gahetNA in het Nationaal Archief

Staal van Piershil, van der

3.20.54
G.M. van Aalst
Nationaal Archief, Den Haag
1978
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.20.54
Auteur: G.M. van Aalst
Nationaal Archief, Den Haag
1978
CC0

Periode:

1636-1904

Omvang:

4,50 meter; 828 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De familie van der Staal van Piershil behoorde tot de oude Hollandse regentenfamilies. Van oorsprong was de familie afkomstig uit Schoonhoven, later ontstond ook een Amsterdamse tak. Pieter van Schoonhoven was zelfs een van de rijkste mannen van Rotterdam. In deze inventaris treft men de hoofdindeling aan van stukken van algemene, persoonlijke en zakelijke aard. Het archief bevat o.a. stukken betreffende genealogie, akten (van huwelijksvoorwaarden, schuldbekentenis, transport etc.), testamenten, kwitanties, correspondentie, uitnodigingen, koninklijke benoemingsbesluiten, en tekeningen van kanonnen.

Archiefvormers:

  • Van der Staal van Piershil

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Met de dood van Othon Daniel van der Staal van Piershil in 1937 stierf een oude Hollandse regentenfamilie uit. Al in het begin van de vijftiende eeuw maakten leden van de familie Van der Staal deel uit van de magistraat van Schoonhoven. Door huwelijken in de zeventiende eeuw ontstonden banden met de regentenfamilies van Rotterdam. Dit had tot resultaat, dat de familie gedurende de achttiende eeuw onafgebroken zitting had in de vroedschap van deze stad. Na de bestuursomwenteling als gevolg van de Bataafse Revolutie keerde zij daar niet terug, vestigde zich te 's-Gravenhage maar leefde het grootste gedeelte van het jaar als landjonkers op hun buitenplaatsen. Tenslotte ontwikkelden zich nauwe relaties met hofkringen, waarin de laatste generatie Van der Staal ook is opgenomen. Het is de moeite waard om over deze familie, die meer dan 500 jaar onafgebroken deel heeft uitgemaakt van het regentenpatriciaat in Holland en daardoor mede de gang van zaken in deze provincie bepaalde, iets meer mede te delen.

De oudste bekende voorvader van het uit Schoonhoven afkomstige geslacht is Klaas Egbertsz. (

H.L. Kruimel, Bijdrage tot de genealogie Van der Staal, in: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, 1954, deel VIII, p. 17-46. De volgende gegevens, voor zover niet nader vermeld, zijn eveneens aan bovengenoemd artikel ontleend. Zie ook genealogie Van der Staal, beneden p. II.

). Hij werd in 1411 als schepen aangesteld en was bij zijn dood omstreeks 1434 burgemeester van Schoonhoven. Zijn zoon Egbert Klaasz., kleinzoon Klaas Egbertsz. en achterkleinzoon Dirk Klaas Egbertsz. zijn allen schepen en later burgemeester van Schoonhoven geweest. Nakomelingen van Dirk Klaas Egbertsz. zijn niet bekend. Het geslacht zet zich voort met de oudste zoon van Dirk Egbertsz., een broer van de in 1438 overleden Klaas Egbertsz., genaamd Egbert. Hij werd volgens de familietraditie achtereenvolgens schepen en burgemeester van Schoonhoven. Egbert Dirksz. had twee zonen, Jasper en Melchior. Beiden bekleedden vooraanstaande posities, wat onder meer tot uiting komt in de huwelijken van hun kinderen. Zoals uit het onderstaande blijkt, genoten Melchiors kinderen aanvankelijk een grotere bekendheid in de Nederlanden dan die van Jasper. Jasper Egbertsz., vermoedelijk apotheker of chirurgijn, werd evenals zijn voorouders aangesteld tot schepen, was lid van de vroedschap en later burgemeester. Zijn broer Melchior is, voor zover bekend geen schepen geweest of lid van de vroedschap, vermoedelijk omdat Jasper dit was en broers niet tegelijkertijd zitting mochten hebben in het stadsbestuur. Twee van Melchiors kinderen, Agnes en Egbert, hadden een vooraanstaande positie. Agnes Melchiorsdr. van der Staal als echtgenote van Dirk Jansz. Loncq, die niet alleen lid van de vroedschap, schepen en burgemeester van Gouda was, maar ook raadsheer van de Prins van Oranje, lid van de landraad van Delft en trezorier-generaal van Holland. Hun kleinzoon, Melchior van Beverningh, was de vader van de bekende staatsman Hieronymus van Beverningh (

Zie inventarisnummer 6. G.D.J. Schotel, Iets over Hieronymus van Beverningh en Bruno van der Dussen. 's-Hertogenbosch, 1847, p. 1, 145-149.

)
. Egbert Melchiorsz. van der Staal was schepen, later burgemeester van Schoonhoven. In die kwaliteit werd hij met zijn zwager Van Couwenhoven afgevaardigd naar Middelburg om met de Prins van Oranje te onderhandelen. Hun drie neven waren Egbert, Bartholomeus en Cornelis Jaspersz. van der Staal. Egbert en Cornelis werden evenals hun voorouders en hun neef Egbert Melchiorsz. van der Staal schepen en lid van de vroedschap van Schoonhoven, terwijl Bartholomeus naar Amsterdam vertrok. Van Egbert Jaspersz. is tevens bekend, dat hij Heilige Geestmeester en trezorier was. Zijn broer Cornelis was olieslager te Schoonhoven (

Zie genealogie Van der Staal.

)
.

Met de vestiging van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal te Amsterdam ontstond de Amsterdamse tak van de familie. Welk beroep hij uitoefende is niet bekend. Uit akten van transport en verdelingen van nalatenschappen blijkt dat hij woonde in een huis, gelegen "in de Gansoort op de hoeck van de Halsteech daar Schoonhoven uithangt". In een transportakte van een gedeelte van een huis, tuin enz. door zijn zoon aan zijn schoonzoon heet het "eenderde deel van een houttuyn, staande ende gelegen in de Oude Syts Houttuynen, eertyts genaemt Schoonhoven". Kennelijk had hij het wapen van Schoonhoven buiten hangen en ook de houttuin naar zijn vaderstad genoemd. Van zijn vrouw is niets anders bekend dan haar patroniem, nl. Gerritsdr.

Het valt op, dat de kinderen van Jasper en Melchior voor het eerst met de naam Van der Staal vermeld staan in akten, die opgemaakt zijn te Gouda, Amsterdam en Schoonhoven. Mogelijk werden zij al eerder zo genoemd maar werd het vertrek van familieleden naar andere steden, nl. Agnes Melchiorsdr. naar Gouda en Bartholomeus Jaspersz. naar Amsterdam, aanleiding om deze naam regelmatig te gaan gebruiken. Met de overgang van Schoonhoven naar Staatse zijde bleef de familie Van der Staal de Rooms-Katholieke Kerk trouw. De eerder genoemde Egbert Melchiorsz. noch zijn zoon Jan of een van diens nakomelingen keerden terug in de vroedschap van Schoonhoven. Voor het bekleden van overheidsambten werden door de Staten regels gesteld. Men moest onder andere meerdere jaren poorter zijn van een stad, daarnaast een bepaalde kennis en gegoedheid bezitten en lid zijn van de Nederduits-Gereformeerde Kerk. Deze laatste eis kan van invloed zijn geweest op het vertrek van Govert Egbertsz. van der Staal (

Zie Genealogie Van der Staal.

) naar Gouda, waar hij zich als brouwer vestigde. Zijn broer Lambert stichtte met zijn zwager Adam Jaspersz. twee studiebeurzen aan de Hoge School te Leuven. Daar deze Goudse tak van de familie niet overging naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk, bleef zij van stadsambten uitgesloten. Door het huwelijk van Cornelis Govertsz. van der Staal, die gelijk zijn vader brouwer te Gouda was, vertoont deze tak een genealogisch interessant aspect. Evenals de neef van zijn vader, Wolfert Cornelisz. van der Staal, die nog aan de orde komt, trouwde hij een dochter uit een bekende Rotterdamse regentenfamilie. In 1619 werd te Rotterdam het huwelijk gesloten tussen hem en Maria Cornelisdr. Elsewaal (

E.A. Engelbrecht, De Vroedschap van Rotterdam, 1572-1795, p. 259.

)
. Uit het huwelijk Van der Staal-Elsewaal werden twee dochters en een zoon geboren. Deze zoon had geen nakomelingen, waardoor de Goudse tak omstreeks 1658 in mannelijke lijn uitstierf.

De Amsterdamse tak van de familie, die ontstond door het voornoemde vertrek van Bartholomeus Jaspersz. van der Staal naar Amsterdam, trof enkele jaren later hetzelfde lot. Uit het huwelijk van Bartholomeus van der Staal en N. Gerritsdr. werden drie kinderen geboren: Gerritje, Jasper en Gerrit. Deze kinderen behoorden evenals hun vader tot de gegoede burgerij. Niet verzuimd mag worden te wijzen op de huwelijken van Gerritje en Gerrit. Gerritje was gehuwd met Frans Jansz. Sael. Hun dochter Annetje trouwde met Pieter Barentsz. Plemp, apotheker te Amsterdam, een broer van de vermaarde arts Vopiscus Fortunatus Plemp, terwijl ook hun kleinzoon arts was. Gerrit, die getrouwd was met een dochter van de secretaris van Amsterdam (

J.E. Elias, De vroedschap van Amsterdam, 1578-1795, deel I, p. 183.

), was koopman en liet blijkens zijn testament kinderen na. Jasper Bartholomeusz. was tinnegieter van beroep. Hij woonde op de Nieuwezijds Voorburgwal in het huis De Akkerman, terwijl ook het huis van zijn vader op de hoek van de Halsteeg en het huis De Zon op de Kolk hem toebehoorde. Zijn nalatenschap was aanzienlijk. Daar zijn oudste zoon Bartholomeus voor hem kinderloos overleed, waren erfgenamen zijn zoon Cornelis, die als pater Felix van Amsterdam in Leuven tot de orde der Capucijnen was toegetreden (

Inventarisnummer 13.

)
, zijn zuster Gerritje en zijn broer Gerrit. Tegen het gedeelte, dat nagelaten werd aan Cornelis Jaspersz. van der Staal, alias pater Felix, is later door de familie bezwaar gemaakt (

Inventarisnummer 12.

)
. Met de dood van pater Felix in 1661 is de Amsterdamse tak in mannelijke lijn uitgestorven.

De Schoonhovense tak van de familie zet zich voort met een kleinzoon van Cornelis Jaspersz. van der Staal en Aagje Wolfertsdr. (

Van de kinderen uit het huwelijk van Cornelis Jaspersz. van der Staal en Geertje Rutten: Bartholomeus, Jasper en Maria, zijn geen mannelijke nakomelingen bekend.

), Hendrik Wolfertsz. van der Staal. Zijn vader de al eerder genoemde Wolfert Cornelisz. van der Staal, was als apotheker werkzaam te Rotterdam, waar hij in 1607 trouwde met Emerentia Couwael (

Engelbrecht, Vroedschap p. 35.

)
, dochter van Hendrik Pietersz. Couwael en Anna Quirijnsdr. Verhaven (

Engelbrecht, Vroedschap p. 1.

)
. De families Couwael en Verhaven behoorden tot de regentenfamilies. Uit dit huwelijk werden twee dochters Anna en Agatha geboren en drie zoons: Cornelis, Hendrik en Pieter. Vermeldenswaard is het huwelijk van Anna. Zij trouwde met de koopman Cornelis Joppen Slingerlandt, zoon van de haringkoopman Job Cornelisz. Slingerlandt en Harmpje Quirijnsdr. Verhaven (

Engelbrecht, Vroedschap p. 2.

)
. Harmpje was een kleindochter van het vroedschapslid Quirijn Jansz. Verhaven en een nichtje van de bovengenoemde Anna Quirijnsdr. Verhaven. Agatha bleef ongehuwd. Van de drie zoons vestigde Cornelis zich in Rotterdam, Hendrik zoals vermeld in Schoonhoven terwijl Pieter naar Kaap de Goede Hoop vertrok en later naar Batavia. Evenals zijn vader was Cornelis Wolfertsz. van der Staal apotheker te Rotterdam. Door zijn huwelijk in 1647 met de Rotterdamse Sophia Gijsbrechtsdr. Elsewael (

Engelbrecht, Vroedschap p. 143.

)
, werden al bestaande banden met regentenfamilies nauwer aangehaald. Uit dit huwelijk werden een zoon en een dochter geboren. De zoon, Wolfert Cornelisz. van der Staal, was koopman en trouwde in 1666 de protestantse Maria le Maire. Hun enig dochtertje overleed zeer jong voor haar vader. De jongste broer, Pieter Wolfertsz. van der Staal, was ziekenbezoeker in dienst van de V.O.C. aan Kaap de Goede Hoop en in Batavia. In 1649 trouwde hij te Schiedam met Geertruid van Riebeeck (

Geertruid van Riebeeck was de zuster van Jan van Riebeeck, de stichter van de Nederlandse volksplanting aan Kaap de Goede Hoop. Mr. P.J.W. Beltjes, Levensschets van Jan van Riebeeck en P.J.W. Beltjes en G. Brinkhuis, Genealogie van het geslacht Van Riebeeck, p. 19. Uitg. C.B. 1952.

)
, dochter van Anthonie van Riebeeck en Elisabeth Govertsdr. Pieter overleed te Batavia tussen 1664 en 1670; Geertruid overleed in 1670 eveneens te Batavia. Voor zover bekend werden uit dit huwelijk alleen dochters geboren.

Al werd de familie Van der Staal door maatregelen van de overheid inzake de godsdienst uit overheidsambten geweerd, zij heeft, zoals hierboven bleek het contact met de regentenfamilies vooral door huwelijken weten te bewaren. Lang heeft deze uitsluiting niet geduurd. De overgang naar de Nederduits-Gereformeerde Kerk gaf hen weer toegang tot bestuurscolleges, zodat alleen de generatie van Wolfert Cornelisz. van der Staal, gehuwd met Emerentia Couwael, geen overheidsambten heeft bekleed. Hendrik Wolfertsz. van der Staal en zijn broer Pieter zijn de eersten geweest, die tot de nieuwe leer overgingen. Hendrik werd evenals zijn grootvader Cornelis Jaspersz. van der Staal lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven. Uit zijn huwelijk met Haasje de Graaff, dat in 1639 te Schoonhoven werd gesloten, werden een zoon en een dochter geboren. Zijn zoon Wolfert was de eerste van de familie Van der Staal, die een academische opleiding volgde. Aan de Universiteit van Leiden studeerde hij rechten, waarna hij in 1669 promoveerde (

P.C. Molhuyzen, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche Universiteit, IV, 's-Gravenhage 1920, R.G.P. Grote serie, 45, p. 222*.

). Tevens was hij de laatste Van der Staal, die lid van de vroedschap en burgemeester van Schoonhoven is geweest. In 1671 trouwde hij Elisabeth Botter. Van de zeven uit dit huwelijk geboren kinderen is alleen de oudste, Hendrik, in leven gebleven. Wolfert Hendriksz. van der Staal overleed in 1678, slechts 32 jaar oud.

In de achttiende eeuw, die om verschillende redenen wel de eeuw van het verval wordt genoemd, vestigde de familie Van der Staal zich in Rotterdam. Het was een periode, die onder meer gekenmerkt werd door grote tegenstellingen tussen de regenten, soms ware geldmagnaten, en het gewone volk, waarvan het aantal, dat op de rand van de armoede leefde en door de minste verandering in de conjunctuur voor lange tijd tot pauperisme verviel, hand over hand toenam. Schuldig hieraan waren onder meer de eenzijdige ontwikkeling van de handel en de toenemende concurrentie van het buitenland. De stapelmarkt verviel, waardoor grote structurele werkloosheid ontstond, die mede door het verdwijnen van vele takken van nijverheid steeds moeilijker te bestrijden viel. Het was in deze eeuw vooral de geldhandel, die bloeide.

Van grote handelsmogendheid werd de Republiek meer en meer een renteniersstaat (

Joh. de Vries, De economische achteruitgang der Republiek in de achttiende eeuw. Amsterdam 1959, p. 17, 29-37, 58 e.v., 83 e.v., 167, 172 e.v. H.F.J.M. van den Eerenbeemt, In het spanningsveld der armoede, Tilburg 1968, p. 38, 39.

). De familie Van der Staal was een ambtenarenfamilie, die in de eerste plaats haar inkomsten verwierf uit ambten en bezittingen (

Zie inventarisnummers 22, 35, 38, 51. H.C. Hazewinkel, Vergeving van ambten, in: Rotterdamsch Jaarboekje 1958, p. 119-128. A.J. Zondergeld-Hamer, De houding van de Rotterdammers tijdens de gebeurtenissen van 1747 en 1748, in: Rotterdamsch Jaarboekje 1971, p. 258-292.

)
. Met de geldhandel als zodanig had zij niets te maken. Door hulijken echter werd zij geparenteerd aan deze handelsfamilies en zoals hieronder blijkt verwierf zij, door het uitsterven van bepaalde staken of soms hele families, vermogens.

De in 1671 te Schoonhoven geboren Hendrik Wolfertsz. van der Staal studeerde evenals zijn vader rechten aan de Universiteit van Leiden (

Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek II, 1354 Hierin staat ten onrechte vermeld, dat Hendrik van der Staal een zoon was van Wolfert en Maria le Maire.

). In 1701 trouwde hij met de Rotterdamse Johanna Maria Hechtermans, dochter van de uit Dordrecht afkomstige mr. Cornelis Hechtermans en Margrieta van Yck (

Bijlage II en III. Engelbrecht: Vroedschap p. 203.

)
Door dit huwelijk werd hij opgenomen in de meest invloedrijke regentenfamilies van Rotterdam. Door zijn huwelijk en door voorspraak van zijn schoonvader Dirk Meesters (

Engelbrecht, Vroedschap p. 267.

)
werd hij in 1707 lid van de vroedschap van Rotterdam en tegelijkertijd lid van de gezaghebbendste Correspondentie in de vroedschap (

J.H.W. Unger, De Correspondentie in de Rotterdamse Vroedschap, in: Rotterdamsch Jaarboekje 1894. Op de pagina's 36 en 37 is het Contract van Correspondentie tussen Hendrik van der Staal en zijn schoonvader Dirk Meesters afgedrukt.

)
.

De familie Van der Staal en alle aangetrouwde families maakten tot aan de Bataafse Revolutie deel uit van de Correspondentie. Genoemd kunnen worden de familie Bichon (

Engelbrecht, Vroedschap, p. 327; Noot 20; Bijlage II.

), de kunstverzamelaarsfamilie Lormier (

N.N.B.W. I, 1282; Engelbrecht, Vroedschap p. 313 en p. 343; Bijlage IV. G.H.C. Breesnee, De Haagse kunstverzamelaars Adriaan Leonard van Heteren en Willem Lormier en hun voorgeslacht, in: Die Haghe, 1948-1949, p. 135 e.v. H.E. van Gelder, Haagse kunstverzamelingen voor 1900, in: Die Haghe, 1942 p. 4, 25, 26.

)
en de bekende familie Gevers (

Engelbrecht, Vroedschap p. 284 e.v., 325 en 358; Bijlage VI.

)
met de daaraan verwante geslachten IJsbrands (

Engelbrecht, Vroedschap p. 196; Noot 20.

)
, Noorthey (

Engelbrecht, Vroedschap 252; Noot 20.

)
en Pelt (

Engelbrecht, Vroedschap p. 306; Noot 20.

)
. Voorts de familie Meerman (

Deze familie Meerman is op geen enkele wijze verwant aan Johan Meerman, wiens bibliotheek en handschriftenverzameling voor een belangrijk gedeelte aanwezig is in het Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum te 's-Gravenhage. Zie J.H. Kernkamp, Inventaris van de familiepapieren Meerman, Van Westreenen, Dierkens en Van Damme, 's-Gravenhage 1948. N.N.B.W. IV, 956; Bijlage V.

)
, verwant aan de invloedrijke koopmans- en bankiersfamilie Van Schoonhoven (

Engelbrecht, Vroedschap p. 288 en 311; Bijlage VII; Noot 20.

)
, die via de koopmansfamilie Witheyn (

W.J. van Hoboken, Wittenburg en het geslacht Witheyn, in: Amstelodamum 1950, p. 41-47; Bijlage VIII.

)
verwant was aan de Amsterdamse regentenfamilies Backer en De Mey van Streefkerk (

Bijlage VIII.

)
. Via de families Meerman en Gevers waren zij afstammelingen van Witte Cornelisz. de With, de bekende vice-admiraal van Holland en Westfriesland, die in 1658 sneuvelde tijdens de Noorse oorlog bij de slag in de Sont (

Inventarisnummers 62, 204, 205 en 377, Bijlage VI. J.G.F.M.G. van Hövell tot Westerflier, Beschrijving van een verzameling stukken afkomstig van en betreffende Witte Cornelisz. de With, inventarisnummers 31-33, 36 en 37. In inventarisnummer 32 bevinden zich o.a. genealogische aantekeningen van Pieter Pietersz. Meerman.

)
.

Van de familie Van der Staal en aanverwante families behoorden velen tot de maecenaten van het Bataafs Genootschap, wat blijk gaf van een brede belangstelling. De zoon en kleinzoon van Hendrik van der Staal, Dirk Cornelis en Claudius, behoorden hiertoe evenals Johan Wilhem Lormier en Jean Bichon. Ook de schoonzoon van Dirk Cornelis van der Staal, Abraham Gevers en zijn kleinzoon Dirk Cornelis Gevers, heer van Endegeest gaven blijk van hun belangstelling voor dit genootschap. Vanaf het hierboven genoemde jaar 1707 tot aan de Bataafse Revolutie hebben leden van de familie Van der Staal onafgebroken zitting gehad in de vroedschap van Rotterdam (

J.H.W. Unger, De regering van Rotterdam, 1328-1892. Zie voor Van der Staal vanaf p. 208.

). De aanstelling als lid van de vroedschap was er een voor het leven. In deze functie kwam men in aanmerking voor het vervullen van ambten, die direct te maken hadden met besturen van de stad zoals burgemeester of trezorier en ambten, waarin men de stad vertegenwoordigde in landelijke organen zoals afgevaardigde voor Rotterdam in de Staten van Holland en Westfriesland of ter Generaliteitsrekenkamer (

J.H.W. Unger, De regering van Rotterdam, p. I-LX.

)
. Hendrik van der Staal, zijn zoon Dirk Cornelis (

In de verzameling Handschriften van het Gemeentearchief van Rotterdam bevindt zich onder nummer 1844 het Contract van Correspondentie tussen Claudius Lormier en Dirk Cornelis van der Staal. Zie ook A.C. Kersbergen, De Correspondentie in de Rotterdamsche Vroedschap, in: Rotterdamsch Jaarboekje 1930, p. 54-58.

)
en kleinzoon Claudius waren alle drie naast lid van de vroedschap gedeputeerde ter dagvaart, trezorier en burgemeester. Daarnaast vervulden zij een aantal stedelijke en provinciale ambten en hadden tevens zitting in verschillende generaliteitscolleges. Zo was Hendrik onder meer baljuw en gedeputeerde ter Generaliteitsrekenkamer, Dirk Cornelis schepen en rekenmeester en Claudius gedeputeerde ter Admiraliteit op de Maas en lid van de Raad van State.

Uit het huwelijk van Hendrik Wolfertsz. van der Staal en Johanna Maria Hechtermans werden dertien kinderen geboren, waarvan zes de volwassen leeftijd bereikten en drie zijn gehuwd, te weten Dirk Cornelis, Maria Johanna en Margaretha. In verband met de vererving van de goederen, afkomstig van de families Hechtermans en Braat, is het niet ondienstig te vermelden dat Maria Johanna trouwde met het vroedschapslid Pieter Baelde. Dankzij zijn schoonvader (

Zie inventarisnummers 26, 323-327. W.C. Mees, Wat aan het jaar 1720 voorafging, in: Rotterdamsch Jaarboekje 1954, p. 110. Engelbrecht, Vroedschap p. 325.

) en evenals zijn zwager bekleedde hij in die functie diverse ambten. Na zijn dood in 1763 hertrouwde zijn weduwe in 1768 met de predikant Bartholomeus van Velzen. Margaretha van der Staal was in 1753 getrouwd met Adrianus Oudemans, predikant te Noordwijk aan Zee. Dirk Cornelis van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Utrecht. Hij trouwde in 1734 Catharina Elisabeth Lormier. Door dit huwelijk werd hij de zwager van de Haagse kunstverzamelaar Adriaan Leonard van Heteren, die getrouwd was met Wouterina Brigitta Lormier (

Bijlage IV. G.H.C. Breesnee, De Haagse kunstverzamelaars enz. p. 118 e.v.

)
. Daar de zoons van Adriaan Leonard van Heteren al jong waren overleden en het huwelijk van zijn zwager Johan Wilhem Lormier en Sara Pelt kinderloos bleef, liet hij zijn vermogen na aan de kinderen van Dirk Cornelis van der Staal, genaamd Catharina Wilhelmina en Claudius.

Catharina Wilhelmina, die in 1754 getrouwd was met Abraham Gevers, weduwnaar van Kenau Deynoot (

Engelbrecht, Vroedschap p. 310. Bijlage VI.

), erfde in 1788 van haar tante Sara Pelt de heerlijkheid van Kethel en Spaland (

Leen- en registerkamer van Holland (LRK) 226 fo 272 en fo 276. Engelbrecht en Kruimel vermelden ten onrechte haar vader Dirk Cornelis van der Staal als heer van Kethel en Spaland. Bijlage IV.

)
. Claudius van der Staal studeerde rechten aan de Universiteit van Leiden. Hij trouwde in 1763 met Hillegonda Petronella Meerman (

Engelbrecht, Vroedschap p. 312. Bijlage V; Noot 27.

)
. Zij was, met haar zuster Johanna Geertruida, erfgename van haar grootmoeder van vaders zijde Hillegonda Gevers en van haar vader Pieter Meerman, die in 1762 kort na elkaar waren overleden. Door het uitsterven van verschillende staken van het geslacht Gevers (

Bijlage VI.

)
vererfden onder meer de ambachtsheerlijkheid van Piershil en de landen van Schakenbosch via Pieter Meerman (

Inventarisnummer 571; inventarisnummer 353 brief d.d. 27 en 30 september 1762. LRK 179, caput Arkel fo 44ro-47vo; 178 caput Noord-Holland fo 92vo-93vo.

)
aan zijn dochter Hillegonda Petronella, die van de ambachtsheerlijkheid afstand deed ten behoeve van haar moeder Jacoba Catharina van Schoonhoven (

LRK 179, caput Arkel fo 47vo-49vo.

)
Deze Jacoba Catharina (

Bijlage VII.

)
was een energieke vrouw, die na de dood van haar man de zaken zoveel mogelijk zelf regelde (

Inventarisnummer 353 brief d.d. 20 december 1764.

)
. Uit brieven aan haar zaakwaarnemer Pieter Leonard Stumphius komt dit duidelijk naar voren. Zij stond met hem op goede voet en hij werd door haar als lid van de familie beschouwd (

Inventarisnummer 353 brief d.d. 17 mei 1766.

)
. Daar hij ook de zaken van haar vader Pieter en haar broer Thymon behartigde was hij met alle familieaangelegenheden op de hoogte. Hoewel zakelijk van opzet geven deze brieven toch een aardig beeld van de schrijfster en haar familie, de onderlinge relaties van de regentenfamilies en komen naast de voorrechten, die verbonden zijn aan het bezit van kapitaal en goederen, de zorgen tot uiting, die het beheer hiervan met zich meebracht. Uit deze brieven blijkt onder meer dat zij haar schoonzoons Claudius van der Staal en Daniel Pompejus du Tour het geld leende om de buitenplaatsen Voorlinden en Wiltrust onder Wassenaar te kopen (

Inventarisnummer 353 brief d.d. 30 oktober en 30 november 1764.

)
en dat zij zich veel moeite getroostte om Claudius een plaats als raadsheer bij het Hof van Holland te bezorgen (

Inventarisnummer 353 brief (februari 1763), 30 november en 5 december 1764, 2 februari 1765.

)
. Ook de heerlijkheid van Piershil komt ter sprake (

Inventarisnummer 353 o.a. in brief d.d. 23 december 1762, 7 en 8 november 1765, 23 december 1766, 3 maart, 14 april en 25 mei 1767, 17 januari 1768.

)
evenals de heerlijkheid van Oud-Beijerland, welke laatste zij in 1767 kocht (

Inventarisnummer 762; LRK 233 f o 232 vo.

)
.

Door het uitsterven van het geslacht Van Schoonhoven in mannelijke lijn zijn verhoudingsgewijs veel stukken bewaard gebleven van Pieter van Schoonhoven (

Engelbrecht, Vroedschap p. 288 en p. 311. Bijlage VII.

). Hij was een van de rijkste mannen van Rotterdam wat blijkt uit het kohier van de Personele Quotisatie van 1742, waarin hij onder de hoogstaangeslagenen behoort (

W.F.H. Oldewelt, Een merkwaardige verzameling belastingkohieren in het archief der gemeente, in: Rotterdamsch Jaarboekje 1949, p. 269-280.

)
. Deze rijkdom, zijn Franse geboorte (

Noot 20; noot 50.

)
, antistadhouderlijke gezindheid en doorgaande graanhandel op Frankrijk, ondanks het plakkaat hiertegen van de Staten-Generaal waren evenzovele oorzaken, om hem en andere regenten tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog te wantrouwen en van verraad te beschuldigen. Van de Orangisten kreeg hij de bijnaam van Franse Piet. Hoewel de burgers over het algemeen van mening waren, dat zij de regenten alle eer en achting waren verschuldigd, sloten zij Pieter van Schoonhoven, en onder andere ook Claudius Lormier, hiervan nadrukkelijk uit (

Zondergeld-Hamer, De houding van de Rotterdammers, enz. p. 256 en 257. De Vries, Economische achteruitgang enz. p. 63-68.

)
. Maar ook uit eigen kring kwam kritiek, onder andere op de beleggingen van kapitaal in het buitenland, waardoor de kredietwaardigheid van het land werd aangetast. (

Noot 53.

)
In 1748 werd Pieter van Schoonhoven met vier andere regenten, "tot wegneming van diffidenten en murmuratie onder de ingesetenen", door Willem IV afgezet als lid van de vroedschap. Hierdoor kwam tegelijk een einde aan de Correspondentie, die pas na de dood van de prinses-gouvernante Anna in 1759, herleefde (

Unger, De Correspondentie enz. p. 100. Zondergeld-Hamer, De houding der Rotterdammers enz. p. 280-285.

)
.

Pieter van Schoonhoven was gehuwd met Maria Anna Witheyn. Haar nicht Johanna Maria Witheyn, enige dochter van de Amsterdamse reder en koopman Johan Witheyn, was gehuwd geweest met Abraham van Harencarspel en Vincent Maximiliaan baron van Lockhorst, heer van Ter Meer en Maarssen. Na de dood van haar tweede echtgenoot behield zij de beschikking over het huis Ter Meer terwijl zij tevens een huis bezat op de Herengracht te Amsterdam (

Zie inventarisnummers 489-492, 498. Van Hoboken, Wittenburg, p. 46 en 47. Bijlage VIII.

). De kinderen uit haar eerste huwelijk stierven jong waardoor Maria Anna Witheyn en haar neven Jean Gijsberto de Mey en Cornelis Jansz. Backer de enige erfgenamen waren van deze schatrijke weduwe. Door het kinderloos overlijden van de kleinzoons van Pieter van Schoonhoven, Pieter, Adriaan en Jacob, zoons van zijn enige zoon Thymon, bleef zijn dochter Jacoba Catharina van Schoonhoven, weduwe Meerman, als enige erfgename over. Zij erfde onder meer het buiten Haagvliet te Voorburg, dat met haar huis op het Tournooiveld, vererfde aan haar kleindochter Jacoba Catharina Geertruida du Tour, gehuwd met Lodewijk van Heeckeren tot de Cloese (

Rechterlijk Archief 's-Gravenhage 4455 akte d.d. 26 augustus 1806.

)
. Als hun gasten hebben op Haagvliet tijdelijk koning Lodewijk Napoleon en zijn vrouw Hortense de Beauharnais geresideerd (

H. Hardenberg, N.J. Pabon, D. van der Meide en G. Goris, Geschiedenis van Voorburg, dorp aan de Vliet. Scheveningen 1953, p. 212. T. Spaans-van der Bijl, Lodewijk Napoleon, koning van Holland, Vredesvorst in een tijd van geweld. Zaltbommel 1967, p. 213.

)
.

Hillegonda Petronella Meerman stierf op Voorlinden in 1799, drie jaar na Claudius van der Staal. Haar nalatenschap bleef tot 1806 ongedeeld tussen haar drie zoons Abraham Willem, Daniel Pompejus Johannes en Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal.

Abraham Willem erfde de heerlijkheid van Oud-Beijerland en noemde zich Van der Staal van Oud-Beijerland. Na zijn dood in 1821 ging de heerlijkheid over op zijn dochter Everdine Suzette, gehuwd met Samuel François Anne van Pallandt, waardoor de tak Van Pallandt van Oud-Beijerland ontstond. Na haar dood erfde haar zoon Jan Werner de heerlijkheid, die hij in 1907 naliet aan zijn neef Frederik Leopold Samuel Frans van Tuyll van Serooskerken van Zuylen, de zoon van zijn zuster Henriëtte Charlotte Everdine (

RA Utrecht, Archief Slot Zuylen, voorlopige inventarisnummers 261 en 266.

). Het archief van de heerlijkheid van Oud-Beijerland vanaf 1767 tot 1900, berust thans op het Rijksarchief in de provincie Utrecht, waar het deel uitmaakt van het archief van het slot Zuylen (

Archief slot Zuylen, voorlopige inventarisnummers 850-869.

)
.

De landen van Schakenbosch gingen over op Bartholomeus Marinus Johannes van der Staal en ook hij noemde zich naar zijn goederen nl. Van der Staal van Schakenbosch. Hij was lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, waarin hij zitting had voor de eigenerfden. Daar hij reeds in 1818 overleed en zijn enige dochter Claudine Claire hem slechts tot 1826 overleefde, besloten de erven Van der Staal met instemming van haar echtgenoot Marie Ferdinand baron de Flotte in 1828 deze landen in het openbaar te verkopen (

Familiearchief Van Bylandt, inventarisnummer 113; archief slot Zuylen, voorlopig inventarisnummer 261.

).

Daniel Pompejus Johannes van der Staal erfde de heerlijkheid van Piershil en noemde zich hierna Van der Staal van Piershil. Naast ambachtsheer was Daniel Pompejus Johannes hoogheemraad van Rijnland en maire van Lisse. In Lisse woonde hij op het uitgestrekte landgoed Wassergeest, dat hij in 1804 kocht van Isaac van Buren (

Rechterlijk archief Lisse 27 fo 164vo. A.M. Hulkenberg, 't Roemwaard Lisse. Alphen aan den Rijn 1971, p. 14-17. E. Pelinck, Een bloemisterij en een speeltuin buiten de Koepoort, in: Leids Jaarboekje 1961, p. 88.

). Hij vergrootte Wassergeest door aankoop van onder andere de boerderij van het in 1782 gesloopte huis Grotenhof (

Inventarisnummer 98.

)
, de bouwmanswoning Duinhof, de boerderijen de Phoenix en de Hoogewerf in de Laageveense polder, waardoor Wassergeest zich uitstrekte van de Heereweg tot de Leidse Vaart en Keukenhof (

Noot 63; Hulkenberg 't Roemwaard Lisse, p. 14.

)
.

Na Cecilia Maria Steengracht, gehuwd met Carel Anne Adriaan van Pallandt, die op Keukenhof woonden, was Daniel Pompejus Johannes van der Staal, met 110 hectaren, de grootste grondbezitter in Lisse (

Hulkenberg, Keukenhof. Hollandse Studiën 7, 1975, p. 163 en 167.

).

In 1852 werd dit prachtige buitengoed geveild in het logement De Zwaan te Lisse en gekocht door de erven Steengracht, waardoor het tien jaar later, door vererving aan de bovengenoemde bewoners van Keukenhof kwam. Zoals met zoveel buitenplaatsen in die tijd gebeurde, werd ook dit kapitale huis gesloopt en wel vlak na de verkoop, in 1853. Door vererving is Wassergeest thans in het bezit van de barones van Lynden (

Hulkenberg, Keukenhof, p. 167.

). Wassergeest heeft, evenals het bovengenoemde buiten Haagvliet onder Voorburg, een rol gespeeld in de geschiedenis van ons land. Ten huize van Van der Staal van Piershil is door Adam François van der Duyn van Maasdam in bijzijn van Hendrik Collot d'Escury de door Gijsbert Karel van Hogendorp opgestelde proclamatie getekend, waarin deze met Van der Duyn van Maasdam het Algemeen Bestuur in handen nam tot de komst van de Prins van Oranje (

Hulkenberg, Het huis Dever te Lisse, Zaltbommel 1966, p. 246 en 247. Hulkenberg, 't Roemwaard Lisse p. 16.

)
. Hieruit blijkt dat Van der Staal, hoewel maire van Lisse, niet uitgesproken Fransgezind was. In ieder geval wist de omgeving van Van Hogendorp, dat hij te vertrouwen was. Verwonderlijk was dit niet, daar allen, die bij de opstand tegen de Franse overheersing betrokken waren tot de familie behoorden. Door zijn huwelijk met Sophia Wilhelmina Charlotte Alexandrina van Bylandt was hij verwant aan Van der Duyn van Maasdam, een neef van zijn schoonmoeder Anna van der Duyn, een vurig Orangiste, terwijl Leopold van Limburg Stirum een oom was van zijn vrouw. Ook zijn zwager Jan Carel van Bylandt bood vanaf de eerste dag Gijsbert Karel van Hogendorp zijn diensten aan (

H. Hardenberg, Oostduin en de graven van Bylandt, 's-Gravenhage 1971, p. 41-44. Bijlage IX.

)
. Bovendien moet Van der Staal Van Hogendorp uit Rotterdam gekend hebben. Daniel Pompejus Johannes van der Staal was de enige van de drie broers, die door koning Willem I in de adelstand werd verheven. Zijn huwelijk met een gravin Van Bylandt zal hierin een rol hebben gespeeld en het feit, dat zijn zwager Jan Carel van Bylandt bijzonder bij de koning in de gunst stond (

Hardenberg, Oostduin, p. 45.

)
.

De heerlijkheid van Piershil, gelegen in de Hoekse Waard, behoorde van oudsher tot het land van Putten. Voor de eerste bedijking in 1524 door Frederik van Renesse, heer van Oostmalle, sprak men van de Ommeloop van Groot- en Klein-Puttermoer. De heerlijkheid bestaat uit de polders Oud-, Nieuw- en Klein-Piershil. Het dorp ligt in de polder van Oud-Piershil en werd in de achttiende eeuw om haar bloei ook wel het klein Haagje genoemd (

J. Wagenaar, Tegenwoordige Staat 1746. Deel IV, p. 172 en 173.

). Dit kon echter niet verhinderen, dat het Hof van Piershil onder de slopershamer viel. In 1831 liet Daniel Pompejus Johannes van der Staal het ambachtsherenhuis slopen en het vrijgekomen terrein in bouwland veranderen (

Inventarisnummer 754. H. Hardenberg, Piershil en zijn ambachtsheren, in: Holland, jrg. 8 1976, p. 61.

)
. Na de dood van Daniel Pompejus Johannes van der Staal vererfde de heerlijkheid aan zijn drie dochters. Na hun overlijden gingen de heerlijke rechten over op de kinderen van hun in 1855 overleden broer Guillaume Charles, om tenslotte te vererven aan de kleindochter van Guillaume Charles van der Staal, Marie Alexandrine Otheline Caroline van Bylandt, dochter van Sophie Alexandrine van der Staal van Piershil en Carel Jan Emilius van Bylandt.

Het archief van de heerlijkheid van Piershil is daarom verspreid over twee archieven. Naast het archief, dat beschreven is in deze inventaris, bevindt een ander gedeelte zich in het archief van de graven van Bylandt, dat berust bij de Eerste Afdeling van het Algemeen Rijksarchief (

Familiearchief Van Bylandt, inventarisnummer 667-772. Zie onder p. XXV.

).

De enige zoon van Daniel Pompejus Johannes, Guillaume Charles van der Staal van Piershil woonde als rentenier in Breda en Princenhage. Hij en zijn vrouw zijn vlak na elkaar in 1855 overleden. Hun drie zeer jonge kinderen stonden onder voogdij van Eugène Jan Alexander van Bylandt (

Bijlage IX.

) en werden te 's-Gravenhage opgevoed in het huis van hun tante Otheline Agathe van der Staal. Zij vormden de laatste generatie van de familie Van der Staal, die zoals eerder vermeld in hofkringen werd opgenomen (

Boven p. I.

)
. Sophie Alexandrine was hofdame van prinses Amalia, de echtgenote van prins Hendrik, broer van koning Willem III, vaak beter bekend als prinses Hendrik (

Archief C.J.E. van Bylandt, voorl. inventarisnummers 11 en 158. Hardenberg, Oostduin, p. 92.

)
. Uit haar huwelijk met Carel Jan Emilius van Bylandt werden twee dochters geboren, Marie Alexandrine Otheline Caroline en de jong overleden Charlotte Eugenie Roline. Marie van Bylandt, overleden in 1968, is de stichtster van de M.A.O.C. Gravin van Bylandt Stichting te 's-Gravenhage, die haar vermogen, waaronder de heerlijkheid van Piershil, beheert (

Hardenberg, Oostduin, p. 92, 93, 123-125.

)
.

De laatste afstammelingen in mannelijke lijn van het geslacht Van der Staal waren Othon Daniel en Jean Arthur Godert. Laatstgenoemde stierf in 1904 na een succesvolle loopbaan bij de Marine. Naast marine-officier was hij adjudant, kamerheer en particulier secretaris van koningin Wilhelmina (

Inventarisnummers 181-284.

).

Zijn broer Othon Daniel bekleedde hoge ambten. Hij was onder meer gezant te Constantinopel en Sint Petersburg, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister aan de hoven van België en Luxemburg. Aan het hof was hij kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina. In 1886 trouwde hij met Maria Elisabeth Margaretha van Zuylen van Nyevelt. Daar hun huwelijk kinderloos bleef stierf het geslacht Van der Staal met zijn dood in 1937 uit.

Genealogische overzichten

Overzicht

Braat Hechtermans

Van Yck

Lormier Van Heteren

Meerman

Gevers

Van Schoonhoven

Witheyn

Van Bylandt

Van Tuyll-Van Serooskerken

Van Dedem

Van der Staal

Vervolg Van der Staal

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in