Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

1e Divisie / 1e Legerkorps

3.09.18
CAD-Defensie
Nationaal Archief, Den Haag
1984
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.09.18
Auteur: CAD-Defensie
Nationaal Archief, Den Haag
1984

CC0

Periode:

1859-1941
merendeel 1873-1941

Omvang:

10.20 meter; 287 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De archieven van de Staf van de 1e Divisie, het 1e Legerkorps op voet van vrede en op voet van oorlog en van het Regelingsbureau van het 1e Legerkorps bevatten voornamelijk agenda's en correspondentie betreffende diverse onderwerpen, zoals personele aangelegenheden, voorlichting en propaganda, ceremoniële aangelegenheden, (herhalings)oefeningen, opleidingen, wielrijders, zadelmakers, wapens en munitie, krijgstucht, capitulanten en chemische oorlogsvoering. Verder o.a. stukken betreffende de Geneeskundige en Veterinaire Dienst en de drinkwatervoorziening in het gebied achter de Hollandse Waterlinie in 1939-1940.

Archiefvormers:

  • Staf van de 1e divisie / het 1e Legerkorps op voet van vrede
  • 1e legerkorps als organisatie op voet van oorlog
  • Het Regelingsbureau van het 1e legerkorps

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Historisch overzicht.
Het ontstaan van het veldleger en de divisies.

Toen in juli 1870 een oorlog tussen Frankrijk en Pruisen uitbrak en er geen zekerheid bestond dat deze zich tot het gebied van een van deze mogendheden zou beperken, besloot de Nederlandse regering tot de mobilisatie van een gedeelte van het leger. De uitvoering van deze operatie, die een sterk geïmproviseerd karakter droeg, liet veel te wensen over. Bovendien kwam hierbij een groot aantal technische gebreken en leemten aan het licht. Op 20 juli, de dag van de mobilisatie, bepaalde Koning Willem III dat er een zgn. mobiel leger of observatieleger zou worden gevormd, bestaande uit drie divisies van elk twee brigades en uit drie afzonderlijke brigades.

Een in tijd van vrede vastgestelde oorlogsorganisatie van dit mobiele leger, dat in latere jaren de naam veldleger zou gaan dragen, bestond toen nog niet. De mobilisatie bestond uit het mobiel maken en op voet van oorlog brengen van een bepaald aantal bataljons infanterie, eskadrons cavalerie, batterijen veld- en rijdende artillerie en compagnieën mineurs, welke eerst later tot grotere verbanden werden gegroepeerd. Aanvankelijk bestond er geen opperbevel, noch een veldleger-of divisiecommando. De gemobiliseerde troepen stonden onder rechtstreeks bevel van de inspecteurs der infanterie, cavalerie, artillerie en genie.

Het hoofdkwartier van het mobiele leger, dat onder opperbevel van de Prins van Oranje stond, bevond zich in Utrecht. Aan hem waren toegevoegd: de chef van de Generale Staf, kolonel G.P. Booms, de hoofdintendant, generaal-majoor H. Hardenberg, de commandant der artillerie, kolonel F.C.H. Baron van Tuyll van Serooskerken, de commandant der genie, majoor A. Tutein Nolthenius. De Ie Divisie, die haar hoofdkwartier had te Haarlem, stond onder bevel van luitenant-generaal J.H. Engelbrecht. De le Brigade der Ie Divisie had als hoofdkwartier 's-Gravenhage en stond onder bevel van kolonel W.F. Le Maitre; de 2e Brigade had als hoofdkwartier Alkmaar en stond onder bevel van kolonel W. von Wrangel auf Lindenberg. Op 23 juli waren de troepen van het veldleger ter plaatse. Door het terugroepen van de officieren, die zich met verlof bevonden en het onder de wapenen komen van verlofgangers der Nationale Militie bedroeg de effectieve sterkte van de gehele Nederlandse krijgsmacht op 25 juli 61.055 man, t.w. 1955 officieren, 59.100 onderofficieren en manschappen. Zij beschikte over 4.250 paarden en 108 vuurmonden, georganiseerd in 35 bataljons infanterie, zestien eskadrons cavalerie, veertien veldbatterijen, vier rijdende batterijen en twee compagnieën mineurs. Er bestond geen afzonderlijke cavalerieorganisatie. Van de vier regimenten huzaren werden er twee ingedeeld bij de Ie Divisie en één regiment bij de IIIe Divisie. Eén regiment werd over de drie afzonderlijke brigades verdeeld. De batterijen artillerie waren bij de brigades ondergebracht, divisieartillerie, dan wel reserveartillerie, bestond nog niet. De artillerie was grotendeels immobiel doordat van het aantal voor de bespanningen benodigde paarden ongeveer de helft ontbrak, ofschoon er ruimschoots in het land aanwezig waren. In juli 1870 moesten, om de organieke sterkte aan paarden te bereiken, nog 1.255 paarden worden aangekocht of worden gevorderd. De achttien batterijen rijdende- en veldartillerie beschikten pas eind september over hun volledige uitrusting. Het leger was toen reeds geheel gedemobiliseerd. Ook bij de cavalerie bestond aanvankelijk een gebrek aan paarden. Uit het bovenstaande blijkt dus duidelijk dat dit mobiele leger in 1870 niet geschikt was om reeds spoedig na de mobilisatie offensief op te treden, hetgeen gelukkig toen ook niet nodig is geweest. In verband met het verloop van de krijgshandelingen in Frankrijk besloot de regering al vrij snel om tot demobilisatie van de strijdkrachten over te gaan. Hiermee werd op 14 september een aanvang gemaakt. De mobilisatie van 1870 bewees hoe gevaarlijk het was in vredestijd de materiële voorzieningen voor het leger op voet van oorlog te verwaarlozen. De toenmalige minister van Oorlog, A. Engelvaart, verklaarde hieromtrent in zijn verslag over de mobilisatie aan de Staten-Generaal: "Het tijdperk van voorbereiding tot de oorlog is in onze wetgeving onbekend. Blijkbaar heeft de wetgever slechts oog gehad op vrede en oorlog, alsof die twee toestanden scherp van elkaar gescheiden maren en geen tijd van overgang bestond". De opgedane ervaringen tijdens de mobilisatie van 1870 hadden geleerd, dat er aan de strijdkrachten zowel in kwantitatief als in kwalitatief oogpunt dringend een en ander veranderd diende te worden. Tevens werd ingezien dat een mobilisatie reeds in vredestijd moest worden voorbereid. Voor het regelen van de mobilisatievoorbereiding en het treffen van enkele andere maatregelen op organisatorische gebied werden op 1 juli 1873 staven opgericht van de Ie, IIe en IIIe Divisie. De IVe Divisie werd pas per 1 juli 1905 opgericht, terwijl het Hoofdkwartier van het Veldleger op 1 oktober 1907 werd opgericht. Eveneens werden de regimenten infanterie uitgebreid met een staf.

Divisiecommandanten

Divisiecommandanten hadden tot taak het bevorderen van de geoefendheid en de tactische samenhang van de onder hun bevelen gestelde troepen. Dit laatste was echter door de structuur van het veldleger, waarbij regimenten uit schooleenheden bestonden en waarbij oefenen in oorlogsverbanden slechts zeer onvoldoende kon worden beoefend, bijna onmogelijk. Bovendien bestond er geen rechtstreeks verband tussen de vredes- en oorlogsonderdelen en was er voor de divisiecommandanten slechts sporadisch gelegenheid om zelf de leiding te nemen bij een oefening met troepen van verschillende wapens of het bevel te voeren over een grote eenheid. De commandanten dienden tevens bijzonder het oog te houden op de bij mobilisatie uit de divisie te vormen oorlogsverbanden. Hiertoe werd reeds in vredestijd een uitgebreide voorbereiding opgezet. Opgelegde mobilisatiegoederen dienden aangevuld en onderhouden te worden, vervoersaspecten in ogenschouw te worden genomen, lastgevingen, zakboekjes en andere mobilisatiebescheiden up-to-date gehouden te worden. De divisiecommandanten waren tevens bevelhebber in een militaire afdeling. Als zodanig stonden zij rechtstreeks onder de bevelen van de minister van Oorlog/Defensie en hadden zij onder hun bevel de garnizoens-commandanten, commandanten en chefs van dienst die bevoegd waren om op te treden in aangelegenheden die betrekking hadden op de garnizoensdienst, de militaire politie, het gedrag van militairen in het openbaar of de militaire bijstand. Zij waren belast met de voorbereiding van het gebruik van militaire machtsmiddelen in geval van handhaving of herstel van de openbare orde en de voorbereiding van het militair gezag in die omstandigheden. Zij stelden zich beschikbaar voor het plegen van overleg met de commissarissen der Koningin en de burgemeesters betreffende militaire maatregelen ter handhaving of herstel van orde en rust en het verlenen van militaire bijstand en verstrekten desgevorderd de last tot het verlenen van militaire bijstand door in hun militaire afdeling verblijf houdende troepen. Tenslotte hadden zij toezicht op huisvesting, stalling en gebruik voor militaire doeleinden van gebouwen, terreinen en dergelijke. De Commandant van de Ie Divisie was Bevelhebber in de eerste Militaire Afdeling.

Reorganisatie

De na 1870 opvolgende ministers van Oorlog hebben getracht, binnen het kader van het bereikbare en gebonden aan de grondwettelijke bepalingen, de gebreken in de krijgsmacht te verbeteren. In 1881 kwam een belangrijke legerreorganisatie tot stand onder minister van Oorlog A.E. Reuther, die een oordeelkundig stelsel van landsverdediging ontwierp en daarop de legervorming en de legerorganisatie baseerde. Hij organiseerde allereerst het operatief orgaan, het veldleger, in drie divisies, elk bestaande uit drie regimenten infanterie, één regiment cavalerie, één regiment veldartillerie en één compagnie genietroepen. Indien nodig stond devarende pontontrein, d.w.z. een eenheid bestaande uit brugslagmaterieel die zich over het water verplaatste, ter beschikking van het veldleger. Een commando veldleger zou alleen in oorlogstijd worden opgericht, terwijl het divisieverband zich in vredestijd alleen over de regimenten infanterie uitstrekte. Teneinde een zelfstandige cavaleriebrigade te kunnen vormen uit de cavalerie en het Korps Rijdende Artillerie werd er bepaald dat de regimenten cavalerie geheel of gedeeltelijk aan de divisies konden worden onttrokken. Het veldleger was bestemd voor het uitvoeren van operaties buiten de linies en stellingen, die door aparte troepen werden bezet.

De periode 1881-1914.

In 1881 bestond de Ie Divisie als vredesorganisatie uit het Regiment Grenadiers en Jagers en het 4e en 7e Regiment Infanterie. Op 10 juli 1904 werd zij uitgebreid met het 10e Regiment Infanterie, terwijl in 1905 het 7e Regiment hieraan werd onttrokken. In 1909 veranderden de infanteriedivisies door toevoeging van onderdelen van andere wapens in gemengde eenheden. Zo kwamen in genoemd jaar het 3e Regiment Huzaren en het 2e Regiment Veldartillerie onder de Ie Divisie te ressorteren.

In de jaren 1893-1903 kwamen er op het gebied van de legervorming enkele regelingen tot stand, waardoor onder meer de sterkte van de krijgsmacht werd opgevoerd. Mede als gevolg daarvan kon in 1905 het veldleger worden uitgebreid met een vierde divisie.

Op 1 oktober 1907 kreeg het de volgende samenstelling: het Hoofdkwartier van het Veldleger, vier divisies, het Korps Rijdende Artillerie en het Eskadron Ordonnansen. Elke vredesdivisie bestond vanaf dat moment uit een staf, twee infanteriebrigades met elk drie regimenten infanterie, een regiment cavalerie en een regiment veldartillerie. Het veldleger kreeg nu ap papier een sterkte van ongeveer 80.000 man.

Op 1 maart 1912 trad een nieuwe militiewet, opgesteld door minister van Oorlog H. Colijn, in werking. Deze bracht een aantal belangrijke verbeteringen, waaronder de uitbreiding van het aantal jaarlijks op te roepen dienstplichtigen, waardoor het mogelijk werd de tactische eenheden beter te oefenen, en een meer uniform opleidingssysteem. Colijn breidde verder de infanterie met 24 bataljons uit. Er werden nu twaalf infanteriebrigades gevormd van elk twee regimenten. Ieder infanterieregiment bestond uit drie bataljons en een depotcompagnie, die als opleidingseenheid fungeerde. De organisatie van het leger werd nu zodanig verbeterd dat snel van vredes- op oorlogsvoet kon worden overgegaan. Dit werd mogelijk door het verschil tussen de vredes- en oorlogssituatie tot een minimum te beperken. De kernen van de oorlogseenheden waren in vredestijd reeds aanwezig.

De mobilisatie 1914-1918.

Op 31 juli 1914 kondigde Nederland de mobilisatie af. Deze had een voorspoedig verloop; binnen twee dagen was zij voltooid. Het commando over de gezamenlijke strijdkrachten werd in handen gelegd van de opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, generaal C.J. Snijders, tot op dat moment chef van de generale staf. De vier divisies van het veldleger kregen de volgende locaties: de Ie Divisie langs de Noord- en Zuidhollandse kust, de IIe langs de IJssel, de IIIe in Noord-Brabant en de IVe als reserve op de Veluwe. Als reactie op de gevechtshandelingen in België besloot de opperbevelhebber onder meer tot verplaatsing van deze laatstgenoemde divisie naar Noord-Brabant. Toen als gevolg van de Duitse aanval op Antwerpen, begin september 1914, het nodig bleek de locaties van de IIIe en IVe Divisie meer naar het westen te verschuiven, kreeg de commandant van de Ie Divisie opdracht één van zijn brigades naar oostelijk Brabant over te brengen. Gedurende de mobilisatie bestond elk van de vier divisies van het veldleger uit een staf, drie brigades infanterie van elk twee regimenten, verder een compagnie wielrijders, en bereden mitrailleursafdeling, een eskadron huzaren, een regiment veldartillerie, bestaande uit drie afdelingen, een compagnie veldpioniers en de divisietrein. Deze laatste bevatte een infanteriemunitietrein, een artilleriemunitietrein, een telegraaf af deling, een verplegingsafdeling en een pontonafdeling. De staf van een divisie was verdeeld in 5 secties, t.w.: Sectie I Generale Staf, Sectie II Intendance, Sectie III Geneeskundige dienst, Sectie IV Artillerie en Sectie V Rechtspleging. Elke divisie had een sterkte van 23.000 man en beschikte over 3.500 paarden en 800 voertuigen. De omvang van het gemobiliseerde leger was alleszins redelijk, maar de bewapening, de uitrusting en de graad van geoefendheid bleken onvoldoende. Een deel van deze tekortkomingen kon echter in de loop van de volgende jaren worden opgeheven.

De jaren 1918-1939.

De sluiting van de wapenstilstand op 11 november 1918 maakte voor Nederland een einde aan het dreigende oorlogsgevaar. Op 14. november werd een begin gemaakt met de demobilisatie, die tot in mei 1919 voortduurde. Als reactie op de gruwelen van de voorbije oorlog won de ontwapeningsgedachte in Nederland meer en meer terrein. Dit idee, dat nog werd versterkt door het idealisme dat geput werd uit de oprichting van de Volkenbond, werd door enkele politieke partijen overgenomen. Mede onder invloed daarvan besloot de regering tot inkrimping van het leger en bezuiniging op de defensie-uitgaven, wat onder meer tot uitdrukking kwam in de Dienstplichtwet van 1922 en een reorganisatie van het veldleger, dat zou gaan bestaan uit acht mobiele divisies en een lichte brigade.

Een ingrijpende wijziging in de vredesorganisatie vormde de opheffing van het bataljonsverband bij de infanterie. Het regiment infanterie bestond nu uit enkele schoolcompagnieën, terwijl alleen een zwakke regimentsstaf de kern voor de regimentsstaf in oorlogstijd vormde. Na 1922 is herhaaldelijk het aantal schoolcompagnieën (twee of drie) gewijzigd. Met de invoering van de schooleenheden daalde de bestaande graad van paraatheid van het veldleger aanmerkelijk. Een systematische opleiding van de reserve-officieren als lagere aanvoerders van het oorlogsleger werd met kracht ter hand genomen.

De bezuinigingen in de jaren '20 en '30 hadden voor defensie catastrofale gevolgen, die tot diep in de jaren dertig doorwerkten. Bedroegen de defensie-uitgaven in 1919 nog 207 miljoen gulden, in 1921 was dit reeds teruggebracht naar 127 miljoen, met als dieptepunt 1934: 75 miljoen. In zestien jaar tijd werd 235 miljoen minder uitgegeven dan door de Staten-Generaal was gevoteerd. Enige verbetering trad in toen luitenant-generaal I.H. Reynders, chef van de generale staf sinds 1 mei 1934, in februari 1935 in een lange nota aan minister van Defensie Mr. Dr. N.L. Deckers voorstellen deed, dit als antwoord op de vraag van de minister "of de algemene internationale toestand" hem aanleiding gaf "tot het doen van enige voorstellen". De generaal pleitte voor een uitbreiding van het jaarlijks onder de wapenen te roepen contingent dienstplichtigen, liefst tot 30.000 man, verbetering van de materiële uitrusting -meer infanterie- en luchtdoelgeschut, meer vliegtuigen - en wijziging van de ligging der mobilisatiecentra. Uitbreiding van het contingent tot 32.000 man en verlenging van de duur van eerste oefening kwamen eerst in februari 1938 tot stand. In maart 1936 werd het Defensie-fonds in het leven geroepen, waarin voor de verbetering van de bewapening 26 miljoen gulden was uitgetrokken. Hoewel dit op zich een gunstige ontwikkeling was, was dit bedrag aanzienlijk lager dan dat wat generaal Reynders in een urgentieplan had genoemd, n.1. 147 miljoen.

De mobilisatie 1939-1940.

Toen op 22 augustus 1939 de sluiting van een Duits-Russisch niet-aanvalsverdrag bekend gemaakt werd, trof de regering een aantal voorzorgsmaatregelen: een deel van de klein-verloven werd ingetrokken, dienstplichtigen onder de wapenen, thuis met verlof verblijvend, moesten terugkeren.'s-Middags kregen enkele bataljons opdracht de oorlogsopstellingen in te nemen. Op 24 augustus besloot de regering tot afkondiging van de voormobilisatie en op 28 augustus tot algehele mobilisatie. De lichtingen 1924 tot en met 1939 van zee- en landmacht kwamen nu in hun geheel onder de wapenen. De mobilisatie had een gunstig verloop. Gebouwen werden gevorderd, noodvoorzieningen voor het leger getroffen en legergoederen naar verschillende legereenheden vervoerd. Dit dient niet te licht opgevat te worden: het leger had 28.000 fietsen nodig, 7000 auto's en 33.000 paarden. Bovendien moesten vijftien treinen voor het vervoer van gewonden van het front naar ziekenhuizen worden samengesteld en 32 hospitaalschepen worden ingericht. De vredesdivisies, welke op het moment van mobilisatie divisiegroepen werden, hadden per 1 juli 1939 de naam "legerkorps" gekregen. Deze benaming bleef na de mobilisatie gehandhaafd. De infanteriebrigades, bij mobilisatie bestemd om uit te groeien tot divisie, werden georganiseerd als divisies. De regimenten veldartillerie, tot nu toe bestemd om bij mobilisatie deel van een divisie uit te maken, werden er nu reeds in vredestijd bij ingedeeld. Op 15 december 1938 was te Utrecht opgericht het 10e Regiment Motorartillerie en ingedeeld bij de Ie Divisie. De legerkorpsen kregen dus de vredessamenstelling: stafkwartier, waarin opgenomen de commandant, de intendant en de legerkorpsartilleriecommandant, twee divisies en een regiment motorartillerie. De samenstelling van de divisies was: staf, drie regimenten infanterie en een regiment veldartillerie. Deze reorganistie had eerst op 1 juli 1959 plaats, doch in het jaar daarvoor, in maart 1938, waren reeds de regimenten infanterie georganiseerd. Na de wijziging van de Dienstplichtwet in 1938 -verhoging contingent en verlenging duur eerste oefening- waren de regimenten als volgt samengesteld: de staf, waarin opgenomen het mobilisatiebureau en twee bataljons (het Ie en IIe). Deze laatsten bestonden uit: staf, twee tirailleurscompagnieën en een specialistencompagnie. Bij de Ie bataljons zou gedurende vijf en een halve maand de eerste opleiding der dienstplichtigen plaats hebben, waarna zij zouden overgaan naar de IIe bataljons, welke waren bestemd voor de strategische beveiliging. Een deel van deze IIe bataljons zou worden gelegerd in garnizoenen welke niet ver van de landsgrenzen waren gelegen. Bij daadwerkelijke opstelling voor strategische beveiliging kregen deze IIe bataljons de naam grensbataljons. Op het tijdstip van mobilisatie bestond het Ie Legerkorps uit: staf, de Ie Divisie (staf. Regiment Grenadiers, Regiment Jagers, 4e Regiment Infanterie, 2e Regiment Veldartillerie), de 2e Divisie (staf, 10e, 15e en 22e Regiment Infanterie, 6e Regiment Veldartillerie) en het 10e Regiment Motorartillerie.

Na afkondiging van de mobilisatie diende uiteraard concentratie van troepen te volgen. Generaal Reynders moest echter op het laatste moment, op 30 augustus, op voorstel van minister-president De Geer, terwille van de neutraliteitshandhaving het Ie Legerkorps achter de kust opstellen in plaats van aan het oostfront van de Vesting Holland. In de nacht van 30 op 31 augustus verzond de Generale Staf het concentratietelegram. De locatie van de troepen was in grote lijnen als volgt: het Ie legerkorps langs de kust tussen 's-Gravenhage en Haarlem, het IIe Legerkorps langs de Grebbelinie, het IIIe Legerkorps en de Lichte Brigade in de Peel-Raamstelling en het IVe Legerkorps tussen Utrecht en het IJsselmeer. Gezien de politiek van strikte neutraliteit lag het voor de hand dat het Nederlandse leger uitsluitend een verdedigende taak had. Er bestonden drie defensielijnen. De meest oostelijke bestond uit de IJssel- en Maaslinie. Daarachter kwam de middelste, welke werd gevormd door de Grebbelinie. De Peel-Raamstelling was het meest zuidelijke deel daarvan. De Nieuwe Hollandse Waterlinie was de meest westelijke verdedigingslijn. Deze beschermde het oostfront van de Vesting Holland. Generaal Reynders, sinds de mobilisatie opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, stelde een operatieplan op waarin de Nieuw Hollandse waterlinie werd bestemd tot hoofdweerstandslijn. De regering was het hiermee volstrekt oneens. Door dit meningsverschil en nog enkele andere zag Reynders zich begin 1940 genoodzaakt zijn funktie neer te leggen. In zijn plaats werd op 6 februari 1940 generaal H.G. Winkelman benoemd. Deze wees kort daarop de Grebbelinie aan als hoofdweerstandslijn.

Uitrusting

De troepen waren slecht uitgerust. Zij waren bewapend met karabijnen en geweren die voor het merendeel van het eind van de vorige eeuw dateerden. Half-automatische geweren en machinepistolen waren bij het leger onbekend. Van het geschut was een deel verouderd. Bij de lichte mitrailleurs deden zich veel storingen voor. Tanks had het leger helemaal niet. Het luchtwapen stelde, ondanks de geoefendheid van de vliegers, weinig voor. Het beschikte slechts over een vrij beperkt aantal, deels verouderde toestellen. Veel van het nieuwe in het buitenland bestelde materieel kon niet worden afgeleverd. Het Nederlandse leger was weliswaar niet gering van omvang, ongeveer 300.000 man, maar was slecht getraind.

De strijd in mei 1940, de capitulatie en de ontbinding van het leger.

In de vroege morgen van 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen. Tegelijkertijd probeerden ze vanuit de lucht het regeringscentrum te veroveren met de bedoeling de leden van het Koninklijk Huis, het kabinet en de legerleiding gevangen te nemen. Hoewel zij zich in korte tijd wisten meester te maken van de vliegvelden in de omgeving van Den Haag konden zij niet verhinderen dat de Nederlandse troepen hier een groot deel van de aanvankelijk prijsgegeven posities konden heroveren. Deze leverden, evenals in Rotterdam, waar de vijand onder meer de Maasbruggen in handen had gekregen, felle tegenstand. Verder namen de Duitsers die ochtend vanuit de lucht de rivierovergangen bij Dordrecht en Moerdijk in bezit. Op deze eerste oorlogsdag braken de vanuit het oosten binnengevallen eenheden door de IJssel- en Maaslinie heen. De in de drie noordelijke provincies opgestelde Nederlandse troepen trokken zich na de Duitse inval terug achter de wonsstelling bij het begin van de Afsluitdijk. In de nacht van de 10e op de 11e mei kreeg de bezetting van de Peel-Raamstelling, waar overdag fel gevochten was, bevel terug te gaan tot achter de Zuid-Willemsvaart.

Op 11 mei vielen de Duitsers de Grebbelinie aan. De strijd concentreerde zich op deze en de volgende dagen bij de Grebbeberg, waar felle gevechten plaatsvonden. In het noorden brak de vijand op 12 mei door de Wonsstelling heen. In midden-Brabant arriveerde een Frans hulpkorps om daar samen met de Nederlanders zich tegen de oprukkende Duitse eenheden te weer te stellen. Hiervan kwam echter weinig terecht. In de namiddag bereikte de vijand het bruggehoofd bij Moerdijk en rukte vandaar verder in noordelijke richting op. Op 13 mei zette een Duitse cavaleriedivisie een aanval in op de stelling bij Kornwerderzand, op het noordoostelijk deel van de Afsluitdijk, maar dankzij de hier geleverde tegenstand slaagde deze er niet in daar doorheen te breken. Diezelfde dag wisten de Nederlandse troepen in de Vesting Holland door het vormen van een front tussen Delft en Oude Rijn te verhinderen dat de Duitsers vanuit de omgeving van Den Haag, Wassenaar en Leiden naar Rotterdam konden oprukken. Door de omstandigheden gedwongen weken Koningin Wilhelmina en de leden van het kabinet die dag uit naar Engeland. Prinses Juliana was met haar gezin de dag daarvoor al vertrokken. De toestand bij de Grebbeberg was zo kritiek geworden dat de commandant van het veldleger besloot zijn troepen hier in de nacht van 15 op 14 mei achter het oostfront van de Vesting Holland terug te trekken. In Rotterdam werd sinds de 10e mei zwaar gevochten, met name rond de Maasbruggen. Een door de Duitsers in de middag van 14 mei gesteld ultimatum de stad aan hen over te geven op straffe van een bombardement, werd afgewezen. Terwijl de onderhandelingen over de capitulatie van de hier gelegen Nederlandse onderdelen nog aan de gang waren, voerde de vijand dit dreigement toch uit. Hierna besloot generaal Winkelman de strijd in het hele land, met uitzondering van Zeeland, waar Nederlandse, Franse en Belgische troepen nog tot 19 mei doorvochten, te staken.

Capitulatie

Op woensdagmorgen 15 mei zette de Nederlandse Opperbevelhebber te Rijsoord zijn handtekening onder het capitulatieverdrag. Voor de meeste militairen vormden de eerste dagen die op de capitulatie volgden een periode van demoralisatie en verwarring. Hieraan kwam een einde, toen bepaald werd dat de eenheden zoveel mogelijk moesten terugkeren naar de gebieden waar zij op 9 mei gelegerd waren. De demobilisatie werd verder geregeld volgens aanwijzingen van een Duitse Kommissar. Op 22 mei keurde generaal Winkelman goed dat de helft van het reserve- en dienstplichtig personeel naar huis zou terugkeren; twee weken later kreeg de rest verlof om te vertrekken. De krijgsmacht van ongeveer 300.000 man was op 15 juni tot ruim 80.000 man ingekrompen, een maand later tot ruim 60.000. Hoofdkwartieren en staven waren geleidelijk opgeheven, wat nog aan arbeid verricht moest worden werd in juli, toen ook het Algemeen Hoofdkwartier verdween, bij een Hoofdregelingsbureau geconcentreerd, dat nauw samenwerkte met het Afwikkelingsbureau van het Departement van Defensie. Er moest een bende werk verzet worden. Vermisten moesten worden opgespoord, de oorlogsgewonden verzorgd, pensioenen toegekend. Ook de militaire rechtspraak werd voortgezet. Een speciaal probleem vormden de beroepsmilitairen en de cadetten die een officiersopleiding volgden. De Koninklijke Militaire Academie werd in juli 1940 opgeheven; tegelijk werd in Breda een "School Breda voor de Opbouwdienst" opgericht, waar cadetten en beroepsmilitairen die geen opleiding konden volgen of werk vinden, samen met dienstplichtigen voor wie datzelfde gold, in een "Opbouwdienst"- een soort Arbeidsdienst opgenomen konden worden. Op 15 juli 1940 was de demobilisatie goeddeels voltooid en was de Nederlandse krijgsmacht opgeheven.

Commandanten van de Ie Divisie/het Ie Legerkorps 1873-1940.

Alle hieronder genoemde commandanten bekleedden de rang van generaal-majoor; de met * gemerkte namen behoorden tot het Wapen der Artillerie, de overige tot het Wapen der Infanterie.

1 juli 1873P.G.J. van der Schrieck
1 april 1876A.W.P. Weitzel
8 februari 1878S.L.J. Queysen
24 november 1884E.J. van Bel
28 april 1885Jhr. A.R.J. Klerck
26 april 1890J.N.A. Baron Taets van Amerongen
29 april 1891H.P.J. Hennus
8 december 1892W.G. Rompelman
21 maart 1896C.P. van Pommeren
29 december 1897Jhr. Laman Trip
29 november 1900M.H.J. Plantenga
5 februari 1901W.B.J. Duycker
1 mei 1904Jhr. L.F.A. van der Goes
1 mei 1906W.A.T. de Meester
1 mei 1909H.C.A. Neeteson
1 november 1911A.E. Roest van Limburg
1 mei 1913A.L. Klerk de Reus
22 december 1915J. van Delft
16 maart 1918H. Croockewit
1 mei 1919H.A.C. de Block
1 november 1921J.H.A. Mijsberg
1 mei 1923P.J.H. van der Palm
20 november 1925W.E. van Dam van Isselt
2 mei 1928*H.A. Seyffardt
1 mei 1929*Jhr. W. Röell
1 mei 1932T. de Goeijen
1 maart 1934*J. van Andel
1 november 1936*Jhr. J.T. Alting von Geusau
13 maart 1940*N.T. Carstens
Voor het samenstellen van dit historisch overzicht werd geraadpleegd:

De jaren '40. Utrecht, 1983 (Summa Decennium Serie)

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, d1.I-IV (2e en 4e dr.; 's-Gravenhage, 1976-1977)

Revue Internationale d'Histoire Militaire no. 58 (1984)

H. Ringoir, De Nederlandse Infanterie. (Bussum, 1968)

Summa Encyclopedie. (Utrecht, 1979)

I.L. Uijterschout, Beknopt Overzicht van de Belangrijke Gebeurtenissen uit de Nederlandse Krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden (1935). (Kampen, 1935)

Documentatie Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf, 's-Gravenhage.

FOTO'S: fotoarchief Sectie Militaire Geschiedenis Landmachtstaf, 's-Gravenhage.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr> <span>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in