Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Hoge Krijgsraden

1.01.45
D.J. Kortlang
Nationaal Archief, Den Haag
1996
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.01.45
Auteur: D.J. Kortlang
Nationaal Archief, Den Haag
1996

CC0

Periode:

1607-1794

Omvang:

14.00 meter; 141 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in het Frans.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten, kennis van het 17e en 18e eeuwse handschrift is noodzakelijk. Het archief bevat een vijftal kaarten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Hoge Krijsgraden en van de Zeekrijgsraden bevat voor de periode 1607-1794 fragmentarisch verzamelingen notulen, sententies en processtukken met betrekking tot bestraffing van militairen, zowel civiel als crimineel. Voor de perioden 1672-1712 en 1747-1783 is het archief vrij volledig, vooral in relatie tot het leger. De inventaris bevat als Bijlagen twee indexen op de procesdossiers.

Archiefvormers:

  • Griffier van de Advocaat-fiscaal bij de Hoge Krijgsraad
  • Hoge Krijgsraad der Verenigde Nederlanden (1672-1703)
  • Hoge Krijgsraad der Verenigde Nederlanden (1674-1703), Griffier
  • Hoge Krijgsraad der Verenigde Nederlanden (1747-1783)
  • Hoge Krijgsraad der Verenigde Nederlanden (1747-1783), Griffier
  • Hoge Zeekrijgsraden

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

GESCHIEDENIS

Volgens het geschreven Nederlandse recht berustte de berechting van militaire delicten bij de Raad van State en bij krijgsraden te velde die door de Raad waren opgericht of erkend ( Instructie voor de Raad van State, 12 april 1588, artikel 11 ). Deze rechtspraak was geregeld in de "Artikelbrief" van 1590. Het was echter in het Europa van het Ancien Regime gebruikelijk dat de militaire rechtspraak alleen van de hoogste persoonlijke legerleiding (in casu de vorst) uitging. De positie van de stadhouder als kapitein-generaal van het leger leidde er daarom toe dat al enkele jaren na het vaststellen van de Artikelbrief, en in afwijking daarvan, een door de Stadhouder benoemde 'Krijgsraad nevens zijne excellentie', in werking trad als rechtbank van appel van krijgsraden te velde en als adviserend orgaan van de Stadhouder bij het bevestigen van kapitale sententiën en de uitoefening van het recht van pardon en gratie in militaire strafzaken. ( S.J. Fockema Andrea, De Nederlandse Staat onder de Republiek , p. 25 )

Tussen 1590 en 1597 ontwikkelde deze Krijgsraad zich tot een permanent gerechtshof dat ,wanneer er geen campagne te velde was, in Den Haag zetelde.

De bevoegheid van de Hoge Krijgsraad is nooit behoorlijk omschreven. Het instituut van de Hoge Krijgsraad was zodoende onverbrekelijk verbonden met de lotgevallen van de prinsen van Oranje als stadhouder en kapitein-generaal. Was er een stadhouder dan bestond er ook een permanente Hoge Krijgsraad. In stadhouderloze tijdperken was er echter, naast de garnizoenskrijgsraden, alleen een krijgsraad te velde, die na iedere campagne werd opgeheven. Civiele zaken vielen dan meestal weer onder de plaatselijke rechter. Beroepszaken werden behandeld door de Raad van State. ( J.W. Wijn, Het krijgswezen in den tijd van prins Maurits, p. 84-86 )

Eerste Hoge Krijgsraad (ca. 1590-1659)

De oprichtingsdatum van de eerste permanente Hoge Krijgsraad is onbekend. ( De vroegst bekende resolutie dateert van 3 mei 1597. ) Waarschijnlijk werd ze rond 1590 opgericht door prins Maurits onder de naam 'Krijgsraad nevens zijne Excellentie'. De Hoge Krijgsraad hield zitting in Den Haag en fungeerde als hof van appel van de garnizoens- en regimentskrijgsraden, een taak die eigenlijk de Raad van State toekwam ( Resolutie Raad van State, 9 februari 1703 ). Dit zou de volgende twee eeuwen voortdurend tot conflicten leidden. Tijdens militaire campagnes trok de Hoge Krijgsraad met de troepen mee. Na het overlijden van prins Willem II in 1659 werd de Hoge Krijgsraad, als permanente rechtbank en hof van appel, opgeheven. Officiëel is dit echter nooit gebeurd.

Tweede Hoge Krijgsraad (1674-1703)

In 1674 werd de Hoge Krijgsraad heropgericht. Zij vergaderde in een kamer in het gebouw van de Staten van Holland en behandelde zowel criminele als civiele zaken betreffende militairen. De militaire krijgstucht was nog voor een groot gedeelte gebaseerd op de Artikelbrief uit 1590. De manier van procederen was niet vastgelegd. Op 24 februari 1687 werd daarom door Willem III een 'Reglement op proceduren der militaire zaken van geringe importantie' vastgesteld, gevolgd, op 27 oktober 1700, door een 'Summiere instructie voor den Hoogen Krijgsraad der Verenigde Nederlanden' .

Volgens deze instructie moest de Hoge Krijgsraad het procesrecht van de Raad van State en het Hof van Holland volgen. Daarnaast werd vastgelegd dat de Hoge Krijgsraad de lagere krijgsraden moest controleren. De advocaat-fiscaal diende misstanden aan te brengen, maar kon pas procederen na toestemming van ofwel de Staten-Generaal of de Raad van State of de Hoge Krijgsraad zelf. De Artikelbrief bleef richtsnoer van de rechtspraak.

Na het overlijden van de stadhouder-koning in 1703 trok de Raad van State direct de militaire jurisdictie naar zich toe. De Krijgsraad mocht zich niet meer "Hoge Krijgsraad der Verenigde Nederlanden", maar slechts "Hoge Krijgsraad" noemen ( Resolutie R.v.S. 10 maart 1703. ). Zij zou voortaan rechtspreken in naam van de Staten-Generaal. Over ieder vonnis moest eerst goedkeuring gevraagd worden aan de Raad van State. In de loop van 1703 werden alle lopende zaken terugverwezen naar plaatselijke garnizoenskrijgsraden of overgenomen door de Raad van State. Vanaf dat moment oefenden de president, griffier en fiscaal alleen hun functie uit tijdens campagnes te velde. Op 30 april 1705 werd door de Raad van State de beeltenis van het nieuwe zegel van de Hoge Krijgsraad vastgesteld. Deze had de superscriptie 'Crijghs Raade te Velde'. Na 1713 was alleen de griffier nog in functie. Hij bleef aan tot 1724. ( Op 25 juli 1724 besluiten de Staten-Generaal geen nieuwe griffier aan te stellen, zo lang geen president of Hoge Krijgsraad geformeerd is. )

Derde Hoge Krijgsraad (1747-1783)

Toen in 1747 vele zuidelijk gelegen forten en steden door overgave in handen kwamen van de Fransen besloten de Staten-Generaal, op verzoek van Willem IV, een krijgsraad in te stellen die een onderzoek moest plegen naar de overgave van de vesting Sluis door de generaal de la Rocque 'omdat de Hooge Krijgsraad nog niet herstelt is'. ( Resolutie S.G., 26 juni 1747. )

Nog geen maand later verzocht de Raad van State aan prins Willem IV een Hoge Krijgsraad te benoemen, waaraan zij een in behandeling zijnde zaak konden overdragen, 'in consideratie van de meenigvuldige bezigheden waarmeede deesen Raad thans is overladen'. ( Resolutie R.v.S., 21 juli 1747. Het gaat om de zaak tegen Coenraad Hertel. ) Aan dit, waarschijnlijk niet geheel vrijwillige, verzoek werd door de prins gevolg gegeven. Op 4 december 1747 kreeg Roeland van Kinschot van de Staten-Generaal zijn commissie als 'President van de Hoge Krijgraad der Verenigde Nederlanden'. Deze derde permanente Krijgsraad droeg dus opnieuw die omstreden naam.

Een jaar later besloot de Raad van State, naar aanleiding van een brief van prins Willem IV, ook de civiele jurisdictie over militaire personen aan de Hoge Krijgsraad over te geven zoals dat ook ten tijde van Willem III gebruikelijk was. ( Resolutie R.v.S., 21 maart 1748. ) Alle lopende zaken werden aan de griffier van de Hoge Krijgsraad overgedragen. Dat de Raad van State deze overgave van de militaire jurisdictie niet prettig heeft gevonden blijkt o.a. uit de vertraging waarmee zij de tractementen van de leden en bedienden van de Krijgsraad uitbetaalden.

Ook voor deze periode vinden we weinig reglementen of instructies betreffende de militaire rechtspraak. Slechts in augustus 1750 werd door Willem IV een 'reglement omtrent het appelleeren van crimineele vonnissen bij subalterne krijgsraden gewezen' vastgesteld.

Dat de Hoge Krijgsraad als een Stadhouderlijk machtsinstrument bij uitstek werd gezien bleek uit de politieke strijd tussen patriotten en prinsgezinden naar aanleiding van de strafzaak tegen de officier J.F. Witte in 1783. Deze was vanwege hoogverraad door de Hoge Krijgsraad ter dood veroordeeld. De Staten van Holland bestreden de jurisdictie van de Krijgsraad over deze officier. Op het hoogtepunt van de strijd bemoeiden vrijwel alle gewestelijke besturen zich hiermee. De strijd eindigde met een nederlaag voor de Erfstadhouder en de Hoge Krijgsraad. De Staten van Holland verboden tenslotte de Hoge Krijgsraad op haar grondgebied recht te spreken. Op 24 december 1783 werd de Hoge Krijgsraad door de Staten-Generaal van de Staat van Oorlog afgevoerd en daarmee feitelijk afgeschaft. Aan de leden, behalve de president, werd een pensioen verleend. Alle papieren en consignatiepenningen moesten aan de Raad van State worden overgedragen. Na het herstel van de Stadhouderlijke macht in 1787 werd de Hoge Krijgsraad niet meer heropgericht.

Hoge Zeekrijgsraden

Op 13 oktober 1783 schreef de erfstadhouder een brief aan de Admiraliteit van de Maze waarin hij melding maakt van het verzoek van vice-admiraal Reynst om een Zeekrijgsraad te beleggen naar aanleiding van het gedrag van enige officieren tijdens een zeeslag.

Op 28 februari 1792 schrijft hij opnieuw aan het college met het verzoek een Hoge Zeekrijgsraad te houden n.a.v. het ongeluk van het schip 'Brielle' en de rol van de kapitein in deze.

De Hoge Zeekrijgsraad was dus geen permanent college maar werd voor een bepaalde zaak bijeengeroepen. Als vergaderruimte diende de 'Hollandsche kamer'.

In tegenstelling tot de Hoge Krijgsraad werden de Hoge Zeekrijgsraden ook na 1783 voortgezet.

ORGANISATIE
1e Hoge Krijgsraad

De exacte samenstelling van de 1e Hoge Krijgsraad is onduidelijk. De rechters waren hoge officieren vanaf de rang van kapitein, die in Den Haag in garnizoen lagen. Daarnaast fungeerden een advocaat-fiscaal en een griffier. Het aantal leden wisselde van tien tot twintig. Zij ontvingen hun oproep van de sergeant-majoor van het garnizoen, en waren op boete verplicht op tijd te verschijnen wanneer recht gesproken moest worden. In 1605 werd bepaald dat voortaan van elk regiment een officier in de krijgsraad zitting moest nemen. Het voorlopig onderzoek werd geleid door de advocaat-fiscaal van de Generaliteit; deze maakte de stukken gereed en bracht de zaak 'in staat van wijzen'. Op zijn verzoek riep daarna de President de Krijgsraad bijeen; de uitspraak geschiedde bij meerderheid van stemmen. ( J.W. Wijn, Het krijgswezen in den tijd van prins Maurits, p. 91- )

2e Hoge Krijgsraad

De 2e Hoge Krijgsraad bestond uit een president, 8 leden (officieren van verschillende rangen) en een griffier. Als fiscaal fungeerde de advocaat-generaal der Generaliteit. De president riep de Krijgsraad bijeen. In de vergadering werden de stukken, afkomstig van de advocaat-fiscaal, voorgelezen. Daarna werd er gedelibereerd. Tenslotte werd er gestemd. Men kon concluderen met eenparigheid of meerderheid van stemmen.

Confiscatie van goederen was voorbehouden aan de griffier. Hiermee mocht de advocaat-fiscaal zich niet bemoeien.

3e Hoge Krijgsraad

De 3e Hoge Krijgsraad bestond uit een president, twee vice-presidenten, 6 leden ( hoge officieren) en een griffier (soms twee ). De fiscaal was weer de advocaat-generaal van de Generaliteit, geassisteerd door een procureur. Daarnaast had de Krijgsraad in dienst: 2 klerken, een kamerbewaarder/deurwaarder, een provoost-generaal en een scherprechter. Op de begroting van de Krijgsraad stonden ook provoosten, artsen en ziekenbezoekers inde garnizoenen te Maastricht, Breda, 's-Hertogenbosch, Bergen op Zoom, Coevorden en Doornik. President, leden, griffier en de advocaat-fiscaal moesten in de jurisdictie van Den Haag wonen. ( Rollin Couquerque, Het Hoog Militair Gerechtshof, p. 120 )

Geldboeten en in beslag genomen goederen stonden onder beheer van de griffier. ( Rollin Couquerque, Het Hoog Militair Gerechtshof, p. 120 )

Voor alle Hoge Krijgsraden gold dat sententies door de stadhouder moesten worden geapprobeerd (goedgekeurd). Vooral Willem V maakte van dit recht gebruik om opvallend vaak de straf te verzachten.

De Hoge Krijgsraad was naast rechtbank van appel voor lagere krijgsraden tevens de plaatselijke krijgsraad van het garnizoen van 's-Gravenhage, met uitzondering van de Zwitserse regimenten.

LIJST VAN PRESIDENTEN EN GRIFFIERS
PRESIDENTEN
1595 (St.v.O, Fagel 1054)HEER VAN BARCHONpresiderende over de saaken van justitie in den krijgsraad in 't leger ( De commissies werden verleend door de Stadhouder. )
28 juli 1597 (Commissie R.v.S., Fagel 1054/13JR. GLIMER VAN DEN TEMPEL, HEER VAN CORBEEKHoofd van de justitie in de Krijgsraad (tractement tot 1603)
29 november 1603 (commissie R.v.S., Fagel 1054/13) (res. S.G. 26 en 29 november 1603)WERNER VAN HOUTEN, GEZEGD DU BOIS Intendant van de krijgsraad van de Verenigde Nederlanden
1609-1621(St.v.O.)geen superintendent
11 mei 1621 (res. S.G.), 20 mei 1621 (res R.v.S.)GOSEWIJN VAN STRALEN Superintendent van de krijgsraad
16 juli 1624 (res. R.v.S., commissie volgens Fagel 1054/14)HEER VAN MEERKERCKE Hoofd of superintendent
12 augustus 1625 (res. R.v.S.), 13 augustus 1625 (res. R.v.S.)? SCHMELSINCK, overste Superintendent
29 september 1629 (res. R.v.S.)JACQUES WIJTS, sergeant-majoorSuperintendent
12 februari 1643 (commissieboek, fol. 67 v. R.v.S.)DAVID DE MARLOT, HEER VAN BEAUVAIS, ritmeester(blijft tractement houden voor zijn leven)
(tussen 1650 en 1672 geen permanente Hoge Krijgsraad)
29 maart 1668 (Fagel 1054, resolutie R.v.S )ADRIAEN VAN CUYK, HEER VAN MEETEREN, kolonelHoofd- en superintendent
26 februari 1674 (commissieboek, fol. 126 R.v.S.)FERDINANT DE PERPONCHER, VRIJHEER TOT SEDLENITZKY, kolonel(al in functie sinds 2 oktober 1672)
16 maart 1677 (commissieboek R.v.St. 7, fol. 88v)CHARLES VAN MANMAKER, kolonelPresident (al in functie sedert 17 april 1676)
6 maart 1690 (res. S.G.)HENDRIK VAN WEEDE, kolonelPresident (met titulaire rang: generaal-majoor)
25 mei 1700 (commissieboek S.G., no. 2, fol. 13v)COENRAET UNCKEL, brigadierSuperintendent
30 juli 1716 (res. S.G.)overlijden van Coenraet Unckel.
1716-1747 (geen president van de Hoge Krijgsraad)
4 december 1747 (commissieboek S.G. 17, fol. 248v)ROELAND VAN KINSCHOT, luitenant-generaalPresident
8 januari 1765 (commissieboek R.v.S 14, fol. 169v)LEONARDUS HOEUFT VAN OYEN, generaal-majoorPresident
23 juli 1772 (commissieboek R.v.S. 15, fol. 146.)HANS WILLEM RENGER, generaal-majoorPresident
GRIFFIERS
( De lijst is niet volledig. )

Griffier van de Advocaat-fiscaal en de krijgsraad

3 maart 1597 (commissieboek R.v.S. 3, fol. 139v)JAN JANSSEN VAN DALEN
10 mei 1634 (res. R.v.S.)ANTONI VAN DALEN
17 april 1670 (commissieboek S.G. 6, fol 300v)JOHAN VAN DALEN
6 augustus 1672 (res. S.G.)JOHAN MOLENGRAEF (2e griffier)
2 mei 1673 (commissieboek S.G. 7, fol. 154)JOHAN MOLENGRAEF
16 november 1674 (commissieboek R.v.S. 6, fol. 172)MICHAEL ISSAC
Vanaf 1690 functioneert THOMAS DUVAL als griffier
24 november 1713 (Commissieboek S.G. )CHARLES VAN BAARLE
Op 25 juli 1724 wordt de functie niet meer opgevuld.

 

Griffier van de Hoge Krijgsraad (1747-1783)

29 november 1747 (commissieboek S.G. 17, fol. 247v)LAURENS LAMORAAL VAN REENEN(pensioen verleend op 17 mei 1786)
FISCAALS
  • Anthonie Duyck 1588-1602 ( Uitgeoefend door de advocaat-fiscaal van de generaliteit. )
  • Dirck Berckel 1602-1621
  • Laurens de Sille 1621-1635
  • Jacob de Sille 1635-1649, 1672-1676
  • Huybert Rooseboom (2e fiscaal), 1672-?
  • Fredrick Roosenboom 1676-1688
  • Simon Roseboom 1688-1696
  • Cornelis van Wouw (2e fiscaal) 1690-?
  • Godefridus Bidloo 1696-1703
  • Jan Wybo 1747-1761
  • Ignatius Joan van Hees 1761-1769
  • Johan Gerard van Oldenbarneveld genoemd Witte Tullingh 1769-1783

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in