gahetNA in het Nationaal Archief

Kantongerecht Delft, 1940-1979

3.03.22.03
CAS 734
Nationaal Archief, Den Haag
2006
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.22.03
Auteur: CAS 734
Nationaal Archief, Den Haag
2006
CC0

Periode:

1940-1979

Omvang:

35,00 meter; 559 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het Kantongerecht behandelt alle overtredingen m.u.v. de overtredingen bedelarij en landloperij, het misdrijf stoperij, arbeids- en huurkoopzaken alsmede pachtzaken.
Het archief van het Kantongerecht te Delft (1940-1979) bevat van de strafzaken zittingslijsten en registers; van de burgerlijke zaken dagvaardingen en rekesten van de kantonrechter en de pachtkamer, processtukken van huur- en arbeidszaken; van de buitengerechtelijke zaken akten en beschikkingen, en stukken betreffende voogdij- en curatele zaken. Tevens zijn er stukken betreffende huishoudelijke- en griffiezaken.

Archiefvormers:

  • Kantongerecht te Delft

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Organisatie van de rechterlijke macht

In 1827 kwam de "Wet op de zamenstelling der regtelijke magt en het beleid der justitie voor het koningrijk der Nederlanden" (Staatsblad (Stb.) 20) tot stand. Deze wet (afgekort: Wet R.O.) werd de grondslag van de nieuwe rechterlijke organisatie. De (nu nog geldende) Wet R.O. bepaalt in hoofdzaak welke soorten rechterlijke instellingen er zijn en in welke zaken deze bevoegd zijn. In vele andere wetten staan bepalingen die bepaalde rechterlijke instanties in zekere zaken bevoegd verklaren. Bij de Wet R.O. behoorden vier "reglementen van openbaar bestuur", regelende de eedsaflegging en de inwendige dienst, de titulatuur en het ambtskostuum, de orde en discipline voor de advocaten en procureurs en de organisatie van de deurwaarders en andere rechtsbedienden.

De Belgische opstand maakte het onmogelijk om de nieuwe rechterlijke organisatie en de wetboeken op 1 februari 1831 in te voeren.

De Wet R.O. onderging vervolgens wijzigingen bij Wet van 28 april 1835, Stb. 10. Uiteindelijk traden de gewijzigde Wet R.O. en de wetboeken in werking op 1 oktober 1838 (ingevolge het Koninklijk Besluit (KB) van 10 april 1838 en het KB van 19 mei 1838). Het Hoog Nationaal Geregtshof werd vervangen door de Hoge Raad der Nederlanden en de provinciale gerechtshoven kwamen in plaats van de hoven van assisen. De negen provinciale gerechtshoven waren gevestigd in Groningen, Leeuwarden, Assen, Zwolle, Arnhem, Utrecht, Den Haag, Middelburg en Den Bosch. Naast de gerechtshoven werd in Amsterdam een criminele rechtbank voor het noordelijk deel van Noord-Holland ingesteld. De arrondissementsrechtbanken vervingen de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel. De kantongerechten kwamen in plaats van de vredegerechten en rechtbanken van enkele politie.

In 1841 werden nog twee gerechtshoven, in Maastricht en in Amsterdam, en een aantal arrondissementsrechtbanken ingesteld. Met de instelling van de arrondissementsrechtbank in Amsterdam werd de criminele rechtbank opgeheven.

Met de "Wet tot opheffing van Provinciale Geregtshoven en Instelling van nieuwe Gerechtshoven" van 10 november 1875, Stb. 204, werden de provinciale gerechtshoven opgeheven en werden vijf regionale gerechtshoven ingesteld. De nieuwe gerechtshoven waren gevestigd in Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Leeuwarden. Bij de wetten van 9 april 1877, Stb. 74-78, werden de rechtsgebieden van de nieuwe gerechtshoven nader bepaald. Een groot aantal rechtbanken en kantongerechten werd opgeheven. De rechterlijke organisatie telde nog 5 gerechtshoven, 23 rechtbanken en 106 kantongerechten. In de volgende jaren werd het aantal arrondissementsrechtbanken en kantongerechten nog aanzienlijk verminderd.

De vijf wetten uit 1877, Stb. 74-78, werden op 17 november 1933 ingetrokken bij vijf nieuwe wetten, Stb. 601-605. Deze wetten traden in werking op 1 januari 1934, Stb. 623, en stelden de rechtsgebieden van de gerechtshoven en de zetels van de arrondissementsrechtbanken en kantongerechten vast.

Het merendeel van de strafzaken en burgerlijke zaken valt onder de bevoegdheid van de arrondissementsrechtbanken. Bij de strafzaken onderscheidt men overtredingen en misdrijven. De berechting van overtredingen, met uitzondering van de overtredingen van bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij is opgedragen aan de kantongerechten. De berechting van de misdrijven met uitzondering van stroperij, en van de overtredingen bedelarij en landloperij behoort tot de competentie van de arrondissementsrechtbanken. De rechtbanken vonnissen in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken van de kantonrechter. Daarnaast nemen de rechtbanken in eerste en tevens hoogste ressort kennis van alle jurisdictiegeschillen tussen de kantongerechten binnen haar arrondissement.

In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve competentie.

Absolute competentie geeft antwoord op de vraag welke rechter bevoegd is (hoofdregel: de arrondissementsrechtbank; in uitzonderingsgevallen: de kantonrechter). De relatieve competentie geeft antwoord op de vraag welke bepaalde rechter van die soort bevoegd is (hoofdregel: de rechtbank of de kantonrechter van de woonplaats van de gedaagde).

Bij absolute competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken. In strafzaken is de kantonrechter bevoegd alle overtredingen, met uitzondering van de overtredingen bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij te berechten. In burgerlijke zaken is de competentie van de kantonrechter een uitzonderingsbevoegdheid. De gewone rechter in eerste aanleg is de arrondissementsrechtbank. Tenslotte behandelt de kantonrechter ook verschillende buitengerechtelijke zaken.

Ook bij relatieve competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken.

In het burgerlijk procesrecht kent men twee procestypen: het proces, dat met een dagvaarding begint en het proces, dat met een verzoekschrift begint. De dagvaarding is een document waarmee de partij, die een uitspraak van de rechter wenst, zich door bemiddeling van de deurwaarder tot de tegenpartij wendt. Het verzoekschrift is een document, waarmee een partij zich rechtstreeks tot de rechter wendt.

Een groot deel van de door de kantongerechten behandelde burgerlijke zaken bestaat uit arbeids- en huurkoopzaken alsmede pachtzaken. Bij Wet van 13 juli 1907, Stb. 193, werden de artikelen 125 a-f ingevoegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betreffende artikelen golden aanvankelijk alleen voor arbeidszaken en gaven de procedureregels in de volgende zaken:

  • een arbeidsovereenkomst;
  • een agentuurovereenkomst;
  • een collectieve overeenkomst;
  • algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO;
  • aanneming van werk.
De kantonrechter was bij uitsluiting bevoegd in bovengenoemde zaken, ongeacht de som van de vordering. Hoger beroep was mogelijk als de vordering meer dan f 2500,- bedroeg. Bij Wet van 23 april 1936, Stb. 202, werden de artikelen 125 g-j aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsverordening toegevoegd. Deze artikelen regelden de procedure inzake huurkoopzaken.

De Crisispachtwet van 17 juni 1932, Stb. 301, omschreef begrippen als "pachter", "pachtovereenkomst" en "pachtprijs". Volgens de Crisispachtwet kon de pachter een verzoek doen tot ontheffing van de verplichting tot betaling van de pachtprijs. De verzoeken tot ontheffing werden behandeld door de kamers voor crisispachtzaken. Deze kamers bestonden uit de kantonrechter als voorzitter en twee leden, die niet tot de rechterlijke macht behoorden.

De Pachtwet van 31 mei 1937, Stb. 205, regelde onder meer:

  • de pachtovereenkomst moest "op straffe van nietigheid" schriftelijk worden aangegaan;
  • de pachtrechters, bij de kantongerechten en het Gerechtshof te Arnhem, moesten de verplichtingen van de pachter toetsen;
  • een tussentijdse wijziging van de bepalingen in de pachtovereenkomst werd mogelijk;
  • pachtovereenkomsten golden voor onbepaalde tijd, slechts bij uitzondering was een termijn van 1 tot 3 jaar mogelijk.
De pachtkamer bestond uit een voorzitter, de kantonrechter en twee deskundigen ten aanzien van de verhoudingen op het pachtgebied. Deze deskundigen behoorden niet tot de rechterlijke macht.

Door de Pachtwet 1937 werden zogenaamde pachtbureaus ingesteld. Deze waren bevoegd beslissingen te nemen over de duur van pachtovereenkomsten. De beslissingen hadden dezelfde rechtskracht als die van de pachtkamers.

De Crisispachtwet 1932 en de Pachtwet 1937 werden met ingang van 25 november 1941 buiten werking gesteld en vervangen door het Pachtbesluit.

Het Pachtbesluit kende een aantal nieuwe regelingen:

  • men kon schriftelijke vastlegging van een mondeling aangegane pachtovereenkomst vragen bij de grondkamers;
  • de toetsing van de pachtovereenkomsten werd voortaan door de grondkamers verricht;
  • de pachtovereenkomst moest worden aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk twaalf jaar voor een hoeve en zes jaar voor "los land";
  • naast de grondkamers bleven de pachtkamers bij de kantongerechten en bij het Gerechtshof Arnhem bestaan.

Voor uitgebreide informatie over de organisatie van de rechterlijke macht in Nederland, de procedures bij rechtszaken alsmede taak, samenstelling en werkwijze van de rechtbanken en kantongerechten wordt verwezen naar het "Werkboek rechterlijke archieven 1838-1940" onder redactie van R. Huijbrecht en "Berecht en gestraft: een geschiedenis van de rechterlijke organisatie en de strafinstellingen, 1811-1993" van G. Beks en H.J.Ph.G. Kaajan (zie de literatuurlijst, blz. 13).

Geschiedenis en huisvesting van het archiefvormend orgaan

Het gebied en de indeling van het arrondissement van het kanton Delft is bij de herindeling van 1877 aanmerkelijk gewijzigd. Het enige verschil daarmee in vergelijk met de indeling van 1951 is dat de gemeenten Stompwijk en Zegwaard vanaf die tijd niet langer meer onder dit kanton ressorteerden. (

Zie voor indeling van 1951 de Bijlage.

)

Evenals dit elders veelal gebeurde had het kantongerecht te Delft vanaf haar instelling in 1825 in het Raadhuis kosteloos enkele lokalen tot zijn beschikking. Hiervoor werd de indeling van het gebouw zelfs gewijzigd. (

Ronald Stenvert e.a., Monumenten in Nederland, dl. Zuid-Holland, Zwolle 2004, p. 121.

) In 1866 had men de beschikking over een zittingszaal en een kamer, die beurtelings als griffie, als getuigenkamer en voor de gemeentedienst werd gebruikt. Met ingang van 3 november werden deze vertrekken van de gemeente gehuurd, terwijl men tijdens het houden van de zitting ook over een kamer tussen de zittingszaal en de secretarie kon beschikken. Nadat deze huurovereenkomst met ingang van 1 november 1883 was opgezegd, werd deze met één jaar verlengd.

Omdat de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij de behandeling van de staatsbegroting voor 1885 het aangevraagde geld voor de aankoop van bouwgrond aan de Phoenixstraat niet wilde geven, werd afgezien van het stichten van een nieuw kantongerecht. In plaats daarvan huurde het kantongerecht met ingang van 1 mei 1885 naast de Polytechnische School een huis aan de Oude Delft 81. Het duurde vervolgens tot 1905 dat de departementen van Justitie en van Financiën in navolging van de nieuwbouw in Nijmegen besloten gezamenlijk op de hoek van de Korte Geer en de Breedstraat een kantongerecht annex registratiekantoor voor de ontvanger en inspecteur der Registratie en Domeinen te bouwen. Dit gebouw, dat ook een conciërgewoning had, werd op 30 december 1907 in gebruik genomen.

In 1937 had men op de begane grond een ruimteprobleem bij de griffie, waardoor de griffier en de waarnemend griffier tot ongenoegen van de kantonrechter sinds langere tijd zijn werkvertrek gebruikten. Daarom werd er boven de kamer van de inspecteur van der Registratie en Domeinen een vertrek bijgebouwd.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het kantongerecht achtereenvolgens inwoning van verschillende instellingen. In 1945 en 1948 waren hierin de Afdeling Commando van het Directoraat-Generaal respectievelijk de Opsporingsdienst voor de prijzen, Afdeling Delft, van het Ministerie van Economische Zaken gehuisvest. Daarna kreeg de inspecteur der Registratie en Domeinen op de benedenverdieping weer de volledige beschikking over de drie vertrekken met brandkluis. Verder huurde het deurwaarderskantoor P.A.Th. van Dam en F.J. van Kampenhout er van 1949 - 1951 een vertrek met archiefruimte op zolder.

Nadat een deel van het pand in 1957 door de Belastingdienst was verlaten, kreeg het kantongerecht er één van de drie vrijgekomen vertrekken bij als enquêtekamer. In afwachting van het vertrek van de Afdeling Invoerrechten en Accijnsen van de Belastingdienst, waarvoor nieuwbouwplannen waren, kreeg de griffier in 1964 zowel voor de civiele- als voor de strafgriffie al uitbreiding met twee vertrekken. Nadat de Belastingdienst eind 1970 ten slotte was vertrokken, was het kantongerecht voor het eerst de enig overgebleven instelling in dit pand. Aansluitend op een opknapbeurt van de werkvertrekken op de begane grond gebeurde dit in 1981 ook met de zittingszaal en de wachtkamer op de eerste verdieping. (

Kort overzicht van de Geschiedenis der Gebouwen bij het Departement van Justitie in gebruik, met vermelding van de nummers der dossiers waarin de stukken zijn opgenomen (uitgave Departement van Justitie,Archief, 's-Gravenhage, 1912), pp. 65-66. Voor de periode tot en met 1937 aangevuld met gegevens uit: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Justitie, Gebouwen, dossier 52, en voor de naoorlogse periode: Archief Ministerie van Justitie, dossier G.B. 127, dat nog op het departement berust.

)

Tijdens de in deze inventaris beschreven periode van 1940 - 1979 onderging de personele bezetting van het kantongerecht nauwelijks enige verandering. Tot en met 1975 was er één kantonrechter met zes plaatsvervangers en één griffier. Nadien werden de plaatsvervangers afgeschaft en waren er twee vaste kantonrechters in dienst. (

Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1940, p. 127 en idem 1976, T. 6.

) De pachtkamer bestond al die jaren uit twee leden met een wisselend aantal plaatsvervangers, die na 1975 ook niet meer in de Staatsalmanak voorkomen.

Overzicht van het rechtsgebied

Zie wet van 10 augustus 1951, Stb. 347.

  • Berkel en Rodenrijs
  • Delft
  • 's-Gravenzande
  • De Lier
  • Monster
  • Naaldwijk
  • Nootdorp
  • Pijnacker
  • Schipluiden
  • Wateringen
  • Zoetermeer

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in