bij gelegenheid, dat in het laatste kwartaal der 19de eeuw op het Rijksarchief te 's Gravenhage verschillende liassen-serieën zijn herordend.

Wanneer wij nu de oudste liaspakken der Loopende stukken, zooals wij ons deze kunnen voorstellen in hun ouden toestand, onderzoeken, dan treft al dadelijk de omstandigheid, dat de eerste lias stukken bevat uit de jaren 1550-1577 en grootendeels is gevormd vooreerst door minuutakten uit het archief van de Audience der Spaansch-Nederlandsche Regeering te Brussel over de jaren 1550-1558, voorts door stukken uit de archieven dezer regeering uit het tijdperk 1568-1576 en ten slotte door slechts een paar bescheiden (van het jaar 1577) behoorend tot het archief der Staten-Generaal. Vervolgen wij het onderzoek der liassen-serie, dan blijkt, dat in de liaspakken tot en met 1589 de bescheiden der Staten-Generaal slechts zeer onvolledig bewaard zijn gebleven, en dat eerst met de lias 1590 de reeks der normaal gevormde jaargangen aanvangt.

Slaan wij thans de inventarissen van het archief der Staten-Generaal uit de zeventiende eeuw op, dan vinden wij daarin over de serie der liassen Loopende eene merkwaardige aanwijzing: volgens den inventaris van het jaar 1635 door den Agent Hendrick Verburch begint deze serie met den jaargang 1590, terwijl volgens den inventaris van het jaar 1656 door den Agent Cornelis de Heyde het aanvangsjaar 1550 is. Voor de hand ligt nu de gevolgtrekking, dat het de Agent De Heyde is geweest, die bij zijne inventarisatie van het archief der Staten-Generaal ten jare 1656 de liaspakken over het tijdperk 1550-1589 heeft gevormd. Deze gevolgtrekking wordt bovendien bevestigd door eene nauwkeurige beschouwing van de bescheiden in deze liassen vóór 1590, welke telkens in dorso gedateerd zijn met De Heyde's hand, terwijl ook enkele nog bewaarde voortitels in de liassen door hem zijn geschreven.

De volgende phase van mijn onderzoek gold nu de bestanddeelen, waarmede door den Agent De Heyde de liaspakken over de jaren 1577-1589 waren gevormd. Geconstateerd kon worden, dat voor de samenstelling dezer liaspakken tot 1588 drie groepen van papieren waren gebruikt:

  1. stukken, behoorend tot de griffie der Staten-Generaal;
  2. stukken van den Hoogduitschen secretaris der Staten-Generaal en secretaris van den Raad van State Johan van Langen 1577-1588;
  3. stukken van den Audiencier en Eersten Staatssecretaris Jan van Asseliers 1578-1584 (

    Voor de vorming van het liaspak 1589 (en gedeeltelijk ook dat van 1588) bleken slechts stukken van de Staten-griffie gebruikt.

    )
    .

Na het volledig onderzoek der liaspakken bleek, dat de vermenging van de Langen- en Asseliers-papieren onder de griffiestukken der Staten-Generaal de afdoende verklaring bood voor de aanwezigheid van de bovengenoemde vreemde bestanddeelen in de liaspakken tot 1588, van de bescheiden, die behoorden te berusten in de archieven van Matthias, Anjou, Leycester en de Raden van State 1578-1588. Verder bleek het Staten-Generaal-archief ook enkele registers te bevatten, afkomstig van Langen en Asseliers, terwijl voorts stukken van Asseliers door De Heyde in de loketkas der Staten-Generaal waren ondergebracht.

De kennisneming vervolgens van de bescheiden der oudste periode, welke geborgen zijn in de Loketkas der Staten-Generaal, bracht aan het licht, dat nog een derde collectie papieren betreffende het tijdperk 1576-1588 in het archief der Staten-Generaal is opgenomen; het is de collectie, afkomstig van Joseph Saroels, die in de periode 1578-1584 en 1586-1588 griffier is geweest van de opvolgende Kamers der Beden en daaraan gelijk te stellen colleges, en later nog korten tijd gediend heeft bij den Raad van State van 1588. Blijkens den inventaris van Hendrick Verburch in 1635 waren de Saroels-papieren destijds reeds bij het Statenarchief gevoegd.

Door de aanwezigheid van de stukken, afkomstig van Langen, als secretaris van Maurits en Raden van State en van Leycester en diens Raad van State, en van die, afkomstig van Saroels 1586-1588, bevatte het archief der Staten-Generaal stukken van regeeringspersonen en -lichamen, van welke ook bescheiden bewaard zijn gebleven bij het archief van den Raad van State van 1588. Bij het archief van dezen Raad zijn bovendien komen te berusten stukken van de Regeering der Nader Geüniëerde Provinciën 1579-1581 en van den Landraad beöosten Maze 1581-1584.

Wegens de belangrijkheid van de stukken, welke de archieven van de regeeringslichamen uit het tijdperk 1576-1588 vormen, en de ongewenschtheid om de beschrijving er van uit te stellen tot eene volledige nieuwe inventarisatie van het archief der Staten-Generaal en dat van den Raad van State, werd het plan opgevat eene inventarisatie op te zetten, welke omvatten zou:

  1. het archief van de Griffie der Staten-Generaal uit het tijdperk 1576-1588;
  2. de collectie van den secretaris Langen 1577-1588;
  3. de collectie van den Staatssecretaris-audiencier Asseliers 1578-1584;
  4. de collectie van den griffier Saroels 1576-1588;
  5. de stukken der Nadere Unie 1579-1581 en die der Generale Unie uit het tijdperk 1581-1588, bewaard bij het archief van den op 16 Mei 1588 opgetreden Raad van State;
  6. de gelijksoortige stukken, als aanwinsten in verloop van tijd voor het Algemeen Rijksarchief verworven.

Als einddatum der te inventariseeren stukken werd Zondag 15 Mei 1588 gekozen; op dezen datum eindigde Langen's functie als Hoogduitsch secretaris der Staten-Generaal, doordat hij als secretaris van den Raad van State niet werd overgenomen door het op 16 Mei nieuw optredend regeeringscollege. Den 16den Mei 1588 begon dus voor het staatsrechtelijk gezag der Staten-Generaal de periode, waarin de nieuwe Raad van State als regeering naast de Staten-Generaal aanving te fungeeren, terwijl voor de administratie der Staten-Generaal deze datum beteekenis had als die van den dag, waarop de geheele administratie der Staten-Generaal onder den griffier werd gebracht, zoodat dus eerst van 16 Mei 1588 af het griffiearchief identiek is met het archief der Staten-Generaal (

Door de keuze van 15 Mei 1588 als einddatum bleven de zeer enkele stukken van Joseph Saroels uit het volgend tijdperk, waarin hij bij den Raad van State van 1588 in dienst was, en welke met zijn papieren uit de vroegere periode bij het archief der Staten-Generaal zijn terecht gekomen, buiten de inventarisatie.

).

Door de bijvoeging der als aanwinsten verworven stukken omvat de inventarisatie, behalve archieven der Geüniëerde Provinciën 1576-1588 en het archief der Nader Geüniëerde Provinciën over het tijdperk 1579-1581, ook een stuk, behoorend tot het archief der Gedeputeerden van de Geüniëerde Provinciën aan de Oostzijde der Maze van het jaar 1583.

Dat tot de archieven der Geüniëerde Provinciën het archief van den Landraad beöosten Maze 1581-1584 gerekend moet worden, is niet zonder merkwaardigheid. Deze Landraad, die het bestuur voerde over het gebied, voorheen geregeerd door het College der Nader Geüniëerde Provinciën, was eene commissie uit den Generalen Landraad der Geüniëerde Provinciën, terwijl de leden er van door den Generalen Landraad uit diens midden zouden worden aangewezen. De instelling ervan berustte op een bepaling van de instructie, voor den Generalen Landraad door de Staten-Generaal vastgesteld. Het karakter van een college der Geüniëerde Provinciën te zijn blijft onaangetast door het al spoedig niet meer verschijnen van de leden uit Brabant en Vlaanderen. Evenmin heeft het geheel wegvallen van den Raad van State in Februari 1583 het oorspronkelijk karakter opgeheven van den Landraad beoosten Maze, voortgekomen uit den Generalen Landraad als instelling der Geüniëerde Provinciën.

De archiefstukken der Nader Geüniëerde Provinciën zijn bij deze inventarisatie als gelijkwaardig met die der Geüniëerde Provinciën behandeld (

De Geüniëerde Provinciën aan de oostzijde der Maze 1583 behoeven in dit verband niet afzonderlijk vermeld te worden (evenmin als in den titel dezer uitgave), daar het onderscheid met de Nader Geüniëerde Provinciën te onbelangrijk is.

). Hiervoor bestonden verschillende motieven. De archiefstukken der Nader Geüniëerde Provinciën 1579-1581 blijken van de regeering der Nadere Unie te zijn overgegaan aan de zorg van den Landraad beoosten Maze, het regeeringscollege der Generale Unie, dat het bestuur van het College der Nadere Unie voortzette. Als bevestiging dezer zorg is te beschouwen het recht van inbezitneming ten behoeve der Generaliteit, dat de Staten-Generaal zich toekenden op de regeeringsarchieven, afkomstig van de Nader Geüniëerde Provinciën. Dit beschikkingsrecht wordt verondersteld in de instructie, door de Staten-Generaal op 25 Februari 1585 gearresteerd voor de te Utrecht woonachtige gecommitteerden, volgens autorisatie der Staten-Generaal door den Landraad beöosten Maze benoemd tot afwikkeling van de geldzaken van den Landraad; deze instructie bevat in artikel 21 de opdracht aan genoemde gecommitteerden om te bevorderen, dat hun door de in dienst geweest zijnde secretarissen worden overgeleverd al de registers der resolutiën sedert de Nadere Unie tot nu toe. Op de destijds te Utrecht gebleven zijnde bescheiden heeft verder betrekking eene resolutie der Staten-Generaal van 16 December 1588, waarbij mr. Dirck van der Does gecommitteerd wordt om te Utrecht over te nemen: het cachet van de Gecommitteerden van den Landraad beoosten Maze benevens de principale stukken, aldaar in archivis van den lande (d. i. van Utrecht) berustend, ter overbrenging aan de Staten-Generaal. Eene herhaling van dezen last ten opzichte der stukken in de archieven van het gewest Utrecht berustend, treffen wij aan in de commissie, door de Staten-Generaal op 21 Maart 1591 gegeven aan mr. Dirck van der Does en Gijsbrecht van Zuylen, bij welke deze gelast worden naar 's Gravenhage over te brengen al zulke papieren als te Utrecht in archivis der Staten van Utrecht berusten, welke de Generaliteit eenigszins aangaan. In verband met het voorschrift der Staten-Generaal van 25 Februari 1585 valt hier te denken aan de bescheiden sedert de Nadere Unie, die dan ook inderdaad naar 's Gravenhage blijken te zijn overgebracht.

Behalve de juridische verhouding van de Generale Unie tot de archieven der Nadere Unie kan ook een motief van staatsrechtelijk-historischen aard de nevenstelling van de archieven der Nadere Unie met die der Generale Unie rechtvaardigen. Nadat toch de Geüniëerde Provinciën door den loop der krijgsgebeurtenissen dermate waren ingekrompen, dat het gebied ervan met dat der vroegere Nadere Unie overeenkwam, ging de regeering der Geüniëerde Provinciën hare normen ontleenen aan de Nadere Unie van Utrecht, zoodat zij staatsrechtelijk de Generaliteit als eene voortzetting èn van de Generale Unie èn van de Nadere Unie opvatte. Ook deze opvatting zou tot motief kunnen strekken om de archieven der Nadere Unie met die der Generale Unie als voor de Generaliteit gelijkwaardig te behandelen.

Wanneer wij voor de bescheiden der Nadere Unie de gelijkheid van aard met die der Generale Unie wilden aangeven, dan zouden wij deze uitgave kunnen noemen eene inventarisatie van regeeringsarchieven, welke gemeenschappelijk op 16 Mei 1588 aan de Geüniëerde Nederlandsche Provinciën toebehoorden. Bij de redactie van den titel heb ik er echter de voorkeur aan gegeven de archieven te omschrijven naar de twee Unies, voor welke zij destijds zijn gevormd.

De term Regeering in den titel moet, gelijk reeds blijkt uit de inhoudsopgave, in ruimen zin worden opgevat; het woord is gebruikt ter samenvatting van begrippen als: Hooge Overigheid, Staten-Generaal, Gouvernement, Regeering in den beperkten zin des woords (o. a. de Raad van State van 1584 werd als zoodanig aangeduid) en centrale bestuurs-colleges (zooals de Kamer der Beden). Het is er echter verre van, dat in deze uitgave, uitgaande van het Algemeen Rijksarchief, zijn opgenomen alle bescheiden, welke bewaard zijn gebleven van de regeeringsarchieven der Geüniëerde Provinciën. Zelfs zijn buiten deze inventarisatie gehouden de op het Algemeen Rijksarchief berustende bescheiden van de Admiraliteitscolleges uit het tijdperk 1586-1588, daar van het geheel der archieven van deze colleges reeds een inventaris is gemaakt en gepubliceerd. Maar de voornaamste oorzaak van de onvolledigheid van de archieven der Geüniëerde Provinciën, bewaard in het Algemeen Rijksarchief te 's Gravenhage, bij welke onvolledigheid dan in het bijzonder te denken is aan het tijdperk tot Mei 1583, toen de Staten-Generaal hunne Zuid-Nederlandsche periode afsloten, ligt toch in het volgende. Behalve de papieren van de griffie der Staten-Generaal, die naar het Noorden blijken te zijn medegenomen, toen de Staten aldaar van Augustus 1583 af hunne vergadering gingen houden, zijn slechts enkele collecties uit Antwerpen naar de Noordelijke gewesten overgebracht. De in de Zuidelijke Nederlanden gebleven archieven en collecties zijn vervolgens aldaar in het bezit gekomen van de Spaansche regeering en een groot gedeelte der stukken van de regeeringsarchieven der Geüniëerde Provinciën is thans te vinden op het Belgische Algemeen Rijksarchief te Brussel.

Het archief van de griffie der Staten-Generaal is blijkbaar in 1583 vrijwel volledig uit Antwerpen naar het Noorden overgebracht (

Zie betreffende deze overbrenging de inleiding tot het archief der Staten-Generaal, hierna pagina 45.

). Hoe gering ook het aantal losse stukken moge wezen, thans nog van deze administratie overgebleven, zoo zijn er geen aanwijzingen, dat destijds griffie-papieren in het Zuiden zouden zijn achtergelaten; het thans ontbrekende is naar alle waarschijnlijkheid te 's Gravenhage (en dan reeds vóór 1635, blijkens den inventaris Verburch) te loor gegaan.

Uit hetgeen bewaard is van de papieren van secretaris Langen blijkt, dat deze zijne papieren in 1583 naar het Noorden heeft medegenomen. Toen de Staten-Generaal in Augustus 1583 te Middelburg bijeenkwamen, vertoefde Langen nog te Antwerpen (

Langen's brief van 24 Augustus 1583 in Lias Loopende 1583. Zie hierachter Inv. I, nr. 246.

); op 21 October maken de Staten-Generaal-resolutiën melding van een brief, waarbij Langen zich verontschuldigt over zijn wegblijven, maar begin November 1583 is de Hoogduitsche secretaris dan toch naar de Staten-Generaal te Dordrecht overgekomen. Langen is tot in Mei 1588 in dienst der Generaliteit gebleven. Dat zijn collectie al veel vroeger dan het jaar, waarin door Agent De Heyde met haar het griffie-archief der Staten-Generaal werd vermengd, bij dit archief heeft berust, blijkt uit eene aanteekening in het handschrift van Robrecht Falkenborch, agent der Staten-Generaal sedert 1605, op een bundel stukken der Langen-collectie in de Lias Loopende 1584-1885: "Allerley schriften ende copien van de voergaende Regieringhe''.

De audiencier en eerste staatssecretaris Asseliers moet daarentegen in 1583 een groot gedeelte der onder hem berustende bescheiden hebben achtergelaten, zonder twijfel te Antwerpen, waar zij in 1585 den Spanjaarden in handen zullen zijn gevallen. De toen bemachtigde collectie berust thans op het Rijksarchief te Brussel in de Papiers d'Etat et de l'audience, onder de rubriek "Gouvernement des Rebelles établi à Anvers et gouvernemens de l'archiduc Matthias et du duc d'Alencon"; tot deze collectie behooren o. a. de volgende reeksen:

  • nr. 550-563. Dépêches des Rebelles 1577 December-1583 Mei.
  • nr. 564-579. Lettres Patentes, émanant des Gouvernemens des Rebelles 1577-1583 (

    Vergelijk hierbij: De Marneffe. Inventaire sommaire des papiers d'Etat et de l'Audience (Inventaires sommaires des archives des anciens Gouvernemen des Pays-Bas, conservées aux Archives Générales du Royaume à Bruxelles I, 21). Bussemaker. Verslag van een onderzoek te Lissabon/Brussel naar archivalia, p. 157.

    )
    .

Door onderzoekingen o.a. van dr. P. L. Muller is het bekend, dat deze bescheiden behoord hebben tot de administratie van Asseliers. Met dit resultaat van onderzoek der papieren te Brussel stemt overeen, hetgeen blijkt over Asseliers' vertrek uit Antwerpen, na het uiteengaan der Staten-Generaal einde Mei 1583. Eerst heeft de audiencier zich nog naar den Hertog van Anjou begeven (

Zie hierachter Inv. I, n°. 254.

); doch begin October 1583 treffen wij hem aan bij de Staten-Generaal, vergaderd te Dordrecht, om den zieken griffier De Hennin te vervangen en het ambt van audiencier te vervullen. Het te Antwerpen in 1583 achtergelaten gedeelte zijner papieren zal nu in 1585 aldaar bemachtigd zijn door de Spanjaarden; het andere gedeelte is medegenomen naar het Noorden, alwaar de papieren na zijn dood krachtens resolutie der Staten-Generaal te Delft van 5 September 1584 "midts zy der Generaliteyt aengaen", gesequestreerd zijn.

Zoo is het begrijpelijk, dat papieren, behoorend tot de audience van het Gouvernement van Matthias en diens Raad van State, tot die van de regeering van den Generalen Landraad en van Anjou en den Conseil d'Etat, en tot die van de Staten-Generaal, zoowel te 's Gravenhage als te Brussel zijn terecht gekomen.

Gelijk de audience-papieren uiteen geraakt zijn, is dit ook geschied met de bescheiden van de griffie van de Kamers der Beden. De griffier Joseph Saroels is in den zomer van 1583 te Antwerpen gebleven (

Brief van Augustus 1583, bewaard in Archief Staten-Generaal Loketkas Loopende 52 (zie hierachter Inv. VI, n°. 17).

); het is niet waarschijnlijk, dat de griffie (ook genaamd het bureel) van de Kamer der Beden sindsdien naar de Noordelijke Nederlanden is overgebracht. Nog in Augustus 1584 treffen wij Joseph Saroels te Antwerpen aan (

Brieven van deze maand in archief Staten-Generaal. Loketkas Particulier 4 (zie hierachter Inv. I, n°. 154); Loketkas Loopende 52 (Inv. VI, n°. 21).

)
; na het optreden van den Raad van State in September 1584 kwam zijn ambt te vervallen en Saroels bleef dan ook in de Scheldestad, waar hij vertoefde in de maand Augustus 1585, toen de Hertog van Parma haar veroverde (

Zulks blijkt uit het ordonnantieboek der Staten-Generaal op 15 October 1587.

)
.

Op zich zelf zouden deze feiten al genoeg aanwijzingen bevatten, om te verklaren, dat destijds bescheiden van de Kamers der Beden in Antwerpen hebben berust. De aanwijzingen worden op een wijze, die geen twijfel meer overlaat, bevestigd door een uitlating der Staten-Generaal in een brief van 19 October 1589, dat alle papieren en bewijsstukken specteerende "ad Rationum Cameram Universorum Ordinum Inferioris Germaniae" te Antwerpen bij de overgave der stad in handen van den vijand gevallen zijn (

Brief aan den koning van Schotland in archief Staten-Generaal, Loket kas Engeland 15. (Zie Japikse. Resol. St. G. 1588/9, p. 422.)

).

Wij mogen het er dan ook voor houden, dat uit de in 1585 te Antwerpen bemachtigde papieren van de griffie (of het bureel) van de Kamer der Beden afkomstig zijn verschillende rekeningen der Geüniëerde Provinciën, welke thans bewaard worden in de verzamelingen van de Chambres des Comptes, in België berustend. Toch is Saroels er in geslaagd een gedeelte der aan zijn zorg toevertrouwde papieren naar de Noordelijke Nederlanden over te brengen, alwaar zij na zijn dood te 's Gravenhage in 1590 aan de Generaliteit zullen zijn gekomen.

Tot nu toe werd alleen melding gemaakt van elders berustende bescheiden, behoorend tot archieven van regeeringspersonen en -colleges der Geüniëerde Provinciën, van welke ook stukken op het Algemeen Rijksarchief te 's Gravenhage berusten. Bij de regeeringsarchieven vallen echter nog te vermelden archieven van colleges, van welke geen administratieve collecties naar de Noordelijke Nederlanden zijn overgebracht. Te denken valt hier aan de beide regeeringscolleges der Geüniëerde Provinciën, die tot in het voorjaar van 1583 gefungeerd hebben, de Conseil Privé of Secrete Raad en het College (of Raad) der Financiën en Domeinen, welker archieven niet naar het Noorden zijn overgekomen.

Nemen wij dit alles in aanmerking, dan blijkt de verzameling bescheiden van regeeringsarchieven der Geüniëerde Provinciën, voorzoover deze te 's Gravenhage bewaard worden, in velerlei opzicht onvolledig te zijn: zelfs de verzamelingen, die het archief der Staten-Generaal vormen, zijn tot Mei 1583 door de aanwezigheid van stukken van den audieneier Asseliers te Brussel, incompleet.

Spreken wij over de onvolledigheid van de te 's Gravenhage berustende Regeeringsarchieven van de Geüniëerde Provinciën, dan valt ook in een ander opzicht hierbij iets op te merken.

Tot nu toe hebben wij namelijk alleen regeeringsarchieven genoemd, welke toekwamen aan het staatsrechtelijk lichaam: de Geüniëerde Provinciën. Maar er zijn ook regeeringsarchieven gevormd, die destijds niet toekwamen aan de Geüniëerde Provinciën, terwijl zij toch archieven waren van personen, regeerend of gouverneerend over het gebied dezer Provinciën.

Onder het gouvernement van Aartshertog Matthias, de regeering van den Hertog van Anjou en het gouvernement van den Graaf van Leycester zijn collecties van archiefbescheiden gevormd door hunne persoonlijke secretarissen, onder welke papieren voorkomen, die op ééne lijn staan met stukken in de collecties, gevormd door den audiencier en de staatssecretarissen, welke thans op het Algemeen Rijksarchief berusten. Tot zoodanige, voor de regeerende en gouverneerende personen gevormde collecties, die terecht als hun persoonlijk eigendom behandeld zijn, behoort blijkbaar de van Gouverneur-Generaal Aartshertog Matthias afkomstige verzameling, bewaard op de Hofblibliotheek te Weenen en getiteld: Diversa diversarum rerum scripta hincinde missa Gubernatore ac Capitauo Generali Provinciarum Belgicarum Matthia archiduce Austriae etc. existente ab anno 1577 usque ad annum 1582 (

Zie de inhoudsopgave van dezen codex n°. 9018 bij Chmel. Die Handschriften der K. K. Bibliothek in Wien I, p. 46.

).

Papieren, behoorend tot de administratie van den Hertog van Anjou, worden, naar bekend is, aangetroffen in de collectie Des Pruneaux "chambellan et conseiller" van Zijne Hoogheid, welke deel uitmaakt van de verzamelingen der Bibliothéque Nationale te Parijs. Voorts noemen wij o. a. nog een collectie minuut-brieven van Anjou uit het jaar 1583, geschreven door zijn secretaris Charretier, welke berust op het Rijksarchief te Brussel. Deze collectie, bekend onder Papiers d'Etat et de l'audience n°. 488, is blijkbaar in de 16e eeuw in de Nederlanden achtergelaten en toen in handen der Spanjaarden gevallen.

De bescheiden der secretarissen van den Graaf van Leycester zijn indertijd evenmin bij de regeeringsarchieven te 's Gravenhage beland. Van de papieren, bewaard onder secretaris Jean Hotman, is dit genoegzaam bekend. Stukken van staatssecretaris Burchgrave, tevens secretaris van Leycester, zijn eerst in de tweede helft der 19e eeuw door aankoop voor den Staat der Nederlanden verworven.

In dit verband valt ook melding te maken van papieren, behoorend tot het persoonlijk archief van een gouverneerend dignitaris der Geüniëerde Proviciën, welke in Nederland zijn terecht gekomen, namelijk de stukken, ontvangen door den luitenantgouverneur der Geüniëerde Provinciën in het tijdperk 1578-1581, waardigheid, welke bekleed werd door den Prins van Oranje. Daar toen zoodanige bescheiden verwachten zou in het archief van het Huis van Oranje-Nassau, heb ik gemeend een enkel stuk, door den Prins van Oranje in die qualiteit ontvangen, hetwelk door aankoop voor het Rijksarchief is verworven, niet in dezen inventaris te moeten opnemen. Een dergelijk stuk kan beter gevoegd worden bij de verzameling stukken, afkomstig van het Huis Oranje-Nassau, bij de bescheiden der Stadhouderlijke Secretarie, welke in het verloop der 19de eeuw aan het Rijksarchief zijn overgedragen.

Het is te begrijpen, dat ook in andere collecties nog wel stukken worden aangetroffen, welke destijds rechtens deel uitmaakten van de administratie van een regeeringslichaam der Geüniëerde Provinciën, stukken namelijk, die zijn blijven berusten onder een lid van een regeeringscollege, wiens archief bewaard is gebleven. Het geval, dat in verband met deze uitgave, als uitgaande van het Algemeen Rijksarchief, hier als een voorbeeld moge genoemd worden, is dat van de collectie Reyngout, welke ingevolge de inbeslagneming in het najaar van 1586 gekomen is aan de Stalen van Holland en opgeborgen in de Loketkast dezer Staten. Jacques Reyngout, heer van Cauwenberch, was in het tijdperk tot 1583 commies in de Colleges van de Financiën en Domeinen en tevens tresorier van de Espargne; door Leycester werd Reyngout in Mei 1586 benoemd tot tresorier van de Espargne en daarna, bij de oprichting van de Kamer der Financiën in Juni 1586, tot tresorier-generaal. Stukken, door hem in deze ambten (dus ook als commies der Financiën) verzameld, zijn met de particuliere stukken in zijn collectie vermengd en maken dientengevolge deel uit van de verzamelingen der Staten van Holland. (

Nog minder kwamen voor opneming in aanmerking stukken zooals die, aanwezig bij de papieren van Oldenbarnevelt (in archief Staten van Holland), welke op de Nadere Unie betrekking hebben.

)

In de inventarisatie zijn door mij begrepen enkele stukken, afkomstig van Thierry van der Beken, sedert 1576 Tresorier-generaal der Oorlogen en Ontvanger-generaal van de Beden der Generaliteit, bescheiden dus, niet afkomstig van een regeeringspersoon of -college, maar van een ambtenaar, wiens functie nominaal de Geüniëerde Provinciën bestreek. Wegens de nauwe betrekking; waarin deze ambtenaar stond tot de Kamer der Beden, gevoegd bij de wijze van bewaring der van hem afkomstige stukken bij de collectie van de griffie der Kamer (bewaring, welke kennelijk van de nauwe betrekking een gevolg was), heb ik niet geaarzeld deze stukken in de inventarisatie te betrekken. Door de aanwezigheid der Van der Beken-bescheiden werd ik er voorts toe gebracht te overwegen, of ook een verdere opneming van bescheiden, afkomstig van ambtenaren, wier functie het gebied of een groot gedeelte van het gebied der Generale of Nadere Unie bestreek, wenschelijk was. Ik heb de kwestie niet behoeven uit te maken, daar het Algemeen Rijksarchief geen dergelijke bescheiden bevatte, welke voor opneming in de inventarisatie in aanmerking kwamen. Wel berusten er dergelijke stukken op het Rijksarchief, maar zij waren dan opgenomen in het door den persoon gevormde archief (

De collectie van Reyngout, tresorier van de Espargne, werd reeds genoemd. Een ander voorbeeld vinden wij in de papieren van Arend van Dorp, heer van Maasdam, super-intendant-generaal der levensmiddelen voor het leger, daartoe benoemd in 1582 door Anjou; deze stukken worden aangetroffen in de collectie afkomstig van Arend van Dorp en zijn nageslacht, die in 1888 voor het Algemeen Rijksarchief is verworven.

).

De tot hiertoe gegeven toelichtingen betreffen den inhoud dezer uitgave, omschreven door den titel: Regeerings-archieven der Geüniëerde en Nader Geüniëerde Provinciën; aan deze toelichtingen moet ik nog eene opmerking toevoegen, welke betrekking heeft op het in 1584 gefungeerd hebbende regeeringscollege, dat van de groep gewesten Holland-Zeeland-Utrecht uitging. Deze Raad nevens Zijne Excellentie den Prins van Oranje stond veel dichter bij Holland dan bij de Unie; bij een eventuëele opneming van bescheiden van dit college in deze inventarisatie zou dan ook de titel dezer uitgave anders hebben moeten luiden. Nu doet het geval zich voor, dat (blijkbaar geheel toevallig, toen de Staten-Generaal en de Raad in Juni 1584 te Delft vergaderden) enkele bescheiden van dezen Raad bij het archief der Staten-Generaal zijn terecht gekomen; voor deze enkele stukken meende ik niet een inventaris van een afzonderlijk regeeringscollege te moeten toevoegen, maar de stukken eenvoudig te moeten behandelen als deponentia bij het griffiearchief der Staten-Generaal, zoodat voor den titel de begrippen "Geüniëerde en Nader Geüniëerde Provinciën" gehandhaafd konden blijven.

Na deze toelichtingen betreffende de stof voor de inventarisatie en het kader daarvan, zou ik willen motiveeren de wijze, waarop binnen dit kader de beschrijvingen der stukken gegroepeerd zijn. Drie methoden van indeeling schenen allermeest in aanmerking te komen.

Volgens de eerste methode zou de indeeling zich richten naar de ordening, waarin de bescheiden eertijds gebracht waren; daarbij viel vooral te letten op de stukken, in het archief der Staten-Generaal bewaard. De ordening dezer bescheiden (afkomstig, gelijk hiervoor reeds gezegd is, van de griffie der Staten-Generaal en uit de collecties Langen, Asseliers en Saroels) was het resultaat van de inventarisatiën, in de 17de eeuw volbracht door de agenten Hendrick Verburch en Cornelis de Heyde; deze ordening was echter, voor zooverre de stukken in de lias-pakken betreft, in de tweede helft der 19de eeuw op het Rijksarchief te 's Gravenhage gewijzigd door de werkzaamheid der archief ambtenaren De Zwaan en mr. Van der Burgh. Uitgaande van den toestand, waarin de bescheiden in het archief der Staten-Generaal thans worden aangetroffen, zou de inventarisatie een beeld moeten geven van de ordening, waarin de stukken door de regeling van Agent De Heyde gebracht waren. Deze ordening, product van werkzaamheid uit de 17de eeuw, wijkt, zooals duidelijk is (zelfs voor de wijze, waarop de griffie-papieren geördend zijn), aanmerkelijk af van den toestand, waarin de stukken in het tijdperk 1576-1588 bewaard zijn geweest.

De tweede methode van groepeering der beschrijvingen van de bescheiden zou zich richten naar den toestand, waarin de papieren in de periode 1576-1588 bewaard zijn geweest, en een reconstructie van dezen toestand ten doel hebben. Als eerste hoofdafdeeling der inventarisatie zouden wij dan krijgen: de papieren, bewaard ter griffie der Staten-Generaal 1576-1588. Daarbij deed zich al dadelijk een bezwaar op. Het archief van de griffie der Staten-Generaal is gevormd door de administratie van de opvolgende griffiers (secretarissen): Weellemans, Blijleven-Houfflin, De Hennin en Aerssens. Dit archief vertoont meer het karakter van een samenhangend geheel en doorloopende administratie, dan wel van een tezamengevoegde reeks van telkens door achtereenvolgende griffiers gevormde afzonderlijke archiefcollecties. Wilde men nu de stukken destijds bewaard onder de griffiers, compleet hebben, dan kwam men bij Houfflin voor een bezwaar te staan. De stukken immers, berust hebbend onder Houfflin in hoedanigheid van secretaris van den Generalen Landraad en van Anjou en diens Conseil d'Etat, zouden geacht moeten worden één geheel uit te maken met de verzameling, gelijktijdig door hem gevormd als griffier der Staten-Generaal, en dus zoude bij de Houfflin-papieren het kader van de griffieadministratie worden doorbroken.

Hoofdafdeelingen zouden verder o. a. gevormd worden door de collectie Langen, die van Asseliers en die van Saroels (welke laatste deels bij de Staten-Generaal, deels bij den Raad van State terecht is gekomen). Deze hoofdafdeelingen zouden dus een beeld geven van de werkzaamheid en den loopbaan van bepaalde personen, die achtereenvolgens verschillende ambten bekleed hebben (deels zelfs meer ambten tegelijkertijd). Op deze wijze van indeelen was echter eene variatie mogelijk: eene splitsing namelijk der collecties volgens de regeeringstijdperken, waarin deze personen ambtelijk de regeeringscolleges gediend hadden. Naast de administratie der griffie in haar geheel over 1576-1588 (het bezwaar Houfflin daargelaten) zouden dan vooreerst komen collecties uit het tijdperk 1576-1581, bestaande in de verzamelingen Hoogduitsche secretarie, audience en griffie van de Kamer der Beden (alle bewaard bij het archief der Staten-Generaal) benevens de bescheiden der Nadere Unie, berustend bij het archief van den Raad van State van 1588; met het optreden van den Generalen Landraad zou daarop het tijdperk 1581 Augustus-1584 Augustus komen; vervolgens dat van den Raad van State van 1584-1586 en tot slot het Leycester-tijdperk 1586 Februari-1588 Maart. In laatstgenoemde twee perioden zou de Langen-collectie niet meer met de Hoogduitsche secretarie identiek zijn, maar allerhande bescheiden van den Raad van State bevatten.

Hoewel eene reconstructie en indeeling volgens deze beginselen praktisch niet op vele bezwaren scheen te stuiten, meende ik, aangezien toch ook bij deze wijze van indeeling de bestaande ordening zou worden losgelaten, te moeten overwegen, of het niet wenschelijk zou wezen, bij de determineering der stukken nog een stap verder te gaan en de beschrijvingen te groepeeren volgens de archieven der regeeringspersonen en -colleges, waartoe de onder de ambtenaren berustende bescheiden geacht konden worden te behooren. Bij deze methode zou de inventarisatie een beeld geven van het gezag en de werkzaamheid der verschillende regeeringspersonen en -colleges uit het tijdperk 1576-1588. Nadat mij gebleken was, dat de bezwaren, verbonden aan eene toepassing van dit ordeningsstelsel, oplosbaar waren, opteerde ik voor deze wijze van indeeling. Wat de bezwaren betreft, deed zich bij de Langen-bescheiden eene moeilijkheid van practischen aard voor door de aanwezigheid van één register, waarin zoowel uitgaande brieven van de Staten-Generaal als van de Hooge Overigheid en Regeering waren ingeschreven. Een dergelijk tweezijdig deel was ook het Register van resolutiën der Staten-Generaal 1581, hetwelk door Houfflin, als secretaris van den Generalen Landraad, was gebruikt voor de inschrijving van resolutiën van dit college, eene handelwijze, waaraan trouwens de Generale Landraad zelf spoedig uitdrukkelijk een einde maakte.

De papieren van Asseliers loopen, op zeer enkele stukken na, over het tijdperk Juni 1581-Augustus 1584, een tijdperk waarin Asseliers audiencier en eerste staatssecretaris was, tevens fungeerend als gewoon staatssecretaris. Als audiencier diende Asseliers in deze periode afwisselend de Staten-Generaal (1581 Juni-Augustus); den Generalen Landraad (1581 Augustus-1582 Februari); Anjou met diens Conseil d'Etat en beide andere collaterale colleges: den Conseil Privé of Secreten Raad en het College van de Financiën en Domeinen (1582 Februari-1583 Januari); daarna - na het zich terugtrekken van Anjou - de Staten-Generaal, als wederom het gezag der Hooge Overigheid uitoefenend, met de beide in functie gebleven colleges: den Secreten Raad en het College der Financiën.

Nadat einde Mei de Staten-Generaal te Antwerpen uiteen waren gegaan, heeft Asseliers zich wederom naar Anjou begeven. Ten slotte is Asseliers in October 1583 bij de Staten-Generaal te Dordrecht gekomen en dit college is de audiencier tot zijn dood toe blijven dienen. Ik heb het geoorloofd geacht met het oog op den feitelijken inhoud der Asselierscollectie (waarin stukken betreffende onderwerpen, in het bijzonder vallend onder de competentie van Conseil Privé en Collège des Finances, op een zeer enkele uitzondering na, niet worden aangetroffen), de audience te beschouwen als eene administratie in dienst der Hooge Regeering en, bij het ontbreken van deze, in dienst der Staten-Generaal. Zoo konden dan alle stukken van Asseliers over het genoemde tijdperk 1581-1584 worden ondergebracht bij de archieven van Staten-Generaal, Generalen Landraad en Anjou met diens Conseil d'Etat.

De toepassing van het gekozen systeem bracht dus mede, dat voor elk stuk moest worden onderzocht, in welk archief of collectie het in de periode 1576-1588 was komen te berusten. Was dit uitgemaakt, dan kon in verband met de dagteekening de toewijzing aan het archief van een regeeringscollege geschieden, behalve bij papieren als die van Langen, die meer qualiteiten tegelijk vereenigde in zijn ambt, en waarbij dus een tweede determineering noodig was. Het spreekt, dat het onderzoek niet slechts geschiedde met behulp van aanwijzingen, te ontleenen aan den inhoud, maar ook aan gegevens van de administratie (handschrift van den schrijver van het stuk), registratuur en ordening der stukken (recepta-merk, merkteekens van den agent Ramet) en inventarisatie der agenten Verburch en De Heyde. De toepassing moge door een voorbeeld toegelicht worden, waaruit tevens blijken kan, dat het onmogelijk zoude wezen, de determineeringen telkens in de inventarissen te motiveeren.

In de Loketkas der Staten-Generaal wordt als Loopende n°. 20 aangetroffen de minuut-verklaring, namens Raden van State door Leoninus af te leggen in de vergadering der Staten-Generaal betreffende hun bezwaar de regeering te continuëeren; in de minuut zijn wijzigingen aangebracht in Leoninus' handschrift. Daar het stuk een minuut-vorm heeft en geen receptamerk der Staten-Generaal draagt en daar bovendien de verklaring (afgelegd 8 Maart 1588) staat ingeschreven in het resolutiënregister van den Raad van State, ligt het voor de hand het stuk onder te brengen bij de papieren van secretaris Langen, die destijds Raden van State ter zijde stond. Nu doet zich tegen deze determineering een bezwaar voor in de plaats, waarop het bescheid in den inventaris voorkomt. De Langen-papieren zijn toch door den Agent De Heyde in 1656 gebruikt voor de vorming der Liassen Loopende en bescheiden der Langencollectie zijn bij die gelegenheid niet in de Loketkas ondergebracht. Dit bezwaar vervalt echter, wanneer wij de gezamenlijke inventarissen van het archief der Staten-Generaal vergelijken; deze wijzen toch uit, dat het stuk eerst bij de inventarisatie door De Heyde in het jaar 1678 in den inventaris is opgenomen, zoodat het (wellicht na 1656) van de andere Langen-papieren gescheiden moet zijn geraakt. Deze toedracht wordt te meer waarschijnlijk, wanneer wij er op letten, dat De Heyde het stuk bij zijn arbeid van het jaar 1678 geïnventariseerd heeft met de aanduiding: "Zonder plaats of dagteekening" en het gerangschikt heeft tusschen bescheiden van 1575 en van 1576 onder de Loopende stukken der Loketkas, zoodat karakter en herkomst van het document hem blijkbaar verborgen zijn gebleven.

Bij de onderlinge groepeering der inventarissen heb ik het recht, dat de Generaliteit in 1588 zoowel ten opzichte van de archieven der Geüniëerde als van die der Nader Geüniëerde Provinciën kon laten gelden, den doorslag laten geven. Ik heb dus niet twee hoofdgroepen gemaakt: een van archieven der Geüniëerde en een van die der Nader Geüniëerde Provinciën, maar ik heb naast hef archief der Staten-Generaal, doorloopend over 1576-1588, de regeeringsarchieven ingedeeld volgens de regeeringstijdperken (1576)-1581, 1581-1584, 1584-1586 en 1586-1588.

Over de indeeling der stukken binnen het kader van elke administratie heb ik slechts weinig toe te voegen, dat in deze algemeene inleiding ter sprake dient te worden gebracht. Evenals naar de zijde der regeeringspersonen een enkel stuk voorkomt, dat men eerder als behoorende tot hunne particuliere bescheiden zou willen aanmerken, zoo komen er ook naar de zijde der ambtenaren wel stukken in hunne collecties voor, die een particulier karakter dragen. Bij deze laatste kategorie kunnen nog schakeeringen onderscheiden worden. Er zijn bijvoorbeeld aan hen uitgereikte commissiebrieven, welke bij hunne ambtspapieren eenvoudig achtergelaten kunnen zijn, maar die evengoed, na volbrachte commissie door hen ingeleverd zijnde, onder hunne ambtspapieren als archiefstuk bewaard kunnen wezen; er zijn minuten van rekwesten, door hen gesteld voor zich zelf (zij het dan ook over hun ambtelijk traktement) of voor anderen. Waar het hier veelal persoonlijk bewaarde collecties gold, vond ik het slechts bij uitzondering voegzaam dergelijke particuliere stukken niet onder de archiefstukken op te nemen, maar als gedeponeerde stukken in de aanteekeningen te vermelden.

De plaats, waarop zich tegenwoordig de stukken bevinden, is overal in den inventaris aangegeven. De ordening der stukken, zooals deze verdeeld zijn over de liaspakken en loketkasdossiers in het archief der Staten-Generaal, heb ik in zooverre ongewijzigd gelaten, dat geen stuk uit een pak of dossier is gelicht en overgebracht naar een ander; alle stukken zijn dus gebleven bij de eenheid, waaronder zij volgens de inventariseering der 17de eeuw, (met de gedeeltelijke veranderingen der 19de eeuw) gerangschikt waren. Tot dit aldus ongewijzigd laten der feitelijke ordening heb ik besloten, daar ik er rekening mede had te houden, dat een latere volledige inventarisatie van het archief der Staten-Generaal zal moeten uitgaan van den toestand, vastgelegd bij de inventarisatie door De Heyde (met de veranderingen der 19de eeuw). Die volledige inventarisatie zal ook dit oudste archiefgedeelte omvatten, en daarbij zal dan naar de nummers van deze uitgave kunnen worden verwezen, om den inhoud van een liaspak der vroegste periode (in den nieuwen inventaris slechts summier te beschrijven) aan te geven.

Voor dit ongewijzigd laten der feitelijke ordening gold bovendien als motief de zeer bijzondere omstandigheid, dat wij bij de stukken, welke tezamen het archief der Staten-Generaal vormen, te maken hebben met bescheiden, die vermeld of zelfs afgedrukt zijn in een bronnen-uitgave, in de publicatie van de Resolutiën der Staten-Generaal, bewerkt door dr. N. Japikse, waarin steeds naar het tegenwoordige inventarisnummer verwezen wordt.

Daarentegen heb ik wel de volgorde der bescheiden in een bepaald liaspak gewijzigd door de stukken te verdeelen volgens de collecties, waaruit zij afkomstig waren, zoodat nu de griffie-, Langen- en Asseliers-papieren niet meer door elkander liggen. Zoodoende is bereikt, dat de onderzoeker; die voortaan de liaspakken raadpleegt, de stukken naar hunne herkomst uit de afzonderlijke collecties gegroepeerd vindt, eene indeeling die aansluit bij deze uitgave, terwijl toch elk document, geciteerd in dr. Japikse's Resolutiën der Staten-Generaal, zich bevindt onder het in die publicatie vermelde tegenwoordige inventarisnummer.

In aansluiting hieraan schijnt het wenschelijk, het verloop van de voornaamste vroegere bemoeiïngen met de papieren in het archief der Staten-Generaal na te gaan.

Toen de Langen- en Asseliers-papieren in 1656 met het griffiearchief vereenigd werden, waren de griffiestukken 1576-1588 en de Saroels-papieren opgenomen in een systeem van ordening van het Staten-Generaal-archief, dat eerst na 1588 zijn beslag had gekregen. Naast de hoofdafdeeling, omvattend de deelen en liassen, had men in de 17de eeuw de stukken in de Loketkas en die in de Secrete kas. De inventarisatie van het jaar 1635 door Agent Verburch geeft eene opgave der hoofdafdeelingen der Loketkas. De ordening der stukken is dan in de 17de eeuw bij de tweede inventarisatie van Agent De Heyde in 1678 voor geruimen tijd vastgelegd. In de achttiende eeuw zijn door een klerk ter griffie de stukken der liassen gecontroleerd en deels voorzien van een datum van behandeling ("lecta"). Eene andere bemoeiïng heeft bestaan in het afschrijven van een gedeelte der stukken aan de liassen 1550-1579 en 1586-1589, in een register, dat als "Register der brieven ingekomen uit diverse plaatsen in 1550-1589" thans bekend is onder n°. 3804 van het Staten-archief. Op het Rijksarchief te 's Gravenhage zijn daarna in de 19de eeuw een tweetal herordeningen van de stukken der liassen ondernomen. De eerste dezer regelingen is het werk van den commies-chartermeester J. A. de Zwaan. Toen deze zich aan eene herordening van de papieren in de oudste Liassen Loopende zette, trof hij ze nog hoofdzakelijk aan in den toestand, waarin zij door De Heyde gebracht waren. De inventarisatie De Heyde bevatte, strikt genomen, verschillende onnauwkeurigheden, waarin De Zwaan verbetering bracht door eene chronologische ordening der stukken. Zoo waren bijvoorbeeld de twee Liassen Loopende 1582 door De Heyde gevormd met papieren der Asseliers-collectie uit het tijdperk 1582-1584; wel had De Heyde zelf reeds enkele dezer papieren uit de jaren 1583 en 1584 tot de Lias Loopende 1583-1584 gebracht, maar verschillende stukken waren toch bij die van 1582 gevoegd. De Zwaan verbeterde nu de chronologische orde, maar slaagde daarin niet volkomen. Verder vulde deze ambtenaar de Liassen Loopende o. a. aan met de papieren, welke in den aanvang der 19de eeuw daaruit waren genomen en gesteld onder de hoede van den commies-chartermeester De Fouw (welke stukken in rood-bruin krijt met D. F. gemerkt zijn). Eene andere wijziging, door De Zwaan aangebracht, was eene splitsing der stukken in ingekomen en uitgaande, splitsing welke, moeilijk door te voeren, beter achterwege ware gebleven.

Eene volgende wijziging in de ordening van de stukken der Liassen Loopende was dan het werk van den Rijksarchief - ambtenaar mr. A. H. H. van der Burgh. Deze blijkt aan de Liassen Loopende o. a. ontnomen te hebben de vele stukken betreffende Hoogduitsche zaken, afkomstig uit de collectie van den Hoogduitschen secretaris Langen, welke door hem overgebracht zijn ter vorming van verschillende liassen van de groep Duitschland; de inventarisatiën der 17de eeuw hebben deze verschillende Duitsche liassen niet gekend (

Gachard blijkens zijn anno 1843 gepubliceerde "Lettre sur les documens concernant les anciennes assemblées nationales de la Belgique qui existent dans les dépôts littéraires de la Haye", p. 21, heeft de Liassen Loopende onder oogen gehad, terwijl de vele Hoogduische stukken er nog in opgenomen waren.

).

Bij de inventarisatie door De Heyde is het uitwendige der registers in het Staten-archief veranderd, doordat toen blijkbaar nieuwe banden met opschriften zijn aangebracht. Dat de opschriften in Latijnsche letter, welke op vele banden worden aangetroffen, eerst destijds zijn geschreven, valt met stelligheid te zeggen; het blijkt uit het feit, dat met dergelijke letter geschreven titels bij wijze van palimpsest aangebracht zijn over merken, geschreven door den Agent Henrick Verburch. Verder o. a. uit het feit, dat deze letters voorkomen op de eerst door De Heyde's splitsing ontstane banden van net-resolutiën over 1579 en over 1580.

De stukken, welke ten tijde van De Heyde blijkens zijn inventaris in het Staten-archief berustten, zijn niet alle tot ons gekomen. Het voornaamste verlies valt te constateeren voor de oudste stukken, bewaard in de Loketkas afdeeling Rekeningen (o. a. rekeningen van den ontvanger-generaal Matthias Laurin), van welke uit de beschrijving op de inventarissen der 17de eeuw niet valt te bepalen, of zij tot het archief der griffie of dat van de Kamer der Beden (collectie Saroels) behoord hebben.

In deze algemeene inleiding heb ik slechts datgene medegedeeld, wat op meer archieven tegelijk betrekking heeft; voor de verdere toelichtingen verwijs ik naar de inleidingen bij de verschillende inventarissen der beschreven archieven. Deze inleidingen bevatten een overzicht van het gezag en de bevoegdheid der regeeringspersonen en colleges, van de taak der ambtenaren en hunne administratie, en van de bewaring en het lot der archiefstukken. Terwijl ik mij meestal beperkt heb in mijn toelichting over de bevoegdheid der regeeringslichamen, daar wij hier veelal te doen hebben met staatscolleges, over welke diverse literatuur te raadplegen is, heb ik mij geen maat gesteld in mijne aanteekeningen over de administratie en archief-geschiedenis. Daardoor zijn de inleidingen uitvoeriger geworden dan de omvang der inventarissen schijnt te rechtvaardigen; deze onevenredigheid achtte ik echter geoorloofd, waar het hier gold eene beschrijving van de administratie en het lot van de archiefbescheiden der hooge regeeringslichamen van de Geüniëerde en Nader-Geüniëerde Provinciën uit de staatsrechtelijk-historisch zoo zeer belangrijke en afwisseling biedende periode 1576-1588.

Ten aanzien van de stukken, behoorend tot het archief der Staten-Generaal, heb ik gemeend eene verwijzing naar publicaties, waarin deze gedrukt voorkomen, achterwege te kunnen laten. Voor zijne uitgave van de Resolutiën der Staten-Generaal had dr. N. Japikse dit werk reeds verricht. Wanneer ik hier ten slotte nogmaals deze uitgave noem, is het tevens om gewag te maken van het vele nut en gemak, dat de raadpleging van dit werk mij voor eigen arbeid heeft opgeleverd.

I. DE STATEN-GENERAAL. 1576-1588.
INLEIDING.

De vergadering van de Gedeputeerden der Staten van Brabant. Vlaanderen en Henegouwen, op 25 September 1576 te Brussel bijeengekomen om maatregelen te nemen tegen het wanbedrijf der Spaansche soldaten, ontwikkelde zich geleidelijk door de deelneming der gedeputeerden van andere gewesten, volgens de bedoeling der convocatie, tot eene samenkomst van de Etats-Generaux. Aanvankelijk noemden de vergaderde gedeputeerden zich: "Députés des Etats du Pays-Bas, assemblés à Bruxelles", "Gedeputeerden van de Staten der Landen van Herwaartsover". Na midden October 1576 wordt geregeld in de resolutiën de term "Etats-Généraux" gebruikt, wanneer de vergadering gemeenschappelijke geldelijke verplichtingen behandelt. Voor de onderteekening van brieven en bij andere stukken blijkt de benaming "Etats-Généraux du Pays-Bas", "Generale Staten" in zwang te zijn gekomen sedert circa 17 November, dus eerst nadat bij de Pacificatie, te Gent op 8 November 1576 gesloten, ook de gewesten Holland en Zeeland bondgenoot waren geworden.

De vergaderde Staten werden geacht eene Unie te vormen; union, conjunction, association - aldus noemt de akte der Unie van Brussel de van het begin af bestaan hebbende onderlinge betrekking, die door de Pacificatie van Gent bevestiging kreeg. Bij de Pacificatie werd het doel, dat de bondgenooten zich stelden, omschreven als een wederzijdsche bijstand met "raad en daad, goed en bloed" om uit de landen te verdrijven de Spaansche soldaten en andere vreemdelingen; de bondgenooten en geallieerden verklaarden zich bereid daartoe de noodige contributiën en imposten op te brengen. Het "raad en daad, goed en bloed" luidt in den franschen text van de akte de Pacificatie "avec conseil et fait, y employant corps et biens", in de Unie van Brussel zeggen de contractanten, dat zij gedwongen waren geweest "de nous unir et joindre par ensemble et avec armes, conseil, gens et deniers assister l'un l'autre contre les Espagnols et adhérens, declarés rebelles à Sa Majesté et nos ennemis".

In een resolutie van 14 November 1570 ontmoeten wij den term "Généralité" ter aanduiding van de eenheid der geüniëerde gewesten; "Généralité", "Generaliteit" zijn sindsdien herhaaldelijk gebruikte termen gebleven.

Nadat in Januari 1579 te Utrecht de "Nadere Unie" door de Noord-Nederlandsche gewesten is gesloten, wordt de Unie der Generale Staten duidelijkheidshalve wel als "Generale Unie" aangeduid.

De benaming "Etats-Generaux des (du) Pays-Bas", "Generale Staten der (dezer) Nederlanden" bleef ter griffie de gebruikelijke tot het scheiden van de Staten-Generaal in Augustus 1581. In de administratie van den audiencier Asseliers uit de periode, dat hij te Amsterdam-'s Gravenhage in Juni-Augustus 1581 bij de Staten-Generaal dienst deed, ontmoeten wij meest de benaming: "Staten-Generaal der Geüniëerde Nederlanden".

Toen in 1580 voor de onderhandelingen van de Staten-Generaal met den Hertog van Anjou stukken werden opgemaakt, waarin de gezamenlijke gewesten afzonderlijk vermeld stonden, bevatten deze documenten de formule: "Etats des Provinces unies (et associées) des (du) Pays-Bas", waarmede de Staten der afzonderlijke gewesten gezamenlijk werden bedoeld. In Juli 1581 treffen wij dan een document aan, dat de benaming bevat, waarin het woord "Etats généraux" in combinatie met het woord "Provinces" gebruikt wordt: het is de obligatie van 29 Juli 1581 voor den Hertog van Anjou benevens de daarop betrekking hebbende resolutie, in welke gesproken wordt van: "Etats-Généraux des Provinces Unies des Pays-Bas, nommément de Brabant etc..." (

De akte van wederkeerige vrijwaring der provinciën, dienzelfden dag in Nederlandschen text opgemaakt, bevat echter deze benaming niet, maar spreekt van: "Generale Staten van de Geüniëerde Nederlanden, namelijk van Brabant enz.".

). Een volgend stadium in de geschiedenis der benaming vangt dan aan in 1582, wanneer de Staten-Generaal wederom bijeen zijn gekomen; de griffie zal van nu af de benaming "Etats-Généraux des Provinces Unies des Pays-Bas", "Generale Staten der Geüniëerde Nederlandsche Provinciën" voor goed blijven gebruiken.

Voor de historie van het gezag der Staten-Generaal in de periode 1576-1588 kan hier verwezen worden naar de uitgave van de "Resolutiën der Staten Generaal" door dr. N. Japikse. Slechts één onderdeel daarvan wil ik hier ter sprake brengen, omdat het een aanmerkelijke uitwerking had op de administratie der Staten. Nadat tengevolge van den breuk met Gouverneur-Generaal Don Juan het gouvernement, bij hetwelk het gezag der Hooge Overigheid berustte, uitgeschakeld was, kwam dit gezag aan de Staten-Generaal te vallen. Deze oefenden de regeering uit tot de aanvaarding van het gouvernement door Aartshertog Matthias. Tijdens hunne regeerings-uitoefening benoemden de Staten-Generaal in December 1577 een audiencier; deze ambtenaar, die stukken opmaakte, welke van de Hooge Regeering uitgingen, deed nu dienst voor de Staten-Generaal, totdat Gouverneur-Generaal Matthias was opgetreden.

Eene herhaling van dezen toestand deed zich voor toen de Staten-Generaal in Juni 1581, na de resignatie van Aartshertog Matthias als gouverneur-generaal, het gouvernement aanvaardden. De audiencier, die zich destijds als afgevaardigde van Matthias bij de Staten-Generaal had vervoegd, kon nu bij de Staten dienst gaan doen voor het depecheeren der stukken, welke van de Staten-Generaal, als het gezag der Hooge Regeering hebbend, uitgingen.

Het gezag der Hooge Overigheid kwam ten derden male aan de Staten-Generaal, nadat de Hertog van Anjou zich in Januari 1583 teruggetrokken had. Sindsdien bleef de audiencier in dienst van de Staten-Generaal. Het overlijden van audiencier Asseliers begin September 1584 en de vereeniging van het audienciersambt met het griffierschap der Staten-Generaal had tengevolge, dat nadien geen afzonderlijke administratie meer werkzaam was, speciaal belast met het opmaken van stukken, welke van de Staten-Generaal, als hebbend het gezag der Hooge Overigheid uitgingen.

Toen de Staten van Brabant, Vlaanderen en Henegouwen op 25 September 1576 te Brussel in vergadering bijeenkwamen, hadden zij voor hunne administratie vooreerst den bijstand van den griffier der Staten van Brabant, Cornelis Weellemans. Op 5 October werd een besluit van orde voor de vergaderingen genomen: uit de geestelijkheid van elk der drie vergaderende gewesten werd één persoon aangewezen, ten einde om beurten telkens voor een week te presideeren, voorstellen te doen en brieven en stukken te ontvangen. Daarbij zouden een of twee der pensionarissen uit de gedeputeerden den president bijstaan. De pensionarissen zouden voorts elken namiddag bijëenkomen om te zorgen voor de uitvoering der resolutiën, het stellen en verzenden der brieven, en het opmaken van de punten voor de volgende vergadering. Over de zorg voor de uitvoering der Staten-resolutiën handelt verder een besluit van 16 October, waarbij daartoe gecommitteerd werd Jean de Bourgogne, heer van Froidmont, geassisteerd door een 4-tal pensionarissen-griffiers uit de gedeputeerden. De pensionarissen uit de vergaderende gewesten kregen bij resolutie van 16 November opdracht in de namiddagen te zorgen voor de afdoening der rekwesten.

In Februari 1577 volgde eene verdeeling der werkzaamheden door de oprichting van eene Kamer der Beden en eene Kamer der Depechen; de eerste kreeg eene afzonderlijke administratie; de laatste zou al de volgende maand worden opgeheven. Bij resolutie van 27 Maart 1577 arresteerden de Staten-Generaal een "Reglement sur l'ordre à observer dans leurs assemblées" (

Gedrukt bij Gachard. Actes des Etats-Generaux des Pays-Bas, I, p. 440.

). Volgens dit reglement zou de voorzitter twee assesseurs mogen kiezen; president en assessoren zouden zorg moeten dragen voor de expediëering der resolutiën; alle resolutiën zouden op schrift gesteld en voor het uiteengaan in de volle vergadering gelezen moeten worden.

De hoofdpersoon in de administratie der Staten-Generaal, door wien het resolutieregister gehouden werd, bleef Cornelis Weellemans, de griffier der Staten van Brabant, die de Staten-Generaal als "griffier" zou blijven dienen. Eene resolutie van 15 April 1577 betreft zijne bevoegdheid om de obligatiën en akten der Staten-Generaal te onderteekenen.

Over de notuleering der resolutiën is gehandeld door dr. Japikse in zijne Inleiding tot de Resolutiën der Staten-Generaal 1576-1577. Op pag. LXV bespreekt de schrijver nog in het bijzonder het memoriaal van resolutiën, dat over het tijdperk 9 October 1577 tot 20 April 1578 bewaard is gebleven en thans bekend staat als Staten-Generaal-archief n°. 3. Het bleek mij, dat in dit memoriaal de resolutiën over 9 October-24 October 1577 in dubbele notuleering aanwezig zijn: eene door Weellemans, de tweede door den Antwerpschen secretaris Asseliers en anderen (

Door foutieve herbinding is de orde in de drie eerste katerns van dit memoriaal, het tijdperk 9?24 October omvattend, verstoord geworden. De oorspronkelijke volgorde is thans door mij hersteld.

). Het memoriaal bevat verder notuleeringen uit het tijdperk 1577 November-1578 April in het handschrift van pensionarissen enz. als Sille, Houfflin en Asseliers (

Zie voor het handschrift der hier genoemden: de notuleeringen van 1577 December 5-14; 1578 Januari 10-16, Februari 21-27, Maart 14-20.

)
.

Griffier Weellemans had den bijstand van klerken, die ten getale van drie op 20 October 1576 den eed van geheimhouding aflegden. Hetzelfde geschiedde dien dag door de "aultres clereqs", die in dienst der afzonderlijke gewesten afschreven en slechts bij uitzondering voor de Staten-Generaal mochten werken. De klerken van Weellemans waren: Anthoine Leys, Philippe de Zoete, Jehan Walschaerts; de andere klerken, die wij tot Januari 1577 genoemd vinden, heetten: Jehan Spoelberch, Pierre van der Woerden, Pierre Schotelmans, Franchoys de Jonghe, Henry Pasteur, Josse Willems, Gillis Thielemans, Martin Fabri, Franchoys de Borchgrave.

In een resolutie der Staten-Generaal van 14 Augustus 1577 is sprake van het in dienst nemen van een klerk, die Hoogduitsch kan schrijven; met dezen klerk, die voordien in dienst geweest was bij den president van den Secreten Raad, Viglius van Ayta, is vermoedelijk bedoeld Jan van Langen, maar het kan ook zijn, dat de resolutie Melchior Modelius op het oog heeft. Modelius, geboortig van München, die na de instructie voor de klerken van April 1578 het register "Germanien" zou houden, werd bij resolutie van 20 September 1577 door de Staten voor schrijfwerk in dienst genomen (

Modelius' herkomst wordt vermeld in Res. St.-Gen. 28 December 1578.

); tot de indienstneming van Jan van Langen besloten de Staten bij resolutie van 26 October 1577.

Het klerkschap van Jan van Langen, geboortig van Münster in Westphalen, zou belangrijke gevolgen hebben voor de administratie der Staten-Generaal (

Res. St.-Gen. 16 Jan. 1578 vermeldt: Jan van Langen, geboortig van Münster in Westphalen.

). Langen ging eene afzonderlijke administratie aanleggen, welke zelfstandig naast die van den griffier gehouden zou worden; deze administratie zou in eene van den Staatssecretaris voor Hoogduitsche zaken overgaan, nadat Langen in Mei 1578 bevorderd was tot dezen rang, welk ambt de Staten-Generaal in navolging van het ambt van den Hoogduitschen Staatssecretaris der Spaansch-Nederlandsche regeering, Urban Scharenberger, instelden.

Uit de bewaard gebleven papieren in de Langen-collectie blijkt, dat in het Hoogduitsch ook de briefwisseling gevoerd werd met Gelderland en de andere het meest noordelijk gelegen gewesten.

Nog een ander ambt hebben de Staten-Generaal in navolging van de administratie der Spaansch-Nederlandsche regeering ingesteld: dat van audiencier. Nadat de Staten-Generaal bij resolutie van 9 December 1577 de voorwaarden voor de aanneming van Aartshertog Matthias van Oostenrijk als gouverneur-generaal der Nederlanden hadden geärresteerd, gaven zij het ambt van audiencier op 12 December provisioneel aan Corneille de Pottelsberghe, destijds buitengewoon secretaris van den Secreten Raad (Conseil Privé). De Staten bepaalden bij deze benoeming, dat Pottelsberghe het ambt van audiencier op dezelfde wijze zou bedienen als geschied was door Pierre d'Overloope, den audiencier der Spaansch-Nederlandsche regeering, die zich na de breuk tusschen de Staten-Generaal en Don Juan, tengevolge van diens bezetting van Namen, bij dezen gevoegd had. Alvorens Gouverneur-Generaal Matthias het bewind aanvaardde, deed de audiencier Pottelsberghe, die op 18 December den eed aflegde, dienst bij de Staten-Generaal voor het opmaken van bepaalde stukken, als hoedanig in een akte van 15 December 1577 worden aangegeven "lettres patentes, placcars et autres semblables mandemens".

De nederlaag, het Staalsche leger bij Gembloux toegebracht, noopte de Staten-Generaal in begin Februari 1578 Brussel te verlaten en hunne vergadering in Antwerpen te gaan houden. Bij de resolutiën van 8 Februari 1578 heeft Weellemans aangeteekend: "En Anvers. Au monastère de St. Middel".

Hoofdzakelijk voor de huishoudelijke aangelegenheden der Staten-Generaal was van den beginne af werkzaam geweest Guillaume Ramet, in de functie van "Agent" (

Over zijn dienst sedert 27 September 1576 zie resolutie St.-Gen. 18 November 1577.

); aan dezen ambtenaar blijken echter ook administratieve werkzaamheden te zijn opgedragen; zoo werd hem bij resolutie van 11 Februari 1578 gelast aanteekening te houden van alle brieven, gezonden door of te zenden aan de provinciën.

Het aantal aan de griffie verbonden klerken blijkt in verloop van tijd zeer te zijn toegenomen, zoodat de Staten hun aantal bij resolutie van 28 Februari 1578 tot negen terugbrachten.

Nadat reeds in de vergadering van 31 Januari 1578 een verzoek van Weellemans, die door de Staten-Generaal tot raadsheer in den Raad van Brabant was benoemd, om ontslagen te worden uit zijn griffiersambt, was behandeld, besloten de Staten op 9 April Weellemans als griffier der Staten-Generaal door twee secretarissen te vervangen. Op verzoek van Weellemans namen de Staten op 16 April het besluit aan den Magistraat van Brussel te schrijven ten einde hem te laten volgen "ses pieches touchans son office de greffier de Messieurs les Etats pour en faire et dresser ung inventoire". Toen Weellemans op 18 April afwezig was, droegen de Staten de onderteekening van brieven op aan den griffier van de Kamer der Beden. Toch heeft Weellemans nog eene aanteekening gesteld onder de tot 20 April 1578 ingeschreven resolutiën, welk werk over de periode van 28 Maart af tot dien datum verricht is door den klerk Franchoys de Jonghe. In de namiddag-vergadering van 19 April 1578 benoemden de Staten de beide secretarissen, die griffier Weellemans zouden opvolgen.

Uit den reeds vermelden brief van 16 April 1578 valt op te maken, dat verschillende papieren van het griffie-archief te Brussel waren blijven berusten. Betreffende de overdracht van het griffie-archief door den afgetreden griffier aan zijn opvolgers blijkt, dat het grootste gedeelte ervan op 24 Mei 1578 door Blyleven en Houfflin onder inventaris werd overgenomen (

Zie Weellemans' brief aan de Staten-Generaal d.d. 19 Januari 1579 in St.-Gen. Lias Loopende 1579.

).

Op 9 Januari 1579 besloten de Staten-Generaal, naar aanleiding van een rekwest van Weellemans, dezen te gelasten over te dragen "tous les papiers, lettriages et munimens concernans tant la Généralité que les Estatz de Brabant"; 15 Januari zonden zij een brief daarover af. Weellemans antwoordde uitvoerig bij schrijven van 19 Januari 1579, hetwelk op 23 Januari ter tafel kwant (

Zie voorgaande noot. Het schrijven met bijlage is gedrukt bij: Gachard. Actes des Etats-Généraux, I, p. XIX?XXI.

). Weellemans herinnert in dit schrijven aan de overdracht van 24 Mei 1578. In deze overdracht waren evenwel niet begrepen geweest vooreerst de manualen of registers der resolutiën van de Staten-Generaal, die in gebruik waren geweest bij den tresorier-generaal Van der Beken; volgens bijgevoegde verklaring had deze ambtenaar van Weellemans ontvangen: drie registers of manualen van ordonnantiën, akten en resolutiën der Staten-Generaal sedert 1 October 1576 tot de maand Mei 1578. Deze verklaring is merkwaardig, omdat zij uitwijst, dat in het resolutieregister de besluiten der te Brussel vergaderde Staten eerst van af 1 October 1576 zijn ingeschreven geweest, juist zooals het resolutieregister tot ons is gekomen.

Ter aanduiding van het resolutieregister bevat de verklaring denzelfden uitvoerigen titel, die ook voorkomt in de instructie voor de secretarissen van 19 April 1578 en die dus blijkbaar een gewone was.

Weellemans had zelf onder zich gehouden eenige memorialen van resolutiën der Staten-Generaal, om deze over te schrijven in de manualen of registers der resolutiën. Deze memorialen worden nader aangeduid als afkomstig te zijn van de presidenten der vergaderingen, die de resolutiën en ordonnantiën opteekenden, wanneer Weellemans geen gelegenheid had voor alles te vaceeren. Deze memorialen zond hij thans over. Weellemans meldde verder, dat hij indertijd bij het haastig vertrek der Staten-Generaal uit Brussel naar Antwerpen niet alles had kunnen medenemen. Eene verzameling bij de Staten-Generaal ingediende rekwesten benevens dergelijke stukken had hij twee maanden geleden overgedragen aan meester Daniel Scharlants, om ze desgewenscht aan de secretarissen der Staten-Generaal te doen toekomen (

Daniel Scharlants, solliciteur (auditeur) te Brussel, wordt ook bij andere gelegenheid genoemd als bewaarder van archiefstukken, aan de Generaliteit toekomend.

). Blijkens resolutie der Staten-Generaal van 25 Maart 1579 had deze toezending kort daarop plaats.

In hunne vergadering van Zaterdag 19 April 1578 des namiddags werd door de Staten-Generaal geëxamineerd en geärresteerd de "instruction, dressée pour le reiglemant et conduicte des deux secretaires des Estatz Generaulx pour la retraicte de Cornelis Weellemans"; vervolgens benoemden de Staten tot secretarissen Adolf Blyleven, schepen der stad Antwerpen, en meester Jean Houfflin, licentiaat in de rechten, gedeputeerde van het Doorniksche. Onmiddellijk daarop werd Houfflin reeds beëedigd en aanvaardde hij het secretarisambt (

De commissiën voor de beide secretarissen werden eerst gearresteerd ingevolge resolutie van 30 October 1578; een afschrift van Houfflin's commissie bevindt zich bij de Saroels-papieren in Loketkas Loopende 52.

).

De instructie, op dezen dag gearresteerd voor de secretarissen, is met een instructie voor den agent en de beëedigde klerken ter griffie der Staten-Generaal ons bekend uit een afschrift, bewaard in een recueil te Brussel, waaruit Gachard het aan het licht heeft gebracht. De in dit afschrift ongedateerde instructiën zijn afgedrukt bij Gachard. Artes des Etats Généraux I p. 442-448 (

De instructiën zijn eveneens gepubliceerd bij: Jhr. mr. Th. van Riemsdijk. De Griffie van Hare Hoog Mogenden, p. 167?174.

). De instructie voor de secretarissen bevat o. a. voorschriften over: het teekenen van depeches, schuldrentebrieven, akten van retentie en contracten; de bewaring der origineele stukken; het noteeren en registreeren van hetgeen door de Staten verhandeld wordt en het depecheeren der missiven; het zitting nemen van één der secretarissen in de vergadering bij den president, om aan te teekenen en te registreeren alle "ordonnances, resolutions et actes" der Staten en om mede te zorgen voor het afdoen der zaken en het aangeven der nog te behandelen punten; het vaceeren van den anderen secretaris voor het depecheeren van brieven en andere zaken. Voorts schreef de instructie nog het houden der volgende registers voor (behalve het reeds genoemde Register van ordonnantiën, resolutiën en akten):

  • un pour y reprendre au neste toutes lesdictes résolutions, ordonnances et actes des Estatz;
  • un troysiesme el particulier pour y annoter et coucher tous accords d'ayde faicts et des deniers furnis par les provinces, ensemble les ordonnances et assignations
  • des payemens;
  • un quattriesme où que seront enregistrées les lettres et pieches d'affaires d'importance, selon leur occurence;
  • un cinquiesme particulier pour les affaires concernans le duc d'Alençon;
  • un sixiesme pour les affaires de la royne d'Angleterre.

Ten slotte bevatte de instructie nog een tarief voor de te depecheeren stukken.

De tweede, op 19 April 1578 vastgestelde, instructie was voor den "Agent, premier et aultres clercqs sermentéz de la greffe des Estatz Généraulx". Aan den agent werd o. a. opgedragen het vertalen van stukken van het Nederlandsch in het Fransch of omgekeerd. De bijzondere taak van den eersten klerk (voor welk ambt de klerk Philips de Zoete blijkt te zijn aangewezen) werd omschreven als: "bien garder tous les régistres, munimens, titles et lettriages desdicts Estatz et les in ventorier et enfiller par ordre et selon leur date". Bij de taak der klerken geeft de instructie o. a. aan: het bijhouden der registers, die men afzonderlijk houdt "pour l'importance des affaires concernans l'Empire, le duc d'Alençon, la royne d'Angleterre, les commissions, retenues et expéditions de guerre et aultres semblables".

Betreffende verschillende registers, waarvan het houden in de twee instructiën wordt voorgeschreven, blijkt, dat zij inderdaad volgens het gegeven voorschrift zijn aangelegd.

Vooreerst kwam er naast het resolutiënregister een netregister. Aangaande deze net-serie valt het volgende op te merken. De inventaris-Verburch van 1635 en die van De Heyde van 1656 wijzen, in onderling verband beschouwd, uit, dat er in het tweede kwartaal der 17de eeuw eene serie van het netregister heeft bestaan, welke geregeld heeft doorgeloopen. De eerste drie deelen zijn copieën geweest naar de drie resolutieregisters van den griffier Weellemans (1576 October-1577 Mei 18; 1577 Mei 20-1577 November 21; 1577 November 22-1578 April 20), terwijl daarbij hebben aangesloten de dubbelen over 1578 April 20-1578 December 31; 1579 Januari-1580 November 15; 1580 November 28-1581 Augustus; enz. Wat nu de copieën naar de registers Weellemans aangaat, werd het bij onderzoek van de twee daarvan thans nog bewaard gebleven deelen duidelijk, dat deze copieën eerst in den aanvang der 17de eeuw vervaardigd zijn. Immers was het handschrift van den klerk, door wien zij zijn geschreven, hetzelfde als dat van den schrijver van de dubbelen der resolutieregisters over de jaren 1601 en 1602, terwijl bovendien de beide papier-soorten, waarop elk der dubbelen 1577 en 1578 geschreven is, in het watermerk overeenkomst met dat van de beide papiersoorten, waarop de dubbelen 1601 en 1602 geschreven zijn. In het tijdperk, voorafgaande aan de instructie van April 1578, is dus blijkbaar geen net-register van resolutiën gehouden.

Aangaande de net- of dubbelregisters der resolutiën uit de periode Blyleven-Houfflin kon geconstateerd worden, dat zij in het handschrift geschreven waren van klerken, die destijds gediend hebben. Daarbij is het noodig te vermelden, dat het eerste der dubbelen uit den tijd der secretarissen Blyleven-Houfflin, het dubbelregister der resolutiën over 1578 April-December, thans verloren is. Dat dit te loor gegane dubbel reeds destijds vervaardigd is, valt af te leiden uit de opschriften van de twee dubbel-registers 1579 Januari-1580 November en 1580 November-1581 Augustus, die met blijkbaar bij de herbinding overgenomen titels, als "Second registre des résolutions des Etats Généraux" en "Troisiesme registre des résolutions ordinaires" zijn gemerkt.

Het bestaan hebben van dit te loor gegane dubbel 1578 April-1578 December valt ook op andere wijze aan te toonen. In de achttiende eeuw is ter griffie der Staten-Generaal een afschrift vervaardigd van de resolutiën uit de beginperiode, in welk afschrift ook de resolutiën over 1578 April-1578 December zijn opgenomen. Nu blijkt bij onderzoek van de 18de-eeuwsche copie-resolutiën over 1580, dat deze copie vervaardigd is naar het dubbel-register over dit jaar. (

De 18de-eeuwsche copie der resolutiën over 1579 is niet bewaard gebleven.

) Zulks doet reeds vermoeden, dat ook naar het dubbel-register 1578 April-December de 18de-eeuwsc'he copie gemaakt zal zijn. Bij verder onderzoek worden wij inderdaad tot deze conclusie genoopt. Immers blijkt, dat aan de 18de-eeuwsche copie niet ten grondslag kan liggen het origineele resolutiën-register, daar in den beginne verschillende resolutiën in het 18de-eeuwsch afschrift anders luiden, dan zij in het origineele register staan ingeschreven. Vandaar de noodzakelijke gevolgtrekking, dat het 18de-eeuwsche afschrift vervaardigd is naar het thans niet meer aanwezige dubbel-register over 1578 April-December. En aangezien wij verder langs anderen weg hebben aangetoond, dat dit dubbel-register reeds in de periode der secretarissen Blyleven-Houfflin is geschreven, stijgt daardoor de beteekenis, die wij moeten toekennen aan het 18de-eeuwsche handschrift. Voor het begingedeelte van het verloren dubbelregister 1578 April-December, zoo kunnen wij dan verder zeggen, heeft de 16de-eeuwsehe klerk andere minuut-notulen gebruikt dan die, welke in het origineele resolutieregister door secretaris Blyleven staan geregistreerd. (

Vergelijk hierbij o.a. de afwijkende redacties van resolutiën d.d. 26, 27, 28 April en 1 Mei 1578, vermeld bij: Japikse. Resolutiën der Staten-Generaal 1578, p. 313, 177, 14. 45.

)

De klerk, die aanvankelijk het net-register der resolutiën heeft gehouden, kan met name worden aangewezen: Jean van Spoelberch heeft tot 1 Juni 1580 het register geschreven. Na de resolutiën van dien datum vangt een andere hand aan; op 6 Juli 1580 kenden de Staten-Generaal aan Spoelberch salaris toe tot 1 Juni en blijkens resolutie der Staten van 1 November 1580 had Spoelberch eertijds het "dubbel" der resolutiën gehouden. De klerken, die daarna in de Zuidelijke Nederlanden het dubbelregister hebben gehouden, waren blijkens het handschrift: Jan Piers en, sedert 4 Juli 1580, Jan Bayaert (

Zie voor de determineering dezer handschriften hierna pag. 35, 41.

).

De instructiën van April 1578 schrijven verder het houden van verschillende registers van belangrijke stukken voor; als zoodanig noemt - gelijk wij reeds schreven - de instructie voor de secretarissen behalve een register van meer algemeenen aard (registre ou seront enregistrées les lettres et pièches d'affaires d'importance selon leur occurence) nog een registre particulier "pour les affaires concernant le duc d'Alencon" en een dergelijk "pour les affaires de la royne d'Angleterre". De instructie voor de klerken vermeldt, alsvorens deze te noemen, nog een register voor de "affaires concernans l'Empire".

De vier genoemde registers worden in het archief der Staten-Generaal aangetroffen; het zijn het "Registre des dépeches ordinaires" en de registers gemerkt "Germanien. Second Traité du Paix"; "France"; "Angleterre". Ook van deze vier registers is het aannemelijk te maken, dat zij krachtens het voorschrift der instructie van April 1578 zijn aangelegd. Het ordinaris depechenbock vangt eerst aan met 1579; het valt te betwijfelen of er een ouder deel bestaan beeft, daar de reeks op den inventaris Verburch van 1635 eveneens eerst met het Depecheboek 1579 aanvangt en het volgend Depechenboek gemerkt is: Seconde registre des depeches ordinaires 1580. In overeenstemming met deze niet-vermelding is de aanwijzing, welke een resolutie der Stalen van 3 September 1580 verschaft. Het ordinaris depechenboek is tot midden Januari 1580 gehouden in één zelfde handschrift, hetwelk wij kunnen toeschrijven aan den klerk Jehan Fabri, wiens betaling door de Staten bij genoemde resolutie wordt vastgesteld voor het houden van zeker register in de griffie sedert 1 Januari 1579 tot 15 Januari 1580; de resolutie voegt er aan toe, dat het register sindsdien gehouden is en in het vervolg gehouden zal worden door de klerken der secretarissen, eveneens ten laste der Generaliteit. Het ordinaris depechenboek is voor de stukken over het tijdvak na 1580 Januari in de Zuidelijke Nederlanden voortgezet door een klerk, wiens vlot, ruim en rond handschrift wij in 1581, wanneer de Generale Landraad de regeering heeft aanvaard, terugvinden in de stukken der administratie van den audiencier Asseliers; dezen klerk heb ik niet met behulp der Staten-resolutiën op een naam kunnen determineeren (

Wellicht is deze klerk genaamd Lucas Durlay. Eene resolutie van den Raad van State van 30 October 1585 maakt melding van Durlay, destijds vertrokken naar Spanje, die vroeger 3 jaren klerk geweest was bij de Staten-Generaal en bij den audiencier Asseliers. Zijn handschrift maakt het intusschen mogelijk het spoor van dezen klerk nog te volgen tot in de Leycester-periode; een door hem voor den Raad van State in December 1586 geschreven stuk is te vinden in Depechenboek St.-Gen. 1586, fol. 147.

).

Het Fransche register begint met stukken van Juli 1578, onder openlating van de eerste helft van het deel, welk papier blijkbaar voor inschrijving van oudere documenten gereserveerd bleef. Dit register is geschreven door den klerk Guilliaume van der Kelen. Bij resolutie der Staten van 1 October 1578 werd hem een bedrag toegekend, verschuldigd voor schrijfwerk, onder voorwaarde, dat hij gehouden was te enregistreeren "toutes les dépeches concernans le faict de France depuis l'union des Estatz Généraulx et celles à l'advenir en dedans trois jours apres quycelles lui seront mis en mains". Van der Kelen's handschrift loopt door tot de stukken van December 1579; bij resolutie van 2 Januari 1580 gelastten de Staten den ontvanger-generaal om aan Guilliaume van der Kelen "clercq de leur greffe" een lettre de décharge te geven. De voortzetting van het "registre de France" droegen de Staten-Generaal bij resolutie van 15 September 1580 op aan den eersten klerk Philippe de Zoete. Een resolutie der Staten, van 8 November hield dezelfde opdracht in, met de bijvoeging: tot den tijd toe, dat anders door de Hooge Overigheid of den Landraad zal wezen geordonneerd. De stukken van Januari 1580 af zijn in het register geschreven door Philips de Zoete, wiens handschrift op het midden van folio 46 verso aanvangt.

Het register, dat het opschrift draagt "Germanien-Second Traicté du Paix" is in drieërlei lettersoort geschreven, al naar Fransche, Duitsche of Latijnsche stukken geregistreerd zijn. Het is echter geheel van de hand van den klerk Melchior Modelius, zooals blijkt bij vergelijking met een rekwest door Modelius van October 1580, bewaard in de Lias Loopende. Hoewel dit register stukken van 1576 af bevat, wordt het bij nauwkeurige beschouwing van het deel duidelijk, dat het eerst na de instructie van April 1578 is aangelegd. Op folio's 1-37 staan ingeschreven enkele stukken over het tijdperk 1576 December-1578 Januari; daarna volgen wanordelijk verschillende stukken, welke later in het deel zijn geregistreerd, zooals blijkt uit de tafel voor in het deel, waarop zij slaan tusschengevoegd; en eerst van fol. 77 af begint onder het met groote teekens geschreven hoofd "Aprillis 1578" de regelmatige inschrijving; een en ander maakt het waarschijnlijk, dal Modelius het register na April 1578 is gaan houden. De titel op den band "Germanien. Second Traicté du Paix", hoewel blijkens het lettertype eerst ten tijde van agent Cornelis de Heyde bij de herbinding aangebracht, is ongetwijfeld aan een titel van Modelius ontleend. De woorden "Second Traicté du Paix" zijn althans door Modelius geschreven in margine van de tafel voor in het register, ongeveer bij het einde der stukken van 1578.

Onder de benaming "Register van Germanien" vinden wij het deel vermeld in eene resolutie der Staten-Generaal van 31 December 1582, waarbij genoemd register ter raadpleging aan den Hoogduitschen secretaris Langen wordt verstrekt. (

In de Staten-resolutiën is bovendien nog sprake van het vervaardigen van een "recueil de toutes les pieches envoyeés et venues de Coulogne"; volgens resolutie van 9 Augustus 1579 zou zoodanig recueil ter justificatie kennen dienen ingeval de oorlog mocht worden voortgezet. Krachtens resolutie van 29 December 1579 ontvingen de gedeputeerden der Staten-Generaal ter vredehandeling te Keulen een duplicaat van "toute la négociation sur la paix".

)

Van het register "Angleterre", hoewel met stukken van het jaar 1576 beginnend, is het eveneens waarschijnlijk, dat het eerst na April 1578 is aangelegd. Eene resolutie der Staten van 9 October 1578 regelt de betaling van den gezworen klerk ter griffie van de Staten-Generaal Arnoult Fabri, die het register "Engleterre" houdt. De resolutie draagt hem daarbij op, dat hij dit register zal voortzetten "depuis le commencement de l'Union". De opdracht houdt dus hetzelfde in als bij resolutie van 1 October 1578 ten aanzien van het Fransche register was bepaald.

Behalve den klerk Arnoult Fabri heeft blijkens het handschrift de klerk Jan Bayaert mede aan het register gewerkt, door er in te schrijven de Staten-resolutiën welke over Engelsche zaken handelden. De marginalia "Angleterre", door Bayaert in het resolutiënregister geschreven, houden met dezen arbeid verband.

De instructie van 1 April 1578 schreef behalve het houden der hier besproken registers ook nog voor het houden van een register "pour y annoter et coucher tous accords d'ayde faicts et des deniers furniz par les provinces, ensamble les ordonnances et assignations des payemens, sans préjudice de ceulx de la Chambre des aydes". Aanwijzingen ontbreken echter, dat een zoodanig register zoude zijn aangelegd. Daarentegen vernemen wij wel uit eene resolutie van 30 September 1578, dat de griffier van de Kamer der Beden uit het resolutiën-register der Staten-Generaal alle ordonnantiën van betaling zal moeten extraheeren.

Voor eene goede bewaring van hun archief gelastten de Staten-Generaal op 18 December 1578 aan den eersten deurwaarder 2 koffers te koopen ter berging van de "instrumens, escriptz et lettriages concernans les affaires de la Généralité". Bij resolutie van 9 Januari 1579 ordonneerden de Staten aan hun oud-griffier Weellemans om uit te leveren alle "papiers, lettriages et munimens concernans tant la Généralité que les Estatz de Brabant". Op 15 Januari 1579 gaven de Staten-Generaal opdracht" aan den pensionaris van Brugge, Yman, den pensionaris van Antwerpen, Van de Warck, en den griffier der Staten van Brabant, Andries Hessels van Dinther, "pour mectre l'ordre que convient en la greffe des Estatz". Over het redressement van de griffie viel een besluit op 20 Mei 1579, inhoudend, dat alle klerken binnen één maand nadien ontslagen zouden zijn, tenzij zij in dienst gehouden werden door de provinciën of door de secretarissen der Staten-Generaal, in welk geval zij zich zouden moeten gedragen volgens de te maken instructie.

Het aantal klerken, dat in het tijdperk der secretarissen Blyleven en Houfflin te Antwerpen ter griffie heeft gearbeid, was vrij groot. Als klerken, die aan het net-resolutiënregister, het depechen-register en de registers "Germanien", "France" en "Angleterre" hebben gewerkt, noemden wij reeds den eersten klerk Philips de Zoete en de klerken Jan van Spoelberch, Jean Fabri, Melchior Modelius, Guilliaume van der Kelen, Arnout Fabri, Jan Piers, Jan Bayaert, benevens den lateren audienceklerk (Lucas Durlay?). In de Staten-resolutiën dezer periode komen wij den naam van Jan Bayart niet tegen; maar zijn handschrift kon gedetermineerd worden met behulp van een door hem geschreven stuk (bewaard in de Loketkas Loopende 330), dat door Bayart als notarius opgemaakt en onderteekend is. (

Als notaris wordt Jehan Bayaert le jeune vernield in het resolutieregister van den Generalen Landraad 18 Januari 1582.

)Blijkens eene resolutie der Staten-Generaal van 4 Mei 1582 was Bayart geboortig van Vlissingen.

Van de andere klerken, die in het tijdperk Blyleven-Houfflin te Antwerpen ter griffie gearbeid hebben, noemen wij vervolgens Jan Meganck; bij resolutie der Stalen van 20 Juni 1579 werd Jan Meganck, geboortig uit Brussel, door de Staten aangenomen als klerk ter griffie, ten laste van Zeeland. Meganck's handschrift kon gedetermineerd worden met behulp der stukken uit de periode sedert 1582; daar van de toen werkzame twee klerken voor Bayaert's schrift het bewijs voorhanden was, bleef voor het andere veelvuldig voorkomende klerkenschrift slechts eene toewijzing aan Meganck over. Deze toewijzing vindt dan verder steun in het feit, dat het handschrift duurt zoolang Meganck ter griffie werkzaam bleef; zijn dienst voor de Staten-Generaal duurde totdat hij in het jaar 1604 kwam te overlijden. (

Zijn overlijden wordt vermeld in resolutie Staten-Generaal 14 November 1604.

)

Verder ontmoeten wij in de resolutiën de namen van de volgende klerken, dienst doende in het tijdperk 1578 April-1580 November, waarbij wij tevens, voor zoover hiervan blijkt, de betaalsheeren voegen: Pierre de Backere alias de Ophem (Lille, Douay; Orchies), Philippe Bourgeois (Antwerpen), Lieven de Brye, Otto van Bruhesen (Generaliteit of secretaris Blyleven), Cornelis Fannius (Antwerpen), Jean Goederthuys, Jacques van Male (secretaris Blyleven), Jean de Monstruel (Artois), Jean Walschart (Artois).

Aan de klerken, solliciteurs en agent der griffie verboden de Staten-Generaal bij resolutie van 26 October 1579 om afschrift te maken naar de stukken, die bewaard werden aan de liassen, en naar de geregistreerde resolutiën; eveneens verboden de Staten het brengen van origineele stukken buiten de griffie zonder medeweten van de secretarissen of den eersten klerk. Aangaande de bewaring van het archief namen de Staten op 30 November 1579 een besluit, dat de "escripts et papiers concernans les affaires de la Généralité" zouden worden geborgen en opgesloten in de zaal der vergadering onder de hoede der secretarissen. Aan den eersten klerk Philippe de Zoete werd dienzelfden dag gelast zijne sleutels terug te brengen op het "bureau" der Staten-Generaal.

Tegen het midden van Januari 1580 verlieten de Gedeputeerden ter Staten-Generaal met uitzondering van die van Brabant en Vlaanderen de vergadering; de gedeputeerden dezer beide gewesten bleven te Antwerpen en vergaderden aldaar met den Raad van State. In het resolutiënregister staat bij 15 Januari 1580 aangeteekend: "Aux Conseil d'Etat. présens Brabant et Flandres". Op 9 Mei 1580 werd de vergadering van de gedeputeerden der gezamenlijke gewesten hervat; bij de notulen van dezen dag staat aangeteekend: "Aux Estatz Généraulx". Tot midden November 1580 bleven de Staten te Antwerpen, om vervolgens tegen het einde der maand in Holland bijeen te komen.

In het tijdperk der secretarissen Blyleven-Houfflin zou naast de griffie nog eene zelfstandige administratie ten dienste der Staten-Generaal gevoerd worden. De Staten continueerden namelijk Jan van Langen, den klerk, die in October 1577 in dienst was gekomen voor de Hoogduitsche briefwisseling.

Bij resolutie van 22 Mei 1578 accepteerden de Staten provisioneel Langen tot secretaris van den Raad van State; bij de regeling van zijn bezoldiging op 6 Juni 1578 namen de Staten als voorbeeld het ambt van Scharenbergher, den Hoogduitschen secretaris der Spaansche-Nederlandsche regeering, en tevens bepaalden zij, dat Langen gehouden zou zijn daarvoor te dienen Zijne Hoogheid Gouverneur-Generaal Aartshertog Matthias, den Raad van State en de Staten-Generaal. (

Naast deze beide colleges noemt Langen zelf nog de Kamer der Beden, (Remonstrantie met bijlagen, door Langen in 1589 bij de Staten-Generaal ingediend. St.-Gen. Loketkas, Particuliere stukken 15).

)De resolutie stond Langen het houden van klerken toe. De Hoogduitsche secretaris blijkt, volgens het handschrift der stukken van zijne administratie, inderdaad door klerken te zijn bijgestaan. (

Het zenden van een van Langen's klerken wordt verzocht door dengriffier van de Kamer der Beden in zijn brief van 20 November 1578 (Lias Loopende 1578).

)

Einde November 1580 kwamen de Staten-Generaal te Delft in vergadering bijeen. Beide secretarissen. Blyleven en Houfflin, vergezelden de Staten naar Holland (

De Staten-Generaal hadden den eersten klerk Philips de Zoete gelast de secretarissen naar Delft te volgen.

).

De vergadering te Delft duurde tot einde Januari 1581. Behalve de beide genoemde secretarissen heeft blijkbaar ook de Hoogduitsche secretaris Langen zich althans voor eenigen tijd bij de Staten vervoegd. Hierop wijzen enkele brieven der Staten-Generaal uit de tweede helft van Januari 1581, welke ingeschreven staan in het Hoogduitsche missivenboek, in verband met enkele aanwijzingen, te ontleenen aan de resolutiën, o. a. aan een besluit van 23 Januari betreffende de arresteering van een brief, waarvan de minuut in handen is van den Duitschen secretaris.

Op 9 Mei 1581 kwamen de Staten-Generaal in Amsterdam bijëen; uit deze stad vertrokken zij op 25 Juni om op 28 Juni weder te 's Gravenhage samen te komen. In deze plaats scheidden de Staten op 2 Agustus 1581, waarna, de Generale Landraad de regeering aanvaardde. Kort nadat de Staten-Generaal hunne vergadering te Amsterdam zijn begonnen, houdt het handschrift van secretaris Blyleven op; tijdens hun verblijf in deze stad is hij komen te overlijden. Op 24 Juni kwam een rekwest der weduwe Blyleven in behandeling; volgens resolutie van 29 Juli 1581 werd de weduwe aangeschreven, het cachet der Generaliteit over te zenden benevens alle papieren en documenten, de Generaliteit toebehoorend.

De resignatie van het gouvernement door Aartshertog Matthias zou tengevolge hebben, dat voor de Staten-Generaal ook de audiencier en eerste staatssecretaris Jan van Asseliers dienst ging doen. Hij was uit Antwerpen naar Holland gekomen als een der afgevaardigden van den Aartshertog ter overbrenging van diens akte van resignatie. Bij de aanneming dezer akte van afstand besloten de Staten-Generaal op 7 Juni 1581 het gouvernement der Nederlanden aan zich te nemen tezamen met den Prins van Oranje, totdat de Generale Landraad in functie zoude zijn getreden. De Prins verklaarde de resolutie goed te keuren, doch excuseerde zich van de mede-aanneming van het gouvernement.

Matthias' resignatie had tengevolge, dat ook de Raden van State hun ambt op 19 Juni nederlegden, tegelijk met Asseliers en Sille, als secretarissen van dit college. Aan Asseliers als audiencier kwam nu de taak de stukken op te maken, welke van de Staten-Generaal, als het hooge regeeringsgezag uitoefenend, zouden uitgaan. Onmiddellijk na 19 Juni 1581 blijkt hij hiermede te zijn begonnen, en totdat de Staten op 2 Augustus uiteengingen, bleef Asseliers belast met het depecheeren der placaten, commissiebrieven enz. (

Zie mijn opstel: Over de audience der Nederlandsche regeering Mei?Augustus 1581: Nederl. Archievenblad 1924?1925.

)

Van de klerken, die op de vergadering te Amsterdam-'s Gravenhage ter griffie gewerkt hebben, wordt in de resolutiën alleen Philips de Zoete genoemd. De audiencier Asseliers blijkt te zijn bijgestaan door den klerk, over wien hiervoor het vermoeden is uitgesproken, dat bij Lucas Durlay heeft geheeten.

De derde administratie, welke te 's Gravenhage voor de Staten gewerkt heeft, was die van den Hoogduitschen secretaris; uit diens missivenboek valt op te maken, dat Langen althans midden Juli in Holland was; op zijne werkzaamheid daar wijst verder een resolutie van 1 Augustus 1581, welke zijn aanwezigheid te 's Gravenhage vermeldt.

Van de registers, welke sedert de instructie van April 1578 ter griffie gehouden werden, blijken die betreffende Duitschland en Engeland niet te zijn voortgezet door het afschrijven der stukken uit de Noord-Nederlandsche periode. Wel was dit het geval met het net-resolutiënregister, het register der ordinaris Depechen en het Fransche register. De voltooiïng van dit laatste heeft echter niet plaats gehad, terwijl de Generale Staten nog te 's Gravenhage vergaderd waren, maar is eerst geschied door de zorgen van den Generalen Landraad, vergaderd te Gent sedert midden Augustus 1581. Daarheen had zich ook de secretaris der Staten Houfflin begeven, om als een der secretarissen van den Generalen Landraad te fungeeren; het griffie-archief blijkt Houfflin mede te hebben genomen uit 's Gravenhage.

Het handschrift der griffie-registers wijst uit, dat éénzelfde klerk zoowel geschreven heeft het net-resolutiënregister der vergadering te Delft en te Amsterdam-'s Gravenhage als het Depechenregister der stukken over het tijdperk 1580 September-1581 Januari. In dit deel zijn dan de stukken van de vergadering te Amsterdam-'s Gravenhage 1581 Mei-Augustus blijkens het handschrift door den klerk Jan Piers ingeschreven (

De klerk Piers vervolgde ook het net-resolutiënregister door inschrijving van enkele resolutiën van den Generalen Landraad (1581 Augustus 14?24). Het handschrift van den anderen klerk is vermoedelijk dat van Pieter de Backer, wiens werkzaamheid hierna nog te sprake zal komen.

).

Betreffende het "register van Frankrijk", dat door den eersten klerk Philips de Zoete gehouden was, vernemen wij uit een resolutie van den Generalen Landraad van 2 September 1581, dat dit deel met de daarbij beboerende stukken medegenomen was door De Zoete, die zich destijds niet bij den Landraad te Gent bevond maar blijkbaar te Brussel. De Landraad verzocht aan de Staten van Brabant een en ander aan den Raad te doen toekomen. Op de overzending derzelfde stukken heeft betrekking een resolutie van den Landraad van 8 September, bij welke daartoe aan Philips de Zoete opdracht wordt gegeven, onder mededeeling, dat de secretarissen van den Raad van State gewoon waren hun eigen klerken te houden en de registers zelf ten hunne laste te nemen. Op een rekwest van De Zoete betreffende het voltooien van het register van Frankrijk verwees de Landraad den 13en September naar de voorgaande beschikking. Bij resolutie van 20 September 1581 benoemde de Generale Landraad Philips de Zoete tot secretaris van den Raad van Brabant als opvolger van zijn vader. Aan den Generalen Landraad deed De Zoete toekomen het register van Frankrijk en andere papieren van de Staten-Generaal benevens de sleutels van 2 koffers, met papieren van de Staten-Generaal gevuld, staande te Antwerpen in het huis, waar de Staten vergaderden, in De Zoete's comptoir (

Zie Depeches des Rebelles (Rijksarchief te Brussel), Papiers d'Etat et de l'audience, n°. 555, fol. 131 (geciteerd bij: De Pater. De landraad bewesten Maze: Bijdr. Vad. Gesch. V. 9, p. 34).

). Krachtens besluit van den Landraad van 21 September 1581 werd van deze overdracht aan Philips de Zoete akte gegeven.

Doordat secretaris Houfflin de stukken der Staten-Generaal naar Gent had medegenomen, was de Landraad aan de Oostzijde der Maze, in Augustus 1581 te 's Gravenhage vergaderend, van alle documenten verstoken; daarom verzocht dit college aan den Generalen Landraad om het dubbel van het resolutieregister over te zenden naar Holland (

Zie Resol. Gen. Landraad 17 Aug 1581 en brief van den Landraad aan den Prins van Oranje 20 Aug. 1581 (Depeches des Rebelles 1581 Jan.?Sept. Rijksarchief te Brussel, Papiers d'Etat et de l'audience n°. 554).

). Een nieuw verzoek, dat tevens het duplicaat van de depechen omvatte, kwam op 3 September bij den Generalen Landraad in. Dit college antwoordde den volgenden dag, dat de Landraad van Overmaze een klerk naar Gent zoude zenden voor het doubleeren van de verzochte registers. Op 23 September 1581 zond echter de Generale Landraad aan den Landraad beoosten Maze het dubbel-resolutiënregister der Staten-Generaal ten einde het zoo spoedig mogelijk te doen copiëeren, met de bijvoeging, dat een klerk te Gent het register der depechen zoude overschrijven (

Brief Generale Landraad aan Landraad beoosten Maze, in Depeches des Rebelles 1581 September?December. Rijksarchief Brussel. Papiers d'Etats et de l'audience n°. 555, fol. 43. (Geciteerd bij: De Pater. De Landrand bewesten Maze.)

)
. Denzelfden dag droeg de Landraad het voltooien van het "Registre de France" aan den klerk Jan Piers op, het copiëeren van het "Registre des depeches" aan den klerk Pieter de Backere. Dit besluit werd gewijzigd op 12 October, toen de Landraad de zorg hiervoor overdroeg aan den audiencier en de andere secretarissen, die daartoe hunne klerken zouden kunnen gebruiken. Op het "registre de France" heeft voorts betrekking eene resolutie van 4 November 1581, waarbij de Landraad secretaris Houfflin gerechtigd verklaarde tot de bewaring van de "pieces originelles en traicté de France despechées, recues et tenues aux Estatz Généraulx avec le Registre y tenu".

Op 12 Februari 1582 konden de Staten-Generaal besluiten het dubbel van de depechen van de Generaliteit, geresolveerd te Delft, Amsterdam en 's Gravenhage, te doen toekomen aan Raden van State van Overmaze, met verzoek om het dubbel der resolutiën van dit college aan de Staten te zenden. Het ontvangst-bericht van den Landraad van Overmaze kwam op 26 Maart bij de Staten ter tafel.

In het archief der Staten-Generaal is behalve het oorspronkelijke Depechenboek over 1580 September-1581 Augustus bewaard een copie-depechenregister over dit tijdperk, geschreven door den klerk Jan Meganck. Dit copie-depechenregister is bij de inventarisatiën door de agenten Verburch en De Heyde, blijkens de nummers op den band (23 door Verbuch, 3 door De Heyde), als het oorspronkelijke depechenregister beschouwd en dientengevolge in de negentiende eeuw op het Rijksarchief te 's Gravenhage als zoodanig geïnventariseerd (het is thans bekend onder n°. 3773, terwijl het oorspronkelijke register het nr.. 3774 draagt). Het karakter der beide deelen kon worden vastgesteld, doordat in 3774 correctiën voorkomen van de hand van secretaris Houfflin (bijv. fol. 114-vlg., 138-vlg.), welke correcties mede in den gewoon loopenden text van 3773 zijn overgeschreven; bovendien vond ik in 3773 uitlatingen van regels, welke de klerk Meganck bij het copiëeren foutief had overgeslagen. (

Het copie-depechenregister n°. 3773 heb ik beschreven in den inventaris van het archief der Staten-Generaal, omdat niet bleek, dat dit copie-exemplaar afkomstig is uit het archief van den Landraad beoosten Maze. In het archief der Staten van Holland wordt bewaard een copie der resolutiën Staten-Generaal te Delft, Amsterdam, 's Gravenhage, Nov. 1580?Aug. 1581, geschreven door den klerk Jan Piers.

)

In het jaar 1582 kwamen de Staten-Generaal tegen het einde van Louwmaand wederom te Antwerpen in vergadering bijeen. Hun secretaris Houfflin, die intusschen gefungeerd had als een der secretarissen van den Generalen Landraad, staakte deze werkzaamheid en hervatte zijn administratie in dienst der Staten-Generaal.

De notuleering der resolutiën zette Houfflin voort in het vroeger gehouden deel, in hetwelk intusschen de resolutiën van den Generalen Landraad waren gecopiëerd. Eveneens werd het bijhouden van de laatstelijk gehouden registers van stukken betreffende importante zaken (ordinaris en Fransche depechenboek) voortgezet. Het register der ordinaris depechen blijkt volgens het handschrift te zijn gehouden door den klerk Jan Bayaert, dat der Fransche depechen door den klerk Jan Meganck. In dezen tijd diende tevens als klerk ter griffie Jan Piers, van wien wij mogen aannemen, dat hij de lijst der gedeputeerden bij de resolutiën van 28 Februari 1582 geschreven heeft. Betreffende de ordre te houden in de griffie namen de Staten op 5 April 1582 het volgende besluit:

"De Staeten Generaal, geleth hebbende op de ordre die gehouden sonde moghen werdden in de greffie van de Generaliteyt, ordonneren hunnen secretaris te nemen twee clercken om de depechen, de Generaliteyt aengaende, te schrijven, dewelcke sullen zijn tot zijn denominatie, dispositie ende onder sijn bedwanck, bohoudelijck dat hy sal schuldich zijn te kiesen bequame persoenen de Staeten aengenaem ende die de Staeten sullen eedt doen van getrouwicheyt ende secret te houden tghene sal occureeren; ende sal belaelt wordden naer advenant van bladeren die zy sullen scriven zoowel in de registers als andersseins tot twee stuyvers elck blat, behalvens dat zy hunne specificatie sullen verificeren by eede. Ende sullen voorts elck provincie zoo verre hun tselve belieft, mogen eenen clerek in de greffie stellen, oock de Generaliteyt aengenaem ende geëedt als boven, die by die particuliere provinciën sullen betaelt worden."

Onder datum van 6 April 1582 staat in het resolutiënregister te lezen dat Houfflin voor zijn twee klerken gedenomineerd heeft Jan Piers en Jan Meganck. Later heeft Houfflin hierbij geschreven, dat na het vertrek van Jan Piers benoemd is Jan Bayaert. In eene resolutie van 4 Mei 1582 wordt gehandeld over de betaling der twee gezworen clercken Jan Meganck van Brussel en Jan Bayaert van Vlissingen.

Houfflin zou de Staten-Generaal als secretaris blijven dienen tot de vergadering in Mei 1582 uiteenging. In het resolutiënregister staat onder de resolutiën van 4 Mei ingeschreven de volgende beschikking, op 2 Mei gegeven op een rekwest van secretaris Houfflin:

"Myne Heeren de Generaele Staten wel genegen wesende tot het versouck van den suppliant ende hem zeer wel gunnende vermits zyne voergaende goede dyensten het secretarisschap van den Raede van State, daertoe hy eertijds verkoren ende hem heeft laeten gebruycken ettelijcke maenden geduerende, sullen then eynde van dyen doen schryven aen Zijn Hoocheyt favorable bryeven; Ende sal den suppliant metten eersten de segel, contra-segel, munimenten ende charters van de Generaliteyt, dye van enige importantie zijn, onder behoorlijcke inventaris stellen in handen van de magistraet van Antwerpen ofte dengenen, dye by denzelven uuyt den heuren daertoe gedelegueert sullen worden, tenwelcken eynde up den magistraat voorsz. sal worden gemaect acte van authorisatie ende commissie om de voorsz. segel, contresegel, munimenten ende charters onder behoorlijcke inventaris als boven over te nemen ende provisionelijck te bewaeren ende te doen maecken een bequaem coffer met vyer ofte vijf sloten, dyenende tot bewaernisse van saken van soedanige importancie, waervan de sloetelen sullen worden gedistribueert volgende den recesse, in 's Gravenhage genomen, ende sal ther naestaenstaende vergaderinge up de voerder bewaernisse ende plaetse werden geordonneert."

Eene gelijke bepaling betreffende het griffie-archief kwam voor in artikel 40 van het reces, dat op 4 Mei 1582 door de Staten werd gearresteerd.

Toen de Staten-Generaal begin Juli wederom te Antwerpen bijeengekomen waren, gingen zij al spoedig over tot de benoeming van een opvolger van Houfflin. Bij resolutie van 5 Juli 1582 werd Mattheus de Hennin, doctor in de rechten, aangenomen als griffier der Generale Staten. Den volgenden dag gelastten de Staten, dat secretaris Houfflin aan griffier Hennin onder behoorlijken inventaris zoude overleveren al de boeken, stukken en papieren onder hem berustend, de Generale Staten eenigzins rakende, mitsgaders de sleutels van den koffer van de Staten.

Nadat de Staten tot 17 Juli 1582 te Antwerpen vergaderd hadden, brachten zij hunne bijeenkomst naar Brugge over, naar welke stad de Hertog van Anjou zich begeven had. Aldaar vergaderden zij van 1 tot 14 Augustus. Daarop gingen zij met Zijne Hoogheid naar Gent, waar de Staten van 23 tot 28 Augustus bijeenkwamen. Op 8 September 1582 werd de vergadering te Antwerpen hervat.

Betreffende het mede-nemen van het archief naar Brugge en Gent komen verschillende posten voor op de rekening van den griffier Hennin over het tijdperk 1582 Juli-1583 December (

De rekening is bewaard: Loketkas Loopende n°. 330.

). Hennin deed uilgaven voor het vermaken van ijzeren banden aan den koffer, dienend tot bewaring van de papieren der Generale Staten (18 Juli), het brengen van den koffer uit de Kamer der Generaliteit in de St.-Michielsabdij te Antwerpen naar het huis van den griffier; het transport van koffers en papieren van Antwerpen via Vlissingen en Sluis naar Brugge, van daar naar Gent en voorts naar Antwerpen ten huize van den griffier.

Het zich terugtrekken van den Hertog van Anjou in Januari 1583, na de Fransche furie te Antwerpen, en het ontslagnemen van de Raden van State had tengevolge, dat het gezag der Hooge Overigheid en Regeering weder aan de Staten-Generaal kwam. De audiencier en eerste staatssecretaris Asseliers ging daarop over naar de Staten-Generaal als de ambtenaar, aan wien werd opgedragen het depecheeren der stukken, welke uitvloeisel waren van de thans weder bij de Staten-Generaal berust ende gouvernementeele bevoegdheid. Nadat de audiencier Asseliers reeds enkele weken voor de Staten-Generaal werkzaam was geweest, namen deze op 22 April 1583 de volgende beslissing:

"Belanghende de propositie, ghedaen nopende de depeschen van de placaten ende commissien, die ghearresteert sullen worden in de verghaderinghe van de Generfde Staten ghedurende den tijt dat men met Zyne Hoogheyt sal handelen totte finale conclusie, es gheresolveert, dat den audieneier sal gheautboriseert worden om deselve te depescheren naer oude gewoonte ende die onderteeckenen: by ordonnantie van mijn voorsz. heeren de Generale Staten; behoudens dal hy alvoren sal doen den behoorlijcken eedt aan de Generale Staten mits oock leverende copie van de commissiën, by hem te depescheren, om te doen aen de liasse van de Generale Staten ende daeraf memorie ende notitie te houden" (

Voor stukken in zaken van Hooge Overigheid, die in deze periode uitgingen van het College van de Financiën en Domeinen en van den Secreten Raad, bleef de naam van den Hertog van Anjou in zwang; zulks kan blijken uit de stukken, bewaard in het archief van den audiencier, hierna beschreven in Inv. I, n°. 256.

) Denzelfden dag legde de audiencier Asseliers den eed van trouw aan de Staten-Generaal af (

Asseliers had reeds in Februari 1583 zijne akte van commissie bij het College van de Financiën en Domeinen ter verifieering ingediend. Zie de extract-resolutie van dit college d.d. 19 Februari 1583 bij de Reyngout-papieren, bewaard in de Loketkas der Staten van Holland (archief Staten van Holland n°. 2581).

)
.

Tot einde Mei 1583 bleven de Staten-Generaal te Antwerpen in vergadering bijeen. In het reces, op 6 Mei gearresteerd, kwam in artikel 61 de volgende bepaling betreffende het archief voor:

"Eyndelijck belangende van de munimenten, documenten ende chartren, den Generalen Staten concernerende, in versekerde bewaernisse te behouden, es gheresolveert, dat alle de voorscreven minumenten, documenten, contracten ende chartren, van eeniger inportantie wesende, met den zegel ende contrezeghel sullen ghestelt worden in handen van den magistraat der stadt van Antwerpen, onder behoorlijcken inventaris ende recepisse, die deselve sal bewaeren ende een coffer, daertoe bequaem, doen maecken met drye sloten, ende de vergaderinghe elders bescheyden wordende, sullen deselve documenten ende chartren metten coffer worden aldaer ghetransporteert, eys 't noodt, ende altijts blyven ter plaetse, daer het affscheyt zal worden genomen, by zoo verre aldaer goede gelegentheyt ende versekerheyt zy."

Op verzoek van Hennin werd in dezen tijd tevens door gecommitteerden uit de Staten zijne commissie en de instructie belangende de griffie nagezien (zie Resolutie St.G. 5 Mei 1583). Op 12 Mei arresteerden de Staten daarop de commissie van Mattheus de Hennin als griffier van de Generale Staten mitsgeders de instructie. De commissie draagt aan den griffier op "te annoteren ende te enregistreren onse ramingen ende resolutiën, merckelijk die zijn van gewichte ende onzen dienst ende welvaren deser Nederlanden aengaende, midtsgaders oick te depescheren ende onderteekenen alle mandementen, ordonnantiën, besloten brieven, instructiën, acten ende alle andere depeschen, dewelcke bij ons sullen belast worden". (

Zie de minuut der commissie, bewaard bij de Asseliers-papieren op het Rijksarchief te Brussel (Papiers d'Etat et de l'audience n°. 579); gedrukt bij: Japikse. Res. St.-G. 1583?1584, p. 25.

)

Gedurende de periode te Antwerpen 1582-1583 heeft als voorheen ook de Hoogduitsche secretaris in dienst der Staten-Generaal gewerkt; secretaris Jan van Langen depecheerde voor de Staten de Hoogduitsche brieven. Langen zelf verliet in Juli 1582 Antwerpen, daar hij toegevoegd was aan het gezantschap der Staten naar den Rijksdag; op het einde van het jaar was hij op zijn post teruggekeerd. Tijdens zijne afwezigheid zal de Hoogduitsche secretarie bediend zijn door den klerk, wiens naam wij tegenkomen in een rekwest van September 1582 aan Anjou: het is een verzoekschrift van Jehan Corten "secretaire allemand de Son Altesse" (

Zie het rekwest met apostille d.d. 10 September in de St.-G. Lias Loopende 1582 I.

).

Na het uiteengaan hunner vergadering te Antwerpen, einde Mei 1583, zouden de Staten-Generaal niet meer in de Zuidelijke Nederlanden bijeenkomen. In de laatste week van Augustus 1583 begon hunne vergadering te Middelburg, waarmede de tweede Noordnederlandsche periode aanving. Uit de Zeeuwsche stad brachten zij hunne vergadering over naar Dordrecht, waar zij in de laatste week van September samen kwamen om er tot begin December te verblijven. Daarop trokken de Staten naar 's Gravenhage, hetwelk tot einde Januari 1584 hunne verblijfplaats was. Vervolgens begaven de Staten-Generaal zich naar Delft, in welke stad zij tot 1 October 1584 vergaderden.

Met de Staten was hun griffier Hennin medegegaan naar de Noord-Nederlandsche gewesten, terwijl ook het archief der Griffie werd medegenomen. In de reeds genoemde rekening van Hennin vinden wij posten betreffende het transport van de koffers met de papieren der Generaliteit van Antwerpen naar Middelburg, vandaar naar Dordrecht en vervolgens naar 's Gravenhage (

Zie deze rekening in St.-G. Loketkas Loopende 330.

).

Toen de Staten-Generaal te Dordrecht vergaderden, kon Hennin zijn ambt niet waarnemen wegens zware ziekte. De mededeeling van Hennin, gedateerd 30 September, werd ter vergadering van 5 October gelezen; de brief gaf tevens kennis, dat de audiencier Asseliers was aangekomen, om in Hennin's afwezigheid zijn plaatsvervanger te zijn. Bij resolutie van 6 October 1583 werd de audiencier Asseliers verzocht en gemachtigd om het griffierschap der Generale Staten te bedienen.

Het duurde tot 12 November 1583, voordat Hennin zijne notuleering hervatte. De resolutiën over het tijdperk 25 September-11 November zijn ingeschreven door een klerk, met gebruikmaking van Asseliers minuut-notulen. Eene aanteekening van Hennin in het resolutieregister op 11 November deelt dit aldus mede: "Al tghene bovenscreven es van den XXVen September 1583 tot hiertoe es ghebesoigneert ende gheregistreert in absentie van den greffier De Hennin overmits zijn groote sieckte ende es meestendeel gheminuteerd gheweest by den audiencier d'Asseliers, met welcke minute het voorsz. ghescrift es accorderende.''

Ter vergadering van 17 November 1583 stelden de Staten-Generaal eene regeling van werkzaamheden vast, daartoe strekkend, dat men 's morgens zoude behandelen de "ghemeyne saken" en des achternoens zoude besoigneeren op rekwesten en particuliere zaken.

De tijdelijke werkzaamheid van den audiencier voor de griffie der Staten-Generaal werd bestendigd door eene resolutie van 19 November, waarbij de Staten Asseliers verzochten en machtigden om voortaan den greffier De Hennin te assisteeren. De resolutie luidt als volgt:

"Myne Heeren die Generale Staten hebben versocht den iersten secretaris ende audiencier Asseliers, dat overmits nu dagelijcx in heure vergaderinge voercommen te handelen menichfuldige ende gewichtige saken, dat hy onvermindert de qualiteyt van zijn officie wille hem assisteren neffens hunnen greffier Hennin om de verbalen te houdene, instructiën, brieven ende andere depeschen te doene ende te teeckenen, al ist soe dat die anderssins nyet en souden staen tot zynen laste ende navolgende zijn officie hy nyet en soude schuldich wesen te doene, waerinne hy hen sunderlingen dienst doen sal denwelcken zy in tyden ende wylen sullen bekennen; ende hebben daertoe den voirsz. Asseliers voer soevele het noot is gecommitteert ende geauthorizeert, committeren ende authoriseren mitsdesen. Ende de voirsz. Asseliers heeft vercleert hoe dat, alsoe hy aen Mijn Heeren die Generale Staten ende den lande gebortes ende amptshalven is verplicht, hy nyet alleenlijck in tgene voorsz. is, maer in alle andere saken dair die voorsz. Heeren tot voerderinghe van des lants ende gemeynen saken zal hem believen temployeren, hy hem bereet is te dienen."

De samenwerking van Hennin en Asseliers zou slechts over korte perioden plaats hebben. Reeds op 9 December 1583 werd voor Asseliers de geloofsbrief gearresteerd als gezant der Staten-Generaal naar Frankrijk, waarheen hij toen op het punt stond te vertrekken met Anthoine de Lalaing, heer van La Mouillerie. Op 21 April 1584 compareerden de teruggekeerde gezanten ter Staten-Generaal, doch reeds bij resolutie van 27 April werd Asseliers door de Staten met eene zending naar Brabant belast. In de maanden Mei en Juni is Asseliers dan weder te Delft werkzaam bij de Staten-Generaal, totdat hij op het einde van Zomermaand 1584 opnieuw naar Frankrijk wordt afgezonden.

Terwijl door deze langdurige afwezigheid Asseliers verhinderd was in zijne administratie voor de Staten-Generaal, blijkt de griffier Hennin bij zijne gewone griffie-administratie het werk te hebben verricht, dat anders tot de bevoegdheid en taak van den audiencier behoorde: zoo zijn de placaten, uitgaande van de Staten-Generaal, als het gezag der Hooge Overigheid hebbend, tijdens Asseliers' afwezigheid door Hennin geteekend.

Bij resolutie van 15 Februari 1584 stelden de Staten-Generaal vast, dat voortaan geen brieven van de Generaliteit door den griffier zouden gedepecheerd worden, tenzij geparagrapheerd door den president, bij tijde zijnde, en verder dat al de resolutiën, die door de Generale Staten genomen en te boek gesteld werden, vóór het arresteeren zouden voorgelezen worden alvorens eenige andere zaken te behandelen. Denzelfden dag benoemden de Staten-Generaal eene commissie, die opdracht kreeg, behalve een instructie voor den huissier, tevens orde op de officiers der Staten-Generaal te stellen, of - gelijk de resolutie van 18 Februari zegt - de griffie te redresseeren.

In het Noordnederlandsche tijdperk heeft Hennin aanvankelijk drie klerken van de Generaliteit ter assistentie gehad: Jan Bayaert en Jan Meganck, gezworen klerken der Staten-Generaal, en Huybrecht de Blandere. (

Rekening van Hennin en andere stukken in St.-G. Loketkas Loopende 330. Zie ook het stuk op het Rijksarchief te Brussel, afgedrukt bij: Japikse. Resol. St.-G. 1583?1584, p. XXI, noot 1.

)Blijkens resolutie der Staten-Generaal van 11 en 30 Juli 1584 waren destijds nog als gezworen klerken van de Generaliteit Bayaert en Meganck in dienst.

Griffier De Hennin werd onder verdenking van correspondentie met den vijand of althans met personen, die de zaak van 't gemeene best van deze landen niet toegedaan waren, bij resolutie der Staten-Generaal van 8 Augustus 1584 uit zijn ambt ontzet.

Van de werkzaamheid van den audiencier Asseliers en diens nauwe samenwerking met den griffier Hennin in deze Noordnederlandsche periode is hierboven reeds melding gemaakt; eveneens van Asseliers' langdurige afwezigheid door zijne zendingen naar Frankrijk (

Op deze zendingen werd Asseliers vergezeld door den klerk Lancelot Boote, van wien een rekwest bewaard is bij de Asseliers-papieren in St.-G. Lias Loopende 1583?1584.

).

Voor de Staten-Generaal deed in de Noordelijke Nederlanden ook dienst de Hoogduitsche secretaris Langen. Einde Augustus 1583 vertoefde hij te Antwerpen (blijkens zijn brief aan den Prins van Oranje van 24 Augustus) en nog op 21 October 1583 kwam bij de Staten-Generaal een brief ter tafel, waarin Langen zich verontschuldigde over zijn wegblijven. Begin November vinden wij hem echter te Dordrecht in functie.

Met griffier Hennin had secretaris Langen in Februari 1584 geschil over de bevoegdheid tot het depecheeren der brieven naar Gelderland en Overijsel. De commissarissen, bij resolutie van 15 Februari gedeputeerd "op den orde van de greffie en de officien derzelve" kregen tevens opdracht dit different te behandelen. In dit verband is vermeldenswaardig de aanteekening in de notulen van 28 Maart 1584 betreffende missiven der Staten-Generaal aan den Landraad beoosten Maze, aan de gecommitteerden van den Landraad in Overijsel, en aan de Ridderschap en steden van Overijsel, handelend over de brandschatting in dit gewest, "dewelcke depeschen zijn gelast te doen by den secretaris Langen".

Bij resolutie van 14 April 1581 verhoogden de Staten-Generaal Langen's tractement, onder bepaling, dat hij gehouden zoude zijn te volgen en dienen de Generale Staten, de aanstaande Regeering en Hooge Overigheid, zooverre hij bij dezelve daartoe aangenomen werd. Kort daarop werd Langen belast met eene zending naar den Landdag in Gelderland, waarover hij in de vergadering van 5 Mei rapport uitbracht. Nog dezelfde maand vertrok hij op een dergelijke zending, over welke hij 12 Juli 1584 rapport deed aan de Staten-Generaal.

Na het op 8 Augustus aan den griffier Hennin gegeven ontslag voorzagen de Staten-Generaal onmiddellijk in de vervulling van het griffierschap. Reeds den volgenden dag, 9 Augustus 1584, werd aan mr. Cornelis Aerssens, pensionaris van Brussel, de staat van griffier aangeboden. Aerssens verzocht daarop, onder voorwaardelijke aanneming, nadere inlichtingen, welke hem door de Staten op 10 Augustus werden verstrekt (

Het origineele verzoek met de apostille van 10 Augustus is bewaard in de Collectie Van Aerssen van Voshol (Algemeen Rijksarchief) n°. 2. Afschriften van verzoek en apostille zijn ingeschreven in het Resolutiënregister der Staten-Generaal.

). Tevens kreeg Aerssens toen machtiging om alle akten, brieven en depechen te teekenen.

Ondertusschen hadden de Staten op 9 Augustus voor de uitoefening der griffiers-werkzaamheden (daar immers Asseliers nog in Frankrijk vertoefde) aangewezen den Hoogduitschen secretaris Langen. Uit eene aanteekening in het resolutieregister blijkt, dat Langen dien dag in de vergadering de notulen heeft gehouden. Als aanvangsdatum van Aerssen's officie van griffier werd 10 Augustus vastgesteld, zooals staat aangegeven in eene apostille van 29 Augustus op zijn oorspronkelijk ingediend schriftuur. Nog op 11 Augustus droegen de Staten-Generaal eene werkzaamheid aan Langen op "mits het vacerend griffierschap"; hij moest depecheren de commissie voor den Graaf van Meurs, gouverneur van Gelderland, als kapitein-generaal over het krijgsvolk in dat gewest.

De audiencier Asseliers keerde kort daarna van zijne zending uit Frankrijk terug; op 21 Augustus 1584 werd rapport daarover aan de Staten-Generaal uitgebracht. Deze droegen hem bij besluit van 30 Augustus op, om een placaat te ontwerpen betreffende de 1 September 1584 aanvangende nieuwe Regeering. De audiencier zou echter de bestuurswerkzaamheid van den nieuw optredenden Raad van State niet meer medemaken: nog vóór 5 September kwam Asseliers te overlijden, zooals uit het resolutieregister der Staten-Generaal van dien dag blijkt. De Staten besloten de stukken, nagelaten door den audiencier Asseliers, te sequestreeren, aangezien zij de Generaliteit aangingen. Aan de uitvoering van dit besluit is klaarblijkelijk de aanwezigheid van de papieren der audience-administratie in het archief der Staten-Generaal te danken.

Dezelfde week kwam ook in behandeling de overneming der stukken van de griffie, alsnog onder Mattheus de Hennin berustend, waartoe de Staten op 8 September eene commissie benoemden.

Na het overlijden van Asseliers werd geen nieuwe audiencier benoemd, maar het ambt gegund aan den griffier der Staten-Generaal Cornelis Aerssens. Dientengevolge kwam aan de audience als zelfstandige administratie een einde. In de thans aangebroken periode zouden er dus slechts twee afzonderlijke administraties voor de Staten-Generaal werkzaam zijn: die van de griffie en die van de Hoogduitsche secretarie, welke in stand bleef, daar Langen als Hoogduitsche secretaris door den nieuw opgetreden Raad van State werd gecontinueerd. Asseliers was indertijd tot audiencier benoemd door den Gouverneur-Generaal aartshertog Matthias en had op deze benoeming de agreatie der Staten-Generaal gekregen. Bij de vervulling van Asseliers' vacature werd juist andersom gehandeld. Ditmaal waren het de Staten-Generaal, als hebbend het gezag der Hooge Overigheid, die bij besluit van 11 September 1584 hun fiat gaven op het verzoek van mr. Cornelis Aerssens "pensionaris der stad van Brussel", dat hem het officie van audiencier geconfereerd mocht worden. Denzelfden dag verzocht Aerssens, door de Staten-Generaal met het officie van audiencier "voorzien", aan Graaf Maurits en Raden van State om als audiencier aangenomen te worden. De Raad van State was van oordeel, dat het officie van audiencier niet aan de Staten-Generaal te vergeven stond, en nam den volgenden dag het besluit eene remonstrantie tot de Staten-Generaal te richten betreffende de commissie van den griffier der Staten-Generaal Aerssens tot audiencier van Zijne Genade Graaf Maurits en Raden van State (

Copie-resolutienregister Raad van State 1584 (thans berustend op het Rijksarchief in Noord-Brabant).

). De Staten-Generaal antwoordden hierop, dat de resolutie nog niet geheel te boek gesteld was. De beschikking op Aerssens' rekwest, zooals deze in afschrift staat ingeschreven in het resolutieregister, is als volgt geformuleerd: "Fiat ut petitur ende dat men Zijne Genade ende Raedt van State hieraff zal veradverteren ten eynde zij 't zelve agreëren". Verdere bijzonderheden over deze altercatie worden niet aangetroffen; het ambt van audiencier ging op in dat van den griffier der Staten-Generaal, die voortaan uitsluitend in dienst van dit college werkzaam blijkt te zijn geweest.

Bij zijne benoeming tot griffier had Aerssens te kennen gegeven, dat hij daartoe de toestemming noodig had van de stad Brussel, in welker dienst hij stond. Deze bewilliging werd aan de Staten-Generaal ter vergadering van 28 September medegedeeld, onder bijvoeging der conditie, dat Aerssens de stad nog zou representeeren tot de onderhandelingen met Frankrijk beeindigd zouden wezen. Onder de namen van Gedeputeerden der Staten-Generaal, welke in het resolutiënregister bij de dagelijksche notulen staan ingeschreven, komt de naam van den griffier Aerssens tot in December 1584 voor. Op 20 December kreeg Aerssens verlof van de Staten-Generaal om voor de stad Brussel deel te mogen uitmaken van het gezantschap naar Frankrijk. Bij resolutie van 29 December wezen de Staten mr. Jan van den Warck, pensionaris van Antwerpen, aan om tijdens Aerssens' afwezigheid het griffierschap te bedienen.

De Staten-Generaal, die tot 1 October 1584 te Delft hadden vergaderd, kwamen van af 5 October te 's Gravenhage bijeen overeenkomstig het verzoek, door Graaf Maurits hun 4 September gedaan.

Op 15 Januari 1585 besloten de Staten-Generaal, aangezien de Staten van Holland of hunne Gedeputeerden te 's Gravenhage continuelijk bleven vergaderd, voorloopig alhier insgelijks hunne vergadering te blijven houden.

Na zijn terugkomst uit Frankrijk hervatte Aerssens op 10 April 1585 zijn ambtswerk. Tijdens zijne afwezigheid was door de Staten-Generaal bij resolutie van 8 Maart 1585 vastgesteld eene "Instructie daernae den agent, clercquen, huyssier ende boden van de Staten-Generaal hen sellen hebben te reguleeren int feyt van henne officiën." (

Gedrukt bij: Van Riemsdijk. De Griffie van Hare Hoog Mogenden, p. 175.

)

Blijkens resolutie van 28 Februari 1585 waren destijds als officieren aan het comptoir der Staten-Generaal verbonden: de agent Guilliaume Ramet en de klerken Jan Bayaert, Jan Meganck en Jasper de Heyst.

De instructie is in het bijzonder van belang voor het griffiearchief der Staten-Generaal, omdat voortaan aan den Agent (die tot dan toe hoofdzakelijk belast was geweest met de zorg voor den huishoudelijken dienst der Staten) werd opgedragen de zorg voor de bewaring van de papieren en stukken van de Heeren Generale Staten, wezende in hunne griffie.

De bemoeiïngen van den agent Guilliaume Ramet met de griffie-papieren zijn dan ook van dezen tijd af in het archief der griffie duidelijk merkbaar.

Het afschrijven van de stukken betreffende importante zaken in een register, het zoogenaamde ordinaris depechenboek, werd in 1585 niet voortgezet, doch in plaats daarvan werden de stukken zelve bijeengebonden in een jaargang. Na 1587 zou men het samenbrengen dezer stukken echter reeds geheel staken. Naast het Fransche depechenboek werd in den loop des jaars, na het sluiten van het tractaat met de koningin van Engeland, wederom een Engelsch depechenboek aangelegd.

Met het oog op de spoedige komst van den Graaf van Leycester besloten de Staten van Holland op 28 November 1585 voor dezen logies op het Binnenhof gereed te maken, maar tevens de Staten-Generaal (die daar dus destijds vergaderden) niet te discommodeeren. Zij verzochten derhalve aan Burgemeesteren van 's Gravenhage om de Staten-Generaal met een tweetal kamers op het Haagsche stadhuis te accommodeeren, waartoe de inwilliging op 18 December ter vergadering der Staten van Holland werd medegedeeld.

Tot 23 Februari 1586 bleven de Staten-Generaal te 's Gravenhage vergaderd. Als officieren ter griffie waren toen nog - blijkens resolutiën van 16 Februari - behalve den agent en de boden twee klerken in dienst; deze klerken zijn geweest Bayaert en Meganck.

Op 11 April 1586 vingen de Staten-Generaal eene nieuwe vergadering aan te Utrecht, waarheen ook de Gouverneur-Generaal Graaf van Leycester met zijn bestuurscolleges zich begeven had. Den 2den Augustus waren de Staten-Generaal in 's Gravenhage teruggekeerd, waar zij op 10 Augustus uiteengingen.

In nieuwe vergadering kwamen de Staten-Generaal op 20 September 1586 te 's Gravenhage bijeen, om eerst van 15 October af dagelijks te besoigneeren.

Bij gelegenheid, dat de Gedeputeerden ter Staten-Generaal krachtens resolutie van 22 October 1586 den eed aflegden, werd de eed van geheimhouding ook afgenomen aan den griffier Aerssens, den agent Ramet en de beide klerken Jan Meganck en Pieter de Brieder. Aangezien het handschrift van den klerk Jan Bayaert sedert October 1586 niet meer in het archief wordt aangetroffen, is Pieter de Brieder blijkbaar in dienst genomen ter vervulling van Bayaert 's plaats.

Als vroeger bleven ook in deze periode de voornaamste papieren of munimenten der Staten-Generaal geborgen in gesloten kisten, waarin eveneens het zegel bewaard werd (

Zie resol. St.-G. 2 Juni 1585, 11 Aug. 1586 en 22 Nov. 1586 (over de bewaring van den sleutel).

).

Tot midden Juli 1587 bleven de Staten-Generaal op het stadhuis te 's Gravenhage vergaderen (

Vergelijk Resol. van 11 Mei 1587.

). Zij vertrokken toen ter begroeting van den uit Engeland teruggekeerden Graaf van Leycester, bij wien zij 17-19 Juli te Dordrecht verbleven om daarna hunne vergadering naar Middelburg over te brengen, waar zij tot 17 Augustus vergaderden. Vervolgens verbleven de Staten 31 Augustus-11 September te Dordrecht, 15 September-20 October te 's Gravenhage, 22 October-23 November te Haarlem, 3 December 1587-16 Januari 1588 te Delft, om toen naar 's Gravenhage terug te keeren en daar van 20 Januari 1588 af op het stadhuis te vergaderen. (

Van het Haagsche stadhuis werd op 13 April 1588 het placaat der Staten betreffende de instelling der Generale Regeering gepubliceerd.

)

Door de combineering van het ambt van griffier en dat van audiencier in den persoon van Aerssens was het aantal administraties, welke zelfstandig voor de Staten-Generaal werkzaam waren, sedert September 1584 tot twee teruggebracht. De Hoogduitsche secretaris Langen werd als gewoon secretaris door den Raad van State in September overgenomen; bij resolutie van 21 September 1584 bepaalde de Raad, dat Langen daarbij gehouden zou blijven de Staten-Generaal te dienen in de Hoogduitsche taal.

Langen bleef in Holland, totdat hij begin April 1585 dienst ging doen bij Graaf Maurits en Raden van State, vergaderend te Middelburg. In September 1585 was hij met Raden van State te 's Gravenhage teruggekeerd.

In Februari 1586, bij het optreden van den Raad van State nevens Zijne Excellentie den Graaf van Leycester, werd Langen als gewoon secretaris gecontinueerd, terwijl ook zijne verhouding tot de Staten-Generaal dezelfde bleef. In de Hoogduitsche briefwisseling is Langen bijgestaan door een klerk, die in het Hoogduitsche missivenboek vóór de missiven van het jaar 1586 zijn naam Caspar Hopffman heeft gezet.

Toen midden Mei 1588 de nieuwe Raad van State optrad, werd Langen door dit college niet als secretaris in dienst genomen. Hiermede verviel de aan zijn persoon verbonden administratie voor de Hoogduitsche zaken, welke oorspronkelijk eene navolging was geweest van dergelijke instelling der Oostenrijksch-Spaansche regeering te Brussel, de Hoogduitsche Staatssecretaris. Dientengevolge kwam ook aan zijne betrekking tot de Staten-Generaal een einde, zoodat van dat tijdstip af de geheele administratie der Staten-Generaal ter griffie zou gevoerd worden.

In de algemeene inleiding is reeds gezegd, op welke wijze de stukken van de twee administraties, welke zelfstandig naast de griffie gewerkt hebben, die van de Hoogduitsche secretarie en die van de audience, in de 17de eeuw met het griffie-archief vermengd zijn geworden.

In den hierna volgenden inventaris vindt men een overzicht van de stukken dezer drie administraties. Betreffende de ordening van de stukken, behoorend tot de griffie-administratie, wil ik gaarne nog enkele toelichtingen geven.

Hoe het griffie-archief in het tijdperk 1576-1588 ingedeeld is geweest; kan worden opgemaakt uit enkele gelijktijdige aanwijzingen in verband met den toestand, waarin het archief door de inventarisatiën in de 17de eeuw is gebracht. Behalve uit de registers bestond het voornaamste gedeelte van het archief uit de liassen, welke de ingekomen stukken met de minuut-uitgaande stukken bevatten. Van deze is er waarschijnlijk eene hoofdserie geweest, waarvoor wij later den naam van "liassen loopende" in gebruik vinden, eene Nederlandsche benaming, die blijkbaar voor eene oorspronkelijke aanduiding "liaches courantes" in de plaats is gekomen (

De term "liaches" wordt o.a. aangetroffen in resol. St.-Gen. 6 November 1576, 27 October 1579.

). Daarnaast zijn althans eene serie stukken Frankrijk en eene Engeland gevormd geweest.

Stukken, die bijv. om hun omvang of formaat kwalijk aan de liassen konden worden gevoegd, werden afzonderlijk bewaard en zijn later opgeborgen in de zoogenaamde Loketkas der Staten-Generaal. In denzelfden trant vinden wij den voorganger van de Secrete kas der 17de eeuw in de gesloten kist, waarin tijdens de 16de eeuw de belangrijke papieren en het Generaliteitszegel werden bewaard.

De stukken der liassen loopende uit de periode 1576-1588 zijn op enkele gedeelten na verloren gegaan. Deze gedeelten zijn - gelijk wij reeds schreven - door den agent De Heyde gebruikt om met stukken uit de collecties Asseliers en Langen nieuwe liaspakken te formeeren. In de 19de eeuw zijn dan deze liassen loopende herordend door de ambtenaren aan het Rijksarchief te 's Gravenhage, J. A. de Zwaan en mr. Van der Burgh.

Gelijk de oude liassen loopende dus eerst gevormd zijn in de 17de eeuw, is ook de onderbrenging der stukken in de Loketkas een werk van dien tijd. Zoo heeft bijvoorbeeld de agent Verburch enkele pakken gevormd, waarin diverse stukken bijëengebracht zijn; dergelijke pakken zijn o. a. die, welke in den inventaris De Heyde van 1678 genummerd zijn Loketkas Loopende 71, 110, 118. In denzelfden trant zijn enkele stukken opgenomen in de Secrete kas, waarvan het zeer onwaarschijnlijk is, dat zij in de periode vóór Mei 1588 in de gesloten kist der Staten-Generaal bewaard zijn geweest.

Met het oog op deze omstandigheden achtte ik het ongewenscht te trachten, in mijn inventaris de brokstukken der liassen benevens de andere losse stukken nauwkeurig volgens de oorspronkelijke orde van het griffie-archief te groepeeren; ik heb er de voorkeur aan gegeven alle losse stukken tot ééne groep te brengen en vervolgens te beschrijven in verband met de dateeringen en de erin behandelde onderwerpen. Daarentegen heb ik in mijne beschrijvingen wel hersteld de resolutie-registers, die door den agent De Heyde uiteengenomen zijn om de jaargangen te vormen voor de alphabetische indiceering ervan. Van deze resolutie-registers komt eene beschrijving volgens hun oorspronkelijken toestand nog voor op den inventaris Verburch van 1635. Eene andere aanwijzing daarover was te ontleenen aan de opgave der resolutiën betreffende Engelsche zaken, welke opgemaakt was voor de samenstelling van het oudste depechenboek Engeland en ingevoegd in dit boek; de oorspronkelijke toestand van het 1ste, 2de en 3de resolutie-register, gehouden door Weellemans, en van het 1ste, 2de, 3de en 4de resolutie-register, geschreven door Houfflin (en Blyleven), viel uit deze opgave af te leiden. Verder konden aan de uiteengenomen registers zelve eveneens aanwijzingen ontleend worden.

Bij de inventarisatie der griffie-stukken had ik zorg te dragen, dat geen documenten, gedateerd vóór midden Mei 1588, doch welke na dien datum in het Staten-archief waren opgenomen, werden vermeld. Om een voorbeeld te noemen: in de Loketkas loopende n°. 58 berust een origineele commissiebrief van 19 Maart 1587, door de Staten-Generaal gegeven aan J. Junius de Jonge, oud-burgemeester van Antwerpen, als afgevaardigde naar Duitschland. Deze commissie bevindt zich bij een brief van Junius dd. 14 April 1590, waarbij hij het stuk toezendt aan de Staten-Generaal. Deze commissie heb ik derhalve niet opgenomen en in aansluiting daaraan heb ik nu evenmin melding gemaakt van een dergelijken commissiebrief, door Leycester in Januari 1587 uitgegeven aan Junius, welk perkament bewaard wordt in de Loketkas Hoogdiutschland n°. 9.

Ook bij ongedateerde copieën van vóór midden Mei 1588 gedagteekende stukken had ik een dergelijk onderzoek in te stellen. Hiervan moge eveneens één geval vermeld worden.

In de Lias Loopende 1580-1581 bevindt zich eene copie der akte van sauvegarde, aan de Portugeesche kooplieden in de Nederlanden door de Staten-Generaal op 19 Juni 1581 gegeven; deze copie is gewaarmerkt door een notaris te Antwerpen; voorts berust eene dergelijke copie van soortgelijke sauvegarde van 22 October 1577 in de Loketkas Loopende 24, een nummer waarin stukken van verschillenden aard zijn samengebracht. Nu blijkt uit eene aanteekening van den rijksarchief-ambtenaar De Zwaan, dat de copie-akte der sauvegarde van 1581 door hem was aangetroffen in de Lias Loopende 1592 en daaruit overgebracht naar de Lias 1580-1581. Het is echter aannemelijk, dat dit notariëele afschrift inderdaad in 1592 bij de Staten-Generaal is ingekomen, daar eene resolutie der Staten van 22 April 1592 uitwijst, hoe destijds kooplieden der Portugeesche natie, te Antwerpen woonachtig, om interpretatie der akte van sauvegarde gevraagd hadden. Evenmin als de Antwerpsche copie der akte van 1581 is nu de copie der sauvegarde van 1577 door mij beschreven, aangezien het waarschijnlijk is, dat beide te Antwerpen vervaardigde afschriften eerst in 1592 zijn ingezonden. (

Vergelijk hierbij de stukken in archief Staten-Generaal, Loketkas Portugal 1, in den hierna volgenden inventaris der Staten-Generaal beschreven onder n°. 212.

)

Tot slot van de inleiding tot het Staten-Generaal-archief wil ik hier nog vermelden, dat enkele stukken uit de jaren 1577-1579, welke blijkbaar afkomstig zijn uit het archief der griffie, worden aangetroffen in de bekende verzameling stukken, getiteld "Acta Statuum Belgii", bijeengebracht door Willem Valerius, kanunnik van St. Bavo te Gent en Gedeputeerde ter Staten-Generaal, welke collectie berust op het Algemeen Rijksarchief (

De verzameling is voor het Rijk verworven door aankoop uit de collectie Musschenbroek in het jaar 1826. Reeds Gachard heeft in het voorwoord tot zijne uigave Actes des Etats-Généraux des Pays-Bas, op grond van verschillende stukken, die bij de "Acta Statuum Belgii" waren ingeboden, Valerius als den verzamelaar aangewezen. Gachard's toeschrijving vindt nog steun in het feit, dat op een der stukken een Latijnsch kladbriefje wordt aangetroffen, gericht aan den deken van St. Bavo en onderteekend op 17 Maart 1579 door W. V. Vergelijken wij deze letters en ook het handschrift van verschillende stukken met de onderteekening van Willem Valerius, zooals die voorkomt onder de akte oer Unie van Brussel, dan krijgen wij zekerheid, dat Valerius enkele akten eigenhandig geschreven heeft.

).

II. GOUVERNEUR-GENERAAL MATTHIAS, AARTSHERTOG VAN OOSTENRIJK, EN DE RAAD VAN STATE NEVENS ZIJNE HOOGHEID.
INLEIDING.

De voorwaarden, waarop het gouvernement-generaal van de Nederlanden werd aangeboden aan Matthias, aartshertog van Oostenrijk, werden door de Staten-Generaal vastgesteld bij resolutie van 8 December 1577 (

Een tweetal gelijktijdige afschriften naar de voorwaarden, zooals deze in dato 8 December 1577 gearresteerd en door den griffier Weellemans gewaarmerkt zijn, komen voor in de "Acta Statuum Belgii" van Willem Valerius. (Aanwinst Alg. Rijksarchief ao. 1826 door aankoop uit de collectie Musschenbroek). In het resolutieregister van de Staten-Generaal, gehouden door den griffer, is de afscheiding tusschen de resolutiën van 8 en van 9 December onduidelijk aangegeven; in het memoriaal der resolutiën wordt op 9 December gesproken van de op gisteren gearresteerde voorwaarden. Deze zijn gedrukt bij Bor. Nederlandsche Oorlogen, I, 927.

). De "lieutenant, gouverneur et capitaine général" of "gouverneur-général" (gelijk hij kortweg wordt aangeduid) zou de privilegiën moeten in acht nemen en het land gouverneeren met een door de Staten-Generaal te benoemen Raad van State.

Betreffende dit gouvernement werden o. a. de volgende bepalingen vastgesteld:

Aan Gouverneur en Raad was het niet geoorloofd eenige zaak van aanbelang en die de Generaliteit aanging, te ondernemen zonder toestemming van de Staten-Generaal; dergelijke zaken waren o. a. de beden en de lichting van penningen, het verklaren van oorlog en sluiten van vrede, en het aangaan van verbonden met andere vorsten en volken. De begeving van hooge militaire en andere belangrijke ambten zou slechts mogen geschieden bij advies van de Staten-Generaal; deze moesten ook hun toestemming geven tot buitengewone lichtingen van krijgsvolk. In oorlogstijd zou de Gouverneur gehouden zijn alle belangrijke krijgszaken te administreeren met den Raad van State, onder bijstand van den Raad van Oorlog, van welk college de te benoemen leden den Staten-Generaal welgevallig moesten zijn. De administratie der door de Staten geconsenteerde penningen zou aan de Staten-Generaal blijven, terwijl het beheer der financiën en domeinen des Konings ongewijzigd werd gelaten.

In de vergadering der Staten-Generaal van 20 December 1577 legden de naar Matthias afgevaardigd geweest zijnde gecommitteerden der Staten brieven over van den Aartshertog, waarbij deze de voorwaarden aannam. Op 20 Januari 1578 werd Matthias als gouverneur-generaal beëedigd. De prins van Oranje, die den dag te voren, op aandringen der Staten-Generaal, door Matthias tot zijn lieutenant-generaal was benoemd, legde te gelijk den eed als zoodanig af.

Op 27 Januari 1578 had de beëediging der aanwezige leden van den Raad van State plaats. Bij de vaststelling van het eedsformulier was op den morgen van dien dag besloten om voor den Conseil d'Etat près Monseigneur l'archiduc d'Autriche, gouverneur-général des Pays Bas, op te stellen "quelque instruction pour leur reiglement et conduite et par leur advis". Uit de verdere resolutiën blijkt niet, wanneer een instructie voor den Raad van State is vastgesteld, terwijl toch een resolutie van veel lateren tijd het bestaan daarvan waarschijnlijk maakt. Op 5 December 1579 werd namelijk door den agent der Staten-Generaal, ter voldoening aan een op den vorigen dag genomen besluit, overgeleverd de instructie voor den Raad van State; uit het verband blijkt, dat daarmede de instructie van den fungeerenden Raad bedoeld is.

Aartshertog Matthias deed afstand van het gouvernement over de Nederlanden bij akte, geteekend 15 Mei 1581, welke de Staten-Generaal bij resolutie van 7 Juni aannamen. Op 11 Juli 1581 besloten de Staten-Generaal de akte van acceptatie dezer renuntiatie aan Matthias' gevolmachtigden uit te reiken; het duurde echter tot 28 Juli 1581 voor deze akte van acceptatie door de Staten-Generaal geärresteerd werd. Door de leden van den Raad van State werd op 19 Juni 1581 ontslag ingediend, hetwelk de Staten denzelfden dag aannamen. Eerst op 1 Augustus 1581 werd de ontslag-akte - onder dagteekening van 19 Juni 1581 - geärresteerd. Na de onderteekening zijner renuntiatie op 15 Mei heeft Gouverneur-generaal Matthias blijkbaar geen regeeringshandingen meer verricht, welke tot het ressort van den Raad van State behoorden; wel bleef de Gouverneur nog tot in de eerste helft van Juli werkzaam met den Secreten Raad en het College van de Financiën en Domeinen (

Zie mijn opstel: Over de audience der Nederlandsche Regeering Mei?Augustus 1581 (Nederlandsch Archievenblad 1924?1925).

).

Over de geschiedenis van het gouvernement van Matthias voor zooverre betreft de regeeringshandelingen, die onder het ressort van den Raad van State nevens Zijne Hoogheid vielen, heeft dr. J. C. H. de Pater tal van bijzonderheden gepubliceerd in zijn werk: De Raad van State nevens Matthias ('s Gravenhage 1917).

Gouverneur-generaal Matthias, aartshertog van Oostenrijk, en de Raad van State nevens Zijne Hoogheid hadden voor hunne administratie verschillende personen in dienst, die al naar den aard der te stellen stukken dit eischte, werkzaam waren. In de eerste plaats maakte Matthias voor zich gebruik van de secretaris-diensten van Caspar von Danwitz zu Jansdorf, die tevens de waardigheid bekleedde van "grand-chambellan" of "premier gentilhomme de la chambre de Son Altesse" (

Zie betreffende Danwitz' naam en titel: de brieven aanwezig in Codex nr. 9048 der Hofbibliotheek te Weenen (vermeld bij: Joseph Chmel. Die Handschriften der Hofbibliothek in Wien); kwitantie van Danwitz in Loketkas Staten-Generaal. Particuliere stukken n°. 1.

).

In de latere periode van Matthias' gouvernement blijkt nog als secretaris gefungeerd te hebben M. de Hennin (dezelfde, die in 1582 tot griffier der Staten-Generaal zou worden benoemd) (

Matthias' akte van resignatie van 15 Mei 1581 is door Hennin geteekend.

).

Voor zooverre de stukken, die in het voorgaande tijdperk door den audiencier werden gedepecheerd voor de Staten-Generaal, nu de nieuwe regeling was ingesteld, op naam van het gouvernement uitgingen, was voor het opmaken dezer bescheiden werkzaam de audiencier en eerste staatssecretaris Cornelis de Pottelsberghe.

Als secretarissen kreeg de Raad van State toegevoegd: Jan van Asseliers, voordien secretaris van Antwerpen, en Nicaise de Sille, pensionaris van Namen (

Beide secretarissen werden tevens benoemd tot secretaris van den Secreten Raad (Conseil Privé).

).

Voor de Hoogduitsche briefwisseling blijkt de regeering van den beginne af den bijstand te hebben gehad van Jan van Langen, sedert eenigen tijd als klerk voor de Hoogduitsche zaken in dienst der Staten-Generaal werkzaam. Bij resolutie der Staten-Generaal van 22 Mei 1578 werd Langen provisioneel bevorderd tot secretaris van den Raad van State. Bij de regeling zijner salariëering stelden de Staten-Generaal op 6 Juni 1578 zijn positie gelijk aan die van den vroegeren staatssecretaris voor de Hoogduitsche zaken Urban Scharenbergher, onder verplichting, dat Langen zoowel Zijne Hoogheid en den Raad van State als de Staten-Generaal zou dienen.

De audiencier en eerste staatssecretaris Pottelsberghe kwam in September 1579 te overlijden. Tot zijn opvolger werd door Zijne Hoogheid benoemd Jan van Asseliers, welke benoeming door de Staten-Generaal bij besluit van 24 October geagreëerd werd. De "premier sécrétaire et audiencier seul signant en nos finances" of, zooals hij ook wel aangeduid wordt, "de audiencier en eerste secretaris van den Raad van State en den Secreten" was volgens zijne commissie belast met de uitvaardiging van alle soorten van: "lettres closes et patentes, actes et autres provisions tant en matière de grace, de justice, de finances que autrement, que lui seront ordonnées et commendées de par Nous et les chiefs, président et gens de nos Conseils d'Etat et Privé et des Finances (

Zie het afschrift der commissie voorin Asseliers' rekening, bewaard op het Rijksarchief te Brussel (Inventaire Chambres des comptes n. 20507); hier geciteerd naar J. C. H. de Pater. De Raad run State nevens Matthias, p. 117.

).

Asseliers' plaats van gewoon secretaris van den Raad van State werd niet vervuld, daar hij tevens als zoodanig werkzaam bleef (

Zie de copie-rekening van Asseliers in het archief Staten-Generaal, lias Loopende 1584?1585, en resolutie Staten-Generaal 18 October 1579.

). Bovendien kreeg Asseliers aanstelling tot "garde des chartres du Conseil d'Etat" (

Zulks blijkt uit resolutie Generale Landraad 24 Augustus 1581 (volgens den verbeterden text van de copie-resolutie in het register, behoorend tot het archief van den Landraad) en uit de aan Asseliers als "garde des chartres" door Anjou verleende commissie (minuut bewaard Staten-Generaal, Loketkas Loopende n°. 38).

)
.

Van tweeërlei ambtelijke administraties zijn papieren, behoorend tot de archieven van Gouverneur-generaal Matthias en diens Raad van State, op het Algemeen Rijksarchief bewaard. Onder de Asseliers-papieren, berustend bij het archief der Staten-Generaal, bevonden zich zeer enkele bescheiden uit het Matthias-tijdperk. Bij de ordening van het Staten-Generaalarchief door den agent De Heyde waren Asseliers-papieren gebruikt voor de vorming der beide liassen Loopende 1582; bij die stukken waren een drietal bescheiden uit de jaren 1578-1580, welke bij de herordening der liassen loopende in het midden der 19de eeuw naar de liassen 1578-1579 en 1580-1581 overgebracht zijn. Een vierde stuk der Asseliers-administratie uit dat tijdperk bevond zich bij de Asseliers-papieren in Loketkas Staten-Generaal Loopende 38.

De papieren der Langen-administratie zijn eveneens terecht gekomen bij het archief der Staten-Generaal. De losse stukken waren door agent De Heyde gebruikt tot vorming der liassen loopende 1578-1579 en 1580-1581; een groot gedeelte ervan is weder daaruit gelicht bij gelegenheid van de herordening der liassen Duitschland in het laatste kwartaal der 19de eeuw; de eruit gelichte stukken zijn door mij beschreven volgens de onderafdeelingen der liassen Duitschland, waartoe zij destijds zijn gebracht.

Merkwaardigheidshalve stippen wij nog aan, dat blijkens de vermelding van een "Registre des résolutions prises par Messeigneurs du Conseil d'Etat lez l'Altèze de Monseigneur l'archiduc d'Austrice" indertijd een resolutieregister ter staatssecretarie gehouden is (

Zie de vermelding van het register in: Rekening van Sille over 1579 Februari?1582 April, berustend in archief Staten-Generaal. Lias Loopende 1584-1585.

).

III. DE KAMER DER BEDEN VAN DE GENERALITEIT (EN TRESORIER-GENERAAL DER OORLOGEN-ONTVANGER-GENERAAL DER BEDEN VAN DE GENERALITEIT) 1576-1581.
INLEIDING.

In den hierna volgenden inventaris zijn bijeengebracht stukken, afkomstig van de administratie van de Kamer der Beden van de Generaliteit, benevens papieren, die naar alle waarschijnlijkheid behoord hebben tot de Tresorie-generaal. Door de wijze, waarop de bescheiden in de Loketkas der Staten-Generaal zijn bewaard, en de omstandigheid, dat beide groepen van papieren op gelijksoortige financiëele zaken betrekking hebben, was het mij niet mogelijk, de stukken zuiver te splitsen volgens de administraties, waarvan zij afkomstig zijn; ik beschreef ze derhalve in één inventaris, waaraan ik ééne inleiding laat voorafgaan.

Wat in de eerste plaats de Kamer der Beden betreft, valt mede te deelen, dat in de Staten-resolutiën van 29 en 30 Januari 1577 melding wordt gemaakt van "Messieurs commis à la Chambre des Aydes", met welke gecommitteerden blijkbaar leden der Staten-Generaal bedoeld zijn; de instelling eener zoodanige Kamer wordt toegelicht door een ongedateerd document, dat het volgende inhoudt: (

Het document berust op het Rijksarchief te Groningen en is afgedrukt bij: Japikse. Resolutiën, Staten-Generaal 1576?1577, p. 155.

)

"Actendu la longheur que se troeuve à l'expédition des affaires des Estatz pour le grand nombre de ceulx qui comparent sans aulcun repartement aux dépesches, semble convenir que de la Généralité seront choisyz eulx que on jugera les plus idoines, affin de les repartir en deux chambres et que en chacune souffira le nombre de sept oultre les greffiers et les recepveurs ou clerqz qui seront requiz.

En l'une desquelles se traicterent les affaires de deniers tant pour les faire venir ens que des moyens pour cela que sur les exécutions et sollicitations qui seront requises.

L'autre pour.........

Par après de chacune desdictes chambres on viendra faire rapport à la générale assemblée pour prendre les advis et déterminations qu'il semblera convenir, l'effectuation ei exécuation desquelles seront sollicitéz respectivement par ceulx desdictes chambres.

Et en chacune de celles là ceulx que les Estatz choisiront, dresseront leurs instructions pour les communicquer au corps général, affin de les arrester."

Van de concipiëering eener instructie, waarvan in dit besluit sprake is, vinden wij opnieuw melding gemaakt in een resolutie van 11 Februari 1577; zij luidt: "Estant leute l'instruction, faicte pour la chambre des Aides, a esté dict: que copies seront faictes, affin de povoir résourdre comme les Estatz trouveront convenir".

De hier vermelde concept-instructie is blijkbaar het document, dat tot opschrift draagt: "Ordonnance et Instruction conceute par les commis au faict des aydes par les Estatz Généraux du Pays Bas assamblez en la ville de Bruxelles sur la conduite desdits aydes et ce qu'en depend, le tont soubz correction de mesditz seigneurs". Een exemplaar van dit concept is bewaard bij de papieren, afkomstig van de Kamer der Beden, terwijl een tweede afschrift wordt aangetroffen in Willem Valerius' Acta Statuum Belgii; door vergelijking tusschen beide afschriften is het mogelijk de fouten, die in elk der twee exemplaren voorkomen, te verbeteren. Aan de eigenlijke instructie voor de Kamer zijn toegevoegd een "Ordre pour le greffier ou secretaire", een "Ordre sur le commis contrerolleur", en een "Ordre du recepveur-général''. Hoewel het exemplaar van de Kamer der Beden door Joseph Saroels (eerst in Maart 1578 tot griffier der Kamer benoemd) gemerkt is: "Première instruction de la Chambre", mogen wij aannemen, dat deze ordonnantie en instructie niet is gearresteerd, althans niet in werking getreden. Dit wijst al dadelijk artikel 1 uit, waarbij een samenstelling ontworpen is in navolging van het College van de Financiën en Domeinen van Zijne Majesteit, volgens welke de Kamer zou bestaan uit hoofden (chefs) en commiezen (commis). Van deze onderscheiding in hoofden en commiezen is later niets te vinden, terwijl in eene resolutie der Staten-Generaal van 26 Maart 1577 het volgende wordt bepaald: Les opinions sur le dressement de la Chambre des Aydes sont faictes et sont trouvés quasy tomber en celle de ceux de Brabant et que cincq commis seront ordonnéz (Brabant, Vlaanderen, Artois, Henegouwen en Holland-Zeeland zouden elk één aanwijzen).

Hoewel eene vaststelling der instructie verder niet in de resolutiën vermeldt wordt, heeft deze vermoedelijk op 15 April plaats gehad, zooals blijkt uit een document, bewaard bij de papieren van de Kamer der Beden, dat tot opschrift draagt: "Extraict hors l'instruction de la Chambre des Aydes datée du XVme d'Avril 1577".

Betreffende de bevoegdheid van de in de Kamer gecommitteerden wordt in de concept-instructie bepaald, dat zij "auront pouvoir de faire venir ens et lever tous les deniers des revenues ordinaires, lesquels par les Estatz sont ou seront accordéz tant en quotes, centiesmes deniers, moyens généraulx que aultres, et les poulront faire distribuer en tous fraiz, despens et charges ordinaires au plus grand bien et prouffit desdits Estatz, et ce sans en debvoir avoir aultre ordonnance desdits Seigneurs des Estatz; mais ne poulront faire entrer au comptoir du Receveur-général aulcuns deniers extra-ordinaires soit par finance ou autrement ou expédier aulcunes ordonnances pour la distribution d'aulcuns deniers aux despens, fraiz ou charges extraordinaires desdits Estatz sans préallable ordonnance diceulx Estatz Généraulx".

De bevoegdheid der Kamer in zake de uitgaven, te bestrijden uit de "Aydes et moyens généraux", vinden wij aangegeven in het door de Kamer op het einde van Juni 1578 voorgestelde plan van vereeniging met het College van de financiën en domeinen van Zijne Majesteit, in welk plan tegenover de uitgaven uit de domeinen (betaling van renten, waarmede de domeinen belast zijn, bekostiging van noodzakelijke reparatiën daaraan, betaling van tractementen van ambtenaren en van pensioenen) voor rekening der beden en gemeene middelen worden gebracht: de betaling van het krijgsvolk en van de schulden, aangegaan sedert de Unie der gewesten, met hetgeen daaraan annex is.

De betalingen, waartoe door de Staten-Generaal ordonnantie was gegeven, moesten, blijkens het voorschrift in de instructie voor de Kamer van 15 April 1577, geregistreerd worden ter Kamer, terwijl van deze registratie aanteekening moest gehouden worden op de ordonnantie. Een resolutie der Staten-Generaal van 4 April 1578 stelt de registreering tot voorwaarde voor de geldigheid der ordonnantiën van betaling: "toutes ordonnances que se despescheront doresnavant par les Estatz Généraulx seront conditionnées de faire enregistrer icelles en la chambre des aydes à péril de nullité". Op de registreering heeft verder o. a. betrekking eene Staten-resolutie van 7 Februari 1579, waarbij aan de gecommitteerden in de Kamer der Beden gelast wordt "d'enregistrer et vérifier toutes les dépeches ou vérification est requise, au préalable et devant qu'icelles dépesches soient signées des secrétaires de la Généralité... et ce pour raisons plus au long reprinses en l'acte exhibé ausdicts commis" (

Bedoelde akte is afgedrukt bij: Japikse. Resolutiën Staten-Generaal 1578?1579, p. 720.

).

De samenstelling der Kamer zou spoedig aanmerkelijk gaan afwijken van het bij resolutie van 26 Maart 1577 bepaalde. Nadat in den loop van het jaar 1577 verschillende malen gedeputeerden ter Staten-Generaal als gecommitteerden tot de Kamer der Beden zijn aangewezen, vinden wij, dat bij resolutie van 23 November 1577 ter voorloopige assistentie van de Kamer benoemd worden drie Brabantsche ambtenaren: Jacques Gramaye, ontvanger der beden, Jean de Pennants, rekenmeester, en Serveels, auditeur bij de Rekenkamer.

In Juli 1578 werd door de Staten-Generaal de wenschelijkheid besproken om de Kamer der Beden te vereenigen met het College van den Financiën en Domeinen des Konings, zulks op voorstel van de Kamer der Beden zelve. Op 27 Juli echter besloten de Staten-Generaal in de Kamer der Beden te benoemen "personnes permanentes des principales provinces" aan wie 2 of 3 der meest ervaren lieden, werkzaam bij de financiën en domeinen des Konings, zouden worden toegevoegd. De benoeming der permanente leden volgt dan op 21 Augustus 1578; zij blijken echter slechts ten deele de betrekking te hebben aanvaard, want op 21 en 23 September wijzen de Staten-Generaal wegens het onvoldoende aantal commis permanens enkele stadspensionarissen ter assisteering aan. In November 1578 komt opnieuw de vereeniging van de Kamer der Beden met het College der Financiën ter sprake; het plan werd evenwel niet uitgevoerd.

In Februari 1579 dringt de gecommitteerde in de Kamer der Beden Henri van Berchem wederom op versterking van het ledental aan; de Kamer blijkt haar functie te zijn blijven vervullen, waartoe Berchem in het jaar 1580 bijgestaan werd door Jacques Reyngout, commies van de Financiën des Konings, en Jacques Gramaye, den ontvanger der beden in Brabant. Toen in het najaar van 1580 de Staten-Generaal naar de Noordelijke Nederlanden trokken, ging de Kamer der Beden niet mede (zie resolutie St.-Gen. 20 October 1580). Wanneer in 1580 de Staten te Amsterdam en te 's Gravenhage vergaderen, blijkt de functie der Kamer wederom te zijn uitgeoefend, doordat de Staten-Generaal nu telkens personen aanwezen voor de verificatie van bescheiden; somtijds werd deze taak opgedragen aan den griffier van de Kamer der Beden alleen. Eene resolutie van 20 Juli 1581 spreekt nog van "le greffier de la Chambre des Aydes Joseph Saroels avec les aultres commis de ladite Chambre". Zoodoende is althans de administratie van de Kamer der Beden blijven bestaan tot de Staten-Generaal begin Augustus 1581 uiteengingen.

In de artikelen 4 en 9 der instructie voor de Kamer der Beden van 15 April 1577 (welke opgenomen zijn in het reeds genoemde extract dezer instructie) is sprake van een "assistent", die voor de Kamer de administratie zal voeren. In den loop van het jaar 1577 vinden wij verschillende malen melding gemaakt van Abraham de Hertoghe als griffier van de Kamer der Beden. Tot het ambt van assistent (onder den titel van griffier) is hij blijkbaar in April 1577 benoemd; daarop althans wijst een resolutie der Staten van 21 April 1577, waarin sprake is van Hertoghe's beëediging. Abraham de Hertoghe zou slechts enkele maanden in functie blijven; bij resolutie van 27 September gelastten de Staten hem "pour venir déservir sa greffe"; begin November vinden wij hem nog werkzaam bij de Kamer, maar uit een Staten-resolutie van 19 November 1577 blijkt, dat hij onder verdenking van fraude gevangen genomen is.

Tot het ambt van griffier van de Kamer der Beden benoemden de Staten-Generaal bij resolutie van 7 Maart 1578 Joseph Saroels, zulks ter belooning van de diensten, die hij aan de Staten-partij bewezen had (

Saroels had o.a. deelgenomen aan de inneming van het kasteel van Antwerpen in Augustus 1577; in het document, gepubliceerd bij: Gachard. Actes des Etats-Généraux I, p. 261, wordt hij genoemd onder de "bons patriotes" te Brussel. Zijne zending door de Brusselsche XVIII naar Gent in December 1577 wordt vermeld bij: De Schrevel. Traité d'Alliance, pg. 9 noot.

).

Onder de papieren, afkomstig van Joseph Saroels, die terecht zijn gekomen in de Loketkas der Staten-Generaal, bevinden zich ook verschillende stukken, beboerende tot de administratie van de Kamer der Beden van de Generaliteit uit de jaren 1577-1581. Onder deze worden enkele stukken aangetroffen uit het tijdperk van Hertoghe's griffierschap; het ligt voor de hand aan te nemen, dat deze destijds ter griffie van de Kamer zijn gebleven, en bovendien wijst daarop de resolutie der Staten-Generaal van 5 Februari 1578, waarbij aan de Kamer der Beden gelast wordt met haar papieren die van Abraham de Hertoghe mede naar Antwerpen te nemen en alles goed te bewaren. (

Papieren van Abraham de Hertoghe, in 1583 onder bewaring van de Kamer der Beden, worden vermeld in de resolutie der Staten-Generaal van 17 Mei 1583, bij welke aan de Kamer der Beden werd opgedragen aan den griffier van Brabant over te geven de stukken rakende de administratie, die Abraham de Hertoghe "tandere tyden" gehad heeft over de Staten-penningen.

)

De Saroels-papieren uit deze periode zijn hoofdzakelijk opgeborgen in Loketkas Loopende 52. Buitendien worden in de Loketkas nog verschillende bescheiden betreffende financiëele aangelegenheden uit de jaren 1576-1578 aangetroffen, welker herkomst ik niet met voldoende zekerheid heb kunnen bepalen. Aan drieërlei administraties viel hierbij te denken: tresorie-generaal, griffie van de Staten-Generaal, griffie van de Kamer der Beden. Voor de bescheiden, geborgen in Loketkas Loopende 13 en 22 (welke op den inventaris van het Staten-Generaal-archief van 1635 genoemd worden) heb ik gemeend te moeten op toeren voor de tresorie-generaal; in verband met deze keuze achtte ik het waarschijnlijk, dat ook de stukken onder nummer Loketkas Loopende 25 (die evenwel eerst worden aangetroffen op den inventaris door De Heyde van 1656) afkomstig zijn van de tresorie-generaal.

Voorzichtigheidshalve heb ik nu al de stukken onder n°. 25 beschouwd als van ééne administratie afkomstig te zijn, al blijft het zeer goed mogelijk, dat De Heyde het nummer uit ingrediënten van verschillende herkomst heeft samengesteld. In aansluiting aan de Loketkas-stukken heb ik dan verder gemeend, de hierachter onder nummers 16-40 beschreven bescheiden tot de papieren der Tresorie-generaal te mogen brengen.

Over de wijze, waarop de tresorie-papieren bij het Staten-archief zijn terechtgekomen, valt evenmin zekerheid te geven; wellicht hebben zij eerst onder Saroels berust en zijn zij met diens bescheiden bij het Staten-archief gedeponeerd.

In den aanvang hebben de Staten-Generaal voor het doen van uitbetalingen gebruik gemaakt van de diensten van Ontvangers van Beden in de quartieren van Brabant, en voornamelijk van die van Thierry van der Beken, ontvanger in het kwartier van Brussel. Bij resolutie der Staten-Generaal van 12 December 1576 kreeg Van der Beken eene benoeming tot "tresorier des guerres pour tous les Pays-Bas". Nog in de resolutiën van dezelfde maand vinden wij hem als zoodanig aangeduid met den titel "recepveur- et tresorier-général". Voor het opschrift heb ik nu den titel gekozen van "Tresorier-generaal van de Oorlogen-Ontvanger-generaal van de Beden der Generaliteit", om de betrekking te onderscheiden van de ambten van "tresorier des Guerres de Sa Majesté" en "recepveur-général des finances", als hoedanig de bij de Financiën en Domeinen van Zijne Majesteit werkzame ambtenaren betiteld waren.

Aan de concept-instructie voor de Kamer der Beden, waarvan hiervoren gesproken is, was ook eene "ordre" voor den receveur-général toegevoegd. Blijkens deze bepalingen was aan den ontvanger-generaal opgedragen de administratie van alle "receptes et mises que de la part des Estatz Généraulx et particuliere ou chascung deulx se feront".

Bij resolutie der Staten-Generaal van 27 Augustus 1578 werd besloten Thierry van der Beken te continueeren in zijn positie van tresorier-général des guerres, maar hem te ontheffen van zijn werkzaamheid van receveur-général des aides, tot welk ambt denzelfden dag Matthias Laurin werd benoemd. Uit een resolutie der Staten-Generaal van 26 September 1578 blijkt, dat Van der Beken als ontvanger eerst in October door Laurin vervangen stond te worden.

Over de stukken uit de jaren 1576-1578, berustende bij het archief der Staten-Generaal en waarschijnlijk afkomstig van Thierry van der Beken, is hierboven reeds gesproken: ik heb daar geopperd, dat zij wellicht met de Saroels-papieren bij het Staten-archief zijn terecht gekomen.

IV. DE GEDEPUTEERDEN EN HET COLLEGE DER NADER GEÜNIËERDE PROVINCIËN. 1578-1581.
INLEIDING.

De stukken, in den hierna volgenden inventaris beschreven, zijn de op het Algemeen Rijksarchief berustende bescheiden, behoorend tot de archieven van de beide bestuurslichamen der Nader Geüniëerde Provinciën. Behalve bescheiden der regeeringsarchieven in eigenlijken zin bevat deze inventaris ook enkele voorafgaande stukken, afkomstig van de Gedeputeerden van de provinciën, gecommitteerd tot de onderhandeling over het sluiten eener nadere Unie, die te Utrecht einde November-begin December 1578 in vergadering bijeen waren.

Het tractaat der Nadere Unie, op 23 Januari 1579 te Utrecht gesloten, geeft in de artikelen 19-21 voorschriften, op welke wijze beslist zal moeten worden over opkomende en voorvallende zaken, waaraan het gemeene wel of kwalijk varen van de Nader Geüniëerde Landen en Bondgenooten gelegen is. De te Utrecht vergaderd zijnde Gedeputeerden der Nader Geüniëerde Provinciën bleven aldaar bijeen voor de uitoefening van het bestuur. Een overzicht van dit bestuur is te vinden in het boek van dr. P. L. Muller. Geschiedenis der Regeering in de Nader Geüniëerde Provinciën tot aan de komst van Leycester 1579-1585.

Blijkens het resolutieregister werd reeds in April 1579 ter aanduiding van de vergaderende Gedeputeerden de term "College" gebruikt.

Op 18 Mei 1579 besloot het College van Gedeputeerden, dat gedurende de afwezigheid van de gecommitteerden, die zich naar de landdagen in Friesland, Overijsel en Gelderland begaven, de overigen, die te Utrecht bleven, bevoegd zouden zijn alle aan het College geadresseerde brieven te openen en ook te beantwoorden, tenzij de zaken van zoodanig gewicht waren, dat daarop door het voltallig College beschikt diende te worden.

Nadat in den zomer van 1579 wederom eene vergadering van Gedeputeerden bijeen was gekomen, besloten deze een permanent bestuurscollege in te stellen, waartoe op 19 Augustus 1579 eene instructie werd gearresteerd. Deze instructie is - naar eene gewaarmerkte copie, bewaard ter griffie der Staten van Zeeland - uitgegeven door Van de Spiegel. Bundel van Onuitgegeven Stukken II p. 221. Aan het College kwam de volkomen macht om de zaken van de verbonden provinciën en steden in het gemeen te beleiden vermogens de Unie. Het stuk bevat verder bepalingen betreffende de samenstelling van het College en geeft tevens een reglement van orde. (Muller o. c. p. 83). Het gezag van het College nam een einde door het optreden van den Landraad beoosten Maze op het einde van Juli 1581; blijkbaar was het College reeds eenigen tijd voordien met zijn werkzaamheid opgehouden (zie Muller o. c. p. 143).

Na de instelling van het College der Nadere Unie in Augustus 1579 zijn de Gedeputeerden der Nader Geüniëerde Provinciën nog herhaaldelijk in vergadering bijeengekomen; Muller's aangehaald werk bevat daarover vele gegevens (zie bijv. p. 102, 126, 141).

Bij de onderhandelingen over de te sluiten Unie had als secretaris gefungeerd de secretaris der Staten van Utrecht Lamsweerde; deze bleef ook na het tot stand komen van de Unie den Gedeputeerden nog eenigen tijd (althans tot midden Februari) bijstaan (

Zie den brief van 13 Februari 1579, gedrukt bij: Stukken voor de Vaderl. Historie. Verzameling mr. G. van Hasselt, IV, p. 3.

). Aan het opmaken van het tractaat van 23 Januari heeft, blijkens het handschrift van de onderteekeningsformule voor de ridderschap van Gelderland en voor de Ommelanden, ook medegewerkt Ghijsbrecht van Zuylen, dien wij sindsdien als secretaris van de regeering der Nader Geüniëerde Provinciën aantreffen.

Van een reglement, voor secretarissen, deurwaarders en klerken geconcipiëerd, wordt melding gemaakt in de resolutie van Gedeputeerden dd. 14 April 1579. In het resolutieregister staat op 4 Mei 1579 aangeteekend, dat mr. Willem van Radelandt als "eerste secretaris der Bondgenooten" was aangenomen; den volgenden dag legde Radelandt als "eerste secretaris van 't Collegium" den eed af. Dienzelfden dag werd als klerk Cornelis van Muyden beëedigd. In Mei 1580 werd het aantal secretarissen door de benoeming van Johan Strick tot drie vermeerderd (Muller o. c. p. 118).

Van de bescheiden, behoorend tot de archieven van de regeering der Nader Geüniëerde Provinciën, zijn slechts enkele documenten tot ons gekomen. De gewichtigste ervan zijn in het jaar 1752 te 's Gravenhage te voorschijn gebracht bij het onderzoek van de ter secretarie van den Raad van State bewaarde archieven door den klerk A. Bogaers; eene verklaring dienaangaande, door den secretaris van den Raad van State J. Hop geteekend, werd destijds bij de gevonden stukken gevoegd. Bij de documenten bevond zich een lijst der stukken in het handschrift van Maurits Huygens, secretaris van den Raad van State 1624-1642; de bundel bevatte het provisioneel tractaat van 6 December 1578 en het tractaat der Nadere Unie van 23 Januari 1579 met de akten van accessie, te Utrecht geteekend, benevens enkele andere bescheiden betreffende de Unie (

Zie de aanteekeningen daarover, geschreven door A. Bogaers, welke zich bevinden bij de stukken, als aanwinst 1891 n°. 8d, voor het Algemeen Rijksarchief verworven. (Geschenk Wiggers van Kerchem.) Zie eveneens de mededeelingen, door den Bibliothecaris der Koninklijke Bibliotheek gesteld op de lijst der stukken, in 1800 gevoegd bij de Uniedocumenten (Algemeen Rijksarchief, Inventaris Bruine, Kastje Holland n°. 28). Vergelijk: P. Paulus, Verklaring der Unie van Utrecht, IV, p. 17.

).

Hoe zijn nu de oorspronkelijk te Utrecht bewaarde stukken in 's Gravenhage terecht gekomen? (

Eene briefwisseling, in den aanvang van Augustus 1580 gevoerd, wijst uit, dat het College destijds de origineele stukken en registers uit Utrecht medegenomen had naar Kampen; bij zijn terugkeer naar Utrecht op het einde der maand bracht het College, ingevolge last van Gedeputeerden, de papieren mede (Muller o. c. p. 125; brief van 3 Augustus 1580 in den hierna volgenden inventaris).

)Van de regeering der Nadere Unie zijn zij overgegaan aan den Landraad beoosten Maze, gelijk o. a. blijkt uit een in 1584 vervaardigd afschrift der akte nopens het furneeren der consenten van 13 Juli 1579, dat gewaarmerkt is door G. van Zuylen als secretaris van den Landraad beoosten Maze (

Het afschrift in archief Staten-Generaal, Loketkas Loopende 282.

)
.

Op de bewaring der bescheiden van de Nadere Unie heeft vervolgens betrekking de aanstelling in Februari 1585 door de Staten-Generaal van Gecommitteerden tot vereffening van de zaken van den Landraad beoosten Maze; deze Gecommitteerden, te Utrecht woonachtig, kregen machtiging om de archiefstukken van den Landraad en die van de Nadere Unie over te nemen (

Zie hunne instructie in Depechenboek der Staten-Generaal 1585, fol. 63.

).

Verder blijkt, dat in Maart 1591 de Staten-Generaal de overbrenging der stukken, onder de gecommitteerden van den Landraad aan de Oostzijde der Maze berustend, van Utrecht naar den Haag gelastten; op 21 Maart gaven zij daartoe opdracht aan Gijsbrecht van Zuylen, secretaris van den Raad van State, en mr. Dirck van der Does, commies ter tresorie. De commissie geeft aan, dat de stukken naar Den Haag moesten worden overgebracht ter gedestineerder plaatse; vermoedelijk hebben nu de beide ambtenaren de overgenomen stukken gedeponeerd bij den Raad van State en zijn zoodoende ook de enkele stukken van de Nadere Unie bij dit archief terecht gekomen.

Bij resolutie van 28 Augustus 1777 besloot de Raad van State het provisioneel tractaat, het tractaat der Unie met de akten van accessie en de akte van submissie van Juli 1579 te doen drukken; de uitgave, bij welke de onderteekeningen in fac-simile zouden worden uitgevoerd, werd opgedragen aan de drukkerij Johannes Enschedé en Zoonen te Haarlem, die in 1778 er mede gereed kwam.

Het tractaat der Unie met het provisioneel tractaat en de andere erbij behoorende stukken benevens een exemplaar van de uitgave werden, krachtens decreet van het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek dd. 28 Maart 1800, bij brief van 26 Mei 1800 toegezonden aan de Nationale Bibliotheek; verpakt in een blikken doos werden zij, met een lijst der stukken, aldaar geborgen in het "bruine" eikenhouten kastje der Staten van Holland. Uit de Koninklijke Bibliotheek zijn de documenten, ingevolge beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 25 December 1835, naar het Rijksarchief overgebracht; dienaangaande lezen wij in Bakhuizen van den Brink 's Overzigt van het Nederlandsche Rijksarchief p. 55, dat het bruine kastje met inhoud reeds in 1832 was overgebracht, maar dat de hoogbejaarde directeur der Koninklijke Bibliotheek de Unie van Utrecht met daarbij behoorende stukken tot zijn dood toe onder zijn bewaring had wenschen te behouden.

De documenten der Unie zijn ook thans nog op het Algemeen Rijksarchief geborgen in het genoemde Bruine kastje, onder nummer 28.

Behalve de stukken, eertijds bewaard bij den Raad van State, zijn nog enkele bescheiden, behoorend tot de regeeringsarchieven der Nader Geüniëerde Provinciën, tot ons gekomen. Eene rekening is terechtgekomen bij het archief der Staten-Generaal in de Loketkas afdeeling Rekeningen; een paar andere bescheiden zijn, gelijk uit den hierna volgenden inventaris blijkt, hoofdzakelijk te Utrecht aangetroffen.

In verband met den inventaris is het noodig hier een drietal bescheiden ter sprake te brengen, berustend op het Algemeen Rijksarchief, welke ik niet onder de beschrijving der Regeeringsarchieven heb opgenomen. Het eerste dezer stukken is eene akte van commissie, door de Gedeputeerden van de Nader Geuniëerde Provinciën gegeven aan Franchoys Balochi tot inbeslagneming van alle onbehoorlijk gemunte gouden en zilveren penningen, 1581 Februari 28; deze perkamenten brief werd ter secretarie van den Raad van State bewaard bij de stukken der Unie van Utrecht (

Het stuk wordt vermeld in den Inventaris Raad van State, aangevangen onder secretaris Hop, fol. 3.

). Toen de Unie met bijbehoorende stukken in het jaar 1800 door den secretaris van het Uitvoerend Bewind aan de Nationale Bibliotheek werd overgedragen, zonderde men de akte van commissie op Balochi, als niet tot de Unie behoorend, van de overdracht uit en het stuk werd, blijkens het geneim verbaal van het Uitvoerend Bewind dd. 26 Mei 1800, als secretissimum n°. 28 onder de relatieven tot dit verbaal gedeponeerd. Met de overbrenging van het archief van het Uitvoerend Bewind naar het Rijksarchief kwam echter ook de akte van Balochi naar deze instelling mode; zij werd hier later uit het verbaal gelicht en eveneens geborgen in het Bruine kastje, onder nummer 88 (

Daauit is het document sindsdien zoekgeraakt, zooals geconstateerd werd bij eene inspectie op 8 Maart 1905, waarvan aanteekening is gehouden in den inventaris van het Bruine kastje. De inhoud van de acte is evenwel bekend door het afschrift, dat mr. Pieter Bondam er indertijd van genomen heeft en dat bij diens papieren thans op het Algemeen Rijksarchief berust. (Jaarrerslag Algemeen Rijksarchief over 1917, Bijlage II, n°. 11.)

)
.

Voorts kwam het Rijksarchief ten jare 1860 op de auctie der collectie J. J. van Voorst in het bezit van enkele stukken betreffende de Nader Geüniëerde Provinciën, die op last van den Rijksarchivaris Bakhuizen van den Brink bij de Uniestukken in de blikken doos werden gevoegd. Een dezer stukken bleek tot de regeeringsarchieven te behooren (zie hierachter inventaris n°. 9).

De beide andere bescheiden waren: Ordonnantie en bestelbrief, vastgesteld door de Nader Geüniëerde Provinciën, te bezworen en achtervolgen door de bevelhebbers en krijgslieden van de in dienst te houden vendelen voetknechten, 1579 Februari 28; gewaarmerkt door G. van Zuylen en gecacheteerd met het zegel der Nader Geüniëerde Provinciën.

Ordonnantie van den oorlog, beroerende de oversten, kapiteinen en bevelhebers over het krijgsvolk te voet, wezend in dienst van de Nader Geüniëerde Provinciën 1579 Februari 28, gewaarmerkt door G. van Zuylen (het zegel verloren).

De twee stukken waren respectievelijk gepagineerd 14-22 en 23-31 in een handschrift, hetwelk herkenbaar was als dat van mr. L. P. van de Spiegel. Bij raadpleging van diens lijst, gepubliceerd bij zijne uitgave Ontwerpen van de Unie van Utrecht, bleek mij, dat Van de Spiegel inderdaad de bescheiden bezeten had. Betreffende de archief-herkomst der bescheiden kwam ik verder tot de conclusie, dat zij afkomstig waren uit het archief der Staten van Holland. Dit viel reeds te vermoeden, omdat deze herkomst stellig gebleken was voor andere, tot de collectie Van Voorst beboerende documenten uit dit tijdperk. Ten aanzien van eene der ordonnantiën van 28 Februari 1579 verwees in de eerste plaats eene dorsale aanteekening in tweeërlei oud handschrift: "Artikelbrief van de voetknechten - onder Hollant" naar dit gewest. Bij dit gegeven kwam een tweede aanwijzing. De stukken waren oudtijds in dorso gemerkt onderscheidenlijk F en G. Bij een onderzoek in het archief der Stalen van Holland vond ik (in portefeuille 2581) eene origineele ordonnantie van den oorlog beroerende de oversten, kapiteinen en bevelhebbers over het krijgsvolk te voet, wezend in dienst van den Prins van Oranje en de Staten van Holland en Zeeland 1578 Januari 23, welk stuk oudtijds in dorso gemerkt was E. Na deze vondst meende ik tot de herkomst der F en G gemerkte ordonnantiën uit het Hollandsche Staten-archief te mogen concludeeren.

Ten slotte moge hier nog eene aanteekening plaats vinden betreffende verschillende op het Algemeen Rijksarchief berustende copieen van het exemplaar der in Zeeland bewaarde resolutiën van de Gedeputeerden der Nader Geüniëerde Provinciën over het tijdperk 1579 Januari 30-Juli 30. Het meest authentieke karakter bezit het afschrift in de collectie mr. H. van Wijn (aanwinsten Rijksarchief 1833), hetwelk in het jaar 1805 door den secretaris der Staten van Zeeland gewaarmerkt is. Een fragmentarisch afschrift, door Van Wijn zelf vervaardigd, wordt bewaard in het Bruine kastje onder n°. 29.

Bij het archief der Staten-Generaal is geplaatst een afschrift, dat in 1866 van de Koninklijke Bibliotheek werd overgenomen. (Inv. Staten-Generaal 8383).

Nog bezit het Algemeen Rijksarchief twee afschriften, geschreven op dezelfde papiersoort en gebonden in gelijk gestempelde banden; het eene exemplaar wordt bewaard in het Bruine kastje bij de Unie van Utrecht, alwaar het in 1853 op aanwijzing van den Rijksarchivaris Bakhuizen van den Brink geplaatst is; het tweede exemplaar, dat zeer geschonden is, daar het gedeelte over het tijdperk Januari tot Juli 24 er uit is gescheurd, maakt deel uit van de collectie Van de Spiegel, in 1895 door het Rijksarchief verworven.

V. DE GENERALE LANDRAAD 1581 AUGUSTUS-1582 FEBRUARI.
FRANÇOIS, HERTOG VAN ANJOU, EN DE RAAD VAN STATE NEVENS ZIJNE HOOGHEID. 1582 FEBRUARI-1583 FEBRUARI.
INLEIDING.

Nog in hetzelfde jaar 1579, waarin door de oprichting van het College der Nadere Unie in de Vereenigde Nederlanden een lichaam was opgetreden, dat, onafhankelijk van het gouvernement van Aartshertog Matthias, in de Nader Geüniëerde Provinciën het bestuur voerde, bracht de prins van Oranje bij de Staten-Generaal de wenschelijkheid ter sprake een nieuw regeeringscollege voor de Vereenigde Nederlanden in te stellen. Het concept, op 8 December 1579 ingediend, hield in de oprichting van een Generalen Landraad van alle Geüniëerde Provinciën, die zoude staan onder zoodanig hoofd (of hoofden) en overigheid, als de voornoemde landen zouden willen kiezen, en die met de overigheid volkomen geäutoriseerd zoude zijn alle voorvallende zaken te administreeren. Op 18 December gaven de Staten hunne goedkeuring aan het "project pour l'etablissement du Conseil Provincal et Souverain" en bij resolutie van 24 en 27 December werd de concept-instructie gearresteerd voor een Raad, die zoude staan onder de Hooge Overigheid, bij de landen te kiezen, met bepaling, dat deze ontwerp-instructie aan de provinciën zou worden medegedeeld. (

Zie deze ontwerp-instructie in: Tweede Depechenboek Staten-Generaal, fol. 84. Gedrukt: Groot Placaet- en Charterboek van Vriesland, IV, 110.

)

De instelling van een Generalen Landraad van alle Geüniëerde Provinciën kwam bij de Staten-Generaal opnieuw in behandeling in Juni 1580; volgens den text, op 9 Juni te Antwerpen vastgesteld, is in artikel 2 sprake van een Raad, staande nevens de Hooge Overigheid, bij de landen te kiezen. (

Derde Depechenboek (St.-Gen. 3774), fol. 27. In het copie-depechenboek (St.-Gen. 3773), fol. 73, is de text in den aanvang van artikel 2 corrupt; naar dit copie-depechenboek is de instructie afgedrukt bij: Japikse. Resolutiën der Staten-Generaal 1580?1582, p. 141.

)Nadat de ontworpen instructie wederom was gelezen in de vergadering van 1 October 1580, namen de Staten-Generaal einde December van dat jaar op hunne vergadering binnen Delft nogmaals de instelling van den Landraad ter hand. Tevens werden toen de volmachten geteekend, om het accoord te beëedigen, op 19 September 1580 gesloten met den Hertog van Anjou, waarbij, de Staten dezen tot hun "prince et seigneur'' aannamen; artikel 9 van dit accoord bevatte een bepaling over den Conseil d'Etat.

Het eerst kwamen de Staten-Generaal gereed met de arresteering der particuliere instructie voor de Gecommitteerden uit den Landraad tot de directie der zaken aan die zijde van de Maze en Schelde, waar de Generale Landraad niet aanwezig was. Op 13 Januari 1581 volgde de vaststelling der instructie voor den Generalen Landraad van alle Geüniëerde Provinciën. (

De instructie is te vinden in het Derde Depechenboek der Staten-Generaal, fol. 63, en in het Resolutieregister van den Generalen Landraad. Gedrukt bij: Bor. Historie der Nederlandsche Oorlogen, II, p. 241.

)

Krachtens artikel 2 zouden de Raden staan nevens de Hooge Overigheid, door de landen te kiezen en te stellen, en met de Overigheid volkomen geautoriseerd zijn, om te adviseeren, delibereeren, resolveeren, executeeren en generalijk te administreeren alle voorvallende zaken, concerneerende de landen en het welvaren van deze.

Ter vergadering der Staten-Generaal te Amsterdam approbeerden op 27 Mei 1581 de Gedeputeerden van Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Utrecht, Mechelen, Friesland en de Ommelanden de instructie op 13 Januari te Delft gearresteerd, behoudens reserves door Gelderland en Utrecht gemaakt. Door deze gewesten en door Overijsel werden in Juni de laatste resoluties op de instelling van den Landraad ingeleverd (zie Resolutie St.-Gen. 7, 12 en 17 Juni).

De Staten-Generaal hadden intusschen, nadat Gouverneur-Generaal Matthias verklaard had afstand te doen van de regeering, het gouvernement der Vereenigde Nederlanden aan zich genomen. Daarop dienden ook de leden van den Raad van State hun ontslag in.

Op 22 Juli viel te 's Gravenhage het besluit der Staten-Generaal op de verlating van den Koning van Spanje en bij resolutie van dienzelfden dag droegen de Staten zorg, dat wanneer hunne vergadering uiteen zou zijn gegaan, een lichaam het gouvernement zou kunnen overnemen. Aangezien toen de Generale Landraad nog niet geformeerd kon worden wegens de afwezigheid der door de provinciën aangewezen leden, bepaalden de Staten-Generaal, dat door elke provincie alsnog te 's Gravenhage personen zouden worden benoemd, om bij den Prins van Oranje te blijven en met dezen het gezag van den Landraad uit te oefenen, totdat de in den Landraad benoemden aangekomen zouden zijn. Den tweeden Augustus ging daarop de vergadering der Staten-Generaal te 's Gravenhage uiteen.

De volgens het besluit der Staten-Generaal van 22 Juli voorloopig samengestelde Generale Landraad ving zijn vergaderingen aan te Gent op 14 Augustus 1581.

Bij resolutie van 22 Juli 1581 hadden de Staten-Generaal bepaald, dat bij stukken, tot dan toe uitgaande op naam van den Koning, voortaan tot de komst van den Hertog van Anjou gebruikt zou worden de naam van "Hoofd en Landraad". De Generale Landraad stelde op 17 Augustus vast, dat de uitgaande brieven onderteekend zouden worden "Ter ordonnantie van de Hooge Overigheid en Raden nevens Haar wezend", terwijl in het bovenschrift de term "Hooge Overigheid" zou vervallen. Dit besluit werd reeds gewijzigd op 21 Augustus toen de Landraad deze fransche en nederlandsche formule vaststelde: Ceux du Conseil d'Etat ordonné par les Etats-Généraux. A l'ordonnance du dit Conseil. Die van den Landraad, geordonneerd bij de Staten-Generaal. Ter ordonnantie van denzelven Landraad.

Geregeld bleef het college te Gent vergaderen tot 23 December 1581, behalve in de week van 9-16 October, toen de Landraad in Brugge vertoefde. (

Het college nam daarheen zijn archief mede. Zie resol. Gen. Landraad 4 October 1581, waarbij Houfflin gelast wordt de "papiers et lettriages de la Généralité" naar Brugge te transporteeren.

)Op het einde van het jaar begaf de Landraad zich naar Antwerpen om aldaar 2 Januari 1582 zijn vergaderingen te beginnen en deze voort te zetten tot 16 Februari 1582. (

Zie betreffende de handelingen van den Generalen Landraad : dr. J. C. H. de Pater, De Landraad bewesten Maze tot de komst van Anjou (Bijdr. voor Vaderl. Geschiedenis, B.V. dl. 8 en 9).

)

Bij het tractaat, gesloten door de gemachtigden der Staten-Generaal met den Hertog van Anjou te Plessis-lez-Tours 19 September 1580 en geagreëerd te Bordeaux op 23 Januari 1581, waren de voorwaarden vastgesteld, op welke Zijne Hoogheid tot "prince et seigneur" der Nederlanden verkoren werd.

Op 19 Februari 1582 had te Antwerpen de beëediging en huldiging van Anjou als Hertog van Brabant plaats en op 23 Februari verscheen de Hertog voor de eerste maal in de vergadering van den Landraad (Conseil d'Etat). Den dag daarop heeft de nieuwe vorst reeds regeeringshandelingen verricht daar, blijkens het resolutieregister, enkele benoemingen door hem werden gedaan. Het zou nog tot 27 Maart duren voor Anjou als "seigneur et prince des Provinces Unies" aan de Staten-Generaal den eed aflegde. Zoowel door het expireeren van den termijn, waarvoor de leden van den Generalen Landraad waren benoemd, als door de regeerings-aanvaarding van Anjou had het gezag van dit college een einde genomen. De Staten-Generaal bepaalden dientengevolge bij resolutie van 25 Februari, dat de zittende leden van den Conseil d'Etat benevens enkele andere personen, daartoe door de Staten aan te wijzen, provisioneel als Conseil d'Etat van Zijne Hoogheid zouden besoigneeren volgens de bestaande instructie, totdat de leden van den Conseil d'Etat door de provinciën benoemd zouden zijn. Op 28 Maart besloten de Staten-Generaal de leden van den Raad van State nevens Zijne Hoogheid wederom provisioneel te continueeren.

De regeering van Anjou nam een einde door het zich terugtrekken van den Hertog na den mislukten aanslag op Antwerpen den 17den Januari 1583. Ter voorziening in het bestuur besloten de Staten-Generaal op 1 Februari 1583 Zijne Excellentie den Prins van Oranje en den Raad van State aan beide zijden van de Maze te autoriseeren om te besoigneeren op alle voorvallende zaken uit den naam van de Generaliteit volgens de instructie, voor den Landraad op 13 Januari 1581 te Delft gearresteerd. De leden van den Raad van State verzochten echter op 4 Februari aan de Staten-Generaal van hun ambt geëxcuseerd te zijn; dit verzoek werd op 8 Februari schriftelijk bevestigd, waarna de werkzaamheid van den Raad een einde blijkt te hebben genomen.

De Generale Landraad, te Gent medio Augustus 1581 vergaderd, heeft den bijstand gehad van verschillende ambtenaren.

In de eerste plaats van den audiencier en eersten staatssecretaris Asseliers, die laatstelijk de Staten-Generaal gediend had en zijn officie bij den Generalen Landraad voortzette. Op 24 Augustus werd de akte ter continueering van den audiencier geteekend. Denzelfden dag werd hem door den Generalen Landraad acte van continuatie als "garde des chartres du Conseil d'Etat" geaccordeerd (

Zie de resolutie in de copie-resolutiën van den Generalen Landraad (aanwinst 1864 III), die de verbeterde en juiste benaming geeft, terwijl de resolutie in de origineele resolutiën (geschreven in het Register van resolutiën der Staten-Generaal) foutief vermeldt: "du Conseil Privé".

). Ter aanduiding van Asseliers als audiencier vinden wij de betiteling gebruikt van "premier secrétaire et audiencier de Messeigneurs les Estatz-Généraux et du Conseil d'Etat par eulx establi".

De instructie voor den Generalen Landraad gaf in artikel 17 aan den Raad en de Overigheid de bevoegdheid om secretarissen en andere officieren te kiezen, met de bijvoeging, dat deze uit de Geüniëerde Provinciën moesten zijn. Als gewone secretarissen zijn in dienst van den Generalen Landraad werkzaam geweest Asseliers, Houfflin en Sille.

Dat de audiencier Asseliers evenals destijds bij den Raad van State ook bij den Generalen Landraad als gewoon secretaris heeft gediend, blijkt uit het feit, dat hij mede het resolutie-register heeft gehouden en gewone depechen heeft gesteld (

Zie ook de resolutie van den Generalen Landraad van 9 Januari 1582 op een rekwest van Asseliers en Sille, "secretaires d'Etat", benevens resolutie van 23 Januari 1582.

).

Houfflin, de secretaris der Staten-Generaal, was de tweede ambtenaar, die bij den Generalen Landraad in dienst trad. Op 26 Augustus 1581 gaf het college hem akte van continuatie in zijn ambt van secretaris en tevens de bevoegdheid om in den Generalen Landraad provisioneel voort te zetten de uitoefening van dit ambt, gelijk hij in de vergadering der Staten-Generaal tot nog toe gedaan had (

Zie het resolutieregister van den Generalen Landraad (aanwinst 1864 III).

).

Als derde secretaris vervoegde zich op 23 September 1581 bij den Generalen Landraad Sille, die dienzelfden dag akte van continuatie in zijn ambt van staatssecretaris kreeg.

Behalve deze gewone secretarissen heeft ook de secretaris voor de Hoogduitsche briefwisseling Langen bij den Generalen Landraad gewerkt (zie resolutiën van 3 October en 23 November 1581).

Nadat einde Januari 1582 de Staten-Generaal wederom te Antwerpen in vergadering bijeen waren gekomen, heeft Houfflin zijn secretariaat bij dit lichaam hervat en heeft hij blijkbaar zijn werkzaamheid voor den Generalen Landraad gestaakt; in het resolutie-register van dit college komt althans sindsdien geene notuleering van zijne hand meer voor.

Na de regeeringsaanvaarding van den Hertog van Anjou (waarmede samenging eene wijziging van den Generalen Landraad in een Raad van State nevens Zijne Hoogheid) bleef Asseliers werkzaam als audiencier van den vorst, bij wien de hooge overigheid berustte, en tevens als gewoon staatssecretaris van Zijne Hoogheid en diens Raad van State (

Vergelijk over zijne herbenoeming het minuut-rekwest van Asseliers bij zijne papieren van Maart 1582, in St.-G. Loketkas Loopende 38.

). Bovendien werd Asseliers gecontinueerd als "garde des chartres"; als zoodanig wordt hij vermeld in een resolutie van den Raad van State van 1 Maart 1582, terwijl hij in de nieuwe commissie daartoe aangeduid wordt als "trésorier et garde des chartres et lettriages de notre court concernant les affaires d'Etats" (

Minuut-commissie van 3 September 1582 in St.-Gen. Loketkas Loopende 38.

)
.

Anjou had voor zijne administratie verder in dienst de secretarissen Mathurin Charretier en Le Pin.

Als gewoon staatssecretaris bleef ook Sille werkzaam, als secretaris voor de Hoogduitsche briefwisseling Langen.

Eveneens ging secretaris Houfflin weder naar den Raad van State over, nadat hem de Staten-Generaal bij besluit van 4 Mei 1582 hadden vergund het secretariaat bij dezen Raad uit te oefenen, bij welke gelegenheid zij hem tevens als hun secretaris ontslag gaven. Op 1 Juni 1582 legde Houfflin den eed als "secrétaire d'Etat" af (

Zie resolutieregister Raad van State in dato.

).

Nadat Anjou zich in Januari 1583 teruggetrokken had tengevolge van den mislukten aanslag op Antwerpen en de leden van den Raad van State op 8 Februari 1583 zich van de voortzetting hunner functie hadden geëxcuseerd, eindigde ook de werkzaamheid der ambtenaren.

Van de klerken, die in het tijdperk 1581 Augustus-1583 Februari onder den audiencier en de secretarissen gewerkt hebben, mogen hier enkele genoemd worden. Als "eerste klerk" was aan de audience verbonden Michiel Wouters (

Resolutie Generale Landraad 25 September 1581.

). Op 23 Mei 1582 kreeg Wouters "clercq tenant le compte de l'audiencier" eene aanstelling tot tweeden griffier van het College van de Financiën en Domeinen (waarvan Jehan Espallart griffier was) (

Minuut-commissie in St.-Gen. Loketkas Loopende 38. Stukken geschreven en onderteekend door Wouters bevinden zich bij de Reyngout-papieren in de Loketkas der Staten van Holland (archief Staten van Holland 2581, 2615).

)
. Verder noemen wij den klerk Lucas Durlay, die na het zich terugtrekken van den Hertog van Anjou diens cachet onder zich had gehouden (

Copie-resolutieregister Raad van State 30 October 1585 (Rijksarchief in Noord-Brabant), alwaar mededeeling van Sille dienaangaande.

)
.

Vroeger bij de Staten-Generaal werkzaam geweest zijnde klerken, die blijkbaar met Houfflin overgingen en voor den Generalen Landraad gewerkt hebben, waren Bayaert en Meganck, wier handschrift o. a. in het resolutieregister wordt gevonden.

Toen de secretaris der Staten-Generaal Houfflin medio Augustus 1581 te Gent een aanvang maakte met het notuleeren voor den Generalen Landraad, gebruikte hij daartoe het resolutieregister der Staten-Generaal. De Generale Landraad keurde dit echter niet goed, gelastte althans bij resolutie van 26 Augustus, dat Houfflin de akten en resolutiën, gedaan en geresolveerd, terwijl de Raad had besoigneerd, zou stellen in een apart register. Voor in dit register zoude hij moeten schrijven het tractaat, aangegaan met den Hertog van Anjou, en de instructie met enkele andere stukken betreffende den Landraad. Houfflin en Asseliers bleven in het resolutieregister der Staten-Generaal notuleeren, totdat begin October het nieuwe register in gebruik genomen werd; in dit nieuwe register werden tevens nog gecopiëerd de tot dan toe genomen resolutiën. Het resolutieregister der Staten-Generaal bleef in gebruik voor de copiëering der sedert October door den Generalen Landraad genomen resolutiën.

Het resolutieregister van den Generalen Landraad is in hetzelfde deel vervolgd onder den Raad van State. Dit resolutieregister is uit particulier bezit voor het Rijksarchief te 's Gravenhage verworven; in 1864 werd het deel uit de collectie Rethaan Macaré aangekocht.

Het register eindigt bij 7 September 1582; dat daarna evenwel nog resolutiën zijn genotuleerd, blijkt uit eene aanteekening in het repertorium van uitgaande missiven, door Asseliers in opdracht van Anjou gedepecheerd, waarin op 7 November 1582 vermeld staat, dat een stuk is ingeschreven in het Régistre des Résolutions du Conseil d'Etat.

Evenals de Landraad bij zijn resolutie van 26 Augustus had opgedragen het uiteenhouden van de administratieve stukken der Staten-Generaal en van die, aan den Generalen Landraad toekomende, deed het college zulks ook nog bij eene andere gelegenheid.

Na het uiteengaan der Staten-Generaal droeg de Landraad zorg, dat het "Régistre des dépeches", het Depechenboek der Staten-Generaal, in hetwelk de stukken betreffende belangrijke zaken werden ingeschreven, en het "Régistre de France", dat voor de stukken betreffende de betrekkingen met Frankrijk diende, werden voltooid. Aanvankelijk droeg de Landraad bij resolutie van 23 September deze werkzaamheid aan de klerken Pieter de Backere en Jehan Piers op, terwijl een resolutie van 22 October gelastte, dat dit werk zoude geschieden door de zorgen van den audiencier en andere secretarissen, die daartoe hun klerken zouden kunnen gebruiken. Vervolgens heeft toen Houfflin, als secretaris der Staten-Generaal, zijn aanspraken laten gelden en op diens verzoek bepaalde de Generale Landraad bij resolutie van 4 November 1581: que les pieches origineles du traicté de France despechées, receues et tenues aux Estatz Généraulx avecq le registre y tenu demourera es mains du remonstrant, Et les pieches origineles, despechées, receues et tenues et qui se despescheront, recevront et tiendront audit Conseil d'Estatz avecq le registre d'iceulx demoureront es mains de l'audiencier et secrétaire d'Etat Sille (

Blijkbaar verschrijving voor: Asseliers.

) et ses successeurs respectivement; à charge que l'un et l'autre feront transcire et copier lesdits registres et pieches et les accorderont ensemble de feuillet à feuillet au plus près que faire se pourra, à la conservation du droit des Estatz Généraulx et Conseil d'Estat.

Aan de stukken betreffende de betrekkingen met Frankrijk heeft men niet zonder reden veel gewicht gehecht. De resolutie doelt op een afzonderlijk voor de Fransche zaken te houden register, terwijl ook blijkt, dat er een speciale "liache de France" was aangelegd (

Zie de vermelding dezer liache in den band Depeches des Rebelles Jan.-Sept. 1581 (Algemeen Rijksarchief te Brussel. Papiers d'Etat et de l'Audience n°. 554) fol. 125 en 126.

).

Terwijl het resolutieregister uit particulier bezit voor het Rijksarchief is aangeworven, zijn de overige stukken, behoorend tot de archieven van den Generalen Landraad, den Hertog van Anjou en den Raad van State nevens Zijne Hoogheid, welke op het Rijksarchief bewaard worden, aldaar in het archief der Staten-Generaal aangetroffen. De stukken zijn meerendeels afkomstig uit de collectie van Asseliers, welke na zijn dood voor de Generaliteit is opgevorderd. Een ander gedeelte der stukken maakt deel uit van de collectie, afkomstig van den Hoogduitschen secretaris Langen.

Ten slotte kan hier worden aangeteekend, dat na de furie der Franschen te Antwerpen de Staten-Generaal 2 koffers van den Hertog van Anjou naar het huis van den griffier Hennin hebben laten brengen om de zich daarin bevindende brieven en boeken te onderzoeken (

Zie de rekening van Hennin in St.-Gen. Loketkas Loopende 330.

). Overigens blijven wij over de latere bestemming dezer papieren in het onzekere.

VI. GEMACHTIGDEN TOT HET BELEID DER FINANCIËN EN BEDEN. 1582 JANUARI.
DE KAMER DER BEDEN 1582 JUNI-(1584 AUGUSTUS).
INLEIDING.

Bij gelegenheid, dat door de Staten-Generaal op initiatief van den Prins van Oranje in December 1579 de instelling van een nieuw regeeringscollege voor de Vereenigde Nederlanden in behandeling werd genomen, diende de Prins tevens op 11 December bij de Staten een project in "pour le réglement et conduite des finances et aides avec ce qu'il en depend". Uit de opdracht tot het formeeren eener instructie, op 18 December door de Staten-Generaal gegeven, blijkt, dat het de bedoeling was, de Kamer van de Beden der Generaliteit tot één lichaam te vereenigen met het College van de Financiën en Domeinen; de instructie zou wezen "pour le college que les Estatz entendent instituer sur la maniance des deniers de la Généralité tant des domaines, confiscations, aydes et aultres quelconques de la dite Généralité". Bij resolutie van 24 December 1579 gaven de Staten-Generaal hunne goedkeuring aan de ontworpen instructie "sur le faict et conduicte des finances et aydes", met bepaling, dat de ontwerp-instructie aan de provinciën zoude worden medegedeeld. (

Zie deze ontwerp-instructie in: Tweede Depechenboek Staten-Generaal, fol. 57. Gedrukt: Japikse. Resolutiën der Staten-Generaal 1578?1579, p. 732. De klerk heeft bij de registreering van het stuk eenige woorden uitgelaten in den slotzin van artikel 5, gelijk blijkt uit eene vergelijking met de ontwerpinstructie, ingeschreven in Derde Depechenboek Staten-Generaal (n°. 3774), fol. 37; na "soude mogen" zijn eerst uitgevallen de woorden "in de provincie gebruycken", terwijl vervolgens de zin moet luiden: "Ende int gene dat de demeynen eenichssins soude mogen aengaen sullen hen reguleeren". (Vergelijk Japikse o. c. p. 733).

) De considerans hield in, dat de Staten geraden gevonden hadden de Gecommitteerden tot de Financiën van Zijne Majesteit (het College van de Financiën en Domeinen) te uniëeren met hun College van de Financiën en Beden (de Kamer der Beden van de Generaliteit); artikel 1 bepaalde, dat die van de Financiën met de gedeputeerden van de Generaliteit voortaan gelijkerhand en met gelijke auctoriteit en macht zouden regeeren en beleiden zoowel de domeinen van Zijne Majesteit als de beden, generale middelen, confiscatiën en alle andere penningen en inkomen van de Generaliteit.

In Juni 1580 kwam de ontwerp-instructie opnieuw bij de Staten-Generaal in behandeling, tegelijk met de instructie voor den Generalen Landraad; het stuk, op 14 Juni te Antwerpen vastgesteld, sprak in den considerans van de oprichting van een nieuw College van de Financiën en bepaalde in artikel 1, dat het College het beleid en de administratie zoude hebben van alle penningen en consenten, tot subventie van de gemeene zaak door de Generale Staten eenzamenlijk geaccordeerd of nog te accordeeren. De domeinen worden in dit artikel niet meer met name aangeduid, maar in artikel 5 is het voorschrift blijven staan, dat het College in hetgeen de domeinen eenigszins zoude mogen aangaan, zich zou moeten reguleeren naar de instructie, door Keizer Karel V gemaakt. (

Zie de ontwerp-instructie in Derde Depechenboek der Staten-Generaal, fol. 38.

)

Nadat de ontworpen instructie wederom, tegelijk met die voor den Generalen Landraad, was gelezen in de vergadering van 1 October 1580, namen de Staten-Generaal op hunne vergadering te Delft in Januari 1581 nogmaals de instructie in behandeling. Daarbij had men rekening te houden met het accoord, gesloten met den Hertog van Anjou, hetwelk inzake de domeinen bepaalde, dat Zijne Hoogheid in het bezit van deze zoude worden gesteld en ze zou doen "deservir par telz qu'il luy plaira, moeyennant qu'ils soient naturelz du pays".

Bij hunne resolutie van 3 Januari 1581 bepaalden de Staten-Generaal o. a., dat het College alleen zou hebben de dispositie der penningen, tot den oorlog dienende. De provinciën Gelderland, Utrecht en Overijsel drongen aan op een afzonderlijk college, dat aan de overzijde der Maze en Schelde zou fungeeren. Zonder de stemmen dezer 3 gewesten werd op 13 Januari 1581 de instructie door de Staten-Generaal, vergaderd te Delft, aangenomen (

Zie deze instructie in Derde Depechenboek Staten-Generaal, fol. 68; eveneens bij de Saroels-papieren in Loketkas Staten-Generaal Loopende n°. 52.

).

In den vastgestelden text is sprake van de instructie op het stuk en beleid van de financiën en contributiën van de Generaliteit, en van de oprichting van een nieuwe Kamer of College van de Financiën en Contributiën; dit college zou hebben het beleid en de administratie van alle penningen consenten, die tot subventie van de gemeene zaak door de Generale Staten geaccordeerd zijn of zullen worden. In de instructie ontbreken de bepalingen betreffende de domeinen, welke in het ontwerp van Juni 1580 voorkwamen in de artikelen 5 en 44. In het artikel 39 der vastgestelde instructie, hetwelk correspondeert met artikel 44 van het ontwerp, is sprake van "contributiën of settingen", terwijl het ontwerp had "domeinen, beden of settingen".

De eveneens op 13 Januari 1581 gearresteerde instructie voor den Generalen Landraad kwam voor de laatste maal bij de Staten-Generaal in behandeling op 27 Mei 1581 te Amsterdam. Met de definitieve vaststelling der Landraad-instructie ging echter niet samen een laatste bespreking van de instructie voor de Kamer of het College van de Financiën en Contributiën van de Generaliteit; wel werden op deze instructie de adviezen van Utrecht, Gelderland en Overijssel ontvangen (resol. 7, 12 en 17 Juni 1581). Toen de Staten-Generaal begin Augustus 1581 te 's Gravenhage scheidden, was men tot de oprichting der nieuwe Kamer van de Financiën en Contributiën der Generaliteit nog niet overgegaan.

Om in de ontstentenis eener Kamer van de Beden althans ten deele te voorzien, nam de Generale Landraad op 14 November 1581 een besluit, waarbij de commiezen van het College der Financiën en Domeinen Reyngout en Oyembrugge benevens de griffier van de Kamer der Beden Saroels voorloopig gemachtigd werden tot het verifiëeren en enregistreeren der brieven van décharge, opgemaakt ingevolge ordonnantie van de Staten-Generaal en den Generalen Landraad. Tot de instelling van een voorloopig "College des Finances et Aides" ging de Generale Landraad op 18 Januari 1582 over, toen de Raad provisioneel enkele personen autoriseerde om met bijstand van Saroels als griffier te besoigneeren "sur le faict, direction et advanchement des finances et aydes et ce qui en dépend" volgens de instructie, te Delft in Januari 1581 gearresteerd (

Zie de akte van machtiging in resolutieregister van den Generalen Landraad, fol. 116 vo.; eveneens bij de Saroels-papieren in Loketkas St.-Gen. Loopende n°. 52.

).

Door de Staten-Generaal werd de oprichting van eene "Kamer der Beden" volgens de in 13 Januari 1581 te Delft gearresteerde instructie ter sprake gebracht in hunne vergadering van 23 Maart 1582; gecommitteerden werden aangewezen om de veranderingen in de instructie te ontwerpen, noodig geworden door de aankomst van den Hertog van Anjou. Op 21 April 1582 hervatten de Staten de beraadslaging over dit punt. Het meerendeel der gedeputeerden van de provinciën was van oordeel, dat er geen nieuwe Kamer van de Beden moest opgelicht worden, maar dat de Raad van State het bewind en beleid van de contributiën zou aanvaarden; men besloot daarover met den Raad van State overleg te plegen. Nadat de Raad op 26 April zijn rapport had uitgebracht, namen de Staten-Generaal een besluit, dat onder de resolutiën van dien dag staat ingeschreven en waarvan een akte, gedagteekend 27 April 1582, is uitgegeven; deze akte, die eenigszins verschilt van het besluit, staat ingeschreven onder de resolutiën van 28 April 1582 (

Zie de akte van 27 April 1582 bij de Saroels-papieren in Loketkas St.-Gen. Loopende n°. 52.

). De akte hield in het besluit der Staten-Generaal, "dat de Heeren van den Raede van State respectievelijck over beyde de zyden van der Maese 't beleyt ende handelingh van de gemeene contributiën der landen totter oorloghe sullen aannemen ende bedienen deur eenighe van henluyden ende uyt heure colleges op dat stuck sunderlinge te committeren ende te lasten, daertoe oick gebruyckende d'assistentie van eenighe uuyter finantiën, die zij daertoe sullen willen verkiesen, zonder nochtans deselve lantcontributiën met andere penningen van die finantiën eenichsins te vermengen oft confundeeren. Ende omme int beleyt ende handelinge der voersz. contributiën voersien te mogen zijn van bysondere officiers, daertoe noodigh ende in die saecke kennisse ende ervarentheyt hebbende, is voor greffier gedenomineert ende vercoren Joseph Saroels op denselven tractement als hy heeft ontfangen, wesende greffier van de voern. Camer van de Beden, Matthias Laurin, als ontfanger generaal der zelver contributiën, met alsulcken tractement als de ontfanger van de financiën ontfanckt, wel verstaende dat hy van zynen ontfanck aan de Staten rekeninge sal doen 't allen tyden des vermaent zijnde, ende Dierick van der Beken als tresorier der oorlooghe, blyvende d'ordre over d'ander zyde van der Maese soe die tegenwoirdich is, dewelcke respectivelijck aan de Staten voersz. gehouden zullen wesen eedt te doen (

De resolutie der Staten-Generaal van 26 April 1582 is afgedrukt bij: Japikse. Resolutiën der Staten-Generaal 1580?1582, p. 457; aldaar zijn de verschillen met de akte van 27/28 April 1582 medegedeeld, waarbij bovendien nog te wijzen valt op de toevoeging in die akte van de woorden: "blyvende d'ordre over d'ander zyde van der Maese soe die tegenwoirdich is". De text der resolutie van 26 April staat ook ingeschreven in het resolutieregister van den Raad van State, fol. 212 v°.

)
.

Het beleid over de landscontributiën aan de westzijde der Maze werd dus opgedragen aan den Raad van State nevens Zijne Hoogheid, dat over die aan de oostzijde der Maze bleef aan den Landraad beoosten Maze gereserveerd. De Raad van State zou enkelen uit zijn college committeeren, die desgewenscht assistentie konden krijgen van personen, welke vroeger aan het beleid over de financiën en beden hadden deelgenomen. Het aldus saam te stellen lichaam voor de landscontributiën aan de westzijde der Maze zou den bijstand hebben van Joseph Saroels als griffier. In eene resolutie van denzelfden 26en April, bij welke de Staten-Generaal aan Joseph Saroels een opdracht geven, wordt deze aangeduid als: "griffier van de Kamer van de Lands-contributiën". Tengevolge van deze beslissing der Staten-Generaal blijkt Anjou met den Raad van State op 1 Juni 1582 eene akte te hebben uitgegeven van dezen inhoud:

Chambre des aydes.

Comme les Estatz Généraulx aient par acte du XXIe (

Sic!

) d'avril passé resolu que ceulx du Conseil d'Estat auroient la conduicte et maniement des contributions des Pays de pardeça et s'ilz se trouvissent surchargéz ou de trop petit nombre que en ce cas ilz pourroient des finances choisir teles et tant de personnes qu'ilz trouveront convenir sans toutesfois mesler les dites contributions des pays avecq icelles finances, Son Alteze considérant que pour la pluralité des affaires se présentants journelement audit Conseil d'Estat, il n'est possible de traicter en icelluy ladite matiere des contributions deuement et selon que le bien et service du pays requierent, a commis et auctorizé commect et auctorize par ceste les seigneurs De Duffele, Casenbroot et D'Orsmale, ses Conseilliers d'Estat, docteur Andrieu Hesselz, tresorier général de ses domaines et finances, et Jacques Reingout, oires qu'il ne soit encores admis au Conseil des finances, pour par ensamble en ung college apart conduire et manier le faict des aydes et contributions de ses pays de par deça suivant les actz et instructions desdits Estatz Généraulx et tout ce faire qu'ilz entendront servir pour la direction et bon ordre desdits aydes et contributions et que à bons et feaulx commis de la dicte chambre compète et appartient, les auctorizant par especial à porter soing que icelles aydes soyent en temps opportun furniz là et ainsy qu'il appartient selon les accordz faitz et à faire par les Estatz Généraulx, les defaillans constraindre par toutes voyes d'exécution et en conformité de la résolution desdits Estatz Généraulx. Faict à Anvers le premier de Juing 1582 (

Zie resolutie en akte in resolutieregister van den Raad van State, fol. 255 en 260; de akte eveneens bij de Saroels-papieren in Loketkas St.-Gen. Loopende nr. 52.

)
.

Wegens afwezigheid van enkelen, die gecommitteerd waren tot "notre chambre des aydes", gaf Anjou op 16 September 1582 last aan Matthias Laurin, "notre receveur-général des aydes,'' om de décharges mede te onderteekenen. (

Bij eene andere gelegenheid spreekt Anjou van "la chambre des aydes lez nous".

)

Kort daarop kwam de regeling van het beleid der beden en 's lands-financiën opnieuw bij de Staten-Generaal in behandeling. Bij het op 4 Mei 1582 vastgestelde reces was besloten over de akte van 28 April 1582, die dit beleid aan den Raad van State opdroeg, de meening der provinciën te vernemen. Op 24 September 1582 resolveerden de Staten, dat de penningen, procedeerend van de beden en 's lands financiën, geadministreerd zouden worden door degenen, die uit den Raad van State daartoe door Zijne Hoogheid gecommitteerd zouden worden aan beide zijden van de Maze. Den volgenden dag kwam bij de Staten-Generaal eene propositie van Anjou in, die o.a. de begeerte inhield, dat de Staten zouden willen letten op het oprichten van de Kamer der Beden. In hunne vergadering van 27 September besloten de Staten, dat Zijne Hoogheid tot de administratie der beden provisioneel zou committeeren vier van de bekwaamste personen benevens den ontvanger-generaal en den griffier Saroels, totdat door de provinciën daarin anders voorzien zoude wezen.

De oprichting van eene Kamer van de Beden volgens eene nieuwe instructie kwam wederom bij de Staten-Generaal ter sprake in de vergaderingen van 20-24 October 1582; tot in Januari 1583 bleef de zaak aanhangig, zoodat bij het zich terugtrekken van Anjou nog geen beslissing gevolgd was.

Na het ontslagnemen der leden van den Raad van State in Februari 1583 blijkt de Kamer der Beden te zijn blijven fungeeren; aan een opdracht, door de Staten-Generaal in April 1583 gegeven aan de Kamer der Beden om bepaalde staten in te leveren, werd gevolg gegeven door Hessels en Reyngout. Tevens bleef de oprichting van een Kamer der Beden volgens eene nieuwe instructie bij de Staten aanhangig.

In Augustus 1583 vingen de Staten-Generaal hunne bijeenkomst in de Noordelijke Nederlanden aan. Het blijkt, dat de administratie van de Kamer der Beden destijds als voorheen te Antwerpen gevoerd werd (

Stukken van Augustus 1583 bij de Saroels-papieren in Loketkas St.-Gen. Loopende 52 en bij de papieren van Arent van Dorp, als superintendentgeneraal van de vivres, in de verzameling Van Dorp op het Algemeen Rijksarchief.

). Sindsdien is van dergelijke werkzaamheid slechts een enkele maal in de resolutiën der Staten-Generaal meer sprake. Het plan tot oprichting eener nieuwe Kamer bleef bij de Staten nog tot Juli 1584 in behandeling.

De instructie, door de Staten-Generaal te Delft in Januari 1581 vastgesteld, hield betreffende de ambtenaren voor de administratie van de Kamer der financiën en contributiën de volgende bepalingen in:

  • 32. Den audiencier ende greffiers van tvoorsz. collegie sullen schuldich wesen hen te vindene ende neerstelijck te compareren int voerscreven collegie ende goede toesight ooge ende regard te nemen op alle ende yegelycke de staten, registers, pampieren ende andere brieven ende munimenten raeckende tvoerscreven collegie, zonder toe te latene dat eenige andere toeganck daertoe hebben, die lese, visitere ofte besie, in wat manieren dat het zy, ten ware die heeren van den voerscreven Landraedt, houdende daerenboven de saecken, die men aldaer tracteren sal, secreet.
  • 33. Die voerscreven greffiers sullen schuldich wesen by gebeurte te houden een manuael van tgeene dagelijcx daer in de camere ende vergaderinge van tvoorsz. collegie getracteert zal worden by maniere van memorie, ende sal alle jaer daeraff eenen nyeuwen boeck gemaeckt worden.
  • 34. Sullen oick de voorscreven greffiers register houden van de deschargiën, acten, consenten, mandementen ende andere oepene brieven, alle dewelcke depechen zy sullen moeten collationneren ende teeckenen, aleer zy die den heeren voor sullen leggen om bij hen geteeckent ende geverificeert te worden, welverstaende dat zoo wanneer daer diversche brieven zijn om te enregistreren van eenen teneur maer van diversche sommen, zy maer eenen brief gehouden en zullen zijn in tlanghe te enregistreren ende daernae te teeckenen de somme van d'ander brieven naer ouder gewoonte.
  • 35. Ende om gevoechelijck te weten ende memorie te hebben van de somme van penningen, die sullen loopen op interest oft finantie, is geordonneert, dat int voerscreven collegie by den greffier sal gehouden worden een besunder register, in welcke zullen by gescrifte ende goede specificatie ende declaratie van termyne ende dagen van betalinge gestelt worden alle d'obligatien ende sommen van penningen, loopende op interest ende finantie, zoowel ten laste van de generale als particuliere ontfangen ende innecomen, sal oick daerop teeckenen moeten den dach, wanneer deselve obligatiën sullen betaelt ende gequeten zijn oft wanneer zy zullen wesen verlenght.
  • 36. Sal insgelijcx noch een ander register houden van de renten, staende ten laste van de Generaliteit, noch een ander van alle brieven absolute oft quictancien van de officiers, staende tot rekeninge, ende daerenboven noch een ander register van alle d'ordonnanciën raeckende het feyt van de betaelinge oft assignatiën de voorscreven Generaliteyt aengaende, op de welcke hy sal moeten stellen Registrata al eer zy den heeren sullen mogen voorgelegt worden om als boven geteeckent te wesen.
  • 37. Ende sullen voorts in alle andere saecken ende affairen respectivelijck doen t'gene henne officiën ende staten toestaet ende al dat hen tot dienste van de Generaliteyt zal geordonneert ende belast worden.
Aan de omstandigheid, dat de Kamer der Beden steeds een eigen griffier heeft gehad (dus ook in het tijdperk, waarin het beleid der landscontributiën hoofdzakelijk aan Gecommitteerden uit den Raad van State was opgedragen, die als Kamer der Beden fungeerden) is het te danken, dat er doorloopend een archief der Kamer is gevormd. Dit is geschied door Joseph Saroels, den griffier van de Kamer der Beden.

Saroels heeft zijne administratie voortgezet te Antwerpen, nadat in den zomer van 1583 de Staten-Generaal den zetel der regeering naar de Noordelijke gewesten hadden overgebracht. In de Scheldestad werden door den griffier Saroels nog in Augustus 1584 werkzaamheden verricht (

Zie Loketkas St.-Gen. Particuliere stukken nr. 4.

).

Saroels werd o. a. bijgestaan door Silvester van Male als klerk, die bij de afwezigheid van den griffier dezen blijkt te hebben vervangen. (

Zie betreffende dezen klerk: Apostille Kamer der Beden 20 Augustus 1583, bij de papieren van Arent van Dorp, super-intendent generaal van de vivres, (Verzameling Van Dorp, Algemeen Rijksarchief), en Loketkas St. Gen. Particuliere stukken nr. 4.

)

De papieren van de administratie van de Kamer der Beden in dit tijdperk, welke beschreven zijn in den navolgenden inventaris, bevinden zich hoofdzakelijk in de Loketkas der Staten-Generaal Loopende 52. Zij vormen een deel der Saroelscollectie, welke, grootendeels althans, reeds bij de inventarisatie van het archief der Staten-Generaal door den Agent Henrick Verburch in 1635 met het griffie-archief der Staten-Generaal is vermengd.

VII. DE LANDRAAD AAN DE OOSTZIJDE DER MAZE 1581-1584.
INLEIDING.

Toen einde December 1579 bij de Staten-Generaal het plan tot oprichting van een nieuw regeerings-college voor de Geuniëerde Provinciën ter tafel was gekomen en eene instructie voor een Generalen Landraad ontworpen, werd in deze instructie (behandeld op 24 en 27 December) rekening gehouden met de belangen der Nader Geüniëerde Provinciën door de bepaling, dat in de provinciën, waar de Raad niet aanwezig was, gedeputeerden zouden resideeren, om daar in alle zaken te voorzien. Eene bepaling van gelijke strekking vinden wij opgenomen in de instructie, die ter vergadering van 9 Juni 1580 door de Staten-Generaal werd behandeld en waarvan artikel 15 o. a. inhield, "dat men in de Landen van Overmaze ende Schelde zal moeten committeren acht oft meer personen, die by forme van delegacie ende volgende sulcke ample instructie als de voorsz. Raedt ende Hooge Overigheyt hun medegeven sal, aldaer sullen besoigneren ende vaceren ende goede correspondentie houden metten Raedt, die neffens die Hooge Overicheyt sal wesen, ende dat ter tijt bij de Hooge Overicheyt ende Raedt andersseins zal worden geordineert, blyvende by dezelve Hooge Overicheyt ende Raedt voorsz. alleene de souveraine authoriteyt".

In de instructie voor den Generalen Landraad, door de Staten-Generaal definitief gearresteerd ter vergadering van 13 Januari 1581, luidde de overeenkomstige passage in het nieuw geredigeerde artikel 15: "dat over welcke zyde van de Maeze de Hooge Overicheyt ende Raedt haer residentie houden zullen, zullen bij hun gecoren werdden een zeker getal van acht oft thien persoonen uyt hun collegie om te trecken ende resideren over d'ander zyde van de voorscreve Maeze om met volcommen macht aldaer steet-vast te besoigneren ende voorzien op alle voorvallende zaecken, dienende tot beschermenisse, ruste ende welstandt van de landen, alles op alzulcke ample instructie als hun bij de voorsz. Overicheyt ende Raedt zal medegegeven werdden ende ter deze vergaederinge geraempt ende gearresteert".

Door de Staten-Generaal was de instructie voor de Raden van Overmaeze reeds op 9 Januari gearresteerd; het stuk droeg tot opschrift: "Instructie voer die Raeden die uyt den Gemeynen Landraedt neffens de Hooge Overicheyt zijnde bij de meerdere stemmen van denselven gecoren zullen werdden om in affwezen van de voorscreven Hooge Overicheyt te dirigeren ende te besorgen de zaecken van den lande ende quartieren van d'een oft d'ander zyde van de Maese ende Schelde daer den noot meest vereysschen zal".

Toen de Staten-Generaal in Juli 1581 op het punt stonden uit een te gaan en de Generale Landraad, die het gouvernement zoude overnemen, nog niet geformeerd was, wezen de Staten bij besluit van 22 Juli personen aan, die provisioneel als Landraad van Overmaze zouden fungeeren.

Reeds op 27 Juli 1581 kwam de Landraad van Overmaze te 's Gravenhage voor het eerst in vergadering bijeen; enkele dagen later had de beëediging plaats.

De instructie, op 9 Januari 1581 vastgesteld, gaf in 9 artikelen bepalingen betreffende de macht en de wijze van uitoefening van het gezag door den Landraad van Overmaze. De instructie staat o. a. ingeschreven in het Derde Depechenboek der Staten-Generaal (archief n°. 3774) fol. 59 en in het resolutieregister van den Generalen Landraad. Naar dit laatste, door secretaris Houfflin gewaarmerkte, afschrift, is het stuk gepubliceerd bij dr. P. L. Muller. Geschiedenis der Regeering in de Nader Geüniëerde Provinciën. Bijlage D (

In deze publicatie moeten verschillende verbeteringen worden aangebracht; men leze: art. 3, laatste zin: de voorsz. ontfangers respective; art. 4, laatste regel: ende achtervolgens die instructie hun gegeven; art. 5, tweede regel: in dien gevalle; art. 6, eerste regel: sullen achtervolgen den VIen articule; zesde regel: steden in t generaell; tiende regel: waervan ten minsten; art. 8, elfde regel: dies zullen zy; veertiende regel: denzelven te communiceren; art. 9, vijfde regel: ende d'een den anderen.

).

De Landraad van Overmaze besloot op 28 Juli zich te intituiceren als "die Overicheyt ende Landraedt aen deze zyde der Maze". Hoewel dit de destijds zelfgekozen betiteling is, heb ik de voorkeur gegeven aan de benaming "Landraedt aen de Oostzijde der Maze"; de term "Oostzijde" wordt in plaats van "deze zijde" sedert Juli 1582 steeds gebruikt in de uitgaande commissiebrieven van dezen Landraad, terwijl wij in de resolutiën van De Staten-Generaal kortweg gesproken vinden van den Landraad van Overmaze.

Als Landraad aan de Oostzijde der Maze is het college ook blijven fungeeren toen, na de regeeringsaanvaarding van den Hertog van Anjou als "prince et seigneur" der Nederlanden in Februari 1582, de Generale Landraad was overgegaan in een Raad van State nevens Zijne Hoogheid.

Het zich terugtrekken van den Hertog van Anjou, na den mislukten aanslag op Antwerpen den 17den Januari 1583, maakte eene voorziening in de regeering noodig; de Staten-Generaal machtigden bij besluit van 1 Februari 1583 den prins van Oranje en den Raad van State aan beide zijden van de Maze om op alle voorvallende zaken te besoigneeren uit den naam van de Generaliteit volgens de in Januari 1581 vastgestelde instructie. De leden van den Raad van State excuseerden zich daarop hun ambt langer uit te oefenen, zoodat hunne werkzaamheid een einde nam; de Landraad beoosten Maze, oorspronkelijk een college van gecommitteerden uit den Generalen Landraad, bleef echter ook sindsdien zijn bestuursfunctie uitoefenen.

De geschiedenis van den Landraad aan de Oostzijde der Maze is uitvoerig behandeld door dr. P. L. Muller in diens aangehaald werk. Uit zijn eerste vergaderplaats 's Gravenhage, waar hij 20 Augustus 1581 nog aanwezig was, vertrok de Landraad naar Amsterdam en vandaar naar Leeuwarden. In Friesland namen reeds in September de leden voor Brabant en Vlaanderen afscheid van het college, zoodat dit daarna geen leden telde, benoemd door de provinciën gedegen buiten het gebied, waarover de Landraad aan de Oostzijde der Maze het bestuur voerde. Uit Leeuwarden keerde de Landraad in December 1581 naar 's Gravenhage terug en begaf zich vandaar in de volgende maand naar Utrecht. Blijkens de plaatsaanwijzingen en dateeringen van de in het Commissieboek geregistreerde commissiebrieven, hield het college sindsdien verblijf in de volgende steden van Utrecht, Gelderland en Overijsel:

  • Utrecht 1582 Januari-April;
  • Arnhem 1582 Mei-Juni;
  • Utrecht 1582 Juni-Juli;
  • Kampen 1582 Augustus;
  • Deventer 1582 September;
  • Utrecht 1582 October-1583 Februari;
  • Hasselt 1583 April;
  • Utrecht 1583 Mei-September;
  • Wageningen 1583 October-November;
  • Arnhem 1583 November-December;
  • Utrecht 1584 Januari-April;
  • Tiel 1584 April;
  • Utrecht 1584 Mei-Augustus.

Op 30 Augustus 1584 werd voor het laatst eene commissie door den Landraad gegeven; toen het college op 11 September den eed op deze commissie afnam, was de nieuw ingestelde Raad van State reeds in functie getreden.

Ingevolge verzoek van wege den Landraad, op 22 September 1584 aan de Staten-Generaal overgegeven, besloten de Staten op 12 October om aan die van den Landraad "ampel en eerlijk afscheid te geven". Op 31 December 1584 werd door de Staten-Generaal de akte van ontslag voor de heeren van den Landraad geaccordeerd. (

Deze akte gedrukt bij Japikse. Resolutiën der Staten-Generaal 1583?1584, pg. 673.

)

Door de Staten-Generaal was op 27 December 1580 geresolveerd, dat de secretarissen en andere officieren van den Landraad moesten genomen worden uit de Geüniëerde Provinciën. Deze zouden gehouden zijn de resolutiën en akten in de "Duitsche" taal te schrijven, voorzooverre het college in een Duitsche provincie vergaderde. Slechts de bepaling betreffende de herkomst der ambtenaren is in de instructie voor den Generalen Landraad overgenomen.

Het secretariaat van den Landraad aan de Oostzijde der Maze werd in den beginne bediend door Gijsbrecht van Zuylen en Jan Strick, beide voor dien secretaris van het College der Nader Geüniëerde Provinciën. Strick werd later vervangen door mr. Dirck van der Does.

Doordat Van Zuylen in 1583 als secretaris optrad bij de Gedeputeerden der Geüniëerde Provinciën aan de Oostzijde der Maze, was destijds alleen Van der Does als secretaris van den

Landraad werkzaam. (

Zie Muller o. c. p. 206; Resolutieregister van den Landraad 19 October 1583.

) Toen in September 1584 de Landraad ontslag vroeg, ging Gijsbrecht van Zuylen over naar den nieuw ingestelden Raad van State, die hem bij resolutie van 17 September 1584 als secretaris in dienst nam. (

Vergelijk ook resolutie Staten-Generaal 30 Augustus 1581.

)

Nadat de Landraad op 31 December 1584 ontslagen was, moest nog voorzien worden in het sluiten der niet-afgehoorde rekeningen van de ambtenaren, die onder het college ressorteerden, en in de betaling der schulden. Daartoe arresteerden de Staten-Generaal op 23 Februari 1585 eene instructie (geconcipiëerd door de heeren van den ontslagen Landraad) voor een drietal gecommitteerden, Evert van Delen van Laer, Hendrick Buth en Gerard Prouninck genaamd Van Deventer, die de rekeningen zouden afhooren en met de officieren en andere militairen zouden afrekenen; als ambtenaar werd hun toegevoegd Abraham van Goorle, voorheen controleur-boekhouder der financiën bij den Landraad. Tevens stelden de Staten-Generaal eene instructie vast voor den ontvanger van de penningen tot betaling van de schulden van den Landraad, tot welk ambt op 26 Februari de oud-secretaris van den Landraad mr. Dirk van der Does werd benoemd. (

Zie de beide instructies in Depechenboek Staten-Generaal 1585, fol. 63, 70.

)

De instructie voor gecommitteerden bevat tevens enkele bepalingen betreffende de archiefstukken van den Landraad. Artikel 21 schreef voor, dat de in dienst geweest zijnde secretarissen al de resolutieregisters sedert de Nadere Unie tot nu toe moesten overleveren, terwijl de onvolledig bijgehouden zouden worden aangevuld; artikel 33 hield de bepaling in, dat de secretarissen al de stukken, den Landraad betreflende, in de kasse zouden moeten brengen; artikel 34 schreef hetzelfde voor ten aanzien van de stukken berustend onder Abraham van Goerle, den commies der financiën van den Landraad.

Tot het einde van het jaar 1588 bleven de gecommitteerden van den Landraad aan de Oostzijde der Maze hunne bevoegdheid behouden; op 16 December 1588 namen de Staten-Generaal de volgende resolutie: "wordt gecommitteert mr. Dirck van der Does om hem te transporteren naer Utrecht ende aldaer uyt handen van Hendrick Buth ende Abraham van Goerle te lichten ende t' ontfangen het cachet, twelck die gedeputeerde van den Landraedt gebruickt hebben soe lange zy in de commissie van de Heeren Staten-Generaal geweest zijn, onder de selve berustende, alsoe deselve Heeren Staten niet en verstaen volgende voorgaende resolutie ende insinuatie, an hen daarvan gedaen, dat zy langer hebben vermocht ofte alsnoch vermogen op de qualiteyt van gedeputeerde van den Landraedt vergaderinge te houden, besoigneren, teeckenen ofte cachetteren; item om van de voorsz. ende daer sulx van noode wesen sal t' eysschen ende recouvreren pertinenten inventaris van de principale stucken die tot Utrecht in archivis van den lande zijn berustende, mette liste van de affrekeningen die aldaer zijn, ende deselve mitsgaders de principale stucken van de affreckeninge van den Welgeboren Graeff van Hoenloo, van den generael Norits ende andere principale heeren alhier over te brengen aen de voorsz heeren Staten ten dienste van den lande enz."

Terzelfder tijd, dat de Staten-Generaal deze resolutie namen, werd door den Raad van State een brief ontvangen, onderteekend door Hendrick Buth en Abraham van Goerle, waarbij gecommitteerden van den Landraad te Utrecht aanboden hun cachet met de charters en papieren over te leveren; deze brief kwam bij de Staten-Generaal in de vergadering van 26 December ter tafel.

Blijkbaar heeft de resolutie van December 1588 niet de gewenschte uitwerking gehad, voor zooveel de overneming der archiefstukken aangaat; de opdracht daartoe werd althans in 1591 herhaald, toen de Staten-Generaal bij resolutie van 21 Maart den secretaris van den Raad van State Gijbrecht van Zuylen en den commies ter tresorie mr. Dirck van der Does committeerden, om zich naar Utrecht te transporteeren en aldaar uit handen van Abraham van Goerle, in presentie zoo mogelijk van Hendrick Buth, ontvanger-generaal van den Lande van Utrecht, over te nemen alle de stukken, papieren en munimenten, te Utrecht in de archieven van de Staten berustend en de Generaliteit eenigszins aangaand en toekomend, welke Abraham van Goerle als commies van wege de Generaliteit onder bewaring gehad heeft; zij zouden tevens deze stukken na inventarisatie naar den Haag overbrengen tot zulke plaats, als daartoe geordonneerd en gedestineerd is, om bij de hand wezend in voorvallende zaken gebruikt te worden naar behooren ten meesten dienste van den Lande.

De plaats, in Den Haag voor de bewaring der bescheiden gedestilleerd, wordt niet nader aangeduid, en ik vermoed derhalve, dat de beide ambtenaren bij den Raad van State, die met de overbrenging waren belast, de stukken bij dit college hebben gedeponeerd; het schijnt mij dan ook aannemelijk, dat de thans nog bij den Raad van State bewaarde stukken van den Landraad ingevolge de commissie van Maart 1591 bij dit archief zijn terechtgekomen.

VIII. DE GEDEPUTEERDEN VAN DE GEÜNIËERDE PROVINCIËN AAN DE OOSTZIJDE DER MAZE. 1583.
INLEIDING.

Ook nadat de regeering over de Nader Geüniëerde Provinciën in Juli 1581 was overgegaan aan den Landraad aan de Oostzijde der Maze, het door de Staten-Generaal ingestelde college, hebben nog bijeenkomsten van de Gedeputeerden dezer provinciën plaats gehad. Te Utrecht zijn in de maanden April-Mei en Juni-Juli van het jaar 1583 vergaderingen gehouden van de provinciale afgevaardigden, die zich dan noemen: "Gedeputeerden der Geüniëerde Provinciën aan de Oostzijde der Maze". Over deze vergaderingen wordt uitvoerig gehandeld door dr. P. L. Muller. Geschiedenis der Regeering in de Nader Geüniëerde Provinciën, p. 202-229.

Bij het uiteengaan van de vergadering te Utrecht op 5 Juli was besloten tot eene volgende samenkomst te Dordrecht tegen het einde der maand. Vervolgens begaf de vergadering zich van uit Holland naar Middelburg, waar de Staten-Generaal op 24 Augustus 1583 te zamen waren gekomen. Uit Zeeland trokken de Gedeputeerden van de Geüniëerde Provinciën aan de Oostzijde der Maze vervolgens, evenals de Staten-Generaal, naar Dordrecht en van daar naar 's Gravenhage en Delft (

Muller o. c. p. 238, ontleend aan: Cort verhael betreffende den Landraad.

).

Als secretaris van Gedeputeerden fungeerde Gijsbrecht van Zuylen, de secretaris van den Landraad, die daartoe tijdelijk van zijn dienst bij dit college ontheven werd (

Muller o. c. p. 206. Vergelijk resolutieregister van den Landraad beoosten Maze, 19 October 1583.

).

Van de archiefstukken dezer Gedeputeerden-samenkomsten zijn slechts een tweetal bescheiden op het Algemeen Rijksarchief terechtgekomen. Het eene document, van de vergaderingen te Utrecht, was in deze stad in particulier bezit geraakt en is in het jaar 1896 aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen. Het tweede stuk, gericht aan de Gedeputeerden der Nader Geüniëerde Provinciën vergaderd te Middelburg, van September 1583, is aanwezig in het archief der Staten-Generaal; vermoedelijk is het destijds terechtgekomen bij de papieren der Staten-Generaal, die toen te Middelburg vergaderd waren.

IX. DE RAAD VAN STATE. 1584-1586.
INLEIDING.

Zoodra de Staten-Generaal in Augustus 1583 hunne vergadering naar de Noordelijke Nederlanden hadden overgebracht en te Middelburg bijeen waren gekomen, werd de instelling van een nieuwen Raad van State in behandeling genomen.

Over de regeling der aan den Raad toe te kennen bevoegdheid handelden de Staten-Generaal opnieuw in hunne vergadering van Februari 1584 te Delft, doch eerst na den dood van den prins van Oranje zou de instelling van een nieuwen Raad van State tot stand komen.

Bij de behandeling van deze zaak in de vergadering der Staten-Generaal te Delft van 11 Augustus 1584 verklaarden gedeputeerden van Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Utrecht, Mechelen en Vriesland: dat niettegenstaande het overlijden van den prins van Oranje de voornoemde landen of provinciën met elkander zouden blijven vereenigd volgens de Unie van Utrecht en dat de regeering van de landen zoude worden opgedragen aan een Raad van State onder den titel "Maurits, graaf van Nassau, en de Raedt van State, by provisie gecommitteert tot ten gouvernemente ende regieringe van de Geüniëerde Landen en Provinciën".

Op 18 Augustus 1584 volgde de vaststelling der instructie door de Gedeputeerden der bovengenoemde gewesten; bij eene tegelijk opgemaakte akte wezen de Staten-Generaal als datum van in functie treding van den nieuwen Raad van State 1 September 1584 aan. De instructie staat geregistreerd in het Depechenboek der Staten-Generaal 1584; een afschrift ervan komt o. a. voor in het Net-register van resolutiën van Maurits en Raden van State, vergaderd te Middelburg (zie hierachter n°. 2). De instructie is gedrukt bij: Van Slingelandt. Staatkundige Geschriften. I. p, 268-291; de bij Bor. Nederlandsche Oorlogen Boek XIX gedrukte text is gebrekkig. (Vergelijk: Van Slingelandt o. c. III p. 6; Kluit. Historie der Hollandsche Staatsregering II p. 8).

Het gezag, aan den Raad van State opgedragen, omvatte - naast de handhaving der Unie - in hoofdzaak het volgende:

De Raad zou zorg doen dragen voor de inning der generale middelen en andere contributiën, en de bevoegdheid hebben, de gelden te beheeren en distribueeren tot betaling van het krijgsvolk.

Drie leden van den Raad, met den Tresorier-generaal en desnoods met den Ontvanger-generaal, zouden het beleid hebben van de consenten, beden en contributiën, terwijl de ordonnantiën van betaling geteekend moesten worden door drie Raadsleden, den Tresorier-generaal en den secretaris van den Raad van State. Wat de hier gegeven bevoegdheid betreft, week de instructie dus af van de concept-instructie, gearresteerd op 23 Februari 1584, welke bij artikel 7 aan den Raad van State toestond, tot zijne verlichting eene Kamer der Beden op te richten.

De Raad bepaalde, hoeveel krijgsvolk en oorlogschepen noodig waren, en had de macht het krijgsvolk te water en te land aan te nemen en af te danken. Aan den Raad kwam de superintendentie te water en ter zee, met de bevoegdheid om colleges van Raden van Admiraliteit in te stellen.

Aangezien op het einde van Augustus door enkele provinciën de Raden nog niet waren genomineerd, wezen de Staten-Generaal op den 31sten dezer maand enkele leden aan, opdat het college zijne werkzaamheid zou kunnen aanvangen; nadat de nominatiën van Raden door de gewesten hadden plaats gehad, kregen deze leden hunne akten van commissie, die onder dagteekening van 11 October 1584 werden uitgevaardigd.

Bij artikel 31 der instructie was den Raad van State machtiging gegeven, om secretarissen en andere officieren in dienst te nemen en instructiën voor hen vast te stellen.

Aangaande de taak der secretarissen vinden wij vooreerst voorschriften in de artikelen 24 en 32. Artikel 24 handelt over de parapheering van commissiën, ordonnantiën, instructiën, brieven en depechen door den president en gelast tevens de onderteekening door een secretaris; aan secretarissen werd opdracht gegeven van alles goed en pertinent register en memorieboeken te houden. Artikel 32 handelt eveneens over de parapheering en onderteekening der stukken, en de zegeling of cacheteering daarvan; een der secretarissen moest van al het bezegelde goed register houden en de ontvangen zegelrechten verantwoorden. Verder was aan secretarissen opgedragen de ordonnantiën van betaling met den Tresorier-generaal en 3 Raden te onderteekenen.

De Raad blijkt 5 secretarissen in dienst te hebben genomen, allen vroeger ambtenaar bij een der regeeringscolleges, namelijk:

  • 1. Jan van Langen, den Hoogduitschen secretaris, die na het aftreden van den Conseil d'Etat van Anjou zijn functie van Hoogduitsch secretaris bij de Staten-Generaal was blijven voortzetten.
  • 2 en 3. Christiaen Huygens en Harmen Wijnhoff, beide secretarissen van den Raad nevens Zijne Excellentie den prins van Oranje in Holland, Zeeland en Utrecht.
  • 4. Ghijsbrecht van Zuylen, secretaris van den Landraad beoosten Maze.
  • 5. Mr. Jan Houfflin, secretaris van den Conseil d'Etat van Anjou (

    De commissiën van Wijnhoff, Zuylen en Houfflin worden vermeld in de resolutiën van den Raad van State van 7 en 17 September 1584.

    )
    .

Hoewel in de instructie niet gerept wordt van de mogelijkheid, dat er naast de werkzaamheid van secretarissen nog voor afzonderlijke bemoeiïng van den audiencier ten behoeve van den Raad van State gelegenheid zoude wezen, blijkt men deze mogelijkheid niet uitgesloten te hebben geacht. Toen namelijk juist met het optreden van de nieuwe regeering begin September 1584 de audiencier Asseliers was komen te overlijden en de Staten-Generaal diens ambt aan hun griffier Aerssens opdroegen, voegden de Staten aan hunne beschikking van 11 September de clausule toe, dat graaf Maurits en Raden van State hieraan hunne agreatie zouden geven. Van zijn kant beweerde zelfs de Raad van State, dat het officie van audiencier niet door de Staten-Generaal te vergeven stond. Hierin komt dus de opvatting tot uiting, dat de met het audienciers-ambt belaste griffier voor het stellen van stukken, vroeger behoorend tot het ressort van den audiencier, ook den Raad van State zou moeten bijstaan. Het blijkt evenwel, dat sindsdien de werkzaamheid van den griffier, tevens audiencier, zich bepaald heeft tot de administratie der Staten-Generaal en dat Aerssens geen stukken voor den Raad van State heeft geteekend. Anderzijds viel de administratie voor den Raad van State uitsluitend aan de secretarissen toe. Betreffende deze nam de Raad op 21 September een besluit, bepalend dat de 5 functionarissen indistincte zouden doen alle depechen, in den Raad vallende, behoudens dat de secretaris Langen ook gehouden zoude wezen alle de Hoogduitsche depechen te doen, gelijk hij gewoon was geweest, en tevens de Staten-Generaal te dienen voor de Hoogduitsche briefwisseling (

Vergelijk ook de remonstrantie van Jan v. Langen aan de Staten-Generaal 1589, Bijlage Q, bewaard in de Loketkas Particuliere stukken 15.

). Tegelijk stelde het college een lijst vast van de te heffen rechten voor de depecheering van stukken.

De regeling werd bevestigd bij eene resolutie van 24 October 1584, die de toevoeging bevatte, dat de secretarissen van dag tot dag beurtelings het register zouden houden en de daartoe dienende stukken zoodra mogelijk zouden depecheeren.

Op 2 September 1584 was de Raad van State zijne vergaderingen te Delft begonnen. In November gaf het college uitvoering aan artikel 27 der instructie, hetwelk voorschreef, dat de Raad van State voor het onderhouden der goede correspondentie verplicht zoude wezen eenige leden in competent getal als gedeputeerden te zenden naar de frontieren, waar het beleid van den oorlog of andere zaken zulks het meest vereischten; deze gedeputeerden zouden macht hebben, om in alles te voorzien naar den eisch der omstandigheden.

Het plan, om enkele leden naar Zeeland en Utrecht te zenden, was reeds in de vergadering van 18 September behandeld; op 20 October kwam ter tafel het verzoek der Staten van Zeeland, dat graaf Maurits en Raden van State naar Zeeland zouden vertrekken voor de hulpverleening aan Antwerpen.

Op 22 October 1584 besloot de Raad zich in drieën te splitsen; graaf Maurits met 9 raadsheeren zouden tot secours van de stad Antwerpen naar Zeeland reizen; 5 leden zouden naar Utrecht gaan en de overige 4 in Holland blijven. Houfflin en Wijnhoff werden aangewezen als secretarissen voor Zeeland; Zuylen en Huygens voor Utrecht; Langen voor Holland.

Eene tweede resolutie van dien dag bepaalde, dat graaf Maurits en Raden van State later weder naar Holland moesten terugkeeren, om aldaar het corpus van het college te houden op de plaats, die het meest geschikt was voor het besturen van alle omliggende kwartieren. De leden, die naar Utrecht trokken, zouden zich aldaar gedragen als Gedeputeerden van den Raad van State, volgens het voorschrift van artikel 27 der instructie. De in Holland blijvende leden waren gemachtigd tot het expediëeren van ordonnantiën van betaling op de quote van Holland voor de garnizoenen aldaar en tot het suppleeren van hetgeen de Gedeputeerden in Utrecht te kort zouden komen voor de betaling van het krijgsvolk in Utrecht en Gelderland, zoo in campagne als in garnizoen liggend.

Den 15den November kwam het corpus van den Raad van State voor de laatste maal in vergadering bijeen; graaf Maurits vertrok den 19den naar Zeeland. Te Middelburg hielden graaf Maurits en Raden van State hunne eerste vergadering op 27 November 1584; zij bleven aldaar tot midden September 1585. Als secretarissen fungeerden in het tijdperk tot Maart 1585 Houfflin en Wijnhoff; daarna werd Wijnhoff vervangen door Langen, doch einde April keerde Wijnhoff terug, nadat Houfflin vertrokken was in het midden dezer maand.

Sinsdien bleven Langen en Wijnhoff te Middelburg dienst doen, behoudens dat Langen's functie aldaar in Mei en Juli 1585 onderbroken werd door eene zending als gedeputeerde van den Raad van State in Zeeland naar de Staten-Generaal en Raden van State in Holland.

De in November 1584 te Delft achtergebleven Raden begonnen aldaar 20 November te vergaderen; zij zetten hunne samenkomsten voort tot 9 Februari 1585, toen de raadsheeren Meet kercke en Alostanus naar Middelburg vertrokken. Het secretariaat werd in dit tijdperk bediend door Jan van Langen.

Op 18 April 1585 kwamen in Holland opnieuw gecommitteerden van den Raad van State bijeen; als hun secretaris te 's Gravenhage fungeerde Houfflin, daartoe aangewezen bij resolutie van Maurits en Raden van State te Middelburg dd. 15 April 1585.

Het in Zeeland werkzaam geweest zijnde gedeelte van den Raad van State kwam in de tweede helft van September 1585 naar Holland terug. Sindsdien bleven graaf Maurits en Raden van State hunne bestuurstaak van uit 's Gravenhage uitoefenen (

Midden December 1585 vertoefden graaf Maurits en enkele leden eenigen tijd te Middelburg tot verwelkoming van den graaf van Leycester.

).

Bij gelegenheid van de aanvaarding van het gouvernement door den graaf van Leycester en de commissie van nieuwe Raden van State kregen Maurits en Raden van State ontslag; in den brief der Staten-Generaal van 6 Februari 1586 werd hun gelast niet meer in 's Lands zaken te besoigneeren.

Het secretariaat in Holland blijkt in dit tijdperk aanvankelijk te zijn bediend door Houfflin en Langen, terwijl sedert November 1585 ook Christiaen Huygens als secretaris in Holland dienst deed.

De leden van den Raad van State, die in November 1584 naar Utrecht trokken, zouden krachtens resolutie van het college dd. 2 November zich noemen: de Raden van State, gedeputeerd aan de Oostzijde van de Maze. Op 20 November 1584 kwamen zij voor de eerste maal in vergadering bijeen. Door de instelling van een nieuwen Raad van State bij de bestuursaanvaarding van den graaf van Leycester werd ook aan het gezag van Gedeputeerden aan de Oostzijde der Maze een einde gemaakt; in de vergadering der Staten-Generaal van 11 Februari 1586 erkende een drietal hunner de ontvangst van den brief van afdanking. Het resolutieregister wijst echter uit, dat de Gedeputeerden sinsdien nog van 21 Februari tot 5 Maart 1586 met de behandeling van zaken bleven voortgaan.

Het secretariaat te Utrecht werd bediend door Gijsbrecht van Zuylen en Christiaen Huygens. In November 1585 blijkt, dat Huygens zich naar Holland heeft begeven, om aldaar als secretaris te fungeeren, terwijl Harmen Wijnhoff hem te Utrecht kwam vervangen. Zuylen en Wijnhoff bleven aldaar tot in Maart 1586 dienst doen.

De enkele van den Raad van State behouden gebleven bescheiden zijn bewaard bij het archief van den Raad van State van 1588 of bij het archief der Staten-Generaal.

Bij het archief van den Raad van State van 1588 berust in de eerste plaats een net-register van resolutiën der vergaderingen te Middelburg 1584 November-1585 Augustus; van dit register, dat voorin een copie van de instructie voor den Raad bevat, heb ik aangenomen, dat het deel heeft uitgemaakt van de secretarie in Zeeland.

Van de in Utrecht genomen resolutiën is een copie bewaard over het tijdperk 1586 Januari-Maart, waaraan is toegevoegd een afschrift van resolutiën uit de maanden 1585 Juni-Juli; deze copieën zijn tot het archief der administratie in Utrecht gebracht, hoewel ik geen zekerheid heb, dat het afschrift der resolutiën van 1586 al ten tijde van dezen. Raad van State is vervaardigd, en niet eerst in het Leycester-tijdperk (hetgeen zelfs blijkens het papier en het handschrift van den klerk, die het heeft geschreven, waarschijnlijk is).

Het ligt voor de hand om aan te nemen, dat de Zeeuwsche en Utrechtsche resolutiën bij het archief van den Raad van State van 1588 zijn terecht gekomen door bemiddeling van de secretarissen Huygens en Zuylen, die beide als zoodanig bij de opvolgende Raden van State zijn blijven fungeeren. Er is trouwens eene aanwijzing, dat in het tijdperk van den Raad van State nevens Leycester dit college zich heeft bemoeid met het archief van de voorafgaande regeering; wanneer in September 1586 de Raad van State te Utrecht vergadert, wordt bij resolutie van 19 September aan den secretaris Jan van Langen gelast om uit den Haag te doen komen: "tous les papiers des besoignes passées au précédent Conseil ou Régime".

Reeds ten tijde van het opmaken van den inventaris Hop, in het midden der 18de eeuw, blijken bij het archief van den Raad van State geen andere resolutieregisters, geschreven in de jaren 1584-1686, te hebben berust dan de twee bovengenoemde. Toch zijn bij den Raad van State nog andere resolutiën uit het tijdperk 1584-1586 bekend geweest, Er bestaat namelijk een exemplaar van copie-resolutiën sedert September 1584, hetwelk de volgende vergaderingen uit dit tijdperk omvat:

  1. Deel 1584:
    • Holland. September 2-December 31;
    • Utrecht. November 20-November 30;
    • Zeeland. November 27-December 31.
  2. Deel 1585:
    • Zeeland. Januari 1-Augustus 31;
    • holland. Januari 1-Mei 13;
    • Utrecht. Juni 17-Juli 6.
  3. Deel 1586. Utrecht. Januari 1-Maart 5.

Deze copie-resolutiën moeten vervaardigd zijn ten laatste in de eerste helft der achttiende eeuw, daar de deelen genoemd worden op den inventaris Hop (

Hoewel het exemplaar dezer copie-resolutiën deel uitmaakt van het archief van den Raad van State, berust de serie tegenwoordig niet op het Algemeen Rijksarchief; ingevolge ministeriëele beschikking van 13 Maart 1862 zijn de registers in bruikleen afgestaan aan het Rijksarchief in Noord-Brabant.

).

Het derde, bij den Raad van State van 1588 bewaard gebleven deel, is een consenten-register over 1584 December-1586 Maart; door zijn inhoud verwijst dit deel naar Raden van State te Utrecht en eveneens doet het zulks door eene der klerkenhanden, die het heeft gehouden; om die redenen heb ik gemeend het te mogen brengen tot de administratie der Gedeputeerden aan de Oostzijde van de Maze. Het deel is voortgezet in 1589 en blijkbaar tegelijk met een aansluitend register over 1586-1588 bij den Raad van State van 1588 terecht gekomen.

Eene tweede verzameling bescheiden, afkomstig van de administratie van den Raad van State 1584-1586, bevindt, zich bij het archief van de Staten-Generaal. Het zijn stukken, die berust hebben ouder secretaris Langen en met diens papieren bij het archief der Staten-Generaal zijn terecht gekomen.

De Langen-papieren zijn door Cornelis de Heyde, den agent der Staten-Generaal, gebruikt voor de vorming der Liassen Loopende stukken. Hoewel de papieren eerst door De Heyde in het archief der Staten-Generaal zijn ingevoegd (zooals eene vergelijking tusschen den inventaris Verburch van 1635 en dien van De Heyde van 1656 uitwijst), kunnen wij toch met zekerheid zeggen, dat zij reeds vroeger bij het archief aanwezig zijn geweest. Dit blijkt uit eene aanteekening in het handschrift van Robrecht Falkenborch, agent der Staten-Generaal 1605-1629, die op de Langen-papieren, welke later aan de Lias 1584-1585 geborgen zijn, heeft geschreven: "Allerley schriften ende copien van de voergaende regieringhe". Eveneens van Langen afkomstig is het bij het archief der Staten-Generaal bewaarde Hoogduitsche missivenboek, dat over de periode 1584 October-November enkele voor den Raad van State opgestelde Hoogduitsche brieven bevat.

Tot de administratie van den Raad van State heb ik voorts nog gebracht een tweetal bij de Staten-Generaal bewaard zijnde deelen, die naar hun inhoud in het kader van den Raad passen. Ik heb gemeend den inhoud hier den doorslag te moeten laten geven, daar het administratief karakter met voldoende kon worden vastgesteld. Van beide deelen is het toch niet onmogelijk, dat zij met Langen's papieren bij de Staten-Generaal zijn gekomen. Het minst onwaarschijnlijk is dit voor het Register van uitgaande brieven van graaf Maurits en Raden van State in Zeeland 1584 November-1585 Mei. Doch ook voor het copie-register van resolutiën van Gedeputeerden beöosten Maze 1584 November is dit niet volstrekt onmogelijk; deze copie zou toch naar Zeeland kunnen zijn gekomen ter voldoening aan de resolutie van den Raad van State van 2 November 1584, welke bepaalde, dat de in Zeeland en Utrecht genomen resolutiën wekelijks aan elkander moesten worden overgezonden; een naar Zeeland gezonden copie der Utrechtsche resolutiën zou vervolgens tijdens Langen's diensttijd aldaar bij diens papieren kunnen zijn geraakt. Bij aanvaarding dezer mogelijkheid zou dan strikt genomen de copie tot de administratie der Raden in Zeeland moeten gebracht zijn, hetgeen ik echter in verband met den inhoud heb nagelaten.

De copie der Utrechtsche resolutiën van November 1584 blijkt bij de inventarisatie van het afschrift der Staten-Generaal door den agent De Heyde in 1656 volgens den inventaris bij dit archief te hebben berust; de oorspronkelijke titel "Resolutiën binnen Utrecht" is door De Heyde aangevuld met de woorden "genomen in den jaere 1584". Aangezien juist dit opschift voorkomt boven het in de achttiende eeuw vervaardigde afschrift der Raad van State-resolutiën van 1584, hetwelk hiervoor vermeld is, acht ik het waarschijnlijk, dat de door De Heyde gemerkte copie hiertoe dienst heeft gedaan. Merkwaardig is daarbij, dat deze copie uit het archief van de Staten-Generaal naar dat van den Raad van State verhuisd is; de copie is toch met het gedeelte van het archief van den Raad van State, dat in het jaar 1855 naar het Rijksarchief te 's Gravenhage is overgebracht, medegekomen. (

Volgens het proces-verbaal van overneming d.d. 1 November 1855 bevond de copie zich in pak 265.

) Daarna is het bij de ordening van het archief van den Raad van State onder n°. 2a van dit archief beschreven.

Behalve bij het archief van den Raad van State van 1588 en bij dat van de Staten-Generaal, is op het Algemeen Rijksarchief nog eene collectie bescheiden aanwezig, waarin enkele brieven aan den Raad van State van 1584 voorkomen. Het is de collectie, welke in 1920 aan het Algemeen Rijksarchief is overgedragen door den Rijksarchivaris in Zeeland, nadat aldaar het archief van de Staten van Zeeland en de papieren van mr. Jan van de Warck waren geordend. De collectie is op het Algemeen Rijksarchief beschreven onder aanwinsten 1920 n°. XXXII. Tot deze overgedragen papieren behooren, als gericht aan den Raad van State, een tweetal stukken betreffende het geschil tusschen den keurvorst van Keulen en den graaf van Nieuwenaar en Meurs van November 1584; aangezien echter mr. Jan van de Warck bij resolutie der Staten-Generaal van 20 November 1584 aangewezen werd als lid der commissie tot beslechting van dit geschil, ligt het vermoeden voor de hand, dat deze stukken destijds onder Van de Warck zijn blijven berusten; ik heb ze dan ook niet in den inventaris van het archief van den Raad van State opgenomen.

Ten slotte noem ik hier eene resolutie, waarin eene eigenaardigheid wordt vermeld van het niet bewaard gebleven origineele resolutieboek van graaf Maurits en Raden van State in Zeeland. Toen secretaris Houfflin in Juni 1585 zich uit Holland naar Zeeland had begeven, werd dezen namelijk te Middelburg het resolutieregister vertoond, waarin eene resolutie betreffende hem met sterk water was uitgedaan; zulks was geconstateerd in denzelfden tijd, dat Houfflin uit Zeeland naar Holland was vertrokken (namelijk midden April). Bij resolutie van graaf Maurits en Raden van State van 18 Juni 1585 werd Houfflin gelast, zich weder naar Holland te begeven om de gedeputeerden van den Raad van State aldaar te assisteeren en tevens het cachet van den Raad in het comptoir terug te brengen. (

Bij deze gelegenheid werd aan Houfflin de vraag gesteld, waarom hij de gemeene akten sedert het gouvernement van den hertog van Alençon (Anjou) bij zijn klerk curieuselijk deed uitschrijven; het antwoord luidde: "om de antiquiteiten te hebben". Dat Houfflin een verzamelaar van documenten was, blijkt uit een catalogus zijner collectie, getiteld: "Inventaris van de privilegiën, placaten, ordonnantiën, edicten, statuten enz., vervat in de 10 boeken van Houfflin" (dit handschrift werd voor het Algemeen Rijksarchief verworven als aanwinst 1889, n°. 4r).

)

X. GOUVERNEUR-GENERAAL GRAAF VAN LEYCESTER EN DE RAAD VAN STATE NEVENS ZIJNE EXCELLENTIE. 1586-1588.
INLEIDING.

Het tractaat van secours, tusschen de gemachtigden der Staten-Generaal en die van de koningin van Engeland op 20 Augustus 1585 (10 Aug. stilo Angliae) gesloten, sprak in artikel 1 van een Gouverneur-generaal, die aan het hoofd der Engelsche krijgsmacht in de Vereenigde Provinciën zoude staan. Deze Gouverneur-generaal zou, volgens artikel 16, zitting hebben in den Raad van State, van welk college bovendien twee Engelsche onderdanen lid zouden wezen. Aan den Gouverneur-generaal met den Raad van State kwam de bevoegdheid toe, de misbruiken in het stuk van de impositiën en collecten tegen te gaan en te zorgen voor een goed gebruik der gelden in den krijg zoowel ter zee als te land. Verder werd aan den Gouverneur-generaal en den Raad van State o. a. opgedragen het publiek gezag te herstellen, de krijgstucht te handhaven en in het algemeen alles te doen wat tot behoud van het (behoud van het) algemeen welzijn kon strekken.

De taak van den Gouverneur (of luitenant)-generaal, als hoedanig Robert Dudley, graaf van Leycester, werd aangewezen is nader omschreven in de instructie, door de Koningin aan Leycester gegeven. De inhoud daarvan is bekend uit het document, gepubliceerd bij Bruce: Correspondence of Leycester 1585-1586. Letter VI. Behalve de zorg voor de Engelsche troepen wordt aan den luitenant-generaal opgedragen aan te dringen op een hervorming en vereenvoudiging van het gouvernement, waartoe verschillende aanwijzingen worden gegeven.

Het gezag, dat aan den luitenant-generaal van de Engelsche krijgsmacht krachtens het tractaat toekwam, werd bevestigd en uitgebreid door de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, toen deze bij akte, geteekend 1 Februari 1586, aan Leycester opdroegen het gouverneur- en kapitein-generaalschap der Geüniëerde Provinciën. Hoewel zij door deze gezagsvermeerdering in strijd handelden met de bedoelingen der koningin van Engeland, legde Elizabeth zich - gelijk bekend is - later bij de beslissing neder. Bij eene akte van denzelfden datum gaven de Staten-Generaal aan Leycester bovendien de beschikking over de gemeene middelen, zooals die nader in de akte staan aangegeven, om deze te administreeren met bijstand van den nevens Zijne Excellentie in te stellen Raad van State en de opbrengst te besteden voor de krijgvoering.

De aan den Gouverneur- en kapitein-generaal der Vereenigde Provinciën toekomende bevoegdheid vinden wij omschreven in de genoemde akte van delatie en in de aan Leycester gegeven commissiebrief dd. 1 Februari 1586 (

Het voor de Staten-Generaal bestemde exemplaar der akte van delatie is bewaard in de Secrete kas van Hare Hoogmogenden. De akte (in franschen text) en de commissie (in latijnschen text) komen o.a. voor in het Depechenboek der Staten-Generaal 1586 en in het Register van de Kamer van de Tresorie dezer Landen; in nederlandschen text zijn de documenten gedrukt bij Bor: Nederl. Oorlogen, II, 686; Groot Placaetboeck van Holland en Zeeland, IV, 81.

).

Deze bevoegdheid hield o. a. in: 1. Volle macht en absoluut gezag in het stuk van den oorlog en hetgeen daaraan dependeert, zoo te land als te water; 2°. dusdanige macht en gezag in het stuk van de policie en justitie, gelijk de Gouverneurs-generaal der Nederlanden ten allen tijde wettelijk gehad hebben, en in het bijzonder ten tijde van keizer Karei V; 3°. de macht tot het doen innen en tot het administreeren van de contributiën, voor de krijgvoering ingewilligd.

Op 4 Februari 1586 werd de graaf van Leycester in zijne waardigheid van Gouverneur- en kapitein-generaal der Geünieerde Provinciën door de Staten-Generaal beëedigd.

Tot de arresteering der instructie voor den Raad van State nevens Zijne Excellentie gingen de Staten-Generaal op 10 Februari over. De aan den Raad opgedragen bevoegdheid en taak bepaalde zich in hoofdzaak tot het bijstaan van Leycester in de zorg voor de richtige ontvangst der geconsenteerde middelen en het verstrekken van advies bij de vaststelling van desbetreffende bepalingen.

Ten aanzien van het gebruik der geconsenteerde middelen bepaalde de instructie, dat deze zouden moeten strekken voor de betaling van het krijgsvolk en andere oorlogsbenoodigheden, terwijl de opbrengst der convoyen voor de bekostiging van de equipeering van oorlogschepen met toebehooren zou dienen. De Raad van State zou geen vaste residentie hebben, maar vergaderen "où il sera le plus expédient pour le service du bien public et especiellement là ou pour la meilleure conduicte et direction des affaires de la guerre il sera le plus requis selon la direction de Son Excellenee" (

De instructie komt voor in het Depechenboek der Staten-Generaal 1586 en in het Register van de Kamer van de Tresorie dezer Landen; in Nederlandschen text is de instructie gedrukt bij: Bor. Nederl. Oorlogen, II, p. 688; Charterboek Friesland, IV, 557.

).

Op 11 Februari 1586 werden de twee, door de Koningin aangewezen, Engelsche Raden benevens zes van de door Leycester te benoemen overige leden beëedigd; ook de commissiebrieven voor dit zestal werden op 11 Februari gedagteekend, hoewel - blijkens het vermelde in het resolutiënregister der Staten-Generaal op 22 Februari - enkele hunner reeds vóór den datum der eedsaflegging hadden gebesoigneerd.

Uit de litteratuur over het Leycester-tijdperk is voldoende de controverse over het aan den Gouverneur-generaal toekomende gezag bekend. Aan hunne opvatting dat de souvereiniteit aan de Staten-Generaal gebleven was, gaf de Statenvergadering o. a. op 7 Juni 1586 uiting bij de deliberatie over het zegel, door Leycester te gebruiken "ad causas provinciarum". De Staten-Generaal hadden de souvereiniteit behouden en Leycester gecommitteerd tot Gouverneur-generaal over de Geüniëerde Provinciën met zulke macht en autoriteit als alle voorgaande gouverneurs van den Lande wettelijk hebben gehad; deze gouverneurs hadden altijd gevoerd het wapen van den Heer van den Lande. Dienvolgens zou ook Gouverneur-generaal Leycester gebruiken het wapen en zegel der Heeren Staten-Generaal aan alle commissiën en depechen in zake van politie en justitie, die van wege de Geüniëerde Provinciën gezegeld zullen moeten worden. Gelijke meening vinden wij o. a. ook uitgesproken in de nadere verklaring der Staten van Holland van 4/16 October 1587, waarin deze betoogen, dat de souvereiniteit aan de gezamenlijke Staten is gebleven. Aan Leycester zou niet meer gedefereerd zijn dan het opperste gebied in zake van oorlog en politie, zooals de Gouverneurs-generaal ten tijde van keizer Karel V hebben gehad; zaken die de landen ten hoogste betreffen en waarbij hun staat geheel zoude worden gekrenkt, had de Keizer niet aan den Gouverneur-generaal bevolen, maar aan zich gereserveerd. Aan de gezamenlijke Staten, die door de vervallen-verklaring van den koning van Spanje de souvereiniteit aan zich hebben gebracht, zijn derhalve ook zoodanige zaken gereserveerd gebleven. Op naam van Zijne Excellentie zou slechts mogen uitgegeven worden hetgeen ten tijde van keizer Karel op naam van den Gouverneur-generaal was uitgegaan, en tal van in het eerste jaar van Leycester's gouvernement door hem uitgevaardigde maatregelen waren dan ook niet conform het recht van den lande genomen.

Al spoedig na zijne bestuursaanvaarding stelde Leycester voor een gedeelte van de aan den Raad van State opgedragen taak eene afzonderlijke administratie in. Hij wees een 3-tal leden van den Raad aan om eene afzonderlijke Kamer van de Tresorie dezer Landen te vormen. Aangezien deze Kamer een eigen griffier kreeg, is destijds voor haar administratie een apart archief gevormd. In Juni 1586 moest dit college plaats maken voor eene Kamer van de Financiën en Domeinen, die eveneens slechts enkele maanden zou fungeeren. In November 1586, kort voor Leycester's vertrek, werd daarop wederom eene Kamer van de Tresorie opgericht.

Met het oog op zijn vertrek naar Engeland toekende Leycester op 24 November 1586 eene akte, waarbij hij tijdens zijne afwezigheid het gouvernement opdroeg aan den Raad van State; op deze autorisatie maakte Leycester evenwel eenige reserves bij eene secrete akte van dienzelfden datum (

De akten zijn in Nederlandschen text gedrukt bij: Bor. Nederlandsche Oorlogen, II, 784, 786.

).

Bij het einde van het regeeringsjaar, waarvoor de leden van den Raad van State waren benoemd, namen de Staten-Generaal een beslissing, wie verder in den Raad zouden zitting hebben; bij deze resolutie van 4 Februari 1587 bepaalden de Staten tevens, dat de Raden van State op den naam van Zijne Excellentie hun besogne zouden continueeren volgens de door de Staten-Generaal vastgestelde instructie. In denzelfden geest luidde de resolutie der Staten-Generaal van 4 Maart 1587, waarbij zij te kennen gaven, dat de Raden niet verbonden waren aan eenige akte, bevel of depeche van den graaf van Leycester, buiten weten der Staten uitgegeven, maar dat zij de door de Staten-Generaal vastgestelde instructie moesten nakomen.

Den 6 Juli 1587 keerde de Gouverneur-generaal in de Vereenigde Provinciën terug. Midden December 1587 verliet hij deze voorgoed.

Bij brief van 26 November 1587 gaf Leycester aan de Staten-Generaal kennis, dat hij bepaald had, dat het gezag, hetwelk volgens het tractaat met de koningin van Engeland aan hem als luitenant-generaal van Hare Majesteit en aan den Raad van State toekwam, gedurende zijn afwezigheid aan dit college zoude blijven; tevens deelde hij mede, dat Hare Majesteit als luitenant-generaal over het Engelsche secours had aangewezen baron Willoughby (

De brief is in Nederlandschen text gedrukt bij: Bor. Nederl. Oorlogen III, 131.

). Door Leycester werd, onder dagteekening van 14 December 1587, eene commissie als luitenant-generaal voor Willoughby uitgegeven, zonder dat in de akte van eene benoeming door de Koningin melding werd gemaakt (

De commissie is gedrukt bij: Japikse. Resolutiën Staten-Generaal 1588-1589, p. 106.

)
. De Staten-Generaal maakten bezwaar tegen deze commissie als in strijd met het tractaat; gelet op de mededeeling in Leycester's brief van 26 November gingen zij echter op 13 Januari 1588 tot eene provisioneele acceptatie van Lord Willoughby in het luitenant-generaalschap van Hare Majesteit over, onder voorwaarde, dat hij zijn commissie, door de Koningin gegeven, alsnog zou overleggen. Door Elisabeth was intusschen reeds eene commissiebrief voor Willoughby geteekend, die door dezen op 11 Maart aan de Staten werd medegedeeld.

Het door Leycester overgedragen gezag werd bestendigd door de Staten-Generaal, toen deze bij hunne resolutie van 5 Februari 1588 bepaalden, dat de generale regeering van de Vereenigde Nederlanden uitsluitend in de zaken betreffende de gemeene unie, conservatie en defensie der landen en de nakoming van het tractaat met de koningin van Engeland zoude wezen bij den Raad van State, die met den gouverneur-generaal van het secours van Hare Majesteit en de twee Raden van de Engelsche natie tevens zouden uitoefenen de autoriteit, hun bij het genoemde tractaat gegeven.

Nadat deze resolutie aan den Raad van State was medegedeeld, verklaarden de Raden, dat zij ingevolge het verzoek der Staten-Generaal in functie zouden blijven, evenwel ten langste voor ééne maand. Op 12 Maart 1588 hield de Raad van State zijn laatste vergadering; besloten werd, dat de secretaris Langen de alsnog in te komen brieven zou openen en mededeelen aan de aanwezig gebleven leden, die de belangrijkste stukken zouden doorgeven aan de Staten-Generaal, opdat deze daarop resolutie konden nemen.

Het zou nog tot 1 April duren, voordat de Staten-Generaal officiëel in kennis werden gesteld van Leycester's afstand van het gouvernement, waartoe Zijne Excellentie de akte reeds in December 1587 geteekend had.

Zoowel de Graaf van Leycester, luitenant-generaal van Hare Majesteit's secours en gouverneur- en kapitein-generaal der Vereenigde Provinciën, als de Raad van State hadden secretarissen in dienst. Wegens het aan Leycester toekomende gezag en zijn verhouding tot den Raad van State stelden de secretarissen van Zijne Excellentie stukken van gelijken aard als de secretarissen van den Raad; de administratieve papieren zijn derhalve in den inventaris door mij bijëengebracht als de archieven van den Gouverneur-generaal Leycester en den Raad van State.

De instructie voor den Raad van State schreef betreffende de taak der secretarissen voor, dat alle commissiën, ordonnantiën, instructiën, brieven en depechen, na parapheering door den president en onderteekening - indien noodzakelijk geacht - door Leycester, door een der secretarissen geteekend moesten worden. Deze waren tevens verplicht register te houden van de opinies en conclusies van den Raad over alle in het college behandelde belangrijke zaken. Voor de ordonnantiën van betaling werd vereischt de onderteekening van den Tresoriergeneraal, 3 Raden en een secretaris.

Het artikel, dat voorschriften inhield betreffende de zegeling der stukken, gelastte tevens het houden van een contrarolle der ontvangen zegelrechten. Bij de instructie op het recht van het zegel, door de Staten-Generaal op 4 Maart 1587 gearresteerd, werd aan den zegelbewaarder Staatsraad Leoninus, kanselier van Gelderland, het houden van het zegel-register voorgeschreven; de instructie bevatte tevens een lijst van de rechten, verschuldigd voor het zegelen of het cacheteeren van de verschillende, door den Raad van State uitgegeven stukken (

Gedrukt bij: Japikse. Resolutiën der Staten-Generaal 1585?1587, p. 715.

).

Toen Leycester in Februari 1586 het bestuur aanvaardde, was als zijn secretaris werkzaam George Gilpin, de secretaris van de Engelsche Merchants-adventurers, resideerende in de Nederlanden, en tevens agent der koningin van Engeland. Bij het optreden van den Raad van State nam dit college Gilpin als secretaris in dienst, tegelijk met twee secretarissen van den Raad van State van 1584: Jan van Langen en Christiaen Huygens (

Vergelijk: Resolutie Raad van State 4 Februari 1588.

). Ook blijkt Gijsbrecht van Zuylen, de secretaris van de Raden van State beoosten Maze, naar den nieuwen Raad van State te zijn overgegaan.

Op verlangen van Leycester werd door den Raad van State bij resolutie van 14 April als secretaris nog aangenomen: mr. Daniel de Burchgrave, voormalig procureur-generaal van den Raad van Vlaanderen en laatstelijk geweest zijnde een der Raden van State beoosten Maze. De secretarissen, die in dezen tijd in Leycester's dienst werkten, waren: Jean Hotman en Arthur Athy.

Bij Leycester's vertrek naar Engeland in December 1586 ging Burchgrave mede; hij was aldaar voor den Gouverneur-generaal werkzaam in de hoedanigheid van "audiencier et premier secrétaire d'Estat de Son Excellence"; onder deze benaming, welke tot 1584 de ambtenaar, ten behoeve der Hooge Overigheid werkzaam, had gedragen en die door Leycester bij de instelling van het College van de Financiën en Domeinen weder was ingevoerd, bleef Burchgrave bekend staan, nadat hij met Leycester naar de Nederlanden was teruggekeerd (

Zie de brieven gepubliceerd bij: E. de Borchgrave. Daniel de Borch grave 1550?1590. Vergelijk hierna pg. 186.

).

Behalve als secretaris worden Jean Hotman en Arthur Athy ook wel aangeduid als: agent van Zijne Excellentie. Nog was in Leycester's dienst werkzaam als secretaris Junius de jonge, die bekend is door de wijze waarop hij in den zomer van 1587 voor den Gouverneur-generaal in de Nederlanden heeft geageerd (

Zie ook resolutie Raad van State 1587 Mei 16.

). Op het einde van 1587 blijkt als secretaris van Leycester nog gefungeerd te hebben Adriaen de Meulenaer (

Zie: E. de Borchgrave. Daniel de Borchgrave, p. 167, 284.

)
.

Onder de verschillende secretarissen zoowel van Leycester als van den Raad van State zijn destijds de tot hunne administraties behoorende papieren bewaard gebleven. Voor de bescheiden van den Raad van State blijkt dit duidelijk uit het resolutieregister, waarin herhaaldelijk sprake is van stukken, berustend op de secretarie of het comptoir van dezen of genen secretaris. Betreffende de bewaring van papieren door Hotman kan men raadplegen hetgeen dr. R. Broersma mededeelt in zijne inleiding tot de Brieven over het Leycestersche tijdvak uit de papieren van Jean Hotman, door hem en G. Busken Huet gepubliceerd in de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht Deel 34 (1913). Over bewaring van papieren onder Hotman handelt ook dr. P. J. Blok in zijn voorwoord tot de Correspondence inédite de Robert Dulley, comte de Leycester, et de François et Jean Hotman (Haarlem 1911)

Van eene afzonderlijke collectie Burchgrave zal hieronder worden melding gemaakt.

In den hierna volgenden inventaris zijn door mij bijeengebracht de verschillende op het Algemeen Rijksarchief berustende papieren, die geacht kunnen worden te behooren tot de archieven van Leycester en den Raad van State. Op vierderlei wijze zijn zij op het Rijksarchief terecht gekomen.

Aan den Raad van State van 1588 zijn overgegaan de beide resolutieregisters, naar verondersteld mag worden door bemiddeling van Huygens of Zuylen, die bij den nieuwen Raad in dienst zijn getreden. Het door secretarissen gehouden resolutieregister over het tijdvak 1586 Augustus-1587 Mei ontbreekt; het was reeds verloren gegaan bij het opmaken van den inventaris Hop in het midden der 18de eeuw. De inhoud ervan is echter bewaard gebleven in de serie copie-resolutiën, vervaardigd omstreeks het begin der achttiende eeuw ter secretarie van den Raad van State (

Deze copie-resolutieregisters worden thans bewaard op het Rijksarchief te 's Hertogenbosch, waarheen zij, ingevolge ministeriëele beschikking van 13 Maart 1862, zijn overgebracht.

).

Bij het archief van de Staten-Generaal is bewaard gebleven de collectie papieren, berustend onder secretaris Langen. Gelijk reeds meermalen is medegedeeld, bevinden deze stukken zich hoofdzakelijk in de Liassen Loopende, tot welker vorming zij door den agent De Heyde zijn gebruikt. Bij de herordening dezer liassen in de tweede helft der 19de eeuw zijn enkele stukken er uit gelicht en overgebracht naar andere liassen.

Verder zijn op het Rijksarchief in Zeeland eenige stukken aangetroffen, waarvan verondersteld mag worden, dat zij tot het archief van den Raad van State behooren; deze bescheiden zijn in het jaar 1920 aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen.

Een vierde groep wordt gevormd door papieren, die in 1873 uit de Verzameling Van Dam van Noordeloos en later nog bij verschillende gelegenheden voor het Algemeen Rijksarchief zijn verworven. Adressen op de stukken evenals het handschrift van de minuten en dorsale aanteekeningen wezen uit, dat wij hier voor ons hadden bescheiden voornamelijk uit Leycester's tweede bestuurstijdperk, behoord hebbende tot de administratie van den secretaris Burchgrave. Verder bleek bij het onderzoek, dat al deze papieren eigendom waren geweest van mr. J. van Dam van Noordeloos te Rotterdam, wiens handschrift op de stukken voorkomt. Zij hebben deel uitgemaakt van diens collectie papieren, afkomstig van Burchgrave, vermeld door mr. W.C. Ackersdijck in zijn opstel: Bijdrage tol "De Graaf van Leycester in Utrecht". (Tijdschrift voor geschiedenis, oudheden en statistick van Utrecht 2e jaargang 1836 p. 207). In dit opstel wordt een korte biographie van Burchgrave gegeven. Over dezen heeft ook mr. J. van Dam van Noordeloos later nog eene mededeeling gedaan in zijne bijdrage: Iets over Daniel Burchgrave en Prouninck van Deventer (Kroniek Historisch Genootschap te Utrecht. Twaalfde Jaargang 1856 p. 149). Burchgrave heeft den graaf van Leycester bij diens vertrek naar Engeland in December 1587 vergezeld, en is aldaar in 1590 overleden. Reeds uit de opgave der papieren van Burchgrave, geciteerd in Ackersdijck's opstel, blijkt, dat slechts een gedeelte der verzameling, in het bezit van mr. Van Dam van Noordeloos, aan het Algemeen Rijksarchief is gekomen, en ook de stukken, gepubliceerd door mr. Van Dam van Noordeloos in de Kroniek van het Historisch Genootschap 15e Jaargang 1859 p. 330-339, wijzen daarop (

Mr. Van Dam spreekt aldaar het vermoeden uit, dat, blijkens het handschrift van dorsale aanteekeningen op de stukken, deze ouder den geschiedschrijver Bor hebben berust.

). Buitendien is nog eene andere collectie bekend, welke aan Burchgrave's verwanten is overgegaan; zulks blijkt uit de documenten, gepubliceerd door E. de Borchgrave in zijn werk Daniel de Burchgrave 1550-1590 (Gent-'s Gravenhage 1898). Deze stukken, hoewel over staatszaken handelend, dragen echter geen officiëel karakter, maar zijn aan Burchgrave particulier gericht.

XI. DE KAMER VAN DE TRESORIE DEZER LANDEN 1586 (MAART)-JUNI.
DE KAMER VAN DE FINANCIËN EN DOMEINEN 1586 JUNI-SEPTEMBER.
DE KAMER VAN DE TRESORIE. 1586 DECEMBER-1588 MAART.
INLEIDING.

Bij de deliberatiën van de Staten-Generaal over de instructies, beraamd voor den nevens Leycester in te stellen Raad van State, werd aan Zijne Excellentie ook in overweging gegeven, of hij naast den Raad van State nog een afzonderlijk college voor de financiën zou wenschen (resolutie 16 Januari 1586). De splitsing bleef evenwel achterwege en in de voor den Raad vastgestelde instructie werd ook het bewind over de contributiën en gemeene middelen opgenomen. Toch heeft Leycester al spoedig na zijn gouvernements-aanvaarding eene afzonderlijke administratie voor dezen bestuurstak ingesteld. Het blijkt namelijk, dat de Tresorier-generaal met 3 telkens wisselende leden van den Raad van State daartoe eene "Kamer van de Tresorie dezer Landen" hebben gevormd. Bij dit lichaam deden als ambtenaren dienst de secretaris van den Raad van State Gijsbrecht van Zuylen en een afzonderlijke griffier, als hoedanig Joseph Saroels, de oud-griffier van de Kamer der Beden, werd aangesteld.

Naar aanwijzingen van het ter Kamer gehouden commissieboek en het register van autorisatiën was de Kamer van de Tresorie begin Maart 1586 reeds in functie. Als betiteling ervan vinden wij afwisselend: "Kamer van de Tresorie dezer Landen" en "Gecommitteerden uit den Raad van State tot de Kamer van de Tresorie nevens Zijne Excellentie" (in het fransen: "les députés hors du Conseil d'Etat lez Son Excellence pour la Chambre de la Trésorie").

De instelling bleef bestaan tot einde Juni 1586, toen zij opgeheven werd door de oprichting eener Kamer van de Financiën en Domeinen. Het plan daartoe deelde Leycester op 26 Juni 1586 aan den Raad van State mede; in de resolutiën van dien dag vinden wij het volgende daarover opgeteekend:

"Son Excellence a proposé à Messieurs du Conseil comme ayant meurement pesé et déliberé sur les affaires du pays n'at trouvé meilleur moyen pour les bien diriger que de dresser une chambre des finanees sur le mesme pied qu'on at usé et observé du temps de la maison de Bourgoigne de l'empereur Charles le Ve, et qu'aulcuns des Estatz mesmes ont admonesté et conseillé de ce aussi suyvre et mettre en avant, ayant à ceste fin faict dresser certain acte, lequelle ayant esté levé par le secretaire Burchgrave avecq l'exhibition des instructions et ordonnances dresséez par l'empereur Charles le cinquiesme et le roy d'Espaigne sur le faict des finances, Son Excellence at demandé et ordonné d'y adviser comme Messeigneurs du Conseil trouveront convenir, pour en après sur tout par Son Excellence estre résolu comme on trouvera au plus grand proffit du pays".

De akte, in deze resolutie genoemd, is blijkbaar het stuk, waarvan melding wordt gemaakt o. a. bij Van Meteren. Nederlandsche Historiën Boek XIII fol. 249 v°. Volgens deze akte zou de Kamer zijn samengesteld uit drie chefs, een Tresoriergeneraal en enkele commiezen, (op dezelfde wijze dus als het vroegere College van de Financiën en Domeinen, ook wel Raad der Financiën genoemd, dat met het Anjou-bestuur was verdwenen). Voor de bezetting der Kamer had Leycester aangewezen Adolf, graaf van Nieuwenaer en Meurs, stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijsel; Killegrew, lid van den Raad van State; en Reynier van Aeswijn, heer van Brakel, tot dan toe Tresorier-generaal, onderscheidenlijk als 1sten, 2den en 3den chef.

Tot Tresorier-generaal was benoemd Jacques Reyngout, kort te voren reeds aangesteld tot Tresorier de l'épargne (in welk ambt Reyngout ook gediend had onder het Anjou-bestuur, terwijl hij toen tevens commies bij het College van de Financiën en Domeinen was geweest). Drie leden van den Raad van State (Loosen, Teelinck en Buys) zouden als commiezen fungeeren. Als eerste secretaris en audiencier werd aan de Kamer verbonden mr. Daniel de Burchgrave (

Zie ook: Bor. Nederl. Oorlogen II, 721.

); door deze benaming heeft Leycester blijkbaar eveneens aan het gezag der nieuwe instelling uitdrukking willen geven: de audiencier was immers eertijds bij uitstek de ambtenaar der Hooge Overigheid.

Blijkens het commissieboek, ter Kamer gehouden, is het nieuwe lichaam terstond zijne werkzaamheid begonnen. De volledige titel ter aanduiding ervan is: Chefs ((hoofden), Tresorier-generaal en commiezen van de Financiën en Domeinen. Een andere benaming is: Conseil des Domaines et Finances (

Zie de akte van aanstelling voor Adolf graaf van Nieuwenaar, als premier chef du Conseil, bewaard in het familie-archief Egmond te Parijs. (Busken Huet en Van Veen. Verslag onderzoek archivalia te Parijs, p. 122.)

). Bij de vermelding van de administratie der instelling wordt gesproken van: "ter Kamer van de Financiën" of "ten Bureele van de Financiën"; kortweg wordt het lichaam dan ook wel als "Kamer van de Financiën" aangeduid.

Joseph Saroels, de griffier van de Kamer der Tresorie, gingnaar de nieuw opgerichte Kamer over en eveneens was als griffier of secretaris (gelijk de benamingen naast elkander worden gebruikt) werkzaam Gijsbrecht van Zuylen, secretaris van den Raad van State.

Uit de historische literatuur over het Leycester-tijdperk is bekend het verzet, dat de instelling der Kamer, waarmede Leycester tegen de voor den Raad van State vastgestelde instructie inging, heeft ondervonden. In de vergadering van den Raad van Staten van 16 Augustus 1586 kwamen de bezwaren, ingebracht door de Staten van Holland en van Zeeland, ter sprake; de Staten beweerden, dat de administratie van de voor de oorlogvoering opgebrachte contributiën aan Zijne Excellentie en den Raad van State toekwam en niet aan "ceux des Finances". Ter tegemoetkoming aan deze bezwaren bepaalde Leycester, dat voortaan de ordonnantiën en andere depeches betreffende deze middelen op naam van Zijne Excellentie zouden uitgegeven worden, zonder melding te maken van de chefs, tresoriergeneraal en commiezen; de stukken zouden echter door één chef, 2 leden van den Raad van State, den tresorier-generaal en één commies gecontrasigneerd moeten worden.

De werkzaamheid van de Kamer der Financiën en Domeinen heeft slechts enkele maanden geduurd; zij blijkt een einde te hebben genomen na de gevangenneming van Jacques Reyngoudt in het laatst van Herfstmaand 1586.

Tot de weder-oprichting eener Kamer van de Tresorie ging Leycester eerst over, toen zijn vertrek naar Engeland op handen was. Op eene akte van Leycester betreffende de instelling van eene Kamer van contributiën namen de Staten-Generaal op 23 November 1586 het besluit "dat Zyne Excellentie bij provisie tot directie van de contributiën ende consenten van de provintien uyten Raedt van State sal eligeren vier persoonen uyt verscheyden van de contribuerende provintiën ende dat deselve metten thresorier, by Zyne Excellentie uyte genomineerde van de Heren Staten gecoren, sullen hebben d'opsicht van de distributie ende employ van de verscreven contributien ende consenten, welverstaende, dat de instructiën daerop deselve sullen dienen bij advyse van de Staten sullen worden gedresseert ende dat t voorsz. colegie oft thresorier, beneffens één oft twee van de secretarissen eenige clercken in plaitse van de commisen sullen moegen gebruycken tot beter directie van alle saecken, sonder dat nochtans deselve clercken eenige voix in 't colegie sullen hebben oft eenige ordonnantien oft deschargen sullen moegen teeckenen".

Op dezen zelfden dag werd uit het door de Staten-Generaal voorgedragen drietal een tresorier-generaal door Leycester benoemd. De aanwijzing der Raden van State, die in de Kamer zitting zouden hebben, geschiedde door Leycester bij akte, gedateerd 3 December 1586 (

Zie Depechenboek St.-Gen. 1586, stuk n°. 146.

). Op dien datum blijkt de Kamer reeds hare werkzaamheden te hebben begonnen.

De vroeger gebruikte benaming "Kamer van de Tresorie" is ook voor de nieuwe instelling in zwang gekomen. De arresteering eener instructie voor de Kamer, waarop door de resolutie der Staten-Generaal van 23 November gedoeld werd, is achterwege gebleven. Evenwel is een door den Raad van State geprojecteerde instructie tot ons gekomen; het stuk werd als "eertijds" ontworpen overgelegd bij de propositie, door den Raad van State op 26 Januari 1588 aan de Staten-Generaal gedaan (

Propositie met ontwerp-instructie zijn bewaard in de Loketkas Loopende 68.

).

Met het aftreden van den Raad van State in Maart 1588 heeft ook de werkzaamheid der Kamer een einde genomen.

Zoowel Saroels als Van Zuylen zijn naar de nieuwe Kamer van de Tresorie overgegaan; wij vinden hen aangeduid als griffier of secretaris.

Op het Algemeen Rijksarchief berusten archiefstukken der drie opvolgende Kamers, die door mij in één inventaris beschreven zijn, om dat in de gehouden registers geen scheiding is aangebracht.

Op tweeërlei wijze zijn de bescheiden der Kamers, welke afkomstig zijn van Saroels' administratie, op het Algemeen Rijksarchief terecht gekomen. De deelen zijn bewaard gebleven bij het archief van den Raad van State van 1588, de losse stukken in de Loketkas der Staten-Generaal. Daar Seroels al spoedig bij den nieuwen Raad van State in dienst is getreden, is de aanwezigheid der deelen bij het archief van den Raad verklaarbaar. De onder Saroels berustende losse stukken zijn, zooals reeds herhaaldelijk medegedeeld werd, bij het archief der Staten-Generaal gedeponeerd geworden. Bij de inventarisatie van dit archief door den agent Hendrick Verburch zijn de papieren in de Loketkasafdeeling beschreven.

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in