gahetNA in het Nationaal Archief

Kantongerecht 's-Gravenhage, 1940-1949

3.03.61
H.H. Vlasbloem
Nationaal Archief, Den Haag
2001
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.61
Auteur: H.H. Vlasbloem
Nationaal Archief, Den Haag
2001
CC0

Periode:

1934-1949
merendeel 1940-1949

Omvang:

21,50 meter; 187 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

In het archief van het Kantongerecht te 's-Gravenhage bevinden zich voor de periode 1940-1949 de processen-verbaal van de strafzaken met de vonnissen. De burgerlijke zaken zijn onderverdeeld naar procesgang in dagvaardingen en rekesten. De burgerlijke zaken zijn onderverdeeld naar procesgang in dagvaardingen en rekesten. Van de dagvaardingen zijn er audiëntiebladen, vonnissen en processen-verbaal van getuigenverhoor, van de rekesten zijn er processen-verbaal en vonnissen inzake arbeids en huurkoopzaken, rekesten, beschikkingen en roldossiers inzake huurbeschermingsbesluiten. Verder zijn er stukken van de pachtkamer en een aantal buitengerechtelijke stukken, zoals processen-verbaal van benoeming en beëdiging van (toeziende) voogden en akten van bekendheid.

Archiefvormers:

  • Kantongerecht te 's-Gravenhage

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Met ingang van de nieuwe reorganisatie van 1838, werden de nieuwe grenzen van het Haagse arrondissement in vier kantons onderverdeeld: 's-Gravenhage, Delft, Voorburg en Naaldwijk, zoals eerder in de wet van 22 december 1828, was vastgelegd. Deze situatie bleef tot in 1877 bestaan. Voor het Haagse arrondissement hield de wijziging in dat de kantons Voorburg en Naaldwijk opgingen in die van 's-Gravenhage en Delft en dat twee nieuwe kantons Leiden en Alphen gevormd werden. Bij wet van 17 november 1933, staatsblad 603, houdende nieuwe vaststelling van het rechtsgebied en de zetels der rechtbanken en kantongerechten, behorende tot het gerechtshof te 's-Gravenhage, wordt o.a. het rechtsgebied van het kanton 's-Gravenhage (1e kanton) vastgesteld. Deze wet trad in werking op 1 januari 1934. Het rechtsgebied van het kantongerecht strekt zich over de gemeenten: 's-Gravenhage, Wassenaar, Veur, Voorburg en Rijswijk.

Taak en samenstelling van het kantongerecht

Het laagste gerecht in het strafrecht en het burgerlijk- (civiel) recht is het kantongerecht. Nederland is ingedeeld in 62 gebieden, ook wel kantons genoemd.

De kantonrechter behandelt allerlei juridische problemen van gewone burgers zoals huur, arbeidszaken en kleine geldvorderingen Deze zaken worden dus dicht bij huis voor de burger behandeld. Partijen hebben geen advocaat nodig, maar kunnen ook zelf hun zaak behartigen. Bij elk kantongerecht zijn, afhankelijk van het aantal te behandelen zaken, één of meer kantonrechters werkzaam. Dit zijn alleensprekende rechters.

Om nu te bepalen bij welk gerecht (instantie) een bepaalde zaak moet worden behandeld, geeft de wet op de rechterlijke organisatie (RO) duidelijkheid. Sommige zaken moeten voor een kantongerecht dienen, terwijl andere procedures bij een rechtbank, gerechtshof of hoge raad moeten worden aangebracht. Deze bevoegdheid van de soort rechter wordt absolute competentie genoemd. Als vastgesteld is welk soort rechter bevoegd is, moet nog worden bepaald in welke plaats (rechtsgebied) de rechter bevoegd is om de zaak te behandelen. Dit wordt relatieve competentie genoemd.

Strafzaken

In artikel 44 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie wordt de absolute competentie van de kantonrechter in strafzaken omschreven. Hierin wordt bepaald dat de kantonrechter alle overtredingen berecht, zover deze niet aan een andere rechter zijn opgedragen. Voorts vonnist hij over het misdrijf van stroperij. Hoger beroep is mogelijk tegen vonnissen betreffende feiten die met een andere straf waren bedreigd dan een geldboete van ten hoogste ƒ 25,--

De strafzaken worden door de officier van justitie (het openbaar ministerie) bij de kantonrechter aanhangig gemaakt door het betekenen (

Betekening is de gerechtelijke bekendmaking van een schriftelijk stuk (bv. een dagvaarding) door uitreiken daarvan aan (de woon- of verblijfplaats ) van de geadresseerde: het uitreiken geschiedt in civiele zaken door een gerechtsdeurwaarder en in strafzaken door een politiefunctionaris of postbeambte door de betrokken functionaris wordt een akte van uitreiking opgemaakt.

) van een dagvaarding aan de verdachte. In de meeste gevallen is hoger beroep bij de arrondissementsrechtbank mogelijk.

De relatieve competentie van de kantonrechter is afgeleid van die van het openbaar ministerie. Hierdoor geldt de gelijke bevoegdheid van de kantonrechter van het kanton waar de overtreding is begaan, die van het kanton waar de beklaagde woont en die van het kanton waar de beklaagde wordt gevonden (aangehouden).

Als twee kantongerechten dezelfde plaats innemen, bijvoorbeeld in het geval als de verdachte, tegen wie reeds een vervolging is ingesteld in het ene kanton (bv.Leiden), zich naar een ander kanton (bv. Delft) verplaatst- dan is bevoegd het kantongerecht (hier dus Leiden), waar het eerst de vervolging is aangevangen, dus bij gelijktijdige vervolging van een overtreding heeft die kantonrechter voorrang waar de overtreding heeft plaatsgevonden.

Burgerlijke -of civiele zaken

In burgerlijke zaken is de absolute competentie van de kantonrechter een uitzonderingsbevoegdheid. De gewone rechter in eerste aanleg is de arrondissementsrechtbank. De kantonrechter is bevoegd om van de volgende vorderingen kennis te nemen, waarvan de belangrijkste betreffen personele vorderingen onder de ƒ 500,-- en vorderingen betreffende huur en pachtzaken. (Zie voor een overzicht in Huijbrecht's werkboek rechterlijke archieven 1838-1940 pag. 13-15).

Bij de relatieve competentie in burgerlijke zaken geldt de regel dat de kantonrechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is. Zijn er meerdere gedaagden, die in een onderling verschillend kanton wonen, dan is, naar keuze van de eiser, één van die kantonrechters bevoegd De relatieve bevoegdheid is niet in een algemene regel samen te vatten. Meestal wordt bij de betreffende wetsbepalingen aangegeven welke kantonrechter bevoegd is.

Buitengerechtelijke zaken

Door de kantonrechter worden ook nog een aantal zaken behandeld die zowel op burgerlijk als strafrechtelijk gebied liggen, waarvan de belangrijkste zijn:

  • in civiele zaken bij benoemingen (in voogdij, in bewindvoerders en curators), beëdigingen (van voogden), ontslag-verleningen (bij voogdij en curatele), rechtelijke machtigingen ( van huwelijk bij minderjarigen, betreffende voogdij en arbeidsovereenkomsten)
  • in strafzaken bij verhoren t.b.v. de Rechter-Commissaris en bij tal voorschriften m.b.t. het binnentreden van woningen tegen 's-bewoners wil, op last van de kantonrechter.

De relatieve bevoegdheid van de kantonrechter in buitengerechtelijke zaken valt niet in een algemene regel te vatten. Meestal wordt bij de betreffende wetsbepalingen aangegeven welke kantonrechter bevoegd is.

Functionarissen en hun taak

De kantonrechter

De kantonrechter wordt sinds 1877, na een voordracht van de arrondissementsrechtbank voor hun leven (voordien voor een periode van vijf jaar) benoemd door de kroon en ontslagen bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd.

De kantonrechter is een alleensprekende rechter. Door de crisispachtwet van 1932 (Staatsblad 301) komt hier wat pachtzaken betreft verandering in, met de instelling bij elk kantongerecht van een kamer voor crisis-pachtzaken. De kantonrechter is voorzitter van deze kamer, die verder bestaat uit twee niet tot de rechterlijke macht behorende personen die deskundig zijn ten aanzien van de verhoudingen op landbouwgebied. Ze worden benoemd door de kroon, nadat men advies heeft ingewonnen bij Gedeputeerde Staten.

Bij verhindering of ontstentenis van de kantonrechter (en bij afwezigheid van een kantonrechter in het kanton) treedt een plaatsvervanger naar rang van benoeming op. De vereisten voor de betrekking van plaatsvervanger zijn anders dan die voor de kantonrechter in vaste dienst. Voor hen gelden de eisen van Nederlanderschap en een minimumleeftijd van 23 jaar. Zij worden telkens, na voordracht van de kantonrechter, door de Koning(in) voor 5 jaar benoemd en zijn bij aftreding weer benoembaar. Bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd worden zij door de Kroon ontslagen.

De griffier

De griffier ( en sinds 1877 de substituut-griffier) wordt benoemd door de Kroon. Bij afwezigheid van de griffier wordt, tot wederopzegging, een waarnemend griffier benoemd. Deze wordt benoemd en beëdigd door de kantonrechter. De taken van de griffier zijn in diverse wetten geregeld. De hoofdtaak van de griffier is optreden als notulist van het begin tot het einde van de terechtzitting. Hij maakt tevens de processen-verbaal op van de zitting alsmede de vonnissen. Ook maakt hij akten en beschikkingen. Tot de overige taken behoren o.a. uit het open houden van de griffie gedurende de voorgeschreven uren, het beheer van gelden, ook die ter griffie gedeponeerd, het bewaren van de minuten, registers en stukken behorende tot het kantongerecht.

Met name dient genoemd te worden het bijhouden van een repertoire, waarin dagelijks wordt genoteerd de dagtekening en aard van de opgemaakte akten, processen-verbaal en vonnissen in civiele zaken, met de namen van de partijen.

De griffie-ambtenaren

Deze worden aangesteld door de minister van justitie ( sinds 1910, voordien door de griffier) en verrichten werkzaamheden ten behoeve van de inwendige dienst van het kantongerecht en de griffie.

De deurwaarder

Deze wordt benoemd door de minister van justitie en moet naast het uitbrengen van exploten en dergelijke ook dienst doen ter terechtzitting.

Het openbaar ministerie

In 1877 wordt functie van de ambtenaar van het O.M. bij het kantongerecht ingesteld. Deze ambtenaar voert namens het O.M. het woord op de strafzittingen van het kantongerecht.

Functionarissen bij het kantongerecht 1940 -1949
  • Kantonrechters

    Tabel met zoekresultaten in archieven
    Benoemd
    02-11-1932 02-11-1932
    06-07-1935 06-07-1935
    15-02-1939 15-02-1939
    ?? ??
    06-11-1946 06-11-1946
  • Kantonrechters-plaatsvervangers

    02-11-1917 02-11-1917
    12-05-1921 12-05-1921
    28-02-1924 28-02-1924
    05-12-1932 05-12-1932
    26-01-1935 26-01-1935
    26-01-1935 26-01-1935
    13-12-1938 13-12-1938
    13-12-1938 13-12-1938
    13-12-1938 13-12-1938
    13-12-1938 13-12-1938
    13-12-1938 13-12-1938
    03-01-1940 03-01-1940
    03-01-1940 03-01-1940
    03-01-1940 03-01-1940
    03-01-1940 03-01-1940
    28-12-1945 28-12-1945
    28-12-1945 28-12-1945
    28-12-1945 28-12-1945
    15-05-1946 15-05-1946
    08-05-1948 08-05-1948
    28-05-1948 28-05-1948
    28-05-1948 28-05-1948
    28-05-1948 28-05-1948
    28-05-1948 28-05-1948
    13-10-1948 13-10-1948
  • Griffiers

    07-02-1935 07-02-1935
    16-08-1948 16-08-1948
  • Substituut-griffiers

    06-03-1929 06-03-1929
    17-03-1942 17-03-1942
    03-10-1946 03-10-1946
    03-09-1948 03-09-1948
Samenstelling pachtkamer

Voorzitter van de pachtkamers van de kantongerechten zijn de kantonrechters. Het eerste lid van de pachtkamer vertegenwoordigt de pachters-, het tweede lid de verpachtersbelangen.

  • Eerste lid

    20-10-1938 20-10-1938
  • Plaatsvervangend 1e lid

    20-10-1938 20-10-1938
    23-08-1941 23-08-1941
    23-08-1941 23-08-1941
  • Tweede lid

    ?? ??
    26-02-1947 26-02-1947
  • Plaatsvervangend 2e lid

    20-10-1938 20-10-1938
    23-08-1941 23-08-1941
    01.03.1947 01.03.1947
    29-09-1947 29-09-1947
Wenken voor onderzoek in de archieven

Het archief is voornamelijk opgebouwd uit een aantal series op de twee hoofdtaakgebieden: strafzaken (processen-verbaal van de zittingen en minuten van vonnissen geordend op rolnummer), civiele zaken (processen-verbaal van de zittingen,minuten van vonnissen, roldossiers en beschikkingen met rekesten) en buitengerechtelijke zaken (rekesten en beschikkingen) . Om u in staat te stellen zelfstandig onderzoek te doen zijn de belangrijkste gerechtelijke procedures en de daaruit vloeiende series in de hieronder genoemde onderverdelingen summier uiteengezet.

Strafprocedure

De strafzaken worden in eerste instantie ingeschreven in een register dat gehouden wordt door het Openbaar Ministerie. In dit register worden allerlei gegevens opgenomen zoals: de verdachte, de overtreding, de naam van de verbalisant en tenslotte hoe de zaak afgedaan wordt. Dit kan zijn middels een sepot of transactie aanbod (

Als de officier van Justitie besluit tot een transactie dan betaalt de verdachte in zo'n geval een bepaald bedrag aan de Officier van Justitie (Het Openbaar Ministerie) en hoeft hij niet voor de rechter te verschijnen.

) van het Openbaar Ministerie of een vonnis van de kantonrechter.

De procedure voor de terechtzitting begint met een dagvaarding van het Openbaar .Ministerie waarin een opgave van het tenlaste gelegde feit en ook van de tijd en plaats waarop het feit gepleegd zou zijn en de omstandigheden waaronder. De ambtenaar van het Openbaar Ministerie verzoekt de kantonrechter dag en uur voor de terechtzitting te bepalen, waarop de griffier de zaak inschrijft op de rol, die overigens niet gehouden hoeft te worden bij de kantongerechten, maar in de praktijk meestal gehouden wordt bij het parket van de Officier van Justitie (Openbaar Ministerie) De verdachte kan, wanneer enkel een geldboete is geëist, deze alsnog betalen (transactie) plus de dagvaardingskosten.

Sinds de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in 1926 kan de procedure ook beginnen met een oproeping (dat wil zeggen zonder deurwaarder), mits er sprake is van ontdekking op heterdaad door een opsporingsambtenaar en mits zulks niet is uitgesloten door de minister van justitie.

Bij niet verschijnen van een verdachte in een strafzaak wordt verstek verleend en wordt het onderzoek ter terechtzitting zonder verdachte uitgevoerd. Tegen een bij verstek gewezen vonnis is verzet mogelijk.

Bij wel verschijnen van verdachte of zijn (schriftelijk) gevolmachtigde wordt het onderzoek ter terechtzitting geopend met het identiteitsverhoor van de verdachte. Direct daarna kan door de verdachte een verweer worden ingesteld op grond van nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie of onbevoegdheid van de kantonrechter.

Na uitspraak van de kantonrechter, eventueel op te schorten door ontijdig verklaren van het verweer, gaat bij het niet honoren van het verweer de procedure verder met de voordracht door het Openbaar Ministerie; het voorlezen van de dagvaarding. Vervolgens leest de griffier het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar voor. Dan vindt eventueel getuigenverhoor plaats, worden stukken van overtuiging overlegd en wordt de verdachte ondervraagd. Vervolgens krijgt de ambtenaar van het Openbaar Ministerie het woord voor zijn requisitoir, waarop de verdachte kan antwoorden, waarop wederom de ambtenaar van het Openbaar Ministerie kan antwoorden. Tenslotte krijgt de verdachte het laatste woord, waarna het onderzoek wordt gesloten De uitspraak volgt direct of binnen 14 dagen. De uitspraak moet een beslissing geven over het wel of niet bewezen zijn van de feiten, de strafrechtelijke kwalificatie van die feiten, het wel of niet bewezen zijn van de schuld aan die feiten en de toepassing van de bij de wet bepaalde straf.

Artikel 357 van het Wetboek van Strafvordering geeft de mogelijkheid dat er een schriftelijk vonnis kan worden gewezen en wat het moet bevatten. Dit zijn o.a. identiteit van de verdachte en wie verantwoordelijkheid voor het vonnis geweest is. Het vonnis moet op een openbare terechtzitting worden uitgesproken, cq. worden voorgelezen in het bijzijn van de griffier.

Het mondeling vonnis wordt aangetekend in het proces-verbaal ter terechtzitting op een door de Minister van Justitie voorgeschreven wijze.

In 1935 wordt het zogenaamde stempelvonnis mogelijk. Er is dan geen proces-verbaal van de terechtzitting nodig, maar een aantekening van de opgelegde bestraffing op het dubbel van de dagvaarding en evenals de eventuele afstand van appel of vernietiging van het vonnis in hoogste instantie. Het stempelvonnis is alleen toegestaan indien:

  1. tegen verdachte verstek is verleend of
  2. door de verdachte niets ter verdediging is aangevoerd en indien:
    1. geen getuigen of deskundigen zijn gehoord,
    2. geen beledigde partij zich in het geding heeft gevoegd,
    3. geen aanvulling van de tenlaste legging heeft plaatsgevonden,
    4. een mondeling vonnis is gewezen en
    5. enkel een geldboete of berisping is opgelegd of teruggave aan de ouders/voogd is gelast.
Civiele procedure: dagvaardingsprocedure

De procedure begint met een dagvaarding. Een dagvaarding is een oproep aan de gedaagde om voor het gerecht te verschijnen. De eiser, of diens vertegenwoordiger, stelt deze op en een deurwaarder brengt haar naar de gedaagde. In de dagvaarding staat onder meer wat de eiser wil. Dit wordt ook wel de conclusie van eis genoemd. De gedaagde kan antwoorden met een verweer, de conclusie van antwoord. Daarna kunnen beide partijen nogmaals schriftelijk of mondeling reageren. Voor de eiser heet dit repliek, voor de gedaagde dupliek. Vervolgens doet de rechter uitspraak in de vorm van een vonnis. Als de zaak niet duidelijk is, kan de rechter een tussenvonnis (interlocutoir vonnis) geven. Hij kan de partijen dan vragen bepaalde gebeurtenissen of bewering te bewijzen (bijvoorbeeld door getuigen op te roepen). Ook kan de kantonrechter ter plaatse de situatie willen bekijken. Dat heet schouw of descente. Of hij kan een deskundigenrapport laten maken. Als het tussenvonnis is uitgevoerd kunnen beide partijen nog een keer reageren en tenslotte komt het vonnis. Als de gedaagde niet is verschenen, doet de rechter uitspraak zonder het standpunt van de gedaagde partij te hebben gehoord. Tegen een verstekvonnis kan de gedaagde in verzet gaan door op zijn beurt de eiser te dagvaarden. De procedure begint dan opnieuw voor dezelfde rechter.

De terechtzittingen zijn in beginsel openbaar, dus voor iedereen toegankelijk. Alleen in bijzondere gevallen kan de kantonrechter beslissen dat er tijdens de zitting geen toehoorders worden binnengelaten die minderjarig zijn.

Het vonnis dient altijd op een openbare terechtzitting uitgesproken te worden, ook na behandeling met gesloten deuren.

Bij het vonnis moet onderscheiden worden het uitgesproken deel en de expeditie (= afschrift voor de partijen).

Het vonnis wordt gebracht op het proces-verbaal van de terechtzitting. Het uitgesproken deel bevat de namen en de woonplaatsen van partijen, de slotsom van de eventuele conclusie van het Openbaar Ministerie, de gronden van de uitspraak zowel wat betreft de feiten als het rechtspunt, de uitspraak (het dictum) en de naam van de kantonrechter. De expeditie bevat daarnaast de conclusies van partijen, de vermelding dat het vonnis in het openbaar is uitgesproken en de datum van de uitspraak.

Het proces-verbaal van de terechtzitting (ook wel audiëntieblad of zittingsblad genoemd) bevat het verslag van wat er ter sprake gekomen is op de terechtzitting, de zakelijke inhoud van eis en verweer, verklaringen van getuigen en deskundigen en de uitspraak. In zaken waar hoger beroep kan worden ingesteld, moet een afzonderlijk proces-verbaal worden opgemaakt van de verklaringen van getuigen en deskundigen. Zo'n proces-verbaal wordt opgemaakt door de griffier.

Hoe het proces-verbaal van de terechtzitting moet worden ingericht en bijgehouden is niet voorgeschreven.

De vonnissen en processen-verbaal die in minuut (

De inhoud van het vonnis wordt vastgesteld bij autentieke akte (de minuut), dat bij het kantongerecht blijft berusten en ondertekend wordt door de president en griffier. Daardoor kan aan de partijen een bewijsmiddel worden verschaft, dat zij in hoger beroep, in cassatie of voor de tenuitvoerlegging nodig kunnen hebben. Artikel 64 van het wetboek Burgerlijke Rechtsvordering legt daarom de griffier de verplichting op, zodra mogelijk op aanvraag van partijen een volledige afschrift ven het vonnis (expeditie) uit te reiken. De expeditie wordt ondertekend door griffier is dus een authentieke afschrift van een authentieke akte. Voor de gerechtelijke tenuitvoerlegging wordt een bijzondere expeditie afgegeven, met het opschrift in naam der Koningin, deze wordt grosse genoemd.

) zijn opgemaakt worden meestal samengevoegd en gebundeld en op rolnummer geordend.

Civiele procedure: rekestprocedure

-- arbeids- en huurkoopzaken --

In 1907 wordt een rekestprocedure voor arbeidszaken ingevoerd. De procedure begint met een rekest van eiser aan de kantonrechter om een dag voor de behandeling van de zaak te bepalen. Het rekest bevat naam en woonplaats van partijen en mededeling van de vordering en de gronden ervoor. Het rekest wordt in een daartoe bestemd register ingeschreven. De kantonrechter stelt dag en uur vast en de griffier doet daarvan mededeling aan partijen bij de dienstbrief, welke kennisgeving de kracht heeft van een dagvaarding. Verder verloopt de procedure als boven na dagvaarding.

In 1936 wordt een rekestprocedure voor huurkoopzaken ingevoerd. De procedure verloopt gelijk aan die van de hierboven genoemde arbeidszaken.

-- overige rekesten --

Hier zijn geen algemene regels te geven. De verschillende regelingen die de kantonrechter bevoegdheid verlenen, bevatten vaak ook de procedurele voorschriften omtrent vorm en inhoud van het rekest, horen van belanghebbenden (bijvoorbeeld in voogdijzaken) en dergelijke.

Pachtkamer

Pacht of pachtovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij (de verpachter) zich verbindt om aan de andere partij (de pachter) tegen voldoening van een tegenprestatie (de pachtprijs) een hoeve of los land in gebruik te verstrekken.

De pachter kreeg aandacht na de 1874 begonnen ontwikkeling van de sociale wetgeving, waarbij de landbouwcrisis van de jaren tachtig van de 19e eeuw en veel later de crisis van de jaren dertig van de 20 ste eeuw extra impulsen betekenden. In 1932 werd een crisispachtwet ingevoerd, die werd vervangen door de Pachtwet 1937 (staatsblad 205). Spoedig bleek dat deze eerste pachtwet in de praktijk op bepaalde punten tekort schoot. In de bezettingstijd werd deze vervangen door het Pachtbesluit 1941(Verordeningenblad 215). Na de oorlog bleef het Pachtbesluit in werking. Maar ook het Pachtbesluit voldeed niet meer in de praktijk en werd in 1958 door een nieuwe Pachtwet buiten gebruik gesteld.

De pachtwet bepaalt dat in ieder kanton een pachtkamer functioneert. Zo'n kamer bestaat uit de kantonrechter als voorzitter en twee niet tot de rechterlijke macht behorende personen die deskundig zijn op het gebied van de verhoudingen op pachtgebied. De eisende partij moet een verzoekschrift indienen bij de griffie van de pachtkamer conform de procedure voor arbeidszaken. De procedure verloopt verder analoog aan die in arbeidszaken. Hoger beroep is mogelijk bij vorderingen boven ƒ 1500,-- voor de Pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in