Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Koloniën / Kaarten en Tekeningen

4.MIKO
G.L. Balk, F.E.Ch. Hoste, K. Zandvliet
Nationaal Archief, Den Haag
1993
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

4.MIKO
Auteur: G.L. Balk, F.E.Ch. Hoste, K. Zandvliet
Nationaal Archief, Den Haag
1993
CC0

Periode:

1702-1963
merendeel 1814-1963

Omvang:

6787 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Frans, het Engels en het Duits.

Soort archiefmateriaal:

Het archief bevat kaarten en tekeningen, gedrukt en in manuscript.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van kaarten en tekeningen van het Ministerie van Koloniën bevat voornamelijk gedrukte thematische en topografische kaarten, atlassen, (stads)plattegronden, tekeningen van gebouwen, havens, forten, handelsposten en overzeese bezittingen en hydrografische kaarten van zeeën en rivieren in Azië (Oost-Indië), Amerika (West-Indië, Antillen en Suriname) en Afrika en de manuscripttekeningen van J.T. Busscher, H.A.Henrici en N. Engelhard.

Archiefvormers:

  • Secretariaat van Koophandel en Koloniën, 1814-1815
  • Generale Directie van Koophandel en Koloniën, 1815-1818
  • Ministerie van Publiek Onderwijs, Nationale nijverheid en Koloniën, 1818-1824
  • Ministerie van Nationale Nijverheid en Koloniën, 1824-1825
  • Ministerie van Marine en Koloniën, 1825-1829
  • Ministerie van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën, 1830-1831
  • Ministerie van Nationale Nijverheid en Koloniën, 1831-1835
  • Ministerie van Koloniën, 1834-1840
  • Ministerie van Marine en Koloniën, 1840-1841
  • Ministerie van Koloniën, 1842-1945
  • Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen, 1945-1949
  • Ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, 1949-1952
  • Ministerie van Overzeese Rijksdelen, 1952-1957
  • Ministerie van Zaken Overzee, 1957-1960
  • Regeringscommissaris voor Indonesische Aangelegenheden, 1960-1964
  • Busscher, J.T., 1772-1846,
  • Engelhard, N. , 1761-1831
  • Henrici, H.A. von, 1783-1838
  • Loten, J.A., 1716-1789

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Historisch overzicht, 1814 - 1963

Nadat op 13 augustus 1814 een traktaat met Engeland was gesloten, werd het Nederlandse bestuur over de voormalige overzeese gebiedsdelen hersteld. De Kaap de Goede Hoop, Ceylon, Demerary en Essequibo en Berbice bleven echter in Engelse handen.

Enkele maanden eerder, in april 1814, was in Nederland het departement van Koophandel en Koloniën opgericht. Dit departement, gevestigd in Den Haag, werd verantwoordelijk voor het bestuur van alle koloniën en overzeese handelsposten: zowel in de West als in de Oost.

Vanaf 1814 tot 1963 is het bestuur over de Nederlandse koloniën, later aangeduid als overzeese gebiedsdelen, door één administratieve eenheid behandeld. Tot 1842 werd het ministerie van koloniën weliswaar telkens gekoppeld met andere takken van bestuur (nijverheid, 1814-1825 en 1830-1834; marine, 1825-1830 en 1840-1841; onderwijs 1818-1824; waterstaat 1830-1831) maar dit had weinig invloed op de archiefvorming. Van 1842 tot 1959 werd het bestuur over de koloniën (vanaf 1945 aangeduid als overzeese rijks- of gebiedsdelen) niet verenigd met een andere tak van bestuur. Van 1959 tot 1963 tenslotte maakte het bestuur over de overzeese gebiedsdelen - maar wel als afzonderlijke administratieve eenheid - deel uit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Te Batavia leidde de toegenomen omvang van kaarten- en tekeningenarchieven al snel tot de instelling van een "Statistiek Bureau" te Buitenzorg in 1837(

Het onderstaande is gebaseerd op: F.G.P. Jacquet en A.E.M. Ribberink, Van 's Lands archief tot Arsip Nasional (Den Haag 1992) p. 9-10; Geschiedkundige nota over de Algemeene Secretarie (Batavia 1894) p. 23-30 en de bijlagen N en S; Toelichting bij Oost-Indisch Besluit 10 maart 1839 no. 1.

)

Johan Pieter Cornets de Groot, die aan het hoofd van de algemene secretarie stond, was degene die de aanzet gaf tot het opzetten van het bovengenoemde bureau. Er werd niet volstaan met het maken van een selectie uit de bestanden bij de Algemene Secretarie: door middel van een advertentie in de Javasche Courant werden particulieren opgeroepen bij hen aanwezige 'bouwstoffen' tegen een billijke vergoeding over te doen aan het Historisch bureau .

Naast het beheer van de kaarten, had de Geographische afdeling tot taak de Gouverneur-generaal te informeren over het verloop van de werkzaamheden bij respectievelijk het Topografisch en het Hydrografisch Bureau. Het is overigens twijfelachtig of men inderdaad systematisch uitvoering gaf aan deze besluiten want al vlot werd er in Den Haag geklaagd over het gebrek aan activiteit bij het Historisch bureau te Batavia.(

Zie hierover bijvoorbeeld verbaal koloniën 19 juli 1845 no. 12/448. Toch bleef te Batavia een bureau bij de Algemene Secretarie belast met deze taken. Vanaf 1851 was dit het Historisch bureau. In 1864 volgde een nieuwe reorganisatie. Dit werd de Afdeling statistiek. De taken van deze afdeling zijn overeenkomstig met het inmiddels in Nederland bij het ministerie functionerende Bureau G.

)

Misschien is het Cornets de Groot geweest, die na zijn terugkeer naar Nederland in 1842 tot secretaris-generaal van het ministerie benoemd werd, die ook in Nederland de aanzet gaf tot de inrichting van een Historisch Bureau.(

Het is heel wel mogelijk dat men zich bij de inrichting van de Historische bureaus en Geographische afdeling baseerde op de Organisatie van militaire instellingen die met taken op het gebied van historisch onderzoek, archiefzorg en beheer van kaarten en tekeningen belast waren: het Dépôt-Generaal van Oorlog, Marine en Koloniën (1806-1811) en het Archief van Oorlog en Topografisch Bureau (vanaf 1814).

)

Omstreeks 1840 was er bij het ministerie in Nederland eveneens een Historisch bureau dat werd belast met vergelijkbare taken als het bureau te Batavia :h et beheer van kaarten en tekeningen, de bibliotheek en het oud-archief. Bovendien diende dit bureau de minister te voorzien van informatie van algemene (statistische) en historische aard. Met de leiding was in de periode 1851 tot 1879 een persoon belast: H.T. Krabbe.(

Misschien was Krabbe al eerder met deze werkzaamheden belast. Hij solliciteerde in 1839 naar een betrekking bij het ministerie. In 1841 werkt hij bij het ministerie als tijdelijk aangestelde, zie verbaal 12 oktober 1841 no. 7.

)

De naamgeving van het bureau was niet erg consistent. In een stuk van 1857 vinden wij het aangeduid met drie verschillende benamingen: Bureau G, Bureau voor voorlichting en informatie en Historisch bureau.(

Verbaal Koloniën 30 oktober 1857 no. 28.

) In de Staatsalmanak werd de naamgeving eveneens nogal verschillend opgenomen. De meeste gebruikte benaming, Bureau G, werd in 1896 omgezet in Afdeling G.

Wellicht heeft men in Nederland het Historisch bureau na de komst van Cornets de Groot in 1842 definitief vormgegeven. Activiteiten in het decennium ervoor wijzen er echter op dat men bij het ministerie al eerder in die geest werkte. In de jaren tussen 1830 en 1840 werden net als in de Oost diverse particuliere collecties van kaarten en tekeningen verworven om de lacunes in het reeds aanwezige bestand aan te vullen. Vanaf diezelfde periode ontplooide het ministerie meer activiteit om te komen tot een geregelde productie van topografische en hydrografische kaarten van de koloniën.

De directe bemoeienis van het ministerie met de productie van kaarten nam in de tweede helft van de 19de eeuw af. Dit werd meer en meer overgelaten aan gespecialiseerde bureaus en diensten zoals het in 1860 te Batavia gevestigde Bureau Hydrografie en het in 1864 aldaar ingestelde Topografisch Bureau. Het kaarten- en tekeningenbestand bij Bureau G bleef wel geleidelijk in omvang toenemen door inkomende archivalia, door aankoop en door internationale ruilovereenkomsten. Meermalen maande de minister van koloniën de Gouverneur-generaal er voor te zorgen "dat aan het Departement van Koloniën steeds zoo spoedig doenlijk worden opgezonden alle kaarten, hetzij in originali, hetzij in calque, waarvan de kennis hier te lande noodig en nuttig wordt geacht". (

Aanschrijving in verbaal koloniën 16 maart 1850 no. 2/181 (waarbij wordt herinnerd aan een eerdere aanschrijving van 1837) en 17 september 1851 no. 12/714.

)

Gedeponeerde archieven

Vanaf 1814 kreeg het Koninkrijk opnieuw het gezag over de koloniën. Voor het bestuur, en de gezagsuitbreiding, waren betrouwbare kaarten hoognodig. Gedurende de eerste helft van de l9de eeuw ontbraken echter de middelen om de kartering goed op te kunnen zetten. Om toch in de behoefte aan kaarten te voorzien, poogde men gebruik te maken van particuliere initiatieven. Een eerste cartografisch overzicht van de koloniën verkreeg men zodoende dankzij Johannes van den Bosch (de latere Gouverneur-generaal) die in 1817 zijn Atlas der Overzeesche Bezittingen publiceerde (inventarisnummer Dl).

Het ministerie vulde de leemten in de kennis ook aan door kaarten en tekeningen aan te kopen van koloniale ambtenaren en militairen die al of niet in hun vrije tijd kaarten tekenden of verzamelden, of kaarten en tekeningen aan te kopen uit nalatenschappen. Soms ging het om één of enkele kaarten; uit de nalatenschap van Melvill van Carnbee werden een kaart van Java en een plattegrond van Batavia van Van der Jagt van 1826 (inv. nr. 83) gekocht voor 114 gulden.(

16 Verbaal Koloniën, exh. 2 november 1833 nr. 39.

) Deze kaarten zijn verspreid opgenomen in het bestand van koloniën.

Vier bestanden van grotere omvang zijn in deze inventaris wel apart beschreven: Loten, Engelhard, Busscher en Henrici. Een vijfde bestand dat in deze inventaris opgenomen had kunnen worden is dat van G.J.C. Schneither (1795-1877) die van 1816 tot 1826 de particuliere secretaris van de Gouverneur-Generaal Van der Capellen was. In die functie verzamelde Schneither een groot aantal kaarten en tekeningen, waarvan de meeste op Java betrekking hebben. De verzameling Schneither werd in 1878 van de boekhandelaar Martinus Nijhoff gekocht door het ministerie van koloniën.

Deze verzameling werd niet gedeponeerd in het bestand van het ministerie.

Johan Gideon Loten (1710-1789)

Loten voer december 1731 uit als onderkoopman voor de VOC op het schip Beekvliet. Zijn carrière verliep voorspoedig. In 1743 werd hij benoemd tot gouverneur van Makassar. In 1752 volgde zijn benoeming tot gouverneur van Ceylon. Hij keerde in 1757 terug naar Nederland waar hij in 1789 te Utrecht overleed.

Loten was een bekwaam topografisch tekenaar. In de hier beschreven collectie zijn daar verschillende voorbeelden van te vinden. Hij besteedde dat werk ook uit. Te Makassar en op Ceylon gaf hij diverse tekenaars en landmeters opdracht voor het vervaardigen van tekeningen op topografisch en natuurhistorisch gebied en het vervaardigen van plattegronden en kaarten.

Het grootste deel plaatste Loten in zijn particuliere collectie. Loten wilde met behulp van deze collectie tezijnertijd een boek maken. Daartoe bracht hij ook een bundel notities bijeen: "Aanteekeningen om indertijd te kunnen dienen tot het in order brengen van het geene ik successive heb verzameld zo in tekenen naar het leeven als geschriften om eenig licht te kunnen bijbrengen tot de natuurlijke historie van O.I. en voornamelijk van Java, Celebes en Ceylon (1754)".

Hij woonde na zijn terugkeer enige tijd in Londen. De tekeningen in zijn collectie zijn daar door diverse auteurs gebruikt. Loten zelf is nimmer tot de uitgave van zijn boek gekomen. Zijn collectie is na zijn overlijden verspreid geraakt.

De hier beschreven collectie tekeningen en kaarten werd door Loten nagelaten aan Jacob Adriaan van den Heuvel (eerste lid van de Staten van Utrecht, overleden 1800). J.P.S. Favrod de Fellens te Maastricht, getrouwd met de dochter van Van den Heuvel, kwam nadien in het bezit van de collectie.(

Dit en het volgende is ontleend aan de inliggende stukken bij het Koninklijk Besluit van 11 december 1834 no. 13 en de verbalen van koloniën van 4 maart 1835 no. 5 en 24 maart 1835 no. 27.

) Hij schonk de collectie in 1835 aan het ministerie. Als blijk van waardering ontving Favrod de Fellens een ring ter waarde van 300 gulden met het monogram van Koning Willem 1. Bij het ministerie werd de collectie opgenomen onder het kenmerk W.

De collectie is in de literatuur min of meer onopgemerkt gebleven.(

In de gids van Roessingh (1982) en in een recent, veelomvattend werk over Ceylon wordt de collectie niet vermeld: R.K. de Silva and W.G.M. Beumer, Illustrations and Views of Dutch Ceylon 1602-1 796. London/Leiden 1988.

)

Nicolaas Engelhard (1761-1831)

Na een vlot verlopen carrière werd Engelhard in 1801 benoemd tot gouverneur van Java's Noordoostkust. In die functie gaf hij opdracht aan leraren (informators genoemd) van de marineschool te Semarang om hydrografische en topografische karteringen uit te voeren van het gebied onder VOC-bestuur. Daarnaast gaf hij opdracht tot het opmaken van statistische rapporten. Vanwege zijn particuliere interesse voor de natuur en de oudheden van Java, gaf hij begaafde tekenaars in zijn omgeving opdrachten om voor hem tekeningen te vervaardigen.Engelhard liet bij testament zijn archief na aan Daniël François van Alphen (overleden. 1840). De laatste liet de archivalia na aan zijn kinderen. Van deze kinderen werkten enkelen in dienst van het ministerie.

Jan Theunis Busscher (ca. 1772-1846)

Busscher heeft in diverse functies in de Oost gewerkt. Vanaf 1799 was hij onderwijzer (informator) aan de marineschool van Semarang in de rang van sous-luitenant ter zee.(

Voskuil (1976) p. 24.

) Bij de marineschool werden leerlingen opgeleid voor technische beroepen bij de zee- en de landmacht en bij de waterstaat in Oost-Indië. In het kader van hun opleiding werden karteringen te land en ter zee uitgevoerd, kaarten getekend en kaarten gekopieerd. Met tussenpozen was Busscher tot zijn pensionering in 1825 aan de school verbonden. De onderbrekingen werden veroorzaakt door het feit dat de school niet ononderbroken bestond. Wel was Busscher gedurende al die jaren betrokken bij de hydrografische kartering van de Indische archipel.

Dat Busscher zijn kaarten niet alleen vervaardigde en leverde aan het gouvernement maar ook een eigen verzameling aanlegde blijkt voor het eerst in 1818. In de Oost zag het gouvernement na het herstel van het Nederlands gezag in 1817 zich geconfronteerd met een zeer gebrekkige kennis van de archipel. Noodgedwongen maakte men gebruik van Engelse kaarten. De Nederlandse koloniale marine zocht naar mogelijkheden om daar verandering in te brengen. Busscher speelde daarop in. Hij bood zijn verzameling kaarten in 1818 te koop aan.(

Oost-Indisch besluit buiten rade 1 februari 1818 no. 12.

) Dit voorstel werd aangenomen. Bovendien kreeg Busscher in 1819 de opdracht andere zeekaarten berustende te Semarang op hun praktische waarde te onderzoeken en zonodig te kopiëren.(

Oost-Indisch besluit buiten rade 19 februari 1819 no.1.

)
.

Na zijn pensionering in 1825 ging Busscher naar Nederland. Volgens zijn zeggen werkte hij vanaf 1827 door in de geest van de opdracht die hem in 1819 gegeven was: het vervaardigen van kaarten van de Indische Archipel.(

Het onderstaande is gebaseerd op diverse verbalen van het ministerie van koloniën: 23 mei 1835 no. 3, 22 december 1835 no. 1, 18 april 1836 no. 2, 16 mei 1836 no. 1.

) In 1835 bood hij zijn kaarten aan bij de Minister van Koloniën. Van de 72 kaarten had hij er dertig naar eigen opnamen gemaakt, twee naar die van Beetjes, een naar Cornelius, acht gekopieerd van Engelse originelen en de overige gecompileerd op basis van verschillende kaarten.

De marineofficier Rijk die om advies gevraagd werd, liet zich kritisch uit over Busscher's werk. Hij vond de kaarten ouderwets en hij meende dat Busscher onvoldoende verantwoordde met behulp van welke opnamen hij de kaarten had samengesteld. Het voorstel van een andere adviseur, de oud-directeur der domeinen in Nederlands-Indië Kruseman, om de kaarten te gebruiken voor de samenstelling van een zeemansgids in de trant van de Engelse gids van Horsburgh, haalde het door Rijk's kritische opstelling niet. Desondanks werden tenslotte in 1836 meer dan 80 kaarten, gezichten en tafels van Busscher gekocht voor 750 gulden. Het advies van Rijk om de kaarten naar Batavia te sturen ten behoeve van het werk van de in 1821 ingestelde Commissie werd niet opgevolgd, wel werden de kaarten ter inzage gegeven aan Derfelden von Hinderstein die tussen 1828 en 1838 een kaart van de Indische Archipel samenstelde (inv. nr. 689).

Na 1836 vernemen wij niets meer over activiteiten op kartografisch gebied van Busscher. Hij overlijdt op 16 maart 1846 te Kortenhoef.(

Biografische gegevens zijn te vinden in de briefwisseling met koloniën en in de Oost-Indische besluiten van 11 augustus 1846 nr. 13 en 31 augustus 1846 nr. 76. Uit de Oost-Indische besluiten blijkt dat Busscher getrouwd was met J.W. Ham. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1828 met Wilhelmina Carolina van Waey.

)

Henri Albert Henrici (1783-1838)

Baron Henri Albert Henrici werd 27 november 1783 te Wenen geboren. Hij was de zoon van een architect. Hij volgde in Wenen een opleiding tot ingenieur.

Na diverse militaire functies bekleed te hebben in het Oostenrijkse en Russische leger kwam hij door een aanbeveling van Baron de Constant Rebecque in 1817 in dienst bij de Nederlandse Generale Staf. Hij werd belast met kartografische werkzaamheden ten behoeve van de grensvaststelling.

In 1820 ging hij over naar het leger in de koloniën. Ook daar was hij actief op kartografisch gebied. Vanaf 1830 was hij bezig met de kartering van delen van Borneo. De Gouverneur-generaal was ontevreden over zijn productiviteit. Tenslotte werd hij teruggezonden naar Nederland. Daar aangekomen werd hij met pensioen gestuurd.

Kort nadien overleed Henrici in Amsterdam.

Overige kaarten- en tekeningenarchieven betreffende de Nederlandse(voormalige) overzeese gebiedsdelen na 1814
Stuurmanskamer in het koloniaal etablissement te Amsterdam, 1814-1822

Na het herstel van de onafhankelijkheid dienden de scheepvaartverbindingen met de koloniën hersteld te worden. In de 17e en 18e eeuw rustten de Compagnieën de schepen uit met kaarten en instrumenten die in bruikleen werden gegeven aan de schippers en stuurlieden. Deze praktijk werd in 1814 hervat. In Amsterdam werd in het Koloniaal etablissement, gevestigd in het gebouw van de voormalige Oostindische Compagnie aan de Oude Hoogstraat, de nog bestaande stuurmanskamer heropend.(

De Staatsraad voor de koloniën gaf in 1817 toestemming "een stel kaarten en instructien, die men voorheen gewoon was aan de kapiteins die voor de Oostindische Compagnie naar Java vertrokken, mede te geven" uit te reiken: Ministerie van Koloniën voor 1850, inventarisnummer. 4612, exh. 5 febr. 1817 no. 121.

)

De stuurmanskamer bij het Koloniaal etablissement heeft slechts kort bestaan. Nadat geconcludeerd was dat de Nederlandse zeekaarten en zeemansgidsen de vergelijking met de in het buitenland geproduceerde kaarten niet konden doorstaan besloot men in 1822 alles op te ruimen. De nog aanwezige kaarten werden ondershands verkocht32.(

Verbaal koloniën 10 april 1822 no. 14. Een jaar eerder had men te Amsterdam op de oude werf van de VOC een kist oude "onbruikbare" zeekaarten en zeeboeken aangetroffen. Deze kist is waarschijnlijk datzelfde jaar opgeruimd: ARA, collectie oude inventarissen le afdeling nummer XXIX, memorandum Bras 2 oktober 1821.

) Er waren bovendien redenen in het organisatorische vlak die aanleiding gaven tot het opruimen van de stuurmanskamer. In 1823 werd de Nederlandse Handelmaatschappij opgericht waarmee de vaart voor een groot deel in particuliere handen overging. En in 1825 werd het bestuur van de marine verenigd met dat van de koloniën.

Bij de marine had men vanaf 1817 een eigen stuurmanskamer: Dépôt van zeekaarten, instrumenten en tekeningen en modellen van schepen genaamd.(

A. Lemmens, 'Een verzameling modellen in het Rijksmuseum', in: Bulletin van het Rijksmuseum, 35 (1987) p. 321-328.

).

Dépôt zeekaarten/Hydrografisch Bureau te Batavia (1823-1894)

Te Batavia werd in 1821 de Commissie ter verbetering der Indische zeekaarten ingesteld. In 1823 werd daar bovendien een Dépôt van zeekaarten ingericht. In 1860 werd het Dépôt te Batavia omgevormd tot het Hydrografisch Bureau. Dit bureau werd, tussen 1873 en 1875 kortstondig en vanaf 1895 definitief, verenigd met het Hydrografisch Bureau in Nederland.

Topografisch Bureau/Dienst Batavia (1864-1949)

Aanvankelijk werd de topografische kartering in de Oost gedaan door de Directie der Genie. In 1864 werd voor deze werkzaamheden een apart bureau ingericht. Dit Topografisch Bureau, later Topografische Dienst genoemd, heeft tot de soevereiniteitsoverdracht de topografische kartering van Oost-Indië verzorgd. Mede vanwege de arbeidsintensieve landrentekarteringen werd de Topografische Dienst een van de grotere overheidsdiensten in de Oost. In de jaren '20 en '30 van de twintigste eeuw waren er meer dan 600 man in dienst.

Algemene secretarie van de Nederlands-Indische regering (te Batavia) en de daarbij gedeponeerde archieven (1942-1950)

De algemene secretarie was het administratief apparaat dat de Gouverneur-generaal terzijde stond. Het heeft gefungeerd van 1816 tot 1950.

Stichtingen actief in Nederlands Nieuw-Guinea (1957-1966)

Het ministerie van Overzeese Rijksdelen en de rechtsopvolgers van dit ministerie

hebben diverse stichtingen opgericht die actief waren op een aantal deelterreinen van

beleid ten aanzien van Nederlands Nieuw-Guinea. Deze stichtingen waren:

  • Stichting Agrarisch Onderzoek,
  • Stichting Agrarische Bedrijven,
  • Stichting Demografisch Onderzoek,
  • Stichting Geologisch Onderzoek.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in