Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Kantongerecht Gorinchem, 1970-1979

3.03.24.06
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2005
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.24.06
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2005
CC0

Periode:

1970-1979

Omvang:

15,00 meter; 116 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De strafzaken die het kantongerecht behandelt zijn hoofdzakelijk overtredingen. De civielrechtelijke zaken zijn met name geldvorderingen tot een bepaald bedrag, maar ook arbeids- en huurzaken en pachtkwesties. In het archief bevinden zich de processen-verbaal van de strafzaken met de vonnissen. De burgerlijke zaken zijn onderverdeeld naar procesgang in dagvaardingen en rekesten. Van de dagvaardingen zijn er audiëntiebladen, vonnissen en processtukken op rolnummer, van de rekesten zijn er beschikkingen op repertoirenummer. Verder zijn er stukken van de pachtkamer en een aantal buitengerechtelijke stukken, zoals voogdijregisters. Daarnaast bevat het archief huishoudelijke en griffiezaken, zoals griffiecorrespondentie.

Archiefvormers:

  • Kantongerecht te Gorinchem

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Jurisdictiegebied

De bijgaande inventarislijsten over het tijdvak 1970-1979, hebben betrekking op de archiefbescheiden van het kantongerecht te Gorinchem. De archiefbescheiden van de arrondissementsrechtbank en de andere kantongerechten binnen het arrondissement Dordrecht

(Dordrecht en Oud-Beijerland) zijn apart geïnventariseerd.

Onder artikel 27 van het Staatsblad uit 1956 no. 426 staat het volgende:

Artikel 6 van de Wet van 10 augustus 1951, Stbl. 347, houdende nieuwe vaststelling van het rechtsgebied en de zetels der rechtbanken en kantongerechten, werd met ingang van 1 januari 1957 gewijzigd als volgt:

Onder "Kantongerecht Gorinchem" wordt in de plaats van "Giessen-Nieuwkerk" nu "Hardinxveld" gelezen. Bij Giessenburg wordt nu Hardinxveld-Giessendam gelezen en vervalt "Peursum".

Tijdens de periode 1970-1979 omvat het dan de gemeenten: Ameide; Arkel; Asperen; Everdingen; Giessenburg; Gorinchem; Hagestein; Hardinxveld-Giessendam; Hei-en Boeicop; Heukelom; Hoogblokland; Hoornaar; Kedichem; Leerbroek; Leerdam; Lexmond; Meerkerk; Nieuwland; Noordeloos; Schelluinen; Schoonrewoerd; Tienhoven (Z.H.); Vianen;

Benevens: Herwijnen;Vuren; Werkendam; Woudrichem.

Samenstelling en taakverdeling
Functionarissen en hun taak

Kantonrechters en kantonrechters-plaatsvervangers

Alle bij de rechtspraak betrokken personen worden voor het leven benoemd echter met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt wordt ontslag verleend (artikel 36, 51, 62, en 84 Wet RO).

Voor de functie van kantonrechter is een doctoraat in de rechtswetenschap (rechtsgeleerdheid)

of meestertitel in de rechten bij een Nederlandse universiteit of aan de open universiteit noodzakelijk. Voor de kantonrechter-plaatsvervanger gelden dezelfde eisen.

Een kantonrechter is een alleensprekend rechter, met uitzondering van zaken betreffende de pachtwet. De kantonrechter is voorzitter van de pachtkamer, die verder bestaat uit twee niet tot de rechterlijke macht behorende leden als deskundige leden (artikel 115 PW).

De rechtbank beëdigt de kantonrechter, op voordracht van het Openbaar Ministerie. De kantonrechter wordt geïnstalleerd tijdens een zitting van het kantongerecht.

De leden van de rechterlijke macht worden door de Hoge Raad ingevolge artikel 12 RO ontslagen:

  • indien zij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt zijn hun functie te vervullen;
  • bij ongeschiktheid voor de functie, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken;
  • bij de aanvaarding van ambten of betrekkingen, die volgens de wet onverenigbaar zijn met de door hen beklede functie;
  • indien zij hun functie niet mogen behouden op grond van wettelijke voorschriften over het bekleden van functies door personen die tot elkaar in een familiebetrekking staan;
  • bij het verlies van het Nederlanderschap.

De griffier

De griffier en de substituut-griffier worden benoemd bij Koninklijk Besluit, niet voor het leven, maar tot wederopzegging (art 36. lid 1 en lid 2 RO). Ontslag wordt verleend op 65

jarige leeftijd, terwijl zij ook voor die tijd kunnen worden ontslagen.

Tot griffier kunnen alleen zij worden benoemd, die aan een Nederlandse universiteit of aan een open Universiteit een doctoraal examen hebben afgelegd, dan wel bij een algemene maatregel van bestuur voldoende verklaarde opleiding hebben. (artikel 35, lid 2 RO).

Een griffier kan bij meer dan één kantongerecht worden benoemd. De griffier bij een arrondissementsrechtbank kan, ingevolge artikel 37, lid 2 RO, eveneens tot griffier van een kantongerecht worden benoemd.

De taak van de griffier houdt onder andere in de inrichting van de administratie, het beheer van archief en bibliotheek, de bewaring van opgezonden neergelegde stukken en geldswaarden, het bijhouden van zittingsrollen en audiëntiebladen. De taken van de griffier zijn geregeld in Reglement I van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafvordering.

Bij afwezigheid van de griffier worden zijn taken overgenomen door een substituut-griffier of een waarnemend griffier. Deze ambtenaren worden door de minister van Justitie benoemd, op aanbeveling van de kantonrechter.

Griffie- ambtenaren

Deze worden aangesteld door de minister van Justitie (sinds 1910, voordien door de griffier)

en verrichten werkzaamheden ten behoeve van de inwendige dienst van het kantongerecht en de griffie.

Deurwaarders

Deze worden benoemd door de minister van Justitie (eerder door de rechtbank) en moeten naast het uitbrengen van exploten en dergelijke ook dienst doen ter terechtzitting.

Het Openbaar Ministerie

Artikel 3 e.v. van de Wet op de Rechterlijke Organisatie regelt de organisatie en de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie. Het is belast met de handhaving van wetten, de vervolging van alle strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van alle strafvonnissen. Bij het kantongerecht wordt het Openbaar Ministerie uitgeoefend door de officieren van Justitie en hun plaatsvervangers. Aan het hoofd van een arrondissementsparket staat de hoofdofficier van Justitie.

Tussen het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht bestaat een tweetal verschillen: de minister van Justitie is politiek verantwoordelijk voor het Openbaar Ministerie, terwijl een rechter onafhankelijk is, en het Openbaar Ministerie houdt zich bij uitsluiting met het strafrecht bezig.

De ambtenaar van het Openbaar Ministerie

Bij de Wet van 9 april 1877 (Stbl. 73) werd de functie van ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het kantongerecht ingesteld. De ambtenaar OM werd eveneens bij Koninklijk Besluit tot wederopzegging benoemd. Als benoemingseisen golden, dat hij Nederlander is,

een minimumleeftijd van 23 jaar en een doctoraat in de rechtswetenschap (rechtsgeleerdheid)

of meestertitel in de rechten. Wanneer bij het kantongerecht of bij dezelfde kantons meer dan één ambtenaar OM zijn aangesteld, wijst de procureur-generaal bij het desbetreffende gerechtshof één aan als hoofd van het parket. De ambtenaar OM stond onder toezicht en directie van de procureur-generaal bij het gerechtshof. Hun taak was het onderzoeken van en vervolgen van strafbare feiten, die plaats vonden in het kanton waar zij werkzaam waren.

Als waarnemend ambtenaar OM had de officier van Justitie ook de mogelijkheid om een ambtenaar OM bij een ander kantongerecht aan te wijzen of zelfs een beëdigd klerk van het parket aan te wijzen.

Op 1 januari 1957 (Stbl. 1956, 377) worden de parketten van het Openbaar Ministerie bij de kantongerechten samengevoegd met de rechtbankparketten tot arrondissementsparketten.

Parketwachters

Op 17 april 1943 werd door de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie besloten om parketwachters bij de kantongerechten in te stellen. Zij werden benoemd door de minister van Justitie. De taak van de parketwachters was het optreden in strafzaken:

  1. bij het handhaven van de orde tijdens de terechtzitting, echter alleen op aanwijzing van de kantonrechter;
  2. bij de betekening van stukken;
  3. bij de voorgeleiding van verdachte, getuigen, deskundigen, tolken. Dit gold alleen, in dringende gevallen, bij de terechtzitting.

Bij Besluit van de Ministerie van Justitie van 28 augustus 1947, nr. 1811 werd de parketwacht als zelfstandig korps opgeheven en met ingang van 1 september 1947 ondergebracht bij de rijkspolitie, waarin zij een parketgroep vormde.

Procedures Strafzaken

Regel om een procedure in strafzaken aan te vangen is de dagvaarding, welke uitgereikt wordt door de deurwaarder (artikel 97a - 125 RV). De strafzaken worden in eerste instantie ingeschreven in een register dat gehouden wordt door het OM. In dit register worden diverse gegevens vermeld: de dader, de overtreding, de naam van de verbalisant, de transactie of sepot en de uitspraak van de kantonrechter. In de dagvaarding is een opgave van het tenlaste gelegde feit, van de tijd en plaats waarop het feit gepleegd zou zijn en de omstandigheden waaronder vermeld.

Bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in 1926 werd bepaald dat een procedure ook kan beginnen met een oproeping (dat wil zeggen zonder deurwaarder c.a.),

mits er spraken is van ontdekking op heterdaad door een opsporingsambtenaar en mits zulks niet is uitgesloten door de minister van Justitie.

Bij niet verschijnen van de verdachte wordt verstek verleend en het onderzoek ter terechtzitting zonder verdachte uitgevoerd. Tegen een bij verstek gewezen vonnis is verzet mogelijk. Bij wel verschijnen van de verdachte of zijn (schriftelijk) gevolmachtigde wordt het onderzoek ter terechtzitting geopend met het identiteitsverhoor van de verdachte. Direct daarna kan door de verdachte een verweer worden ingesteld op grond van nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van de ambtenaar van het OM of onbevoegdheid van de kantonrechter. Na uitspraak van de kantonrechter, eventueel op te schorten door ontijdig verklaren van het verweer, gaat bij niet honoreren van het verweer de procedure verder met de voordracht door het OM: het voorlezen van de dagvaarding. Vervolgens leest de griffier het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar voor. Dan vindt eventueel getuigenverhoor plaats, worden stukken van overtuiging overlegd en wordt de verdachte ondervraagd.

Vervolgens krijgt de ambtenaar van het OM het woord voor zijn requisitoir, waarop de verdachte kan antwoorden, waarop wederom de ambtenaar van het OM kan antwoorden, tot tenslotte verdachte het laatste woord krijgt, waarna het onderzoek wordt gesloten.

De uitspraak volgt direct of binnen 14 dagen bij schriftelijk vonnis. De uitspraak moet een beslissing geven over het wel of niet bewezen zijn van de feiten, de strafrechterlijke kwalificatie van die feiten en de toepassing van de bij de wet bepaalde straf. Indien een schriftelijk vonnis gewezen wordt, moet dit vonnis met redenen omkleed zijn en moet naast bovengenoemde elementen van de uitspraak de personalia van de veroordeelde, de tenlastelegging (onder verwijzing naar de dagvaarding) met alle strafverlichtende en strafverzwarende omstandigheden, de inhoud der bewijsmiddelen, voor zover zulks tot het bewijs heeft meegewerkt, de wettelijke gronden voor de opgelegde straf, de uitspraak op vordering van de beledigde partij en de naam van de vonnissende kantonrechter bevatten.

Ook kan worden volstaan met een mondeling vonnis, tenzij de verdachte van het OM een schriftelijk vonnis wil of de kantonrechter dat zelf nodig oordeelt. Het Besluit van 21 juli

1922 (Stcrt. 141) bepaalde dat het mondeling vonnis wordt aangetekend in het proces-verbaal der terechtzitting op een door de minister van Justitie voorgeschreven wijze. Het vonnis moet op een openbare terechtzitting worden uitgesproken c.q. worden voorgelezen. Het procesverbaal ter terechtzitting moet bevatten de ter terechtzitting in acht genomen vormen, hetgeen betreffende de zaak ter terechtzitting geschiedt en de zakelijke inhoud van de verklaringen van getuigen, deskundigen en verdachte.

Naast het aanhangig maken bij dagvaarding en de verzoekschriftprocedures worden strafzaken voor het kantongerecht aanhangig gemaakt bij oproeping. De politie-ambtenaar reikt in dat geval een kennisgeving van oproeping aan de betrokkene uit. Enige dagen erna gevolgd door de over de post toegezonden oproeping: hierin staat vermeld waar en wanneer men ter terechtzitting dient te verschijnen.

Een verdachte kan alleen door de rechter worden veroordeeld indien de ten laste gelegde feiten bewezen zijn. De rechter onderzoekt dit. Hij hoort de verdachte, de getuigen en soms deskundigen. Ook neemt hij kennis van het dossier, waarin zich alle stukken bevinden, die tijdens de voorgaande onderzoeken zijn opgemaakt, zoals het door de politie opgemaakte proces-verbaal. De officier van Justitie bespreekt in zijn vordering of hij het ten laste gelegde bewezen acht. Vindt hij dit het geval dan eist hij meestal een straf; daarna heeft de verdachte het recht zich te verdedigen. Wordt de verdachte bijgestaan door een raadsman dan houdt deze na het requisitoir van de officier van Justitie een pleidooi.

Tenslotte sluit de rechter het onderzoek en wijst hij (een contradictoir) vonnis. Indien de verdachte niet verschijnt wordt hij/zij bij verstek berecht. Nadat het vonnis is gewezen,

kunnen zowel de officier als de verdachte daartegen hoger beroep aantekenen binnen een bepaalde tijd. Dit kan slechts bij door de wet genoemde vonnissen. Tegen het verstekvonnis kan de verdachte in verzet komen. De zaak wordt dan opnieuw door dezelfde rechter behandeld. Wanneer geen hoger beroep is ingesteld wordt het vonnis onherroepelijk ("in kracht van gewijsde"). Wanneer het hoger beroep op tijd is ingesteld zal de zaak door een hogere rechter worden behandeld. Nadat deze op zijn beurt uitspraak heeft gedaan, kan men nog slechts van de uitspraak cassatie aantekenen bij de Hoge Raad. Is dit niet binnen de daarvoor gestelde tijd gebeurd, dan is de uitspraak onherroepelijk geworden.

Dit is eveneens het geval als de behandeling van de zaak voor de Hoge Raad niet heeft geleid tot vernietiging van het vonnis; wordt een vonnis wel vernietigd dan wijst de Hoge Raad als regel terug naar een rechtbank of een gerechtshof om de zaak (eventueel op bepaalde punten)

opnieuw te bezien.

In strafzaken komen ook beschikkingen voor, bijvoorbeeld op een ingediend bezwaarschrift tegen de dagvaarding, tegen een inbeslagneming of de invordering van een rijbewijs. Ook tegen deze beschikkingen is in de meeste gevallen hoger beroep en/of cassatie mogelijk.

Wanneer een vonnis onherroepelijk is geworden, wordt de straf door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd. Indien de verdachte een boete moet betalen, krijgt hij daarvan een aanschrijving. Betaalt hij niet op tijd dan moet hij een boete met verhoging betalen. Kan of wil hij niet betalen dan moet hij een vervangende hechtenis uitzitten, of wordt een boete op zijn bezittingen "verhaald". Indien hij alleen tot een hechtenisstraf (principale hechtenis) of een gevangenisstraf is veroordeeld, zal hij deze in een huis van bewaring of een gevangenis moeten ondergaan. Dit kan bij korte straffen ook wel met onderbrekingen gebeuren,

bijvoorbeeld alleen in de weekeinden.

De Koningin kan van de bij vonnis opgelegde straffen gratie verlenen, door die straffen te verminderen, te wijzigen of kwijt te schelden. Wanneer gratie is aangevraagd en de tenuitvoerlegging van de straf nog niet is aangevangen, kan die tenuitvoerlegging worden opgeschort totdat op het gratieverzoek is beslist.

Procedures Burgerlijke Zaken

Bij dagvaarding:

De procedure in burgerlijke zaken vangt aan met een dagvaarding door eiser van gedaagde.

Het houden van een rol voor burgerlijke zaken is niet verplicht. Wel worden ook hier wekelijks zittingen gehouden en bestaat in de praktijk bij ieder kantongerecht een register van zaken. De rol is een register van zaken bijgehouden door de griffier. Het is mogelijk de zaak aan te melden op de zitting waartegen gedagvaard is. Bij verstek van gedaagde wordt de eis toegewezen, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond is. Bij verstek van de eiser wordt gedaagde ontslagen van instantie en de eiser in de kosten veroordeeld.

Een dagvaarding is een deurwaarders-exploot welke aan de gedaagde op de volgende manieren uitgebracht kan worden:

  1. aan de gedaagde persoonlijk;
  2. aan de woonplaats van de gedaagde;
  3. door achterlating via de brievenbus van het woonadres van de gedaagde;
  4. door middel van bezorging per post.

De deurwaarder moet de dagvaarding aan de gedaagde of aan een van diens huisgenoten overhandigen, de zogenaamde betekening. Oorspronkelijk werd de dagvaarding beschouwd als een mondelinge oproeping van een deurwaarder waarvan hij proces-verbaal opmaakte.

Tegenwoordig wordt een afschrift aan de gedaagde uitgereikt en is het juister het exploot zelf als dagvaarding te zien. Voor de inhoud van de dagvaarding bestaat een aantal eisen welke vastgesteld zijn in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 5 - 17).

Een dagvaarding moet in ieder geval bevatten:

  1. de datum waarop hij wordt uitgebracht en de (voor)naam en woonplaats van de eiser;
  2. de (voor)naam en woonplaats van de deurwaarder die de dagvaarding uitbrengt;
  3. de (voor)naam en woonplaats van de gedaagde en vermelding van de personen aan wie de dagvaarding is uitgereikt;
  4. aanwijzing van de rechter die van de zaak kennis moet nemen;
  5. de dag en het uur van de terechtzitting;
  6. de middelen en het onderwerp van de eis;
  7. de eis.

De minimumtermijn voor de dagvaarding is, als de gedaagde in Nederland woont of verblijf houdt, bij kantongerechtprocedures vijf dagen. In de praktijk wordt veelal de procesgang als voor de rechtbank gevolgd met schriftelijke conclusies (van eis, verweer, repliek en dupliek)

en wordt de zaak over meer terechtzittingen uitgerekt door verdaging. Bij interlocutoir vonnis

(een tussenuitspraak waarbij de rechter enig bewijs, een onderzoek of een instructie beveelt,

waarvan het eindvonnis afhankelijk kan zijn) kan getuigenbewijs opgedragen worden,

gerechtelijke plaatsopneming kan ingelast worden, etc.

De terechtzittingen zijn in beginsel openbaar, tenzij belangen van partijen anders vorderen.

Het vonnis dient altijd op een openbare terechtzitting uitgesproken te worden, ook na behandeling met gesloten deuren. Bij het vonnis moet onderscheiden worden het uitgesproken deel en de expeditie/afschriften. Het vonnis wordt gebracht op het proces-verbaal van de terechtzitting (audiëntieblad) conform artikel 60 Rv.

Het uitgesproken deel bevat de namen en de woonplaatsen van partijen, de gronden der uitspraak zowel wat betreft de feiten als het rechtspunt, de uitspraak (het dictum) en de naam van de kantonrechter. De expeditie bevat daarnaast de conclusies van partijen, de vermelding dat het vonnis in het openbaar is uitgesproken en de datum van de uitspraak.

Het proces-verbaal bevat het plaatsgevondene ter terechtzitting, de zakelijke inhoud van eis en verweer, verklaringen van getuigen en deskundigen en de uitspraak. In zaken waarin hoger beroep kan worden ingesteld, moet een afzonderlijk proces-verbaal worden opgemaakt van de verklaringen van getuigen en deskundigen.

Het audiëntieblad bevat naast het vonnis ook de mondelinge conclusies van partijen, de verklaringen van getuigen en de beëdigingen van deskundigen en ambtenaren.

Bij rekest

Naast de dagvaardingsprocedure kennen we procedures die met een rekest (verzoekschrift)

beginnen. Bij de rekestprocedures gaat het om die gevallen, waarin de wet voorschrijft dat men zich door middel van een verzoekschrift rechtstreeks tot de rechter moet wenden.

In de wet wordt het begrip rekest niet gedefinieerd. De term geeft eerbiedig te kennen en hetwelk doende zijn dus niet verplicht. Het rekest moet ingevolge artikel 429d lid 1 - 3 Rv bevatten:

  1. de (voor)naam, woonplaats of werkelijk verblijf van de verzoeker vermelden;
  2. een duidelijke omschrijving van het verzoek;
  3. de gronden waarop het berust.

De rekestprocedure is in eerste instantie alleen bedoeld voor die zaken waarbij een rechterlijke beslissing noodzakelijk is zonder dat sprake is met een geschil met de wederpartij.

In de artikelen 429 a - v Rv is de algemene regeling van de rekestprocedure opgenomen. Er komen ook rekestzaken voor die wel een geschil beslissen, deze worden vermeld in artikel

125 a - j Rv. Enkele voorbeelden van procedures welke door een verzoekschrift worden ingeleid zijn:

  • aanneming van werk;
  • agentuurovereenkomsten; (collectieve)arbeidsovereenkomsten en bepalingen die algemeen verbindend zijn verklaard;
  • dwangbevelprocedures;
  • huurkoopzaken;
  • verhaal tegen derden van uitkeringen voor levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek1 BW.

Voor een aantal rekestprocedures gelden, ten dele, afwijkende voorschriften ten aanzien van de algemene regels. Dit zijn de procedureregels in zaken betreffende:

  • handlichting;
  • onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen; ouderlijke macht
  • rechterlijke machtiging tot het verrichten van rechtshandelingen ter vervanging van de medewerking/toestemming van de andere echtgenoot;
  • voogdij.

Arbeidszaken en huurkoopzaken

In 1907 zijn met de Wet van 13 juli (Stbl. 193) de artikelen 125 a - f ingevoegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze golden aanvankelijk alleen voor arbeidszaken. In deze artikelen zijn de procedureregels gegeven in zaken betreffende:

  1. een arbeidsovereenkomst;
  2. een agentuurovereenkomst;
  3. een collectieve arbeidsovereenkomst;
  4. algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een cao;
  5. aanneming van werk.

De kantonrechter is bevoegd in bovengenoemde zaken, ongeacht de som der vordering. Hoger beroep is mogelijk als de vordering meer dan fl. 2500, - bedraagt.

De wettelijke regeling van de overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling werd bij de wet van 23 april 1936 (Stbl. S 202) geregeld door de invoeging van de artikelen 1576-1576x in het Burgerlijk Wetboek, artikel 39 sub 4 in de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de artikelen 125 g - j en 490 a - d in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De artikelen

125 g - j Rv geven de procedures betreffende huurkoop.

Overige rekestzaken

Hier zijn geen algemene regels te geven. De verschillende regelingen die de kantonrechter bevoegdheid verlenen, verstrekken meestal ook de procedurele voorschriften omtrent vorm en inhoud van het rekest, horen van belanghebbende en dergelijke.

Belangrijke overige rekestzaken zijn de arbeidszaken ex artikel 1639 BW, verzoek ontslag op grond van gewichtige redenen, de huurzaken ex artikel 1623a BW voor woonruimtezaken en ex artikel 1624 BW voor bedrijfsruimtezaken en de Huurprijzenwet woonruimte.

Pachtzaken

Met ingang van 25 november 1941 werden de Crisispachtwet 1932 en de Pachtwet 1937

buiten werking gesteld en vervangen door het Pachtbesluit.

Dit besluit kende onder meer de volgende nieuwe regelingen:

  1. men kon schriftelijke vastlegging van een mondeling aangegane overeenkomst vragen bij de grondkamers;
  2. de toetsing van de pachtovereenkomsten werd voortaan door de grondkamers verricht;
  3. de pachtovereenkomst moest worden aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk twaalf jaar voor een hoeve en zes jaar voor "los land";
  4. naast de grondkamers bleven de pachtkamers bij de kantongerechten en bij het Gerechtshof Arnhem bestaan.

Alle kantongerechten hebben een pachtkamer die bestaat uit drie leden. De kantonrechter is voorzitter van deze kamer voorts zijn er twee deskundige leden die niet tot de rechterlijke macht behoren (artikel 115 PW). Één lid vertegenwoordigt de pachtersbelangen en één lid de verpachtersbelangen (artikel 116, lid 4 PW). Bij de benoeming van deze leden moet de Kroon ervoor zorgdragen dat in de pachtkamer noch het pachtersbelang noch het verpachtersbelang overheerst (artikel 116, lid 4 PW). De belangrijkste uitvoeringsregelingen ingevolge de Pachtwet 1958 zijn:

  1. de regeling van het rechtsgebied en de standplaats van de grondkamers; (Koninklijk Besluit van 20 maart 1958, Stbl. 65)
  2. het Reglement voor de Grondkamers en de Centrale Grondkamer; (Koninklijk Besluit van 19 april 1958, Stbl. 193)
  3. het Reglement voor de Pachtkamers. (Koninklijk Besluit van 21 april 1958, Stbl. 198)

De geschillen in pachtzaken worden in eerste aanleg behandeld door de pachtkamer van het kantongerecht. Hierna is beroep mogelijk bij de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem.

Alle pachtovereenkomsten en overeenkomsten tot wijziging of beëindiging van een pachtovereenkomst moeten door de grondkamer worden goedgekeurd (artikel 2 PW). In iedere provincie is een grondkamer, waarbij de grondkamer voor Overijssel ook bevoegd is voor de Noordoostpolder. De grondkamer heeft standplaats in de provinciehoofdstad, met uitzondering van Zeeland (Goes) en Limburg (Roermond).

Als beroepsinstantie werd de Centrale Grondkamer ingesteld, welke kamer verbonden is aan het gerechtshof te Arnhem.

De grondkamer bestaat uit een voorzitter, alsmede tenminste vier en ten hoogste twaalf leden.

Gedeputeerde Staten maken een voordracht tot benoeming van de leen, met uitzondering van de voorzitter. De grondkamer houdt zitting met een voorzitter en twee leden (artikel 79 PW).

De Centrale Grondkamer beslist met een kamer bestaande uit drie tot de rechterlijke macht behorende leden en twee deskundigen.

Verschillen met een rechtbankprocedure

De procedure voor de kantonrechter is in hoofdlijnen gelijk aan een rechtbankprocedure, er zijn echter wel enige verschillen. De belangrijkste verschillen zijn:

  1. de kantonrechter spreekt recht als unus iudex (alleensprekend rechter); NB. In pachtgedingen kent het kantongerecht wel collegiale rechtspraak
  2. geen recht op pleidooi;
  3. overeenkomstig de artikelen 112 - 125 RV kan de kantonrechter tot een snelle ontruimingsprocedure en rechtstreekse tenuitvoerlegging overgaan;
  4. concentratie van verweer is niet verplicht;
  5. de kantonrechter kan op verzoek van één der partijen een voorlopige voorziening bevelen;
  6. een deel van de vordering kan tussentijds toegewezen worden;
  7. het is niet noodzakelijk dat schriftelijke conclusies genomen worden;
  8. de minimum dagvaardingstermijn is vijf dagen;
  9. partijen zijn niet verplicht zich te laten vertegenwoordigen

De langste tijd waarover het in deze inventaris beschreven tienjarenblok 1970-1979 loopt was het Kantongerecht te Gorinchem nog gehuisvest in het Raadhuis van Gorinchem, Grote Markt 17. Dit was al het geval sinds de ingebruikname in 1860. Voor de bouw daarvan had het gemeentebestuur in 1859 een rijkssubsidie aangevraagd, omdat het vanaf het begin de bedoeling was hier zowel de arrondissementsrechtbank als het kantongerecht in te huisvesten.

Dientengevolge werd met het Ministerie van Justitie overeengekomen, dat het Rijk als medegebruiker van het stadhuis een bijdrage in de bouwkosten zou leveren van 25.741,50 gulden. In ruil daarvoor kregen de beide rechtsprekende instanties gratis inwoning in het stadhuis. Doordat de arrondissementsrechtbank in 1877 werd opgeheven en naar Dordrecht werd verplaatst, had het kantongerecht vanaf toen vier kamers in gebruik.(

Kort overzicht van de geschiedenis der gebouwen bij het Departement van Justitie in gebruik, met vermelding van de nummers der dossiers waarin de stukken zijn opgenomen, Departement van Justitie: z. pl, 1912, 76. In een brief van de gemeente Gorinchem aan de minister van Justitie d.d. 20 september 1935 wordt evenals in 1877 van vier kamers gesproken. Zie: Nationaal Archief (NA), Ministerie van Justitie, Afd. Gebouwen, 1825-1954 (2.09.35.05), no 65. J. van Utrecht, Inventaris van het Kantongerecht te Gorinchem, 1930-1939, Dordrecht 1991, 6.

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in