gahetNA in het Nationaal Archief

Rechtbank 's-Gravenhage 1960-1979

3.03.79
H.H. Vlasbloem
Nationaal Archief, Den Haag
2006
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.79
Auteur: H.H. Vlasbloem
Nationaal Archief, Den Haag
2006
CC0

Periode:

1935-1983
merendeel 1960-1979

Omvang:

471,40 meter; 5070 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Een deel van de archivalia is alleen als film beschikbaar.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De archieven van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zijn voor het twintigjarenblok 1960-1979 (maar inhoudelijk lopend van 1945-1984) ruwweg in drie categoriën onder te verdelen: Stukken betreffende strafzaken, civiele zaken en buitengerechtelijke zaken. Tot de strafrechterlijke stukken horen onder andere zittingslijsten en dossiers van strafzaken, rolboeken met naamklapper, vonnissen en processen-verbaal en stukken betreffende gratieverzoeken.
Van de civiele zaken zijn onder meer de volgende stukken opgenomen: dossiers van zittingen, klapperkaarten, rolboeken, rolkaarten, rolklappers en audiëntiebladen, processen-verbaal van getuigenverhoor, rekestenboeken en -klappers, beschikkingen en stukken betreffende faillissementszittingen, echtscheidingen, alimentatie, adoptie en ondertoezichtstellingen.
Tot de stukken betreffende buitengerechtelijke zaken behoren de akten van depot en van verwerping en van beneficiare aanvaarding van nalatenschappen, diverse registers en stukken betreffende gedeponeerde arbitrale vonnissen. Ook behoren hiertoe de dubbelen van repertoria van notarissen en stukken betreffende de functionarissen op de rechtbank.
Naast het archief van de Arrondissementsrechtbank zijn in deze inventaris ook de archieven van de Kamer van Toezicht op notarissen en kandidaat - notarissen te 's-Gravenhage (1960 - 1979) en de Kamer van Toezicht bij het Huis van Bewaring te 's-Gravenhage (1954 - 1977) opgenomen.

Archiefvormers:

  • Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
  • Kamer van Toezicht op notarissen en kandidaat - notarissen te
  • 's-Gravenhage
  • Kamer van Toezicht bij het Huis van Bewaring te 's-Gravenhage

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Jurisdictiegebied

De bijgaande inventaris, over het tijdvak 1960 - 1979, heeft betrekking op de archiefbescheiden van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

De archiefbescheiden van het arrondissementsparket binnen het arrondissement 's-Gravenhage, over de periode 1960 - 1979, worden apart geïnventariseerd.

Op 1 februari 1952 trad de wet van 10 augustus 1951 (Stbl. 347) in werking, houdende nieuwe vaststelling van het rechtsgebied en de zetels der rechtbanken en kantongerechten in het arrondissement 's-Gravenhage:

  • 1e kanton: 's-Gravenhage
  • 2e kanton: Delft
  • 3e kanton: Leiden
  • 4e kanton: Alphen aan den Rijn
2. Samenstelling en taakverdeling
2.1. Algemeen

Recht wordt gesproken volgens in de grondwet vastgelegde regels. Deze rechtsbedeling bestond uit een driedeling: te weten de administratieve rechtspraak, de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak. De strafrechtspraak was toevertrouwd aan dezelfde rechterlijke instanties als de civiele rechtspraak. De rechters werden voor het leven benoemd en konden slechts bij in de wet genoemde gevallen door de Hoge Raad uit hun ambt worden gezet. Ook hun salariëring werd bij de wet geregeld. Het hoogste rechtsorgaan van de rechterlijke macht is de Hoge Raad. Daaronder ressorteerden vijf gerechtshoven, die ieder in een bepaald gedeelte van Nederland bevoegd waren. Het rechtsgebied van ieder gerechtshof was verdeeld in arrondissementen. Ieder arrondissement was weer verdeeld in kantons. Nederland was verdeeld in negentien arrondissementen met evenzoveel rechtbanken, waaronder 's-Gravenhage, dat onder het rechtsgebied van het gerechtshof 's-Gravenhage viel.

2.2. Indeling kamers

Op 1 september 1933 (Koninklijk Besluit 9 augustus 1933, nummer 10) werd bepaald dat bij elke arrondissementsrechtbank een Enkelvoudige kamer wordt gevormd, uitsluitend voor de berechting van burgerlijke en handelszaken. Op 16 juli 1938 (Koninklijk Besluit nummer 163) werd een tweede Enkelvoudige kamer ingesteld, enige maanden later op 1 september 1938, werd een nieuw Reglement van orde door de arrondissementsrechtbank vastgesteld ter voldoening aan artikel 90 van Reglement I, hier werden maar liefst vier kamers ingesteld. Pas in 1954 werden de reglementen van orde en het bijzonder reglement herzien (Staatscourant 14 december 1954, nummer 242). Op 16 januari 1957 werden door aanplakking aan het gerechtsgebouw en door middel van de Nederlandse Staatscourant (nummer 11 en 33 en Staatsblad nummer 1 van 1957) nieuwe reglementen ingesteld. In een schrijven van 24 oktober 1973 (RG 021) werd door Het Hoofd van de Hoofdafdeling Rechterlijke Organisatie de vraag gesteld aan de president van de arrondissementsrechtbank of de verdeling van werk onder de kamers, alsmede de tijdstippen waarop de zittingen van zijn rechtbank waren gehouden, nog geheel in overeenstemming met de uit 1957 vastgestelde reglementen waren. Er werd een werkgroep ingesteld en dit resulteerde in nieuwe reglementen, gepubliceerd in de Staatscouranten van 18 januari en van 30 juni 1977. Ter vaststelling van deze laatste was de rechtbank verdeeld in zes Meervoudige kamers voor de behandeling van burgerlijke zaken en drie Meervoudige kamers voor de behandeling van strafzaken.

2.3 Strafzaken

In strafzaken oordeelde de arrondissementsrechtbank in eerste aanleg over bijna alle misdrijven die als volgt zijn te rubriceren:

  • alle misdrijven waarvan kennisneming niet aan een andere rechter was opgedragen;
  • overtredingen als bedoeld in art. 432 - 434 Wetboek van Strafrecht (bedelarij, landloperij, souteneurschap) en art. 465 - 468 WvSr. lid 1 (ambtsovertredingen);
  • overtredingen als bedoeld in art. 2 van de Wet op de weerkorpsen;
  • overtredingen inzake belastingen;
  • overtredingen als bedoeld in de artt. 421 - 431, 435a- b, 436, 450- 451, 453- 455 WvSr. betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen, betreffende zeden, straatschenderij, ophitsing van dieren, belemmering van verkeer, godslastering, discriminatie, nalaten van hulpverlening, alsmede dierenmishandeling;
  • overtredingen van de Drank- en Horecawet, Jachtwet, Vreemdelingenwet, Wet op de kansspelen en de overtredingen als bedoeld in art. 10 1e lid van de Opiumwet;
  • overtredingen begaan door minderjarigen, die ten tijde van de overtreding de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt;
  • kennisneming van zaken in hoger beroep van daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken door de kantonrechter binnen het rechtsgebied in eerste aanleg gewezen.

In eenvoudige kinder-, straf- en economische zaken sprak de arrondissementsrechtbank recht met één rechter (Enkelvoudige kamer). In meer complexe zaken werd recht gesproken door drie rechters (Meervoudige kamer). Deze kamer behandelde ook de "hoger beroepzaken" van de kantongerechten gelegen binnen het arrondissement (de zittende magistratuur).

Naast de rechter(s) en de griffier, die het secretariaat voerde, was op de terechtzitting de Officier van Justitie aanwezig als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (de staande magistratuur). De wet betreffende de wijziging van de rechterlijke organisatie in 1956 (Stbl. 377) hield voor de officieren van het Openbaar Ministerie in, dat één officier werd benoemd tot hoofd van het arrondissementsparket en belast was met de leiding van dit onderdeel. Later werd de titel hoofdofficier voor deze functionaris ingevoerd.

Een lid van de rechtbank werd door het gerechtshof aangewezen als rechter-commissaris. De rechter-commissaris (rechter ter instructie) had in strafzaken de leiding van het gerechtelijk vooronderzoek. Deze besliste ook over de bewaring van een verdachte en over een eventuele verlenging van de bewaring. De rechter-commissaris werd voor de duur van twee jaren benoemd.

Recht werd gesproken volgens de regels die samengevat zijn in het Wetboek van Strafrecht uit 1886 en het Wetboek van Strafvordering uit 1926. Een belangrijke verandering met betrekking tot de registratie van strafzaken vond plaats in de vijftiger jaren. Door de Wet op de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag (Wet van 15 augustus 1955, betreffende justitiële documentatiediensten, in werking getreden op 1 januari 1959, Stbl. 395) werd het mogelijk dat iemands strafblad na verloop van een bepaalde termijn uit het strafregister werd verwijderd. Uit deze strafregisters werden alleen aan burgemeesters, die zich aan bepaalde richtlijnen moesten houden, inlichtingen verstrekt. Bovendien bestond voor diegene die een verklaring werd geweigerd, vanaf de invoering van de wet de mogelijkheid in beroep te gaan tegen die weigering.

De justitiële documentatiediensten, die belast waren met deze werkzaamheden, werden ingesteld in 1951 (besluit van 2 februari 1951, houdende instelling van de justitiële documentatiedienst, Stbl. 36). Vanaf de totstandkoming van de Wet van 1955 tot de inwerkingtreding daarvan in 1959 werd aan deze dienst het beheer van de strafregisters opgedragen, terwijl ook een algemeen kaartregister werd ingevoerd. De registratie van gegevens betreffende personen wiens geboorteplaats buiten Nederland of onbekend was, werd geregistreerd door een van de justitiële documentatieafdelingen op het Ministerie van Justitie.

2.4 Burgerlijke- of civiele zaken

In tegenstelling tot de strafprocedure treedt in een civiele procedure de overheid niet op als "wrekende gerechtigheid", maar beslecht zij in de civiele procedure geschillen tussen op gelijke hoogte staande partijen. De regels voor dit recht vinden we in het Burgerlijk Wetboek, dat op 1 oktober 1838 werd ingevoerd. Boek I (Personen - en familierecht) en Boek II (Rechtspersonen) van het Burgerlijk Wetboek werden resp. op 1 januari 1970 en 26 juli 1976 herzien. De artikelen 429a - 429 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, die de rechtspleging in zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid regelen, zijn bij Wet van 16 mei 1969 ingevoerd en op 1 januari 1970 in werking getreden. Belangrijke wijzigingen in de Faillissementwet werden in Staatsblad nummer 280 van 6 mei 1976 bekrachtigd. In spoedeisende civiele zaken opent de wet (Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, artt. 289) de mogelijkheid op korte termijn een beslissing van de rechter te vragen. Hiertoe dient het kort geding, een procedure die gevoerd wordt voor de president van de arrondissementsrechtbank. Een kort geding is slechts toegestaan als aan twee eisen is voldaan namelijk: onverwijlde spoed en het vereist zijn van een onmiddellijke voorziening.

Onder de competentie van iedere arrondissementsrechtbank viel ook de controle op de notarissen door de 'Kamer van Toezicht', waarvan de president van de rechtbank voorzitter en de griffier secretaris was. In dit gedeponeerde archief van de Kamer van Toezicht bevinden zich stukken, die betrekking hebben op vacatures, verlofaanvragen en klachten over notarissen, maar ook andere algemene stukken, zoals correspondentie met betrekking tot de uitoefening van de taken van de Kamer van Toezicht. De Kamer van Toezicht houdt een register bij waarin de namen en adressen van de in het desbetreffende arrondissement gevestigde notarissen, met de datum en plaats van hun geboorte, zijn opgenomen. Ook wordt in het register de datum van benoeming, eedaflegging, ingang bevoegdheid, datum van ontslag van rechtswege of op eigen verzoek, dan wel de datum van overlijden vermeld. In geval van onherroepelijke oplegging van de maatregelen, schorsing in de uitoefening van het ambt, of ontzetting uit het ambt wordt daarvan in het register aantekening gemaakt, met vermelding van de datum waarop de maatregel van kracht is geworden en eventueel is beëindigd.

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 98 en 107 e.v. van de Wet op het notarisambt (WNA) doet de tweede meervoudige burgerlijke kamer van het Gerechtshof te Amsterdam in tweede (en hoogste) instantie uitspraak in notariële tuchtzaken. In eerste aanleg wordt een klacht tegen een Notaris of Kandidaat-notaris behandeld door de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen, kortweg de Kamer van Toezicht, waaronder de beklaagde Notaris of Kandidaat-notaris ressorteert. De Kamer van Toezicht spreekt zich uit over de vraag of de Notaris of Kandidaat-notaris zich aan enig klachtwaardig gedrag als bedoeld in artikel 98 WNA schuldig heeft gemaakt. Het gaat hier om enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens de WNA gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening alsmede handelen of nalaten in strijd met de zorg die Notarissen of Kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen voor wie hij of zij optreedt, alsmede ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk Notaris of Kandidaat-notaris niet betaamt. Indien de Kamer van Toezicht de klacht gegrond acht, kan zij aan de Notaris of Kandidaat-notaris een maatregel opleggen. Omtrent een vordering tot schadevergoeding ten gevolge van enig handelen of nalaten van de Notaris of Kandidaat-notaris kan de Kamer van Toezicht niet oordelen. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter. Partijen kunnen beroep instellen tegen de beslissing van de Kamer van Toezicht door middel van het indienen van een verzoekschrift ter griffie van het Hof. Dit dient te geschieden binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief waarbij de Kamer van Toezicht haar beslissing aan partijen heeft verzonden. Het beroepschrift dient derhalve binnen 30 dagen ter griffie van het Hof te zijn ontvangen.

Het Hof behandelt de zaak opnieuw in volle omvang. De mondelinge behandeling is openbaar. Het Hof kan de klacht of het hoger beroep ongegrond verklaren, zelf een maatregel opleggen of verklaren dat geen grond bestaat voor het opleggen van een maatregel. De beslissing van het Hof wordt in het openbaar uitgesproken.

2.5 Griffie

Aan het hoofd van de administratieve dienst, de griffie van de rechtbank, bestaande uit een civiele- en een strafafdeling, stond de door de Kroon benoemde arrondissementsgriffier. Verdere taken van de griffier, behalve het aanwezig zijn op terechtzittingen, waren het beheer van gelden en het bewaren van de bescheiden gevormd door de organisatie (het archief). Een onderdeel van de administratieve dienst was het secretariaat, bestaande uit griffiers, die notuleerden wat op de zitting gebeurde. De eerder genoemde Wet van 1956 betreffende de wijziging van de rechterlijke organisatie stond, mede door het geringe aantal juristen, toe dat deze griffiers ook konden bestaan uit niet gegradeerden.

2.6 Openbaar Ministerie

Artikel 3 e.v. van de Wet op de Rechterlijke Organisatie regelt de organisatie en de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie. Het is belast met de handhaving van wetten, de vervolging van alle strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van alle strafvonnissen. De Wet betreffende de wijziging van de rechterlijke organisatie in 1956 Wet van 28 juni 1956, houdende wijziging in de rechterlijke organisatie, Staatsblad 377) hield voor de officieren in dat één officier werd benoemd tot hoofd van het arrondissementsparket en belast was met de leiding van dit onderdeel. Later werd de titel Hoofdofficier voor deze functionaris ingevoerd.

2.7 Strafprocedure

Het begin van iedere strafzaak lag niet bij de rechtbank, maar bij een opsporingsambtenaar die een proces-verbaal opmaakte en dit vervolgens naar het parket van het Openbaar Ministerie zond. Bij het parket werd de zaak ingeschreven in de parketregisters, waarbij de zaak een parketnummer kreeg. De Officier van Justitie (OvJ) had nu, rekening houdend met de ernst van het strafbare feit, drie mogelijkheden de zaak af te doen, te weten de zaak te seponeren, een transactie aanbieden of de zaak voorleggen aan de rechter. Indien de zaak werd voorgelegd aan de rechter werden de stukken die betrekking hadden op deze zaak, overgedragen aan de strafgriffie van de arrondissementsrechtbank en werd deze ingeschreven op de rol van strafzaken. Behalve het parketnummer kreeg het strafdossier nu ook een numeriek rolnummer. Naast de inschrijving in het rolboek werd de zaak ook ingeschreven in een alfabetische klapper op de strafzaken. Het kon zijn dat de OvJ of de rechter na het politie-onderzoek ook nog eens een gerechtelijk vooronderzoek nodig achtte. Zij hadden de mogelijkheid, voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting, de rechter-commissaris een dergelijk onderzoek naar het strafbare feit te laten instellen. Na de terechtzitting volgde een vonnis of had men de mogelijkheid de zaak aan te houden voor nader onderzoek. Indien de zaak werd aangehouden, werd een proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting opgemaakt. Na dit onderzoek volgde een eindvonnis en was de OvJ met de tenuitvoerlegging van dit vonnis belast. Tegen het vonnis kon binnen veertien dagen na uitspraak hoger beroep worden aangetekend en volgde een verdere behandeling bij het Gerechtshof.

2.8 Civiele procedure

In tegenstelling tot de strafprocedure treedt in een civiele procedure de overheid niet op als "wrekende gerechtigheid", maar beslecht ze in de civiele procedure geschillen tussen op gelijke hoogte staande partijen. De civiele procedure kan worden onderverdeeld in een dagvaardingsprocedure en een rekestprocedure. De dagvaarding is een document, waarmee de partij, die een uitspraak van de rechter wenst, zich door bemiddeling van een deurwaarder tot de tegenpartij wendt. Het rekest (verzoekschrift) is een document, waarmee de partij zich rechtstreeks tot de rechter wendt. Hieronder worden de afzonderlijke procedures beschreven.

2.8.1 Contentieuze zaken: dagvaardingsprocedure

Een procedure had gewoonlijk een aanvang met een dagvaarding. Dit was een authentieke akte, opgesteld door een deurwaarder of een procureur, namens de eiser. Zij werd door een gerechtsdeurwaarder aan gedaagde betekend (aan diens woonhuis uitgebracht). Het doel van de dagvaardig was tweeledig:

  1. een oproep voor de gedaagde om ter rechtzitting te verschijnen;
  2. een kennisgeving aan de gedaagde van de eis.

De dagvaarding werd bij de griffie van de rechtbank op de rol ingeschreven en de zaak kreeg hierdoor een rolnummer. Van de zitting werd een audiëntieblad opgemaakt en een vonnis uitgesproken, nadat men de zaak op deze manier had vastgelegd, voorzag men deze ook nog van een aantal neveningangen, zoals het placettenregister, waarin men op alfabetische volgorde namen van de partijen noteerde en rolkaarten. De rolkaarten geven een chronologisch overzicht van de verschillende rechtshandelingen die betrekking hebben op een zaak weer. Behalve door een eindvonnis kon een zaak ook beëindigd worden doordat de partijen onderling tot een vergelijk kwamen en verzochten de zaak te royeren.

2.8.2 Voluntaire zaken: rekestprocedure

Niet alle procedures begonnen met een dagvaarding. Dit kon ook gebeuren door het indienen van een verzoekschrift (request). De oproeping van de tegenpartij geschiedde dan in opdracht van de rechter door de griffier. De rechter bepaalde dan zelf op welke terechtzitting de zaak behandeld zou worden. Bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel, Faillissementswet en Krankzinnigenwet schreven deze rechtsgang zelfs voor. Vaak had een rekestprocedure ook zijn vervolg in een dagvaardingsprocedure, bijvoorbeeld:

  1. bij een verzoek om een procedure kosteloos te mogen voeren (gratis admissie);
  2. bij een verzoek om een echtscheidingsprocedure te mogen starten.

Tot 1971 bepaalde de wet dat de rechter slechts het huwelijk mocht ontbinden, wanneer één van de partners zich aan een bepaalde misdraging, bijvoorbeeld overspel, schuldig had gemaakt. De wet ging er dus vanuit dat één van de partners schuld aan het mislukken van het huwelijk moest hebben. Met de uitspraak, die men in een rekestprocedure beschikking noemde, startte men na toestemming een dagvaardingsprocedure. Een verzoekschrift, dat op de griffie werd ontvangen, werd chronologisch ingeschreven in een register. Naast dit rekestenboek, waarin verschillende zaken door elkaar stonden, was er ook een rekestenklapper op namen van partijen. Deze stonden in alfabetische volgorde. De beschikkingen uit de requesten zijn apart gearchiveerd.

3. Hoofd Archiefdienst

De heer G.W. de Poter werd in juli 1974, toen 59 jaar, aangesteld als hoofd van de interne dienst met een bezetting van 63 personen. In de Haagsche Courant van 2 maart 1974 was al een "Hoofd Archiefdienst" gevraagd. Per 1 mei 1974 werd vooruitlopend op het behalen van de vereiste diploma's Adrianus Sasburg (geb. 1922) als zodanig benoemd. Op 1 juni 1975 werd hij belast met de functie Hoofd van de bodedienst, waarbij toen tevens werd besloten om geen nadere voorzieningen te treffen om deze functie weer te gaan vervullen, gezien de toenmalige werkzaamheden in het centraal archief. De functie van Hoofd Archiefdienst zou ad interim waargenomen worden.

Het archiefdepot van het nieuwe Paleis van Justitie werd bijgehouden door drie personen:

  • Derk Jan Deijk, als eerste medewerker archiefdienst en als plaatsvervanger van het latere Hoofd van het archief. Voorheen was hij werkzaam geweest als bode en telefonist bij het Kantongerecht aan de Prinsegracht, waar hij in de middaguren bezig was met het ordenen van de bestaande archieven en belast was met het “uitdunnen” ervan. Hij verliet het archief in 1982.
  • Een oud-dames en herenkapper uit Delft, genaamd Everhardus Jacobus van Heel, werd in 1975 aangesteld als archiefbediende en verliet de dienst in 1981.
  • Pas in 1980 werd het eerste Hoofd Archiefdienst cq. Archivaris aangesteld in de persoon van Gijsbertus van Rijswijk (geb. 1932 ), nam op 14 mei 1993 afscheid, na 19 jaar in het archief werkzaam te zijn geweest.

Bij de verhuizing naar het nieuwe gerechtsgebouw werd de omvang van het archief geschat op circa 2100 meter.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in