gahetNA in het Nationaal Archief

Kantongerecht Gouda, 1980-1989

3.03.87
H.H. Vlasbloem
Nationaal Archief, Den Haag
2009
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.87
Auteur: H.H. Vlasbloem
Nationaal Archief, Den Haag
2009
CC0

Periode:

1950-1991
merendeel 1980-1989

Omvang:

20,00 meter; 183 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van het kantongerecht te Gouda bevat stukken zoals akten en beschikkingen, nadere toegangen op naam van gedaagden en eisers, audiëntiebladen, processtukken etc., betreffende strafzaken, burgerlijke zaken en buitengerechtelijke zaken (zoals voogdijzaken).

Archiefvormers:

  • Kantongerecht te Gouda, 1980 - 1989

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Taak en samenstelling van het kantongerecht

In de jaren tachtig is het kantongerecht het laagste rechtscollege voor strafrechtzaken en zaken van burgerlijk- (civiel) recht. Nederland is ingedeeld in 62 kantongebieden, ook wel 'kantons' genoemd.

De kantonrechter behandelt allerlei juridische problemen van gewone burgers zoals huur, arbeidszaken en kleine geldvorderingen. Deze zaken worden dus dicht bij huis voor de burger behandeld. Partijen hebben geen advocaat nodig, maar kunnen ook zelf hun zaak behartigen. Bij elk kantongerecht zijn, afhankelijk van het aantal te behandelen zaken, één of meer kantonrechters werkzaam. Dit zijn alleensprekende rechters.

Om nu te bepalen bij welk gerecht (instantie) een bepaalde zaak moet worden behandeld, geeft de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) duidelijkheid. Sommige zaken moeten voor een kantongerecht dienen, terwijl andere procedures bij een rechtbank, gerechtshof of de Hoge Raad moeten worden aangebracht. De bevoegdheid van de soort rechter wordt 'absolute competentie' genoemd. Als vastgesteld is welk soort rechter bevoegd is, moet nog worden bepaald in welke plaats (rechtsgebied) de rechter bevoegd is om de zaak te behandelen. Dit wordt 'relatieve competentie' genoemd.

Bij wet van 16 september 1993 tot wijziging van de rechterlijke indeling (Staatsblad 515 artikel 5) werd in 1994 het kantongerecht Gouda, voorheen behorende bij het arrondissement Rotterdam, nu bij het arrondissement 's-Gravenhage ingedeeld. Daarmee werd de nieuwe Politiewet gevolgd waarbij de gemeente Gouda deel uit ging maken van het regionale politiekorps Hollands Midden i.p.v. het gemeentelijke politiekorps.

Strafzaken

In artikel 44 van de Wet RO wordt de absolute competentie van de kantonrechter in strafzaken omschreven. Hierin wordt bepaald dat de kantonrechter alle overtredingen (vnl. verkeersovertredingen) berecht, zover deze niet aan een andere rechter zijn opgedragen. Voorts vonnist hij over het misdrijf van stroperij (diefstal van klei, bagger, veen). Hoger beroep was mogelijk tegen vonnissen betreffende feiten die met een andere straf waren bedreigd dan een geldboete van ten hoogste fl. 50,--.

De strafzaken worden door de officier van justitie (het openbaar ministerie) bij de kantonrechter aanhangig gemaakt door het betekenen van een dagvaarding aan de verdachte. Betekening is de gerechtelijke bekendmaking van een schriftelijk stuk (bv. een dagvaarding) door uitreiken daarvan aan de geadresseerde. Het uitreiken geschiedt in civiele zaken door een gerechtsdeurwaarder en in strafzaken door een politiefunctionaris of postbeambte. Door de betrokken functionaris wordt een akte van uitreiking opgemaakt. In de meeste gevallen is hoger beroep bij de arrondissementsrechtbank mogelijk.

Tot 1926 werd altijd schriftelijk vonnis gewezen. Na 1926, met de komst van een nieuw Wetboek van Strafvordering (WvSv), wees de kantonrechter dadelijk na de sluiting van het onderzoek mondeling vonnis en werd dit in het proces-verbaal (verslag) van de zitting aangetekend.

De Bezuinigingswet van 29 november 1935 (Staatsblad 685) introduceerde het stempelvonnis, waarbij de kantonrechter onder bepaalde voorwaarden het opmaken van een proces-verbaal ter terechtzitting achterwege kon laten en niets anders hoefde te doen dan de straf of maatregel in te vullen en te ondertekenen in een speciaal ontworpen stempelafdruk, welke gestempeld werd op het dubbelexemplaar van de dagvaarding van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage. Het stempelvonnis c.q. aantekening mondeling vonnis ex. art. 398 2e lid WvSv kon ook op een speciaal ontworpen formulier worden vermeld met daarbij het parketnummer, vonnis en handtekeningstempel van de kantonrechter. Dit formulier werd aan het dubbelexemplaar van de dagvaarding geniet. Dat werd vooral op het kantongerecht Den Haag gedaan.

Door het waarmerken gaf de kantonrechter te kennen dat hij de 'aantekening' had gezien en had vastgesteld dat de daarin opgenomen gegevens in overeenstemming waren met het door hem mondeling gewezen vonnis. In de ministeriële circulaire (Staatscourant 1976 nummer 3) staat omschreven wat een zgn. stempelvonnis moet bevatten. In de wet van 26 juni 1975 (Staatsblad 398) werd deze kantongerechtprocedure ook gangbaar voor de alleensprekende strafrechters bij de arrondissementsrechtbank. Door de invoering van COMPAS (=Communicatiesysteem Openbaar Ministerie Parketsysteem) in 1986 werd de term 'stempelvonnis' niet meer gebezigd. Er werd meer gesproken van 'mondeling aantekening vonnis', hetgeen werd uitgedraaid uit de tekstverwerker en met handtekeningstempel van de kantonrechter werd bekrachtigd.

In de praktijk bleek vaak dat de kantonrechter zijn mondeling vonnis na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting afdeed met een stempelvonnis (zie artikel 395a WvSv). Slechts in uitzonderlijke situaties werden nog schriftelijke vonnissen opgemaakt of mondelinge vonnissen overeenkomstig artikel 378 WvSv. gewezen en proces-verbaal van de terechtzitting opgemaakt.

De relatieve competentie van de kantonrechter is afgeleid van die van het openbaar ministerie. Hierdoor geldt de gelijke bevoegdheid van de kantonrechter van het kanton waar de overtreding is begaan, als die van het kanton waar de beklaagde woont en die van het kanton waar de beklaagde wordt gevonden (aangehouden).

Als er hierdoor twee kantongerechten in aanmerking zouden komen voor vervolging, bijvoorbeeld in het geval als de verdachte, tegen wie al een vervolging is ingesteld in het ene kanton (bijv. Leiden), zich naar een ander kanton (bijv. Gouda) verplaatst- dan is het kantongerecht bevoegd waar het eerst de vervolging is aangevangen (hier dus Leiden). Bij gelijktijdige vervolging van een overtreding heeft die kantonrechter voorrang waar de overtreding heeft plaatsgevonden.

Burgerlijke- of civiele zaken

In burgerlijke zaken is de absolute competentie van de kantonrechter een uitzonderingsbevoegdheid. De gewone rechter in eerste aanleg is de arrondissementsrechtbank. De kantonrechter is bevoegd om kennis te nemen van een aantal vorderingen, waarvan de belangrijkste particuliere vorderingen onder de fl. 1500,-- betreffen en vorderingen inzake huur en pacht. Bij wet van 21 juni 1983 (Staatsblad 292) werd het bedrag voor particuliere vorderingen verhoogd tot fl. 2500,--. Hoger beroep is mogelijk bij vorderingen onder de fl. 5000,--.

Bij de relatieve competentie in burgerlijke zaken geldt de regel dat de kantonrechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is. Zijn er meerdere gedaagden, die in een onderling verschillend kanton wonen, dan is, naar keuze van de eiser, één van die kantonrechters bevoegd. De relatieve bevoegdheid is niet in een algemene regel samen te vatten. Meestal wordt bij de betreffende wetsbepalingen aangegeven welke kantonrechter bevoegd is.

De procedure kan aanvangen met een dagvaarding of een verzoekschrift (ook wel rekest genoemd) afhankelijk wat in de wet is voorgeschreven. Zo bevat bijvoorbeeld de Huurwet (HW) naast enkele dagvaardingsprocedures (art. 21 HW) nog een aantal verzoekschriftprocedures (zie bijvoorbeeld artt. 15-17 en 28d HW).

Men kan ook onderscheid maken tussen contentieuze en voluntaire zaken. Contentieuze (of 'eigenlijke') zaken zijn civiele zaken waarbij sprake is van een rechterlijke tussenkomst in een geschil tussen twee of meer partijen, bijvoorbeeld over een koopcontract. Bij voluntaire ('oneigenlijke' of extrajudiciële) zaken wordt aan de rechter een beslissing (voorziening) gevraagd zonder dat er een geschil is, zoals bijv. bij de benoeming van een voogd.

Voor de contentieuze civiele kantongerechtzaken bestonden o.a. de volgende verschillende regelingen:

  • de gewone dagvaardingsprocedure (artt. 97a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - 125 Rv)
  • de procedure voor arbeidszaken- en aanverwante zaken (artt. 125a Rv-125f Rv)
  • de procedure voor huurkoopzaken. Huurkoop is de koop waarbij men, door een bepaalde tijd iets te huren, eigenaar van het gehuurde wordt (artt. 225 g Rv -125 i Rv)
  • het verzoek tot teruggave van een huurkoop overgedragen zaak
  • de procedure voor pachtzaken (artikelen 136-140 Pachtwet)
  • het verzoek tot het uitvaardigen van een rechterlijk bevel tot betaling (BB) (artt.125k Rv -125v Rv)
  • verzoeken waarop de algemene regeling (artikelen 429a Rv e.v.) of een soortgelijke bijzondere regeling van toepassing is, in het bijzonder verzoeken betreffende huur van woonruimte en bedrijfsruimte, verzoeken inz. artikel 1639w Burgerlijk Wetboek. (ontbinding van een arbeidsovereenkomst) en verzoeken op het terrein van het personen - en familierecht.

Er bestaan ook rekestprocedures (bij arbeid-, huurkoop en pachtzaken) waarbij in plaats van een dagvaarding de voluntaire procedure wordt ingeleid door een verzoekschrift en welke verloopt als een dagvaardingsprocedure. Deze eindigt dan ook met een rechterlijk vonnis en niet met een beschikking, zoals bij buitengerechtelijke zaken.

In 1942 werd de inning van kleine geldvorderingen vergemakkelijkt door het dwangbevel te introduceren, dat in civiele kantongerechtzaken dient ter nakoming van een overeenkomst tegen schuldenaren met een bekende woon of verblijfplaats. Bij Wet van 2 december 1965 (Staatsblad 527) werd het besluit met ondergeschikte wijzingen opgenomen in het Wetboek RV. Het woord "dwangbevel" werd vervangen door de woorden "rechter bevel tot betaling". Bij Wet van 25 januari 1984 (Staatsblad 19) kwam enige vereenvoudiging van deze BB- rekestprocedure. Voor alle vorderingen van maximaal fl. 2500,-- bestond deze regeling tot de inwerkingtreding van het nieuwe kantongerechtprocesrecht (NKP) op 30 december 1991, toen de wet wijzigde voor diverse civiele kantongerechtsprocedures (bij Wet van 31 januari 1991, Staatsblad 50).

In de jaren tachtig werd ook de Huurprijzenwet woonruimte tot wet verheven, krachtens het KB van 21 juni 1979 (Staatsblad 1979-330). Deze wet, afgekort als HPW, is de centrale wet die alles regelt wat de betalingsverplichtingen betreffende de huur van woonruimte te maken heeft. Als reactie op het kraken van leegstaande panden kwam ook de Leegstandswet van 21 mei 1981 (Staatsblad 339) tot stand.

Buitengerechtelijke zaken (extrajudiciële zaken)

Deze zaken hebben niet betrekking op een geschil (in tegenstelling tot contentieuze zaken) maar op het geven van een rechterlijke beslissing (voorziening) aan de verzoeker, in de regel ingeleid met een rekest en eindigend met een beschikking. Deze zaken worden niet op een terechtzitting in het openbaar behandeld maar in een raadkamer met gesloten deuren.

De kantonrechter behandelt dus zowel civiele - als strafrechtelijke zaken, de belangrijkste zijn:

  • in civiele zaken bij benoemingen (in voogdij, in bewindvoerders en curators), beëdigingen (van voogden), ontslagverleningen (bij voogdij en curatele), rechtelijke machtigingen (van huwelijk bij minderjarigen, betreffende voogdij en arbeidsovereenkomsten)
  • in strafzaken bij verhoren t.b.v. de Rechter-commissaris en bij tal voorschriften m.b.t. het binnentreden van woningen tegen bewoners wil, op last van de kantonrechter.

De relatieve bevoegdheid van de kantonrechter in buitengerechtelijke zaken valt niet in een algemene regel te vatten. Meestal wordt bij de betreffende wetsbepalingen aangegeven welke kantonrechter bevoegd is.

Ook is sinds 1947 (Staatsblad H 232) een belangrijke taak voor het kantongerecht weggelegd als belangenbehartiger van het bewind (onttrekking van vermogen aan het beheer van de rechthebbende) voor minderjarigen, meerderjarigen of curandi voor wie een beschermingsbewind geldt, kort gezegd te beschermen personen. Dat geldt voor verdelingen waarbij zij zijn betrokken. De kantonrechter doet dit werk wat deze toezichthoudende taak met zich meebrengt gratis. Een deel van dit toezicht werkt preventief. Een overeenkomst of verdeling waarbij een regeling wordt getroffen voor het beheer van een te beschermen persoon (tbp) wordt pas perfect na goedkeuring door de kantonrechter.

Enkele regelmatig ter goedkeurig aangeboden rechtshandelingen zijn:

  • verwerping van nalatenschap, als een nalatenschap negatief uitpakt, wordt verlof tot verwerping door het kantongerecht verleend
  • rechtshandelingen bijvoorbeeld bij schenkingen, huur- of koopovereenkomsten of notariële akten (bv. boedelscheidingen)

In 1982, bij Wet van 15 mei 1981, werd het beheer van het vermogen van meerderjarigen onder bewindgestelden geregeld, die nog wel handelingsbekwaam waren maar door hun lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of blijvend niet in staat waren om hun financiële belangen te behartigen. De persoon die de goederen beheert wordt de bewindvoerder genoemd en door de kantonrechter benoemd. Het beheer van het vermogen van een meerderjarige onder curatele gestelde is de zwaarste beschermingsmaatregel voor een meerderjarige omdat deze zijn/haar financiële belangen en/of persoonlijke belangen niet meer kan behartigen. De belangbehartiger van de onder curatele gestelde (curandus) is een curator of een provisionele bewindvoerder. Curatoren werden tot 1970 door de kantonrechter benoemd. Daarna gebeurde dit door de arrondissementsrechtbank.

Voogdijregister

Het enige openbare register dat bij het kantongerecht sinds 1909 nog wordt bijgehouden is het voogdijregister. Zo'n register bestaat uit een kaartsysteem waar op kartonnen voogdijregisterkaarten aantekeningen worden gemaakt van die rechtsfeiten die op het minderjarigen uitgeoefende gezag, met inbegrip van toeziend voogdij, betrekking hebben. Is de minderjarige buiten Nederland geboren of is zijn geboorteplaats onbekend, dan zijn gegevens aangetekend bij het kantongerecht te Amsterdam (Wet van 21 oktober 1971 ( Staatsblad 629)). Voor 1970 werd het curateleregister ook bij het desbetreffende kantongerecht bijgehouden.

Pachtkamer

Pacht of een pachtovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij (de verpachter) zich verbindt om aan de andere partij (de pachter) tegen voldoening van een tegenprestatie (de pachtprijs) een hoeve of los land voor bijvoorbeeld veeteelt, akkerbouw of fruitteelt in gebruik te verstrekken.

De pachter kreeg aandacht na de in 1874 begonnen ontwikkeling van de sociale wetgeving, waarbij de landbouwcrisis van de jaren tachtig van de 19e eeuw en veel later de crisis van de jaren dertig van de 20e eeuw extra impulsen betekenden. In 1932 werd een Crisispachtwet ingevoerd, die werd vervangen door de Pachtwet 1937 (Staatsblad 205). Spoedig bleek dat deze eerste pachtwet in de praktijk op bepaalde punten tekort schoot. In de bezettingstijd werd deze vervangen door het Pachtbesluit 1941 (Verordeningenblad 215). Na de oorlog bleef het Pachtbesluit in werking. Maar ook het Pachtbesluit voldeed niet meer in de praktijk en werd in 1958 door een nieuwe Pachtwet buiten gebruik gesteld. Door het vervallen van de Wet op de Vervreemding van Landbouwgronden werd de Pachtwet in 1963 aangepast en werden de grondprijzen losgelaten.

Op het gebied van pachtrecht zijn er twee specifieke organen: de grondkamers en de pachtkamers. Beide organen spelen een rol bij de handhaving van het pachtrecht.

De Pachtwet bepaalt dat voor pachtgeschillen in ieder kanton een pachtkamer functioneert. Deze bestaat uit de kantonrechter als voorzitter en twee niet tot de rechterlijke macht behorende personen die deskundig zijn op het gebied van de verhoudingen op pachtgebied.

Een pachtzaak werd aanhangig gemaakt door een verzoekschrift aan de voorzitter van de pachtkamer te sturen. De voorzitter onderwierp allereerst het ter griffie ingekomen verzoekschrift aan een voorlopig onderzoek, waarbij hij naging of de vordering behoorde tot de absolute competentie van de pachtkamer en of het verzoekschrift aan haar opmaak voldeed Bij een zgn. "beschikking dagbepaling" voor de mondelinge behandeling op de zitting oordeelde de voorzitter positief.

De meeste pachtzaken werden contentieus (op tegenspraak of in eigenlijk rechtspraak) behandeld, waarbij na uitwisseling van eventuele conclusies door partijen het geding meestal met een vonnis werd afgesloten. Contentieuze pachtzaken hebben vaak te maken met ontbinding van een pachtovereenkomst, een schriftelijke vastlegging van een mondelinge pachtovereenkomst of in de plaats stelling.

Enkele pachtzaken, zoals o.a. pachtverlengingen werden extrajudicieel (voluntair of niet-contentieus) behandeld waarbij geen conclusies werden uitgewisseld en de verweerder met een verweerschrift op het verzoekschrift reageerde. De voorzitter kon de volontaire zaak dan met een beschikking afdoen.

De relatieve competentie werd uitsluitend bepaald door waar de hoeve of los land gelegen was, dat wil zeggen dat de ligging daarvan bepalend is voor de pachtkamer van welk kantongerecht de zaak behandeld wordt. Hoger beroep was uitsluitend bij de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem mogelijk bij vorderingen boven fl. 1500,--, aan te spannen binnen één maand na de dag van het vonnis of de beschikking.

Functionarissen en hun taak
De kantonrechter

De kantonrechter wordt sinds 1877, na een voordracht van de arrondissementsrechtbank voor zijn/haar leven (voordien voor een periode van vijf jaar) benoemd door de Kroon en ontslagen bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd.

De kantonrechter is een alleensprekende rechter. Door de Crisispachtwet van 1932 (Staatsblad 301) komt hier met de instelling bij elk kantongerecht van een kamer voor crisispachtzaken verandering in. De kantonrechter is voorzitter van deze kamer, die verder bestaat uit twee niet tot de rechterlijke macht behorende personen die deskundig zijn ten aanzien van de verhoudingen op landbouwgebied. Ze worden benoemd door de Kroon, nadat men advies heeft ingewonnen bij de Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie.

Bij verhindering of ontstentenis van de kantonrechter (en bij afwezigheid van een kantonrechter in het kanton) treedt een plaatsvervanger naar rang van benoeming op. De vereisten voor de betrekking van plaatsvervanger zijn anders dan die voor de kantonrechter in vaste dienst. Voor hen gelden de eisen van Nederlanderschap en een minimumleeftijd van 23 jaar. Zij worden telkens, na voordracht van de kantonrechter, door de Koning(in) voor vijf jaar benoemd en zijn bij aftreding weer benoembaar. Bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd worden zij door de Kroon ontslagen.

In artikel 5 lid 5b van de Wet RO van 18 december 1957 (Staatsblad 534) was geregeld dat bij het kantongerecht te 's-Gravenhage ten hoogste zeven kantonrechters werden geplaatst. Voor Delft en Leiden was het maximum gesteld op drie en voor Alphen aan den Rijn en Gouda op slechts één. In 1978 veranderde dit naar twee kantonrechters voor Delft en Leiden (Staatsblad 564, artikel 5).

De griffier en de directeur gerechtelijke ondersteuning

De griffier (en sinds 1877 de substituut-griffier) wordt benoemd door de Kroon. Bij afwezigheid van de griffier wordt, tot wederopzegging, een waarnemend griffier benoemd. Deze wordt benoemd en beëdigd door de kantonrechter. In artikel 5, lid 5 b van de Wet RO van 18 december 1957 (Staatsblad 534) is geregeld dat bij het kantongerechten één griffier werd aangesteld. In de praktijk was dit de griffier van de arrondissementsrechtbank uit 's-Gravenhage (artikel 37, Wet RO 11 sept. 1972, Staatsblad 463).

De taken van de griffier zijn in diverse wetten geregeld. De hoofdtaak is optreden als notulist tijdens de terechtzitting. Hij maakt tevens de processen-verbaal van de zitting, de vonnissen, de akten en de beschikkingen op. Tot de overige taken behoren o.a. het open houden van de griffie gedurende de voorgeschreven uren, het beheer van gelden, die ter griffie zijn gedeponeerd, het bewaren van de minuten, registers en stukken behorende tot het kantongerecht. In het bijzonder dient genoemd te worden het bijhouden van een repertoire, waarin dagelijks wordt genoteerd: de dagtekening en aard van de opgemaakte akten, processen-verbaal en vonnissen in civiele zaken, met de namen van de partijen.

Het hoofd van de administratie en van het gerechtssecretariaat (twee gescheiden functies) sturen de administratieve ondersteuning van het Goudse kantongerecht aan onder verantwoordelijkheid van de Rotterdamse arrondissementsgriffier. De vijf kantongerechten in het arrondissement Rotterdam (Rotterdam, Schiedam, Gouda, Brielle en Sommelsdijk) zijn zelfstandig.

In haar jaarverslag over 1981 velt de Algemene Rekenkamer een ronduit negatief oordeel over de kwaliteit van de bedrijfsvoering van de gerechten en parketten. Er worden diverse stuurgroepen opgestart waarna eind 1986 het advies van het organisatieadviesbureau Berenschot op tafel kwam. In grote lijnen stelde Berenschot de fundamentele verbetering in het ondersteunde apparaat als volgt voor:

  • Per arrondissement wordt één ondersteund apparaat gevormd, onder leiding van een directeur gerechtelijke ondersteuning (DGO).
  • Deze directeur maakt met de zittende en de staande magistratuur afspraken over de operationele inzet van het ondersteunde personeel.
  • De strafparketadministratie en de strafgriffie worden samengevoegd.
  • Per dienstonderdeel, dat uit units zal bestaan, komt er een diensthoofd (de unit coördinator of UNCO) voor de dagelijkse leiding.
  • De staffuncties op beheersgebied worden op arrondissementsniveau aan de DGO toegevoegd.
  • Invoering van automatisering van de werkzaamheden bij de parketten en de gerechten.

In juli 1987 besluit de Minister van Justitie het advies op te volgen. 's-Gravenhage kreeg op 1 februari 1988 de primeur van een 'experimentele' DGO. De heer Jhr. Drs. N.J. Westpalm van Hoorn van het organisatiebureau Berenschot werd voor de duur van het experiment aangesteld als DGO. De eerste echte DGO werd op 1 juni 1989 dhr. E. Teensma. Vanaf 1990 volgt de landelijke invoering. In Rotterdam was dit mevr. M.H. van Kuijk.

Als gevolg van de door het bureau Berenschot geconstateerde bevindingen werden bij de Rechterlijke Macht in den lande organisatieveranderingen doorgevoerd en unitstructuren gecreëerd. Een unit is een organisatorische eenheid, bestaande uit rechtsgeleerd personeel, gerechtssecretarissen en administratief personeel die samen met elkaar werken. De unitcoördinator (UNCO) was voor zowel secretarissen als administratieve medewerkers in zijn unit de eindverantwoordelijke. Dit in tegenstelling tot de oude structuur, waarbij het hoofd van de administratie verantwoordelijk was voor de administratieve diensten en het hoofd van het secretariaat voor de gerechtssecretarissen.

Pas in januari 1998 vormt het kantongerecht Gouda samen met de andere kantongerechten 's-Gravenhage, Leiden, Delft en Alphen a/d Rijn) het bedrijfsonderdeel 'de kantongerechten in het arrondissement Den Haag'. Voor die kantongerechten wordt uiteindelijk de onderdeelmanager van het kantongerecht 's-Gravenhage, C. Nolten, als eindverantwoordelijke van de ondersteuning aangesteld. De functiebenaming "hoofd van de kantongerechtorganisatie" werd toen ook veranderd in die van "unitcoördinator" (UNCO) en de dagelijkse aansturing van de administratie werd opgedragen aan een eerste medewerker administratie (EMA). Voor Gouda was dit mevr. H.J. Carie-Immink.

De gerechtsdeurwaarder

Gerechtsdeurwaarders verrichten ambtelijke handelingen op het terrein van civiel recht: van het betekenen van dagvaardingen c.q. exploiten, vonnissen en andere mededelingen aan belanghebbende tot en met het executeren van vonnissen. Tevens voeren zij niet-ambtelijke taken uit zoals incasso van geldvorderingen, advisering en procesvoering. Het optreden als 'dienaar van het rechterlijk collegie' heeft immers belangrijk aan betekenis ingeboet, aangezien de dienst ter rechtzitting momenteel veelal door gerechtsboden wordt verricht. In 1982 werd de verplichting voor gerechtsdeurwaarders om dienst te doen bij strafzittingen namelijk afgeschaft.

Het openbaar ministerie

In 1877 wordt de functie van de ambtenaar van het openbaar ministerie (OM) bij het kantongerecht ingesteld. Deze ambtenaar voert namens het OM het woord op de strafzittingen van het kantongerecht. Op 1 januari 1957 werden de parketten van het OM bij de kantongerechten samengevoegd met de rechtbankparketten tot de arrondissementparketten.

Functionarissen bij het kantongerecht 1980 -1989, met data van benoeming

Kantonrechters

Mr. J. H. Landwehr (oudste in rang)21-10-1971
Mevr.mr. H.H.Bloem15-09-1989

Griffiers

Mr. L.M.I. van Gool (griffier rechtbank te Rotterdam)13-12-1977
Mevr. Mr. M.H. van Kuijk (griffier rechtbank te Rotterdam)23-11-1983

Pachtkamer

Voorzitter van de pachtkamers van de kantongerechten zijn de kantonrechters. Het eerste lid van de pachtkamer vertegenwoordigt de pachters-, het tweede lid de verpachtersbelangen.
Eerste lid:
G. van der Neut
J.J.L. van den Bosch
Tweede lid:
M.P. van Tol
A. Oskam
De oude structuur bij het arrondissement Rotterdam

Het kantongerecht omvatte het werkgebied van de kantonrechter, diens gerechtssecretariaat en het ondersteunende administratieve apparaat beter bekend als 'de griffie'. Als hoofd van de griffie fungeert de arrondissementsgriffier van de arrondissementsrechtbank van Rotterdam.

  • Kantonrechters
  • Kantonrechter-plaatsvervangers

Met als overkoepeling de griffier voor:

  • Gerechtsecretarissen
  • Strafgriffie
  • Civiele griffie/extrajudiciële griffie
  • Voorzitter=kantonrechter
  • 2 (leken) leden
  • Plv. leden
De nieuwe structuur na de integratie bij het arrondissement Den Haag

  •  
  • Dagelijkse leiding van administratie en secretariaat van de kantongerechten
  •  
  • O.i.r. is tevens coördinator van de arrondissementale kantongerechtsorganisatie
  • Kantonrechters
  • Kantonrechter-plaatsvervangers
  • Senior-secretaris, tevens UNCO
  • Gerechtssecretarissen.
  • Eerste medewerker administratie (EMA)/ enquêtegriffier
  • Afdeling voor extrajudiciële/ civiele verzoekschriften
  • Afdeling civiel/ pacht
  • Afdeling voor strafzaken

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in