gahetNA in het Nationaal Archief

RGD / Tekening Rijksgebouwen

4.RGD
J. Faber
Nationaal Archief, Den Haag
1992
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

4.RGD
Auteur: J. Faber
Nationaal Archief, Den Haag
1992
CC0

Periode:

1763-1950
merendeel (1824) 1763-1950(1957)

Omvang:

2763 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Er is een korte samenvatting in het Engels.

Soort archiefmateriaal:

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit archief bevat plattegronden, bestekken, tekeningen en foto’s van gebouwen beheerd door de Rijksgebouwendienst in Nederland. Alle tekeningen uit de inventaris van koninklijke paleizen, landsgebouwen (ook in Brussel), scholen, kazernes, ziekenhuizen, post- en telegraafkantoren, gevangenissen en gerechtshoven zijn op microfiche gezet. Een beperkt aantal tekeningen zoals aanzichten en revisietekeningen zijn bewaard gebleven en in een aparte lijst opgenomen. Het archief is verdeeld in dat van de architect en de bouwkundig ambtenaar – met het uitgebreide objectenarchief (gerangschikt per gemeente), een rubriek met een foto- en bestekkenverzameling en stukken die geen betrekking hebben op in beheer zijnde objecten. Daarnaast is er het archief van de constructeur – ook met objecten gerangschikt op gemeente, ook een enkele Franse. Dan volgt het persoonlijk archief van H. de Lussanet de la Sablonière. Er zijn indices op persoonsnaam en op zaak en gebouw.

Archiefvormers:

  • Ministerie Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) / Rijksgebouwendienst 1763-1940
  • Ministerie van Binnenlandse Zaken, Onderwijs en Waterstaat / Afdeling C / Administratie van Waterstaat, Wegen en Publieke Werken 1823-1829
  • Ministerie van Binnenlandse Zaken, Waterstaat en Publieke Werken / Afdeling C / Administratie van Waterstaat, Wegen en Publieke Werken 1820-1823
  • Ministerie van Binnenlandse Zaken / 3e Afdeling Waterstaat 1831-1877
  • Ministerie van Financiën / Afdeling Rijksgebouwen 1922-1935
  • Rijksbouwmeester voor de Landsgebouwen in het Tweede District 1919-1923

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Bij Koninklijk Besluit(

Staatsblad nr. 470, 29juli 1922.

) werd in 1922 de zorg van de Rijksgebouwen hier te lande opgedragen aan het Ministerie van Financiën, met dien verstande, dat deze opdracht slechts de bemoeienissen inzake aankoop, huur, stichting, verbouwing, onderhoud of eerste inrichting betreft. Het besluit vindt plaats op voordracht van de Ministers van Financiën, Justitie, Binnenlandse Zaken, Onderwijs Kunsten & Wetenschappen, Marine, Oorlog, Waterstaat, Landbouw, Nijverheid en Handel en Arbeid.

Artikel 2 van het besluit geeft een opsomming van gebouwen die niet onder de boven- vermelde zorg vallen. Zoals: ... de gebouwen die rechtstreeks deel uitmaken van de Iandsverdediging, of bestemd zijn voor technische doeleinden en door hun inrichting slechts als zodanig kunnen dienen, alsmede die, welke één geheel vormen met Rijksgebouwen of Rijkswerken waarvan de zorg aan het hoofd van een ander departement blijft opgedragen.

Zoals uit het hierna volgend historisch overzicht zal blijken, is het niet zo dat er tot 1922 geen Organisatie bestond, die zich bezig hield met het overheidsbouwen. Integendeel, de meeste ministeries die tot de oprichting van de Rijksgebouwendienst (hierna RGD) besloten, hadden in de l9de eeuw reeds gespecialiseerde bouwbureaus. Ook waren er in het verleden overkoepelende organisaties geweest, die het bouwen van de centrale overheid begeleiden. Al deze bureaus, diensten of organisaties zijn te beschouwen als de voorlopers van de RGD. De archieven van deze organisaties zijn in 1924 deels mee overgedragen aan de nieuw opgerichte RGD; deels bevinden zij zich nog in de archieven van de voorlopers.

Alvorens verder in te gaan op het K.B. van 1922 volgt eerst een historisch overzicht van het Rijksbouwen zoals dat tot dan had plaatsgevonden.(

Voor het overzicht, met name het deel nà 1800, is veel gebruik gemaakt van gegevens verzameld door drs. C.J. van der Peet, werkzaam bij het Bureau Rijksbouwmeester van de Rijksgebouwendienst. Begin '93 zal bij het Bureau Rijksbouwmeester een studie van de geschiedenis van het rijksbouwen verschijnen.

)

Historisch overzicht
Tot 1795

Indien wij de bouw van het hof van de Hollandse Graven als eerste activiteit van overheidsbouwen beschouwen, dan zijn hiervan op de plaats van het huidige Binnenhof reeds vanaf het begin van de 13de eeuw sporen te traceren. Floris IV (gest. 1234) laat er een woning bouwen. Op dezelfde plek wordt ten tijde van Floris V (gest. 1296) een grote zaal, de Ridderzaal, voltooid. Vervolgens worden nog een kapel en diverse woon- en dienstvertrekken (kwartieren) aan de plek toegevoegd. In de 15de eeuw verrijst aan de westzijde van de Ridderzaal het Stadhouderlijk kwartier. Den Haag wordt meer en meer het middelpunt van het bestuur van Holland en Zeeland, met name vanwege de gunstige geografische ligging en vanwege het feit dat vanouds hier de grafelijke kanselarij en Raad gevestigd zijn. Het Binnenhof groeit uit tot de voornaamste plek voor de bijeenkomsten van de Graven en hun Raden, de Stadhouder en de Staten.

In 1572 treden de Staten in de rechten van de landsheer. De Republiek wordt vanaf dan bestuurd door de vertegenwoordigers van Statencolleges van de zeven provincies: de Staten Generaal. De Staten van Holland nemen de zorg voor de stadhouderlijke, generaliteits en gewestelijke gebouwen in Den Haag in uitvoerende en financiële zin over en worden eigenaar. De uitvoering wordt overgelaten aan een van hun beambten: de controleur of contraroleur, of, zoals in 1640, een timmerman van den hove.(

Zie CH. Peters, De landsgebouwen te 's-Gravenhage, Den Haag, 1891, p. 28.

) Een bekende controleur van het gewest Holland is Pieter Arendsz. Noorwitz (gest. 1669). De taken van de controleur zijn vergelijkbaar met die van een fabriek/bouwmeester in de grote steden.

In de l8de eeuw worden voor het Binnenhof grote nieuwbouwplannen gemaakt. Naast de gecontracteerde werklieden werkzaam voor het bouwbureau van Holland, krijgen bekende architecten opdracht om, met name voor het Stadhouderlijk kwartier, prestigieuze aanpassingen uit te werken. Omstreeks 1750 laat men Pieter de Swart plannen hiervoor maken, die nimmer worden uitgevoerd. Vijfentwintig jaar later vinden de ontwerpen van de Duitse architect F.L. Gunckel wel doorgang. De scheiding tussen wat strikt voor de Oranjes wordt gedaan en wat voor het gewest is niet altijd duidelijk te trekken. Het bouwbureau van Holland wordt in deze tijd maar al te vaak gebruikt voor de werkzaamheden aan de eigendommen van de Stadhouder (met name het Huis ten Bosch en het Paleis Noordeinde).

Buiten het Binnenhof beheren de Provincies hun eigen openbare gebouwen. Het onderhoud van veel objecten wordt ook vaak aan lagere overheden (waaronder steden en waterschappen) gedelegeerd, of valt hen vanouds reeds toe (bijvoorbeeld de gebouwen voor rechtspraak en onderwijs). Het delegeren aan een lagere overheid is vooral de praktijk in de Generaliteitslanden. Deze landen waren niet door staten in Den Haag vertegenwoordigd en werden door de Raad van State, de Raad van Brabant en de Raad van Vlaanderen bestuurd.

Na 1795

Als na 1795 de eenheidsstaat ontstaat, heeft dit niet onmiddellijk consequenties voor de Rijksbouwen. Lagere overheden onderhouden nog steeds de overheidsgebouwen, waar nu ambtenaren van de centrale overheid in gehuisvest zijn. In Den Haag wordt voor het staatsapparaat de voormalige gebouwendienst van Holland ingezet. Govert van der Linden is de Contraroleur. Na 1806, de Republiek wordt een Koninkrijk, blijft Van der Linden aan. In 1808 wordt hij vervangen door Johan van Westenhout te Amsterdam, bijgestaan door A.J. Noordendorp in Den Haag. Voor de paleizen stelde de Koning naar Frans voorbeeld een vaste hofarchitect aan. Rond deze Architect der Koninklijke Paleizen ontstaat een klein bureau. In 1810, ten tijde van het keizerrijk, blijft hiervan maar één architect over, B.W.H. Ziesenis. Na de val van Napoleon worden de bureaus voor de paleizen en de landsgebouwen met elkaar verbonden tot één bureau, dat vanaf 1815 onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Waterstaat staat. De architect Ziesenis wordt nu Architect der Koninklijke Paleizen en Landsgebouwen. Hij wordt in 1820 opgevolgd door Charles van der Straeten, die in 1825 weer wordt opgevolgd door de reeds genoemde A.J. Noordendorp. Ook in Brussel worden architecten aangesteld .

Buiten de residenties worden waterstaatsbeambten met het technische beheer belast. In geval van nieuwbouw wordt tot 1834 de genoemde Architect der Koninklijke Paleizen en Landsgebouwen ingeschakeld, of wordt een beroep gedaan op een particuliere architect. Als in 1833 de Architect der Koninklijke Paleizen en Landsgebouwen in Den Haag overlijdt, blijft zijn stoel wegens gebrek aan werk onbezet.(

In het nieuwe België zal iets soortgelijks gebeuren; in 1838 wordt daar de Bouwmeester van de Koninklijke Paleizen en Landsgebouwen T.F. Suys eervol ontslagen als blijkt dat er niet voldoende werk meer voor hem is.

) De Waterstaat neemt voorlopig in de persoon van een inspecteur in het gewest Zuid-Holland het ambt van Architect der Landsgebouwen en Koninklijke Paleizen in de residentie waar.

In 1858 wordt na vele protesten over het lage peil van de kwaliteit van de Waterstaatsarchitectuur weer een Bouwmeester van 's Landsgebouwen aangesteld: W.N. Rose. Hij krijgt de zorg over de gebouwen in de residentie. Als veelbelovend architect, hij had reeds een behoorlijke staat van dienst, verdwijnt hij even snel als hij gekomen is. Hij krijgt namelijk zware kritiek op zijn ontwerpen en vooral op de ingrepen die hij aan oudere gebouwen verricht. Het voormalige Ministerie van Koloniën aan het Plein in Den Haag (gebouwd rond 1860) wordt vanwege zijn vorm en kleur een vogelkooi en kippenhok genoemd. Als Rose besluit de middeleeuwse kap van de Ridderzaal door een gietijzeren exemplaar te vervangen, kost hem dat uiteindelijk de kop. Tot de Dienst Landsgebouwen, opgericht in 1878, de werkzaamheden weer oppakt, zal door de Hoofdingenieur van de Waterstaat in het arrondissement 's-Gravenhage het beheer worden uitgevoerd. In Amsterdam wordt een opzichter aangesteld.

Intussen heeft in 1870 het Departement van Justitie onder leiding van J.F. Metzelaar zijn eigen (Rijks-) bouwbureau gekregen.(

Tot 1870 blijft bouwen voor Justitie veelal bij de lagere overheden. (Veel (latere) rijksgebouwen zijn gebouwd door stadsarchitecten, als De Greef in Amsterdam en Romein in Leeuwarden; vgl. de Paleizen van Justitie in deze steden). Na de invoering van het cellulaire stelsel in 1845 stelde het Rijk I. Warnsinck, J.G. van Gendt en A.C. Pierson als adviseurs aan. Zij brengen de minister op de hoogte van nieuwe technische en bouwkundige ontwikkelingen op het terrein van de gevangenisbouw en, later, van andere gerechtsgebouwen. Zo bevat het RGD-tekeningenarchief tekeningen van een in het buitenland gemaakte studie naar het nieuwe cellulaire stelsel door Warnsinck en Van Gendt (inv. nr. 1607). Met deze tekeningen hebben zij hiervan verslag gedaan. Dankzij dit specialisme ontving Warnsinck opdrachten om gevangenissen te bouwen; ter vergelijking bevat het tekeningenarchief ook de tekeningen van de door hem gebouwde gevangenis aan het Kleine-Gartmanplantsoen in Amsterdam. (inv. nr. 74).

) Metzelaar wordt in 1884 opgevolgd door zijn zoon Willem-Cornelis Metzelaar. Tot 1914 is deze familie verantwoordelijk voor een gigantische bouwproductie. S. Wijn volgt de Metzelaars tot 1924 op. Het bouwbureau maakt een forse ontwikkeling door. In 1870 bestond het uit één kantoor gevestigd in Den Haag, onder supervisie van J.F. Metzelaar. Metzelaar reisde voor de werkzaamheden het hele land door. Als in 1914 S. Wijn de zorg overneemt, is er een adjunct-rijksbouwmeester in Den Haag aangesteld, zijn er hoofdopzichters benoemd in Rotterdam, Veenhuizen, Den Bosch, Den Haag en Haarlem en zijn er opzichters 1ste, 2de en 3de klasse, eveneens verspreid over het land, in dienst genomen.(

Bron: Staatsalmanak, hierin worden alle namen opgesomd.

)

In 1876 wordt C.H. Peters als Rijksbouwkundige aangesteld bij het Ministerie van Financiën. Een jaar later gaat hij over naar de Dienst Landsgebouwen, dat zal ressorteren onder het nieuwe Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid, en neemt hij de portefeuille van Financiën mee (waaronder de bouw van postkantoren, telegraafgebouwen, alsmede belastingkantoren, grenskantoren en de gebouwen van het ijkwezen). De Dienst Landsgebouwen, tot dan verantwoordelijk voor 's landsgebouwen in de residentie, is daarmee fors gegroeid en wordt daarom in 1883 gesplitst in een eerste district (het noorden en 's-Gravenhage) en een tweede district (het zuiden van het land). Den Haag wordt omstreeks 1900 bij het tweede district ondergebracht. Elk district krijgt een Rijksbouwmeester, een term die in 1884 officieel in gebruik komt. De Organisatie van de dienst is als volgd. Tot 1883 is het bureau in Den Haag gesplitst in een afdeling onderhoud onder leiding van een ingenieur-architect en een afdeling vernieuwing en restauratie onder leiding van een bouwkundige (C.H. Peters). Voorts zijn er hoofdopzichters in Den Haag, Amsterdam, Rotterdam en Zwolle (1881). Na 1883 staat aan het hoofd van ieder district een Rijksbouwmeester. Daaronder bevindt zich een, in de tijd, wisselend aantal hoofdopzichters, al dan niet over het land verspreid, met een eveneens wisselend aantal opzichters en, vanaf 1908, districtsopzichters. De reorganisatie van 1920 heeft tot gevolg dat opzichters bouwkundigen worden genoemd en dat ingenieurs en architecten de Rijksbouwmeester komen bijstaan. Voor het eerste district betekent dit uitbreiding met ir. J. Emmen (later hoofdingenieur bij de Rijksgebouwendienst, afdeling constructie) en de architecten J.M. Luthman en C.J. Blauw. Voor het tweede district wordt A.F. Netscher als architect aangesteld.

Bij het Departement van Binnenlandse Zaken wordt in 1878 J. van Lokhorst tot Rijks- bouwkundige benoemd voor de gebouwen van Onderwijs enz., waarbij dit enzovoort staat voor alle andere gebouwen, waarvoor Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is (zoals: landbouw, visserij, gezondheidszorg, en tijdelijk ook de provinciehuizen en de monumenten). Voor de Rijksmuseumgebouwen wordt in 1876 P.J.H. Cuypers benoemd, met als vervanger en latere opvolger zijn zoon J.Th.J. Cuypers. Voor de monumenten wordt A.J.M. Mulder aangesteld, een taak die in 1918 door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg wordt overgenomen.(

Het bouwbureau van 'Onderwijs enz.' heeft naast de zorg voor de gebouwen veel gedaan aan voorlichting over het Rijksbouwen. De monumenten-afdeling hield zich tevens bezig, overigens zoals vandaag de dag de Rijksdienst voor de Monumentenzorg doet, met het adviseren van particulieren bij restauratiewerkzaamheden. Victor de Stuers had aan de wieg van deze afdeling gestaan.

) Net als de Metzelaars heeft Van Lokhorst tot zijn dood in 1906 een gigantische productie gehaald. Hij wordt opgevolgd door M.A. van Wadenoyen en J.A. Vrijman. Het bureau van Van Lokhorst ontwikkelt zich op soortgelijke wijze als dat van de Metzelaars. In 1896 vindt uitbreiding plaats met een adjunct-bouwkundige, en reeds in de jaren tachtig van de vorige eeuw worden, daar waar grote werken plaatsvinden, hoofdopzichters en opzichters benoemd (met name in de universiteitssteden Leiden, Groningen en Utrecht). De architect voor 's Rijksmuseumgebouwen krijgt in 1899 een opzichter aan zijn bureau toegevoegd, en een architect-tekenaar plus een opzichter-tekenaar staan de Rijksarchitect voor de Monumenten ter zijde.

Het Ministerie van Marine, afdeling loodswezen, heeft vanaf 1874 bouwkundigen in dienst. Vanaf 1875 wordt het bureau met een adjunct versterkt. De afdeling Marine Bouwwerken, tot 1917 onderdeel van de genie, krijgt dat jaar onder leiding van ir. H. Hoekstra (de latere Rijksbouwmeester) een eigen bouwbureau. Grote afwezige in dit overzicht is het Departement van Buitenlandse Zaken, met name ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de gebouwen in het buitenland. Deze lag en ligt bij het departement zelf en heeft voor het ontstaan van de RGD geen rol gespeeld. Dit geldt, zoals reeds vermeld, ook voor de Ministeries van Oorlog en van Waterstaat, het Staatsbosbeheer, de Staatsspoorwegen, de Staatsmijnen en de landsgebouwen in de koloniën. (Zie ook het vervolg.)

De Rijksgebouwendienst

Bezuinigingen, streven naar grotere efficiency en een nijvere ambtenaar bij het Ministerie van Financiën, Carel Baron van Lynden, leiden tot het ontstaan van de afdeling Rijksgebouwen bij dit departement. Van Lynden heeft de ministers overtuigd van het nut van één dienst onder de verantwoordelijkheid van de minister die de staatsfinanciën beheert. Dit wordt vastgelegd in het genoemde K.B. van 29 juli 1922. Het organisatiebesluit van 28 juli 1924 (

Staatsblad 392/1924.

) regelt één en ander meer in detail. Onder leiding van een Hoofd (Van Lynden!) komt er één Rijksbouwmeester als hoofd van het 'bouwbureau', één chef van het bureau onderhoud, één hoofdarchitect, en (de tekst van het K.B. volgend) de nodige architecten, ingenieurs, bouwkundige hoofdambtenaren, districtbouwkundigen (afwisselend 17 à 18 gevestigd in den lande) ambtenaren (in twee klassen), hulpopzichters, meesterknechts, werklieden en opperlieden en het nodige administratieve personeel. Het hogere personeel zou door de Kroon worden benoemd. Het organisatiebesluit zal, met kleine wijzigingen in de loop der tijd, van kracht blijven tot 1989, als er een nieuw Besluit Rijksgebouwendienst verschijnt.(

Staatsblad 320/1989.

)

Met het K.B. van 6 september 1945 (

Staatsblad F 167/1945.

) wordt de zorg voor de rijksgebouwen overgedragen aan de Minister van Openbare Werken en Wederopbouw, in 1947 Wederopbouw en Volkshuisvesting, later Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, nu Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (VROM).

Het K.B. van 1922 wordt in 1952 vervangen.(

Staatsblad 449/1952.

) Met name de zorg voor de huisvesting wordt gepreciseerd. De zorg omvat dan:

  • maatregelen ten behoeve van een doelmatig gebruik van de panden welke het Rijk in eigendom of in huur heeft;
  • aankoop en huur van panden en terreinen ten behoeve van de huisvesting van de Hoge Colleges, departementen, organen, bedrijven en diensten, behoudens de normale beheersfunctie van de dienst der domeinen;
  • nieuwbouw, aanbouw en verbouw van Rijksgebouwen, alsmede de eerste inrichting van die gebouwen;
  • exploitatie voorzieningen aan en onderhoud van panden, welke het Rijk in eigendom of in huur heeft; alles in overeenstemming met de betrokken ministers.

In het K.B. wordt een lijst opgenomen van objecten waar de RGD geen bemoeienis mee heeft; dit zijn de gebouwen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, de Rijkswerf Willemsoord in Den Helder, het Staats Vissershavenbedrijf in IJmuiden, de Staatsmijnen in Limburg, de onder het Departement van Buitenlandse Zaken en Marine ressorterende dienstonderdelen buiten Nederland, de gebouwen waarvoor het Departement van Oorlog verantwoordelijk is (behoudens die van de bureaus buiten militaire inrichtingen), een aantal objecten van Marine die verband houden met de vliegvelden, de landsverdediging en de waterbouw, de gebouwen van het Loodswezen(

In feite was in 1924 slechts een deel van de dienst Loodswezen overgegaan naar de RGD. Vóór 1945 was het gehele bureau reeds ondergebracht hij de Marine. In 1937 bestaat er een apart bouwbureau bij het ministerie zelf voor dit onderdeel.

), de Rijkswaterstaat, de Zuiderzeewerken en de dienst Noordoostpolderwerken.

Van 1943 tot 1957 worden in den lande Gewestelijke Huisvestingsbureaus gevestigd (los van de districtsbouwkundigen) met als taak beter en sneller in de huisvesting van de diensten en instellingen te kunnen voorzien. Zij zijn gevestigd in Zwolle, Nijmegen, Breda, Den Haag en Amsterdam en later ook in Deventer en Rotterdam.

Tot dan heeft alles nog plaats gevonden onder de paraplu van de directie in Den Haag. In 1957 besluit de dienst over te gaan tot decentralisatie, vanwege de sterk toegenomen omvang van de huisvestingsbehoefte van de rijksdiensten en -instellingen. Naast een centrale directie in Den Haag komen er vijf regionale directies (vanaf 1962 zes) en negentien districtsbureaus, die bijna allemaal gevestigd worden in de plaatsen van de reeds aanwezige districtsbouwkundigen(

Recente reorganisatie van de Dienst heeft ertoe geleid dat deze indeling nu achterhaald is. Vanaf 1990 zijn de districten geleidelijk opgeheven en bestaan er nog slechts drie kantoren, te weten die in Middelburg, Tilburg en Maastricht, die kantoren voor het 'Technisch beheer' worden genoemd.

)

  • Directie Groningen, Friesland en Drenthe in Groningen, met districtskantoren in Leeuwarden, Groningen en Assen (met een dependance in Veenhuizen);
  • Directie Gelderland en Overijssel in Arnhem, met districtskantoren in Zwolle, Deventer, Arnhem (later met dependance in Apeldoorn) en recentelijk ook in Wageningen, waar tot ca. 1985 een dependance was gevestigd;
  • Directie Noord-Holland en Utrecht in Haarlem, met districtskantoren in Utrecht, Den Helder (later een dependance van Haarlem), Amsterdam en Haarlem;
  • Directie Zuid-Holland en Zeeland in Voorburg, met districtskantoren in Schiedam, Leiden, Dordrecht (later een dependance van Schiedam) en Middelburg;
  • Directie Noord-Brabant en Limburg in Den Bosch, met districtskantoren in Breda, Eindhoven Den Bosch en Maastricht;
  • Directie 's-Gravenhage en omstreken.

De regionale directies worden uitgerust met een architectenbureau (een ontwerpgroep), de bureaus elektrotechniek, werktuigkunde, constructie, een technische administratie en een secretariaat. Bij de centrale directie wordt in verband hiermee de afdeling onderhouds- en uitbreidingswerken opgeheven en wordt de directeur geplaatst bij de afdeling nieuwbouw. Een andere belangrijke taak van de regionale directies wordt uiteraard de huisvesting. De districtsbureaus worden, voorzover nodig, belast met het onderhoud van de rijksgebouwen en voor de in huur verkregen panden. Bij de centrale directie blijven een overkoepelende afdeling constructie, elektrotechniek lift en transport, enzovoort.

Bij de centrale directie blijft ook een Bureau Rijksbouwmeester dat zich meer en meer richt op het geven van advies op de verschillende terreinen van het rijksbouwen; onder de rijksbouwmeester ressorteren de Adviesgroep Architectuur en Stedebouw (tot 1988), de Adviesgroep Monumenten in Rijksbezit en de Adviesgroep Beeldende Kunst. Een Rijksbouwmeester als hoofd van een eigenlijk architectenbureau bestaat dus niet meer. Bij de hoofdafdeling, later directie, Bouw van de centrale directie bevindt zich de afdeling Restauratiewerken.

Organisatieschema van de Rijksgebouwendienst in 1972

Bron: A.G. van Mil, De Rijksgebouwendienst en zijn voorlopers, ('s-Gravenhage, 1972)

Overzicht Rijksbouwmeesters vanaf de 18de eeuw tot 1923
Architecten, bouwmeesters, verantwoordelijke functionarissen van de Waterstaat

B.H.W. Ziesenis1808-1820
Ch. van der Straeten1820-1825
A.J. Noordendorp1825-1833
B.H.Goudriaan1834-1842
M.G. Beijerinck1842-1852
J. Craner1842-1867assistent
R. Musquetier1852-1857
W.N. Rose1858-1867
L.H.J.J. Mazel1867-1878
C.H. Peters1878-1883
C.H. Peters1883-1916eerste district
H.Th. Teeuwisse1916-1922idem
J. Crouwel1920-1923adjunct
Jhr. J.P.E. Hoeuft van Velsen1883-1892tweede district
D.E.C. Knuttel1892-1922idem
J.F. Hoytema1892-1922adjunct
H.Th. Teeuwisse1915adjunct
Van der Kooy1920-1922adjunct
G.C. Bremer1922-1923adjunct
Architecten der Koninklijke Paleizen en Landsgebouwen in Brussel

GJ. Henry1815-1820
Ch. van der Straeten1820-1825
T.F. Suys1825-1830
T. de Dobbeleer1817-1820te Antwerpen
Architecten der Koninklijke [enz.] Paleizen. [Tot 1830 de noordelijke Nederlanden]

J.Th. Thibault1806-1810
J.D. Zocher1807-18 10architect des Konings
P.P. Posth1807-1810idem
B.W.H. Ziesenis1807-1810idem
B.W.H. Ziesenis1810-1820
Ch. van der Straeten1820-1825
A.J. Noordendorp1825-1833
B.H. Goudriaan1834-1838
J.C. Boon1838-architect des Konings
H.F.G.H. Camp1853-1874
L.H Eberson1874-1889particuliere dienst Willem III
Rijksbouwkundigen van Onderwijs enz.

J. van Lokhorst1878-1906
M.A. van Wadenoyen1896-1906adjunct
M.A. van Wadenoyen1906-1907
J.A. Vrijman1906-1923
A Loran1914-1922adjunct
H.H.A. van Eykelen1916-1923adjunct
H. van Heeswijk1919-1923adjunct
P.J.H. Cuypers1876-1921Rijksmuseumgebouwen
J.Th.J. Cuypers1890-1921- assistent
J.Th.J. Cuypers1921-1940- adviseur
AJ.M. Mulder1876-1918Monumenten
W.C.L.A. Scheepens1912-1918- assistent
Rijksbouwmeesters voor de Justitiegebouwen

I. Warnsinck1845-1857adviseur
J.G. van Gendt1845adviseur
A.C. Pierson1857-1870adviseur
J.F. Metzelaar1870-1883
W.C. Metzelaar1884-1913
S. Wijn1899-1913adjunct
S. Wijn1914-1923
W.H. Kam Jz.1902-1919adjunct
J.G. Robbers1914-1923adjunct
Rijksbouwkundigen voor het Ministerie van Financiën

C.H. Peters1876-1877
C.H. Peters1877-1916naast de taak Dienst Landsgebouwen in 1916 overgenomen door deze Dienst
Rijksbouwkundigen bij het Ministerie van Marine, Loodswezen, Betonning, Bebakening, Verlichting

Q. Harder1874-1880
A.C. van Loo1875-1880adjunct
A.C. van Loo1880-1901
W.K.C. Antheunissen1881-1901adjunct
W.K.C. Antheunissen1901-1916
P. van Braam en Vloten1905-1923adjunct
B.A. Verheij1908-1916Bureau Kustverlichting, afgesplitst
0. Jelsma1917-1924Dienst Loodswezen, afgesplitst
H. Hoekstra1917-1923Marine Bouwwerken, los van de Genie
Rijksbouwmeesters sedert 1923

G.C. Bremer1923-1945
H. Hoekstra1945-1946
0. Friedhoff1946-1957
J.J.M. Vegter1958-1971
F. Sevenhuysen1971-1974
W. Quist1974-1979
Tj. Dijkstra1979-1986
F.J. van Gool1986-1989
J.D. Peereboom1989waarnemend
K. Rijnboutt1989-
A. Eden1989-plaatsvervangend

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in