gahetNA in het Nationaal Archief

Kantongerecht Gouda, 1838-1979

3.03.71
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2006
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.71
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2006
CC0

Periode:

1838-1992
merendeel 1838-1979

Omvang:

79,20 meter; 1495 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte documenten, geen bijzondere handschriften, tekeningen.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van het Kantongerecht Gouda beslaat anderhalve eeuw rechtspleging (1823-1979) en bestaat uit een veelvoud van gerechtelijke stukken. Deze zijn o.a. het register van strafzaken, brievenboeken, audiëntiebladen, processen-verbaal, minuten van vonnissen en processtukken. Tevens bestaat het archief uit stukken m.b.t. in beslag genomen goederen en gelden, processtukken van civiele zaken, stukken van de Pachtkamer, stukken aangaande dwangbevelen en dagvaardingen, zittingsboeken van extrajudiciële zaken, evenals stukken betreffende huishoudelijke en griffiezaken.

Archiefvormers:

  • Kantongerecht Gouda

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Organisatie van de rechterlijke macht

In 1827 kwam de "Wet op de samenstelling der regtelijke magt en het beleid der justitie voor het Koningrijk der Nederlanden" (Staatsblad (Stb.) 20) tot stand. Deze wet (afgekort: Wet R.O.) werd de grondslag van de nieuwe rechterlijke organisatie. De (nu nog geldende) Wet R.O. bepaalt in hoofdzaak welke soorten rechterlijke instellingen er zijn en in welke zaken deze bevoegd zijn. In vele andere wetten staan bepalingen die bepaalde rechterlijke instanties in zekere zaken bevoegd verklaren. Bij de Wet R.O. behoorden vier "reglementen van openbaar bestuur", regelende de eedsaflegging en de inwendige dienst, de titulatuur en het ambtskostuum, de orde en discipline voor de advocaten en procureurs en de organisatie van de deurwaarders en andere rechtsbedienden.

De Belgische opstand maakte het onmogelijk om de nieuwe rechterlijke organisatie en de wetboeken op 1 februari 1831 in te voeren.

De Wet R.O. onderging vervolgens wijzigingen bij Wet van 28 april 1835, Stb. 10. Uiteindelijk traden de gewijzigde Wet R.O. en de wetboeken in werking op 1 oktober 1838 (ingevolge het Koninklijk Besluit (KB) van 10 april 1838 en het KB van 19 mei 1838). Het Hoog Nationaal Geregtshof werd vervangen door de Hoge Raad der Nederlanden en de provinciale gerechtshoven kwamen in plaats van de hoven van assisen. De negen provinciale gerechtshoven waren gevestigd in Groningen, Leeuwarden, Assen, Zwolle, Arnhem, Utrecht, Den Haag, Middelburg en Den Bosch. Naast de gerechtshoven werd in Amsterdam een criminele rechtbank voor het noordelijk deel van Noord-Holland ingesteld. De arrondissementsrechtbanken vervingen de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel. De kantongerechten kwamen in plaats van de vredegerechten en rechtbanken van enkele politie.

In 1841 werden nog twee gerechtshoven, in Maastricht en in Amsterdam, en een aantal arrondissementsrechtbanken ingesteld. Met de instelling van de arrondissementsrechtbank in Amsterdam werd de criminele rechtbank opgeheven.

Met de "Wet tot opheffing van Provinciale Geregtshoven en Instelling van nieuwe Gerechtshoven" van 10 november 1875, Stb. 204, werden de provinciale gerechtshoven opgeheven en werden vijf regionale gerechtshoven ingesteld. De nieuwe gerechtshoven waren gevestigd in Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Leeuwarden. Bij de wetten van 9 april 1877, Stb. 74-78, werden de rechtsgebieden van de nieuwe gerechtshoven nader bepaald. Een groot aantal rechtbanken en kantongerechten werd opgeheven. De rechterlijke organisatie telde nog 5 gerechtshoven, 23 rechtbanken en 106 kantongerechten. In de volgende jaren werd het aantal arrondissementsrechtbanken en kantongerechten nog aanzienlijk verminderd.

De vijf wetten uit 1877, Stb. 74-78, werden op 17 november 1933 ingetrokken bij vijf nieuwe wetten, Stb. 601-605. Deze wetten traden in werking op 1 januari 1934, Stb. 623, en stelden de rechtsgebieden van de gerechtshoven en de zetels van de arrondissementsrechtbanken en kantongerechten vast.

Het merendeel van de strafzaken en burgerlijke zaken valt onder de bevoegdheid van de arrondissementsrechtbanken. Bij de strafzaken onderscheidt men overtredingen en misdrijven. De berechting van overtredingen, met uitzondering van de overtredingen van bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij is opgedragen aan de kantongerechten. De berechting van de misdrijven met uitzondering van stroperij, en van de overtredingen bedelarij en landloperij behoort tot de competentie van de arrondissementsrechtbanken. De rechtbanken vonnissen in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken van de kantonrechter. Daarnaast nemen de rechtbanken in eerste en tevens hoogste ressort kennis van alle jurisdictiegeschillen tussen de kantongerechten binnen haar arrondissement.

In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve competentie.

Absolute competentie geeft antwoord op de vraag welke rechter bevoegd is (hoofdregel: de arrondissementsrechtbank; in uitzonderingsgevallen: de kantonrechter). De relatieve competentie geeft antwoord op de vraag welke bepaalde rechter van die soort bevoegd is (hoofdregel: de rechtbank of de kantonrechter van de woonplaats van de gedaagde).

Bij absolute competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken. In strafzaken is de kantonrechter bevoegd alle overtredingen, met uitzondering van de overtredingen bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij te berechten. In burgerlijke zaken is de competentie van de kantonrechter een uitzonderingsbevoegdheid. De gewone rechter in eerste aanleg is de arrondissementsrechtbank. Tenslotte behandelt de kantonrechter ook verschillende buitengerechtelijke zaken.

Ook bij relatieve competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken.

In het burgerlijk procesrecht kent men twee procestypen: het proces, dat met een dagvaarding begint en het proces, dat met een verzoekschrift begint. De dagvaarding is een document waarmee de partij, die een uitspraak van de rechter wenst, zich door bemiddeling van de deurwaarder tot de tegenpartij wendt. Het verzoekschrift is een document, waarmee een partij zich rechtstreeks tot de rechter wendt.

Een groot deel van de door de kantongerechten behandelde burgerlijke zaken bestaat uit arbeids- en huurkoopzaken alsmede pachtzaken. Bij Wet van 13 juli 1907, Stb. 193, werden de artikelen 125 a-f ingevoegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betreffende artikelen golden aanvankelijk alleen voor arbeidszaken en gaven de procedureregels in de volgende zaken:

  • een arbeidsovereenkomst;
  • een agentuurovereenkomst;
  • een collectieve overeenkomst;
  • algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO;
  • aanneming van werk.

De kantonrechter was bij uitsluiting bevoegd in bovengenoemde zaken, ongeacht de som van de vordering. Hoger beroep was mogelijk als de vordering meer dan f 2500,- bedroeg. Bij Wet van 23 april 1936, Stb. 202, werden de artikelen 125 g-j aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsverordening toegevoegd. Deze artikelen regelden de procedure inzake huurkoopzaken.

De Crisispachtwet van 17 juni 1932, Stb. 301, omschreef begrippen als "pachter", "pachtovereenkomst" en "pachtprijs". Volgens de Crisispachtwet kon de pachter een verzoek doen tot ontheffing van de verplichting tot betaling van de pachtprijs. De verzoeken tot ontheffing werden behandeld door de kamers voor crisispachtzaken. Deze kamers bestonden uit de kantonrechter als voorzitter en twee leden, die niet tot de rechterlijke macht behoorden.

De Pachtwet van 31 mei 1937, Stb. 205, regelde onder meer:

  • de pachtovereenkomst moest "op straffe van nietigheid" schriftelijk worden aangegaan;
  • de pachtrechters, bij de kantongerechten en het Gerechtshof te Arnhem, moesten de verplichtingen van de pachter toetsen;
  • een tussentijdse wijziging van de bepalingen in de pachtovereenkomst werd mogelijk;
  • pachtovereenkomsten golden voor onbepaalde tijd, slechts bij uitzondering was een termijn van 1 tot 3 jaar mogelijk.

De pachtkamer bestond uit een voorzitter, de kantonrechter en twee deskundigen ten aanzien van de verhoudingen op het pachtgebied. Deze deskundigen behoorden niet tot de rechterlijke macht.

Door de Pachtwet 1937 werden zogenaamde pachtbureaus ingesteld. Deze waren bevoegd beslissingen te nemen over de duur van pachtovereenkomsten. De beslissingen hadden dezelfde rechtskracht als die van de pachtkamers.

De Crisispachtwet 1932 en de Pachtwet 1937 werden met ingang van 25 november 1941 buiten werking gesteld en vervangen door het Pachtbesluit.

Het Pachtbesluit kende een aantal nieuwe regelingen:

  • men kon schriftelijke vastlegging van een mondeling aangegane pachtovereenkomst vragen bij de grondkamers;
  • de toetsing van de pachtovereenkomsten werd voortaan door de grondkamers verricht;
  • de pachtovereenkomst moest worden aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk twaalf jaar voor een hoeve en zes jaar voor "los land";
  • naast de grondkamers bleven de pachtkamers bij de kantongerechten en bij het Gerechtshof Arnhem bestaan.

Voor uitgebreide informatie over de organisatie van de rechterlijke macht in Nederland, de procedures bij rechtszaken alsmede taak, samenstelling en werkwijze van de rechtbanken en kantongerechten wordt verwezen naar het "Werkboek rechterlijke archieven 1838 - 1940" onder redactie van R. Huijbrecht en "Berecht en gestraft: een geschiedenis van de rechterlijke organisatie en de strafinstellingen, 1811 - 1993" van G. Beks en H.J.Ph.G. Kaajan.

Geschiedenis van het kantongerecht te Gouda

Het gebied en de indeling van het arrondissement van het kanton Gouda is tussen 1838 en 1951 steeds gewijzigd. In 1877 en 1933 werd het ambtsgebied uitgebreid als gevolg van het achtereenvolgens opheffen van de kantons Hillegersberg en Schoonhoven. Een situatie, die in 1951 nauwelijks veranderde toen alleen Polsbroek overging naar het kanton Utrecht.

Het kantongerecht zetelde hoogstwaarschijnlijk vanaf het begin in het Raadhuis van Gouda. Hierin kwam in 1853 verandering in toen het stadsbestuur vanwege ruimtegebrek tot nieuwbouw voor deze instantie besloot. In het te bouwen pand zou ook de Stadstekenschool voor aanstaande handwerkers en (minvermogende) ambachtslieden worden gehuisvest, omdat het toenmalig lokaal onbruikbaar was. Adjunct-stadsarchitect W.C. van Goor ontwierp daarvoor het gebouw "Arti Legi" (Voor Kunst en Wet). (

W.C. van Goor, `Beschrijving van het gebouw voor Kantongeregt, Teekenschool enz., aan de Markt te Gouda', in: Bouwkundige Bijdragen, 10e jrg (1858) 313-318, met 2 platen.

) Deze benaming verwees duidelijk naar de belangrijkste toekomstige gebruikers. Toch was het vanaf het begin de bedoeling dat ook de schuttersraad en de Kamer van Koophandel daar vanaf de ingebruikneming in 1855 zouden vergaderen.

Nadat het kantongerecht eerst kosteloos gebruik van dit pand had gemaakt, moest het vanaf 1865 fl 300,00 huur aan de gemeente betalen voor de ruimten, inclusief het meubilair en het onderhoud daarvan. Men had toen de beschikking over een ruime audiëntiezaal, een kamer voor de griffie, een spreekkamer, een kamer voor de getuigen en wachtende familieraden en een vertrek voor de berging van in beslaggenomen overtuigingsstukken.

Nadat de tekenschool het pand had verlaten, werd op 12 mei 1874 op de eerste verdieping het Stedelijk Museum van Oudheden geopend, dat hier tot 1947 gevestigd zou blijven. (

P.H.A.M. Abels e.a. red., Duizend jaar Gouda. Een stadsgeschiedenis, (Hilversum 2002) 705.

) Drie jaar later werd overwogen het Kantongerecht de huur op te zeggen in verband met het veiliger opbergen van het Oud-Stadsarchief, dat op de zolder van het Raadhuis lag. Omdat het de gemeente niet lukte aan het Rijk geschikte vervangende ruimte aan te bieden, ging dit plan niet door.

Vanwege de aankondiging van een nieuwe huurverhoging werd de situatie in 1895 opnieuw bezien. Inmiddels beschikte het kantongerecht ook over een vertrek voor de rijksveldwachters en een kantonrechterskamer. Verder deed de vestibule dienst als wachtruimte en kon men over een deel van de zolder beschikken voor de berging van de overtuigingsstukken. Bij die gelegenheid werd bedongen dat er enige verbeteringen in de lokalen werden aangebracht. Aan het verzoek van de kantonrechter voor een apart vertrek om scheidingen uit te spreken, scheepsverklaringen uit te geven en dergelijke werd echter geen gehoor gegeven.

Hoewel de kantonrechter in 1910 veel meer klachten over de huisvesting had en hij daarin door de hoofdingenieur voor de gevangenissen en gerechtsgebouwen werd gesteund, wilde het gemeentebestuur alleen de ventilatie in de zittingszaal verbeteren en een vloerkleed en enkele tafelkleden vervangen. Het eerste gebeurde in de praktijk al evenmin, terwijl het ernstige probleem van de akoestiek in de zittingszaal onopgelost bleef.

In 1912 werd afgezien van aankoop van een door B.H. van de Werve te koop aangeboden herenhuis aan de Gouwe, omdat dit zelfs met belangrijke verbouwingskosten niet als geschikt kantongerecht viel in te richten. Toen het gemeentebestuur eind 1913 voor 1915 een huurverhoging tot fl. 1.000,00 aankondigde, ging het Ministerie van Justitie actief op zoek naar andere huisvesting. Mr. E.J.J. van der Heyden uit Rotterdam bood voor dit doel twee huizen aan de Wetering te koop aan, terwijl de gemeente nog attendeerde op een terrein aan de Krugerlaan, dat vanwege de excentrische ligging niet geschikt werd bevonden. In plaats daarvan werd na enig onderhandelen ingestemd met een huurverhoging van fl 700,00, ingaande in 1916. Dit gebeurde op voorwaarden dat de ventilatie in de zittingszaal alsnog werd verbeterd. Nadat was overeengekomen dat het kantongerecht de schutterszaal erbij kreeg, werd de huurprijs in 1923 naar fl.1.000,00 verhoogd.

Vanwege het voornemen om het gebouw "Arti Legi" vanaf juli 1939 als politiegebouw te gaan gebruiken, zei de gemeente de huur voordien op. De vervangende ruimte meende men gevonden te hebben in de voormalige St. Agnietenkapel op de Nieuwe Markt, die eerst moest worden gerestaureerd. Omdat andere overheidsinstanties hiervoor uiteindelijk geen bijdragen konden leveren en Justitie en de gemeente hiervan maar een deel konden financieren, werd de restauratie ingeschreven bij het Werkfonds, een werkgelegenheidsproject van het Ministerie van Sociale Zaken. (

Kort overzicht van de Geschiedenis der Gebouwen bij het Departement van Justitie in gebruik, met vermelding van de nummers der dossiers waarin de stukken zijn opgenomen (uitgave Departement van Justitie, Archief, 's-Gravenhage, 1912), p. 76. De geschiedenis is hier uitgebreider beschreven en voor de latere periode aangevuld met gegevens uit: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Justitie, Gebouwen, dossier 66 en voor de naoorlogse periode: Archief Ministerie van Justitie, dossier G.B. 136, dat nog op het departement berust.

)Hoogstwaarschijnlijk kwam het door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog echter niet tot uitvoering van deze plannen. (

De restauratie zou pas in 1975 worden uitgevoerd. Zie: Abels, a.w., 271.

)

Het lijkt aannemelijk dat het politiebureau pas in 1947 zijn intrek nam in "Arti Legi", omdat het museum dit gebouw toen verliet. In de periode van 1950 tot 1960 werd tot achtmaal toe in verband met de slechte behuizing van het kantongerecht geprobeerd elders grond voor nieuwbouw te vinden. In 1960 werden daartoe de gebouwen Oosthaven 24-27 aangekocht om te worden gesloopt en om op die plaats een nieuw kantongerecht te realiseren. Omdat sommige van deze panden kort daarna op de lijst van beschermde monumenten werden geplaatst, duurde het uiteindelijk tot 20 november 1972 voordat minister mr. A.A.M. van Agt in een buitengewone zitting het nieuwe kantongerecht aan de Oosthaven 25 overdroeg aan kantonrechter mr. J.H. Landwehr. (

Goudsche Courant, 21 november 1972. Staatsalmanak van het Koninkrijk der Nederlanden 1973 ('s-Gravenhage 1973) U 11.

)

Tijdens de in deze inventaris beschreven periode van 1838 - 1979 onderging de personele bezetting van het kantongerecht geen echte grote veranderingen. In 1860 was er één kantonrechter met twee plaatsvervangers en één griffier. Het aantal plaatsvervangers zou in de loop der tijd toenemen tot zes. Sinds de oprichting van de pachtkamer in 1932 bestond deze voor zover bekend uit twee leden met elk twee plaatsvervangers. Vanaf 1975 was er één vaste kantonrechter met een griffier in dienst, terwijl de pachtkamer ook geen plaatsvervangers meer kende. (

Staatsalmanak voor het Koningrijk der Nederlanden 1860 ('s-Gravenhage 1860) 137 en Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1935 ('s-Gravenhage 1934) 116; idem 1976, T 6. Hoewel uit de stukken blijkt dat de pachtkamer van Gouda vanaf 1832 functioneerde, werd deze pas voor het eerst vermeld in Bestuursalmanak voor het bezette Nederlandsche gebied 1942 - 1943 ('s-Gravenhage 1942) 33.

)

Lijst van gemeenten, behorende tot het rechtsgebied van het kanton Gouda

  • Gouda
  • Broek, Thuil en het Weegje
  • Bloemendaal, Broekhuizen
  • Het Land van Stein, Kort Haarlem en Willes, benevens Vrijhoef en Kalverenbroek
  • Noordwaddinxveen en St. Hubertsgerecht
  • Zuidwaddinxveen
  • Moordrecht
  • Reeuwijk
  • Sluipwijk
  • Gouderak
  • Gouda
  • Hekendorp
  • Lange-Ruigeweide
  • Reeuwijk
  • Waddinxveen
  • Moercapelle
  • Bleiswijk
  • Zevenhuizen
  • Nieuwerkerk aan den IJssel
  • Moordrecht
  • Gouderak
  • Gouda
  • Hekendorp
  • Lange-Ruige-Weide
  • Reeuwijk
  • Waddinxveen
  • Moercapelle
  • Bleiswijk
  • Zevenhuizen
  • Nieuwerkerk aan den IJssel
  • Moordrecht
  • Gouderak
  • Schoonhoven
  • Vlist
  • Haastrecht
  • Stolwijk
  • Berkenwoude
  • Ouderkerk aan den IJssel
  • Bergambacht
  • Ammerstol
  • Papekop
  • Oudewater
  • Hoenkoop
  • Polsbroek
  • Willige Langerak
  • Ammerstol
  • Bergambacht
  • Berekenwoude
  • Bleiswijk
  • Gouda
  • Gouderak
  • Haastrecht
  • Hekendorp
  • Lange Ruige Weide
  • Moercapelle
  • Moordrecht
  • Nieuwerkerk aan den IJssel
  • Ouderkerk aan den IJssel
  • Oudewater
  • Papekop
  • Reeuwijk
  • Schoonhoven
  • Stolwijk
  • Vlist
  • Waddinxveen
  • Zevenhuizen

Zie: Werkboek Huijbrecht, p. 122, p. 145, p. 173-174 en de Wet van 10 augustus 1951 (Stb. 347, art. 6), p. 7.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in