Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Oorlog / Situatieplans Vestingen

4.OSPV
V. van den Bergh, R.M. Haubourdin
Nationaal Archief, Den Haag
1999
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

4.OSPV
Auteur: V. van den Bergh, R.M. Haubourdin
Nationaal Archief, Den Haag
1999
CC0

Periode:

17e - 19e eeuw

Omvang:

665 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Het archief bevat kaarten en tekeningen, gedrukt en in manuscript.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Situatieplans van Vestingen van het archief der Genie van het Ministerie van Oorlog of Defensie bevat ltekeningen, doorsneden, plattegronden, profieltekeningen en situatieplannen van forten, vestingen, citadellen, dijkposten, batterijen, kustbatterijen en verschansingen in en rondom diverse gebieden, met hun ligging in Nederland. Er is een geografische index.

Archiefvormers:

  • Directeur-Generaal der Fortificaties, 1688-1795
  • Controlleur-Generaal van 's Lands Werken en Fortificatiën van Holland, ca., 1630-1795
  • Raad van State, 1588-1795
  • Comité tot de Algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande, 1795-1798
  • Departement van Oorlog, 1798-1813
  • Ministerie van Oorlog, 1813-1928
  • Ministerie van Defensie, 1928-1940
  • Inspecteur-Generaal der Fortificatiën, 1814-1826
  • Chef der Algemene Directie der Genie, 1826-1841
  • 1e Inspectie der Fortificatiën, 1849-1866
  • 2e Inspectie der Fortificatiën, 1849-1866
  • Inspecteur-Generaal van Fortificatiën, 1866-1875
  • Inspecteur der Genie, 1875-1941

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De Situatieplans van Vestingen van het Archief der Genie, van het ministerie van Oorlog, 1644-1927

Met de Situatieplans van Vestingen worden de grootschalige plattegronden en kaarten van vestingsteden met het omliggende terrein aangeduid, die zijn vervaardigd voor de aanleg, het onderhoud, herstel of verbouwing van verdedigingswerken in opdracht van de Generaliteit, het gewest Holland en het ministerie van Oorlog en Defensie van ca. 1650 tot 1927. Behalve deze Situatieplans, zijn vanaf de 80-jarige Oorlog vele gedrukte kaarten van belegeringen en veldslagen door uitgevers gepubliceerd, ter illustratie van de krijgsverrichtingen. Hoewel ook bij het Archief der Genie een verzameling van deze zogenaamde militaire nieuwskaarten werd aangelegd, werd deze verzameling in de 19e eeuw overgedragen aan de Koninklijke Bibliotheek en later het Rijksprentenkabinet. Deze nieuwskaarten werden reeds in de 19e eeuw als een afzonderlijke categorie beheerd, en hebben geen deel uitgemaakt van de Situatieplans beschreven in deze inventaris.(

Scholten (1989), 6-7.

) De Situatieplans vervaardigd door de ingenieurs hebben gediend voor zowel de aanleg van nieuwe vestingbouwwerken als de verbetering en het onderhoud van de reeds bestaande vestingen. Tevens waren de Situatieplans in gebruik als instrument voor het beheer en de controle op de aanbesteding en uitvoering van de vestingwerken door de centrale bestuursinstellingen belast met Defensiezaken in Den Haag.

Behalve de Situatieplans zijn ook tekeningen vervaardigd van de militaire verdedigingswerken die vanaf de 17e eeuw zijn aangelegd, zoals schansen, vestingmuren, stenen beren, de inundaties, kust-en torenforten, tot de betonnen kazematten gebouwd in de mobilisatietijd van 1939-1940. De tekeningen van deze onderdelen van militaire vestingwerken zijn bij de Genie als een afzonderlijke categorie beheerd, en beschreven in de inventaris van de Plans van Gebouwen. Deze tekeningen van militaire gebouwen in de vestingwerken zijn eveneens integraal op microfiche gereproduceerd en beschikbaar voor onderzoek. Overigens zijn niet alle Situatieplans in deze inventaris beschreven, met name de zogenaamde Plans van Verboden Kringen die volgens wettelijk voorschrift werden getekend voor de controle op de naleving van het bouwverbod rond vestingen vanaf 1853 komen voor in de diverse archiefbestanddelen van het ministerie van Oorlog/Defensie.(

ARA 2.13.37 Archief der Genie, Verboden Kringen (1815) 1845-1932.

)

De geschiedenis van de ontwikkeling van de vestingbouw wordt in deze inleiding buiten beschouwing gelaten, omdat de Situatieplans zijn vervaardigd bij de taakuitoefening van opeenvolgende militaire organen en ingenieurs belast met de vestingbouw tot 1927 worden de Situatieplans vanuit deze funktionele samenhang toegelicht.

1. (1579) 1688-1795 de plans van de Raad van State en Staten van Holland.

Sinds het einde van de 16e eeuw zijn er kaarten, tekeningen en plattegronden getekend voor de aanleg van vestingwerken ter verdediging van de steden in de Nederlandse gewesten die tijdens de 80-jarige Oorlog in opstand waren gekomen tegen het Spaanse bewind. De eerste fortificatiewerken werden ontworpen en aangelegd in opdracht van de steden en provincies door ambachtslieden, zoals timmerlieden en landmeters, en niet door militaire ingenieurs die pas na 1590 in dienst kwamen van de opstandige gewesten. Een van de bekendste vestingbouwers was de landmeter Adriaen Anthoniszn. die in 1574 door de Staten van Holland werd benoemd tot fortificatiemeester, en in deze functie van 1579 tot 1596 dertig vestingen ontwierp van Hollandse steden belegerd door Spaanse troepen.

Door het provinciale zelfbestuur in defensiezaken waren de aanleg, het onderhoud en financiering van de vestingwerken in beheer van de gewesten. In Holland werden de vestingen door de Gecommitteerde Raden beheerd, waarvoor vanaf 1628 opzichters en ingenieurs werden benoemd, die tevens werden belast met de nieuwbouw en onderhoud van de militaire gebouwen.

Tot 1798 had Holland een afzonderlijke defensie-organisatie onder leiding van Contrarolleurs-generaal. Deze functie werd in de 17e eeuw bekleed door bekende Hollandse vestingbouwers zoals de ingenieur Willem Paen, die in 1670-1707 Contrarolleur-generaal was en tegenstander en tijdgenoot van Menno van Coehoorn. In de 18e eeuw werd deze functie bekleed door ingenieurs die zowel bij Holland als de Unie in dienst waren zoals Johan Prevost (1737-1762), Jacob Pierlinck (1762-1778), en Cornelis van de Graaff (1778-1784).(

Zie F. Westra, Nederlandse ingenieurs en de fortificatiewerken in het eerste tijdperk van de 80-jarige Oorlog, 1573-1604, (Alphen a/d Rijn 1992) 94-95. L.J. van der Klooster, Archieven van de Contrarolleurs later Contrarollers-generaal van 'slands werken en fortificatiën in Holland, (1613) 1628-1795. Enkele vestingplans van Anthoniszn zijn bewaard gebleven, zie: Binnenlandse kaartenverzameling Hingman ARA 4.VTH nrs. 3212; 3229; 3615.

)

Hoewel reeds bij de Unie van Utrecht in 1579 de provincies waren overeengekomen om gezamenlijk de aanleg- en onderhoudskosten te betalen van de vestingwerken van de Republiek, werd hiervoor geen fortificatiedienst opgericht. De Raad van State, belast met het toezicht op de fortificaties gelegen in de generaliteitslanden en langs de grenzen benoemde hiervoor vanaf 1590 ingenieurs in Staatse legerdienst tijdens de duur van een veldtocht of beleg. Volgens de taakomschrijving waren deze eerste ingenieurs aangeduid met de titels als contrarolleur van de wercken en Meester-ingenieurs voornamelijk belast met de (financiële) controle op de aanbesteding en uitvoering van de vestingbouwwerken. Behalve met de vestingbouw waren de eerste Meester-ingenieurs in dienst van de Generaliteit tevens belast met onderhoud van militaire gebouwen.(

ARA 1.01.19 Raad v. State inv. nr. 1525 (fol 112) Benoeming Jan Lenaerstszn. in 1595 tot fortificatiemeerster met opdracht tot "... t'ordonneren van nieuwe schantsen ende forten als repareren ende verbeteren van de oude fortificatiën, van steden, huijzen en de plaetsen in de Verenigde Nederlanden..."

)

Aangezien tot aan het einde van de 17e eeuw door de Raad van State militaire ingenieurs alleen in tijdelijke dienst werden aangesteld, waaronder tevens vele buitenlandse officieren die na een beleg weer vertrokken, zijn er slechts weinig vestingplans uit de 16e eeuw opgenomen in Situatieplans van Vestingen.(

Ook werden 1870 de plans en tekeningen uit de 16e-18e eeuw uit de liassen van de Raad van State door Hingman gelicht en opgenomen in de Binnenlandse kaartenverzameling; zie: 4.VTH inv.nrs. 3128-3802. Zie ook C. Koeman, Geschiedenis van de Kartografie van Nederland, Alphen aan de Rijn (1983), 72-75. Vermeldt diverse kaartenverzamelingen in het buitenland uit 16e-17e eeuw.

) Het geringe aantal kaarten en tekeningen van vestingwerken dat uit de 17e eeuw bewaard is gebleven, werd tevens veroorzaakt door de instructies voor de militaire ingenieurs bij het bouwproces. Volgens een instructie uit 1606 waren de Meester-ingenieurs verplicht voor de aanleg en onderhoud van de vestingwerken vooraf concept-bestekken op te stellen ter goedkeuring door de Raad van State. Na aanbesteding werden deze bestekken in het net getekend en uitgereikt aan de aannemers ...omme daarop geteekend te worden de opneminge. Deze bestektekening werd voor de uitvoering van het vestingwerk op de bouwplaats in het bestek ingetekend door de ingenieurs in aanwezigheid van de aannemers en de controlleurs van de Raad van State.(

Dibbetz., J., Groot militair woordenboek ('s-Gravenhage, 1740) 325-327.

)

Aangezien na de vrede van Munster van 1648 de Republiek betrokken raakte in zee-oorlogen met Engeland, werd in het defensiebeleid voorrang gegeven aan de versterking van de vloot boven het leger. Op de landsverdediging werd bezuinigd zodat er geen nieuwe vestingbouwwerken werden aanbesteed, waardoor tevens weinig nieuwe vestingplans werden getekend. Omdat de Republiek geen ingenieurs in vaste dienst had, raakten de bestaande vestingwerken door gebrek aan onderhoud in verval, zoals bleek in het ramp-jaar 1672. Pas onder stadhouder Willem III kreeg de aanleg en versterking van de vervallen defensiewerken van de Republiek prioriteit en werd een omvangrijke vestingbouwprogramma opgesteld. Met de uitvoering hiervan werd in 1688 door de Raad van State een Directeur-generaal van fortificatiën belast, wat het begin werd van de latere Genie-dienst. Onder Directeur-generaal baron Menno van Coehoorn (1641-1704) werd eind 17e eeuw de basis gelegd voor zowel een nieuw defensiestelsel van de Republiek als het korps militaire ingenieurs voor de uitvoering van militaire bouwwerken en het herstel en onderhoud van de vestingen. Ondanks deze bouwactiviteit zijn slechts enkele vestingplans uit deze tijd bewaard gebleven, omdat er gebruik werd gemaakt van gedrukte kaarten waarop de vestingwerken en inundaties werden ingetekend. Tevens was de wijze van oorlogsvoering beperkt tot de belegering van de vestingsteden op klein terrein zodat hiervoor geen nieuwe kaarten nodig waren. Voor de jaarlijkse inspecties van de Frontier-vestingen door de Commissarrissen uit de Raad van State waren in 1661 voor generaliteit overzichtskaarten van de vestingen getekend, die ingebonden in twee banden op de inspectiereizen werden meegenomen tijdens de visitaties. Deze kaartboeken zijn echter niet bewaard gebleven in het Genie-archief, maar vermoedelijk als oorlogsbuit in 1795 naar Parijs afgevoerd. Ook van de Hollandse vestingen werd in opdracht van de Staten van Holland in 1662 een kaartboek vervaardigd voor de inspectie van de vestingen, dat eveneens niet bewaard is gebleven.(

Scholten, 1989, 34. Het betreft een kaartboek dat berust in Parijs bij de Service Hydrographique de la Marine, nrs. 174-175 uit 1661, waarvan op het ARA een foto-reproduktie aanwezig is.

)

In 1714 werd de taak van het ingenieurskorps uitgebreid tot de vestingsteden in de Zuidelijke Nederlanden die volgens het barrière-tractaat van 1713 door de Republiek werden bezet. Tevens werd de organisatie van het ingenieurskorps opnieuw vastgesteld, waardoor de ingenieurs in een hiërarchisch dienstverband in departementen onder de bevel kwamen te staan van Directeur-generaal van fortificatiën en de Raad van State.

Ook de vervaardiging van plans en tekeningen van de bouwwerken behoorde tot de taken van iedere ingenieur die volgens de instructie van 1714 werden verplicht tot het inzenden met de bestekken ter goedkeuring aan de Raad van ...grondtekeningen, plans en profillen en uitrekeningen ...van de vestingwerken. De bestekken moesten in drievoud met kostenbe groting van het metsel-; timmer- ; en schilderwerk worden ingediend bij de Raad van State, met informatie over de bekwaamheid van de betrokken aannemers. Omdat deze instructies echter niet stipt werden nageleefd, raakten de vestingen na 1730 door slecht onderhoud weer in verval.(

ARA 1.01.19 R.v.State, inv. nr. 187 resolutie van 17-1-1714; en 2.01.14.02. Oorlog voor 1813 inv.nr.l294B.

)

Ook de Raad van State, dat als bestuurslichaam toezicht hield over de defensie van de Republiek, was niet bij machte om haar controle-taak naar behoren uit te voeren. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog in 1714-1748 had de Raad geen betrouwbare plans van de nieuw aangelegde fortificatie-werken in de frontieren en barrière-vestingen tot haar beschikking, terwijl de bestaande plans inmiddels verouderd en weinig accuraat en deffectueus waren.

Hoewel de Directeur-generaal van de fortificatiën Hertell reeds in 1727 voorstelde om exacte plans van de aangelegde fortificatiën te laten maken, gaf de Raad pas in 1734 hiertoe opdracht. De ingenieurs werden gelast om nieuwe plattegronden van de vestingen met nieuwe fortificaties aangelegd sinds 1729 op perkament te tekenen, die in 1734-1737 werden ingezonden aan de Raad van State. Deze zogenaamde Plans van de Steden en Sterkten werden ingebonden en als legger bewaard bij de Raad in Den Haag. Ook de Hollandse vestingen werden in 1724-1727 opnieuw in kaart gebracht door de ingenieur Prevost. Met de nieuwe plans kon door de Raad van State echter de val van de zwakke barrière-vestingen en inname van Bergen op Zoom door de Fransen in 1744-1748 niet worden verhinderd.(

OSPV B562 Brielle; G1 Geertruidenberg; H67 Heusden; K1 Klundert; M12 Muiden; S2 Nieuwpoort; S52 Schoonhoven. ARA 4.OMM inv.nrs. 351-356 Plaens van Staats-Brabant; Staats-Vlaanderen; Namen; West-Vlaanderen; Wedde-en Westwoldingerland; Overijssel en Nijmegen tot Breda. ARA 1.01.19 Raad v. State resolutie van 19-1734. ARA 3.01.43 Contrarolleur-Generaal: inv.nr. 2, res. van 20 april 1696; 4.VTHR 652 Kaartboek van de Hollandse fortificaties uit 1698. Scholten, 51-52.

)

In 1748 werd het korps ingenieurs gereorganiseerd tot een zelfstandig legeronderdeel met een uitbreiding van taken, functies en bevoegdheden. Aangezien de barrièresteden in 1744-1748 slechts van geringe betekenis waren gebleken voor de defensie van de Republiek, werd na 1750 de nadruk gelegd op de versterking van de vestingen langs de oost- en zuidgrens. Als gevolg van de uitvoering van vestingwerken door de ingenieurs nam ook de kaarten- en tekeningenproduktie toe. Ter controle van de militaire objecten in aanbouw en onderhoud had de Raad van State in 1750 behoefte aan een aktueel en compleet overzicht van alle 'slandsgebouwen. Op voorstel van Directeur-generaal P. de la Rive (1701-1771) werden de ingenieurs opgedragen tot het ... doen formeren van deugdelijke plattegrondtekeningen van 'slandsgebouwen. In 1752-1753 werden uit de vestingen door de ingenieurs 27 banden opgestuurd met bouwtekeningen en memories waarin stond aangegeven wie onderhoudsplichtig was, de stad of de Generaliteit.(

ARA 4.OPG inv. nrs. B 47 Bellingwolde; B 90 Bergen op Zoom; B 39 Bourtange; B 185 Breda; K 2 Kampen; K 8-9 Coevorden; D 97 Doesburg; G 113 Westervoort; G 157 Grave; H 20 Hasselt; H 24 Hulst; L 1 Nieuwe Schans; M 1 Maastricht; N 41 Nijmegen; S 3 Sas van Gent; S 33 Stevensweert; S 34-35 Sluis; S 64 Steenbergen; V 35 Venlo ; Z 1 Zwolle; Z 11 Zutphen. ARA 1.01.19 R.v. State inv. nr. 281 resolutie van 31-12-1751.

)

Met deze tekeningen en de nieuwe vestingplans uit 1734 had de Raad van State na 1753 een overzicht van alle 'slandsgebouwen die zich in de vestingen bevonden. De bouwtekeningen ingebonden in boekwerken dienden als een soort van legger voor de beoordeling van de bestekken, kostenbegroting, aanbestedingen door de Raad zonder dat hiervoor aparte bestektekeningen nodig waren. Dit betekende dat na 1752 aanvankelijk weinig bestektekeningen werden vervaardigd. Deze leggers met tekeningen waren wellicht doelmatig als controle-instrument voor de Raad van State in Den Haag, maar niet voor de dienstuitoefening van de ingenieurs in de vestingen. Omdat bij uitzondering tekeningen bij de bestekken werden getekend, had dit op den duur tot gevolg dat de uit te voeren bouwwerken in de bestekken zeer uitgebreid en breedvoerig werden omschreven, zodat deze tenslotte voor aannemers onduidelijk ofwel duyster en onverstaanbaar waren geworden. Op voorstel van Directeur-generaal Carel Du Moulin (1727-1793) werd daarom in 1780 besloten dat de ingenieurs tekeningen ter opheldering van de bestekken moesten maken. Voor zowel nieuwe vestingwerken van enig belang en gehele vernieuwing of reparatie van bestaande vestingwerken dienden de ingenieurs:

[...] bij de bestekken daarvan te formeren, te voegen de noodige Plans of Tekeningen Figuratief, mits uit die bestekken selve blijken sal, dat die Tekeningen tot beetere informatie van de Aannemers noodig zijn, en de volumineusheid der bestekken daar door inderdaad is verkort[...]. (

ARA 1.01.19 Raad v. State inv. nr. 342 resolutie van 7-6-1780; inv. nr. 368 resolutie 13-10-1789.

)

Aanvankelijk kregen de ingenieurs een vergoeding voor dit extra tekenwerk zodat de tekeningenproduktie toenam. Hoewel deze toelage in 1789 weer werd afgeschaft door de Raad van State wegens bezuiniging, had inmiddels het tekeningengebruik definitief intrede gedaan onder de ingenieurs en werden in het vervolg plans en tekeningen bij de bestekken getekend. Deze tekeningen-instructie was een van de weinige hervormingsvoorstellen van Du Moulin, die eind 18e eeuw werd aangenomen ter verbetering van de uniformiteit, organisatie en werkwijze van het ingenieurskorps. Een voorstel van Du Moulin uit 1775 voor de invoering van een nieuwe tekenmethode voor vestingplans met de reliëf-en terreinweergave in een omtrek van 1 km. rond de vesting, werd niet ingevoerd. Onder Du Moulin werd het ingenieurskorps samengevoegd met de Mineurs en Sappeurs die tot 1795 de Genietroepen vormden van het Staatse Leger.(

ARA 4. OMM A33 Memorie over het opmaken der Plans van Vestingen, 1775.

)

2 1795-1940 De plans van de Agent, Raad en Departement van Oorlog/Defensie.
2.1 1795-1813 Genie-korps.

In 1795 werd de fortificatiedienst voortgezet en het ingenieurskorps door het Comité tot de algemene zaken van het bondgenootschap te lande, dat was belast met de defensie, gereorganiseerd en onder bevel geplaatst van een nieuwe Directeur-generaal H. van Hooff. De samenstelling van het ingenieurskorps veranderde drastisch na 1795 doordat bijna de helft van de genie-officieren na de omwenteling wegens Oranjegezindheid vertrok of werd gepensioneerd. De taken van de ingenieurs die in 1795 in dienst bleven, veranderden vrijwel niet en betroffen de vestingbouw en ...de vernieuwingen, reparatien als onderhoud alsmede bestier over 'sLands gebouwen, bruggen, sluizen etc...

Tevens werden door de bestuurscentralisatie de defensietaken van de provincie Holland overgedragen aan de fortificatiedienst, wat een taakuitbreiding voor het ingenieurskorps tot gevolg had. Onder Van Hooff werd in 1797 een strenger toelatingsbeleid van kracht voor het korps, waarbij de ingenieurs op bekwaamheid werden gerecruteerd. De adspirant ingenieur diende theoretische kennis van de oude en nieuwe vestingbouwkunde, de civiele bouwkunde en de vijf bouworden te beheersen, wat aan de hand van zelf vervaardigde tekeningen werd geëxamineerd. De adspirant ingenieur moest op het examen een tekening kunnen overleggen van een huis ... soo in zijn plattegrond, façade als doorsnede(

ARA 2.01.14.02 Oorlog voor 1813 inv.nr. 1294B. ARA 4. OMD 208-209. Gunkel en Van de Graaff.

)

Door de Franse alliantie in buitenlandse politiek werd tijdens de Bataafse Republiek 1795-1810 aan de landsverdediging prioriteit gegeven. De verbetering van de Defensie van de Bataafse Republiek door de aanleg van nieuwe vestingwerken had tot gevolg dat de vestingplans van de opgeheven Raad van State en Staten van Holland verouderd en onbruikbaar waren geworden. Aanvankelijk werden in 1795-1796 van de oude vestingplans, die waren ingeleverd door de ontslagen ingenieurs, kopieën vervaardigd door de kaartbeheerder Van Westenhout, waarop de nieuwe vestingwerken werden ingetekend. Al spoedig kwamen hierbij grote onderlinge verschillen aan het licht door afwijkend schaalgebruik van oude plans, waarop het Comité in 1797 besloot tot invoering van nieuwe uniforme teken-instucties. De oude generaliteitschaal werd vervangen door een nieuwe uniforme schaal, die de ingenieurs stiptelijk moesten naleven in het formeren van plans en kaarten. Behalve de uniforme schaal werd door Van Hooff in 1799 ook een nieuwe tekeninstructie speciaal voor de vervaardiging van vestingplans ingevoerd. Volgens deze instructie moesten de ingenieurs de nieuwe fortificatie-werken aangelegd sinds 1798 in kaart brengen, met profielen, waterpassing en gedetailleerde terreinopnames voor het stellen van inundaties. Bij deze nieuwe plans werden memories opgesteld over de historie en de verbetering van de defensie met inundaties. De ingenieurs dienden van de plans en stukken een brouillon-exemplaar en twee net-exemplaren te tekenen.(

ARA 4. OMM N 72 Memorie van 30-12-1799 van Van Hooff aan Agent van Oorlog. ARA 2.01.14.01 Comité te Lande inv. nr. 19 Resolutie 10-8-1797 nieuwe schaalgebruik.

)

Onder invloed van de bestuurscentralisatie werd in 1803 een Bureau de Genie opgericht door de Staats-secretaris of minister van Oorlog, dat belast werd met het toezicht over de fortificaties, militaire gebouwen en het personeel. Aan de Staatssecretaris was tevens zowel de kaartproduktie als het kaartbeheer opgedragen, met de taak om voor het Staatsbewind en de militaire autoriteiten te laten ontwerpen: De plans van Defensie, veldtochten [...] mede het laten vervaardigen en in orde houden van kaarten, plans en tekeningen tot de Defensie te Lande betrekkelijk... (

ARA 2.01.14.02 Oorlog inv.nr. 1278 Instructie Staatssecretaris van Oorlog, 31-5-1803 nr. 75 art. 30.

)

Tijdens het Koninkrijk Holland 1806-1810 werd door koning Lodewijk Napoleon naar Frans voorbeeld in 1807 de Artillerie en Genie samengevoegd tot een legerkorps onder leiding van inspecteur-generaal C.R.Th. Krayenhoff (1758-1840). Krayenhoff kreeg tevens de leiding van het Depot-generaal van Oorlog dat naar Frans voorbeeld in 1806 werd opgericht speciaal voor de militaire kaartproduktie. Bij het Depot werden door Geografische ingenieurs volgens een nieuwe instructie behalve topografische kaarten ook de vestingplans getekend. Door de inlijving bij Frankrijk in 1810 gingen deze Hollandse legeronderdelen respectievelijk op in het Franse Corps Imperiale du Génie en het Depôt de la Guerre. Tijdens het Franse bewind is slechts weinig gerealiseerd van de grootschalige militaire vestingbouwwerken die in deze tijd werden ontworpen, met uitzondering van de stellingen van Den Helder en Amsterdam.(

ARA 2.13.45 inv.nr. 3305 Instructie voor de Géographische Ingenieurs bij het Depôt-Generaal van Oorlog van het Koninkrijk Holland, d.d. 4-3-1808. ARA 4.OMM N115.

)

2.2 1814-1940 De vestingplans van defensiewerken van de Genie-dienst van het departement van Oorlog.

Na 1814 werd onder koning Willem I het korps ingenieurs in 1814 als technisch wapen belast met de aanleg en onderhoud van de vestingwerken en de militaire gebouwen. De taken en bevoegdheden van het korps onder directie van Inspecteur-generaal Krayenhoff werden sterk uitgebreid door de Wet op de militaire 'slandsgronden en gebouwen van 1814. Volgens deze wet werden alle militaire gronden en gebouwen die sinds 1760 in gebruik waren geweest bij de fortificatiën onteigend tot Staatsdomein. Tevens werd een bouwverbod in de omtrek van ca. 1 km rond vestingen afgekondigd waarop ingenieurs controle uitoefenden. In 1853 werd deze wet vervangen door de Verboden Kringenwet die tot 1963 van kracht bleef.(

A. van der Woud, Het lege land: de ruimtelijke orde in Nederland 1798-1848 (Groningen 1987) p.470-477.

)

Na de vereniging in 1815 met België werd de Genie-dienst uitgebreid tot de 14 Zuid-Nederlandse vestingsteden die tot de afscheiding in 1830 in beheer en onderhoud waren van de ingenieurs onder leiding van Krayenhoff.(

Betrof de vestingen te Ath; Antwerpen; Bergen (Mons); Charleroi; Doornik; Hoei; Ieperen; Luik; Luxemburg; Namen; Meenen; Nieuwpoort; Oostende; Philipeville. De bouwtekeningen van gebouwen in deze Belgische vestingsteden uit 1814-1830 berusten in het archief van de Topografische Dienst: ARA 4. TOPO inv. nr. 4.1.

) Als Inspecteur-generaal kon Krayenhoff zijn ontwerpen uit de Franse tijd voor een nieuw defensiestelsel na 1815 onder Willem I realiseren. Volgens de nieuwe strategische inzichten werd vanaf 1815 een nieuw defensiestelsel aangelegd bestaande uit een reeks van vestingen in linies (IJssel-en Grebbelinie; Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie) ter verdediging van West-Nederland. De Nederlandse defensie, die sinds de 80-jarige Oorlog gebaseerd was geweest op vestingen en de onderwaterzetting van het omringend gebied, werd ook na 1815 volgens dit principe ontwikkeld en ingericht.

Na voltooiing van de zogenaamde Nieuwe Hollandse waterlinie in 1815-1824 kregen de Genie-ingenieurs tevens het beheer over de inundatiemiddelen zoals sluizen, bruggen, dijken en duikers aangelegd door de Waterstaatsingenieurs. In 1840-1860 werd de defensie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vervolmaakt door de aanleg van bomvrije torenforten, o.a. te Asperen, Everdingen, Honswijk. Na oplevering bleken de torens reeds verouderd door de technische ontwikkeling van de artillerie en niet bestand tegen het getrokken geschut met grotere vernietigingskracht, zodat verbouwing door de Genie noodzakelijk was.(

ARA 4. OPG A396 Asperen; E40-E41 Everdingen; H89-H92 Honswijk; H115 Vuren; N144-N148 Nieuwersluis; U34-U35 Uitermeer.

)

Behalve de vestingbouw, controle op de Verboden Kringenwet, en het beheer van de inundatiemiddelen werd met name de bouwtaak van de Genie-dienst vanaf 1860 sterk uitgebreid door de kazernebouw. Sinds 1814 waren de kazernes en magazijnen voor de legering van troepen in de garnizoensteden in beheer gegeven aan de gemeenten, maar door bezuiniging op de onderhoudskosten van stadsbesturen in verval geraakt. In 1860 werden deze gebouwen zoals kazernes, hospitalen, paardenstallen, magazijnen met inboedel in gebruik bij militairen kostenloos in eigendom overgedragen door de gemeenten aan het rijk. De Genie-dienst werd belast met het onderhoud, maar omdat renovatie van deze oude gebouwen veelal niet mogelijk was, werd na 1874 een omvangrijk nieuwbouwprogramma voor kazernes uitgevoerd in het kader van de voltooiing van het vestingstelsel zoals vastgelegd in de Vestingwet.(

Uitgezonderd de gebouwen in de vestingen Coevorden, Bourtange, Loevestein, Breskens, Woerden, Delfzijl, Hoorn en Heusden die sinds 1814 bij het Rijk in beheer waren. ARA 2.02.04 Kabinet des Konings inv.nr. 1266 KB van 6-8-1860 nr. 22. 300 jaar bouwen voor de Landsverdediging, DGWT ('s-Gravenhage, 1988) 33;182.

)

Na 1874 werd de bouw van nieuwe bomvrije onderkomens noodzakelijk door de nieuwe defensiestrategie van verspreide legering van de troepenmacht in het vestingstelsel. Het betekende tevens de ontmanteling en sloop van een groot aantal vestingen die na 1874 geen onderdeel meer waren van het nieuwe vestingstelsel zoals bijvoorbeeld Deventer, Zutphen, Nijmegen, Grave, Groningen en Den Bosch.

Na 1885 werd onder invloed van de technische ontwikkeling in de artillerie en de uitvinding van de brisantgranaat door de Genie een nieuwe type forten gebouwd bestand tegen artillerie-aanvallen, gekenmerkt o.a. door toepassing van beton, gietstalen geschutskoepels en bomvrije onderkomens zoals in de Stelling Amsterdam en rond Utrecht.

Na de voltooiing van de Stelling Amsterdam aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werden van 1918 tot 1935 onder invloed van bezuinigingen op de defensie geen nieuwe vestingbouwwerken uitgevoerd. De Genie-dienst beperkte zich tot het onderhoud en de verbetering van kazernes en de inundaties in de Vesting Holland, die in 1922 werd gevormd door aaneensluiting van de Stelling Amsterdam, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de stellingen monden van de Maas, het Haringvliet en het Hollands Diep. Pas vanaf 1935 werden nieuwe vestingbouwwerken uitgevoerd zoals betonnen kazematten ter versterking van de Grebbe- ; Maas-en Waal- en Peel-linie en de stelling op de Afsluitdijk. Deze werken werden uitgevoerd in de mobilisatietijd in 1935-1940 door aparte afdelingen van de Genie: Het Technisch Bureau Inspectie der Genie, het Bouwbureau en het Bureau Stellingbouw.(

ARA 4.OITB Technisch Bureau Inspectie der Genie, 1880-1939 tekeningen van 1914 tot 1939 van o.a. Kornwederzand, IJmuiden, Amsterdam, Stelling Vlissingen. ARA 2.13.24 De archieven van het Bouwbureau en Bureau Stellingbouw van de Inspectie der Genie bevatten de bouwtekeningen van kazematten, bunkers, loodsen enz. uit de mobilisatietijd 1939-1941 die niet zijn opgenomen in de plans van gebouwen van de Genie. 300 jaar bouwen voor de landsverdediging, 1988, 126-133.

)

3. Instructies Vestingplans en plans van Verboden Kringen, 1816-1887.

Tot aan het eind van de 18e eeuw bleef de taak van de Genie-ingenieurs beperkt tot het ontwerpen, bouwen, het onderhoud en beheer van vestingwerken en inundaties. In het begin van de 19e eeuw werd deze taak uitgebreid met het toezicht en de adminstratie van de onroerende goederen gelegen binnen de zogenaamde Verboden Kringen, wat aanleiding was voor de reglementering door middel van vestingplans.

Reeds in 1816-1818 werd bij de Genie en het Topografisch Bureau het metrieke stelsel voor alle tekeningen, plans en kaarten ingevoerd in plaats van de oude standaard maten zoals Rijnlandse roede die sinds 1797 in gebruik was geweest. De tiendelige tekenschaal was verplicht voor zowel de nieuwe als oude vestingplans gedeponeerd in het Archief van Oorlog, waarop de ingenieurs de nieuwe decimale schaal moesten vermelden. Onder invloed van deze instructie werd uniformering van de verschillende kaarten in gebruik bij Oorlog bevorderd. Afhankelijk van de gewenste gedetailleerdheid, varieerde het schaalgebruik waarop de vestingwerken werden getekend van 1:100 voor batterijen, redouten, loopgraven, vestingfronten en reliëfplans tot 1:5000 voor gehele vestingen met omgeving. Ook de topografische kaarten werden na 1818 volgens uniforme schalen getekend.(

Recueil Militair 1818, p. 193.

)

Doordat de vaststelling van de grensscheiding tussen de Rijks-en particuliere gronden zoals bepaald volgens de Wet op de op de militaire 'slandsgronden uit 1814 in de praktijk onuitvoerbaar was gebleven, werden hiervoor in 1842-1846 nieuwe instructies ingevoerd. Aangezien de ingenieurs vanaf 1814 waren belast met de adminstratieve controle op de naleving van het bouwverbod volgens de Wet uit 1814, werden volgens de instructies in 1842 nieuwe vestingplans getekend voor vaststelling van de grensscheiding tussen de Rijks- en particuliere gronden. Deze nieuwe vestingplans dienden tevens voor de controle en schaderegeling van de particuliere gronden gelegen in Verboden Kringen van vestingen. In 1853 werd dit tekenvoorschrift voor vestingplans veranderd en uitgebreid door een nieuwe instructie voor de vervaardiging van de zogenaamde Plans van Verboden Kringen. Deze grootschalige plattegronden gaven zeer gedetailleerd de grenzen van Rijks-en particuliere gronden aan met vermelding van de kadastrale perceelnummering alsmede de grens van de verboden kringen rond de vesting waarbinnen een bouwverbod gold. Bij deze plans werd een staat of register samengesteld ter toelichting op de Rijks-en particuliere gronden waarvoor de gegevens van de Kadastrale hypotheekregisters werden gekopieerd. De goedgekeurde plans en de staten werden gedeponeerd bij het ministerie van Oorlog, terwijl de EAI's duplicaatexemplaren bewaarden.(

ARA 2.13.01 inv. nr. 3257 Instructie 26-11-1842 nr. 11a ARA 2.13.45 inv. nr. 3300 Plans Verboden Kringen d.d. 21-6-1844 nr. 6A; 12-10-1846 nr. 44b; 7-2-1854 nr. 42B. Recueil Militair, 1854, 17-20. Voorschriften betrekkelijk het vervaardigen van het plan, bedoeld in artikel 20 der wet van den 21sten December 1853 (Staatsblad nr. 128).

)

In 1877 en 1887 werden de instructies voor Plans van Verboden Kringen herzien in verband met de voltooiing van de nieuwe vestingwerken aangelegd in het kader van de Vestingwet van 1874. De oude plans werden in 1877 bijgewerkt met de nieuwe kringen van bestaande vestingen, terwijl de plans van de opgeheven vesting vervielen. Tevens werden de bestaande instructies uit 1815-1819 ter bevordering van de geheimhouding van de vestingplans hernieuwd. De vestingplans en kaarten met een schaal groter dan 1:50.000 mochten in de regel niet worden gekopieerd noch uitgeleend, doch waren slechts ter inzage voor militaire autoriteiten bij EAI's.(

ARA 3.09.03 inv. nr. 548, 13 & 14-9-1877 Minister van Oorlog nr. 41G. Herziening van de bestaande plans der Verboden Kringen bijwerking met nieuwe vuurlinies en kringen. Voorschrift geheimhouding 27-5-1819 nr. 69 en Recueil Militair, 1866, 124, besluit Minister van Oorlog van 24-1-1883 J3.

)

Na de voltooiing van het vestingstelsel werden in 1887 de plans opnieuw bijgewerkt. Een groot aantal plans van de vestingen die vanaf 1887 geen onderdeel waren van het Vestingstelsel vervielen. Behalve deze getekende vestingplans kwamen vanaf 1866 voor intern gebruik bij de legeronderdelen de zogenaamde geheime Strookkaarten der Verdedigingsliniën op schaal 1:25.000 gedrukt door de Topografische Inrichting beschikbaar. Hierop waren de verdedigingswerken in een strook van ca. 5 Km. aangegeven. De geheime kaarten betroffen de zes verdedigingslinies van Nederland begrensd door de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Stelling van Den Helder, het rivierengebied en Noord-Brabant. Het gebruik en de verspreiding van deze serie gedrukte kaarten werd eveneens onderworpen aan militaire geheimhouding, zo moesten de kaarten bijvoorbeeld tijdens oefeningen worden bewaard in trommels en mochten uitsluitend binnenskamers worden geraadpleegd.

De gedrukte geheime kaarten konden de getekende Plans van Verboden Kringen van de vestingen die onderdeel bleven van het vestingstelsel niet geheel vervangen, vanwege de gedetailleerde weergave van de percelen voor de registratie van het vastgoed. De plans werden tot de opheffing van de betrokken vesting(en) periodiek bijgewerkt of vervangen. De tekeninstructies voor topografische kaarten uit 1891 en bouwtekeningen uit 1892 hadden geen betrekking op de plans van verboden kringen, die tot het begin van de 20e eeuw werden getekend volgens de voorschriften uit 1853 en 1887. (Zie bijlage 2.).(

ARA 3.09.03 Eerstaanwezend Ingenieurs te Brielle en Hellevoetsluis, 1814-1911 inv.nrs. 548 en 674. Memoriaal door M. Witsenborg, 1814-ca. 1927. ARA 2.13.01 inv. nr. 3850 d.d. 1-11-1887 nr. 3 Voorschriften vervaardigen Kringplans. Recueil Militair, 1884, p. 109; 1893, p. 354; 1905; Legerorder, 1924, nr. 129 d.d. 7-4-1924.

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in