gahetNA in het Nationaal Archief

Rechtbank 's-Gravenhage, 1940-1949

3.03.15.03
H.H. Vlasbloem
Nationaal Archief, Den Haag
2000
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.15.03
Auteur: H.H. Vlasbloem
Nationaal Archief, Den Haag
2000
CC0

Periode:

1916-199
merendeel 1940-1949

Omvang:

44,60 meter; 563 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het rechtbankarchief is ruwweg in drie categorieën te verdelen: stukken betreffende strafzaken, civiele zaken en buitengerechtelijke zaken. Tot de strafrechtelijke stukken behoren onder andere dossiers van strafzaken, strafvonnisboeken, klappers met vermelding van rolnummer en weeklijstnummer, rolboeken van zaken die gediend hebben voor de politierechter of kinderrechter en voor de economische strafrechter, vonnissen in belastingzaken, strafrollen en processen-verbaal van terechtzittingen behandeld door de kinderrechter. Van de civiele zaken zijn de volgende stukken opgenomen: beschikkingen, vonnissen en rolboeken van zittingen van de enkelvoudige en meervoudige kamers, placettenregisters, rolkaarten, audiëntiebladen, processen-verbaal van getuigenverhoor, enquête en contra-enquête, rolbladen, rolregisters; voorts stukken betreffende faillissementen, echtscheiding, ontzetting uit de ouderlijke macht en voogdij over minderjarigen, opsluiting van krankzinnigen, ondercuratelestelling, rolboeken, vonnissen en processen-verbaal van terechtzittingen van de president in kort geding en dossiers van civiele- en strafrechtelijke ondertoezichtstelling, gevormd door de kinderrechter. Tot de stukken betreffende buitengerechtelijke zaken behoren onder meer volmachten en akten van verwerping van nalatenschappen en een serie dubbelen van de repertoria van notarissen. De inventaris bevat tevens de archieven van het Parket van de Officier van Justitie en van de Kamer van Toezicht op notarissen.

Archiefvormers:

  • Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
  • Parket van de Officier van Justitie te 's-Gravenhage
  • Kamer van Toezicht op Notarissen en Kandidaat-Notarissen te 's-Gravenhage

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

In mei 1940 raakte Nederland bij de tweede Wereldoorlog betrokken. De Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied, dr. A. Seyss-Inquart, beloofde bij zijn ambtsaanvaarding dat de Nederlandse rechtspraak onafhankelijk zou blijven. Het vierde lid van Verordening 1/1940 (Dit Verordeningenblad verscheen op 18 mei 1940) stelde dat "de Rijkscommissaris bepaalt bij verordening welke strafbare feiten aan het oordeel van de bijzondere rechtbanken moeten worden onderworpen en in welke gevallen personen van Nederlandsche nationaliteit voor de Krijgsraad of voor den Duitschen politierechter moeten verschijnen." Bij de landmacht werd in Utrecht het Feldgericht des Kommandeurs der Truppen des Heeres, later gewijzigd in Feldgericht des kommandierden Generals und Befehlshabers der Truppen des Heeres in den Niederländen, geïnstalleerd. Deze colleges waren bevoegd strafzaken tegen Nederlanders te behandelen.

De secretaris-generaal van het departement van Justitie werd door de bezetter belast met de benoeming van de lagere leden van de zittende en staande magistratuur, terwijl benoemingen tot raadsheer in de Hoge Raad of in één der gerechtshoven en de benoemingen tot lid bij de parketten van deze colleges werd overgelaten aan de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied. Het besluit van 4 juli 1940, nummer 36 van de Rijkscommissaris bepaalde dat de grossen van civielrechtelijke vonnissen voortaan aan niet meer In naam der Koningin zouden worden uitgegeven, maar In naam van het Recht (Im Namen des Rechtes).

Tevens moesten alle Nederlandse rechters, ambtenaren en leerkrachten onder ede hun loyaliteit jegens het Duitse gezag, het Duitse Rijk en de Duitse krijgsmacht betuigen.

Door de Nederlandse regering in Londen werd op 17 september 1944 het Tribunaalbesluit vastgesteld. De organisatie van deze gerechten voor de berechting van Nederlanders na de beëindiging van de oorlog werd hierin onder meer geregeld.

Op 30 oktober 1948 werd het besluit van 20 november 1940, waarbij de rechterlijke organisatie werd veranderd, gewijzigd en keerde men terug naar de situatie van vóór 15 januari 1941. De belangrijkste drijfveren hiervoor waren dat de rechtbank niet centraal in het arrondissement lag, dat de criminaliteit van een grote stad geen halt werd toegeroepen door provinciegrenzen en dat afgerekend kon worden met de bezettingstijd.

Het zou nog tot 1951 duren voordat het besluit van 20 november 1940 vervallen werden verklaard (zie staatsblad 1951 nummer 347). Toen werd ook een begin gemaakt met een nieuwe rechterlijke indeling. De inwerkingtreding van de wet werd op 1 februari 1952 gesteld (Staatsblad 1951 nummer 462) gesteld.

Taak en samenstelling van de arrondissementsrechtbank

Recht werd gesproken volgens in de grondwet vastgestelde regels. Deze rechtsbedeling bestond uit een driedeling t.w. de administratieve rechtspraak, de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak.

In tegenstelling tot de laatste twee viel de administratieve rechtspraak, waarin de burger de rechter een geschil tussen hemzelf en een officiële-of overheidsinstelling voorlegde niet onder de competentie van de arrondissementsrechtbank.

De strafrechtspraak was toevertrouwd aan dezelfde rechterlijke instanties als de civiele rechtspraak. De rechters werden voor het leven benoemd en konden slechts in bij wet genoemde gevallen door de Hoge Raad uit hun ambt worden gezet. Ook hun salariëring werd bij wet geregeld.

Het hoogste rechtsorgaan van de rechterlijke macht was de Hoge raad. Daaronder ressorteerden vijf gerechtshoven, die ieder in een bepaald gedeelte (ressort) valt van Nederland bevoegd waren. Het rechtsgebied van iedere gerechtshof was verdeeld in arrondissementen. Ieder arrondissement was weer onderverdeeld in kantons. Nederland was verdeeld in negentien arrondissementen met evenzoveel rechtbanken waaronder 's-Gravenhage, dat onder het rechtsgebied van het gerechtshof 's-Gravenhage.

Straf - of criminele zaken

In strafzaken oordeelde de arrondissementsrechtbank in eerste aanleg over bijna alle misdrijven, die als volgt zijn te rubriceren:

  • alle misdrijven waarvan de kennisgeving niet aan een andere rechter was opgedragen.
  • overtredingen als bedoeld in artikelen 432-434 Wetboek van Strafrecht (bedelarij, landloperij, souteneursschap) en artikelen 465-468 Wetboek van Strafrecht lid 1 (ambtsovertredingen).
  • overtredingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Weerkorpsen.
  • overtredingen inzake belastingen.
  • overtredingen als bedoeld in de artikelen 424-431, 435a-b, 436. 450-451, 453-455 Wetboek van Strafrecht betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen, betreffende zeden, staatsschenderij, ophitsing van dieren, belemmering van verkeer, godslastering, discriminatie, nalaten van hulpverlening, alsmede dierenmishandeling.
  • overtredingen van de Drank-en Horecawet, Jachtwet, Vreemdelingenwet, Wet op de kansspelen en de overtredingen als bedoeld in artikel 10 eerste lid van de Opiumwet.
  • overtredingen begaan door minderjarigen, die ten tijde van de overtreding de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt.
  • kennisgeving van zaken in hoger beroep van daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken door de kantonrechter binnen het rechtsgebied in eerste aanleg gewezen.

Voor de uitoefening van haar taken was de arrondissementsrechtbank verdeeld in verschillende kamers van tenminste drie rechters, onder wie president of vice-president. We spreken dan van een meervoudige kamer. In eenvoudige kinder, straf- en economische zaken sprak de arrondissementsrechtbank recht met één alleensprekende rechter (enkelvoudige kamer). In meer complexe zaken werd recht gesproken door de meervoudige kamer. Deze kamer behandelde ook de "hoger beroepzaken" van de kantongerechten gelegen binnen het arrondissement (de zittende magistratuur). Bij strafzaken die dienen voor de meervoudige kamer spreken de drie rechters na overleg in de raadkamer op de dag van de uitspraak, het vonnis uit in een openbare zitting. Van deze zitting wordt een proces-verbaal opgemaakt (vonnissen gewezen in strafzaken). Het vonnis wordt getekend door de betrokken rechters en de griffier.

Naast rechter(s) en de griffier die het secretariaat voerde was de terechtzitting de Officier van Justitie aanwezig als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (de staande magistratuur).

De wet betreffende de wijziging van de rechterlijke organisatie in 1956 (wet van 28 juni 1956, houdende wijziging in de rechterlijke organisatie. Staatsblad 377 hield voor de officieren van het Openbaar Ministerie in, dat één officier werd benoemd tot hoofd van het arrondissementsparket en belast was met de leiding van dit onderdeel. Later werd de titel hoofdofficier voor deze functionaris ingevoerd.

Een lid van de rechtbank werd door het gerechtshof aangewezen als rechter-commissaris. Deze rechter-commissaris (rechter ter instructie) had in strafzaken de leiding van het gerechtelijk vooronderzoek. Deze besliste ook over de bewaring van een verdachte en over een eventuele verlenging van de bewaring. De rechter-commissaris werd voor de duur van twee jaren benoemd.

Strafprocedure

Het begin van iedere strafzaak ligt niet bij de rechtbank. maar bij een opsporingsambtenaar die een proces-verbaal opmaakt en dit vervolgens naar het parket van het Officier van Justitie zend. Vervolgens wordt het ingekomen proces-verbaal ingeschreven door het parket in het zogenaamde parket - of weeklijstregister (register van aangebrachte strafzaken) en krijgt en een volgnummer (weeklijstnummer, later parketnummer). De officier van Justitie (=het openbaar ministerie) had nu, rekening houdend met de ernst van het strafbare feit, drie mogelijkheden de zaak af te doen, te weten de zaak seponeren, een transactie aanbieden of de zaak voorleggen aan de kantonrechter, kinderrechter, politierechter, economische politierechter of bij ernstige misdrijven aan de meervoudige strafkamer.

Indien de zaak werd voorgelegd aan de rechter, werden het dossier die betrekking hadden op deze zaak overgedragen aan de strafgriffie van de arrondissementsrechtbank en werd de zaak ingeschreven op de rol van strafzaken, het rolboek. Behalve het parketnummer kreeg het strafdossier nu ook een numeriek rolnummer Achteraf wordt op het rolboek een alfabetische klapperkaartjes gemaakt.

Op de terechtzitting draagt de Officier van Justitie(openbaar ministerie) de zaak voor. De officier leest de tenlastelegging (beschuldiging), zoals die in de dagvaarding vermeld is voor.. Dan volgt het onderzoek ter terechtzitting, waarvan door de griffier een proces-verbaal van de terechtzitting wordt opgemaakt.

Na dit onderzoek volgde een eindvonnis, die later samen met de processen-verbaal van terechtzitting in een strafvonnisboek worden samengebonden. De officier was met ten uitvoerlegging van dit vonnis belast. In door de wet toegelaten gevallen kan tegen het vonnis hoger beroep (appel) op het gerechtshof of cassatie bij de Hoge raad worden ingesteld. Ook hiervan worden registers bijgehouden.

De procedure voor de kinderrechter verloopt vrijwel op identieke wijze als die voor strafzaken. Als een kind een strafbaar feit pleegt, dan bespreekt de kinderrechter met de officier van justitie en de raad voor de kinderbescherming wat de beste aanpak is voor het kind in een gesloten zitting, waarvan weer een proces-verbaal ter terechtzitting wordt opgemaakt.

Burgerlijke- of civiele zaken

In tegenstelling tot de strafprocedure treedt in een civiele procedure de overheid niet als "wrekende gerechtigheid", maar beslecht in de civiele procedure geschillen tussen op gelijke hoogte staande partijen.

De regels voor dit recht vinden we in het Burgerlijk Wetboek, dat op 1 oktober 1838 werd ingevoerd. In de jaren van invoering tot 1950 werd deze op diverse punten gewijzigd.

In spoedeisende civiele zaken opent de wet de mogelijkheid op korte termijn een beslissing van de rechter te vragen. Hiertoe dient het Kort Geding, een procedure die gevoerd wordt voor de president van de arrondissementrechtbank. Een kort geding is slechts toegestaan als aan twee eisen is voldaan: onverwijlde spoed en vereist zijn van een onmiddellijk voorziening.

Onder de competentie van iedere arrondissementsrechtbank viel ook de controle op notarissen, door de "Kamer van Toezicht" waarvan de president van de rechtbank voorzitter en de griffier secretaris was.

Civiele procedure: dagvaardingsprocedure

De dagvaardingsprocedure is hoofdzakelijk een schriftelijke procedure en begint met het dagvaarden van de gedaagde partij. Deze dagvaarding is een authentieke akte opgesteld door een deurwaarder of procureur, namens de eiser. Deze werd door een gerechtsdeurwaarder aan gedaagde betekend (aan diens woonhuis uitgebracht).

De plaatsing op de rol, door inlevering van de dagvaarding, vergezeld van een placet, een stuk vermelde de namen van de partijen en een korte omschrijving van de ingestelde vordering

De dagvaarding wordt bij de griffie van de rechtbank op de rol ingeschreven en de zaak krijgt hierdoor een rolnummer en een rolkaart. Uiteindelijk worden de rollen ingebonden tot rolboeken. Is de gedaagde wel bij procureur verschenen, dan neemt de procureur van de eiser conclusie van eis. De procureur van de gedaagde antwoordt met een conclusie van antwoord, waarin hij het verweer van gedaagde tegen de vordering naar voren brengt. Hierna kunnen nog conclusies van repliek (namens de eiser) en dupliek (namens de gedaagde) volgen. Deze stukken worden niet in het archief aangetroffen daar zij aan de betreffende advocaten werden geretourneerd.

Alvorens eindvonnis te wijzen, legt de rechtbank bij tussenvonnis soms bewijsvoering op door middel van getuigenverhoor, deze zijn gearchiveerd als processen-verbaal van getuigenverhoor (enquêtes), bericht van deskundigen of onderzoek naar echtheid van een geschrift. Soms kan ook een getuigenverhoor, door middel van een zogenaamde rogatoire commissie in het buitenland plaatsvinden (artikel 8 van rechtsvorderingsverdrag 1905).

Bij civiele zaken die dienen voor de meervoudige kamer wordt ook de eindbeslissing in het geschil in de raadkamer genomen. Bij de dagvaardingsprocedure wordt er een concept-vonnis opgemaakt, dat door de uitspraak ter openbare terechtzitting van kracht wordt. Van het eindvonnis wordt de door de president en de griffier ondertekende minuut in het vonnisboek gearchiveerd. Hiervan wordt een afschift voor de beide partijen, de zogenaamde grosse, opgemaakt. De winnende partij kan hiermee het vonnis ten uitvoer laten leggen.

Civiele procedure: requestprocedure

Niet alle procedures beginnen met een dagvaarding, dit kan ook gebeuren door het indienen van een verzoekschrift (request). Bepalingen in het Burgerlijk wetboek, het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het wetboek van Koophandel of bijzondere wet zoals de Faillissementswet en de Krankzinnigenwet schrijven deze rechtsgang zelfs voor.

De behandeling van het verzoek vind plaats in de raadkamer. De uitspraak van de rechter(s) wordt schriftelijk vastgelegd en heet in het algemeen "beschikking". Als een request op de griffie wordt ontvangen werd het chronologisch ingeschreven in een register van inschrijving, waarbij soms neveningangen zijn aangelegd, in deze inventaris zij alle nog aanwezige ingangen zoals alfabetische klappers, kaartjes of registers bij elke serie civiele requestprocedure bescheiden geïnventariseerd.

Een bijzondere afwijkend voorschrift bestond er voor echtscheidingen op verzoek van één of beide partners , waarbij alleen de rechter het huwelijk mocht ontbinden na indiening van het request. Met de uitspraak, die men in een rekestprocedure beschikking noemt, startte men na toestemming tot ontbinding een dagvaardingsprocedure, zodat men ook echtscheidingsbescheiden in de roldossiers kan terugvinden,

Naast strafzaken speelt de kinderrechter ook een rol bij civiele zaken waarbij hij door allerlei maatregelen het kind kan beschermen., bijvoorbeeld na een echtscheiding. Een bekende kinderbeschermingsmaatregel is de onder toezichtstelling (O.T.S). De rechter benoemt dan een voogd, die samen met de minderjarige en zijn (pleeg)ouder(s) kijkt in welke situatie de minderjarige het beste kan opgroeien.

Voor uitgebreide informatie over de organisatie van de rechterlijke macht in Nederland, de procedures bij rechtszaken alsmede, taak samenstelling en werkwijzen van de rechtbanken wordt verwezen naar "Werkboek rechterlijke archieven 1838 - 1940" onder redactie van R. Huijbrecht, "Berecht en gestraft; een geschiedenis van de rechterlijke organisatie en strafinstellingen, 1811-1993" van G.Beks en H.J.Ph.G. Kaajan en "Nederlands recht in kort bestek" onder redactie van A.Komen.

Functionarissen bij de rechtbank en het parket van de officier van Justitie, 1940 -1949
  • Mr. Theodoor Emanuel Rueb, president, 1937 - 1948
  • Mr. Arnold Nicolaas Kuhn, president, 1949 - 1956
  • Mr. Aart van de Koppel, griffier, 1928 - 1951
  • Mr. Peter Robert Blok, officier van Justitie, 1942 - 1953

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in