gahetNA in het Nationaal Archief

Strafinstellingen Gorinchem

3.05.02
A.A. Mietes
Nationaal Archief, Den Haag
1993
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.05.02
Auteur: A.A. Mietes
Nationaal Archief, Den Haag
1993
CC0

Periode:

1854-1933

Omvang:

1,20 meter; 7 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de strafinstellingen te Gorinchem bevat onder ander de registers van notulen van de vergaderingen van de College van Regenten, rekeningenboek met gedetineerden en verschillende inschrijvingsregisters, waaronder die van kinderen die samen met hun moeder in de strafinstelling zijn opgenomen.

Archiefvormers:

  • Directeur van de Strafinstellingen te Gorinchem 1811-1932

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van het gevangeniswezen in Gorinchem
Tot 1877: Huis van Arrest en van Bewaring

Tot de reorganisatie van de Rechterlijke Macht in 1877 was Gorinchem een zelfstandig arrondissement. Dientengevolge was er in de stad zelf een rechtbank gevestigd, van 1811 tot 1838 rechtbank van eerste aanleg geheten en van 1838 tot 1877 arrondissementsrechtbank. Bij deze rechtbank werd in 1811 een Huis van Arrest gevestigd, na 1838 meestal Huis van Arrest en van Bewaring genoemd.

De gevangenen werden vanouds gedetineerd in het "Gevangenhuis" aan de Boerenstraat, waarin tevens de cipier woonde. In 1838 werd besloten tot nieuwbouw, maar het duurde tot 1852 voordat de nieuwe gevangenis in gebruik kon worden genomen. Het was een geheel cellulaire gevangenis met 32 cellen, ingericht naar de op dat moment nieuwste ideeën omtrent de gevangenisbouw. P.W. Alstorphius Grevelink, die landelijk inpecteur van de gevangenissen was, schreef in 1857 vol lof over deze gevangenis. (

P.W. Alstorphius Grevelink, Rapport van den Inspecteur der Gevangenissen betreffende zijne inspectiereis, gedaan in 1857, uit het oogpunt van cellulaire opsluiting ('s-Gravenhage 1857), 23-25.

)

1877-1887: Cellulaire strafgevangenis

Nadat in 1877 de Rechtbank te Gorinchem was ontbonden, (

Wet van 9 april 1877 (Stb. nr. 76).

) verloor het Huis van Arrest zijn bestemming. Het gebouw werd vervolgens bestemd tot Strafgevangenis voor veroordeelden tot eenzame opsluiting en Huis van Bewaring. Bij de bestemmingsverandering in 1886 verloor het gesticht zijn bestemming als Huis van Bewaring. De gedetineerden die tot een hechtenisstraf veroordeeld werden door de kantonrechter, werden voortaan ondergebracht in het Huis van Bewaring te Dordrecht.

1887-1919: Bijzondere Strafgevangenis voor vrouwen

De gestichtenwet van 1884 introduceerde in artikel 7 bijzondere strafgevangenissen, onder andere bestemd voor veroordeelden tot levenslange gevangenisstraf en veroordeelden tot een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar. De Bijzondere Strafgevangenis voor vrouwen werd gevestigd in Gorinchem. De vrouwen werden op 10 maart 1887 vanuit 's-Her-togenbosch overgebracht. (

Koninklijk Besluit van 13 februari 1887 nr. 20; zie verder Petersen, Gedetineerden onder dak, 768-772.

)

In 1919 werd de Bijzondere Strafgevangenis voor vrouwen van Gorinchem naar Rotterdam overgebracht. De minister had namelijk het besluit genomen de Rijkswerkinrichting voor Vrouwen van Leiden naar Gorinchem te verplaatsen, om in Leiden de noodzakelijke uitbreiding van het Rijksopvoedingsgesticht te kunnen uitvoeren. (

Wet van 7 december 1918 (Stb. 793).

)

1919-1932: Rijkswerkinrichting voor vrouwen

Na de nodige aanpassingen werd op 1 spetember 1920 de Rijkswerkinrichting voor vrouwen in bedrijf genomen. (

Koninklijk Besluit van 22 juli 1920, nr. 52.

) Het oude College van Regenten was opnieuw in het leven geroepen om zijn taak voort te zetten. De bezetting van de tot rijkswerkinrichting veroordeelde vrouwen nam geleidelijk af. De Minister van Justitie dacht er in 1928 over een gedeelte van de Rijkswerkinrichting te bestemmen tot Rijksasiel voor vrouwen. Dit plan ging echter niet door. In 1932 werd de Rijkswerkinrichting opgeheven en op 12 december van dat jaar werden de gedetineerden overgebracht naar Breda. (

Wet van 25 juli 1932 (Stb. 402); zie verder Petersen, Gedetineerden onder dak, 834-836.

)
Het gebouw werd vervolgens aan de Dienst der Domeinen overgedragen. Naderhand werd het gebouw in gebruik genomen bij Defensie.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in