gahetNA in het Nationaal Archief

Oorlog / Plans Vestingen

4.OPV
R.M. Haubourdin, E.R. Ooijevaar
Nationaal Archief, Den Haag
1999
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

4.OPV
Auteur: R.M. Haubourdin, E.R. Ooijevaar
Nationaal Archief, Den Haag
1999
CC0

Periode:

17e - 20e eeuw
17e - 20e eeuw
merendeel 18e - 19e eeuw

Omvang:

5636 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands en het Frans. Een klein gedeelte is gesteld in het Latijn.

Soort archiefmateriaal:

Het archief bevat kaarten en tekeningen, gedrukt en in manuscript

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Plans van Vestingen van het archief der Genie van het Ministerie van Oorlog of Defensie bevat onder andere detailtekeningen, doorsneden, plattegronden, profieltekeningen en situatieplannen van linies, stellingen, steden, forten, vestingen, citadellen, dijkposten, batterijen, kustbatterijen en verschansingen in Nederland. Er is een geografische index.

Archiefvormers:

  • Directeur-Generaal der Fortificaties 1688-1795
  • Contrarolleur-Generaal van 's Lands Werken en Fortificatiën van Holland, ca. 1630-1795
  • Raad van State 1588-1795
  • Comité tot de Algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande 1795-1798
  • Departement van Oorlog 1798-1813
  • Ministerie van Oorlog 1813-1928
  • Ministerie van Defensie 1928-1940
  • Inspecteur-Generaal der Fortificatiën 1814-1826
  • Chef der Algemene Directie der Genie 1826-1841
  • 1e Inspectie der Fortificatiën 1849-1866
  • 2e Inspectie der Fortificatiën 1849-1866
  • Inspecteur-Genraal van Fortificatiën 1866-1875
  • Inspecteur der Genie 1875-1941

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Met de Plans van Vestingen worden de grootschalige plattegronden en kaarten van vestingsteden met het omliggende terrein aangeduid. Deze militaire plattegronden zijn vervaardigd voor de aanleg, het onderhoud, herstel of verbouwing van verdedigingswerken in opdracht van de Generaliteit, het gewest Holland en het ministerie van Oorlog en Defensie vanaf ca. 1650 tot 1940. Behalve deze Plans van vestingen, zijn vanaf de 80-jarige Oorlog vele gedrukte kaarten van belegeringen en veldslagen door uitgevers gepubliceerd, ter illustratie van de krijgsverrichtingen. Door het Archief der Genie werden deze zogenaamde militaire nieuwskaarten verzameld, maar deze collectie werd in reeds in de 19e eeuw overgedragen aan de Koninklijke Bibliotheek en later het Rijksprentenkabinet. Deze nieuwskaarten werden reeds in de 19e eeuw als een afzonderlijke categorie beheerd, en hebben geen deel uitgemaakt van de Plans van vestingen beschreven in deze inventaris.(

Scholten (1989), 6-7.

) De Plans van vestingen werden getekend door de ingenieurs ten behoeve van de aanleg van nieuwe vestingbouwwerken alsmede de verbetering en het onderhoud van bestaande vestingen. De Plans waren tevens in gebruik bij de administratie als controle-instrument voor de aanbesteding en uitvoering van de vestingwerken door de centrale bestuursinstellingen belast met defensiezaken in Den Haag.

Behalve de Plans van vestingen die zich beperken tot de vesting, zijn er tevens plattegronden en kaarten getekend van de ruime omgeving van de vestingen en opgenomen in groter verband in de defensie-linies. Deze zijn afzonderlijk beschreven in de inventarissen Situatieplans van Vestingen (OSPV) en Situatiekaarten (OSK). Tevens zijn van de verschillende militaire gebouwen die binnen de vestingen werden gebouwd, vanaf de 17e eeuw tekeningen vervaardigd, zoals van schansen, vestingmuren, stenen beren, de inundatiesluizen, torenforten, en kazematten uit de mobilisatietijd van 1939-1940. De tekeningen van deze militaire gebouwen en objecten in en rond vestingen zijn afzonderlijk beschreven in de inventaris van de Plans van Gebouwen. Zowel de Situatieplans, Situatiekaarten als de tekeningen van militaire gebouwen zijn integraal op microfiche gereproduceerd en beschikbaar voor onderzoek. Overigens zijn niet alle Plans van vestingen in deze inventaris beschreven, met name de zogenaamde Plans van Verboden Kringen die volgens wettelijk voorschrift werden getekend voor de controle op de naleving van het bouwverbod rond vestingen vanaf 1853 komen voor in de diverse archiefbestanddelen van het ministerie van Oorlog/Defensie. (

ARA 2.13.37 Archief der Genie, Verboden Kringen (1815) 1845-1932.

)

De geschiedenis van de vestingbouw wordt in deze inleiding buiten beschouwing gelaten, omdat de Plans van vestingen in eerste instantie zijn vervaardigd bij de taakuitoefening van opeenvolgende militaire organen en ingenieurs belast met de vestingbouw tot 1940 worden de Plans van vestingen vanuit deze samenhang toegelicht.

1. (1579) 1688-1795 de plans van de Staten van Holland en Raad van State.

Sinds het einde van de 16e eeuw zijn er kaarten en plattegronden getekend voor de aanleg van vestingwerken ter verdediging van de steden in de Nederlandse gewesten die tijdens de 80-jarige Oorlog in opstand waren gekomen tegen het Spaanse bewind. De eerste fortificatiewerken werden ontworpen en aangelegd in opdracht van de steden en provincies door ambachtslieden, zoals timmerlieden en landmeters, en niet door militaire ingenieurs die pas na 1590 in dienst kwamen van de gewesten. Een van de bekendste vestingbouwers was de landmeter Adriaen Anthoniszn, die in 1574 door de Staten van Holland werd benoemd tot fortificatiemeester, en in deze functie van 1579 tot 1596 de vestingen ontwierp van dertig Hollandse steden.

Door de provinciale autonomie in de landsverdediging waren de aanleg en onderhoud en financiering van de vestingwerken een zaak van de gewesten. In Holland was het beheer van de vestingen door de Staten van Holland opgedragen aan de Gecommitteerde Raden, die vanaf 1628 opzichters en ingenieurs benoemden voor de nieuwbouw en onderhoud van de militaire gebouwen. Volgens de instructies uit 1647 hadden de Hollandse ingenieurs ook tot taak de vervaardiging van vestingplans: ..gelijk zij ook gehouden zijn de Plans van die Steden, forten en werken te maaken, zonder dat zij daarvoor iets zullen moogen declareren [...] te adsisteeren bij het maaken van Nieuwe Werken of om eenige projecten, plans of teekeningen te formeren... (

ARA 3.01.43 inv. nr. 5775 Instructies van de Gecommitteerden Raden voor de 2 ingenieurs aangesteld in 1752. De Hollandse ingenieurs sinds 1647 waren resp.:G. Paen, 1647-1679; W. Paen Gz., 1679-1707; C. van Teijlingen, 1708-1722; J. Vink, 1722-1737; J.P. Prevost, 1737-1762; J. Pierlinck, 1762-1782; C.J. van de Graaff, 1782-1784; A.J. de Bock, 1782-1795; C.R.Th. Krayenhoff, 1796-1798.

)

Tot 1798 had Holland een afzonderlijke defensie-organisatie onder leiding van Contrarolleurs-generaal. Deze functie werd in de 17e eeuw bekleed door bekende Hollandse vestingbouwers zoals de ingenieurs Genesis en Willem Paen, die in 1670-1707 Contrarolleur-generaal was en tevens concurrent van Van Coehoorn. In de 18e eeuw werd deze functie bekleed door ingenieurs die zowel bij Holland als de Unie in dienst waren. (

Zie F. Westra, Nederlandse ingenieurs en de fortificatiewerken in het eerste tijdperk van de 80-jarige Oorlog, 1573-1604, (Alphen a/d Rijn 1992) 94-95. L.J. van der Klooster, Archieven van de Contrarolleurs later Contrarollers-generaal van 'slands werken en fortificatiën in Holland, (1613) 1628-1795. Enkele vestingplans van Anthoniszn zijn bewaard gebleven, zie: Binnenlandse kaartenverzameling Hingman ARA 4.VTH nrs. 3212; 3229; 3615.

)

Hoewel reeds bij de Unie van Utrecht in 1579 de provincies waren overeengekomen om gezamenlijk de aanleg- en onderhoudskosten te betalen van de vestingwerken van de Republiek, werd hiervoor geen fortificatiedienst opgericht. De Raad van State, belast met het toezicht op de fortificaties gelegen in de generaliteitslanden en aan de landsgrenzen, benoemde vanaf 1590 ingenieurs in Staatse legerdienst tijdens de duur van een veldtocht of beleg. Volgens de taakomschrijving waren deze eerste ingenieurs, aangeduid met de titel contrarolleur van de wercken en Meester-ingenieurs, voornamelijk belast met de (financiële) controle op de aanbesteding en uitvoering van de vestingbouwwerken. Behalve met de vestingbouw werden de eerste Meester-ingenieurs door de Generaliteit tevens belast met onderhoud van militaire gebouwen. (

ARA 1.01.19 Raad v. State inv. nr. 1525 (fol 112) Benoeming Jan Lenaerstszn. in 1595 tot fortificatie-meerster met opdracht tot "... t'ordonneren van nieuwe schantsen ende forten als repareren ende verbeteren van de oude fortificatiën, van steden, huijzen en de plaetsen in de Verenigde Nederlanden..."

)

Aangezien tot aan het einde van de 17e eeuw door de Raad van State militaire ingenieurs alleen in tijdelijke dienst werden aangesteld, waaronder tevens vele buitenlandse officieren die na een beleg weer vertrokken, zijn er slechts weinig vestingplans uit de 16e eeuw opgenomen in Plans van Vestingen. (

Ook werden 1870 de plans en tekeningen uit de 16e-18e eeuw uit de liassen van de Raad van State door Hingman gelicht en opgenomen in de Binnenlandse kaartenverzameling; zie: 4.VTH inv.nrs. 3128-3802. Zie ook C. Koeman, Geschiedenis van de Kartografie van Nederland, Alphen aan de Rijn (1983), 72-75. Vermeldt diverse kaartenverzamelingen in het buitenland uit 16e-17e eeuw.

) Het geringe aantal kaarten en tekeningen van vestingwerken dat uit de 17e eeuw bewaard is gebleven, werd tevens veroorzaakt door de instructies voor de militaire ingenieurs bij het bouwproces.

Volgens een instructie uit 1606 waren de Meester-ingenieurs verplicht voor de aanleg en onderhoud van de vestingwerken vooraf concept-bestekken op te stellen ter goedkeuring door de Raad van State. Na aanbesteding werden deze bestekken in het net getekend en uitgereikt aan de aannemers ...omme daarop geteekend te worden de opneminge.

Deze bestektekening werd voor de uitvoering van het vestingwerk op de bouwplaats in het bestek ingetekend door de ingenieurs in aanwezigheid van de aannemers en de controlleurs van de Raad van State. (

Dibbetz., J., Groot militair woordenboek ('s-Gravenhage, 1740) 325-327.

)

Aangezien na de vrede van Munster van 1648 de Republiek betrokken raakte in zee-oorlogen met Engeland, werd in de defensie voorrang gegeven aan de versterking van de vloot boven het leger. Op de landsverdediging werd bezuinigd zodat er geen nieuwe vestingbouwwerken werden aanbesteed, en tevens weinig nieuwe vestingplans werden getekend. Omdat aanvankelijk in Republiek geen beroepsingenieurs werden aangesteld bij het Staatse leger, raakten de bestaande vestingwerken door gebrek aan onderhoud in verval, zoals bleek in het rampjaar 1672. Pas onder stadhouder Willem III kreeg de aanleg en versterking van de vervallen defensiewerken van de Republiek prioriteit en werd een omvangrijke vestingbouwprogramma opgesteld. In 1688 werd door de Raad van State een Directeur-generaal van fortificatiën aangesteld en belast met de uitvoering van de vestingwerken. Dit was het begin van de latere genie-dienst. Onder Directeur-generaal baron Menno van Coehoorn (1641-1704) werd eind 17e eeuw de basis gelegd voor zowel een nieuw defensiestelsel van de Republiek als het korps militaire ingenieurs voor de uitvoering van militaire bouwwerken en het onderhoud van de vestingen.

Ondanks deze bouwactiviteit zijn slechts enkele vestingplans uit deze tijd bewaard gebleven, omdat er gebruik werd gemaakt van bestaande gedrukte kaarten waarop de vestingwerken en inundaties werden ingetekend. Doordat bovendien de wijze van oorlogsvoering was beperkt tot de belegering van de vestingsteden, werden er weinig nieuwe kaarten getekend. Niet zozeer de militairen maar veeleer de bestuurders hadden gedetailleerde plattegronden nodig voor administratieve controle op vestingwerken vanuit Den Haag. Voor de jaarlijkse inspecties van de grensvestingen door de Commissarrissen uit de Raad van State waren in 1661 voor generaliteit overzichtskaarten van de vestingen getekend, die ingebonden in twee banden op de inspectiereizen werden meegenomen tijdens de visitaties. Deze kaartboeken zijn echter niet bewaard gebleven in het Geniearchief, maar vermoedelijk als oorlogsbuit in 1795 naar Parijs afgevoerd. Ook van de Hollandse vestingen werd in opdracht van de Staten van Holland in 1662 een kaartboek vervaardigd voor de inspectie van de vestingen, dat eveneens verloren is gegaan. (

Scholten, (1989), 34 en 134. Het betreft een kaartboek dat berust in Parijs bij de Service Hydrographique de la Marine, nrs. 174-175 uit 1661, waarvan op het ARA een foto-reproduktie aanwezig is.

)

In 1714 werd het ingenieurs korps gereorganiseerd tot een landelijke fortifciatiedienst verdeeld in zeven departementen, waaronder de vestingen gelegen in de Zuidelijke Nederlanden die volgens het barrière-tractaat van 1713 door de Republiek werden bezet. Tevens werd de organisatie van het ingenieurskorps opnieuw vastgesteld, waardoor de ingenieurs in een hiërarchisch dienstverband in departementen onder de bevel kwamen te staan van Directeur-generaal van fortificatiën en de Raad van State.

Ook de vervaardiging van plans en tekeningen van de bouwwerken behoorde tot de taken van iedere ingenieur die volgens de instructie van 1714 werden verplicht tot het inzenden met de bestekken ter goedkeuring aan de Raad van ...grondtekeningen, plans en profillen en uitrekeningen.. van de vestingwerken. De bestekken moesten in drievoud met kostenbegroting van het metsel-; timmer-; en schilderwerk worden ingediend bij de Raad van State, met een attest van bekwaamheid van de betrokken aannemers. Omdat deze instructies echter niet stipt werden nageleefd, raakten de vestingen na 1730 door slecht onderhoud weer in verval. (

ARA 1.01.19 R.v.State, inv. nr. 187 resolutie van 17-1-1714; en 2.01.14.02. Oorlog voor 1813 inv.nr.1294B.

)

Ook de Raad van State, dat als bestuurslichaam toezicht hield over de defensie van de Republiek, was niet bij machte om haar controle-taak naar behoren uit te voeren. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog in 1714-1748 had de Raad geen betrouwbare plans van de nieuw aangelegde fortificatie-werken in de frontieren en barrière-vestingen tot haar beschikking, terwijl de bestaande plans inmiddels verouderd en weinig accuraat en deffectueus waren.

Hoewel de Directeur-generaal van de fortificatiën Hertell reeds in 1727 had voorgesteld om exacte plans van de aangelegde fortificatiën te laten maken, gaf de Raad pas in 1734 hiertoe opdracht. De ingenieurs werden gelast om nieuwe plattegronden van de vestingen met nieuwe fortificaties aangelegd sinds 1729 op perkament te tekenen, die in 1734-1737 werden ingezonden aan de Raad van State. Deze zogenaamde Plans van de Steden en Sterkten werden ingebonden en als legger bewaard bij de Raad in Den Haag. Ook de Hollandse vestingen werden in 1724-1727 opnieuw in kaart gebracht door de ingenieur Prevost. Met de nieuwe plans kon door de Raad van State echter de val van de zwakke barrière-vestingen en inname van Bergen op Zoom door de Fransen in 1744-1748 niet worden verhinderd. (

OSPV B562 Brielle; G1 Geertruidenberg; H67 Heusden; K1 Klundert; M12 Muiden; S2 Nieuwpoort; S52 Schoonhoven. ARA 4.OMM inv. nrs. 351-356 Plaens van Staats-Brabant; Staats-Vlaanderen; Namen; West-Vlaanderen; Wedde-en Westwoldingerland; Overijssel en Nijmegen tot Breda. ARA 1.01.19 Raad v. State resolutie van 19-4-1734. ARA 3.01.43 Contrarolleur-Generaal: inv.nr. 2, res. van 20 april 1696; 4.VTHR 652 Kaartboek van de Hollandse fortificaties uit 1698. Scholten, 51-52.

)

In 1748 werd het korps ingenieurs gereorganiseerd tot een zelfstandig legeronderdeel met een uitbreiding van taken, functies en bevoegdheden. Aangezien de barrière-steden in 1744-1748 slechts van geringe betekenis waren gebleken voor de defensie van de Republiek, werd na 1750 de nadruk gelegd op de versterking van de vestingen langs de oost- en zuidgrens. Als gevolg van de uitvoering van vestingwerken door de ingenieurs nam ook de kaarten- en tekeningenproduktie toe. Ter controle van de militaire objecten in aanbouw en onderhoud had de Raad van State in 1750 behoefte aan een aktueel en compleet overzicht van alle 'slandsgebouwen. Op voorstel van Directeur-generaal P. de la Rive (1701-1771) werden de ingenieurs opgedragen tot het ... doen formeren van deugdelijke plattegrondtekeningen van 'slandsgebouwen. In 1752-1753 werden uit de vestingen door de ingenieurs 27 banden opgestuurd met bouwtekeningen en memories waarin stond aangegeven wie onderhoudsplichtig was, de stad of de Generaliteit. (

ARA 4.OPG inv. nrs. B 47 Bellingwolde; B 90 Bergen op Zoom; B 39 Bourtange; B 185 Breda; K 2 Kampen; K 8-9 Coevorden; D 97 Doesburg; G 113 Westervoort; G 157 Grave; H 20 Hasselt; H 24 Hulst; L 1 Nieuwe Schans; M 1 Maastricht; N 41 Nijmegen; S 3 Sas van Gent; S 33 Stevensweert; S 34-35 Sluis; S 64 Steenbergen; V 35 Venlo; Z 1 Zwolle; Z 11 Zutphen. ARA 1.01.19 R.v. State inv. nr. 281 resolutie van 31-12-1751.

)

Met deze tekeningen en de nieuwe vestingplans uit 1734 had de Raad van State na 1753 een overzicht van alle 'slandsgebouwen die zich in de vestingen bevonden. De bouwtekeningen ingebonden in boekwerken dienden als een soort van legger voor de controle van de bestekken, kostenbegroting, aanbestedingen door de Raad zonder dat hiervoor aparte bestektekeningen nodig waren. Dit betekende dat na 1752 aanvankelijk weinig bestektekeningen werden vervaardigd. Deze leggers met tekeningen waren wellicht doelmatig als controle-instrument voor de Raad van State in Den Haag, maar niet praktisch voor de uitvoering van de ingenieursdienst in de vestingen. Omdat bij uitzondering tekeningen bij de bestekken werden getekend, had dit tot gevolg dat werkuitvoering van nieuwbouwwerken in de bestekken zeer uitgebreid werden omschreven, zodat deze tenslotte voor aannemers onduidelijk ofwel duyster en onverstaanbaar waren geworden. Op voorstel van Directeur-generaal Carel Du Moulin (1727-1793) werd daarom in 1780 besloten dat de ingenieurs tekeningen ter opheldering van de bestekken moesten maken. Voor zowel nieuwe vestingwerken van enig belang en gehele vernieuwing of reparatie van bestaande vestingwerken dienden de ingenieurs: [...] bij de bestekken daarvan te formeren, te voegen de noodige Plans of Tekeningen Figuratief, mits uit die bestekken selve blijken sal, dat die Tekeningen tot beetere informatie van de Aannemers noodig zijn, en de volumineusheid der bestekken daar door inderdaad is verkort[...]. (

ARA 1.01.19 Raad v. State inv. nr. 342 resolutie van 7-6-1780; inv. nr. 368 resolutie 13-10-1789.

)

Aanvankelijk kregen de ingenieurs een vergoeding voor dit extra tekenwerk wat de tekeningenproduktie stimuleerde. Hoewel deze toelage in 1789 weer werd afgeschaft door de Raad van State wegens bezuiniging, had inmiddels het tekeningengebruik definitief intrede gedaan onder de ingenieurs, en in het vervolg werden plans en tekeningen bij de bestekken getekend. Deze tekeningen-instructie was een van de weinige hervormingsvoorstellen van Du Moulin, die eind 18e eeuw werd aangenomen ter verbetering van de uniformiteit, organisatie en werkwijze van de ingenieursdienst.

Een ander voorstel van Du Moulin betrof de invoering van uniforme tekeninstructies voor vestingplans en kaarten bij de genie. Omdat in de Republiek geen centrale dienst voor de topografische kartering bestond, zoals de Service Géographique de l'Armée in Frankrijk, waren er geen een uniforme kaarten van het gehele Nederlandse grondgebied voor handen. Pas vanaf 1747 werd onder Willem IV begonnen met de militaire kartering van de grenzen (frontieren) van de Republiek door de genie-ingenieurs Hattinga en Hottinger. Aangezien de wijze van oorlogsvoering was veranderd van de belegering van vestingen in krijgsverrichtingen over een groter gebied, was in de 18e eeuw behoefte aan uniform kaartmateriaal van zowel de vesting als het hele operatieterrein, en de linies van de Republiek.

In 1775-1786 kwam Du Moulin met voorstellen voor de uniforme kartering en opleiding naar voorbeeld van de ingénieurs-géographes. Hoewel deze hervormingen niet werden ingevoerd tijdens de Republiek, werden vanaf 1788 ingenieurs belast met kartering van de grensgebieden. Een andere instructie van Du Moulin voor het op uniforme wijze tekenen van vestingplans met de reliëf-en terreinweergave in een omtrek van 1 km. rond de vesting werd niet ingevoerd. (

ARA 4. OMM Algemeen 33 Memorie over het opmaken der Plans van Vestingen, 1775. Scholten, 1989, 147-148.

)

Bij de karteringen werd de uniforme topografisch tekenmethode gevolgd van ingenieur J. F. Schouster (1721-1801). Deze nieuwe plans kon de val van de vestingsteden in 1793-1795 niet worden verhinderd, als deze werden verdedigd door ingenieurs zoals Schouster, die in 1793 Breda en in 1794 's-Hertogenbosch zonder veel verzet capituleerde. (

ARA 4. OMM Algemeen 33 Memorie over het opmaken der Plans van Vestingen, 1775. Scholten, 1989, 132-135. Meijgaard, C.H. van, (1995) 83-87. Na de overgave van Breda werd Schouster ontslagen maar hij kreeg in 1794 gratie van Willem V en het commando over Den Bosch.

)

2. 1795-1813 de Bataafs-Franse tijd.
2.1 Het Korps ingenieurs en de Fortificatiedienst tijdens de Bataafse Republiek 1795-1806.

Na de Bataafse revolutie van 1795 werd de fortificatiedienst voorlopig op oude voet voortgezet maar door het Comité tot de algemene zaken van het bondgenootschap te lande, belast met defensiezaken, onder bevel geplaatst van de patriotse ingenieur H. van Hooff (1740-1809). De ingenieurs verrichtten dezelfde werkzaamheden betreffende de vestingbouw en tevens...de vernieuwingen, reparatien als onderhoud alsmede bestier over 'sLands gebouwen, bruggen, sluizen etc... De continuïteit blijkt uit de voorschriften van vóór 1795 die grotendeels van kracht bleven voor de ingenieursdienst, aangevuld met nieuwe instructies.

Een van de hoofdtaken van het nieuwe bewind was de reorganisatie van het leger, dat naar Frans model werd onderverdeeld in infanterie, cavalerie en artillerie. De genieingenieurs maakten aanvankelijk geen deel uit van de landmacht, totdat op voorstel van het Comité te Lande in juli 1795 de nieuwe organisatie van het Korps Ingenieurs, onder een nieuwe naam het Corps de Genie, werd vastgesteld. Door deze reorganisatie werd de fortificatiedienst ingekrompen, mede door de afstand van Staats-Vlaanderen, Maastricht en Venlo aan de Franse zusterrepubliek bij het vredesverdrag van mei 1795. Hierdoor werden de vestingen in de zuidelijke departementen opgeheven, zodat vijf departmenten overbleven: - Bataafs Brabant; -Neder-Maas; IJssel; de Waal tot de Zuiderzee en Wedde en Westwoldingerland. Deze departementen en het ingenieurs Corps de Genie stond onder leiding van de Directeur-generaal van fortificatiën Van Hooff.

De samenstelling van het ingenieurskorps veranderde drastisch na 1795 doordat meer dan de helft van de genie-officieren wegens Oranjegezindheid vertrok of werd gepensioneerd. Binnen drie weken dienden de ingenieurs het Comité te verzoeken om herplaatsing, ontslag of pensioen. (

Volgens de naamlijst van het korps opgesteld door het Comite, bleek dat van de 92 ingenieurs die in 1794 in Staatse dienst waren, er slechts 31 in dienst waren getreden van het Bataafse leger.

) Dit leidde tot een leegloop bij het korps omdat het nieuwe bewind slechts de patriotse officieren uit het Staatse leger recruteerde voor de Bataafse armee dat werd gezuiverd van de prinsgezinde officieren. Aangezien de meeste ingenieurs uit het Staatse leger hun aanstelling dankten aan de stadhouder, was het meerendeel Oranjegezind gebleven en velen weigerden de eed van afkeer van het stadhouderschap en namen ontslag uit de militaire dienst. Een aantal oud-ingenieurs sloten zich aan bij de Oranjegezinde troepenmacht Rassemblement en later bij de Dutch Brigade opgericht in 1799. Na de reorganisatie en zuivering kampte het korps met een onderbezetting omdat de werving van extra ingenieurs in 1795-1798 mislukte. (

Meijgaard, 1995, 36-37. Het betrof o.a. de ingenieurs: C. Schuller; F.T. Guichenon de Chastillon; J.H. Hottinger; A.W. de Petit; J.A.E. de Veye; C. Engelhardt; C. van Sorgen; W.J. Blanken; A.J. de Bock; J.C. Spengler; en J.H. Voet, later directeur van de KMA. In 1795 bleven 46 ingenieurs in dienst op een totale sterkte van 72 man.

)

In 1798 vond personeelsuitbreiding plaats door de integratie van de Hollandse fortificatiën. Ondanks de bestuurscentralisatie was de Hollandse fortificatiedienst na 1795 blijven voortbestaan, en onder het bevel geplaatst van de patriot C.R. Th. Krayenhoff, ter vervanging van de Oranjegezinde ingenieur A.J. de Bock.

Sinds de 80-jarige Oorlog beschikte Holland over een aparte fortificatiedienst, die door de gewestelijke autonomie niet onder de Generaliteit maar onder de Staten van Holland ressorteerde. De Hollandse Fortificatiën waren onderverdeeld in de vestingwerken langs de Hollandse en Zeeuwse kusten, en de Departementen van de Grote - en Kleine Fortificatiën, en stond onder bevel van een Contrarolleur-generaal die tevens lid was van het Staatse legerkorps van ingenieurs. Door de centralisatiepolitiek van de unitarissen die in 1798 de eenheidstaat proclameerden, werd tenslotte de Hollandse fortificatiedienst opgeheven, en als het Departement van de Krammer en de Biesbos een onderdeel van de Bataafse defensie-organisatie. Bij deze integratie werden de vestingen op de Zeeuwse eilanden bij Bataafs Brabant ingedeeld, terwijl Voorne en Goedereede en de Hollandse kust van Hoek van Holland tot Texel bij dit nieuwe departement gevoegd, dat onder bevel stond van Krayenhoff. (

Ibid. 33-35. De Grote fortificatien bestond uit de vestingen Brielle, Hellevoetsluis, Geertruidenberg, Klundert, Heusden, Woudrichem en Gorinchem. Het Kleine departement betrof de vestingen Naarden, Muiden, Weesp, Woerden, Oudewater, Schoonhoven en Nieuwpoort.

)

Door de Franse alliantie in buitenlandse politiek werd tijdens de Bataafse Republiek in 1795-1800 aan de landsverdediging prioriteit gegeven en werden nieuwe vestingwerken aangelegd. Hiervoor gebruikte men de vestingplans van de opgeheven Raad van State en Staten van Holland die verouderd en onbruikbaar waren geworden. Aanvankelijk werden in 1795-1796 van de oude vestingplans, die waren ingeleverd door de ontslagen ingenieurs, kopieën vervaardigd door de kaartbeheerder Van Westenhout, waarop de nieuwe vestingwerken werden ingetekend. Al spoedig kwamen hierbij grote onderlinge verschillen aan het licht door afwijkend schaalgebruik van oude plans, waarop het Comité in 1797 besloot tot invoering van nieuwe uniforme teken-instucties. De oude generaliteitschaal werd vervangen door een nieuwe uniforme schaal, die de ingenieurs moesten naleven in het formeren van plans en kaarten. Deze schaal van 1:14.400 (100 Rijnlandse Roeden op een duim) was reeds in 1775 voorgesteld door Du Moulin maar werd pas in 1797 verplicht voorgeschreven.

Behalve de schaal werd in 1799 door Van Hooff ook een nieuwe tekeninstructie speciaal voor de vervaardiging van vestingplans ingevoerd. Volgens deze instructie moesten de ingenieurs de nieuwe fortificatie-werken aangelegd sinds 1798 in kaart brengen, met profielen, waterpassing en gedetailleerde terreinopnames voor het stellen van inundaties. Bij deze nieuwe plans werden memories opgesteld over de historie en de verbetering van de defensie met inundaties. De ingenieurs dienden van de plans en stukken een brouillon-exemplaar en twee net-exemplaren te tekenen. (

ARA 4. OMM N 72 Memorie van 30-12-1799 van Van Hooff aan Agent van Oorlog. ARA 2.01.14.01 Comité te Lande inv. nr. 19 Resolutie 10-8-1797 nieuwe schaalgebruik. Zie OPV B85; B115; B121; B274; B278; H2; H26; K5B; Z27.

)

Na de Engels-Russische invasie van Noord-Holland van 1799 besloot het Bataafse Uitvoerend Bewind in 1800 tot de versterking van het leger en aanstelling van extra genie-ingenieurs voor de vestingwerken in Noord-Holland. Uit personeelsgebrek werden hiervoor ook fortificatie-opzichters, architecten en stadsfabrieken aangenomen ter assistentie van de ingenieurs. De verhoogde bouwactiviteit gaf een toename van het aantal adspirant-ingenieurs dat een militaire carrière ambieerde. In tegenstelling tot onder het Stadhouderlijk bewind was selectie niet gebaseerd op afkomst maar op capaciteit en scholing. Onder Van Hooff werd in 1797 een strenger toelatingsbeleid van kracht voor het korps, waarbij de ingenieurs op bekwaamheid werden gerecruteerd. De adspirant ingenieur diende theoretische kennis van de oude en nieuwe vestingbouwkunde, de civiele bouwkunde en de vijf bouworden te beheersen, wat aan de hand van zelf vervaardigde tekeningen werd geëxamineerd. De adspirant ingenieur moest op het examen een tekening kunnen overleggen van een huis ... soo in zijn plattegrond, façade als doorsnede...

Bovendien dienden de kandidaat-ingenieurs de Hollandse en Franse taal te beheersen, en een jaar als cadet te hebben gediend. (

ARA 2.01.14.02 Oorlog voor 1813 inv.nr. 1294B. ARA 4. OMD 208-209. Gunkel en Van de Graaff.

)

Voor de opleiding werden reeds in 1795 vier Militaire of Artilleriescholen opgericht voor het onderwijs aan zowel de artillerie-cadetten als adspirant-ingenieurs en mineurs en sappeurs te Den Haag, Zutphen, Breda en Deventer. Het onderwijs in de genievakken werd in 1800 geconcentreerd in een aparte genie-school te Zutphen, die in 1805 werd samengevoegd tot een opleiding voor zowel de artillerie als genie- en waterstaatingenieurs te Amersfoort. Tot de eerste lichting behoorden de zoon van de Directeur fortificatiën Van Hooff jr. en de beide zonen van Krayenhoff. Vanaf 1801 werden de ingenieurs uitsluitend gerecruteerd uit de afgestudeerden van deze school. Het tekenonderwijs dat aan de adspirant-ingenieurs werd gegeven door handtekenmeester deed een uniforme stijl van in de vestingplans ontstaan. De leerlingen kregen onderwijs in de Fortificatie- , Situatie - en Handtekenkunst [...] teneinde alle élèves tot eene gelijke Methode op te leiden, en dus de Kaarten naar eene gelijke smaak getekend worden. Hoe belangrijk dit tekenonderwijs was in de opleiding blijkt uit de instructie dat jaarlijks de tekeningen van elke cadet ter beoordeling aan de minister van Oorlog moesten worden ingezonden. (

ARA 2.21.102 Collectie Krayenhoff, inv. nr. 121. "Instructie voor den Directeur en Chef van de Theoretische en Praktische Militaire Scholen", art. 39, 11 oktober 1805. 2.01.14.02 Oorlog voor 1813 inv. nr. 1272 instructie van 23 september 1800 voor de directeur van het Ingenieur-School te Zutphen.

)

Door de bestuurscentralisatie werd in 1803 een Bureau de Genie opgericht door de Staats-secretaris of minister van Oorlog, dat belast werd met het toezicht over de fortificaties, militaire gebouwen en het personeel. Aan de Staats-secretaris was tevens zowel de kaartproduktie als het kaartbeheer opgedragen, met de taak om voor het Staatsbewind en de militaire autoriteiten te laten ontwerpen: De plans van Defensie, veldtochten [...] mede het laten vervaardigen en in orde houden van kaarten, plans en tekeningen tot de Defensie te Lande betrekkelijk... (

ARA 2.01.14.02 Oorlog inv.nr. 1278 Instructie Staatssecretaris van Oorlog, 31-5-1803 nr. 75 art. 30.

)

In 1803-1805 werd de landsverdediging ondergeschikt aan de invasieplannen van Engeland van Napoleon, die de Bataafse Republiek verplichtte tot de levering van schepen en troepen. Op de defensie van de Bataafse Republiek werd onder het bewind van raadspensionaris Schimmelpenninck bezuinigd waardoor in 1805 diverse vestingen werden opgeheven. Met uitzondering van de vestingwerken rond Amsterdam die in 1805-1810 onder leiding van Krayenhoff stand kwamen, waaruit later de Stelling van Amsterdam ontstond. (

OPV inv. nrs. A45-A61; A63; A65-A115.

)

2.2 Fortificatiedienst tijdens het Koninkrijk Holland 1806-1810 en het Keizerrijk, 1810-1813.

Tijdens het Koninkrijk Holland 1806-1810 werd door koning Lodewijk Napoleon naar Frans voorbeeld in 1807 de Artillerie en Genie samengevoegd tot een legerkorps onder leiding van inspecteur-generaal C.R.Th. Krayenhoff (1758-1840). Krayenhoff kreeg tevens de leiding van het Depôt-generaal van Oorlog dat naar Frans voorbeeld in 1806 werd opgericht speciaal voor de militaire kaartproduktie (zie hoofdstuk 4.2). Behalve topografische kaarten werden bij het Depot door Geografische ingenieurs ook vestingplans getekend, die volgens nieuwe instructie werden vervaardigd. De instructie uit 1797 voor uniform schaalgebruik werd uitgebreid met nieuwe schalen van achtereenvolgens 1:14.400 (100 Rijnlandse roeden op een duim) voor detailkaarten, en kleinere schalen van 1:28.800 (200 Rijnlandse r.) en 1:57.600 (400 Rijnlandse r. )voor minder gedetailleerde karteringen. Voor het opnemen van vestingwerken werd een nieuwe schaal van 1:2.880 (20 Rijnlandse r. op een duim) voorgeschreven voor de vervaardiging van de vestingplans.

Naast topografische kartering hadden de geografische ingenieurs tevens tot taak de astronomische plaatsbepalingen, geodetische opmetingen, waterpassingen en het verzamelen van statistische gegevens van de regio's die werden gekarteerd in zogenaamde Topografische Memories. Tevens konden ingenieurs worden gedetacheerd bij het veldleger om de kaarten en plans te bewaren en te kopiëren, en de legerkampen, marsen, terrein verkenningen en slagvelden in kaart te brengen voor de militaire bevelhebbers.

Aangezien de kaarten en vestingplans vanwege militair belang onder de geheimhoudingsplicht vielen, werden deze niet in druk uitgegeven. Zelfs werd het de ingenieurs verboden om minuut- of kopiekaarten die zij hadden getekend onder zich te bewaren. (

ARA 2.13.45 inv.nr. 3305 Instructie voor de Géographische Ingenieurs bij het Depôt-Generaal van Oorlog van het Koninkrijk Holland, d.d. 4-3-1808. ARA 4.OMM N115.

)

Door de inlijving bij Frankrijk in 1810 gingen deze Hollandse legeronderdelen respectievelijk op in het Franse Corps Imperiale du Génie en het Depot de la Guerre. Tijdens het Franse bewind is slechts weinig gerealiseerd van de grootschalige militaire vestingbouwwerken die in deze tijd werden ontworpen, met uitzondering van de stellingen van Den Helder en Amsterdam.

2.3 De vestingbouw in de Bataafs-Franse tijd 1795-1813.

Door het bondgenootschap met Frankrijk na 1795 raakte de Bataafse Republiek in conflict met Engeland en Pruisen, zodat in het defensiebeleid prioriteit werd gegeven aan de versteking van de kust en langs de oostgrens, en niet langs de zuidgrens. In de Bataafs-Franse tijd werd de defensiestrategie gebaseerd op verdedigingslinies waarin versterkte steden werden verdedigd door inundaties, die na 1795 werden uitgebreid en verbeterd. Samenvattend werden tijdens de Bataafse Republiek van 1795 tot 1805 de volgende vestingwerken versterkt of uitgebreid tot linies:

De Linie van Wedde en Westwoldingerland in het Noordoosten:

Reeds in 1796 kwamen onder leiding van Van Hooff vele vestingwerken tot stand in de noordoostelijke provincies. In Groningen werd ten oosten van Bourtange de linie van Abeltjeshuis aangelegd, als onderdeel van de Eemslinie. Tussen Bourtange en Coevorden werden in 1798 de redoute Barnflair of Klooster Ter Apel aangelegd, ten zuiden van Ter Apel ter versterking van de Eemslinie.(

OPV B182 en B184; B38 en B39.

)

In Drenthe werd in 1798-1800 ten noorden van Emmen een redoute de Emmerschans opgeworpen, en de vesting Coevorden aan de oostzijde versterkt door de redoute Katshaar volgens een ontwerp van Van Hooff.(

OPV E 9, K71-K72.

)

In 1799-1800 werd in Overijssel vestingwerken aangelegd voor de inundatie van Coevorden ten noordoosten van Gramsbergen en ten noorden en zuiden van Hardenberg aan de Vecht, de Loozer- en Venebrugerlinies.(

OPV H 6-9; H13A.

)

IJsselinie.

In de vestingen Doesburg, Zutphen en Deventer werden langs de IJssel versterkingen aangelegd in 1796-1799, maar door geldgebrek stagneerde een aantal werken zodat de inundatie tussen Doesburg en Zwolle niet werd voltooid voor 1803. Bij Zutphen werd de Linie genoemd naar Van Hooff in 1803 aangelegd.(

OPV D88; Z33.

)

Grebbelinie.

Op basis van de linie die in 1792-1793 was aangelegd tussen de Gelderse Vallei en Rhenen, werden in 1799-1800 plannen uitgevoerd ter verlenging van deze linie naar de Neder-Betuwe door de aanleg van een inundatielinie tussen de Ochten en Dodewaard. De Grebbelinie werd in 1799 versterkt met de diverse vestingwerken en de Linie van Juffrouwwijk(

OPVG G207; G231; G252.

)

Linie van Beverwijk.

De veldwerken die hier in 1799 waren aangelegd om de opmars van de Engelse en Russische troepen naar Amsterdam te stuiten, werden na de Bataafse overwinning op de geallieerden legers tot een definitieve linie uitgebouwd. Reeds in 1800 werden met spoed volgens de plannen van Krayenhoff 26 lunetten tussen de Noordzee bij Wijk aan Zee en Wijkermeer bij Beverwijk dwars door Noord-Holland aangelegd. Toen na voltooiing een nieuwe invasie uitbleef, raakte de linie spoedig overbodig en werd buiten onderhoud gesteld.(

OPV B160; OSPV B18; OPV S37-S70.

)

Hollandse Waterlinie.

Ook deze linie werd na 1795 gehandhaafd en versterkt en uitgebreid onder Krayenhoff met de Linie van Ter Aa, werken bij Breukelen, nieuwe Linie van Linschoten en tussen Oudewater en Montfoort. Het plan van Krayenhoff om Utrecht binnen de Hollandse Waterlinie op te nemen, werd echter afgewezen.(

OPV HH 719; H784; H790; H794 en H800.

)

Kustdefensie en positie van Den Helder.

De kustdefensie bij Den Helder en langs de Hollandse kust werd na 1800 versterkt met verschillende batterijen tegen invasie vanuit zee zoals in 1799. Behalve de Linie van Beverwijk werd de in de Kop van Noord-Holland bij de Zijpe en de Kamperduinen in 1800 versterkingen aangelegd. Naar aanleiding van de strijd in 1799 om de marinehaven van Den Helder werden verschillende defensieplannen in 1799-1801 opgesteld, die pas na 1803 bij hervatting van de oorlog werden uitgevoerd met de omwalling van Den Helder en aanleg van kustforten.

Vervolg.

Na de hervorming en de hausse in de vestingbouw van de Bataafse tijd na 1795, werd onder raads-pensionaris Schimmelpenninck in 1805 bezuinigd op landsverdediging Hierdoor werden een aantal de vestingen die na. 1795 waren verstrekt of nieuw aangelegd, verlaten en ontmanteld of gesloopt. In 1805 werd de defensie van de Republiek geconcentreerd op de Grebbe- en Hollandse Waterlinie en de kust- en zeegaten, en Amsterdam. Rondom de hoofdstad werden de dorpen Amstelveen, Ouderkerk en Diemen verstrekt, nieuwe posten aangelegd te Diemerdam, Sparendam, Duivendrecht de Liebrug en het Penningsveer en werden langs weerszijden van het IJ en op de ringdijk van de Buikslotermeer batterijen ingericht. Hieruit ontstond later de Stelling van Amsterdam. (

OPVA 45-A 51.

)

Onder Lodewijk Napoleon werd in 1806-1809 de sanering van het Bataafse vestingstelsel voortgezet met de ontmanteling van de volgende vestingen:

Nieuwpoort, fort St. Andries, Arnhem, Nijmegen met Knodsenburg, Deventer, Doesburg, Zwolle, Kampen en Hassel. De forten Pannerden en Geldersoord werden in beheer overgedragen aan de Waterstaat. De linie van Beverwijk en door de Neder-Betuwe werden verlaten evenals de Brabantse linie met uitzondering van Bergen op Zoom, Breda, Den Bosch en Grave. Het voorstel van Lodewijk Napoleon om ook de Grebbelinie en vestingen in de Hollande Waterlinie te verlaten, kon geen instemming krijgen van zijn broer Napoleon Bonaparte die deze linies als essentieel onderdeel van defensiestelsel wilde handhaven. (

ARA 4. OMM Memorie N 115 Gescheidkundig overzicht van hetgeen in Nederland is verricht met betrekking tot een algemeen stelsel van verdeding [...] sedert het jaar 1806, door J. W. van Sijpesteijn, 1851. Meijgaard, 1995.

)

Na de inlijving bij Frankrijk werden door de keizer de verlaten linies van Beverwijk, de Grebbe en door de Neder-Betuwe hersteld, en geen vestingen ontmanteld. Napoleon's defensieplannen voor het Nederlandse departement waren gericht op de versterking van de kust van Den Helder tot de Scheldemond en de Hollandse Waterlinie aan de landzijde. De kustdefensie werd versterkt op het eiland Goeree-Overflakkee met nieuwe fort Duquesne bij Ooltgensplaat en het tegenoverliggende fort De Ruyter bij Willemstad. Deze forten waren volgens een frans standaardmodel ontworpen en in 1811 gebouwd. (

ARA OPV O 17 en O 19.

) Tussen Willemstad en fort Ruyter werd in 1812 een derde torenfort genaamd de "batterie 1'Enfer" ofwel De Hel aangelegd.

Tijdens zijn bezoek in mei 1810 inspecteerde keizer Napoleon de positie van Vlissingen, en gaf opdracht tot de verbetering van de defensie met een groot aantal nieuwe werken. Het oude fort Rammekens werd in 1811 verbouwd en de Vlissingen werd met twee nieuwe forten uitgebreid, Montobello (latere de Nolle) aan de westzijde en fort St. Hilaire (na 1813 De Ruyter) aan de oostkant. Tussen dit laatse fort en Rammekens kwam een kustfort Lacoste (Zoutman). Ook bij Breskens aan de Schelde werden nieuwe kustforten aanbesteed die echter voor eind 1813 niet werden voltooid. (

OPV V 63-V 68; V 89-V 96 en V 101-V 107.

)

Tijdens zijn tweede inspectiereis door Holland in 1811 gaf de keizer opdracht tot de versterking van de kustdefensie bij Den Helder en van de verdedigingslinie rond Amsterdam De franse plannen voor Den Helder bestonden uit de aanleg van een marinehaven omringd door een fortificatielinie. Hiervoor werden de volgende kustforten aanbesteed: Lasalle (na 1813 Erfprins) ten westen, Dufalga, 1'Ecluse (Driks Admiraal), Dugommier (Oostoever) en Morland (Kijkduin) bij Huisduinen. Op Texel werd de Oude Schans in 1811 versterkt met nieuwe bastions, die in 1812 gereed kwamen. De forten rond Den Helder werden onder Willem I na 1813 afgebouwd. (

OPV H 51; H 60-H 60; H 67; H 72- H 73; T 10B-10C; T 17.

)

Na de inspectie van de stelling van Amsterdam en van Naarden en Muiden raakte de keizer overtuigd van de inundaties als defensiemiddel en besloot op advies van Krayenhoff tot de aanleg van een waterlinie van Naarden naar Gorinchem. Deze linie zou de nieuwe noordgrens van het keizerrijk worden, maar na het vertrek van de keizer kwam er weining terecht van deze plannen doordat de Franse ingenieurs geen vertrouwen hadden in het Hollandse inundatie-systeem. Krayenhoff's plannen uit de Franse tijd werden pas onder Willem I na 1815 uitgevoerd door de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. (

Schukking, 1951, ARA 4. OMM H200. Correspondance de Napoléon I-er, XXII, nr. 18194, "La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de L'empire."

)

2.3 1814-1940 De vestingplans van defensiewerken van de Genie-dienst van het departement van Oorlog.

Na 1814 werd onder koning Willem I het korps ingenieurs in 1814 als technisch wapen belast met de aanleg en onderhoud van de vestingwerken en de militaire gebouwen. De taken en bevoegdheden van het korps onder directie van Inspecteur-generaal Krayenhoff werden sterk uitgebreid door de Wet op de militaire 'slandsgronden en gebouwen van 1814. Volgens deze wet werden alle militaire gronden en gebouwen die sinds 1760 in gebruik waren geweest bij de fortificatiën onteigend tot Staatsdomein. Tevens werd een bouwverbod in de omtrek van ca. 1 km rond vestingen afgekondigd waarop ingenieurs controle uitoefenden. In 1853 werd deze wet vervangen door de Verboden Kringenwet die tot 1963 van kracht bleef. (

A. van der Woud, Het lege land: de ruimtelijke orde in Nederland 1798-1848 (Groningen 1987) p.470-477.

)

Na de vereniging in 1815 met België werd de genie-dienst uitgebreid tot de 14 Zuid-Nederlandse vestingsteden die tot de afscheiding in 1830 in beheer en onderhoud waren van de Hollandse genie-ingenieurs. (

Betrof de vestingen te Ath; Antwerpen; Bergen (Mons); Charleroi; Doornik; Hoei; Ieperen; Luik; Luxemburg; Namen; Dinant; Meenen; Nieuwpoort; Oostende; Philipeville. De vestingplans van deze Belgische steden uit 1814-1830 zijn gedeeltelijk bewaard gebleven op het ARA in het archief van de Topografische Dienst: ARA 4. TOPO inv. nr. 4.1. In 1953 werd een aantal kaarten en tekeningen aan het ARA te Brussel overgedragen, zie hiervoor de lijst uit 1978 toegang nr. 2.23.03.

)

Als Inspecteur-generaal kon Krayenhoff zijn ontwerpen uit de Franse tijd voor een nieuw defensiestelsel na 1815 onder Willem I realiseren. Volgens de nieuwe strategische inzichten werd vanaf 1815 een nieuw defensiestelsel aangelegd bestaande uit een reeks van vestingen in linies (IJssel-en Grebbelinie; Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie) ter verdediging van West-Nederland. De Nederlandse defensie, die sinds de 80-jarige Oorlog gebaseerd was geweest op vestingen en de onderwaterzetting van het omringend gebied, werd ook na 1815 volgens dit principe ontwikkeld en ingericht.

Na voltooiing van de zogenaamde Nieuwe Hollandse waterlinie in 1815-1824 kregen de genie-ingenieurs tevens het beheer over de inundatiemiddelen zoals sluizen, bruggen, dijken en duikers aangelegd door de Waterstaatsingenieurs.

In 1840-1860 werd de defensie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie vervolmaakt door de aanleg van bomvrije torenforten, o.a. te Asperen, Everdingen, Honswijk. Na oplevering bleken de torens reeds verouderd door de technische ontwikkeling van de artillerie en niet bestand tegen het getrokken geschut met grotere vernietigingskracht, zodat verbouwing door de Genie noodzakelijk was. (

ARA 4. OPG A396 Asperen; E40-E41 Everdingen; H89-H92 Honswijk; H115 Vuren; N144-N148 Nieuwersluis; U34-U35 Uitermeer.

)

Na 1874 werd de bouw van nieuwe bomvrije onderkomens noodzakelijk door de nieuwe defensiestrategie van verspreide legering van de troepenmacht in het vestingstelsel. Het betekende tevens de ontmanteling en sloop van een groot aantal vestingen die na 1874 geen onderdeel meer waren van het nieuwe vestingstelsel zoals bijvoorbeeld Deventer, Zutphen, Nijmegen, Grave, Groningen en Den Bosch.

Na 1885 werd onder invloed van de technische ontwikkeling in de artillerie en de uitvinding van de brisantgranaat door de genie een nieuwe type forten gebouwd bestand tegen artillerie-aanvallen, gekenmerkt o.a. door toepassing van beton, gietstalen geschutkoepels en bomvrije onderkomens zoals in de Stelling Amsterdam en rond Utrecht.

Na de voltooiing van de Stelling Amsterdam aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werden van 1918 tot 1935 onder invloed van bezuinigingen op de defensie geen nieuwe vestingbouwwerken uitgevoerd. De genie-dienst beperkte zich tot het onderhoud en de verbetering van kazernes en de inundaties in de Vesting Holland, die in 1922 werd gevormd door aaneensluiting van de Stelling Amsterdam, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de stellingen monden van de Maas, het Haringvliet en het Hollands Diep. Pas vanaf 1935 werden nieuwe vestingbouwwerken uitgevoerd zoals betonnen kazematten ter versterking van de Grebbe- ; Maas-en Waal- en Peel-linie en de stelling op de Afsluitdijk. Deze werken werden uitgevoerd in de mobilisatietijd in 1935-1940 door aparte afdelingen van de genie: het Technisch Bureau Inspectie der Genie, het Bouwbureau en het Bureau Stellingbouw. (

ARA 4.OITB Technisch Bureau Inspectie der Genie, 1880-1939 tekeningen van 1914 tot 1939 van o.a. Kornwederzand, IJmuiden, Amsterdam, Stelling Vlissingen. ARA 2.13.24 De archieven van het Bouwbureau en Bureau Stellingbouw van de Inspectie der Genie bevatten de bouwtekeningen van kazematten, bunkers, loodsen enz. uit de mobilisatietijd 1939-1941 die niet zijn opgenomen in de plans van gebouwen van de Genie. 300 jaar bouwen voor de landsverdediging, 1988, 126-133.

)

3. Instructies Vestingplans en plans van Verboden Kringen, 1816-1887.

Tot aan het eind van de 18e eeuw bleef de taak van de genie-ingenieurs beperkt tot het ontwerpen, bouwen, het onderhoud en beheer van vestingwerken en inundaties. In het begin van de 19e eeuw werd deze taak uitgebreid met het toezicht en de adminstratie van de onroerende goederen gelegen binnen de zogenaamde Verboden Kringen, wat aanleiding was voor de reglementering door middel van vestingplans.

Reeds in 1816-1818 werd bij de Genie en het Topografisch Bureau het metrieke stelsel voor alle tekeningen, plans en kaarten ingevoerd in plaats van de oude standaard maten zoals Rijnlandse roede die sinds 1797 in gebruik was geweest. De tiendelige tekenschaal was verplicht voor zowel de nieuwe als oude vestingplans gedeponeerd in het Archief van Oorlog, waarop de ingenieurs de nieuwe decimale schaal moesten vermelden. Onder invloed van deze instructie werd uniformering van de verschillende kaarten in gebruik bij Oorlog bevorderd. Afhankelijk van de gewenste gedetailleerdheid, varieerde het schaalgebruik waarop de vestingwerken werden getekend van 1:100 voor batterijen, redouten, loopgraven, vestingfronten en reliëfplans tot 1:5000 voor gehele vestingen met omgeving. Ook de topografische kaarten werden na 1818 volgens uniforme schalen getekend. (Zie bijlage 1 uniforme schalen) (

Recueil Militair 1818, p. 193. Zie bijlage 1 schaalgebruik.

)

Doordat de vaststelling van de grensscheiding tussen de Rijks-en particuliere gronden zoals bepaald volgens de Wet op de op de militaire 'slandsgronden uit 1814 in de praktijk onuitvoerbaar was gebleven, werden hiervoor in 1842-1846 nieuwe instructies ingevoerd. Aangezien de ingenieurs vanaf 1814 waren belast met de adminstratieve controle op de naleving van het bouwverbod volgens de Wet uit 1814, werden volgens de instructies in 1842 nieuwe vestingplans getekend voor vaststelling van de grensscheiding tussen de Rijks- en particuliere gronden. Deze nieuwe vestingplans dienden tevens voor de controle en schaderegeling van de particuliere gronden gelegen binnen Verboden Kringen van vestingen.

In 1853 werd dit tekenvoorschrift voor vestingplans veranderd en uitgebreid door een nieuwe instructie voor de vervaardiging van de zogenaamde Plans van Verboden Kringen. Deze grootschalige plattegronden gaven zeer gedetailleerd de grenzen van Rijksen particuliere gronden aan met de kadastrale perceel-nummering alsmede de grens van de verboden kringen rond de vesting waarbinnen een bouwverbod gold. Bij deze plans werd een staat of register samengesteld ter toelichting op de Rijks-en particuliere gronden waarvoor de gegevens van de Kadastrale hypotheek-registers werden gekopieerd. De goedgekeurde plans en de staten werden gedeponeerd bij het ministerie van Oorlog, terwijl de EAI's duplicaatexemplaren bewaarden. (

ARA 2.13.01 inv. nr. 3257 Instructie 27-11-1842 nr. 11a ARA 2.13.45 inv. nr. 3300 Plans Verboden Kringen d.d. 21-6-1844 nr. 6A; 12-10-1846 nr. 44b; 7-2-1854 nr. 42B. Recueil Militair, 1854, 17-20. Voorschriften betrekkelijk het vervaardigen van het plan, bedoeld in artikel 20 der wet van den 21sten December 1853 (Staatsblad nr. 128).

)

In 1877 en 1887 werden de instructies voor Plans van Verboden Kringen herzien in verband met de voltooiing van de nieuwe vestingwerken aangelegd in het kader van de Vestingwet van 1874. De oude plans werden in 1877 bijgewerkt met de nieuwe kringen van bestaande vestingen, terwijl de plans van de opgeheven vesting vervielen. Tevens werden de bestaande instructies uit 1815-1819 ter bevordering van de geheimhouding van de vestingplans hernieuwd. De vestingplans en kaarten met een schaal groter dan 1:50.000 werden in de regel niet gekopieerd noch uitgeleend, doch waren slechts ter inzage voor militairen bij de Eerstaanwezend ingenieurs. (

ARA 3.09.03 inv. nr. 548, 13&14-9-1877 Minister van Oorlog nr. 41G. Herziening van de bestaande plans der Verboden Kringen bijwerking met nieuwe vuurlinies en kringen. Voorschrift geheimhouding 27-5-1819 nr. 69 en Recueil Militair, 1866, 124, besluit Minister van Oorlog van 24-1-1883 J3.

)

Na de voltooiing van het vestingstelsel werden in 1887 de plans opnieuw bijgewerkt. Een groot aantal plans van de vestingen die vanaf 1887 geen onderdeel waren van het Vestingstelsel vervielen. Behalve deze getekende vestingplans kwamen vanaf 1866 voor intern gebruik bij de legeronderdelen de zogenaamde geheime Strookkaarten der Verdedigingsliniën op schaal 1:25.000 gedrukt door de Topografische Inrichting beschikbaar. Hierop waren de verdedigingswerken in een strook van ca. 5 Km. getekend De geheime kaarten betroffen de zes verdedigingslinies van Nederland begrensd door de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Stelling van Den Helder, het rivieren-gebied en Noord-Brabant. Het gebruik en de verspreiding van deze serie gedrukte kaarten was onderworpen aan militaire geheimhouding, en de kaarten dienden tijdens oefeningen binnenskamers te worden geraadpleegd! De gedrukte en geheime kaarten konden de getekende Plans van de vestingen die in gebruik bleven niet geheel vervangen, vanwege de gedetailleerde weergave van de percelen voor de vastgoed- registratie. De plans werden tot de opheffing van de vesting(en) periodiek bijgewerkt of vervangen. De tekeninstructies voor topografische kaarten uit 1891 en bouwtekeningen uit 1892 hadden geen betrekking op de plans van verboden kringen, die tot het begin van de 20e eeuw werden getekend volgens de voorschriften uit 1853 en 1887. (

ARA 3.09.03 Eerstaanwezend Ingenieurs te Brielle en Hellevoetsluis, 1814-1911 inv.nrs. 548 en 674. Memoriaal M. Witsenborg, 1814-ca. 1927. ARA 2.13.01 inv. nr. 3850 d.d. 1-11-1887 nr. 3 Instructie Kringplans. Recueil Militair, 1884, p. 109; 1893, p. 354; 1905; Legerorder, 1924, nr. 129 7-4-1924.

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in