gahetNA in het Nationaal Archief

Hof van Holland

3.03.01.01
M.C. le Bailly, P.J.M. van den Heuvel et al.
Nationaal Archief, Den Haag
2008
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

3.03.01.01
Auteur: M.C. le Bailly, P.J.M. van den Heuvel et al.
Nationaal Archief, Den Haag
2008
CC0

Periode:

1428-1811

Omvang:

592,60 meter; 11696 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Oud-Nederlands; enkele stukken zijn in het Frans of in het Latijn gesteld.

Soort archiefmateriaal:

Normale handgeschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het Hof van Holland had in de vijftiende eeuw taken op het gebied van het bestuur, de wetgeving en de rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland. De rechtsprekende taak van het Hof werd in eerste aanleg gevormd door die zaken die voorheen in de grafelijke rechtspraak werden berecht, zoals: inbreuken op de rechten van de landsheer en het landsheerlijk gezag, misdrijven en correctie van landsheerlijke ambtenaren, muntzaken, de bescherming van geestelijken, vreemdelingen en de zogenoemde personae miserabiles. In hoger beroep oordeelde het Hof over de uitspraken van lokale rechtbanken in burgerlijke zaken. Van het Hof kon men, in de periode vóór de Opstand, in beroep gaan bij de Grote Raad van Mechelen. Door inperking van de bestuurlijke bevoegdheden van het Hof, met name na de Opstand, bleef de rechtspraak als hoofdtaak van het Hof over.
De stamreeks van het archief wordt gevormd door de memorialen. Hieruit zijn in de loop der tijd andere reeksen afgescheiden, zoals de sententieregisters, waarin de vonnissen werden opgetekend. Daaruit kwamen vervolgens andere reeksen voort zoals de registers van de procureur-generaal, de quaetclappen en de presentatieboeken. Vanaf het begin van de 17e eeuw werden de eigen besluiten van het Hof afgesplitst uit de memorialen en opgetekend in resolutieboeken.
Eigenlijk niet tot het archief behorende zijn de zogenaamde proceszakken met daarin processtukken van partijen die voor het Hof procedeerden. Normaal gesproken werden deze na afloop van een proces opgehaald door de procureurs, maar dat gebeurde lang niet altijd. Het archief van het Hof van Holland is tamelijk compleet bewaard gebleven.

Archiefvormers:

  • Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland, 1428-1798
  • Hof van Justitie van Holland en Zeeland, 1798-1803
  • Hof van Justitie van Holland, 1803-1811
  • Commissie tot afdoening der zaken van de Consignatiekas van het voormalige Hof van Justitie van Holland, 1814-1842

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Ontstaan van het Hof
(

Tegelijkertijd met deze inventaris verschijnt ook een procesgids waarin de civiele procedure bij het Hof van Holland wordt uitgelegd aan de hand van originele processtukken.

)

De Raad (het Hof) van Holland onder de Bourgondische hertogen, was de natuurlijke opvolger van de oude grafelijke raad die al ten tijde van de Beierse hertogen, en wellicht al eerder, functioneerde. Deze Raad was belast met het bestuur en de rechtspraak in het graafschap en groeide langzaam maar zeker uit tot een professionele instelling. In de oudere literatuur is de oorsprong van het Hof van Holland steeds in 1428 (Zoen van Delft) of 1432 (aanstelling rentmeester-generaal van Holland) gezocht,(

Bijvoorbeeld De Blécourt en Meijers, Memorialen Rosa , situeerden de 'oprichting' van het Hof van Holland in 1428. Van Riemsdijk, Tresorie en kanselarij , en Jansma, Raad en rekenkamer , gingen uit van 1432 als aanvangsjaar van het Hof van Holland.

) maar onderzoek heeft aangetoond dat een werkelijke breuk in de ontwikkeling van de Raad van Holland later moet worden geplaatst, namelijk rond 1445.(

Damen, Staat van dienst, 39-43.

)

Als gevolg van ingrijpende institutionele veranderingen in 1445-1446 kwam de nadruk bij de activiteit van de Raad van Holland meer te liggen op de justitiële taak. Onder meer uit de registervorming blijkt dat de bestuurlijke en rechterlijke werkzaamheden van het Hof van Holland duidelijk werden gescheiden.

De institutionele wijzigingen rond 1445 leidden tevens tot een verandering in de naamgeving van de Raad van Holland. Drie termen werden tijdens de vijftiende eeuw naast elkaar gebruikt: Raad, Raadkamer en Hof van Holland. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw komt de term 'Hof' of 'Hove van Hollant' steeds vaker voor in de memorialen en de sententieregisters. Mogelijk kwam deze benaming in zwang omdat de Raad steeds meer werd vereenzelvigd met de plek waar de instelling resideerde, namelijk het grafelijk hof. Uit de manier waarop de term Hof van Holland wordt gehanteerd in de grafelijke rekeningen, blijkt duidelijk dat hiermee vooral de Raad als rechtsprekend college werd bedoeld.(

Ibidem en Le Bailly, Recht voor de Raad, 13.

)

In de recente literatuur zijn nog steeds verschillende namen in gebruik om dezelfde instelling aan te duiden: Hof van Holland en Raad van Holland. In zijn studie over het personeel van het Hof van Holland in de vijftiende eeuw hanteert M. Damen de benaming ‘Raad van Holland’ voor de instelling als geheel.(

Damen, Staat van dienst, 39-43.

)S. ter Braake die hetzelfde onderwerp onderzocht in de eerste helft van de zestiende eeuw kiest ervoor de benaming ‘Hof van Holland’ te gebruiken wanneer de instelling als geheel wordt bedoeld, en ‘Raad’ om het college van raadsheren en hun voorzitters aan te duiden.(

Ter Braake, Recht en rekenschap, 37-38.

)
Hoe het ook zij, het gaat hier steeds om dezelfde instelling. In de bronnen worden de termen blijvend door elkaar worden gebruikt. Om de raadsheren en de voorzitter aan te duiden gebruikte men vaak de woorden 'president ende rade', of kortweg 'rade'. Met 'rade' bedoelde men dus het meervoud van raad in de zin van raadsheer, en niet raad als orgaan. Als men al een strikt onderscheid tussen beide benamingen wil maken, dan lijkt het logischer te spreken van Raad van Holland wanneer het de instelling in de uitoefening van zijn bestuurlijke en representatieve taken betreft en van Hof van Holland wanneer de instelling als rechtscollege wordt bedoeld.

Het huidige archief van het Hof van Holland neemt nog altijd zijn aanvang met de zogenaamde Memorialen Rosa, de memoriaalregisters die later onterecht genoemd zijn naar Jan Rose, die van 1428 tot 1447 secretaris was bij het Hof van Holland. Maar, zoals gezegd, kan 1428 niet meer worden beschouwd als de 'oprichtingsdatum' van het Hof. Bovendien vormen de Memorialen Rosa louter het vervolg op de oude grafelijke memorialen.(

Damen, Staat van dienst, 117, en Lombarts, Nota, 370-372.

) Hoewel dus ook op archivalische gronden het jaartal 1428 geen zichtbare verandering bracht in de ontwikkeling van de Raad van Holland, zijn de zaken in de huidige inventaris zo gelaten als ze waren sinds hun indeling in het Rijksarchief na 1852.

Samenstelling en organisatie
(

Zie ook: Procesgids Hof van Holland, hoofdstuk 2.1.

)

De stadhouder, die aangesteld was als plaatsvervanger van de graaf op het gebied van bestuur en rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland, was tevens de voorzitter van de Raad. Hij was ook de zegelbewaarder. De stadhouder had zowel rechterlijke als bestuurlijke bevoegdheden. Als rechter moest hij toezien op het goede verloop van de rechtsgang. Als bestuurder was hij verantwoordelijk voor het vernieuwen van de wet in de steden en het bijeenroepen van de Staten.(

Ter Braake, Recht en rekenschap, 40-45.

)

In 1445 werd tevens het ambt van president gecreëerd. Deze functionaris was een professionele raadsvoorzitter die geschoold was in de rechten en naast of in afwezigheid van de stadhouder functioneerde. De aanstelling van de president stuitte echter op zoveel weerstand in het graafschap dat dit ambt in 1448 niet werd gecontinueerd. Daarna trad opnieuw een stadhouder op als plaatsvervanger van de hertog. Vanaf de Instructie van 1510 was er echter opnieuw een president, die naast de stadhouder functioneerde en de zittingen van de raadsheren voorzat. Bij afwezigheid van de stadhouder nam de president diens taken waar, bijvoorbeeld bij het overleg met de Staten van Holland.(

Damen, Staat van dienst, 61-63, en Ter Braake, Recht en rekenschap, 54-56.

)

In de vijftiende eeuw bestond het Hof van Holland uit gemiddeld acht à negen bezoldigde raadsheren. Aanvankelijk speelden ook de raadsheren 'tot wederzeggen' en de onbezoldigde raadsheren uit de Raad een belangrijke rol in het Hof, maar deze verdwenen geheel in 1445.(

Damen, Staat van dienst, 72-78.

) Waar in de Instructie van 1480 (art. 1) nog van acht vaste raadsheren wordt gesproken, is dit aantal in de Instructie van 1510 opgelopen tot twaalf (art. 1).(

Voor een nieuwe uitgave van deze teksten zie Bos-Rops e.a., Holland bestuurd.

)
Van die twaalf waren er zes ordinaris raadsheren en zes commissarissen die informaties en onderzoeken moesten leiden. In opeenvolgende eeuwen is deze indeling fundamenteel niet meer gewijzigd; in latere Instructies, zoals die van 1531 worden zelfs geen aantallen raadsheren meer genoemd. Wel gold vanaf 1559 een striktere taakverdeling tussen de raadsheren.(

Ter Braake, Recht en rekenschap, 25 en 45-64.

)

De belangrijkste taak van de raadsheren bestond erin te beschikken op de binnengekomen verzoekschriften (rekesten) die de president onder hen verdeelde. Twee van deze raadsheren zaten beurtelings elke week de rolzitting voor.(

Instructie 1531 (art. 145).

) Zij hoorden de partijen die tijdens de rolzitting een proceshandeling verrichtten en besloten over het verder verloop van afzonderlijke processen. De beraadslagingen over een specifieke procedure vonden plaats in het voltallige college. Beslissingen werden bij meerderheid van stemmen genomen.

Naast het college van raadsheren was de griffier de spilfiguur van het Hof van Holland. Deze functie werd in het voorjaar van 1445 ingesteld op voorstel van de Staten van Holland. Voordien was het beheer van de registers van het Hof van Holland een van de taken van de registerklerk van de Hollandse Kanselarij.(

Damen, Staat van dienst, 107-113.

) De griffier zorgde in hoofdzaak voor de administratie van het Hof. In opeenvolgende Instructies, zoals die van 1462, 1480, 1522 en 1531, werden de taken van de griffier steeds verder uitgebreid: behalve het registreren en bijhouden van registers en het opmaken van stukken voor de partijen moest hij tevens zorg dragen voor het beheer van het archief. Hij was ook degene die de aan- en afwezigheden van het personeel bijhield met oog op de betaling van de wedden.

De werkzaamheden van de griffie groeiden in de loop van de tijd zodanig dat de griffier assistentie kreeg van diverse klerken en secretarissen. In de tweede helft van de vijftiende eeuw werd hij eerst alleen nog bijgestaan door een adjunct-griffier of substituut-griffier, maar al snel werden ook secretarissen aangesteld om hem in zijn werk bij te staan. Sinds de Instructie van 1480 (art. 14) waren er twee of drie vaste secretarissen en enkele secretarissen op afroepbasis. In de zeventiende eeuw groeide dit aantal zelfs uit tot zes ordinaris secretarissen; in de achttiende eeuw werd het aantal teruggebracht tot drie.

Twee andere belangrijke functionarissen bij het Hof waren de procureur-generaal en de advocaat-fiscaal. De functie van procureur-generaal wordt in de Memorialen voor het eerst vermeld in 1434, maar deze is mogelijk al vroeger ingesteld; de aanstelling van de advocaat-fiscaal volgde een kleine dertig jaar later, in 1463. De hoofdtaak van de procureur-generaal was die van openbare aanklager; hij trad op namens de graaf en verdedigde diens rechten. Volgens de Instructie van 1462 (art. 5) moest hij ook twee maal per jaar een ommegang doen in het graafschap om te onderzoeken of er zaken waren die door het Hof van Holland behandeld moesten worden, zoals misdaden die dreigden te verjaren. In de praktijk blijkt dat hij hier nauwelijks aan toekwam. Voor de procureur-generaal en de advocaat-fiscaal gold in principe dezelfde taakverdeling als voor procureurs en advocaten van partijen. De procureur was in wezen de administrateur van de zaak. Hij nam de rol waar, zorgde voor de vereiste proceshandelingen, maakte de inventaris en fourneerde de processtukken. De advocaat was de eigenlijke raadsman en pleiter. Als rechtsgeleerde adviseerde hij zijn cliënten en voerde de pleidooien voor de rechtbank.(

Le Bailly, Recht voor de Raad, 140-141 en 238-239.

)

Beide ambten kunnen worden vergeleken met het huidige openbaar ministerie, maar in de praktische uitvoering waren natuurlijk grote verschillen. Hoewel deze ambten in het leven waren geroepen om de belangen van de graaf te verdedigen, mochten deze ambtenaren aanvankelijk ook de belangen van private partijen vertegenwoordigen wanneer zij daartoe werden aangezocht. In de Instructie van 1510 (art. 14) werd echter bepaald dat zij alleen de grafelijke belangen mochten dienen. Private belangen konden immers indruisen tegen staatsbelangen. Om die reden werd ook het salaris van de procureur-generaal substantieel verhoogd.

In 1520 werd besloten tot het combineren van de ambten van procureur-generaal en advocaat-fiscaal. De bedoeling van deze maatregel was om het ambt van procureur-generaal meer inhoud en belang te geven. Behalve de taken van de advocaat-fiscaal kreeg de procureur-generaal ook meer bevoegdheden erbij, met name vanaf 1540 als gevolg van de ketterbestrijding. Zo mocht hij ook aanwezig zijn tijdens de deliberaties van de raadsheren en mocht hij verdachten arresteren zelfs wanneer de feiten verjaard waren. De combinatie van de twee ambten betekende bovendien dat voortaan een universitaire titel noodzakelijk was om tot procureur-generaal te worden benoemd. De procureur-generaal kreeg bijgevolg een fiks hoger salaris en de functie van subtituut procureur-generaal werd stevig uitgebreid.(

Ter Braake, Recht en rekenschap, 70-72 en 112-113.

)

De rentmeester-generaal was verantwoordelijk voor de inkomsten uit de domeinen, de justitie en de beden. Hij was belast met het uibetalen van de wedden van de raadsheren en het overige Hofpersoneel en van hun reiskostendeclaraties. Sinds zijn aanstelling in 1432 behoorde het innen van de boetes die door het Hof van Holland waren opgelegd tevens tot zijn takenpakket. Vanaf 1458 behoorde deze taak echter tot de nieuwe, speciaal voor het Hof van Holland voorbehouden functie van de rentmeester (of ontvanger) van de exploiten. Tussen 1469 en 1480 werden zowel het ambt van rentmeester van de exploiten als dat van rentmeester-generaal tijdelijk opgeheven en gingen hun taken over op de rentmeester van Noordholland. In 1500 werd het ambt van rentmeester-generaal opgeheven, opnieuw kwamen zijn taken bij de rentmeester van Noordholland.(

De rekeningen van beide ambtenaren worden bewaard in de Grafelijkheidsrekenkamer, archiefinventaris 3.01.27.02. Zie verder Ter Braake, Recht en rekenschap, 27 en 64-66.

)

De rentmeester van de exploiten was als het ware de kassier van het Hof. De voornaamste taak van de rentmeester van de exploiten was het innen van de boetes die het Hof van Holland had opgelegd en van alle kosten die partijen volgens de taxatie van het Hof hadden gemaakt tijdens het voeren van processen. Hij moest een rekening bijhouden van al deze financiële transacties en hiervan verantwoording afleggen voor de Grafelijkheids Rekenkamer in Den Haag. Verder diende hij, net als de raadsheren, woonplaats te houden in Den Haag, zodat hij op elk gewenst moment beschikbaar kon zijn.

Voor de inning van de boetes werd de rentmeester zo nodig bijgestaan door deurwaarders. Volgens de Instructie van 1531 (art. 102) waren er twee deurwaarders werkzaam bij het Hof van Holland, maar dit aantal groeide in de volgende eeuwen verder. Deze 'eerste deurwaarders' moesten tijdens de zittingen van het Hof van Holland de orde handhaven en verder waren zij als enige (samen met de eerste deurwaarders van de Hoge Raad) bevoegd om in Den Haag en Haagambacht te exploiteren. De deurwaarders van het Hof waren ook bevoegd om overal in Holland en Zeeland hun functie uit te oefenen. Zo nodig werden zij bijgestaan door een van de circa tien ordinaris deurwaarders die in Den Haag en de verschillende steden gevestigd waren.(

Ter Braake, "Zwaeren arbeyden ende cleen proffijten", 51-72; Ter Braake, Recht en rekenschap, 66; en Ketelaar, Procesgang, 48.

)

Tot de vaste staf van het Hof van Holland behoorden behalve bovengenoemde ambtenaren ook enkele klerken, boden, een boutefeu (persoon die met de verwarming belast was) en een denunciateur van het uur.

De opeenvolgende Instructies voor het Hof van Holland wijdden vele artikelen aan de advocaten en procureurs van partijen.(

Voor een overzicht van de advocaten die in de periode 1560-1811 werkzaam waren, wordt verwezen naar: Huijbrecht e.a., Album advocatorum .

) Zij waren degenen die de procespartijen in rechte vertegenwoordigden vóór het Hof. Hoewel zij formeel niet in dienst waren van het Hof, mochten zij alleen optreden vóór het Hof als zij officieel waren beëdigd. In hun eed moesten zij onder andere beloven dat ze zich aan een aantal gedragsregels zouden houden tijdens het presenteren van processen vóór het Hof en bij het opstellen van stukken. Zowel de procureurs als de advocaten moesten aan een aantal opleidings- en ervaringseisen voldoen om toegelaten te worden tot de eed; de advocaten moesten bovendien een meestertitel in de rechten bezitten. De taakverdeling tussen procureurs en advocaten was gelijk aan die bij de meeste hooggerechtshoven in de Nederlanden (zie boven). Hoewel de procureurs en advocaten formeel niet verbonden waren aan het Hof van Holland schreven de opeenvolgende Instructies voor hoeveel salaris zij voor iedere afzonderlijke prestatie of rechtshandeling mochten vragen aan de partijen die zij in rechte vertegenwoordigden.

Een gelijkaardige situatie gold voor de notarissen. Sinds de plakkaten van 1525(

Voor Holland en Zeeland werden afzonderlijke plakkaten afgekondigd: het Hollandse plakkaat dateert van 21 maart en het Zeeuwse van 18 december 1525. Zie verder over het notariaat Huijbrecht, Kraam, comptoir, kantoor. Voor een overzicht van de notarissen die in de periode 1525-1811 werkzaam waren bij het Hof van Holland zie Heersink e.a., Register Notariorum.

) op het stuk van het notariaat in Holland en Zeeland oefende het Hof van Holland het toezicht uit op de aanstelling van notarissen in het graafschap. De stadsbesturen konden zelf aangeven hoeveel notarissen zij nodig achtten in hun stad of district. Zij droegen kandidaten voor ter beoordeling aan het Hof, dat bij welbevinden de kandidaat-notarissen beëdigde. Hoewel een kandidaat eerst een stageperiode moest hebben doorlopen en de procedure om notaris te worden redelijk ingewikkeld was, waren de kwaliteitseisen op zich niet erg hoog. De nieuwe notarissen moesten bij hun aantreding wel een eed afleggen waarin zij onder andere beloofden zich te houden aan relevante plakkaten, een deugdelijke administratie van protocollen te houden, geen fraude te plegen en geen akten te passeren in de afwezigheid van geschikte getuigen.

De bibliotheek van het Hof van Holland

De archieven en bijbehorende bibliotheken van het Hof van Holland en de Hoge Raad van Holland en Zeeland zijn na 1852 naar het Rijksarchief overgebracht. Het Hof van Holland had tijdens zijn bestaan een aanzienlijke boekencollectie verzameld, die zowel algemene historisch-geografische werken bevatte als juridische naslagwerken. Bovendien was bij de opheffing van de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland in 1795 zijn bibliotheek gevoegd bij die van het Hof van Holland.

Waar het archief van het Hof een eenduidig geheel is blijven vormen, ook vóór de opname ervan in het Rijksarchief in 1854, geldt helaas niet dezelfde situatie voor de bibliotheek. Die is namelijk tijdens de negentiende eeuw verspreid geraakt over verschillende juridische instellingen. Zo kreeg het nieuwe Hof van Justitie van Zeeland, dat in 1803 was opgericht, een honderdtiental werken uit de boekenverzameling van het Hof van Holland, met name boeken die betrekking hadden op Zeeuwse onderwerpen. De huidige Hoge Raad der Nederlanden, die in 1838 het leven zag, kreeg een aanzienlijk deel van de boekencollectie van het Hof van Holland en de oude Hoge Raad in zijn beheer. Waarschijnlijk betrof het hier vooral dubbele exemplaren.(

Prof.mr. J. Th. de Smidt voert een onderzoek uit naar de voormalige bibliotheek van de Hoge Raad van Holland en Zeeland uit. Bakhuizen van den Brink is nogal vooringenomen over de verdeling ( Overzigt, 226-228).

)

De Hoge Raad der Nederlanden beschikte namelijk aanvankelijk niet over de in zijn ogen noodzakelijke rechtsgeleerde werken om zijn rechterlijke activiteiten naar behoren te kunnen uitvoeren. Daarom verzette dit rechtscollege zich tegen de opname van met name de juridische werken uit de collecties van het Hof van Holland en de (oude) Hoge Raad in het Rijksarchief. Al in 1855 suggereerde de Hoge Raad een thematische verdeling van de boeken, namelijk in een historisch deel dat naar het Rijksarchief zou gaan en een juridisch deel dat bij de Hoge Raad zou blijven. Dit leidde tot de aanstelling van een speciale commissie die zich over deze problematiek moest buigen. Op 30 mei 1856 presenteerde de commissie haar rapport met een ontwerp voor de verdeling van de boekenverzameling. Van de in totaal 1380 titels werden er 500 werken aan de Hoge Raad overgemaakt.(

Koekebakker, Catalogus der bibliotheek, ix-xiii.

) Het overgrote deel hiervan berust nog altijd in de bibliotheek van het Nationaal Archief, waaronder bijvoorbeeld De Riemer's Beschrijving van 's Gravenhage.

Overigens was men niet altijd even zorgvuldig met de bibliotheek van het Hof van Holland omgegaan tijdens zijn bestaan. Blijkens verschillende catalogi van de bibliotheek zijn belangrijke delen van de boekenverzameling verdwenen als gevolg van wisselend beheer. Bovendien zijn ook veel belangwekkende boeken niet aan de vernietigingswoede van de inquisitie ontsnapt.(

Over de geschiedenis en samenstelling van de bibliotheek van het Hof zie de titels in de literatuuropgave.

)

Instructies voor het Hof van Holland
(

Zie ook: Procesgids Hof van Holland , hoofdstuk 2.2.

)

Tijdens de bijna vier eeuwen van zijn bestaan zijn vele tientallen Instructies uitgevaardigd met betrekking tot het functioneren van het Hof van Holland, maar de belangrijkste teksten zijn eigenlijk op één hand te tellen. Voor een goed begrip van de werking van het Hof in hoofdlijnen volstaan de Instructies van 1462, 1480, 1515, 1522 en 1531. De meeste andere teksten betreffen over het algemeen herhalingen, nadere uitwerkingen van specifieke onderdelen of verdere instructies voor afzonderlijke functionarissen. Een overzicht van de belangrijkste regelingen en ordonnanties betreffende het Hof van Holland is opgenomen in bijlage 2. Het zou hier te ver voeren ze allemaal te bespreken.

Met name in de vijftiende en zestiende eeuw maakten de verschillende ordonnanties betreffende het functioneren van het Hof deel uit van (soms) langdurige onderhandelingen tussen de Steden en Staten enerzijds en de vorst anderzijds over algemene belastingen (bedes). De herkomst van vele artikelen uit de opeenvolgende Instructies van 1462, 1477 (Groot Privilege), 1480, 1510, 1515, 1522 en 1531 is vaak direct terug te voeren tot specifieke klachten over de uitvoering van de rechtspraak of van het bestuur in het graafschap Holland en Zeeland. Dit werd eerder opgemerkt voor de vijftiende-eeuwse ordonnanties, maar geldt evenzeer voor de Instructies uit de eerste helft van de zestiende eeuw.(

Stein, De Staten, 18-28; Ter Braake, Recht en rekenschap, 47-48.

)

De opeenvolgende ordonnanties zijn zoals gezegd de vrucht van het consultatieve proces tussen de Staten van Holland en Zeeland en de regerende vorst en zijn raadgevers. Dit betekent enerzijds dat het ontstaan van vele artikelen uit de afzonderlijke ordonnanties direct te herleiden is tot specifieke klachten die geuit werden tijdens onderhandelingen over een nieuwe bede. Hier kwamen dikwijls lokaalgebonden kwesties aan de orde. Anderzijds moet worden opgemerkt dat de ordonnanties vaak niet op zichzelf staan, laat staan specifiek Hollands waren. Enkele belangrijke Instructies zoals die van 1522 en 1531 zijn uitgevaardigd in de context van een grootscheepse codificatie in de gehele Nederlanden en de parallellen en invloeden tussen de Ordonnanties voor de verschillende provinciale hoven in de Nederlanden zijn groot. Wedekind overschat allicht de Vlaamse invloed op de Hollandse procedure, maar er was zeker ook sprake van invloed vanuit Brabant. Oosterbosch heeft bijvoorbeeld aangetoond dat de verschillende regelingen voor het Hof van Holland, met name die van 1480 en 1510, zich sterk spiegelden aan de Ordonnantie voor de Raad van Brabant van 1474.(

M. Oosterbosch, 'Procedureregelingen voor de Raad van Brabant (15e eeuw)', in: F. Vanhemelryck, ed. Recht ende Justicie (Brussel 1997) 115-137, m.n. 128-131.

)

De eerste tekst die de competentie van het Hof en de civiele rechtsgang uitvoerig beschreef, was de Instructie van 1462. Hierin werden de basisprincipes van de civiele procedure voor het Hof van Holland vastgelegd. Overigens blijkt dat bij het Hof net als elders in de Bourgondische Nederlanden de romano-canonieke procedure werd gevolgd (zie onder 'procedure in civiele zaken'), zij het met enige lokale verschillen. De Instructie van 1480 is feitelijk een letterlijke herhaling van de Instructie van 1462 in gewijzigde volgorde, waaraan een twintigtal nieuwe artikelen is toegevoegd. Opvallend is dat vijf van die artikelen verband houden met het gedrag van procureurs van partijen.(

Le Bailly, Recht voor de Raad, 127-129 en 145.

) In ieder geval was deze Instructie goed voor dertig jaar; pas in 1510 volgde immers een eerste wezenlijke aanvulling (21 artikelen).

Tijdens de onderhandelingen voor een nieuwe bede in 1515 vaardigde Karel V een nieuwe Instructie voor het Hof van Holland van 148 artikelen uit, en al snel volgde hierop een aanvulling van nog eens 22 artikelen in 1518. Beide teksten zijn tot voor kort onopgemerkt gebleven in de literatuur, maar zijn daarom niet minder relevant voor het functioneren van het Hof. Ook de Ordonnantie van het Hof van Holland van 1522 die maar liefst 215 artikelen telt, is slechts recentelijk herontdekt, maar nog niet verder bestudeerd. Op 16 mei 1530 volgde nog een aanvullende regeling, die weer de basis vormde voor de nieuwe artikelen in de Instructie van 1531. Een vluchtige vergelijking tussen de ordonnanties van 1515, 1522 en 1531 leert ons dat de kern van die teksten vrijwel identiek is, maar dat er telkens enkele artikelen of passages zijn toegevoegd.(

Ter Braake, Recht en rekenschap, 33-34, gaat verder is op de inhoudelijke vergelijking van de artikelen uit de verschillende ordonnanties; Le Bailly, Recht voor de Raad, 20-21.

)

Wat betreft de civiele procedure is de Instructie van 1531 bepalend gebleken tot de opheffing van het Hof van Holland in 1811. Na 1531 volgden nog verschillende aanvullingen, nadere uitwerkingen van specifieke procedures en kortere ordonnanties betreffende afzonderlijke functionarissen, maar de Instructie van 1531 bleef tot het einde van de achttiende eeuw toe hèt basisdocument voor de werking van het Hof van Holland.

De criminele procedure daarentegen is relatief laat vastgelegd in een basistekst. In 1570 vaardigde hertog Filips II de zogenaamde Criminele Ordonnantiën uit, met de bedoeling om de strafrechtspraak in de Nederlanden te uniformeren, met name op het niveau van de lokale gerechten. Het initiatief hiertoe ging uit van zijn landvoogd Alva die zijn juristen de opdracht had gegeven eenheid aan te brengen in het stafrecht en strafprocesrecht. Hoewel de Criminele Ordonnantiën na de pacificatie van Gent (1576) in veel gewesten hun rechtskracht verloren, zijn zij tot het einde van de achttiende eeuw in Holland en Zeeland van kracht gebleven en vormden zij de basis voor de procedure in criminele zaken. Wel zijn in de zeventiende en achttiende eeuw enkele maatregelen aangepast, bijvoorbeeld de artikelen betreffende de godsdienst.(

Van de Vrugt, De Criminele Ordonnantiën van 1570, 15-17 en 172.

)

Er bestaan verschillende verzamelingen van gedrukte en ongedrukte Instructies voor het Hof van Holland. De belangrijkste teksten uit de vijftiende en zestiende eeuw zijn onlangs opnieuw uitgegeven.(

Voor een recente uitgave van alle Instructies tot 1567, zie Bos-Rops e.a., Holland bestuurd.

) Dezelfde en overige regelingen die relevant zijn voor de werking van het Hof van Holland zijn ook te vinden in het Groot Placaet-boeck.(

Cornelis Cau, Groot Placaet-boeck vervattende de placaten, ordonnantien ende edicten van de Hoogh Mogende Heeren Staten Generael der Verenighde Nederlanden, ende van de Ed. Groot Mog. Heeren Staten van Hollandt ende West-Frieslandt, mitgaders van de Ed. Mog. Heeren Staten van Zeelandt, 10 dln. ('s-Gravenhage/Amsterdam 1658-1797).

)
Van de belangrijkere Instructies bestaan ook afzonderlijke (vaak unieke) drukken uit de zestiende en zeventiende eeuw. Daarnaast zijn in de achttiende eeuw diverse verzamelbanden van Instructies van het Hof van Holland en van de Hoge Raad van Holland uitgegeven, bijvoorbeeld door het drukkershuis van Hillebrant Jacobsz. van der Wouw.(

Van dergelijke convoluten zijn er enkele aanwezig in de bibliotheek van het NA en in de KB, bijvoorbeeld Instructien van den Hove van Hollandt, Zeelandt ende Vrieslandt, 3 dln. ('s-Gravenhage z.j. [17XX]).

)
Ten slotte is in het archief van het Hof van Holland een register bewaard (inv.nr. 5963), getiteld "Register van plakkaten, privileges, ordonnanties, introducties en resoluties getrokken uit de memorialen", waarin vele voor het functioneren van het Hof van Holland relevante teksten zijn afgeschreven (tot 1659).

Bestuurlijke taken

Het Hof van Holland functioneerde aanvankelijk als een regeringsraad met bevoegdheden op bestuurlijk én juridisch vlak, maar specialiseerde in opeenvolgende stadia steeds meer tot een zuiver rechterlijk college. In de eerste helft van de vijftiende eeuw was de taak van de raadsheren zeer ruim geformuleerd: zij hadden de opdracht het bestuur en de rechtspraak in Holland, Zeeland en West-Friesland namens de graaf uit te oefenen. Maar beetje bij beetje onttrokken de Bourgondische hertogen bestuurlijke bevoegdheden aan het Hof. Zo was het Hof aanvankelijk belast met het afhoren van de rekeningen van grafelijke ambtenaren, maar al in 1432 had de hertog hem dit recht ontnomen door de aanstelling van een rentmeester-generaal die rekenplichtig was aan de Rekenkamer in Rijsel. Een jaar later werd ook de bevoegdheid om ambtenaren in het graafschap aan te stellen (of te ontslaan) gelimiteerd, de raadsheren mochten voortaan alleen tijdelijk ambtenaren benoemen. Verder moest het Hof voor steeds meer zaken eerst advies inwinnen bij de hertog, zoals voor de verkoop van grafelijke domeingoederen, het uitgeven of bevestigen van privileges en het verlenen van gratie.(

Le Bailly, Recht voor de Raad, 56-60.

)

Voor de rest bleven de bestuurlijke taken van het Hof van Holland tijdens de vijftiende eeuw min of meer ongewijzigd. Wat betreft de binnenlandse politiek valt te denken aan wetsvernieuwing; aanstelling van grafelijke ambtenaren; toezicht op de orde in de steden; het uitvaardigen van muntordonnanties, handelsverboden en andere ordonnanties; dijkzaken, inspectie van de dijken en het maken van keuren voor de dijkages; en het verlenen van vrijgeleides. Voorts had de Raad defensieve bevoegdheden, zoals het zorgen voor de bewaking van de grenzen, de uitrusting van (vrede)schepen, de beveiliging van de haringvloot en de inspectie van de versterkte plaatsen en burchten. De buitenlandse politiek van de Raad bestond vooral uit diplomatieke missies. Verschillende historici hebben er reeds op gewezen dat het politieke beleid dat de Raad uitvoerde niet alleen door de vorst werd vastgelegd, maar ook door de Staten tijdens de dagvaarten.(

Ter Braake, Recht en rekenschap, 23; Damen, Staat van dienst, 39-46; Jongkees, Bourgondische landen, 117; Jansma, Raad en Rekenkamer, 136-150.

)

De bestuurlijke competentie van het Hof van Holland in de vijftiende eeuw blijkt vooral uit de praktijk. De bevoegdheden van het Hof zijn immers pas in de Instructies van 1462 en 1480 expliciet omschreven, en vooral in de juridische zin (zie volgende paragraaf). Wat betreft de bestuurlijke activiteiten van het Hof is enkel de hierboven geschetste praktijk vastgelegd in enkele artikelen. Deze artikelen werden bovendien steeds herhaald in de opeenvolgende instructies, zoals die van 1515, 1522 en 1531. Alleen indirect blijkt dat op gezette momenten, zoals tijdens onderhandeling voor een nieuwe bede in 1462 en 1480, of bij het Groot-Privilege van 1477, klachten werden geuit dat het Hof zijn competentie had uitgebreid ten koste van de lokale gerechten. Maar ook deze klachten betroffen bijna altijd het juridische werkterrein van het Hof.(

Le Bailly, Recht voor de Raad, 56-72.

)

Uit het onderzoek van M. Damen en van S. ter Braake komt de invloed van de raadsheren van het Hof van Holland op bestuurlijk vlak tijdens de tweede helft van de vijftiende eeuw en de eerste helft van de zestiende eeuw naar voren, met name op twee terreinen: 1) tijdens de onderhandelingen voor een nieuwe bede en 2) bij de wetsvernieuwing in de steden. Wat het eerste betreft, hebben de raadsheren steeds een belangrijke schakel gevormd tussen vorst en onderdanen. Op het tweede terrein blijkt dat het Hof in de praktijk namens de hertog ageerde. Gebruikelijk werden steeds twee kandidaten per post in de stadsbesturen voorgedragen waaruit de hertog, in casu de raadsheren van het Hof, konden kiezen. Bovendien zijn er tekenen van sturing van bovenaf bij het samenstellen van de voordrachtslijsten. In de commissies bij de wetsvernieuwing waren namelijk meestal ook één of twee leden van het Hof betrokken als commissaris. Toch blijkt ook hier die invloed zich meestal te beperken tot de benoeming van schepenen. Zuiver bestuurlijke benoemingen zoals die van burgemeesters bleven doorgaans onder de strikte controle van de lokale gerechten en vroedschappen.(

Damen, Staat van dienst, 337-389 en Ter Braake, Recht en Rekenschap, 45-55.

)

Uit de Instructie voor het Hof van Holland uit 1531 blijkt nog een aantal politieke bevoegdheden: in afwezigheid van de stadhouder mocht het Hof de Staten van Holland bijeenroepen, de stedelijke magistraten vernieuwen, toezicht houden op de baljuwen en andere officieren, ambtenaren aanstellen en de eed afleggen, toezicht houden op dijken, sluizen en waterwerken en ten slotte zorg dragen voor de vestingen en muren van de steden. Bovendien stelde de Instructie dat wanneer de stadhouder wel beschikbaar was, hij deze taken niet zou uitoefenen zonder het advies van het Hof van Holland. In hoofdlijnen was de bestuurlijke competentie van het Hof dus niet structureel gewijzigd ten opzichte van de vijftiende eeuw.(

Zie ook Ter Braake, Recht en rekenschap, 57-60.

) Overigens blijkt ook uit de registervorming, met name uit het opnieuw in het leven roepen van de reeks memorialen (zie verder hieronder) dat het Hof zich tijdens de zestiende eeuw (en later) wel degelijk op bestuurlijk vlak bewoog.

Vanaf het laatste kwart van de zestiende eeuw en tijdens de zeventiende eeuw werden de bevoegdheden van het Hof van Holland op bestuurlijk vlak wel steeds verder afgebakend. Toen in 1572 de koningsgezinde regeringscolleges inclusief de raadsleden van het Hof van Holland – met uitzondering van Adriaen van der Houff – naar Utrecht waren gevlucht, verving Willem van Oranje - inmiddels erkend als stadhouder door Holland en Zeeland - de raadsheren door lieden die de Opstand gunstiger gezind waren, en haalde hij tegelijkertijd politieke macht weg bij het Hof. De Staten van Holland namen bestuurlijke bevoegdheden over en de macht van het Hof werd zoveel mogelijk tot de rechterlijke aangelegenheden beperkt.(

J.W. Koopmans, De Staten van Holland en de Opstand. De ontwikkeling van hun functies en organisatie in de periode 1544-1588 (Den Haag 1990) 134-141.

)

Na het ontzet van Leiden sloten Hof en Rekenkamer op 5 november 1574 een overeenkomst met het stadsbestuur van Leiden over huisvesting van Adriaen van de Houff en verhuizing van de genoemde regeringscolleges naar Leiden.(

Zie voor meer informatie inventarisnummer 15040

)

Met een resolutie van de Staten van Holland werden in 1674 opnieuw politieke zaken aan het Hof van Holland onttrokken. Het ging hier voornamelijk om de rechtsmacht betreffende zaken die de soevereiniteit raakten en geschillen tussen de regering en particulieren. Toch betekent dit niet dat het Hof op bestuurlijk gebied geen enkele zeggenschap meer had. Het Hof hield bijvoorbeeld de bevoegdheid om, samen met het ambachtsbestuur van Den Haag, twee bewindhebbers van de West-Indische Compagnie (WIC) in de kamer op de Maas (Rotterdam) te benoemen. Na de reorganisatie van de WIC in 1674 werd dit aantal beperkt tot één.(

P. Wagenaar, 'Op zoek naar Den Haags bestuur', in: Th. Wijsenbeek, red., Den Haag. Geschiedenis van de stad. Deel 2: De tijd van de Republiek ('s-Gravenhage 2005) 8.

)

Samenvattend kunnen we stellen dat de bevoegdheden van het Hof van Holland op bestuurlijk vlak vooral uit de praktijk blijken en dat daarover relatief weinig is terug te vinden in de opeenvolgende instructies. Verder valt op dat de bestuurlijke competentie van het Hof steeds ingeperkt is na grote politieke crises.

Rechterlijke competenties
(

In de procesgids Hof van Holland zijn de rechterlijke bevoegdheden van het Hof uitvoeriger beschreven, zie aldaar hoofdstuk 2.3.

)

Tot de Instructie van 1462 - en ook daarna - was de juridische competentie van het Hof van Holland vooral residuair bepaald, dat wil zeggen dat alles wat niet tot de competentie van de gewone rechtbanken behoorde of in de privileges van de heerlijkheden, baljuwsgerechten, steden of heemraden was vastgelegd, behoorde tot het werkterrein van het Hof. En de Steden en de Ridderschap van Holland en Zeeland lieten niet na dat bij verschillende gelegenheden te herhalen, met name tijdens onderhandelingen voor een nieuwe bede. Kenmerkend zijn de onderhandelingen voor de bede in 1452. Naar aanleiding van klachten van de Steden en de Ridderschap vaardigde hertog Filips de Goede toen een drietal ordonnanties uit: een ordonnantie tegen inbreuken op stedelijke rechten en vrijheden,(

GPB, dl. II, kol. 658-659.

) een privilege de non evocando,(

GPB, dl. II, kol. 679-680. Vijftiende-eeuws afschrift in: NA, AGH 238 (register Privilegia Diversa), f4v-5.

)
waarin de hertog zich committeerde alleen in uitzonderingsgevallen zaken van het Hof van Holland te evoceren naar zijn Grote Raad, en een handvest over hoge heerlijkheden.(

GPB, dl. III, kol. 18 e.v.

)
Opvallend hierbij is de dubbele houding die de Staten aannamen tegenover het Hof: enerzijds duldden zij niet dat het Hof zijn competentie uitbreidde ten koste van de lokale gerechten, anderzijds lieten zij niet toe dat de hertog (en zijn Grote Raad) hetzelfde deed ten opzichte van het Hof.(

Le Bailly, Recht voor de Raad, 60-62.

)

Elf van de 112 artikelen van de Instructie van 1462 betreffen expliciet de competentie van het Hof. Impliciet is nog enige aanvullende informatie te vinden in de overige artikelen, bijvoorbeeld bij de bespreking van de taken van diverse officieren of van de procedure. Het belangrijkste artikel dat de juridische bevoegdheden van het Hof samenvat, is artikel 94:

"Item sullen die van den Rade voornoemt kennisse nemen van saecken roerende die vryheden ende rechten van mijn voorn. heere ende vader ende daervan dat him die kennisse toebehoort, alsoo van saken roerende fondatien van kercken, van den injurien die gedaen worden den geestelijcken persoonen breeckende de sauvegarde van mijn voorsz. heere ende vader, van tgunt dat sijn domaine aengaen mach, dat sijn officieren roeren mach aengaende haren dienste, aengaende der munten ende andere saken aengaende sijner hoogheyt ende heerlijckheyt; van onrusten ende onvreden die tusschen den goeden steden ende castelleynschappen van den landen die een teghens den anderen spruyten ende oprijsen souden moghen, desghelijckx van klachten die men doen sal willen in cas van onghebruyck, van nieuwigheden of andersints alsoo wel van den vreemden luyden, nabuyren der voorschreven landen, als van andere ingesetenen deser landen, van obligatien van edelmannen, te weten brieven van eeren daer sy henluyden onder heuren zegele mede verbonden sullen hebben op trouwe, eere ende seeckerheyt seeckere sommen van penninghen te betalen of andere dinghen te doen, van saecken ende possessien van leenen diewelcke dat men van mijn voorn. heere ende vader te leen houdende is ende van denwelcken, ende van anderen daertoe behoorende ende ghewoonlijcken is te geven hooftvroedom, oock mede kennisse te nemen van previlegien ghegeven den vreemden geen ondersaten wesende deser landen, kennisse te hebben van allen criminelijcken saecken ende excessen, verjaert ende ongecorrigeert, ende voort van alle anderen saken die hoogheyt van mijnen voorsz. heere ende vader aengaende ende toebehorende."(

Instructie 1462, art. 94. Voor het citaat is de recentste editie gebruikt: Bos-Rops e.a., Holland bestuurd, 309-332.

)

In de Instructie wordt dus duidelijk uiteengezet wie (ratione personae) voor het Hof mag procederen en welke zaken voorbehouden zijn aan het Hof (ratione materiae). Maar over het ressort (ratione loci) is de Instructie heel vaag. We lezen alleen in de aanhef dat zij was opgesteld voor de "Camere van den Rade, residentie houdende in den Hage, geordineert by mijn genadighe heere ende vader in sijnen landen van Hollandt, Zeelandt ende Vrieslandt". Ervan uitgaande dat het Hof van Holland bevoegd was over kwesties uit het hele graafschap, was het niet nodig de competentie ratione loci vast te leggen. Indien het ratione loci niet bevoegd was zaken in eerste aanleg te berechten was dit verankerd in de lokale of regionale privileges die de graaf had verleend, zoals in Zeeland het geval was. Daarom bevatten de opeenvolgende ordonnanties geen bepalingen over het ressort van het Hof.

Ratione personae konden diverse geprivilegieerden procederen, zoals edellieden, grafelijke officieren, geestelijken en kerkelijke instellingen. Verder waren er allerlei weerloze personen die onder de vorstelijke bescherming (sauvegarde) vielen: vrouwen, weduwen, wezen, geestelijken en arme 'onnosele' mensen. Als laatste waren er de buitenlanders die geen vaste woonplaats in Holland of Zeeland hadden.

Ratione materiae behoorden alle zaken die de grafelijkheid aangingen tot de competentie van het Hof van Holland, dus kwesties betreffende de grafelijke lenen en domeinen (molens, bossen, wildernissen), de grafelijke rechten (zoals munten, hoogheid en heerlijkheid, hoge justitie, exploiten van justitie), de inkomsten van de grafelijkheid (onder andere: bede, schot, boetes, domeinen) en grafelijke ambten (benoemingen, ambtsdelicten, ambtsmisbruik, corruptie, enzovoort). Behalve alle grafelijke aangelegenheden vielen belangrijke dijkzaken, zware landzaken, stichtingen van kerken, geschillen tussen kasteleinschappen of steden en bezitsvorderingen (in tegenstelling tot eigendomsvorderingen) onder de bevoegdheid van het Hof. Als laatste konden gerechten bij het Hof advies inwinnen over ingewikkelde juridische kwesties.

Overigens gaat artikel 8 van de Instructie van 1531 direct terug op artikel 94 van de Instructie van 1462. Enige zaken worden verder geëxpliciteerd, maar in grote lijnen bleef de competentie van het Hof volgens de Instructie van 1531 dezelfde. Zoals gezegd bleef de Instructie van 1531 het basisdocument voor het Hof van Holland.

Een belangrijke concurrent van het Hof van Holland was de Hoge Raad die in 1582 was opgericht als hof van beroep in Holland en Zeeland in de plaats van de Grote Raad van Mechelen. De Grote Raad was tot het uitbreken van de Opstand in de Nederlanden de hoogst mogelijke rechtsinstantie. Hier kon men in beroep gaan tegen vonnissen van het Hof van Holland en andere provinciale hoven zoals de Raad van Vlaanderen. Toen Mechelen vanaf 1572 door het oorlogsgewoel praktisch onbereikbaar was geworden, zocht men een alternatief in de oprichting van de Hoge Raad. Oorspronkelijk was het de bedoeling van de Staten-Generaal dat dit orgaan als hof van beroep voor de hele Generaliteit zou fungeren, maar uiteindelijk is het nooit zover gekomen. Tot zijn opheffing in 1795 strekte het ressort van de Hoge Raad zich alleen uit over Holland, Zeeland en West-Friesland.

Van der Linden maakt in zijn Judicieele Practijcq wat betreft de geprivilegieerden onderscheid tussen personen die actief het voorrecht hadden in eerste aanleg te procederen voor het Hof en personen die slechts passief aan zijn jurisdictie waren onderworpen.(

Van der Linden, Verhandeling over de judicieele practijcq, 1e boek, hoofdstuk 5.

) De 'passieven' konden in eerste instantie voor het Hof gedagvaard worden, maar zij mochten niet zelf in eerste aanleg ageren bij het Hof. Indien zij een aanklacht wilden doen, moesten zij dat voor de competente rechter te doen. Alle categorieën van personen uit de Instructie van 1462 behoorden in principe tot de actieve geprivilegieerden.

Als gevolg van het ontstaan van enkele andere staatsinstellingen, zoals de Hoge Raad in 1582 en de Admiraliteitscolleges in 1584-1589, werd de competentie van het Hof van Holland in de loop van zeventiende eeuw enigszins aangepast, in sommige gevallen zelfs beperkt. De berechting van een aantal specifieke zaken werd onttrokken aan het Hof van Holland ten gunste van die nieuwe instellingen. Zo behoorden kwesties met betrekking tot convooi- en licentgelden (een soort in- en uitvoerrechten), zeeroverij of op de vijand behaalde buit voortaan tot de competentie van de admiraliteitscolleges. Sinds 1582 waren ook enkele zaken die voorheen onder de jurisdictie van het Hof vielen, voorbehouden aan de Hoge Raad, die de hogere rechtbank in rang was (over het ontstaan van de Hoge Raad, zie volgende paragraaf). Het ging hier onder andere om de berechting van bezitsvorderingen, geschillen in verband met de zeevaart, en het toestaan van de rechterlijke middelen van herstel en gunsten. Overigens had het Hof van Holland slechts sinds 1573 de bevoegdheid om deze laatste middelen toe te staan. Voorheen behoorde deze in principe tot de competentie van de Grote Raad van Mechelen.(

Ketelaar, Procesgang, 56-58.

)

Deze middelen omvatten onder andere verzoeken tot het ongedaan maken van rechtshandelingen en de gevolgen ervan of ontheffing van een verbintenis (mandement van reliëf), verzoeken om onder voorrecht van boedelbeschrijving een erfenis te aanvaarden (beneficie van inventaris), verzoeken om voorrecht van boedelafstand (brieven van cessie), meerderjarigheidsverklaringen, wettigingen, naturalisaties, etc. Normaal gesproken beoordeelde de Hoge Raad alleen de gegrondheid van dit soort verzoeken en droeg hij de behandeling ervan door middel van een committimus over aan de lokale rechtbank die in de materie was bevoegd. Voorheen hadden deze rechtsmiddelen behoord tot de gratieuze rechtsmacht van de vorst, in casu de Grote Raad als diens vertegenwoordiger. Bij de bestuurlijke inrichting van de Republiek werden deze middelen verdeeld onder de verschillende hooggerechtshoven die de Staten-Generaal vertegenwoordigden, in het geval van Holland en Zeeland dus de Hoge Raad. Het Hof van Holland mocht overigens wel mandementen van reliëf verlenen in zaken die bij zichzelf aanhangig waren gemaakt.

Toch waren de competenties van de Hoge Raad en het Hof van Holland in de praktijk minder scherp afgebakend dan in theorie en dat leidde nog al eens tot competentiegeschillen tussen beide gerechtshoven, met name op het gebied van de berechting van bezitsvorderingen. Ofschoon deze laatste in theorie waren voorbehouden aan de Hoge Raad, had men in de praktijk het Hof van Holland echter nooit de bevoegdheid ontnomen om possessoire zaken te behandelen. Dit kon aanleiding geven tot eindeloze geschillen, vooral wanneer de ene partij een bezitsactie instelde bij het ene justitiehof en de tegenpartij een soortgelijke procedure in gang zette bij de concurrent. De Staten van Holland hebben eigenlijk pas in een laat stadium maatregelen genomen tegen dit soort situaties. In 1660 stelden zij namelijk in dat elk van beide hoven het andere hof moest verwittigen wanneer een bezitsvordering was aangebracht, zodat deze laatste zich van de zaak zou onthouden.(

Le Bailly en Verhas, Procesgids Hoge Raad, 14.

)

Ook waren er zaken waarvan geen van beide hoven kennis mocht nemen. In 1674 bepaalden de Staten van Holland immers bij resolutie dat het Hof van Holland en de Hoge Raad zich niet meer mochten bezighouden met zaken rakende de "policie", eenvoudig gezegd politieke kwesties. Voor de Hoge Raad die van meet af aan als hooggerechtshof fungeerde, had deze beslissing duidelijk minder gevolgen dan voor het Hof van Holland dat in de vijftiende en zestiende eeuw nog belangrijke politieke taken vervulde.

Als laatste mag het Leenhof van Holland niet onvermeld blijven. Dat werd in 1469 door hertog Karel de Stoute opgericht en hield zich voortaan bezig met de berechting van de leenzaken. Hiermee werden deze aan de competentie van het Hof van Holland onttrokken. Na de Opstand in 1577 werd het Leenhof opgeheven en werden zijn bevoegdheden aan het Hof van Holland overgedragen. Voor een korte periode van 1660 tot 1674 werd het Leenhof opnieuw in het leven geroepen. Na zijn definitieve opheffing in 1674 behoorde de berechting van de leenzaken weer tot de competentie van het Hof van Holland.(

Zie archiefinventaris 3.01.52: Inventaris van het archief van de Leenhoven en Leen- en Registratiekamer van Holland, 1520-1807.

)

Concurrerende instellingen
(

De tekst van deze paragraaf is afkomstig uit: P.J.M. van den Heuvel, 'Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland 1572-1700'. Eindpaper deelproject Organisaties en Registratuur, Universiteit van Amsterdam/Archiefschool, 2007.

)

Het was bijzonder druk op en rond het Binnenhof. Naast het Hof van Holland zetelden hier op nog geen vierkante kilometer de Staten-Generaal, het ambachtsbestuur, de Leenkamer, de Grafelijkheidsrekenkamer, de Hoge Raad en het samenwerkingsverband de Sociëteit van 's-Gravenhage - en allemaal maakten zij aanspraak op rechterlijke en/of bestuurlijke macht binnen Den Haag en daarbuiten. Daarnaast waren ook de Staten van Holland, de Raad van State en het Stadhouderlijk Hof in dezelfde plaats gevestigd. Naast het feit dat alle belangrijke colleges er resideerden, nam Den Haag nog om een andere reden een aparte positie in. Het had, als een ambacht en een verzameling dorpen, namelijk geen stadsrechten en daarmee geen stem in de Staten van Holland en de Statenvergadering.(

Bij de begrenzing van de 'kleine zaken' werd Den Haag wel tot de Hollandse steden gerekend, en niet bij de plattelandsdorpen ingedeeld.

) De Hollandse steden wilden dit met alle macht zo houden; als Den Haag wel 'stem in staat' zou hebben gehad, zou zij met alle gewestelijke en generaliteitsbestuursinstellingen binnen haar grenzen een te grote macht hebben verkregen. Bovendien was het op deze manier mogelijk zaken als oorlogslasten op de vermogende inwoners van Den Haag af te wentelen, zonder dat zij dat in de Statenvergadering tegen konden houden.(

Wagenaar, 'Den Haags Bestuur', 6-9.

)

Het Hof van Holland was van al de Haagse instanties lang niet de enige die rechtsbevoegdheden had; op een aantal gebieden moest het de macht delen met het ambachtsbestuur en later de Hoge Raad. Net als elders in Holland bestond het ambachtsbestuur van Den Haag uit burgemeesters, schepenen en vroedschappen. Afwijkend van de gangbare Hollandse traditie was de scheiding tussen vroedschap enerzijds en de colleges van burgemeesters en schepenen anderzijds, die leidde tot steeds grotere verschillen in sociale positie van de leden; ook werd de baljuw van Den Haag voor het leven benoemd, zonder invloed van het lokale bestuur, en was hij aanzienlijk machtiger dan elders in de Republiek. (

Ibidem.

)

In enkele gevallen waren de rechtsgebieden goed afgebakend; vaker leidden zij echter tot geschillen die eeuwenlang konden aanhouden. Dit was zelfs het geval met de letterlijke afbakening van het rechtsgebied. Het Hof van Holland had de rechtsmacht over het Binnenhof en het omliggend gebied, en ook over de woningen van edelen en grafelijke ambtenaren die buiten dit gebied lagen. Tegelijkertijd claimde het de zeggenschap over een groter gebied rond het Binnenhof, namelijk het gedeelte dat in de grafelijke tijd door de buitenste slotgracht omsloten was geweest. Het ambachtsbestuur erkende deze aanspraken op het laatstgenoemde gebied niet - en ondanks herhaaldelijk overleg over dit punt is een oplossing er nooit gekomen.(

De twee politiekorpsen van het Hof en het ambachtsbestuur zouden meer dan eens slaags zijn geraakt in het Hofgebied. Wagenaar, 'Den Haags Bestuur', 4; Fruin, Geschiedenis der staatsinstellingen, 365-368; zie voor de geschillen ook Van der Schueren, 'De jurisdictie-geschillen'.

) In 1614 besloot men de competenties zwart op wit te stellen. Er werd overeengekomen dat het Hof van Holland als vanouds de jurisdictie zou hebben over alle edelen en suppoosten; de magistraat mocht op dit gebied niets doen zonder vooraf te overleggen met de president van het Hof. Den Haag hield de jurisdictie over 'alle persoonen exerceerende gemeene handwerken en neeringen soo wel ten dienste van de burgers als van de edelen en suppoosten'. Ten slotte werd overeengekomen dat ingeval van blijvende geschillen de zaak zou worden voorgelegd aan de Staten van Holland en West-Friesland.(

27 september 1614: 'Provisioneele ordre, Gesteld by de Ed. Mog. Heeren Staaten van Holland en Westvriesland op die differenten tusschen den Provinciaalen Raade en de magistraat van 's Gravenhage', zie Instructien van den Hove van Hollandt, Zeelandt ende Vrieslandt, 3 dln. ('s Gravenhage z.j. [1788]), nr. 39.

)

De Rekenkamer ging in principe alleen over het onderhoud van het Hofgebied, en had nauwelijks rechtsmacht over personen. Hoewel het met vier rekenmeesters slechts een klein college was, had het wel macht in bestuurszaken omdat het een deel van de Hollandse functionarissen direct benoemde.(

Wagenaar, 'Den Haags Bestuur', 6-9. In 1728 werd de Rekenkamer opgeheven; de plaats in de Sociëteit werd ingenomen door de Gecommitteerde Raden.

)

Hoewel het Hof van Holland ondergeschikt was aan de Hoge Raad fungeerden de twee instellingen in de praktijk naast elkaar, letterlijk en figuurlijk. Niet alleen waren de twee hoven op het Binnenhof in Den Haag gevestigd en deelden zij soms elkaars personeel, maar zij hadden ook beide nagenoeg dezelfde competentie in juridische zaken. Dit gaf dan ook vaak aanleiding tot concurrentie of bevoegdheidsgeschillen tussen beide, met name met betrekking tot de behandeling van bezitsvorderingen, zoals in de vorige paragraaf al bleek.(

Le Bailly en Verhas, Procesgids Hoge Raad, 14.

)

Om Den Haag op bestuurlijk gebied beter te kunnen organiseren was een vorm van samenwerking onvermijdelijk. De Sociëteit van 's-Gravenhage werd opgericht in 1587 en was in eerste instantie gericht op het opstellen van een gemeenschappelijk financieel beleid en het gezamenlijk innen van belastingen. Naast het Hof van Holland hadden de Hoge Raad, de Grafelijkheidsrekenkamer en het ambachtsbestuur zitting in de Sociëteit. De colleges voegden hun rechtsmacht in financiële zaken samen maar vormden geen vast college met eigen bestuursmacht. In de eerste jaren vergaderden zij in de Hoge Raad; later beschikten zij over een eigen vergaderzaal.(

Wagenaar, Sociëteit, 67-68.

)

Al snel rezen ook hier de onvermijdelijke juridische geschillen tussen het ambachtsbestuur en de andere colleges, en die andere colleges onderling - waarbij het ambachtsbestuur meerdere keren uit het verbond stapte en weer toetrad en ook de hele Sociëteit opgeheven werd en opnieuw herrees. Conflicten konden gaan over de oudste rechten (waarbij het Hof en het ambachtsbestuur meenden als enige het volledig recht van magistratuur te bezitten; zij waren immers de rechtsopvolgers van de Grafelijkheid) en de competentie inzake belastingheffing over gebieden en personen, maar ook de subsidie die het ambachtsbestuur van de Sociëteit ontving en vooral de verdeelsleutel hiervan voor de andere colleges was een voortdurende bron van conflicten. Vanaf 1622 bleef de Sociëteit permanent bestaan; aangezien geen van de instellingen de oplopende belastingen van de oorlogslasten zelfstandig kon innen waren ze tot elkaar veroordeeld. Waarschijnlijk omdat de Sociëteit in de bestuurlijke jungle van Den Haag de enige instantie was waarin alle bevoegdheden samenvielen kreeg zij ook in de loop van de jaren steeds meer overheidstaken op het gebied van onder meer de openbare orde en veiligheid, openbare werken, gezondheidszorg, aanleg en onderhoud van kerk en kerkhof e.d. (

Ibidem, 68-85 en 146-177.

)

De vele geschillen, waarvan de vele schriftelijke ordres en akkoorden getuigen, kunnen een vertekend beeld geven; men moet oog blijven houden voor de samenwerking die er zeker ook was. De raadsheren bevonden zich elke dag op hetzelfde Binnenhof en hadden veel formele en informele contacten. De eerste twee raadsheren van de Hoge Raad waren afkomstig van het Hof; ook hadden verschillende raadsheren voor beide hoven gediend. Zo had raadsheer Pieter Ockers achtereenvolgens zitting bij het Hof (van 1654 tot 1669) en de Hoge Raad (van 1669 tot 1678). Er werd wel eens, ook buiten de Sociëteit om, vergaderd met de Hoge Raad. Ook maakten beide instellingen vaak gebruik van dezelfde ruimtes op het Binnenhof; in 1582 werd de 'Pijn-Kamer' van het Hof ingericht als rol- en pleitkamer voor de Hoge Raad. De Stove werd ingericht als Raadkamer voor de Hoge Raad.(

Verhas, De beginjaren, 54; Resolutien Staten van Holland 25 april 1582.

) Later zou het Hof deze zaal, die luxueuzer was ingericht dan de raadkamer van het Hof, ook weer gaan gebruiken voor vergaderingen, zo blijkt uit de resolutieboeken. Regelmatig maakten leden van het ambachtsbestuur hun opwachting in de vergaderingen. Als de baljuw binnenwandelt wordt hem toegestaan "de sleutel van het schavot te mogen hebben, omme daer op recht te laten doen".(

Resolutieboek 12 jan 1665-20 dec 1669, NL-HaNA, Hof van Holland, 3.03.01.01, inv.nr. 282.

)

Procedure in civiele zaken
(

De civiele procesgang wordt uitvoerig beschreven en uitgelegd aan de hand van voorbeeldprocessen in Le Bailly, Procesgids Hof van Holland.

)

De stijl van procederen bij het Hof van Holland was aanvankelijk niet typisch Hollands. De civiele procedure bij het Hof van Holland gaat terug op de romano-canonieke procedure, die via het Frans-Bourgondische recht zijn intrede in de Nederlanden deed vanaf het einde van de veertiende eeuw.(

Le Bailly, Recht voor de Raad, 127-139.

) In latere eeuwen, met name in de zeventiende eeuw (denk aan Rombout Hogerbeets' Van het aenleggen ende volvoeren der processen voor de respective Hoven van justitie in Holland van 1631 en Willem de Groot's Inleyding tot de practijck van den Hove van Holland uit 1656) is een meer Hollandse stijl van procederen ontstaan.

De romano-canonieke procedure is te herkennen aan een logische opbouw in opeenvolgende stappen. Het proces opende met het indienen van een rekest door de eisende partij. Vervolgens werd het rekest door de rechtbank onderzocht en medegedeeld aan de tegenpartij, die gedaagd werd om hierop te antwoorden. Daarna begon het debat (litiscontestatie) tussen de partijen, eerst mondeling en in ingewikkelde zaken ook schriftelijk. Na de eis en het verweer volgden de dupliek en de repliek. Verweerder had vóór en tijdens het debat diverse verweermiddelen tot zijn beschikking, waaronder de excepties (declinatoire, dilatoire of peremptoire). De partijen wisselden stukken uit waarin zij hun argumenten naar voren brachten (zoals de zogenaamde advertissementen van rechten). Als hun positie duidelijk was en de tegenstrijdige punten waren vastgesteld, besliste het Hof van Holland welke bewijzen geleverd moesten worden. Het Hof kon verzoeken om een enquête (informatie), waarin getuigen onder eed werden gehoord, of om de productie van documenten. Tijdens de enquête konden de partijen reprochen indienen tegen de getuigen en die reprochen beantwoorden met salvaties. Hierna kwamen de partijen tot een conclusie (conclusie in rechte) en trokken de raadsheren zich terug om te delibereren. Uiteindelijk spraken zij hun vonnis uit.(

Ibidem.

) De romano-canonieke procedure bleef in opeenvolgende eeuwen de basis voor de civiele rechtsgang bij het Hof van Holland. Wel werd zij in de loop der tijd steeds verder uitgebreid en aangepast aan de noden van het Hof en kwamen er allerlei mogelijkheden en uitzonderingsmaatregelen bij.

De bespreking van de civiele procedure in deze paragraaf is bewust kort gehouden. Wie meer wil weten over de civiele procedure, zij verwezen naar de procesgids Hof van Holland in de reeks procesgidsen van de Stichting Oud-Vaderlands Recht. Daarin wordt de civiele procesgang uitgelegd aan de hand van zeven verschillende voorbeelden uit het archief van het Hof van Holland.

Procedure in criminele zaken

Zoals gezegd was het Hof van Holland niet alleen rechter in geschillen op tegenspraak, maar trad het ook op als aanklager in criminele zaken. In de vroegmoderne periode maakte men een onderscheid tussen de civiele en de criminele strafvordering. Dit verschil hing samen met het onderscheid dat men maakte tussen kapitale en niet-kapitale misdrijven. Kapitale misdrijven waar een lijfstraf of de doodstraf op stond, werden crimineel vervolgd, terwijl lichtere delicten civiel werden aangeklaagd. Onder de kapitale misdrijven vielen onder andere verkrachting, moord, brandstichting, roof, goddelijke en wereldlijke majesteitsschennis. Bij de 'civiele' misdrijven volgde men de gewone civiele procesgang zoals in burgerlijke zaken. Deze leidde tot lichtere straffen zoals boetes of een financiële compensatie. Als de straf civiel was gevorderd, kon de veroordeelde dus ook in hoger beroep gaan tegen de uitspraak bij de Hoge Raad.(

Deze paragraaf is gebaseerd op J. Monballyu, 'Het onderscheid tussen de civiele en de criminele en de ordinaire en de extraordinaire strafrechtpleging in het Vlaamse recht van de 16e eeuw', in: H.A. Diederiks en H.W. Roodenburg, eds., Misdaad, zoen en straf. Aspekten van de middeleeuwse strafrechtsgeschiedenis in de Nederlanden (Hilversum 1991) 120-132, en Le Bailly, Recht voor de Raad, 176-181.

)

Een crimineel proces werd net als gewone civiele processen ingeleid door een officiële klacht van de gerechtsofficier. Zonder formele klacht had een strafzaak immers geen grond. Als 'openbare aanklager' diende de procureur-generaal van overheidswege de klacht in. Ook konden het slachtoffer van een misdaad of zijn familieleden een private klacht instellen, waarbij een schadeloosstelling werd geëist. Meestal voegde de procureur-generaal zich bij de private klager en vorderde hij een publieke straf.

Elk crimineel proces begon met een justitieel vooronderzoek (informatie precedente). In dit voorbereidend onderzoek werden alle mogelijke getuigen onder ede gehoord, zowel klagers als aangevers. Voorts konden een lijkschouwing, huiszoeking of een onderzoek op de plaats van het misdrijf tot de informatie behoren. Na de informatie precedente volgde de arrestatie van de verdachte. Volgens het gebruik mocht een verdachte niet worden aangehouden zonder informatie precedente. Deze regel werd reeds vastgelegd in de Instructie van 1462 (art. 6). Vervolgens werd de verdachte onder ede ondervraagd.

Voor het verdere verloop van een crimineel proces had het Hof de keuze tussen de ordinaire en de extra-ordinaire procedure. Hierbij was van belang hoeveel informatie men reeds had vergaard om een oordeel te vellen in het proces en hoe ernstig het misdrijf was. Er dient hier voorop te worden gesteld dat de raadsheren flexibel omgingen met de rechtsgang. De keuze voor een bepaalde procedure was niet dwingend. Regelmatig wisselde het Hof tijdens het proces nog van procedure, meestal van de extra-ordinaire naar de ordinaire, maar soms ook andersom, bijvoorbeeld wanneer nieuwe feiten naar boven waren gekomen.

Wanneer het Hof oordeelde dat onvoldoende bewijs was verzameld om tot vonniswijzing over te gaan, kon het proces op twee manieren verder verlopen. Enerzijds konden de raadsheren overgaan tot de ordinaire procedure. In dit geval lieten zij de procureur-generaal, eventueel gevoegd met een andere gerechtsofficier, debatteren met de verdachte, en stonden beiden als gelijken tegenover elkaar in het proces. Met andere woorden, de beklaagde mocht zich verdedigen (via een procureur). De ordinaire procedure volgde derhalve de gang van de gewone civiele procedure. Net als in een civiel proces volgden dan verweer, repliek, dupliek, reprochen en salvaties. Dit betekende ook dat de veroordeelde in beroep kon gaan tegen de uitspraak van het Hof bij de Hoge Raad. Daarna velde het Hof een eindvonnis of besloot alsnog tot extra onderzoeksmaatregelen.

Anderzijds konden de raadsheren besluiten de extra-ordinaire procedure te volgen, bijvoorbeeld als zij van mening waren dat het om een zeer ernstig misdrijf ging. In dat geval namen zij aanvullende onderzoeksmaatregelen, zoals een verhoor op de pijnbank, ofwel onder tortuur, een confrontatie met getuigen of een enquête. Een verdachte kon dus niet zomaar aan een verhoor op de pijnbank onderworpen worden. Bovendien was het noodzakelijk dat de verdachte een bekentenis die onder tortuur was gegeven, buiten de pijnbank herhaalde. Zonder de bekentenis van de verdachte was het in principe niet mogelijk de doodstraf op te leggen.

Wanneer de raadsheren van mening waren dat voldoende feiten naar voren waren gekomen in het vooronderzoek en de ondervraging van de verdachte, beslisten zij direct over het verdere verloop van het strafproces. Zij sloegen in dit geval de ordinaire procedure over en gingen over tot de extra-ordinaire procedure. Er waren dan twee uitkomsten mogelijk. De raadsheren konden besluiten tot het 'civiliseren' van de zaak, dat wil zeggen dat een civiele straf werd opgelegd, zoals een geldboete. Hiervoor konden verschillende redenen zijn: gebrek aan bewijs, verzachtende omstandigheden, het misdrijf of delict was niet zo ernstig, submissie door de verdachte, gratie of remissie, op verzoek van de procureur-generaal, etc. Met een submissie onderwierp de beklaagde zich aan de arbitrage door het Hof. Hiermee hoopte hij op een lichtere straf. Een submissie stond feitelijk gelijk met een schuldbekentenis. Een proces dat volgens een criminele procedure was ingezet, kon op die manier dus een 'civiel' einde hebben. Het tegenovergestelde was zoals gezegd ook mogelijk.

Ook kon het geschieden dat de strafrechters voldoende bewijs vonden in de informatie precedente om direct tot veroordeling van de verdachte over te gaan. In dit geval nam de procureur-generaal een criminele conclusie, waarin hij een straf voorstelde. Na beraadslaging kon het Hof de conclusie van de procureur-generaal overnemen, of een andere, soms lichtere straf opleggen. Een crimineel vonnis kon overigens alleen ongedaan worden gemaakt door middel van een remissiebrief. Remissie betekende overigens niet dat de straf geheel herroepen werd, meestal volgde een lichtere straf zoals de betaling van een boete aan de overheid.

Het kwam regelmatig voor dat het Hof een eindvonnis velde bij contumatie van de verdachte. Dat wil zeggen dat de verdachte vier keer verstek had laten gaan. In die gevallen was hij meestal voortvluchtig. Ook dan moest natuurlijk een deugdelijke informatie precedente zijn geschied voordat de procureur-generaal de verdachte mocht dagen. Het vonnis behelsde dan doorgaans een eeuwige verbanning van de verdachte uit Holland, Zeeland en West-Friesland en de confiscatie van al zijn goederen. Hieraan werd de bepaling toegevoegd dat de verdachte alsnog de doodstraf wachtte als hij in een van deze gewesten werd opgepakt.

Het einde van het Hof van Holland

Terwijl de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland bij de Bataafse omwenteling in 1795 definitief werd opgeheven, bleef het Hof van Holland als provinciaal hof van justitie voortbestaan. In 1798 kreeg het een andere naam: het Hof van Justitie van Holland en Zeeland. Met de staatsregeling van 1801 werd een nieuw Nationaal Gerechtshof opgericht, dat als hof van beroep diende voor alle provincies van de Bataafse Republiek. Dezelfde regeling bepaalde dat iedere provincie een eigen provinciaal hof, ook wel departementaal hof van justitie genoemd, mocht hebben. Als gevolg hiervan werd in 1803 een apart Hof van Justitie voor Zeeland opgericht. Hiermee werd het rechtsgebied van het Hof (van Justitie) van Holland beperkt tot Holland en West-Friesland.

Volgens keizerlijk decreet van 18 oktober 1810 werden alle rechterlijke colleges in de zeven departementen opgeheven met ingang van 1 januari 1811. De daadwerkelijk opheffing van het Hof van Holland geschiedde echter pas op 1 maart 1811 toen het nieuwe Keizerlijk Gerechtshof werd geïnstalleerd. De laatste officiële zitting van het van het Hof van Holland had plaats op 28 februari; toen sloot de president van het Hof mr. Rudolf Baelde de zitting af met een korte redevoering waarin hij de raadsleden bedankte voor hun inzet.(

De Blécourt en Meijers, Memorialen Rosa, xxvi-xxix.

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in