gahetNA in het Nationaal Archief

Rechtbank 's-Gravenhage, 1940-1949

3.03.15.04
Vlasbloem, H.H.
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 2000

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage; Parket van de Officier van Justitie; Kamer van Toezicht op Notarissen en Kandidaat-Notarissen
Rechtbank 's-Gravenhage, 1940-1949

Periode:

1916-1967
merendeel 1940-1949

Omvang:

44.6 meter; 563 inventarisnummers

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage - het archief bestrijkt de periode 1916 tot 1959 - bevat stukken betreffende rechtspraak, onderverdeeld in drie categorieën: strafzaken, burgerlijke zaken en buitengerechtelijke zaken. Het archief van het parket van de Officier van Justitie bevat één deel, te weten een register van aantekening van hoger beroep en cassatie dat loopt van 1941 tot 1948. De overige stukken zijn verfilmd. In het archief van de Kamer van Toezicht op de notarissen en kandidaat-notarissen bevinden zich stukken van algemene- en bijzondere aard. Ook bevat dit archief acht bijlagen, waaronder die van koloniale echtscheidingen.

Archiefvormers:

  • Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
  • Parket van de Officier van Justitie te 's-Gravenhage
  • Kamer van Toezicht op notarissen en kandidaat-notarissen te 's-Gravenhage

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Taak en samenstelling van de arrondissementsrechtbank.

Recht werd gesproken volgens in de grondwet vastgestelde regels. Deze rechtsbedeling bestond uit een driedeling t.w. de administratieve rechtspraak, de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak.

In tegenstelling tot de laatste twee viel de administratieve rechtspraak, waarin de burger de rechter een geschil tussen hemzelf en een officiële- of overheidsinstelling voorlegde niet onder de competentie van de arrondissementsrechtbank.

De strafrechtspraak was toevertrouwd aan dezelfde rechterlijke instanties als de civiele rechtspraak. De rechters werden voor het leven benoemd en konden slechts in bij wet genoemde gevallen door de Hoge Raad uit hun ambt worden gezet. Ook hun salariëring werd bij wet geregeld.

Het hoogste rechtsorgaan van de rechterlijke macht was de Hoge Raad. Daaronder ressorteerden vijf gerechtshoven, die ieder een bepaald gedeelte (ressort) van Nederland bestreken en waarin zij bevoegd waren. Het rechtsgebied van ieder gerechtshof was verdeeld in arrondissementen. Ieder arrondissement was weer onderverdeeld in kantons. Nederland was verdeeld in negentien arrondissementen met evenzoveel rechtbanken waaronder 's-Gravenhage, dat onder het rechtsgebied van het gerechtshof 's-Gravenhage viel.

Behalve de civiele- en strafrechtspraak die ieder afzonderlijk behandeld zullen worden, viel onder de competentie van iedere rechtbank ook een Kamer van Toezicht op Notarissen. De bescheiden gevormd door dit orgaan zullen bij de civiele rechtspraak verder behandeld worden.

Straf- of criminele zaken

In strafzaken oordeelde de arrondissementsrechtbank in eerste aanleg over bijna alle misdrijven, die als volgt zijn te rubriceren:

  • alle misdrijven waarvan de kennisgeving niet aan een andere rechter was opgedragen.
  • overtredingen als bedoeld in artikelen 432-434 Wetboek van Strafrecht (bedelarij, landloperij, souteneursschap) en artikelen 465-468 Wetboek van Strafrecht lid 1 (ambtsovertredingen).
  • overtredingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Weerkorpsen.
  • overtredingen inzake belastingen.
  • overtredingen als bedoeld in de artikelen 424-431, 435a-b, 436, 450-451, 453-455 Wetboek van Strafrecht betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen, betreffende zeden, staatsschenderij, ophitsing van dieren, belemmering van verkeer, godslastering, discriminatie, nalaten van hulpverlening, alsmede dierenmishandeling.
  • overtredingen van de Drank- en Horecawet, Jachtwet, Vreemdelingenwet, Wet op de kansspelen en de overtredingen als bedoeld in artikel 10 eerste lid van de Opiumwet.
  • overtredingen begaan door minderjarigen, die ten tijde van de overtreding de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt.
  • kennisgeving van zaken in hoger beroep van daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken door de kantonrechter binnen het rechtsgebied in eerste aanleg gewezen.

In eenvoudige kinder-, straf- en economische zaken sprak de arrondissementsrechtbank recht met één rechter (enkelvoudige kamer). In meer complexe zaken werd recht gesproken door drie rechters (meervoudige kamer). Deze kamer behandelde ook de "hoger beroepzaken" van de kantongerechten gelegen binnen het arrondissement (de zittende magistratuur). Naast rechter(s) en de griffier die het secretariaat voerde was ter terechtzitting de Officier van Justitie aanwezig als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (de staande magistratuur).

De wet betreffende de wijziging van de rechterlijke organisatie in 1956 (wet van 28 juni 1956, houdende wijziging in de rechterlijke organisatie, Staatsblad 377) hield voor de officieren van het Openbaar Ministerie in, dat één officier werd benoemd tot hoofd van het arrondissementsparket, die belast was met de leiding van dit onderdeel. Later werd de titel hoofdofficier voor deze functionaris ingevoerd.

Een lid van de rechtbank werd door het gerechtshof aangewezen als rechter-commissaris. Deze rechter-commissaris (rechter ter instructie) had in strafzaken de leiding van het gerechtelijk vooronderzoek. Deze besliste ook over de bewaring van een verdachte en over een eventuele verlenging van de bewaring. De rechter-commissaris werd voor de duur van twee jaren benoemd.

Burgerlijke- of civiele zaken

In tegenstelling tot de strafprocedure treedt in een civiele procedure de overheid niet als "wrekende gerechtigheid" op. In de civiele procedure beslecht zij geschillen tussen op gelijke hoogte staande partijen.

De regels voor dit recht vinden we in het Burgerlijk Wetboek, dat op 1 oktober 1838 werd ingevoerd. In de jaren van invoering tot 1950 werd deze op diverse punten gewijzigd.

In spoedeisende civiele zaken opent de wet de mogelijkheid op korte termijn een beslissing van de rechter te vragen. Hiertoe dient het Kort Geding, een procedure die gevoerd wordt voor de president van de arrondissementsrechtbank. Een kort geding is slechts toegestaan als aan twee eisen is voldaan: onverwijlde spoed en vereist zijn van een onmiddellijke voorziening.

Onder de competentie van iedere arrondissementsrechtbank viel ook de controle op notarissen, door de "Kamer van Toezicht" waarvan de president van de rechtbank voorzitter en de griffier secretaris was. In het gedeponeerd archief van de Kamer van Toezicht treft u stukken aan, die betrekking hebben op vacatures, verlofaanvragen en klachten over notarissen.

Tweede Wereldoorlog en de jaren erna.

In mei 1940 raakte Nederland bij de Tweede Wereldoorlog betrokken. De Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied, dr. A. Seyss-Inquart, beloofde bij zijn ambtsaanvaarding dat de Nederlandse rechtspraak onafhankelijk zou blijven. Het vierde lid van Verordening 1/1940 - dit Verordeningenblad verscheen op 18 mei 1940 - stelde dat "de Rijkscommissaris bepaalt bij verordening welke strafbare feiten aan het oordeel van de bijzondere rechtbanken moeten worden onderworpen en in welke gevallen personen van Nederlandsche nationaliteit voor de Krijgsraad of voor den Duitschen politierechter moeten verschijnen." Bij de landmacht werd in Utrecht het Feldgericht des Kommandeurs der Truppen des Heeres, later gewijzigd in Feldgericht des kommandierden Generals und Befehlshabers der Truppen des Heeres in den Niederländen, geïnstalleerd. Deze colleges waren bevoegd strafzaken tegen Nederlanders te behandelen.

De secretaris-generaal van het departement van Justitie werd door de bezetter belast met de benoeming van de lagere leden van de zittende en staande magistratuur, terwijl benoemingen tot raadsheer in de Hoge Raad of in één der gerechtshoven en de benoemingen tot lid bij de parketten van deze colleges werd overgelaten aan de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied. Het besluit van 4 juli 1940, nummer 36 van de Rijkscommissaris, bepaalde dat de grossen van civielrechtelijke vonnissen voortaan niet meer 'In naam der Koningin' zouden worden uitgegeven, maar 'In naam van het Recht (Im Namen des Rechtes)'.

Tevens moesten alle Nederlandse rechters, ambtenaren en leerkrachten onder ede hun loyaliteit jegens het Duitse gezag, het Duitse Rijk en de Duitse krijgsmacht betuigen.

Door de Nederlandse regering in Londen werd op 17 september 1944 het Tribunaalbesluit vastgesteld. De organisatie van deze gerechten voor de berechting van Nederlanders na de beëindiging van de oorlog werd hierin onder meer geregeld.

Op 30 oktober 1948 werd het besluit van 20 november 1940, waarbij de rechterlijke organisatie werd veranderd, gewijzigd en keerde men terug naar de situatie van vóór 15 januari 1941. De belangrijkste drijfveren hiervoor waren dat de rechtbank niet centraal in het arrondissement lag, dat de criminaliteit van een grote stad geen halt werd toegeroepen door provinciegrenzen en dat afgerekend kon worden met de bezettingstijd.

Het zou nog tot 1951 duren voordat het besluit van 20 november 1940 vervallen werd verklaard (zie staatsblad 1951, nummer 347). Toen werd ook een begin gemaakt met een nieuwe rechterlijke indeling. De inwerkingtreding van de wet werd op 1 februari 1952 gesteld (Staatsblad 1951, nummer 462). Vanaf dat moment werd de rechterlijke organisatie gevormd door de Hoge Raad der Nederlanden, 5 gerechtshoven, 19 arrondissementsrechtbanken en 62 kantongerechten.

Voor uitgebreide informatie over de organisatie van de rechterlijke macht in Nederland, de procedures bij rechtszaken en taak, samenstelling en werkwijze van de rechtbanken wordt verwezen naar "Werkboek rechterlijke archieven 1838 - 1940" onder redactie van R. Huijbrecht; "Berecht en gestraft: een geschiedenis van de rechterlijke organisatie en strafinstellingen, 1811-1993" van G. Beks en H.J.Ph.G. Kaajan; en "Nederlands recht in kort bestek" onder redactie van A. Komen.

Functionarissen bij de rechtbank en het parket van de officier van Justitie, 1940 -1949
  • Mr. Theodoor Emanuel Rueb, president, 1937 - 1948
  • Mr. Arnold Nicolaas Kuhn, president, 1949 - 1956
  • Mr. Aart van de Koppel, griffier, 1928 - 1951
  • Mr. Peter Robert Blok, officier van Justitie, 1942 - 1953

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Converts capital HTML tags to lower case HTML tags e.g. <A> to <a>.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in