gahetNA in het Nationaal Archief

Kantongerecht Ridderkerk, 1839-1933

3.03.68
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2004
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.68
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2004
CC0

Periode:

1826-1933
merendeel 1839-1933

Omvang:

23,10 meter; 533 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, gedrukte en getypte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Bevat de processen-verbaal en vonnissen van strafzaken. Van civiele zaken zijn naast audiëntiebladen en vonnissen ook procesdossiers bewaard. Van buitengerechtelijke zaken zijn naast de beschikkingen ook de voogdijregisters en de registers van inschrijving van vennootschappen en coöperatieve verenigingen overgeleverd.
Binnen het archief zijn zaken van beroep tegen uitspraken van de huurcommmissies in een afzonderlijke serie ondergebracht. Dit is ook gebeurd met uitspraken van de Pachtkamer op verzoeken tot vrijstelling van betaling van pacht ingevolge de Crisispachtwet van 1932.

Archiefvormers:

  • Kantongerecht Ridderkerk

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Organisatie van de rechterlijke macht

In 1827 kwam de "Wet op de samenstelling der regtelijke magt en het beleid der justitie voor het koningrijk der Nederlanden" (Staatsblad (Stb.) 20) tot stand. Deze wet (afgekort: wet R.O.) werd de grondslag van de nieuwe rechterlijke organisatie. De (nu nog geldende) wet R.O. bepaalt in hoofdzaak welke soorten rechterlijke instellingen er zijn en in welke zaken deze bevoegd zijn. In vele andere wetten staan bepalingen die bepaalde rechterlijke instanties in zekere zaken bevoegd verklaren. Bij de wet R.O. behoorden vier "reglementen van openbaar bestuur", regelende de eedsaflegging en de inwendige dienst, de titulatuur en het ambtskostuum, de orde en discipline voor de advocaten en procureurs en de organisatie van de deurwaarders en andere rechtsbedienden.

De Belgische opstand maakte het onmogelijk om de nieuwe rechterlijke organisatie en de wetboeken op 1 februari 1831 in te voeren.

De wet R.O. onderging vervolgens wijzigingen bij wet van 28 april 1835, Stb. 10. Uiteindelijk traden de gewijzigde wet R.O. en de wetboeken in werking op 1 oktober 1838 (ingevolge het Koninklijk Besluit (KB) van 10 april 1838 en het KB van 19 mei 1838). Het Hoog Nationaal Geregtshof werd vervangen door de Hoge Raad der Nederlanden en de provinciale gerechtshoven kwamen in plaats van de hoven van assisen. De negen provinciale gerechtshoven waren gevestigd in Groningen, Leeuwarden, Assen, Zwolle, Arnhem, Utrecht, Den Haag, Middelburg en Den Bosch. Naast de gerechtshoven werd in Amsterdam een criminele rechtbank voor het noordelijk deel van Noord-Holland ingesteld. De arrondissementsrechtbanken vervingen de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel. De kantongerechten kwamen in plaats van de vredegerechten en rechtbanken van enkele politie.

In 1841 werden nog twee gerechtshoven, in Maastricht en in Amsterdam, en een aantal arrondissementsrechtbanken ingesteld. Met de instelling van de arrondissementsrechtbank in Amsterdam werd de criminele rechtbank opgeheven.

Met de "Wet tot opheffing van Provinciale Geregtshoven en Instelling van nieuwe Gerechtshoven" van 10 november 1875, Stb. 204, werden de provinciale gerechtshoven opgeheven en werden vijf regionale gerechtshoven ingesteld. De nieuwe gerechtshoven waren gevestigd in Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Leeuwarden. Bij de wetten van 9 april 1877, Stb. 74-78, werden de rechtsgebieden van de nieuwe gerechtshoven nader bepaald. Een groot aantal rechtbanken en kantongerechten werd opgeheven. De rechterlijke organisatie telde nog 5 gerechtshoven, 23 rechtbanken en 106 kantongerechten. In de volgende jaren werd het aantal arrondissementsrechtbanken en kantongerechten nog aanzienlijk verminderd.

De vijf wetten uit 1877, Stb. 74-78, werden op 17 november 1933 ingetrokken bij vijf nieuwe wetten, Stb. 601-605. Deze wetten traden in werking op 1 januari 1934, Stb. 623, en stelden de rechtsgebieden van de gerechtshoven en de zetels van de arrondissementsrechtbanken en kantongerechten vast.

Het merendeel van de strafzaken en burgerlijke zaken valt onder de bevoegdheid van de arrondissementsrechtbanken. Bij de strafzaken onderscheidt men overtredingen en misdrijven. De berechting van overtredingen, met uitzondering van de overtredingen van bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij is opgedragen aan de kantongerechten. De berechting van de misdrijven met uitzondering van stroperij, en van de overtredingen bedelarij en landloperij behoort tot de competentie van de arrondissementsrechtbanken. De rechtbanken vonnissen in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken van de kantonrechter. Daarnaast nemen de rechtbanken in eerste en tevens hoogste ressort kennis van alle jurisdictiegeschillen tussen de kantongerechten binnen haar arrondissement.

In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve competentie.

Absolute competentie geeft antwoord op de vraag welke rechter bevoegd is (hoofdregel: de arrondissementsrechtbank; in uitzonderingsgevallen: de kantonrechter). De relatieve competentie geeft antwoord op de vraag welke bepaalde rechter van die soort bevoegd is (hoofdregel: de rechtbank of de kantonrechter van de woonplaats van de gedaagde).

Bij absolute competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken. In strafzaken is de kantonrechter bevoegd alle overtredingen, met uitzondering van de overtredingen bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij te berechten. In burgerlijke zaken is de competentie van de kantonrechter een uitzonderingsbevoegdheid. De gewone rechter in eerste aanleg is de arrondissementsrechtbank. Tenslotte behandelt de kantonrechter ook verschillende buitengerechtelijke zaken.

Ook bij relatieve competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken.

In het burgerlijk procesrecht kent men twee procestypen: het proces, dat met een dagvaarding begint en het proces, dat met een verzoekschrift begint. De dagvaarding is een document waarmee de partij, die een uitspraak van de rechter wenst, zich door bemiddeling van de deurwaarder tot de tegenpartij wendt. Het verzoekschrift is een document, waarmee een partij zich rechtstreeks tot de rechter wendt.

Een groot deel van de door de kantongerechten behandelde burgerlijke zaken bestaat uit arbeids- en huurkoopzaken alsmede pachtzaken. Bij wet van 13 juli 1907, Stb. 193, werden de artikelen 125 a-f ingevoegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betreffende artikelen golden aanvankelijk alleen voor arbeidszaken en gaven de procedureregels in de volgende zaken:

  • een arbeidsovereenkomst;
  • een agentuurovereenkomst;
  • een collectieve overeenkomst;
  • algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO;
  • aanneming van werk.

De kantonrechter was bij uitsluiting bevoegd in bovengenoemde zaken, ongeacht de som van de vordering. Hoger beroep was mogelijk als de vordering meer dan f 2500,- bedroeg. Bij wet van 23 april 1936, Stb. 202, werden de artikelen 125 g-j aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsverordening toegevoegd. Deze artikelen regelden de procedure inzake huurkoopzaken.

De Crisispachtwet van 17 juni 1932, Stb. 301, omschreef begrippen als "pachter", "pachtovereenkomst" en "pachtprijs". Volgens de Crisispachtwet kon de pachter een verzoek doen tot ontheffing van de verplichting tot betaling van de pachtprijs. De verzoeken tot ontheffing werden behandeld door de kamers voor crisispachtzaken. Deze kamers bestonden uit de kantonrechter als voorzitter en twee leden, die niet tot de rechterlijke macht behoorden.

De Pachtwet van 31 mei 1937, Stb. 205, regelde onder meer:

  • de pachtovereenkomst moest "op straffe van nietigheid" schriftelijk worden aangegaan;
  • de pachtrechters, bij de kantongerechten en het Gerechtshof te Arnhem, moesten de verplichtingen van de pachter toetsen;
  • een tussentijdse wijziging van de bepalingen in de pachtovereenkomst werd mogelijk;
  • pachtovereenkomsten golden voor onbepaalde tijd, slechts bij uitzondering was een termijn van 1 tot 3 jaar mogelijk.

De pachtkamer bestond uit een voorzitter, de kantonrechter en twee deskundigen ten aanzien van de verhoudingen op het pachtgebied. Deze deskundigen behoorden niet tot de rechterlijke macht.

Door de Pachtwet 1937 werden zogenaamde pachtbureaus ingesteld. Deze waren bevoegd beslissingen te nemen over de duur van pachtovereenkomsten. De beslissingen hadden dezelfde rechtskracht als die van de pachtkamers.

De Crisispachtwet 1932 en de Pachtwet 1937 werden met ingang van 25 november 1941 buiten werking gesteld en vervangen door het Pachtbesluit.

Het Pachtbesluit kende een aantal nieuwe regelingen:

  • men kon schriftelijke vastlegging van een mondeling aangegane pachtovereenkomst vragen bij de grondkamers;
  • de toetsing van de pachtovereenkomsten werd voortaan door de grondkamers verricht;
  • de pachtovereenkomst moest worden aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk twaalf jaar voor een hoeve en zes jaar voor "los land";
  • naast de grondkamers bleven de pachtkamers bij de kantongerechten en bij het Gerechtshof Arnhem bestaan.

Voor uitgebreide informatie over de organisatie van de rechterlijke macht in Nederland, de procedures bij rechtszaken alsmede taak, samenstelling en werkwijze van de rechtbanken en kantongerechten wordt verwezen naar het "Werkboek rechterlijke archieven 1838-1940" onder redactie van R. Huijbrecht en "Berecht en gestraft: een geschiedenis van de rechterlijke organisatie en de strafinstellingen, 1811-1993" van G. Beks en H.J.Ph.G. Kaajan.

Geschiedenis van het archiefvormend orgaan

Het gebied en de indeling van het arrondissement van het Kantongerecht te Ridderkerk is tussen 1838 en 1933 bij de reorganisatie van de rechterlijke macht in 1877 aanmerkelijk verkleind. Tot aan de opheffing in 1933 maakte het kanton deel uit van het arrondissement Dordrecht. Daarna ressorteerde het onder het daaraan grenzende arrondissement Rotterdam.

Het is onbekend in welk gebouw het kantongerecht vóór 1877 zitting hield. In dat jaar was het in elk geval in het zogenaamde Rechthuis te Ridderkerk gehuisvest, waarvoor geen huur aan het gemeentebestuur werd betaald. De minister van Justitie wilde hetzelfde jaar niet instemmen met een voorstel van Burgemeester en Wethouders van Ridderkerk om het gemeentehuis te verbouwen, zodat het kantongerecht daarin enkele lokalen zou krijgen. Hij gaf eveneens geen toestemming voor de bouw van een Huis van Bewaring in de daarachter gelegen tuin.

In plaats daarvan sloot de Staat op 5 juni 1879 een overeenkomst met mevrouw R. van der Waal voor de huur van een zittingslokaal, een afgesloten bergplaats voor overtuigingsstukken en een verblijf voor de getuigen in haar aan de Molendijk gelegen huis. In 1880 bracht het gemeentebestuur de voorstellen van 1877 opnieuw ter sprake. Het was daarbij de bedoeling dat het Rijk daaraan een bijdrage van f. 10.000 zou moeten bijdragen. Omdat de minister dit op zijn vroegst pas drie jaar later op de begroting kon plaatsen, werd hiervan afgezien. In plaats daarvan werd op 22 maart 1882 voor hetzelfde bedrag een herenhuis met koetshuis, stal, erf en tuin aan de Molendijk aangekocht van de weduwe J.L.R. le Rutte, geboren W.W. Ribbe. Behalve als Kantongerecht deed het ook dienst als woning voor de conciërge (wijk D no. 2, kadastraal bekend als C no. 2314). Op de eerste verdieping werden twee kamers en suite als zittingslokaal gebruikt, terwijl zich daar ook een griffierkamer en een kamer voor getuigen bevonden. De overtuigingsstukken werden op de zolder opgeborgen. In de daarop volgende jaren bleek dit pand veel bouwkundige gebreken te vertonen.

In 1882 kreeg de ontvanger der directe belastingen en accijnsen te Ridderkerk c.a. twee maal per maand toestemming om in het Kantongerecht zitting te houden. Hier kwam in 1888 een einde aan, voornamelijk omdat er onvoldoende afgesloten ruimte was om de vele overtuigingsstukken te bergen. Omdat er in IJsselmonde in 1909 een nieuw gemeentehuis werd gebouwd, kreeg de ontvanger voor dat jaar een machtiging van het Departement van Justitie om twee maal per maand in een van de lokalen van het Kantongerecht zitting te houden.

In 1911 werd het gebouw, dat tot dan toe water uit een regenput kreeg, op grond van art. 34 van de Bouwverordening van de gemeente Ridderkerk aan de waterleiding aangesloten. In 1917 kreeg het - mede door het petroleumgebrek van die tijd - ook een elektrische installatie. Elf jaar later kreeg de Technische Dienst der Posterijen en Telegrafie toestemming om in de tuin van het Kantongerecht een magazijngebouw en een opslagplaats voor bouwmaterialen op te richten. Begin 1934 werd het pand in verband met de opheffing van het Kantongerecht in 1933 aan het Departement van Financiën overgedragen .(

Kort overzicht van de Geschiedenis der Gebouwen bij het Departement van Justitie in gebruik, met vermelding van de nummers der dossiers waarin de stukken zijn opgenomen (uitgave Departement van Justitie, Archief, 's-Gravenhage, 1912), pp. 99-100. Abusievelijk staat daar vermeld dat de huur van het Rechthuis pas in 1882 werd beëindigd. De geschiedenis is hier uitgebreider beschreven en voor de latere periode aangevuld met gegevens uit: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Justitie, Gebouwen, dossier 101.

).

Lijsten van gemeenten, behorende tot het rechtsgebied van het kanton Ridderkerk

  • Ridderkerk
  • Oost- en West-Ysselmonde
  • Oost-Barendrecht
  • West-Barendrecht en Karnisse
  • Charlois
  • Katendrecht
  • Pernis, Smalland en Oostbroek, met Lange Bakkersoord en Deyffelshoek
  • 's Graven-Ambacht, Heyde en Boudewijns-Horsland
  • Portugaal, Rozande, Oud- en Nieuw-Engeland
  • Hoogvliet
  • Albrandswaard en Kijvelandenv
  • Rhoon, Oud- en Nieuw-Papendrecht
  • Ridderkerk
  • IJsselmonde
  • Oost- en West-Barendrecht
  • Heerjansdam
  • Hendrik-Ido-Ambacht
  • Alblasserdam
  • Nieuw-Lekkerland
  • Krimpen a/d Lek

Zie: Werkboek Huijbrecht, p. 123, 146.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in