gahetNA in het Nationaal Archief

Baljuw en Vierschaar ZH

3.03.08.224
H. Spijkerman
Nationaal Archief, Den Haag
1989
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.08.224
Auteur: H. Spijkerman
Nationaal Archief, Den Haag
1989
CC0

Periode:

1574-1813
merendeel 1574-1811

Omvang:

37,60 meter; 249 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Het gehele archief is verfilmd.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Samen met het college van welgeboren mannen vormde de baljuw een gerecht of Hoge Vierschaar. Zij waren competent tot het doen van uitspraken in zowel halszaken - waarop lijf- of doodstraffen waren gesteld - als boetstraffelijke zaken. In civiele zaken trad de Hoge Vierschaar op als college van hoger beroep. Ook had de baljuw - al dan niet samen met welgeboren mannen - taken op bestuurlijk gebied, zoals het handhaven van de openbare orde, het maken van keuren, de belastinginning en (rooms-katholieke) godsdienstzaken. Hett archief is gevormd door baljuw en Hoge Vierschaar van Zuid-Holland en door de baljuw. Het is onderverdeeld in een algemeen deel, met notulen, missiven, rekesten, en een bijzonder deel, waarin ondermeer zijn ondergebracht stukken betreffende (voor)onderzoeken, procedures en tenuitvoerleggingen in criminele zaken, papieren betreffende boetstraffelijke zaken, processtukken en financiële afwikkelingen in civiele zaken (contentieuze en voluntaire zaken). Verder zijn er documenten op het gebied van regelgeving, openbare orde, belasting- en religieuze zaken en enige losse stukken.

Archiefvormers:

  • Baljuw en Hoge Vierschaar van Zuid-Holland, 1574-1811 (1813)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Algemene geschiedenis van de baljuwschappen

Tot de bevoegdheden van de graven van Holland behoorde van oudsher de uitoefening van rechtspraak en bestuur. Naargelang het landsheerlijk territorium van de graven zich uitbreidde en de bevolking in aantal toenam, waren de graven steeds minder in staat hun bevoegdheden alleen uit te oefenen en ontstond de behoefte aan decentralisatie. Dit leidde in de loop van de dertiende eeuw tot de instelling van een aantal districten, baljuwschappen genaamd, met aan het hoofd een 'ambtenaar', de baljuw, die namens de graaf rechtspraak en bestuur uitoefende. (

In het algemeen gaat men ervan uit, dat de ontwikkeling van de baljuwschappen in Holland en Zeeland onder invloed van Vlaanderen heeft gestaan, zie bijvoorbeeld H.J. Smit, De rekeningen der graven en gravinnen uit het Henegouwse huis, dl. 3: Inleiding (Utrecht, 1939) p . 134. Voor de veronderstelling, dat de ontwikkeling in Holland meer overeenkomst vertoont met die in Brabant zie H.M. Brokken en H. de Schepper, 'Beheer en controle van de overheidsfinanciën in de Nederlanden tot omstreeks 1600', in: P.J. Margry, E.C. van Heukelom en A.J.R.M. Linders, red., Zes eeuwen Rekenkamer. Van 'camere van der rekeninghen' tot algemene rekenkamer ('s-Gravenhage, 1989) pp. 15-56.

)

In 1252 vinden we de eerste vermelding van een baljuw, van wie het ambtsgebied zich over heel Holland (ballivus tocius Hollandiae) uitstrekte; iets eerder was er een soortgelijke baljuw voor Zeeland. Reeds in 1252 had de baljuw voor Holland een onderbaljuw voor Zuid-Holland onder zich. Dit gebied werd niet lang daarna een zelfstandig baljuwschap. In 1254 zien we een baljuw in Kennemerland en in 1260 een baljuw in wat toen Noord-Holland werd genoemd, welk gebied vervolgens omstreeks 1275 werd verdeeld in de baljuwschappen Rijnland, Delfland en Schieland. (

R. Fruin, Geschiedenis der staatsinstellingen in Nederland tot den val der republiek. Uitgegeven door H.T. Colenbrander ('s-Gravenhage, 1901) pp. 66-67. Zie voor nuancering van de ontstaansdata van Delfland en Schieland en voor de omvang van Delfland, Th.F.J.A. Dolk, Geschiedenis van het hoogheemraadschap Delfland ('s-Gravenhage, 1939) en J.F. Niermeyer, Delft en Delfland. Hun oorsprong en vroegste geschiedenis (Leiden, 1944). Zie tevens: J.G. Kruisheer, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, dl. 2: 1222-1256 (Assen/Maastricht, 1986) nrs. 841, 917 en 1019; L.Ph.C. van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland, 2 dln. (Amsterdam/Den-Haag, 1867-1873) dl. 2, nrs. 67 en 250; J. de Fremery, Supplement Oorkondenboek van Holland en Zeeland (Den-Haag, 1902) nr. 182.

) De baljuwen in de laatstgenoemde baljuwschappen waren tevens dijkgraaf van de gelijknamige waterschappen. Als zodanig hadden zij de leiding van deze, met de zorg voor de waterstaat belaste organisaties. (

Rijnland, Delfland en Schieland werden later hoogheemraadschappen genoemd. Zie voor de betekenis van deze terminologie J . Ph. de Monté VerLoren en J. E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling der rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling (Deventer, 1982; 6e druk) p. 181, en J.V. Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, een studie over Hollandsche Staatsbouw tijdens de Republiek (Leiden, 1937) pp. 281-283. De waterschappen hebben afzonderlijke archieven gevormd.

)
In Zuid-Holland daarentegen werd het dijkgraaf- (en dijkrechter)ambt niet met het baljuwsambt verenigd. Daar bestond bovendien een afzonderlijk dijkgraafschap voor de Grote Waard.

De ontwikkeling van de waterschappen Rijnland, Delfland en Schieland liep niet geheel parallel met die van de baljuwschappen. Het waterschap Rijnland bestond vermoedelijk al omstreeks 1220. (

Zie bijvoorbeeld S.J. Fockema Andreae, Het hoogheemraadschap van Rijnland. Zijn recht en zijn bestuur van den vroegsten tijd tot 1857 (Leiden, 1934) p. 38; Dolk, Hoogheemraadschap Delfland, p. 17.

) Het waterschap Schieland ontstond ongeveer in dezelfde tijd als het gelijknamige baljuwschap (het waterschap wordt genoemd in 1273), (

S.Hzn. Muller, Over de oudste geschiedenis van Schieland (Amsterdam, 1914) p. 57.

)
terwijl het ontstaan van het waterschap Delfland wordt gelegd tussen 1290 en 1319. (

Dolk, Hoogheemraadschap Delfland, p. 16.

)
Bovendien vielen de grenzen van de baljuw- en waterschappen niet geheel samen. Vooral de baljuwschappen veranderden in de loop der eeuwen naar omvang en samenstelling. Zo werd het baljuwschap Rijnland teruggebracht tot ongeveer de helft van het oorspronkelijke gebied. (

Zie voor deze ontwikkeling S.J. Fockema Andreae, 'Aanteekeningen omtrent het baljuwschap Rijnland' in: Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, XI (1932) pp. 247-251.

)
Dit kwam met name doordat de opvolgende graven delen van hun gebied als hoge heerlijkheid in leen uitgaven of verpandden, waardoor ze werden onttrokken aan de competentie van de baljuw. Ook de steden en de immuniteiten met hoge jurisdictie hadden hun eigen rechterlijke en bestuurlijke organisatie en maakten geen deel uit van een baljuwschap. (

Fockema Andreae, 'Aanteekeningen', p. 242.

)
In de inleiding wordt een overzicht gegeven van de ambachten die aan het einde van de achttiende eeuw deel uitmaakten van de vier baljuwschappen (zie kaartje), alsmede van de vermoedelijke omvang bij hun ontstaan. (

De laatste gegevens zijn van het baljuwschap Zuid-Holland niet bekend.

)

Vanaf hun ontstaan tot aan het einde van het Ancien Régime bleven organisatie en taken van de baljuwschappen niet steeds dezelfde. Tot een duidelijke laag tussen de grafelijkheid en de dorpen hebben ze zich evenwel niet kunnen ontwikkelen. De baljuwen hebben veel van hun macht moeten prijsgeven. Daarbij deden zich wel eens problemen voor. Bekend is de poging van baljuw Foy van Brouchoven en secretaris Jan van Hout (omstreeks 1580) om voor wat betreft het baljuwschap Rijnland de bevoegdheid tot het maken van keuren en het toezicht op de dorpsbesturen uit te breiden. Dit leidde al spoedig tot een conflict met het Hof van Holland, toen een door baljuw en welgeboren mannen van Rijnland uitgevaardigde keur betreffende boedelscheidingen niet aan het Hof ter approbatie werd toegezonden. De ruime interpretatie, die baljuw en welgeboren mannen hier aan hun competentie hadden gegeven, werd door het Hof van Holland niet geaccepteerd. In diezelfde tijd leidde een keur betreffende de wezen (zie verder) tot een geschil met een aantal ambachtsheren, die voor hun eigen ambacht al in deze materie hadden voorzien. (

Fockema Andreae, 'Aanteekeningen', pp. 261-263.

)

Door de Franse Revolutie en de daarop in de Republiek gevolgde Bataafse omwenteling in 1795 maakte men hier in brede kring kennis met de door de Verlichting geïnspireerde ideeën over machtenscheiding. Voor de baljuwschappen had dit op papier wel gevolgen, maar in de praktijk bleven baljuwen en welgeboren mannen hun taken uitoefenen als voorheen, zij het dat er een gedeeltelijk nieuwe colleges werd samengesteld. (

Zie A.H. Martens van Sevenhoven, De Justitieele Colleges in de steden en op het platteland, 1795-1811 (Utrecht, 1912) p. 253 e.v.

) Een conceptreglement op de taken en bevoegdheden van de hoge vierscharen trad niet in werking. (

Ibidem, p. 301.

)
Bij Keizerlijk Decreet van 18 oktober 1810 werden de colleges van baljuw en welgeboren mannen opgeheven. Deze maatregel trad in werking op 1 maart 1811, (

De transformatie en de 'uiteindelijke opheffing van de hoge vierscharen in de jaren 1795-1811 zijn uitvoerig beschreven door Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges.

)
toen hier te lande de Franse rechterlijke organisatie werd ingevoerd. Dit leidde tot wezenlijke veranderingen. Voor wat betreft de rechtspraak werd de taak van baljuwen en hoge vierscharen overgenomen door de nieuw ingestelde rechtbanken en gerechtshoven. In bestuurlijk opzicht kwam hun taak voornamelijk aan de besturen der diverse, binnen de vroegere baljuwschappen gelegen steden en dorpen. De waterstaatstaak van de baljuwen was in 1796 reeds overgegaan op zelfstandige dijkgraven.

Organisatie
De baljuw

De baljuw werd als vertegenwoordiger van de landsheer benoemd door de graaf of diens vertegenwoordiger (stadhouder). Na de Opstand en het 'Plakkaat van Verlatinghe' (

Het besluit van de Staten-Generaal der opstandige Nederlandse gewesten, waarbij Philips II, naar aanleiding van zijn tiranniek bewind, vervallen werd verklaard van de heerschappij over die gewesten.

) namen de Staten van Holland de bevoegdheden van de graaf over en benoemden zij of hun stadhouder de baljuw. (

S. van Leeuwen, Keuren ende Ordonnantiën van het Baljuwschap ende lande en Rijnland (Leiden/Rotterdam, 1667) p. 53.

)
De Staten van Holland stelden gewoonlijk een nominatie op van drie personen, waaruit de stadhouder een keuze maakte. In de stadhouderloze tijdperken (1650-1672 en 1702-1748) benoemden de Staten van Holland zelf de baljuw. Het baljuwschap van Schieland werd in 1576 door de stad Rotterdam gekocht, hetgeen tot gevolg had dat de baljuw van Schieland voortaan door de Vroedschap van Rotterdam werd benoemd. (

J.H.W. Unger, De Regeering van Rotterdam, 1328-1892 (Rotterdam, 1892) p. XXXV.

)

Dordrecht bezat als hoofdstad van Zuid-Holland in dat district bijzondere voorrechten. Zo mocht het ambt van baljuw van Zuid-Holland alleen door inwoners van Dordrecht vervuld worden. Ook had Dordrecht het recht van voordracht in de benoeming van de Zuid-Hollandse baljuwen. (

In de Handvesten van Dordrecht werd in 1494 vastgelegd dat Dordrecht en het Land van Zuid-Holland 'ten eeuwige dage een onverscheiden lichaam zullen blijven', P.H. van de Wall, Handvesten, Privilegiën, Voorregten en Costumen der stad Dordrecht, dl. 2 (Dordrecht, 1790) p. 744.

)

De benoeming geschiedde in Rijnland, Delfland en Zuid-Holland voor onbepaalde tijd, in Schieland vanaf 1624 voor de tijd van vijf jaar, maar gezien de ambtsduur was hier verlenging mogelijk. Een baljuw kon overigens ook worden afgezet. Na de benoeming van de baljuwen moest door hen een eed worden afgelegd. Deze werd door de baljuwen van Rijnland, Delfland en Zuid-Holland aanvankelijk aan de landsheer afgelegd, daarna aan de Rekenkamer en vervolgens, na de opheffing van de Rekenkamer in 1728, aan de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier. Voor de baljuw van Schieland gold tot de verkoop van het baljuwschap aan Rotterdam in 1576 hetzelfde, daarna werd de eed afgelegd in handen van de Vroedschap van Rotterdam. (

Martens van Sevenhoven, Justitiee1e Colleges, p. 211.

) De taakomschrijving was vastgelegd in een instructie. (

Voor Rijnland bijvoorbeeld die uit 1582, uitgevaardigd door de Grafelijkheidsrekenkamer (Rijksarchief in Zuid-Holland, Archief van de Grafelijkheidsrekenkamer, inv.nr. 622); voor Delfland een instructie, eveneens uitgevaardigd door de Grafelijkheidsrekenkamer (Rijksarchief in Zuid-Holland, Archief van de Grafelijkheidsrekenkamer, inv.nr. 493); en voor Schieland één uit 1624, uitgevaardigd door de Vroedschap van Rotterdam, zie Unger, Regeering Rotterdam, p. XXXV. Voor Zuid-Holland is geen instructie gevonden.

)

Wat de sociale herkomst van de baljuwen betreft is in de loop der tijden een verschuiving te constateren. (

Zie hierover H.M. Brokken, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten (Zutphen, 1982) pp. 161-165.

) Aanvankelijk werden vooral leden van aanzienlijke adellijke geslachten tot baljuw benoemd, waarbij het baljuwsambt rouleerde binnen een betrekkelijk gering aantal families. Onder de graven uit het Henegouwse Huis (1299-1354) werden meestal lagere edelen als baljuw genomen, terwijl tegen het einde van de landsheerlijke periode ingezetenschap en gegoedheid voldoende waren om tot baljuw benoemd te kunnen worden. (

Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, p. 216.

)
De oudst bekende instructie voor het baljuwschap Schieland uit 1624 noemt verder een aantal incomptabiliteiten, bijvoorbeeld dat de baljuw niet tegelijk burgemeester of schepen van Rotterdam mocht zijn, noch lid van één van de gewestelijke colleges.

De baljuwen genoten niet alleen een vaste bezoldiging, maar zij mochten bovendien twee/derde deel van de boeten die zij inden behouden, terwijl de rest aan de grafelijkheid toekwam. Daarnaast verkregen zij inkomsten uit compositiebedragen (

Compositie was de mogelijkheid strafvervolging af te kopen voor een aan de baljuw te betalen bedrag.

) en uit de opbrengsten van verbeurd verklaarde goederen. De baljuwen moesten van dit alles rekening en verantwoording afleggen aan de grafelijkheid. Een groot deel van deze rekeningen is helaas verloren gegaan. (

Van het baljuwschap Rijnland zijn ruim twintig rekeningen uit de veertiende eeuw en twee uit het begin van de zeventiende eeuw bewaard gebleven; van Delfland en Schieland is uit de veertiende eeuw een vijftiental bewaard gebleven en van Delfland verder nog een aantal rekeningen uit de zestiende (ongeveer veertig) en uit de zeventiende eeuw (twaalf). Van Zuid-Holland zijn twee rekeningen uit de veertiende eeuw bewaard gebleven en tientallen uit de volgende eeuwen. De veertiende eeuwse rekeningen bevinden zich in het Archief van de Graven van Holland (Rijksarchief in Zuid-Holland, inv.nrs. 1861-1886, 1902-1916, 1918-1927 en 1945-1947), de overige in het Archief van de Grafelijkheidsrekenkamer (Rijksarchief in Zuid-Holland, inv.nrs. 3575-3576, 3592- 3632, 3643 en 3647-3684).

)
Bovendien zijn in geen van de vier archieven rendantsexemplaren (

Degene die rekening en verantwoording aflegde werd vaak de rendant genoemd. Hij kreeg zelf een kopie van de rekening.

)
bewaard gebleven. Het baljuwsambt werd vanwege het aanzien en de genoemde emolumenten door velen geambieerd en vormde vaak het sluitstuk van de carrière. Voorts hadden de baljuwen allerlei nevenbetrekkingen, (

Om een voorbeeld te noemen: in Zuid-Holland waren onder andere W. Zuylen van Nyevelt, J. Muys van Holy en P. de Roovere tevens schout van Dordrecht, zie in deze toegang onder "Baljuws van Zuid-Holland, 1574-1811".

)
hetgeen mede mogelijk was omdat zij substituten mochten aanstellen, die het ambt geheel of gedeeltelijk voor hen waarnamen.

Welgeboren mannen

De colleges van welgeboren mannen vormden samen met de baljuw het gerecht, ook wel hoge vierschaar of hof genoemd. (

De term 'hof' voor de hogere rechtscolleges zou volgens Martens van Sevenhoven verklaard kunnen worden uit het feit, dat de vierschaar vroeger gespannen werd in het versterkte huis of het hof van de graaf of de heer, Justitieele Colleges, p. 219.

) In de periode dat de graaf nog zelf de rechtszittingen presideerde, waren deze 'mannen' de leenmannen van de graaf. Binnen de baljuwschapsorganisatie werden de welgeboren mannen vooral gerecruteerd uit het respectabele en overwegend meer gegoede deel van de bevolking. Toch betreft het hier niet alleen maar een rijke toplaag. (

Zie over leden van deze colleges: Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, m.n. pp. 250-257, en Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, pp. 214-219.

)
In het baljuwschap Schieland werden zij ook 'welgeboren mannen en schepenen' genoemd, in Zuid-Holland treffen we de naam 'mansmannen' (dat wil zeggen leenmannen) aan.

Hoewel de welgeboren mannen de ingezetenen vertegenwoordigden, werden zij niet door hen gekozen. (

Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, p. 253.

) In het algemeen maakte namelijk de baljuw voor de verkiezing een nominatie van welgeboren mannen op, waaruit zij door het hogere gezag werden gekozen. (

Zie voor informatie over de verkiezingen van mansmannen in het baljuwschap Zuid-Holland de inv.nrs. 49-52. Overigens moest de baljuw van Zuid-Holland jaarlijks 'opten Meydag' een nominatie van 33 'mannen' opstellen, waarvan 'twee deelen wesen sullen uytten lande van Zuyd-Hol1andt geen land-poorters zijnde, en 't derdendeel uyt onse stad van Dordrecht', M. Balen Jansz., Beschrijvinge der Stad Dordrecht, dl. I (Dordrecht, 1667) p. 22.

)
Bij hun ambtsaanvaarding moesten zij een eed afleggen aan de baljuw. Zij vervulden hun functie meestal enkele jaren en waren daarna een paar jaar vrijgesteld.

Aanvankelijk was het aantal welgeboren mannen in de baljuwschappen ongelimiteerd. In 1559 werd door Filips II een vast aantal ingesteld. De baljuw zou voortaan een aanbeveling opmaken van vijfentwintig welgeboren mannen, waaruit de graaf door middel van het Hof van Holland er dertien zou kiezen tot uitoefening van de civiele jurisdictie. In 1613 werd voor de criminele rechtspraak een zelfde aantal vastgelegd. (

Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, pp. 254-255. Zie ook R. Fruin, Staatsinstellingen, pp. 124-125, en S.J. Fockema Andreae, Bijdragen tot de Neder1andsche Rechtsgeschiedenis, dl. IV (Haarlem, 1900) pp. 370-371.

)

In Delfland werd de nominatie niet door de baljuw alleen, maar door baljuw en welgeboren mannen gezamenlijk opgemaakt. (

Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, p. 218.

) Nadat het baljuwschap van Schieland door Rotterdam was gekocht, werden daar voortaan zes welgeboren mannen en zes schepenen gekozen: welgeboren mannen op nominatie van de burgemeesters van Rotterdam en de baljuw, elk voor de helft, en schepenen op nominatie van de burgemeesters alleen. (

Unger, Regeering Rotterdam, p. XXXVI.

)
Deze nominatie werd voorgelegd aan de stadhouder of aan de Staten van Holland. In Zuid-Holland werden elf mansmannen gekozen. Bij rechtszittingen moesten hier tenminste zeven mannen aanwezig zijn. (

Balen Jansz., Beschrijvinge Dordrecht, dl. I, p. 22.

)

Secretaris en klerken

De baljuw, welgeboren mannen en schepenen werden in hun werkzaamheden bijgestaan door een aantal functionarissen. De secretaris was hiervan de belangrijkste. Hij was aanwezig bij alle zittingen, zowel van het voltallige college als van commissies uit de hoge vierschaar en diende aantekening te houden van alles wat zich daar voordeed. Ter ondersteuning van de werkzaamheden van de secretaris kon de baljuw een aantal klerken in dienst nemen. Daarnaast had de baljuw verschillende boden en dienaren van justitie in dienst. Met uitzondering van de secretaris moest de baljuw al deze functionarissen zelf betalen.

Zetels der gerechten

Hoewel Leiden, Delft, Rotterdam en Dordrecht hun eigen schout en schepenen hadden en, zoals we eerder zagen, niet onder de competentie van de baljuwen vielen, waren de vier hoge vierscharen wel in deze steden gevestigd. Zij hielden hun zittingen daar doorgaans op het stadhuis. (

Zie pp. xviii, xxi en xxii.

)

Taken

De oorspronkelijke taak (

Zie vooral Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, passim.

) van de baljuwen was het als vertegenwoordiger van de graaf optreden in het hun toegewezen district. De werkzaamheden omvatten het totale terrein van de 'justitie ende politie', nu genoemd rechtspraak en bestuur (met inbegrip van wetgeving). Deze twee hoofdtaken waren niet gescheiden (

Zoals hiervoor reeds werd aangegeven, werd een scheiding van machten, in de zin van toedeling van de verschillende overheidsfuncties aan onafhankelijke organen, in de Nederlanden pas in de Franse tijd ingevoerd.

)
en werden aanvankelijk waarschijnlijk ook niet onderscheiden. Naarmate de tijd voortschreed ontstond met name in de steden de behoefte de verschillende taken althans gedeeltelijk door verschillende functionarissen te laten uitoefenen. Dit werd echter vooral door praktische overwegingen ingegeven, want aan een uitgekristalliseerd idee over machtenscheiding was men nog niet toe. In de baljuwschappen werd deze behoefte kennelijk minder gevoeld: hier kende men geen verdeling van taken over verschillende organen.

Rechtspraak

Op het terrein van de rechtspraak hadden de baljuwen en hoge vierscharen in hun ambtsgebied verschillende bevoegdheden. Allereerst kan de uitoefening van de hoge jurisdictie genoemd worden. Dit hield in dat baljuw en welgeboren mannen in strafzaken alle misdaden mochten berechten waarop lijf- of doodstraffen waren gesteld, de zogenaamde hals(straffelijke) zaken. De steden en hoge heerlijkheden binnen het gebied van de baljuwschappen hadden echter hun eigen hoge jurisdictie en waren onttrokken aan de competentie van baljuw en hoge vierscharen. (

Deze hoge heerlijkheden, die dus zelf de halszaken in hun gebied berechtten, werden vanwege die bevoegdheid ook wel halsheerlijkheden genoemd. De galg was het teken van hun hoge rechtsmacht.

)

Naast de halszaken vielen ook verschillende boetstraffelijke zaken onder de competentie van baljuw en welgeboren mannen. Boetstraffelijke zaken waren in het algemeen overtredingen, waarop een boete was gesteld. Kleine overtredingen met geringe boeten vielen onder de competentie van de plaatselijke ambachtsgerechten. Enkele zwaardere vergrijpen, zoals bijvoorbeeld overtreding van de ordonnanties op 'het vegten ende quetsen' waren aan baljuw en hoge vierschaar voorbehouden. (

S. van Leeuwen, Handvesten ende Privilegien van den Lande van Rijnland, met den Gevolge van dien, (Leiden/Rotterdam, 1667) p. 260; Fockema Andreae, Bijdragen, IV, p. 370, en Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, p. 255.

)

In civiele zaken traden de hoge vierscharen vooral op als instantie in hoger beroep van uitspraken van de ambachtsgerechten. Van vonnissen gewezen door de stedelijke schepenbanken, ging men dadelijk in appèl bij het Hof van Holland. Daarnaast waren de hoge vierscharen in eerste instantie bevoegd in bepaalde civiele zaken, bijvoorbeeld bij kwesties tussen edelen en welgeboren mannen of leenmannen. Voor deze laatste zaken kon men overigens ook in eerste instantie bij het Hof van Holland terecht. Ook bestond de mogelijkheid dat partijen de lagere instantie oversloegen en bij overeenkomst meteen naar de hoge vierschaar gingen, de zogenaamde prorogatie van rechtspraak. (

Van Leeuwen, Handvesten, p. 260; Fockema Andreae, Bijdragen, dl. IV, p. 370.

)

Naast deze zogenaamde contentieuze jurisdictie, de jurisdictie in geschillen op tegenspraak, speelde ook de voluntaire jurisdictie of vrijwillige rechtspraak een rol. Hoewel op dit terrein vooral de ambachtsgerechten bevoegd waren, bijvoorbeeld voor het passeren van allerlei akten met betrekking tot onroerend goed, viel een aantal zaken onder de competentie van baljuw en hoge vierscharen. Zo hielden zij zich onder andere bezig met ondercuratelestelling en het benoemen van curators over desolate boedels. Voor dergelijke specifieke taken waren de hoge vierscharen in verschillende commissies verdeeld.

De baljuw trad bij alle genoemde zaken niet op als rechter, doch als rechtsvorderaar. In strafzaken leidde hij het vooronderzoek. Hij was verder voorzitter van het gerecht en vroeg op de zitting aan de welgeboren mannen om een vonnis te formuleren. Nadat de laatsten het vonnis hadden gewezen zorgde de baljuw dat dit ten uitvoer werd gelegd. Voor de voltrekking van doodvonnissen en lijfstraffen maakte hij gebruik van de diensten van een beul of scherprechter. Voor Rijnland, Delfland en Schieland trad doorgaans de beul van Haarlem op, die in heel Holland en Zeeland bevoegd was. (

G.J. Gonnet, De meester van den scherpen zwaarde te Haarlem (Haarlem, 1917) p. 6.

) Enkele steden hadden echter een eigen scherprechter, zoals Dordrecht. Deze beul verrichtte zijn werkzaamheden in heel Zuid-Holland.

Door de veelheid van rechtskringen in Holland (baljuwschappen, steden, hoge en ambachtsheerlijkheden) was samenwerking in veel gevallen noodzakelijk, bijvoorbeeld bij het opsporen van verdachten en bij de controle van informatie verkregen uit verhoren. (

Zie Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, m.n. pp. 69-73, en A.F. Zwaardemaker, 'De interjurisdictionele verhoudingen in het strafrecht van de Republiek der Verenigde Nederlanden', in: Tijdschrift voor Strafrecht, XLIX (1939) pp. 221-267.

)

Het recht dat werd toegepast was het landrecht, aangevuld met de eigen keuren. De oudst overgeleverde keuren dateren uit de zestiende eeuw. (

Van Leeuwen, Handvesten, p. 471, en de Archieven van baljuw en hoge vierschaar van Delfland, inv.nr. 8.

) Afgezien van dit geschreven recht werd er vooral naar gewoonte recht gesproken. In 1531 werd door Karel V voor de eerste keer het bevel gegeven tot officiële optekening en voorlegging ter goedkeuring van het gewoonterecht (de costumen). (

De Monté VerLoren, Hoofdlijnen, p. 199; zie ook J. Gilissen, Historische inleiding tot het recht, dl. II (Antwerpen, 1989) pp. 50-52.

)
Na herhaalde bevelen werd uiteindelijk in Holland een aantal gewoonterechten op schrift gesteld, bijvoorbeeld die van Dordrecht, Rotterdam, Gouda, Leiden, 's-Gravenhage, Rijnland, Delfland en Zuid-Holland. Deze zijn echter nooit officieel goedgekeurd. (

J. Gilissen, 'Les phases de la codification et de l'homologation des coutumes dans les XVII provinces des Pays-Bas', in: Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, XVIII (1950) pp. 264-265.

)

Bestuur

De bestuurlijke taak van baljuw en welgeboren mannen omvatte in ruime zin datgene wat nu bestuur en wetgeving wordt genoemd. Dit behelsde niet alleen het daadwerkelijk handhaven van de openbare orde en rust in het baljuwschap, maar ook het toezicht op de naleving van de ordonnanties van het hogere gezag en het zelf maken van keuren. Voorts droeg de baljuw zorg voor de levering van heervaartcontingenten (

Een heervaartcontingent was het verplichte aandeel aan bijeen te brengen krijgsvolk; later vaak afgekocht met een som geld, waarmee huursoldaten werden betaald.

) in tijd van oorlog.

Tot de handhaving van de openbare orde behoorde een aantal facetten. Zo hadden vroedvrouwen, chirurgijns, tappers, bakkers en andere neringdoenden toestemming nodig om hun beroep te mogen uitoefenen. Zij legden ter verkrijging van een akte van admissie, een eed af in handen van de baljuw. (

Zie bijvoorbeeld de Archieven van baljuw en hoge vierschaar van Rijnland, inv.nrs. 26 en 149-153, en idem van Schieland, inv.nrs. 128 en 132.

) Ook werden op geregelde tijden (in Schieland jaarlijks, in Rijnland om de twee of drie jaar), alle natte en droge maten en gewichten ter controle geijkt. (

Zie voor een opsomming van taken ook Van Leeuwen, Handvesten, p. 53; Martens van Sevenhoven, Justitieele Colleges, p. 231.

)

De zorg voor een goede justitie hield tevens toezicht in op de schouten in de ambachten. Dezen moesten in handen van de baljuw de eed afleggen, voordat zij in functie konden treden. (

Van Leeuwen, Handvesten, p. 53, en Archieven van baljuw en hoge vierschaar van Rijnland, inv.nr. 146.

) Ook had de hoge vierschaar een adviserende bevoegdheid bij het verlenen van abolitie, het teniet doen van strafbare feiten en het zo nodig staken van de op grond daarvan ingestelde vervolgingen, en het verlenen van amnestie en strafvermindering.

Belastingzaken

Naast rechtspraak en bestuur had de baljuw (zonder welgeboren mannen) nog een taak op het terrein van de belastingen. Gecommitteerde Raden hadden sedert het einde van de zestiende eeuw het opperbestuur over de belastingen en hadden tot de uitoefening daarvan een aantal districten ingesteld. In deze zaken werd recht gesproken door Gecommitteerde Raden zelf of door de door hen gedelegeerde schepen-commissarissen in de steden. De Generale Ordonnanties op de verpachting van de imposten gaven hiervoor naast materiële regelingen, ook regels van procesrecht. (

Groot Placaet-Boeck, vervattende de placaten, ordonnantien ende edicten vande Doorluchtige Hoog Mog. Heeren Staten Generael der Vereenighde Nederlanden ende vande Ed. Groot Mog. Heeren Staten van Hollandt en West-Vrieslandt, mitsgaders vande Ed. Mog. Heeren Staten van Zeelandt, dl. III ('s-Gravenhage/Amsterdam, 1683) 808, dl. VII ('s-Gravenhage/Amsterdam, 1770) 1005 en 1011.

) De baljuw trad daarbij als rechtsvorderaar op. (

J.V. Rijpperda Wierdsma, Politie en Justitie, pp. 185-186 en 277-278.

)
Omdat welgeboren mannen en schepenen hiermee geen enkele bemoeienis hadden, zijn de desbetreffende stukken opgenomen in het archief van de baljuw. Daarin treffen we ook stukken aan betreffende de inning van de collaterale successie.

Rooms-katholieke godsdienstzaken

Ook bij zaken op het terrein van de rooms-katholieke godsdienst trad de baljuw alleen op en hadden de welgeboren mannen geen bevoegdheden. Deze stukken zijn eveneens in het archief van de baljuw opgenomen.

Als gevolg van de Opstand was de positie van de rooms-katholieke kerk veranderd van enig erkende tot vervolgde kerk. Ze was geen Staatskerk meer. Het proces van de overgang van de rooms-katholieke naar de gereformeerde godsdienst verliep langzaam en moeizaam en was niet overal succesvol. In het kader van deze calvinisering van de bevolking werd sedert het einde van de zestiende eeuw in de noordelijke Nederlanden door plakkaten iedere vorm van katholieke godsdienstuitoefening verboden, tenzij binnen de eng huiselijke kring. De baljuw had de taak gekregen om toe te zien op naleving van de plakkaten van de Staten van Holland inzake rooms-katholieke godsdienstzaken. Hij moest de gereformeerde religie als zijnde de enige ware religie beschermen.

Vanaf het einde van de zestiende eeuw, omstreeks 1590, verrichtten steeds meer ordegeestelijken, waaronder de Jezuïeten, zielzorg. De uitoefening van de katholieke godsdienst, in de zeventiende eeuw langzamerhand feitelijk geduld, werd in de loop van de achttiende eeuw formeel aanvaard. De plakkaten hielden niet langer onderdrukking, maar voorwaardelijke erkenning en intomende controle in. Zo regelde het Hollandse plakkaat van 21 september 1730 (

Dit was het 'Placaat tegens de Roomsche Priesters, den 21 september 1730', Groot P1acaet-Boeck, dl. VI ('s Graven-Hage, 1746) pp. 367-369.

) dat priesters op bepaalde voorwaarden in de zielzorg konden worden toegelaten. Uit artikel 10 van dit plakkaat blijkt, dat wel toestemming verleend kon worden tot de vergroting of vernieuwing van kerken, maar niet tot de toename van het aantal godshuizen. Pas aan het einde van de achttiende eeuw, in de patriottentijd (1780-1787), was de tijd rijp voor wezenlijke veranderingen ten behoeve van de Hollandse katholieken.

De Weeskamer van Rijnland

Als apart archief valt dat van de weeskamer van Rijnland aan te merken, zij het dat het archief uit nog slechts één deel bestaat. De zorg voor wezen en halfwezen was in Holland van oudsher in handen van de graven geweest. Vanaf de vijftiende eeuw werd de wezenzorg doorgaans behartigd ofwel door de plaatselijke gerechten, meestal onder oppertoezicht van de graaf of diens vertegenwoordiger (baljuw of schout), ofwel door de weeskamers. (

Zie hierover J. Smit, De Zuidhollandsche weeskamers (Alphen aan den Rijn, 1946) pp. 1-9.

) Deze vooral in Holland en Zeeland optredende organen behartigden het materiële welzijn der wezen, in die zin dat de weesmeesters zorgden dat er voogden werden aangesteld en dat het beheer van de aan de wezen toekomende boedels werd geregeld. De plaatselijke schout fungeerde als voorzitter; weesmeesters werden doorgaans gekozen uit de schepenen, soms ook uit burgemeesters of andere notabelen.

De baljuwschappen Rijnland, Delfland, Schieland en Zuid-Holland kenden ieder een weeskeur, zij het dat de strekking daarvan verschilde. De weeskeuren van Schieland en Zuid-Holland waren weliswaar door baljuw en vierschaar uitgevaardigd, maar deze legden de weeszorg bij de plaatselijke schouten en gerechten; het waren keuren voor het platteland. De Delflandse weeskeur kwam tot stand door de samenwerking van enige Delflandse plaatselijke gerechten, waarbij baljuw en welgeborenen geen rol speelden. (

Smit, Zuidhollandsche weeskamers, pp. 31-33.

)

Anders was het gesteld in Rijnland. Daar hadden baljuw en welgeborenen door middel van een weeskeur in 1586 een centrale weeskamer voor het gehele baljuwschap opgericht. (

Smit, Zuidhollandsche weeskamers, p. 7.

) Een aantal ambachtsheren wendde zich daarop tot de Staten van Holland, aangezien zij voor hun heerlijkheid zelf al een regeling dienaangaande hadden getroffen. De Staten van Holland bepaalden in januari 1587 dat aan de competentie van de Rijnlandse weeskamer die ambachtsheerlijkheden waren onttrokken, waar de heer zelf in een weeskeur en weeskamer voorzien had. (

Fockema Andreae, 'Aanteekeningen', pp. 262-263.

)
Doordat in de daarop volgende jaren op het Rijnlandse platteland vele nieuwe weeskamers werden opgericht (

Smit, Zuidhollandsche weeskamers, pp. 7-8.

)
(zodanig dat Van Leeuwen in 1667 opmerkte dat 'tselve doorgaens op alle de dorpen in 't bysonder is ingevoert' (

Van Leeuwen, Costumen van Rijnland, p. 372.

)
) werd het werkingsgebied van de Rijnlandse weeskamer nagenoeg tot nul gereduceerd. Het van Rijnland bewaard gebleven 'weesbouck' is vermoedelijk dan ook het enige dat ooit bestaan heeft (afgezien van losse stukken, die evenwel niet zijn overgeleverd).

Globaal overzicht van de dorpen, behorend tot het baljuwschap Zuid-Holland, aan het einde van de achttiende eeuw

(zie kaartje)

Alblas en Alblasserdamde Mijl
deel BergambachtMijnsherenland van Moerkerken en Heinenoord
Berkenwoude en Achterbroek
Bezooien en SprangMolenaarsgraaf
BleskensgraafNaaldwijk
Brandwijk en GijbelandNederveen-Kapel
DubbeldamNiemandsvriend
Dussen-Muilkerk en Drimmelen en StanthazenNieuw Lekkerland
Oost-Barendrecht
Dussen MunsterkerkOost-IJsselmonde
GiessendamOuderkerk
Giessen-OuderkerkPuttershoek
's-Gravenduin-KapelRaamsdonk
de Groote LindRidderkerk
Groot-WaspikRijsoord
's-HeerarendsbergSliedrecht (Lokhorst)
Heerjansdamdeel Stolwijk en Stormpolder
Heer-OudelandsambachtStreefkerk
Hendrik-Ido-Ambacht en de Oostendam met SchildmanskinderenambachtStrevelshoek en Sandelingenambacht
Vrijhoeven-Kapel
KijfhoekWerkendam
de Kleine LindWest-Barendrecht en Karnisse
Klein-WaspikWest-IJsselmonde
Krimpen aan de IJsselWieldrecht en deel Merwedepolder
Krimpen aan de Lek
MaasdamZuidewijn-Kapel
MeerdervoortZwijndrecht

[Ontleend aan Egmond, 'Hoge jurisdicties', pp. 148-149, 154, 157-158 en 160-161, Dolk, Delfland, pp. 6 en 31-33, Fockema Andreae, 'Aantekeningen', pp. 240-251, Gosses, 'Vorming Holland', p. 295, Van Leeuwen, Handvesten, pp. 15-19 en Muller, Schieland, p. 8.]

Voor de vroege periode wordt geen opgave van dorpen gedaan. Tijdrovend en gedetailleerd onderzoek zal eerst moeten plaatsvinden alvorens een verantwoord overzicht te kunnen geven. Als gevolg van grote watervloeden en veranderingen in het rivierenstelsel vonden in de dertiende eeuw belangrijke wijzigingen plaats in de gebieden van het baljuwschap. Zuid-Holland werd toen verdeeld in een aantal waarden of riviereilanden, namelijk de Zuid-Hollandse Waard, de Tieselenswaard (beide grotendeels verdronken en thans Biesbosch, Eiland Dordrecht en Hoeksche Waard), de Zwijndrechtse Waard, de Riederwaard, de Alblasserwaard en de Krimpenerwaard.

Kaartje van de baljuwschappen aan het einde van de achttiende eeuw

(Uit: Egmond, 'Hoge jurisdicties')

Baljuws van Zuid-Holland, 1574-1811
1574-1580jhr. W. Zuylen van Nyevelt
1580-1583J. Wentsen Jacobsz.
1583-1592mr. J. Muys van Holy
1593-1620dr. A. Muys van Holy
1620-1629P. de Roovere
1629-1653mr. P. de Roovere
1653-1673M. Pompe van Slingelandt
1673-1721P. de Roovere van Slingelandt
1673-1721P. de Roovere van Hardinxveld
1721-1728mr. J. Hallingh
1728-1753mr. J.H. Hallingh
1753-1770mr. F. van den Brandeler
1770-1784mr. B. van den Santheuvel
1784-1793mr. A.A. Tets van Goudriaan
1793-1795mr. L.P. van Tets
1795-1811mr. A. Hoynck van Papendrecht
1797-1798D.W. Nibbelink (ad interim)

[Ontleend aan het archief van de Grafelijkheidsrekenkamer (1305) 1446-1812 en aan de Archieven van baljuw en hoge vierschaar van Zuid-Holland 1574-1811 (1813).]

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in