gahetNA in het Nationaal Archief

Rechtbank Dordrecht, 1960-1969

3.03.72
Alfonso Ros Wiese
Nationaal Archief, Den Haag
2003
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.72
Auteur: Alfonso Ros Wiese
Nationaal Archief, Den Haag
2003
CC0

Periode:

1960-1969

Omvang:

55,00 meter; 542 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De archieven van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht zijn voor het tienjarenblok 1960-1969 (maar inhoudelijk lopend van 1950-1971) ruwweg in drie categoriën onder te verdelen: Stukken betreffende strafzaken, civiele zaken en buitengerechtelijke zaken. Tot de strafrechterlijke stukken horen onder andere zittingslijsten en dossiers van strafzaken, rolboeken met naamklapper en vonnissen en processen-verbaal ter terechtzitting.
Van de civiele zaken zijn onder meer de volgende stukken opgenomen: rolkaarten, rolklappers en audiëntiebladen, processen-verbaal van getuigenverhoor, rekestenboeken en -klappers, beschikkingen en stukken betreffende faillissementszittingen en ondertoezichtstellingen.
Tot de stukken betreffende buitengerechtelijke zaken behoren de akten van depot en van verwerping van nalatenschappen en van beneficiare aanvaarding van nalatenschappen, diverse registers en stukken betreffende gedeponeerde arbitrale vonnissen. Ook behoren hiertoe de dubbelen van repertoria van notarissen.
Naast het archief van de Arrondissementsrechtbank is in deze inventaris ook het archief van het parket van de Officier van Justitie te Dordrecht over hetzelfde tienjarenblok (maar inhoudelijk lopend van 1958 - 1970) opgenomen. Het parket bevat o.a. parketregisters en klapperkaarten daarop en (rolklappers op de) parketregisters van de kantongerechten Dordrecht-stad, Dordrecht-buiten, Gorinchem en Oud-Beijerland.

Archiefvormers:

  • Arrondissementsrechtbank te Dordrecht
  • Parket van de Officier van Justitie te Dordrecht

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Jurisdictiegebied

De bijgaande inventarislijsten, over het tijdvak 1960 - 1969, hebben betrekking op de archiefbescheiden van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht en het arrondissementsparket van de Hoofdofficier van Justitie. De archiefbescheiden van de Kantongerechten binnen het arrondissement Dordrecht, over de periode 1960 - 1969, worden apart geïnventariseerd.

Op 1 februari 1952, trad in werking de wet van 10 augustus 1951 (Stbl. 347), houdende nieuwe vaststelling van het rechtsgebied en de zetels der rechtbanken en kantongerechten.

Arrondissement Dordrecht omvat tijdens de periode 1960-1969:

  • 1e kanton: Dordrecht
  • 2e kanton: Oud-Beijerland
  • 3e kanton: Gorinchem
Samenstelling en taakverdeling
Algemeen

Recht werd gesproken volgens in de grondwet vastgelegde regels. Deze rechtsbedeling bestond uit een driedeling te weten de administratieve rechtspraak, de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak. De strafrechtspraak was toevertrouwd aan dezelfde rechterlijke instanties als de civiele rechtspraak. De rechters werden voor het leven benoemd en konden slechts bij wet genoemde gevallen door de Hoge Raad uit hun ambt worden gezet. Ook hun salariëring werd bij de wet geregeld. Het hoogste rechtsorgaan van de rechterlijke macht was de Hoge Raad. Daaronder ressorteerden vijf gerechtshoven, die ieder in een bepaald gedeelte van Nederland bevoegd waren. Het rechtsgebied van ieder gerechtshof was verdeeld in arrondissementen. Ieder arrondissement was weer verdeeld in kantons. Nederland was verdeeld in negentien arrondissementen met evenzoveel rechtbanken waaronder Dordrecht, dat onder het rechtsgebied van het gerechtshof 's-Gravenhage viel.

Straf- of criminele zaken

In strafzaken oordeelde de arrondissementsrechtbank in eerste aanleg over bijna alle misdrijven die als volgt zijn te rubriceren:

  • alle misdrijven waarvan kennisneming niet aan een andere rechter was opgedragen;
  • overtredingen als bedoeld in art. 432-434 WvSr. (bedelarij, landloperij, souteneursschap) en art. 465-468 WvSr. Lid 1 (ambtsovertredingen);
  • overtredingen als bedoeld in art. 2 van de wet op de weerkorpsen;
  • overtredingen inzake belastingen;
  • overtredingen als bedoeld in de art. 421-431, 435a-b, 436, 450-451, 453-455 WvSr. betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen, betreffende zeden, straatschenderij, ophitsing van dieren, belemmering van verkeer, godslastering, discriminatie, nalaten van hulpverlening, alsmede dierenmishandeling;
  • overtredingen van de Drank- en Horecawet, Jachtwet, Vreemdelingenwet, Wet op de kansspelen en de overtredingen als bedoeld in art. 10 1e lid van de Opiumwet;
  • overtredingen begaan door minderjarigen, die ten tijde van de overtreding de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt;
  • kennisneming van zaken in hoger beroep van daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken door de kantonrechter binnen het rechtsgebied in eerste aanleg gewezen.

In eenvoudige kinder-, straf- en economische zaken sprak de arrondissementsrechtbank recht met één rechter (enkelvoudige kamer). In meer complexe zaken werd recht gesproken door drie rechters, (meervoudige kamer) deze kamer behandelde ook de "hoger beroepzaken" van de kantongerechten gelegen binnen het arrondissement (de zittende magistratuur).

Naast de rechter(s) en de griffier die het secretariaat voerde was op de terechtzitting de Officier van Justitie aanwezig als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (de staande magistratuur).

De wet betreffende de wijziging van de rechterlijke organisatie in 1956 (Stbl. 377) hield voor de officieren van het Openbaar Ministerie in, dat één officier werd benoemd tot hoofd van het arrondissementsparket en belast was met de leiding van dit onderdeel. Later werd de titel hoofdofficier voor deze functionaris ingevoerd.

Een lid van de rechtbank werd door het gerechtshof aangewezen als rechter-commissaris. De rechter-commissaris (rechter ter instructie) had in strafzaken de leiding van het gerechtelijk vooronderzoek. Deze besliste ook over de bewaring van een verdachte en over een eventuele verlenging van de bewaring. De rechter-commissaris werd voor de duur van twee jaren benoemd.

Recht werd gesproken volgens de regels die samengevat zijn in het Wetboek van Strafrecht uit 1886 en het Wetboek van Strafvordering uit 1926. Een belangrijke verandering met betrekking tot de registratie van strafzaken vond plaats in de vijftiger jaren.

Door de wet op de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag (wet van 15 augustus 1955, betreffende justitiële documentatie diensten. In werking getreden op 1 januari 1959. Stbl. 395) werd het mogelijk dat iemands strafblad na verloop van een bepaalde termijn verbonden aan het verdachte ten laste gelegde strafbare feit uit het strafregister werd verwijderd. Uit deze strafregisters werden alleen aan burgemeesters, die aan bepaalde richtlijnen verbonden waren, inlichtingen verstrekt. Bovendien bestond voor diegene die een verklaring werd geweigerd, vanaf de invoering van de wet de mogelijkheid in beroep te gaan tegen die weigering.

De justitiële documentatiediensten die belast waren met deze werkzaamheden werden ingesteld in 1951. (besluit van 2 februari 1951, houdende instelling van de justitiële documentatiedienst. Stbl. 36). Vanaf de totstandkoming van de wet van 1955 tot de inwerkingtreding daarvan in 1959, werd aan deze dienst het beheer van de strafregisters opgedragen, terwijl ook een algemeen kaartregister werd ingevoerd.

De registratie van gegevens betreffende personen wiens geboorteplaats buiten Nederland of onbekend was, werd geregistreerd door een afdeling van de justitiële documentatie op het Ministerie van Justitie.

Burgerlijke- of civiele zaken

In tegenstelling met de strafprocedure treedt in een civiele procedure de overheid niet op als "wrekende gerechtigheid", maar beslecht in de civiele procedure geschillen tussen op gelijke hoogte staande partijen. De regels voor dit recht vinden we in het Burgerlijk Wetboek, dat op 1 oktober 1838 werd ingevoerd.

In de jaren van invoering tot 1950 werd deze op diverse punten gewijzigd. In 1956 werd de wet gewijzigd met betrekking tot de adoptie van minderjarige kinderen. (wet van 26 januari 1956, houdende invoering van de mogelijkheid van adoptie en wijziging, in verband daarmede, van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en het Wetboek van Strafrecht. Stbl. 42). Het was tot dit jaar alleen mogelijk kinderen door middel van voogdij aan andere gezinnen toe te voegen. Vanaf de inwerkingtreding van de wet kunnen echtparen die een verzoek aan de rechtbank richten een kind adopteren. De wet schrijft voor dat een verzoek alleen kan worden toegewezen indien de adoptie zowel uit het oogpunt van verbreking van de banden van de ouders als uit dat van de bevestiging van de banden met de adoptanten, in het kennelijk belang van het kind is.

In spoedeisende civiele zaken opent de wet (wetboek van burgerlijke rechtsvordering, art. 289) de mogelijkheid op korte termijn een beslissing van de rechter te vragen. Hiertoe dient het kort geding, een procedure die gevoerd wordt voor de president van de arrondissementsrechtbank. Een kort geding is slechts toegestaan als aan twee eisen is voldaan namelijk: onverwijlde spoed en het vereist zijn van een onmiddellijke voorziening.

Onder de competentie van iedere arrondissementsrechtbank viel ook de controle op notarissen, door de "Kamer van Toezicht", waarvan de president van de rechtbank voorzitter was en de griffier secretaris was.

In 1954 kwam de Ruilverkavelingswet 1954. (wet van 3 november 1954, Stbl. 510. Houdende nieuwe bepalingen omtrent de ruilverkaveling). Om tot de herinrichting van een gebied te komen werd onder de tot het gebied behorende eigenaren een stemming gehouden. Nadat het besluit tot ruilverkaveling genomen was, werd door de Gedeputeerde Staten een afschrift van dit besluit gestuurd naar de arrondissementsrechtbank, binnen wiens rechtsgebied het gebied of het grootste deelgebied van de ruilverkaveling zich bevond. Binnen dertig dagen na ontvangst van dit afschrift werd door de rechtbank een rechter-commissaris benoemd, die een exemplaar van alle op de ruilverkaveling betrekking hebbende stukken ontving. Indien een belanghebbende een bezwaar tegen de toekenning van een kavel middels een proces-verbaal inzond, besliste in dit geschil de rechter-commissaris bijgestaan door een griffier van de rechtbank. Bij deze bijeenkomst verschenen naast de belanghebbende, een vertegenwoordiger van de centrale commissie en één of meer leden van de plaatselijke commissie en de aan deze ruilverkaveling toegevoegde landmeter. De verschillende dossiers van deze ruilverkavelingen bestaan uit stukken die betrekking hebben op de benoeming van de rechter-commissaris, de processen-verbaal van de terechtzittingen en het proces-verbaal van de beëindiging van de ruilverkaveling.

Griffie

Aan het hoofd van de administratieve dienst, de griffie van de rechtbank, bestaande uit een civiele- en een strafdeling, stond de door de Kroon benoemde arrondissementsgriffier. Verdere taken van de griffier behalve het aanwezig zijn op terechtzittingen waren het beheer van gelden en het bewaren van de bescheiden gevormd door de organisatie (het archief).

Een onderdeel van de administratieve dienst was het secretariaat, bestaan uit griffiers die notuleerden wat op de zitting gebeurde. De eerder genoemde wet van 1956 betreffende de wijziging van de rechterlijke organisatie stond, mede door het geringe aantal juristen, toe dat deze griffiers ook konden bestaan uit niet gegradueerden.

Openbaar Ministerie

Artikel 3 e.v. van de wet op de Rechterlijke Organisatie regelt de organisatie en de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie. Het is belast met de handhaving van wetten, de vervolging van alle strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van alle strafvonnissen

De wet betreffende de wijziging van de rechterlijke organisatie in 1956 (wet van 28 juni 1956, houdende wijziging in de rechterlijke organisatie. Staatsblad 377) hield voor de officieren in dat één officier werd benoemd tot hoofd van het arrondissementsparket en belast was met de leiding van dit onderdeel. Later werd de titel Hoofdofficier voor deze functionaris ingevoerd

Strafprocedure

Het begin van iedere strafzaak lag niet bij de rechtbank, maar bij een opsporingsambtenaar die een proces-verbaal opmaakte en dit vervolgens naar het parket van het Openbaar Ministerie zond. Bij het parket werd de zaak ingeschreven in de parketregisters, waarbij de zaak een parketnummer kreeg. De Officier van Justitie (OvJ) had nu, rekenend houdend met de ernst van het strafbare feit, drie mogelijkheden de zaak af te doen, te weten de zaak te seponeren, een transactie aanbieden of de zaak voorleggen aan de rechter.

Indien de zaak werd voorgelegd aan de rechter werden de stukken die betrekking hadden op deze zaak, overgedragen aan de strafgriffie van de arrondissementsrechtbank en werd ingeschreven op de rol van strafzaken. Behalve het parketnummer kreeg het strafdossier nu ook een numeriek rolnummer. Naast de inschrijving in het rolboek werd de zaak ook ingeschreven in een alfabetische klapper op de strafzaken. Het kon zijn dat de OvJ of de rechter na het politie-onderzoek ook nog eens een gerechtelijk vooronderzoek nodig achtte. Zij hadden de mogelijkheid, voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting, de rechter-commissaris een dergelijk onderzoek naar het strafbare feit te laten instellen.

Na de terechtzitting volgde een vonnis of had men de mogelijkheid de zaak aan te houden voor nader onderzoek. Indien de zaak werd aangehouden, werd een proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting opgemaakt. Na dit onderzoek volgde een eindvonnis en was de OvJ met de ten uitvoerlegging van dit vonnis belast.

Tegen het vonnis kon binnen veertien dagen na uitspraak hoger beroep worden aangetekend en volgde een verdere behandeling bij het gerechtshof.

Civiele procedure

In tegenstelling tot de strafprocedure treedt in een civiele procedure de overheid niet als "wrekende gerechtigheid", maar beslecht in de civiele procedure geschillen tussen op gelijke hoogte staande partijen.

De civiele procedure kan worden onderverdeeld in een dagvaardingsprocedure en een rekestprocedure. De dagvaarding is een document, waarmee de partij, die een uitspraak van de rechter wenst, zich door bemiddeling van een deurwaarder tot de tegenpartij wendt.

Het rekest (verzoekschrift) is een document, waarmee de partij zich rechtstreeks tot de rechter wendt. Hieronder worden de afzonderlijke procedures beschreven.

Contentieuze zaken: dagvaardingsprocedure

Een procedure had gewoonlijk een aanvang met een dagvaarding. Dit was een authentieke akte, opgesteld door een deurwaarder of een procureur, namens de eiser. Zij werd door een gerechtsdeurwaarder aan gedaagde betekend (aan diens woonhuis uitgebracht).

Het doel van de dagvaardig was tweeledig:

  1. een oproep voor de gedaagde om ter rechtzitting te verschijnen;
  2. een kennisgeving aan de gedaagde van de eis.

De dagvaarding werd bij de griffie van de rechtbank op de rol ingeschreven en de zaak kreeg hierdoor een rolnummer. De rol, het audiëntieblad werd samen met de uitgesproken vonnissen ingebonden. Nadat men de zaak op deze manier had vastgelegd, voorzag men deze ook nog van een aantal neveningangen, zoals de rolklappers, waarin men op alfabetische volgorde namen van de partijen noteerde en de rolkaarten. De rolkaarten geven een chronologisch overzicht van de verschillende rechtshandelingen die betrekking hebben op een zaak weer.

Behalve door een eindvonnis kon een zaak ook beëindigd worden, doordat de partijen onderling tot een vergelijk kwamen en verzochten de zaak te royeren.

Voluntaire zaken: rekestprocedure

Niet alle procedures begonnen met een dagvaarding. Dit kon ook gebeuren door het indienen van een verzoekschrift (rekest). De oproeping van de tegenpartij geschiedde dan in opdracht van de rechter door de griffier. De rechter bepaalde dan zelf op welke terechtzitting de zaak behandeld zou worden. Bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel, Faillissementswet en Krankzinnigenwet schreven deze rechtsgang zelfs voor. Vaak had een rekestprocedure ook zijn vervolg in een dagvaardingsprocedure, bijvoorbeeld:

  1. een verzoek om een procedure kosteloos te mogen voeren (gratis admissie);
  2. een verzoek om een echtscheidingsprocedure te mogen starten.
Tot 1971 bepaalde de wet dat de rechter slechts het huwelijk mocht ontbinden, wanneer één van de partners zich aan een bepaalde misdraging, bijvoorbeeld overspel, schuldig had gemaakt. De wet ging er dus vanuit dat één van de partners schuld aan het mislukken van het huwelijk moest hebben. Met de uitspraak die men in een rekestprocedure beschikking noemde, startte men na toestemming een dagvaardingsprocedure.

Een verzoekschrift dat op de griffie werd ontvangen, werd chronologisch ingeschreven in een register. Naast dit rekestenboek waarin verschillende zaken door elkaar stonden, was er ook een rekestenklapper op namen van partijen. Deze stonden in alfabetische volgorde.

De beschikkingen uit de rekesten zijn apart gearchiveerd.

Overzicht van namen van leden van de rechterlijke macht over de periode 1960-1969 in het arrondissement Dordrecht

  • Mr. C.R.F. van Roggen
  • Mr. H. van Zeggeren
  • Jhr. Mr. D.J.P. Hoeufft
  • Mr. H. van Zeggeren
  • Mr. P.L. Waardenburg
  • Mr. H. van Zeggeren
  • Mr. C.H. de Kat
  • Mr. H.E. van Opstall
  • Mr. P.L. Waardenburg
  • Mr. E. Wijtema
  • Mr. E. Muller
  • Mr. G.R. André de la Porte
  • Mr. C.H.B. Boot
  • Mr. G.A. Walkate
  • Mr. J.M. Reinders-Cariot
  • Mr. J.W. Gaatema
  • Mr. A. Boon
  • Mr. W.O. de Kat Angelino
  • Mr. W. Nieuwenhuijsen
  • Mr. J.A. Abbing
  • Prof. Mr. J.C. Hudig
  • Mr. H.E. van Opstall
  • Mr. G.J. van Oostveen
  • Mr. L. Salomonson
  • Mr. W.P. Bijleveld
  • Mr. J.C.A. Sprangers
  • Mr. G. Th. A. Baron van Lynden
  • Mr. J. van der Vegt
  • Mr. B.A.M. Knüppe
  • Mr. W.D. Meeter
  • Mr. P.C.J. van der Lelie
  • Mr. A. Wendels
  • Mr. H.F. Aeyelts
  • Mr. G. Ch. Aalders
  • Mr. S. Overwater
  • Mr. L.A.J. Groothuis
  • Mr. C.P. Beukenkamp
  • Mr. J.E. Visser
  • Mr. H.E. van Opstall
  • Mr. J.E. Visser
  • Mr. P.J.V. Roscam Abbing
  • Mr. J.P. van der Meulen
  • Mr. J. Remmelink
  • Mr. W.A. de Saint Aulaire
  • Mr. F.H. van Meijenfeldt
  • Mr. R.J.C. graaf van Randwijk
  • Mr. J. van der Vegt
  • Mr. R.M. Westerink
  • Mr. J.M. Vlaming Kiebêrt
  • Mr. R.M. Westerink

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in