Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Openbaar Lichaam Rijnmond

3.17.18
G.J. Bink, Doxis Informatiemanagers
Nationaal Archief, Den Haag
1987
(c)

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.17.18
Auteur: G.J. Bink, Doxis Informatiemanagers
Nationaal Archief, Den Haag
1987

(c)

Periode:

1962-1989
merendeel 1965-1987

Omvang:

5404 inventarisnummers; 156,50 meter

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat notulen, agenda's en besluitenlijsten, alsmede stukken betreffende de organisatie, de financiën en het personeel, overleg met het provinciaal bestuur van Zuid-Holland, gemeentebesturen en bedrijfsleven. Daarnaast bevat het archief stukken betreffende de taakuitoefening van het openbaar lichaam met betrekking tot onder meer openbare orde, openbare gezondheid en veiligheid, waterstaat, verkeer en vervoer, economische aangelegenheden, arbeid en werkgelegenheid, maatschappelijke zorg, volksontwikkeling en -opvoeding en cultuur. Vervolgens bevinden zich in het archief de gedeponeerde archieven van de vaste commissies van advies die het openbaar lichaam kende, de voorzitters uit de periode tot 1974 en de Ambtelijke Dienst Rijnmond die de lopende zaken overnam na de opheffing van het Openbaar Lichaam Rijnmond in 1986.

Archiefvormers:

  •  
  • Openbaar Lichaam Rijnmond (1965-1986)
  • Adviescommissies , 1965-1974:
  • Commissie van advies voor Algemene Zaken
  • Commissie van advies voor Bestuurlijke Aangelegenheden
  • Commissie van advies voor Economische Aangelegenheden
  • Commissie van advies voor Financiën
  • Commissie van advies voor Milieuhygiëne
  • Commissie van advies voor Onderwijszaken
  • Commissie van advies voor (algemene) Personeelszaken
  • Commissie van advies voor Recreatie
  • Commissie van advies voor Ruimtelijke Ordening
  • Commissie van advies voor Sociale Aangelegenheden
  • Commissie van advies voor Verkeer en Vervoer
  • Commissie van advies voor Volkshuisvesting
  • Adviescommissies , 1975-1986:
  • Commissie van advies en bijstand voor Algemene en Bestuurlijke Zaken
  • Commissie van advies en bijstand voor Verkeer en Vervoer
  • Commissie van advies en bijstand voor de Volkshuisvesting
  • Commissie van advies en bijstand voor Economische Aangelegenheden
  • Commissie van advies en bijstand voor de Financiën en Personeelszaken
  • Commissie van advies en bijstand voor Gezondheidszorg en Minderhedenbeleid en voor Milieubeheer
  • Commissie van advies en bijstand voor Onderwijs en Specifiek Welzijn
  • Commissie van advies en bijstand voor Recreatie en Natuurbescherming
  • Commissie van advies en bijstand voor Ruimtelijke Ordening en Agrarische Aangelegenheden
  • Commissie AROB (1979-1986)
  • Commissie Herweijer
  • Planologische Commissie Rijnmond (1979-1986)
  • Ambtelijke Dienst Rijnmond (1986-1987)
  • Marijnen, mr. V.G.M.
  • Fibbe, W.A.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis en ontwikkeling van het Openbaar Lichaam Rijnmond
Voorgeschiedenis en instelling van het openbaar lichaam

De voorgeschiedenis van het openbaar lichaam Rijnmond begint eigenlijk al in het jaar 1929, lang voor de Wet openbaar lichaam Rijnmond (1964) tot stand kwam. De gemeente Rotterdam deed toen een voorstel voor een zeer omvangrijke uitbreiding van haar grondgebied ten einde onder andere een verdere ontwikkeling van de haven mogelijk te maken. Dit voorstel, het grote annexatieplan, hield een volledige inlijving van een twaalftal gemeenten, waaronder Schiedam en Vlaardingen, in.

Naar de mening van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en de minister van Binnenlandse Zaken was dit echter geen passende oplossing voor het havenvraagstuk. Het plan ging aanzienlijk verder dan een simpele grenswijziging ten behoeve van de Rotterdamse haven. In de daarop volgende jaren adviseerde een ministeriële 'commissie tot onderzoek naar de havenbelangen van Rotterdam en omgeving' over te gaan tot instelling van een Havenschap. Dit advies werd in een voorontwerp van wet door de regering opgevolgd.

Tijdens de oorlog kregen deze plannen geen verdere uitwerking; het duurde tot de jaren vijftig, toen de genoemde problematiek opnieuw naar voren kwam, versterkt wegens de snelle industriële expansie. Grenswijziging bleek voor de aanleg en het beheer van nieuwe havens en havengebieden uitkomst te bieden, maar beslissingen van de gemeente Rotterdam in het kader van de ontwikkeling van de bedrijvigheid genomen - vaak ver buiten de gemeentegrens - hadden nadelige gevolgen in zich, terwijl de besturen van de desbetreffende andere gemeenten daarbij zelfs niet waren geraadpleegd, laat staan als medebeslissers waren betrokken. Eén en ander vroeg dus om een inter-/bovengemeentelijke oplossing ( Zie ook inv.nr. 292, waarin opgenomen een overzicht van 21 jaar discussie en studie rond het openbaar lichaam (bijlage bij de rede uitgesproken door de heer W.A. Fibbe ter gelegenheid van zijn afscheid als voorzitter van Rijnmond op 27 februari 1978). ) .

Een in 1956 aangespannen overleg van gemeentebesturen in het Waterweggebied - een initiatief van de gemeente Rotterdam - verliep moeizaam. Er heerste een zeker wantrouwen, ingegeven door de vrees dat de gemeente Rotterdam de andere Waterweggemeenten zou overvleugelen.

Uiteindelijk kwamen uit het overleg twee alternatieven voor de behartiging van de belangen naar voren. De eerste mogelijkheid was een bovengemeentelijk orgaan ( Het verschil tussen een bovengemeentelijk en een intergemeentelijk orgaan betreft met name de positie van het bestuursorgaan ten opzichte van de gemeenten. Een intergemeentelijk orgaan heeft bevoegdheden welke door de betrokken gemeenten tot een orgaan zijn toegekend. Dit orgaan is daardoor beperkt tot een (gezamenlijke) behartiging van gemeentelijke belangen. Deze vorm van gemeentelijke samenwerking is gebaseerd op de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. Een bovengemeentelijk orgaan heeft (ook) zelfstandige bevoegdheden die niet aan de gemeenten zijn ontleend. Dit orgaan is daardoor in staat tot het behartigen van door hemzelf te bepalen regionale belangen. Een dergelijk orgaan wordt ingesteld bij een afzonderlijke wet. Uit: Rotterdam; Grenzen aan de macht? pag. 60 (literatuur nr. 5). ) . Dit voorstel werd krachtig door de gemeente Rotterdam ondersteund. De tweede mogelijkheid was een intergemeentelijk orgaan. Dit tweede voorstel vond de meeste steun bij de andere gemeenten. In 1958 raakte het overleg in een impasse. De minister van Binnenlandse Zaken stelde medio oktober van dat jaar een commissie in, die tot taak had een gezamenlijk standpunt van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en de regering inzake de bestuurlijke organisatie in het Nieuwe Waterweggebied voor te bereiden. Deze commissie werd aangeduid als de commissie Klaasesz, naar haar voorzitter mr J. Klaasesz, commissaris der Koningin in de provincie Zuid-Holland. Ook de gemeenten in het betrokken gebied zaten echter niet stil.

Burgemeester en wethouders van Rotterdam verzochten, eveneens medio oktober 1958, de hoogleraren mr W.F. Prins en mr D. Simons een ontwerp van wet op te stellen voor een 'bovengemeentelijk orgaan ter regeling van over het gehele Waterweggebied gespreide belangen welke niet meer door één gemeente kunnen worden behartigd'. Al in 1959 werd hun ontwerp aan de gemeenteraad van Rotterdam voorgelegd.

Een veertiental gemeenten, onder leiding van de burgemeester van Vlaardingen, ontwikkelde daarop een tegenvoorstel. Zij wensten een intergemeentelijke regeling op basis van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. Men vreesde kennelijk nog steeds dat de gemeente Rotterdam in de vertegenwoordiging van het bovengemeentelijk orgaan, zoals dat werd voorgestaan in het ontwerp van de twee hoogleraren, te veel invloed zou krijgen.

De commissie Klaasesz bracht in 1960 aan de minister van Binnenlandse Zaken een advies uit tot instelling van een openbaar lichaam voor het gebied rond de Nieuwe Waterweg, waarbij het Botlekgebied aan de gemeente Rotterdam moest worden toegevoegd. Het takenpakket, dat de commissie aan het in te stellen openbaar lichaam had toebedacht, komt in grote lijnen overeen met dat in de latere Rijnmondwet van 1964. De meningen over dit advies waren verdeeld. Niet alleen de voorgestelde samenstelling van de bestuursorganen, maar ook de beperkte zeggenschap van het openbaar lichaam ten aanzien van de havens stuitte bij veel gemeenten op bezwaren. Volgens de plannen van de commissie kreeg het openbaar lichaam namelijk in het geheel geen zeggenschap ten aanzien van de havens, maar zou het zich met de effecten van de havens en met de havenontwikkeling moeten bezighouden.

Toch nam de regering in grote lijnen de voorstellen van de commissie over en diende op 27 juli 1962 een ontwerp van Wet tot instelling van een openbaar lichaam voor het gebied van de Rijnmond bij het parlement in ( Inv.nr. 168. ) . In het ontwerp werd een lijst opgenomen van onderwerpen ten aanzien waarvan Rijnmond met behulp van richtlijnen en aanwijzingen dirigerend en coördinerend zou kunnen optreden. Tot die onderwerpen behoorden de aanleg van havens en haventerreinen alsmede de vestiging van bedrijven.

Het openbaar lichaam Rijnmond werd bij Wet van 5 november 1964 ingesteld. De afkondiging geschiedde in het Staatsblad van 26 november 1964 nr. 427. De inwerkingtreding van de Wet openbaar lichaam Rijnmond werd evenwel bij Koninklijk Besluit van 12 februari 1965, Staatsblad 54, bepaald op 1 april 1965; de bevoegdheden ten aanzien van de ruimtelijke ordening konden pas per 1 september 1965 worden uitgeoefend.

Ontwikkeling van het openbaar lichaam

De eerste tien jaar

De Wet openbaar lichaam Rijnmond betekende in 1964 de instelling van een bovengemeentelijke organisatie, die 24 gemeenten omvatte ( Het Rijnmondgebied omvatte in 1964 vierenentwintig gemeenten: Abbenbroek, Barendrecht, Brielle, Capelle aan den IJssel, Geervliet, Heenvliet, Hekelingen, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Oostvoorne, Oudenhoorn, Poortugaal, Rhoon, Ridderkerk, Rockanje, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Vierpolders, Vlaardingen, Zuidland en Zwartewaal. Met ingang van 1 januari 1980 werd het aantal gemeenten in het Rijnmondgebied door samenvoeging c.q. herindeling tot zestien teruggebracht: Barendrecht, Bernisse (gevormd door Abbenbroek, Geervliet, Heenvliet, Oudenhoorn en Zuidland), Brielle (met Zwartewaal en Vierpolders), Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Poortugaal, Rhoon, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse (waaraan in 1966 Hekelingen was toegevoegd), Vlaardingen en Westvoorne (gevormd door Oostvoorne en Rockanje). In 1985 bedroeg het aantal gemeenten in het Rijnmondgebied vijftien als gevolg van de samenvoeging van Poortugaal en Rhoon tot de nieuwe Albrandswaard. ) . Met Rijnmond kreeg het binnenlands bestuur een zwaar bestuurslichaam - een rechtstreeks door de bevolking van het gebied gekozen raad van 81 leden, een door de Kroon benoemde voorzitter en zes uit en door de raad gekozen leden van het dagelijks bestuur - met een lichte taak, een "bestuurlijk experiment" dat 21 jaar zou gaan duren.

De Rijnmondtaak bestond uit een viertal taken namelijk een planologische, een coördinerende, een potentiële uitvoerende en een adviserende. Het vaststellen van een streekplan voor het Rijnmondgebied was van meet af een uitvoerende taak.

De raad van Rijnmond, het hoogste orgaan van het openbaar lichaam, kon richtlijnen voor de gemeenten in het Rijnmondgebied vaststellen met betrekking tot een tiental onderwerpen, namelijk:

  1. de aanleg van havens en de daarbij behorende bedrijfsterreinen,
  2. de vestiging van bedrijven op deze terreinen,
  3. de industrievestiging,
  4. de woningbouw,
  5. de toepassing van de Woonruimtewet 1947,
  6. de openluchtrecreatie,
  7. de aanleg en verbetering van land- en waterwegen,
  8. oeververbindingen,
  9. het vervoeren van personen en goederen,
  10. de bestrijding van de verontreiniging van water en lucht.

De Rijnmondwet gaf de mogelijkheid een richtlijn bij weigerachtigheid om te zetten in een (dwingende) aanwijzing ( Hiervan is echter nimmer gebruik gemaakt. ) .

Tevens konden de bestuursorganen van het openbaar lichaam bepaalde gemeentelijke bevoegdheden uitoefenen wanneer deze waren overgedragen door de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van een gemeente in het Rijnmondgebied.

Het openbaar lichaam kreeg voorts in de jaren 1966-1972 tevens tot taak het jaarlijks woningbouwcontingent te verdelen over de gemeenten in het Rijnmondgebied ( Inv.nrs. 1213-1217. ) .

De komst van de Wet openbaar lichaam Rijnmond betekende slechts de voorlopige afronding van een discussie. Een zwaar bestuurslichaam met een lichte taak bleek al snel geen gelukkige oplossing te zijn. Twee veranderingen waren denkbaar. De taak bleef hetzelfde en het bestuur wordt daaraan aangepast ofwel de taak wordt vergroot en verzwaard zodat een zwaar bestuurslichaam een adequaat karakter krijgt. Het Rijnmondbestuur koos voor het laatste en ging daarop anticiperen. De gemeente Rotterdam, tot 1965 voorstander van een (sterke) bovengemeentelijke organisatie, veranderde met de komst van de nieuwe burgemeester de heer W. Thomassen van standpunt en koos voor eerstgenoemde verandering.

Het dagelijks bestuur van Rijnmond stelde in 1968 een 'Interimrapport' op betreffende de structuur van Rijnmond, dat tevens een voorstel bevatte tot het vervaardigen van een voorontwerp van wet tot wijziging van de Wet Openbaar Lichaam Rijnmond; versterking van de positie van Rijnmond als bovenlokaal bestuur was het doel.

In de daaropvolgende jaren verschenen nota's, adviezen van commissies en verraste de voorzitter van Rijnmond in 1970 de raad van Rijnmond met een eigen voorstel. Dit voorstel over de structuur van het openbaar lichaam, met als bijlage een schets betreffende een voorontwerp van wet tot wijziging van de Wet Openbaar Lichaam Rijnmond, werd aangeduid als de 'lex Fibbe'; het openbaar lichaam - genaamd 'Groot-Rotterdam' in plaats van 'Rijnmond' - zou eigen, rechtstreekse taken dienen te gaan vervullen. Met de 'lex Fibbe' (in geamendeerde vorm) verklaarde de raad van Rijnmond zich akkoord.

Ten departemente was inmiddels een concept-voorontwerp Wet Gewest Rijnmond gemaakt. De raad van Rijnmond sprak in 1971 uit dat dit concept-voorontwerp geen uitzicht bood op de oplossing van de bestuurlijke problemen in het gewest; hij was voorstander van de vorming van een stadsgewest 'sui-generis' (van eigen karakter) ter behartiging van regionale belangen in het Rijnmondgebied ( Een stadsgewest behelst voor het betrokken gebied een opheffing van de gemeenten en een integratie van gemeentelijke en provinciale taken, met daarbij eventueel rijkstaken. Uit: Rotterdam; Grenzen aan de macht? pag. 66. (literatuur nr. 5). ) .

Ook de gemeenteraad van Rotterdam werd voorstander van vorming van een stadsgewest.

De raad van Rijnmond nam in de jaren 1966-1974 een aantal besluiten die betrekking hadden op het uitoefenen van gemeentelijke bevoegdheden:

  • Vanaf 1966 werd overleg gevoerd met gemeenten in het Rijnmondgebied over de overdracht van gemeentelijke bevoegdheden tot het inrichten van een centrale post ambulancevervoer ( Inv.nrs. 1572 en 1575. ),
  • besloot de raad van Rijnmond in 1970 in te stemmen met de overdracht van gemeentelijke bevoegdheden die de ontsluiting van het recreatiegebied "De Bernisse" beoogden en was het openbaar lichaam vanaf 1972 in gesprek met enkele gemeentebesturen over de overdracht van bevoegdheden op het gebied van de buitenstedelijke recreatie ( Inv.nrs. 1712, 1715 en 1729. ),
  • een motie van de raad van Rijnmond leidde in 1971 tot onderzoek naar en effectuering van de overdracht van gemeentelijke bevoegdheden inzake de uitvoering van de Hinderwet ( Inv.nrs. 491-504 en 506. ). Organisatorisch leidde dit tot de oprichting van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR); deze dienst werd gevestigd in Schiedam ( Inv.nrs. 607-630. ),
  • in de jaren 1971-1972 werd, eveneens op basis van artikel 38 van de Wet openbaar lichaam Rijnmond, van de gemeentebesturen in het Rijnmondgebied de bevoegdheid verkregen voor de planning van scholen voor het gemeentelijk voortgezet onderwijs ( Inv.nr. 1653. ).

De gewestvorming, met de daarbij behorende bestuurlijke problematiek, bleef onderdeel uitmaken van vergaderingen.

Op 15 mei 1972 aanvaardde de raad van Rotterdam de motie Lems, waarbij een aantal van zijn bevoegdheden voor spoedige overdracht aan Rijnmond in aanmerking werd gebracht. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bracht in september 1972 een nota gewestvorming uit, waarin de regionale taken werden opgesomd die naar zijn mening in aanmerking kwamen voor rechtstreekse opdracht aan het openbaar lichaam.

De raad van Rijnmond nam op 22 januari 1973 de motie Weststrate aan, die ervan uitging dat de vorming van een stadsgewest nog geruime tijd zou duren. Daarom bepleitte deze motie dat bij besluit van de Kroon, op verzoek van Rijnmond,bevoegdheden van de gemeenten naar het openbaar lichaam zouden overgaan.

In oktober 1973 verscheen een voorontwerp van wet tot wijziging van de Wet openbaar lichaam Rijnmond dat voorzag in het toekennen van bevoegdheden van gemeenten aan het openbaar lichaam, met de daaraan gekoppelde financiële regeling. Dit wetsontwerp was de voorloper van de Wet van 28 maart 1979, Staatsblad 195, tot wijziging van de Wet openbaar lichaam Rijnmond, waarbij verruiming van bevoegdheden werd verkregen en een en ander tot een definitieve oplossing werd gebracht.

Voor wat betreft de eerste tien jaren van het openbaar lichaam (1965-1974) werd door een gecommitteerde medio 1973 als voorlopige conclusie geuit:

"Het openbaar lichaam Rijnmond heeft in de periode van 1965 tot 1970 (onder het bewind van het eerste dagelijks bestuur) beleefd met de pet in handen staande, aan ieder die er naar luisteren wilde gevraagd of Rijnmond misschien nog iets kon of mocht gaan doen. Die periode bracht niet zoveel praktische resultaten, maar had toch wel een wegbereidend karakter en effekt.

In de periode 1970-1974 werd de pet in de hand een bokshandschoen en was de beleefdheid ook veranderd in een wat meer wilskrachtig en agressief toontje.

Echter in beide perioden konden we toch met een zeker gemak optreden, omdat we niets te verliezen hadden dan onze 'ketenen'. Nu gaan we bevoegdheden met mondjesmaat krijgen en moeten we onszelf bewijzen tegenover de bevolking. De 'macht van de machteloosheid' gaat wat van ons afvallen, ook al zijn onze wensen nog bij lange na niet vervuld" ( Inv.nr. 305. ) .

Het dagelijks bestuur van Rijnmond stelde bij de begroting 1974 met betrekking tot de eerste tien jaren van het openbaar lichaam dat "Rijnmond heeft zich in de eerste jaren voornamelijk beziggehouden met onderzoekingen op diverse terreinen. De laatste jaren is het accent van de Rijnmond-activiteiten geleidelijk van onderzoek verlegd naar de aanpak van concrete projecten. De funktie van Rijnmond is sinds het oprichtingsjaar 1965 duidelijk veranderd van studieorgaan naar 'doe'-orgaan. Het jaar 1974 kan als keerpunt worden beschouwd. Steeds meer concrete zaken worden tot uitvoering gebracht. Het nut en de noodzaak van Rijnmond tekenen zich scherper af" ( Inv.nrs. 317 en 346. ) .

Met betrekking tot de wijze waarop het openbaar lichaam bestuurde wordt verwezen naar het hoofdstuk "Wijze van taakuitoefening door het Openbaar Lichaam Rijnmond".

De ontwikkeling van het openbaar lichaam na 1975

De (ontwerp) Wet Reorganisatie Binnenlands Bestuur zorgde er voor dat de hiervoor vermelde wet (Wet van 28 maart 1979, Staatsblad 195) van kracht werd. Deze (wijzigings)wet voorzag in een forse verruiming van de bevoegdheden van het openbaar lichaam, namelijk:

  • het aantal onderwerpen ten aanzien waarvan Rijnmond richtlijnen en aanwijzingen kon geven werd uitgebreid; het totaal werd nu veertien:
    1. de aanleg, de inrichting en het beheer van havens en de daarbij behorende bedrijfsterreinen,
    2. de vestiging van bedrijven,
    3. de woningbouw,
    4. de openluchtrecreatie,
    5. de aanleg en verbetering van land- en waterwegen,
    6. het verwerven, beheren, bouwrijp maken en uitgeven van gronden in verband met de hiervoor genoemde onderwerpen,
    7. de toepassing van de Woonruimtewet 1947,
    8. de oeververbindingen,
    9. het verkeer en vervoer,
    10. de zorg voor milieuhygiëne,
    11. de gezondheidszorg,
    12. het openbaar voortgezet onderwijs en het schoolbegeleidingswerk,
    13. de bevordering van de werkgelegenheid,
    14. de brandweer en de hulpverlening bij ongevallen en rampen in vredestijd.
  • Rijnmond kreeg goedkeuringsbevoegdheid inzake bestemmingsplannen (voordien was dit adviserend aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland) en werd daarmee feitelijk de provinciale autoriteit op het terrein van de ruimtelijke ordening voor het Rijnmondgebied,
  • Rijnmond kon bepalen dat van een viertal onderwerpen, namelijk de openbare gezondheidszorg, de openluchtrecreatie, de brandweer en de afvalverwerking, bevoegdheden van regeling en bestuur naar het openbaar lichaam zouden overgaan,
  • de mogelijkheid werd geopend dat de bevoegdheden van de provincie Zuid-Holland inzake de milieuhygiëne zouden overgaan naar het openbaar lichaam Rijnmond; hieraan werd uitvoering gegeven bij Koninklijk Besluit d.d. 29 maart 1982, Staatsblad 214. Met ingang van 1 mei 1982 was het openbaar lichaam derhalve ook op het terrein van de milieuhygiëne de provinciale autoriteit voor het Rijnmondgebied.

In de plannen voor de reorganisatie van het binnenlands bestuur zou tevens de splitsing van de provincie Zuid-Holland concreet gestalte krijgen. "provincie Zuid-Holland-Zuid" of "provincie Rijnmond" zou dan de nieuwe status worden van het openbaar lichaam.

Maar bij het overleg rond deze reorganisatie - met name nadat de Tweede Kamer het standpunt van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken deelde ten aanzien van zijn voornemen om af te zien van de 'provincie nieuwe stijl' - en in samenhang met de vernieuwde Wet Gemeenschappelijke Regelingen, kwam vanaf 1982 de provinciewording van Rijnmond ter discussie te staan.

Opheffing

Eind april 1984 besloot de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken (tot dien de splitsing van Zuid-Holland en provincewording van Rijnmond met klem bepleitende) plotseling dat de provincie Zuid-Holland ongedeeld moest blijven, taken en bevoegdheden konden overgaan op de provincie en het openbaar lichaam Rijnmond moest worden opgeheven. Hoofdreden was dat het voortbestaan van het openbaar lichaam niet (meer) paste in het kabinetsbeleid ten aanzien van de bestuurlijke reorganisatie.

Het bestuurlijk experiment Rijnmond had bijna 20 jaar bestaan ( Gedurende deze periode hebben zich 'geschikte' momenten voorgedaan voor een ingrijpen door het ministerie van Binnenlandse Zaken, bijvoorbeeld eind 1968 na het vertrek van mr V.G.M. Marijnen (als gevolg van zijn benoeming tot burgemeester van 's-Gravenhage), in de periode 1974-1978 en in 1982 na het vertrek van dr ir A.P. Oele (als gevolg van zijn benoeming tot Commissaris der Koningin in de provincie Drenthe). ) .

Bij Wet van 19 februari 1986, Staatsblad 47, werd besloten het openbaar lichaam Rijnmond op te heffen.

Ten aanzien van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond werd afgesproken deze dienst als organisatorische eenheid te laten voortbestaan.

Krachtens Koninklijk Besluit van 19 februari 1986, Staatsblad 48, trad met ingang van 1 maart 1986 de Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond in werking. Een nieuw bestuurlijk experiment, de provincie Zuid-Holland zorgt voor het bestuurlijk evenwicht in de regio Rijnmond, nam een aanvang.

Ambtelijke Dienst Rijnmond

In deze inventaris wordt tevens het archief van de Ambtelijke Dienst Rijnmond (ADR) in de periode 1986-1987 beschreven.

De ADR maakte deel uit van de Griffie van de provincie Zuid-Holland en was opgericht als overgangsorganisatie tussen het opgeheven Openbaar Lichaam Rijnmond en de nieuwe provinciale bestuurlijke organisatie. De nieuwe provinciale bestuurlijke organisatie nam een aanvang op 1 januari 1987, waarbij Griffie, Provinciale Waterstaat en Provinciale Planologische Dienst werden opgeheven om plaats te maken voor een dienstenstructuur.

De ADR had als taak om de lopende zaken van het opgeheven Openbaar Lichaam Rijnmond te beheren, zolang die zaken nog niet door de provincie "nieuwe stijl" waren overgenomen.

Organisatie van het openbaar lichaam Rijnmond
Bestuurlijke organisatie

Het openbaar lichaam Rijnmond, wat bestuursorganen betreft min of meer te vergelijken met die van een gemeente, kende als hoogste orgaan een raad bestaande uit 81 leden. Eens in de vier jaar werd deze raad rechtstreeks gekozen door de inwoners van de gemeenten die het Rijnmondgebied vormden ( Zie noot 4. ) , op dezelfde dag dat ook de leden van de gemeenteraad werden gekozen. Naast de raad van Rijnmond was er een dagelijks bestuur dat uit en door de raad werd gekozen.

De leden van het dagelijks bestuur werden gecommitteerden genoemd. De voorzitter van Rijnmond werd door de Kroon benoemd voor een ambtstermijn van zes jaren.

Met betrekking tot de bestuurlijke organisatie was een aantal bepalingen van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing; dit gold onder meer ten aanzien van de vereisten voor het raadslidmaatschap, de beëdiging, de openbaarheid van de raadsvergaderingen, het quorum, de wijze van stemmen en besluiten, de vergaderingen van het dagelijks bestuur, het instellen van commissies, alsmede ten aanzien van de voorzitter en de secretaris van Rijnmond.

Overzicht van namen van de leden van het dagelijks bestuur van Rijnmond in de periode 1965-1974

( Zie inv.nrs. 279-281.)

Periode 1965-1970

voorzitterV.G.M. Marijnen(20-5-1965 - 15-10-1968)
W.A. Fibbe(m.i.v. 16-12-1968)
1e plv. voorzitterH.B. Engelsman
2e plv. voorzitterM.H.L. Weststrate
gecommitteerdenJ. Alers(tot 1-1-1970)
P.Th. Biersma
H.P.M. van der Drift
H.B. Engelsman(tot 3-6-1970)
Joh. de Jong(m.i.v. 24-6-1970)
J. Nederlof(tot 14-6-1966)
C.M.L. Roozemond(m.i.v. 26-9-1966)
Jhr. G.O.J. van Tets(m.i.v. 1-1-1970)
M.H.L. Weststrate
secretarisA.W. Joolen(m.i.v. 1-4-1965; tot 31-12-1965 tijdelijk secretaris)
1e plv. secretarisW.J. Noteboom
2e plv. secretarisA.J. Heilema

Periode 1970-september 1974

voorzitterW.A. Fibbe
1e plv. voorzitterC.M.L. Roozemond
2e plv. voorzitterF.L. Burger
gecommitteerdenP.Th. Biersma(tot 12-11-1973)
F.L. Burger
H.P.M. van der Drift(tot 23-4-1971)
mevr. B.J. van Gent-Vermeulen(m.i.v. 12-11-1973; 19-3-1973 - 11-11-1973 vervangend)
Joh. de Jong
L. van Leeuwen
C.M.L. Roozemond
M.D.J. Stolk(m.i.v. 6-5-1971)
secretarisA.W. Joolen(tot 31-5-1972)
W.J. Noteboom(m.i.v. 9-10-1972)
1e plv. secretarisW.J. Noteboom(tot 9-10-1972)
2e plv. secretarisA.J. Heilema

Periode vanaf september 1974

voorzitterW.A. Fibbe
1e plv. voorzitterC.M.L. Roozemond
2e plv. voorzitterA. van 't Laar
gecommitteerden
  • A. van Dijk
  • mevrouw B.J. van Gent-Vermeulen
  • F. van Heezik
  • A. van 't Laar
  • H.R. Tiesma
  • C.M.L. Roozemond
secretarisW.J. Noteboom
1e plv. secretarisA.J. Heilema

Overzicht van de zetelverdeling in de Raad van Rijnmond na de verkiezingen in 1965, 1970 en 1974

( Zie inv.nrs. 248, 249 en 250.)

Tabel met zoekresultaten in archieven
Naam c.q. aanduiding van de politieke groepering196519701974
P.v.d.A.373138
C.D.A. ( De zetels van de AR/CH-combinatie en de KVP in 1965 en 1970 gezamenlijk. )252319
V.V.D.91013
C.P.N.453
P.P.R.--3
S.G.P.233
P.S.P.311
Lijst Schut---
Lijst Wever---
Lijst Poppe---
G.P.V.--1
Alg.Bejaardenpartij Ned.---
Bejaardenpartij 65+---
Boeren-Partij1--
DS'70---
D'66-7-
Overige-1-
Administratieve organisatie

1965-1970

Het openbaar lichaam had een secretariaat; de secretaris van Rijnmond was daarvan het diensthoofd. In de periode april 1965-mei 1972 was mr A.W. Joolen secretaris van Rijnmond; vanaf oktober 1972 (tot de datum van opheffing van het openbaar lichaam) bekleedde mr W.J. Noteboom dit ambt.

In de jaren 1965 tot 1970 bestond de organisatie uit twee beleidsafdelingen, een bureau interne zaken, een voorlichtingsambtenaar en het secretariaat van de voorzitter.

Voorts waren er drie staffunctionarissen, die elk een eigen stafbureau hadden, namelijk de staffunctionaris voor planologische aangelegenheden met zijn stafafdeling planologie (ir J.C.H. Drost ( tot 1-10-1968 drs D.H. Franssens ) ); de staffunctionaris voor milieu-aangelegenheden met zijn stafafdeling milieuhygiëne (dr L.A. Clarenburg) en de staffunctionaris voor sociaal-economische aangelegenheden en verkeer en vervoer, die verantwoordelijk was voor de werkzaamheden van het verkeersbureau en het economisch bureau (drs E.D.J. Kruijtbosch).

1970-1973

De organisatie kwam er, mede als gevolg van adviezen van een in oktober 1970 ingestelde organisatie-commissie, binnen een aantal jaren anders uit te zien.

De raad van Rijnmond besloot dientengevolge op 20 december 1971 tot instelling van een Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond. Deze startte medio 1973, nadat directie en personeel waren benoemd en de - vrijwillige - overdracht van milieubevoegdheden door gemeenten was geregeld, en bestond uit de volgende onderdelen:

  • Sectie I (Laboratorium en metingen en de Centrale Meld- en Regelkamer),
  • Sectie II (Wet inzake de luchtverontreiniging),
  • Sectie III (Hinderwet),
  • Sectie IV (Algemene Zaken).

Medio 1973 was deze nieuwe organisatie-opzet er, maar zij was van tijdelijke aard.

1974 en nadien

Naar aanleiding van een advies van het Nederlands Paedagogisch Instituut te Zeist en een - aanvullend - rapport van de heer Mensert c.s. van het bureau organisatie van de gemeente Rotterdam, besloot het dagelijks bestuur van Rijnmond weer tot een reorganisatie. Deze heeft in 1975 gestalte gekregen.

Als functionele afdelingen, die het dagelijks bestuur van Rijnmond adviseerden omtrent bepaalde beleids- of bestuurstaken, zijn toen gevormd de afdelingen: ruimtelijke ordening; verkeer en vervoer; milieubeheer; volksgezondheid en sociale aangelegenheden; economische aangelegenheden; onderwijs; recreatie, cultuur, natuurbescherming en agrarische aangelegenheden alsmede de afdeling volkshuisvesting en woningbouw.

De beheersafdelingen, die een bepaalde ondersteuning gaven aan de organisatie en het bestuur, waren de afdelingen bestuurlijke aangelegenheden en kabinet; voorlichting en inspraak; personeels- en organisatiezaken alsmede de afdeling financiën/interne zaken.

De functie van staffunctionaris werd in twee gevallen samengevoegd met die van hoofd van een functionele afdeling namelijk in het geval van ruimtelijke ordening en van verkeer en vervoer; de stafbureaus werden binnen de desbetreffende functionele afdelingen gebracht. Alleen de functie van staffunctionaris voor milieuaangelegenheden bleef gehandhaafd. In de jaren na 1974 voltrokken zich bovendien op het secretariaat van het openbaar lichaam Rijnmond diverse (interne) reorganisaties.

Zo werd de afdeling volkshuisvesting en woningbouw ondergebracht bij de afdeling ruimtelijke ordening, die vervolgens de benaming 'ruimtelijke ordening en volkshuisvesting' verkreeg en gingen de werkzaamheden 'kabinet' van de afdeling bestuurlijke aangelegenheden over naar de afdeling voorlichting en inspraak. Er volgde een noodzakelijke splitsing van de afdeling financiën/interne zaken in 1980 in twee afzonderlijke beheersafdelingen namelijk de afdeling financiën en de afdeling interne zaken. De. afdeling milieu c.a. verkreeg, mede als gevolg van de overgedragen uitvoering van de milieubevoegdheden, een nieuwe afdelingsstructuur, waardoor de bureaus volkgszondheid en centrale post ambulancevervoer werden ondergebracht binnen de bestaande afdeling onderwijs en specifiek welzijn. Het bureau hulpverlening, ongevallen en rampbestrijding bleef echter nog bij de afdeling milieubeheer en werd in een later stadium onderdeel van de afdeling bestuurlijke aangelegenheden.

Wijze van taakuitoefening door het Openbaar Lichaam Rijnmond

Bij de geschiedenis en de taakuitoefening van het Openbaar Lichaam Rijnmond is het gewenst tevens een overzicht te geven van de wijze waarop het openbaar lichaam bestuurde; dit geschiedt aan de hand van in het archief beschikbare gegevens ( Met name het (voor intern gebruik) vervaardigde 'spoorboek splitsing Zuid-Holland', juni 1983, onderdeel "wat is de betekenis van Rijnmond tot nu toe", met de daarbij behorende bijlage 3E. ) , waarmee ook een beeld wordt gegeven van onderwerpen die in de periode 1965-1974 - en daarna - actueel waren en waarnaar Rijnmond onderzoek deed.

Wat heeft Rijnmond voor de gemeenten bewerkstelligd?

Over de grenzen heenkijken

Rijnmond heeft gemeenten geleerd over hun grenzen heen te kijken. Ten tijde van Rijnmonds oprichting was de onderlinge sfeer tussen de gemeenten verziekt. Men vertrouwde elkaar niet en enige bereidheid tot samenwerking was afwezig. Daarom ook dat er een Rijnmondwet is gekomen en niet een vorm van een gemeenschappelijke regeling. De wetgever vond dat in de slechte onderlinge verhoudingen niet acceptabel. Daardoor werd de zaak anders. Onder leiding van Rijnmond en op initiatief van Rijnmond werden zeer frequent gemeenten bij elkaar geroepen om de hen betreffende problemen te bespreken, hetgeen in redelijke harmonie kon verlopen. Dat in het proces van de gemeenten bij elkaar brengen Rijnmond vaak als bliksemafleider of de Kop van Jut functioneerde was voor Rijnmond niet altijd even prettig, maar het verminderde de spanning tussen gemeenten aanzienlijk.

Evenwicht in beleid

Rijnmond heeft het evenwicht in het beleid van de regio teruggebracht.

Bij de geboorte van Rijnmond was het evenwicht in het beleid in de regio sterk verstoord. De industriële expansie met geweldige ruimtelijke en intergemeentelijke consequenties stond centraal. Het optreden van Rijnmond heeft er toe geleid, dat het milieu en de eigen waarden van het landschap een volwaardige plaats kregen naast de economische ontwikkeling. Ook de in het gebied achtergebleven recreatieve ontwikkeling is door Rijnmond sterk bevorderd. Toen in 1980 een economische stagnatie dreigde, zorgde Rijnmond er voor dat het evenwicht gehandhaafd bleef. Met grote haast werd een herziening van het streekplan tot stand gebracht, waarin - zonder verstoring van het evenwicht - meer ruimte voor economische ontwikkeling werd geboden.

Rijnmonds beleidstaken op deelterreinen

Ruimtelijke ordening en volkshuisvesting

Deze traditionele provinciale taak werd door Rijnmond dynamisch uitgevoerd. Meer dan bij de provincies vond er niet alleen ambtelijk maar ook bestuurlijk overleg met gemeentebesturen plaats. De procedures waren korter. In het werk van de ruimtelijke ordening wilde Rijnmond niet instrumenteel zijn, maar vooral uitvoeringsgericht. Het assisteerde gemeenten ook bij de uitvoering door belemmeringen, ruimtelijk en bestuurlijk, weg te nemen. Het werk van de Werkgroep Knelpunten Woningbouw Rijnmond (W.K.W.R.) was daarvan een goed voorbeeld.

De activiteiten van Rijnmond met betrekking tot de woningbouw hebben er toe geleid dat de woningbouw in het Rijnmondgebied in vergelijking met andere gebieden redelijk op peil is gebleven. In het gebied kwam eindelijk wat inzicht in de feitelijke woningbehoefte van de mensen en door Rijnmonds toedoen groeide een systeem waardoor een wat eerlijker toewijzing van woningen tot stand kwam.

Milieuzorg

Ook hier gold, dat Rijnmond niet alleen maar regels wilde toepassen (hoewel de overkomst in 1982 van alle provinciale bevoegdheden wel een steviger bodem aan het beleid gaf). Rijnmond wilde zelf actief zijn, zoals blijkt uit de oprichting van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR). Verder werd bijvoorbeeld in het Integraal Milieubeleidsplan (IMBP) het totaal milieuveld inzichtelijk gemaakt en werd er beleid gevoerd in plaats van alleen maar regels te stellen. In het ruimtelijk beleid was een sterke inbreng van het milieu dat in vrij brede zin werd opgevat. Ook de milieubeleving door de burgers kreeg aandacht, zoals niet alleen blijkt uit verricht onderzoek (geïntegreerd milieu-onderzoek) maar ook uit accenten op het milieubeleid zoals het veiligheidsbeleid.

Concrete resultaten van het beleid waren, naast het al genoemde evenwicht, de vermindering van het aantal klachten over stank e.d. en dat de kwaliteit van de lucht verbeterde.

Rijnmond nam reeds vroeg in het begin van zijn bestaan initiatieven om de gigantische afvalproblemen voor de tachtiger jaren op te lossen. De NV Afvalverwerking Rijnmond (AVR) voldoet nadrukkelijk in een behoefte die landelijk gevoeld wordt en blijkt in de praktijk vaak het laatste redmiddel te zijn voor in problemen verkerende gemeenten (Krimpen aan den IJssel, Amsterdam, Lekkerkerk).

Economische aangelegenheden

De waarde van het economisch beleid van Rijnmond was erin gelegen dat er eindelijk een redelijk inzicht tot stand kwam in wat er zich op dat terrein afspeelde in het Rijnmondgebied. Zowel de stad Rotterdam, die vroeger de enige overheid met enige kennis op dit gebied was, als de Rijksoverheid maakten in toenemende mate gebruik van Rijnmond. Ook de eigen beleidsontwikkeling werd echter op gang gebracht. Het economisch gebeuren kreeg een sterk accent in het ruimtelijk beleid. Er ontstond een belangrijke coördinerende functie voor het bedrijfsleven (regionale raad, bureau coördinatie vergunningen - later bedrijven info Rijnmond) en structurerende ontwikkelingen voor de toekomst werden aangepakt (relatie onderwijs-arbeidsmarkt).

Verkeer en vervoer

Het beleid in deze sector was typisch coördinerend. Men had als één van de weinige overheden een richtinggevend verkeers- en vervoersplan ter beschikking. Verder besteedde Rijnmond - vaak op verzoek van provincie of gemeenten - veel aandacht aan gemeentelijke en intergemeentelijke problemen op (openbaar) vervoergebied.

Recreatie

Het regionale tekort aan recreatiemogelijkheden werd door toedoen van Rijnmond ingelopen. Door een goede samenwerking met gemeenten, de provincie en het departement en door zelf te gaan aanleggen, beheren en onderhouden, kwam "de Bernisse" van de grond en werden kleinere projecten versneld aangelegd. Bovendien is Rijnmond er in geslaagd door een bundeling van uitvoerende werkzaamheden de kosten voor de gemeenten aanzienlijk te drukken. Ondanks tal van nieuwe projecten zijn de totale kosten niet gestegen.

De welzijnssector en volksgezondheid

De beleidsontwikkeling van Rijnmond op het terrein van het welzijn is in de kinderschoenen blijven staan. Het verst ontwikkeld was nog wel de sector onderwijs. Naast het op gang brengen van ondersteunende activiteiten, zoals de oprichting van de Onderwijsbegeleidingsdienst-Zuid, is Rijnmond er in geslaagd de rijksoverheid en de verschillende onderwijsorganisaties aan één tafel te krijgen, waardoor de regio zelf een grotere greep kreeg op het onderwijsgebeuren en niet alles aan de centrale overheid moest worden overgelaten.

Volksgezondheid bleef zelfs vrijwel geheel onontgonnen. Wel zijn er enkele praktische initiatieven genomen en uitgebouwd, zoals de oprichting van een regionaal overleg zwakzinnigenzorg, de volwasseneducatie en een regionale raad voor de volksgezondheid. Verder kwam er ook nog een centrale post ambulancevervoer tot stand.

Relaties met andere organen

Wat relaties met andere organen dan gemeenten betrof was er uiteraard veel contact met de provincie Zuid-Holland. In dat verband valt bijvoorbeeld te denken aan de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR), die de provinciale Griffie met oog op de besluitvorming over milieuaangelegenheden adviseerde.

In 1982 ging de bevoegdheid van de milieuhygiëne van de provincie Zuid-Holland bij Koninklijk Besluit van 29 maart 1981 (Staatsblad 1982, nr. 214) van de provincie over naar het Openbaar Lichaam Rijnmond. In principe was dit sinds de Wet van 1979 ook voor andere zaken mogelijk.

Huisvesting

Met ingang van 1 april 1965, de datum van inwerkingtreding van de Wet openbaar lichaam Rijnmond van 5 november 1964, Staatsblad 427, namen de werkzaamheden van het openbaar lichaam een aanvang.

Kort daarvoor, namelijk op 24 februari 1965 benoemde het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot tijdelijk secretaris van Rijnmond - met ingang van 1 april 1965 - de heer mr A.W. Joolen ( Voor zijn benoeming tot tijdelijk secretaris was hij plaatsvervangend directeur-generaal van het ministerie van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. De raad van Rijnmond benoemde mr A.W. Joolen op 11 november 1965 tot secretaris van Rijnmond per 1 januari 1966. Tot voorzitter van Rijnmond werd bij Koninklijk Besluit d.d. 12 mei 1965 benoemd mr V.G.M. Marijnen (minister-president in de periode 24 juli 1963-14 april 1965). ) . Deze functionaris kreeg van 1 april tot 24 juni 1965 onderdak in het provinciehuis te 's-Gravenhage ( Inv.nr. 177. )

Het openbaar lichaam Rijnmond was vanaf 24 juni 1965 gehuisvest in het gebouw van de Algemene Bank Nederland aan de Blaak 34 te Rotterdam. Het dagelijks bestuur van Rijnmond besloot met ingang van 1 april 1966 kantoorruimte te huren aan het Stationsplein 2 te Schiedam; dit betekende overigens niet dat de (juridische) plaats van vestiging daarmee veranderde.

De raad van Rijnmond besloot in zijn openbare vergadering van 17 juni 1971 het dagelijks bestuur te machtigen tot het sluiten van een huurovereenkomst voor kantoorruimte aan het Vasteland 96-104 te Rotterdam. In maar 1973 verhuisde het secretariaat van het openbaar lichaam (terug) naar de gemeente Rotterdam; de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond - gestart in 1973 - bleef als zelfstandige organisatie-eenheid in Schiedam gehuisvest.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in