gahetNA in het Nationaal Archief

Maatschappelijk Werk

2.27.02
H. Libretto
Nationaal Archief, Den Haag
2000
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.27.02
Auteur: H. Libretto
Nationaal Archief, Den Haag
2000
CC0

Periode:

1936-1970
merendeel 1952-1965

Omvang:

52,60 meter; 1246 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Met de oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk werd de ontwikkeling van overheidsbeleid op het gebied van maatschappelijk werk en welzijn in gang gezet. De taken van het nieuwe ministerie kunnen onder drie noemers worden gebracht: maatschappelijke zorg (materiële bijstand), maatschappelijk werk (immateriële bijstand) en taken met betrekking tot Indonesië. Eén van de ministers was Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister van Nederland; onder haar bewind kwam de Algemene Bijstandswet tot stand. Het archief bevat, naast de stukken betreffende organisatie en personeel, voornamelijk stukken die betrekking hebben op de taakuitoefening. Hiertoe kunnen onder meer gerekend worden: het doen van sociaal onderzoek, maatschappelijk opbouwwerk in stad en op platteland, zorg voor vluchtelingen, buitenlandse werknemers en woonwagenbewoners, maatschappelijk werk ten aanzien van maatschappelijk onaangepasten, bejaarden en ongehuwde moeders. Daarnaast hulp aan door politieke, economische of natuurlijke gebeurtenissen getroffenen, zoals slachtoffers van de Watersnoodramp in 1953, oorlogsslachtoffers en vluchtelingen na de Hongaarse opstand in 1956. De taken met betrekking tot Indonesië waren, na de soevereiniteitsoverdracht in 1949: zorg voor ex-militairen van het voormalige KNIL (bekend onder de naam Ambonezen), die - aanvankelijk tijdelijk - naar Nederland waren gekomen, en voor degenen, in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, die in de periode 1953-1961 ten gevolge van de repatriëring uit Indonesië naar Nederland kwamen.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Maatschappelijk Werk (1952-1965)
  • Commissariaat van Ambonezenzorg
  • Adviescommissie Ambonezen
  • Adviescommissie voor de Culturele en Sociale Zorg en Voorlichting ten behoeve van Ambonezen
  • Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië
  • Commissie van Maatschappelijke Aangelegenheden Nederlanders in Indonesië
  • Coördinatie-Commissie voor Gerepatrieerden
  • Gemengde Nederlands-Ambonese Commissie van Bijstand
  • Stichting Maatschappelijk Werk ten Plattelande (SMWTP)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

A. Oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk

Toen in 1952 de kabinetsformateur dr. L.J.M. Beel besloot voor te stellen om het aantal ministeries met één uit te breiden, had hij de keuze uit verschillende mogelijkheden. Aanvankelijk werd geijverd voor oprichting van een Ministerie van Middenstandszaken en een van Volksgezondheid en Maatschappelijke Aangelegenheden. Hij kwam echter met een ander voorstel: de oprichting van een Ministerie van Maatschappelijk Werk.

De oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk accentueerde dat de rijksoverheid verantwoordelijkheid wenste te nemen voor de ontwikkeling van het maatschappelijk werk in Nederland. Dit werk lag voornamelijk in particuliere handen en de subsidies die door de verschillende overheden verstrekt werden, droegen een incidenteel karakter. Dat de regering zich door oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk er voor uitsprak om op dit terrein een overheidsbeleid tot ontwikkeling te brengen, is op zichzelf van meer betekenis dan de concrete toewijzing van taken, die in 1952 heeft plaatsgevonden. Dit is op zich niet zo verwonderlijk, omdat de inhoud van vele van deze taken nog weinig duidelijk was of soms zelfs nog niet bekend. Men stond voor een nieuw, nog te verkennen terrein.

Het Ministerie van Maatschappelijk Werk werd ingesteld bij koninklijk besluit van 1 september 1952, Stbl. 460 en opgeheven bij koninklijk besluit van 14 april 1965. Taakopvolger van het Ministerie van Maatschappelijk Werk werd het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Van 1 september tot 9 september 1952 trad prof.dr. L.J.M. Beel als interim-minister van Maatschappelijk Werk op. Op laatstgenoemde datum werd mr. F.J.F.M. van Thiel door H.M. de Koningin als zodanig benoemd.

Opeenvolgende ministers van Maatschappelijk Werk
1952Prof. dr. L.J.M. Beel
1952-1956Mr. F.J.F.M. van Thiel
1956-1963Dr. M.A.M. Klompé
1963-1965Drs. J.F. Schouwenaar-Franssen
B. Organisatie van het Ministerie van Maatschappelijk Werk

Op 24 december 1952 stelde minister van Thiel de eerste organisatiebeschikking vast. Er was voorzien in 13 afdelingen, rechtstreeks ressorterende onder de secretaris-generaal. Centralisatie was in de eerste tijd noodzakelijk om het samengroeien te bevorderen. In januari 1953 werd het gebouw Binnenhof 7 te Den Haag in gebruik genomen. De algemeen bestaande huisvestingsmoeilijkheden hadden tot gevolg, dat het departement over 9 gebouwen werd verspreid.

Op 11 februari 1953 werd de eerste begroting aan de Staten-Generaal aangeboden. 'Voor de uitgaven', aldus de Memorie van Toelichting, 'is een zo juist mogelijke raming opgesteld, waarbij zich de moeilijkheid voordeed, dat voor het geheel geen ervaringscijfers van vorige dienstjaren ter beschikking stonden'.

Het organisatieschema van 24 december 1952 had uiteraard een voorlopig karakter. Bij ministerieel besluit van 24 september 1954 kwam een ingrijpende reorganisatie tot stand, welke enerzijds het maatschappelijk werk, anderzijds de maatschappelijke zorg onder twee hoofdafdelingen samenbracht. Deze organisatielijn, welke zich richtte op concentratie van repectievelijk de materiële en de immateriële hulpverlening, is in latere jaren verder doorgetrokken.

De totale personeelsbezetting, die in de eerste begroting was geraamd op 715 personen, bedroeg op 31 januari 1957 met 1301 en was gedaald tot 853 op 30 juni 1964.

De werkelijke uitgaven van het departement
Tabel met zoekresultaten in archieven
jaarbedrag in guldens
195373.008.000,-
1958161.491.000,-
1961131.690,000,-
1965202.094.150,- (raming)

Oorzaak voor deze fluctuaties was o.a. de soevereiniteitsoverdracht aan de Republiek Indonesië. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 16.

)

C. Taken van het Ministerie van Maatschappelijk Werk
I. Algemeen

Aan het nieuwe ministerie waren taken toegewezen, welke tevoren werden behartigd door de Ministeries van Binnenlandse Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen. Van het Ministerie van Binnenlandse Zaken was overgekomen al hetgeen daar geschiedde op het terrein van de maatschappelijke zorg. Hiertoe behoorde de herziening van de Armenwet; verder een aantal bijstandsregelingen voor bepaalde groepen. De bijstandsregelingen, welke onder het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid ressorteerden, bleven daar. Wel kwam over hetgeen op laatstgenoemd ministerie (afdeling Sociale Bijstand) plaats vond op het terrein van het maatschappelijk werk. Hiertoe werd o.a. gerekend de bemoeienis met de gezinsverzorging, de provinciale stichtingen voor maatschappelijk werk (opbouworganen) en het welzijnswerk ten plattenlande. Voor het overige deel verkeerde veel van dit werk nog slechts in een eerste ontwikkelingsfase. Daarnaast bleven verschillende activiteiten op het gebied van maatschappelijk werk ressorteren onder andere ministeries, wat een verkniptheid in taken en tevens een beperking van taken inhield voor het nieuw ingestelde Ministerie van Maatschappelijk Werk. Overleg en samenwerking tussen de ministeries was dan ook nodig. Aanvankelijk werden de taken, komend van bovengenoemde ministeries, op de betreffende ministeries verricht in verband met de al eerder genoemde huisvestingsproblemen. De betrokken ambtenaren vonden daar huisvesting en deelden in de service van de diverse ondersteunende afdelingen. Een eerste taak was dan ook om de verschillende delen samen te voegen in een eigen departementale omraming.

De taken konden vrijwel onder drie noemers worden gebracht: Indonesië, maatschappelijke zorg (materiële bijstand) en maatschappelijk werk (immateriële bijstand). De taken met betrekking tot Indonesië waren duidelijk afgepaald, maar lagen gekompliceerd. De zorg voor de Ambonezen, die tevoren onder drie departementen ressorteerde, was tot een urgent vraagstuk geworden, omdat hun tijdelijk geacht verblijf in Nederland zich rekte. Ten aanzien van de zorg voor Nederlanders in Indonesië begonnen de eerste moeilijkheden in de verhoudingen der beide landen zich te doen gelden. Door het snel groeiend aantal gerepatrieerden werd de verzorging en opvang van deze groepering steeds problematischer.

Aanvankelijk vroegen de taken, welke verband hielden met Indonesië, de meeste aandacht. De watersnoodramp 1953, de vluchtelingenstroom na de Hongaarse opstand in 1956, de totale en onmiddellijke uitzetting van de Nederlanders uit Indonesië in 1957, al deze gebeurtenissen stelden het nieuwe ministerie voor vele problemen. Nadat de Staatscommissie Vervanging Armenwet 1954 haar eindrapport had uitgebracht, had tussen alle bedrijvigheid door een diepgaande bezinning plaats op de gehele problematiek van de bijstandsverlening, welke geleid heeft tot een ontwerp Algemene Bijstandswet dat op 8 augustus 1962 aan de Staten-Generaal werd aangeboden.

Intussen zocht het ministerie ook zijn weg in de onoverzichtelijke en vaak nog onbekende terreinen van het individueel maatschappelijk werk, het sociaal onderzoek en het maatschappelijk opbouwwerk. Eveneens kwam in de loop der jaren een reeks subsidieregelingen tot stand welke, behalve dat zij de noodzakelijke middelen ter beschikking stelden, tevens beleidslijnen aangaven voor verdere ontwikkelingen. Talrijke publicaties verschenen waarin voorlichting werd gegeven over allerhande zaken. Vanuit al deze activiteiten ging een sterke stimulans uit ten gunste van algehele heroriëntering ten aanzien van inhoud en organisatiestructuur van het maatschappelijk werk in Nederland. Maatschappelijk werk bleef een noodzakelijke voorwaarde voor een zo goed mogelijk functionerende samenleving en zal dat ook blijven. Begin jaren zestig, toen de problemen rond Indonesië minder de aandacht gingen vragen en andere activiteiten van dit ministerie meer naar buiten begonnen te treden, nam evenredig de publieke belangstelling toe.

Samenvattend kunnen als belangrijkste activiteiten van het nieuwe ministerie worden genoemd:

  • ontwikkeling van het subsidiebeleid, waardoor het algemeen maatschappelijk werk de talrijke nieuwe plaatselijke en regionale instellingen van het kerkelijk en particulier initiatief wezenlijk tot ontwikkeling en verdere integratie kon brengen;
  • de intensivering van het maatschappelijk opbouwwerk in de ontwikkelingsgebieden;
  • tal van onderzoekingen, welke in veel gevallen hebben geleid tot het steunen van belangrijk geachte initiatieven, die nog in een experimenteel stadium verkeerden;
  • maatregelen ter bevordering van de asocialiteitsbestrijding;
  • bevordering van een goede beroepsuitoefening in het maatschappelijk werk o.a. door het subsidiebeleid.

Van andere ministeries zijn in 1952 de volgende taken overgenomen:

Van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Afdeling Maatschappelijke Zorg I

  1. Toepassing Armenwet, Pandhuiswet en Geldschieterswet.
  2. Bureau Organisatie Hulpverlening aan Nederlanders in het Buitenland.

Van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Afdeling Maatschappelijke Zorg II

  1. Bureau Verdeling Woonruimte.
  2. Bureau Hulpverlening Oorlogsslachtoffers.
  3. Dienst van Maatschappelijke Zorg.
  4. Toepassing woonruimtewet 1947.
  5. Toepassing van regelingen voor oorlogsslachtoffers, evacués uit Indonesië, gerepatrieerden en de tijdelijk naar Nederland overgebrachte Ambonezen.
  6. Toepassing Wet Buitengewoon Pensioen 1940-1945.
  7. Contact met kerkelijke en particuliere organisaties, welke hulp aan oorlogsslachtoffers beogen.
  8. Toepassing Wet Huisvesting Gerepatrieerden 1950.
  9. Exploitatie opvangcentra.
  10. Alle aangelegenheden, liggende op het terrein van de maatschappelijke zorg, voortvloeiend uit de Armenwet.
  11. Het woonwagenvraagstuk
  12. De asocialenzorg.

Van het Ministerie van Sociale Zaken, Afdeling Sociale Bijstand

  1. Alle bijstand van overheidswege aan en bevordering van particuliere en kerkelijke sociale arbeid.
  2. Maatschappelijk werk ten plattenlande en in de steden.
  3. Gezinsverzorging en gezinsvoorlichting.
  4. Maatschappelijk werk ten behoeve van blinden en andere mindervaliden, voor ontheemden, voor bejaarden en buurthuiswerk.
  5. Maatschappelijk opbouwwerk.
  6. Werkzaamheden van internationale aard.
  7. Bemoeiingen met buitenlandse hulpverlening.
  8. Uitzending van social welfare fellows en advisors.

Van het Ministerie voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen

  • De behartiging van de sociale belangen van uit Indonesië gerepatrieerde Nederlanders en van Nederlandse particuliere werknemers in Indonesië.
II. Individueel en algemeen maatschappelijk werk

Het ministerie maakte een eerste onderscheid tussen taken op het gebied van de financiële bijstand, toen nog Maatschappelijke Zorg genoemd en taken op het terrein van het Individueel Maatschappelijk Werk, terwijl ook steeds meer aandacht ontstond voor opbouwwerk. In 1954 kwam dan ook een zelfstandige afdeling Individueel Maatschappelijk Werk tot stand. Tot dan toe was het Individueel Maatschappelijk Werk verspreid over verschillende afdelingen. Dit werk concentreerde zich vooral op het maatschappelijk werk ten plattenlande en de gezinsverzorging. Zowel bij de financiële bijstand als bij het Individueel Maatschappelijk Werk bleek steeds weer dat de moeilijkheden van de mens in de samenleving een gevolg waren van een kombinatie van factoren, enerzijds gelegen in de maatschappelijke structuur, anderzijds in de persoonlijke mogelijkheden en de sociale situatie van de mens. Door veranderende inzichten werd de 'gunst' langzamerhand een 'recht'. Dit kwam onder meer tot uiting in de Algemene Bijstandswet.

Zoals uit bovenstaande blijkt, sprak men van Algemeen Maatschappelijk Werk en van Individueel Maatschappelijk Werk. Om bij het laatste te beginnen, het Individueel Maatschappelijk Werk (IMW) werd van oudsher verricht vanuit bepaalde situaties, b.v. vanuit de situatie van het kind (kinderbescherming), de woonsituatie (woninginspectie), de arbeidssituatie (bedrijfsmaatschappelijk werk), bejaarden (bejaardenzorg) en het gezin (gezinszorg). Het IMW begrensde aldus zijn werkterrein en was in die zin gespecialiseerd maatschappelijk werk.

Het Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW) daarentegen had een algemene functie en bestreek dan ook een groot terrein. Het AMW ging uit van een algemene benadering van de bestaande problemen, daarnaast werkte men ook preventief. Het AMW hield zich vooral bezig met sociaal onderzoek, planning, methodieken, subsidiebeleid e.d. en onderhield contact met de talrijke gespecialiseerde instellingen aan welke het de taken overgaf of waarmee werd samengewerkt. Het AMW speelde dus in het IMW een belangrijke centrale en verbindende rol. Binnen dit AMW nam het Maatschappelijk Opbouwwerk ook een belangrijke plaats in. Dit Opbouwwerk richtte zijn activiteiten vooral op de beïnvloeding van de vormgeving aan de sociale omgeving. Door middel van sociaal onderzoek probeerde men inzicht te krijgen in de typen van lokale en regionale samenlevingen. Daarnaast richtte het Opbouwwerk zich in eerste instantie op diverse groeperingen in de samenleving. Zo introduceerde zij b.v. het heropvoedingswerk ten behoeve van probleemgezinnen en het woonwagenwerk. Interdepartementaal en internationaal overleg vormde eveneens een belangrijk onderdeel van de taken van het AMW. Deze activiteiten zouden uiteindelijk uitgroeien en leidden tot het instellen van zelfstandige afdelingen. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

III. Overheid en particulier initiatief

Een taakverdeling tussen overheid en particulier initiatief zou men als volgt kunnen omschrijven:

  • de overheidszorg lag voornamelijk op het gebied van bevrediging van algemeen erkende en aanvaarde levensbehoeften;
  • het particulier initiatief verrichtte vooral pionierswerk en deed alles wat de overheid niet deed, maar toch noodzakelijk was uit oogpunt van sociale dienstverlening.
Vaak werd veel werk dat begonnen was vanuit het particulier initiatief later overgenomen door de overheid. Het particulier initiatief was en is vaak ideologisch van karakter en beperkt zich tot bepaalde groepen.

De overheid had en heeft buiten de haar bij de wet gegeven algemene bestuursbevoegdheden geen andere taak dan de behartiging van het algemeen welzjn, met andere woorden: de overheid beperkt, coördineert, bundelt, bevordert, steunt en geeft leiding aan de particuliere en kerkelijke initiatieven.

D. Taken en werkzaamheden van de afdelingen van het ministerie
I. Algemeen

Toen in september 1952 het nieuwe ministerie was opgericht, was er uiteraard nog niet direct sprake van een organisatiestructuur. Afdelingen moesten nog hun terrein afbakenen en de vele taken moesten nog ondergebracht worden bij deze op te richten afdelingen. In de Staatsalmanak van 1952 werd dan ook slechts een overzicht gegeven van de taken welke van de drie eerder genoemde ministeries bij het Ministerie van Maatschappelijk Werk waren ondergebracht. In dit overzicht werden verder genoemd als aparte onderdelen de Maatschappelijke Zorg en de diverse instellingen welke onder dit ministerie ressorteerden. Onder de Maatschappelijke Zorg vielen de Algemene Armencommissie, de Sociale Raden en de Commissie van Advies en Bijstand bedoeld in paragraaf 5 van de Geldschieterswet. Onder de instellingen werden gerekend de Maatschappij van Weldadigheid, het Nationaal Fonds voor Bijzondere Noden, het Voorzieningsfonds Kunstenaars, de Provinciale Opbouworganen voor Maatschappelijk Werk, de Centrale Raad voor de Gezinsverzorging en de Landelijke Organen op het gebied van het Gezinsverzorgingswerk.

In 1953 echter was de organisatie uitgegroeid tot een volwaardig ministerie zoals eerder beschreven. In 1954 onderging de organisatiestructuur nogmaals een verandering welke zou blijven bestaan tot 1963. Twee hoofdafdelingen werden ingesteld:

  1. de Hoofdafdeling Individueel Maatschappelijk Werk en Maatschappelijk Opbouwwerk
  2. de Hoofdafdeling Maatschappelijke Voorzieningen.

De onder a. ressorterende afdelingen waren Onderzoek en Maatschappelijk Opbouwwerk, Individueel Maatschappelijk Werk en Maatschappelijk Werk ten behoeve van Probleemgezinnen.

De onder b. ressorterende afdelingen waren Algemene Maatschappelijke Zorg, Bijzondere Maatschappelijke Zorg en Gezinsvoorzieningen. Deze laatste werd in 1960 omgedoopt in Afdeling Woonruimte en Andere Zaken. Naast deze hoofdafdelingen zal nog worden ingegaan op de afdelingen Internationale Betrekkingen, Landelijk Contact en het Commissariaat Ambonezenzorg.

Hieronder volgt een overzicht van de taken en werkzaamheden van genoemde afdelingen, welke een beleidstaak hebben, die specifiek is voor dit ministerie. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

II. Hoofdafdeling Individueel Maatschappelijk Werk en Maatschappelijk Opbouwwerk

1. Afdeling Onderzoek en Maatschappelijk Opbouwwerk

Taak: Het bevorderen van een sociaal onderzoek en de sociale planning

alsmede coördinatie van deze. Het bevorderen van het maatschappelijke opbouwwerk in stad en platteland mede ten behoeve van vluchtelingen, woonwagenbewoners, thuislozen en andere groepen. Het bevorderen van de dorps- en wijkcentra en het buurtwerk, mede met het oog op de sociale wijkopbouw. De werkzaamheden met betrekking tot het maatschappelijk werk ten behoeve van de binnenlandse migratie en het welzijn ten plattenlande. Het onderhouden van contact met de coördinatieorganen waaronder de provinciale stichtingen voor maatschappelijk werk en de Sociale Raden. Het bevorderen van de uitvoering van sociale plannen ten behoeve van de ontwikkelingsgebieden, gebieden met bijzondere achterstand alsmede industriecentra en andere gebieden met sociale structuurveranderingen en het secretariaat van de Interdepartementale Commissie voor de Ontwikkelingsgebieden. De werkzaamheden voortvloeiende uit de Nederlandse medewerking aan de arbeid van de Verenigde Naties en haar gespecialiseerde organisatie op het terrein van het maatschappelijk werk en daaraan verwante sociale arbeid, waaronder behartiging van het secretariaat van het Werkcomité Internationale Sociale Bijstand. De zorg voor literatuur, documentatie en bibliotheek.

1.1 Onderafdeling Studie, Planning en Documentatie

Het zich welbevinden van een persoon of bevolkingsgroep is niet alleen afhankelijk van de eigen krachtsinspanning. Ook de verhouding tot de omgeving en de structuur van de samenleving zelf zijn hierop van invloed. Door de ontwikkeling van de sociale wetenschappen werd in de laatste decennia het inzicht in het functioneren van de samenleving verbeterd. Resultaten van deze sociale onderzoeken tonen aan, welke invloed een bepaalde sociale omgeving op het zich welbevinden van de mens kan hebben. In verschillende landen werden daarom werkzaamheden tot ontwikkeling gebracht, die zich richtten op de verkenning en beïnvloeding van de sociale omgeving, waarin de enkeling dagelijks verkeerde. Met name was dit het geval in de Angelsaksische landen. Begrippen als: sociaal welfare-research, sociaal groupwork, community organisation en social planning zijn daaruit afkomstig. Door deze activiteiten werd het mogelijk preventief te gaan werken ten behoeve van het maatschappelijk welzijn van de mens of een bepaalde groep. Het Ministerie van Maatschappelijk Werk bracht dankzij deze studies en in nauw overleg met diverse andere organisaties vele werkzaamheden tot stand, die voor verkenning van en vormgeving aan de lokale of regionale samenleving van groot belang zijn gebleken.

De functie van het ministerie op het terrein van het wetenschappelijk onderzoek van sociologische en sociaal-psychologische aard was tweeledig. Enerzijds diende ervoor gezorgd te worden dat beleidsvraagstukken, die wetenschappelijk onderzoek en inzicht behoefden, hiervoor werden opengesteld. Anderzijds moest worden bevorderd dat de sociale wetenschappen belang gingen stellen in deze vraagstukken en voor het beleid bruikbare resultaten opleverden.

Talrijke onderzoekingen, waartoe derden het initiatief namen en welke van praktisch belang waren voor het arbeidsterrein van het ministerie, werden (mede) gefinancierd, terwijl vele eigen initiatieven werden genomen en opdrachten hietoe werden verstrekt aan personen of onderzoeksinstituten. Er zijn drie onderzoekcategorieën te onderscheiden:

  • Onderzoek van groepen die met bijzondere maatschappelijke moeilijkheden te kampen hebben, zoals bejaarden, vluchtelingen, woonwagenbewoners, gerepatrieerden e.a.
  • Onderzoek dat betrekking heeft op bijzondere verschijnselen in de samenleving, zoals ingrijpende maatschappelijke structuurveranderingen en de sociale gevolgen daarvan. Het achterblijvende platteland, nieuwe woonwijken etc. worden hieronder gerangschikt.
  • Onderzoek dat zich richt op de activiteiten van maatschappelijk werk en het maatschappelijk opbouwwerk zelf. Dit betreft bij voorbeeld onderzoek van de gebruikte methoden en de resultaten daarvan.

Apart vermeld dienen te worden de werkzaamheden van de Commissie Onderzoek Maatschappelijk Werk. Deze is gegroeid uit de Wetenschappelijke Adviescommissie van het ministerie, die reeds in 1953 werd opgericht. Zij fungeerde onder gezamenlijke auspiciën van het ministerie en van de Nationale Raad voor Maatschappelijk Werk. Het secretariaat berustte bij het ministerie. Deze commissie gaf o.a. voorlichtingsbulletins uit. Naast onderzoek hield deze afdeling zich tevens bezig met planning. Men zou kunnen zeggen dat de start van de sociale planning in Nederland samenviel met de oprichting van het ministerie. Voor die tijd is wel verspreid enig werk verricht in dit vlak, doch de sociale planning vond als zelfstandige functie eerst erkenning toen het ministerie hieraan vorm begon te geven en coördinerend ging optreden. Een vruchtbaar terrein boden de 9 ontwikkelingsgebieden. Deze waren in 1949 en 1950 op grond van economische criteria aangewezen en hiermee had het regionale industrialisatiebeleid van de regering zijn intrede gedaan. Dit beleid was aanvankelijk economisch gericht.

In 1953 echter werd naar aanleiding van de vierde Industrialisatienota de Interdepartementale Commissie voor de Ontwikkelingsgebieden in het leven geroepen. Deze commissie kreeg tot taak de regering te adviseren over de sociale planning in de betrokken gebieden. De sociale planning voor de ontwikkelings- en probleemgebieden was er van het begin af aan op gericht om met inschakeling van de bevolking zelf de sociale ontwikkeling van de gebieden systematisch te bevorderen. In iedere betrokken provincie werd daartoe een plancommissie ingesteld, waarin naast vertegenwoordigers van provinciale en gemeentelijke overheden, afgevaardigden van diverse organisaties, deskundigen en informele leiders uit het gebied zitting hadden. De plancommissie kreeg als taak om een samenhangend geheel van maatregelen voor te stellen op maatschappelijk, cultureel en hygiënisch terrein en de systematische uitvoering daarvan te bevorderen. Daarnaast werd voorlichting van de bevolking zeer belangrijk geacht. Zij geschiedde door middel van pers, voorlichtingsavonden, discussiegroepen, streekdagen, films en ook het streekzelfonderzoek dient hierbij vermeld te worden. Tenslotte hield deze afdeling zich bezig met de verzorging van de studie- en beheersdocumentatie alsmede met de bibliotheek van het ministerie. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

)

1.2 Onderafdeling Opbouwwerk

Na de Tweede Wereldoorlog deden zich vele dynamische veranderingen voor in de maatschappij. Het zich bewust worden van veranderende omstandigheden was nu de taak van het opbouwwerk. Hierbij richtte men zich zowel op groepen als op individuen. Het Maatschappelijk Opbouwwerk omvatte een aantal werkvormen van het Maatschappelijk Werk. Financiële waarborgen alleen waren hierbij niet voldoende. Bijvoobeeld: een wettelijke werkloosheidsuitkering helpt financieel doch niet geestelijk. Een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet helpt financieel, maar gaat geen vereenzaming van de gepensioneerde mens tegen. Materiële vooruitgang welke veel migranten ervoeren, had niet automatisch tot gevolg dat men zich thuisvoelde in een woonwijk. Belangrijke vormen van Maatschappelijk Opbouwwerk zijn b.v. dan ook buurtwerk en het sociale groepswerk. Hierbij deed zij vooral een beroep op organisaties en instellingen, zoals dorps- en wijkcentra en regionale welzijnsstichtingen. Daarnaast besteedde het Maatschappelijk Opbouwwerk aandacht aan bepaalde groepen die - vaak als gevolg van een bijzondere sociale structuur - te zeer apart kwamen te staan van de omringende samenleving, zoals migranten, gerepatrieerden, vluchtelingen, thuislozen, woonwagenbewoners e.a. te meer daar de samenleving deze groepen vaak ervoer als 'vreemde elementen' (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.1 Contact met de Nationale Raad voor Maatschappelijk Werk

In 1953 waren er reeds enige levensbeschouwelijke overkoepelende organisaties aanwezig, die een ontmoetingspunt hadden met elkaar en met anderen in de Nederlandse Vereniging voor Maatschappelijk Werk. Deze vereniging werd in 1957 gereorganiseerd en kreeg toen de naam Nationale Raad voor Maatschappelijk Werk. Deze raad was te beschouwen als een samenbundeling van vele particuliere en kerkelijke organisaties die zich met bepaalde activiteiten van maatschappelijk werk bezig hielden en bood daardoor mogelijkheid van onderling overleg, het gezamenlijk in studie nemen van bepaalde onderwerpen, het optreden als gesprekspartner voor de overheid e.a. Het ministerie onderhield met de raad een veelvuldig contact en verschillende activiteiten werden gezamenlijk uitgevoerd. De raad ontving dan ook jaarlijks een bijdrage van het ministerie (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

).

1.2.2 Contact met de organen van samenwerking

In 1955 kwamen richtlijnen tot stand voor de subsidiëring van organen van samenwerking op levensbeschouwelijke of algmene grondslag. Zij stelden een nieuw subsidiesysteem in, het zgn. werkeenhedensysteem, waarbij gesubsidieerd werd in een van te voren overeengekomen en voor uitbreiding vatbare staf van functionarissen. Doel was het bevorderen van een daadwerkelijke samenwerking tussen de vaak zeer vele organisaties die landelijk, provinciaal of plaatselijk maatschappelijk werk verrichtten. Aan de functionarissen (directeuren en maatschappelijk werk-adviseurs) werden ervarings- en opleidingseisen gesteld. De vorengenoemde richtlijnen werden in 1962 vervangen door een rijkssubsidieregeling. Medio 1962 kwamen 84 organen van samenwerking in aanmerking voor subsidiëring (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.3 Contact met provinciale opbouworganen

De provinciale opbouworganen waren, ieder in zijn gewest, centra waar de gedachten, inzichten en voornemens van tal van instellingen op maatschappelijk terrein elkaar troffen. Ook de provinciale besturen hadden daarin hun vertegenwoordigers, evenals de maatschappelijke werkorganisaties, de vakverenigingen en de agrarische organisaties. Het provinciaal opbouworgaan stond zowel ten dienste van het particulier initiatief als ook van het provinciaal bestuur en de gemeentebesturen. Het verleende adviezen over sociale en culturele voorzieningen; de mogelijkheden van samenwerking en andere onderwerpen. Het verrichtte op eigen initiatief of in opdracht onderzoeken welke betrekking hadden op bepaalde facetten van het maatschappelijk leven, zoals de behoefte aan een buurthuis etc. De rijkssubsidie bedroeg in 1962 45% in de kosten van de voor elk orgaan overeengekomen werkeenheid (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.4 Contact met welzijnsstichtingen

Aan de ontwikkelingen welke plaatsvonden in de niet-stedelijke gebieden besteedde het ministerie bijzondere aandacht. Vele plattelandsgebieden zagen in kort tijdsbestek hun vertrouwde karakter verloren gaan. Vele industrieën vestigden zich in deze streken, daarbij gestimuleerd door economisch-financiële faciliteiten van regeringswege. Ruilverkavelingen, nieuwe wegen en streekverbeteringen brachten voor tal van agrariërs een grote ommekeer teweeg. Weer andere gebieden dreigden in een achterstandssituatie te belanden. De term 'gebieden met bijzondere structuurveranderingen' werd hierop dan ook van toepassing. De ervaring leerde dat verhoging van welvaart niet automatisch een vermeerdering van welzijn tot gevolg had.

In deze periode ontstonden dan ook tientallen stichtingen die als onderdeel van een bredere doelstelling het maatschappelijk welzijn beoogden, de zgn. welzijnsstichtingen. Zij streefden naar maatschappelijke opbouw van een bepaalde streek. Groepswerkactiviteiten, maatschappelijk werk, zelfonderzoek, beroepskeuze, verbetering woonsituatie, oprichting dorpscentra en wijkgebouwen, dit waren een aantal voorzieningen en activiteiten welke door de stichtingen werden gestimuleerd. Een subsidieregeling voor maatschappelijke opbouwwerken kwam in 1956 tot stand. Het overleg tussen stichtingen onderling en met het ministerie geschiedde via een landelijk contactorgaan, waarbij al deze stichtingen waren aangesloten (Afdeling Landelijk Contact) (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.5 Contact met organen voor sociale wijkopbouw

Ook in steden werd gezocht naar vormen van samenwerking op maatschappelijk terrein. Vooral in oude stadswijken en grote nieuwe wijken ontstond behoefte aan accommodatie voor maatschappelijke en culturele ontplooiingsmogelijkheden. Actiegroepen en commissies, die zich ten doel stelden de wijken leefbaarder te maken door het tot stand brengen van materiële en immateriële voorzieningen, kregen in de loop der jaren een permanenter structuur door het aannemen van een stichtingsvorm. Doelstelling was vooral het stimuleren van de bevolking om zelf tot activiteiten te komen. Ook deze opbouwstichtingen kwamen in aanmerking voor subsidie (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.6 Het buurtwerk

Toen het ministerie tot stand kwam, bestonden er reeds buurtwerkinstellingen. Het buurtwerk - opgevat als samenlevingshulp - bleek nauw verweven te zijn met activiteiten als bijzonder jeugd- en volksontwikkelingswerk. Overleg met het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen werd daardoor noodzakelijk. In 1959 kwam de Rijksregeling Subsidiëring Buurtwerk tot stand. Het doel van het buurtwerk werd hierin gesteld: het leveren van een bijdrage tot de opbouw van het maatschappelijke en culturele leven in samenlevingen en groepen. Daarbij werd gedacht aan dorpen, streken of stadswijken, die zelf óf een duidelijke maatschappelijke achterstand vertoonden óf aan ingrijpende veranderingen onderhevig waren, dan wel zich kenmerkten door een niet goed functioneren van het aanwezige raderwerk van organisaties en leidende personen. Zowel voor mannen, vrouwen, opgroeiende jeugd en kinderen werden activiteiten ondernomen. Echter in de loop der tijd nam het jeugdwerk een steeds grotere plaats in, zodat uiteindelijk het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ging meesubsidiëren (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.7 Bemoeienis met de dorpscentra

De Stichting van Dorpscentra bood ruimte en accommodatie aan het plaatselijke verenigingsleven. Regelingen voor de subsidiëring van instellingen die zich ten doel stelden de oprichting, de exploitatie en het beheer van dorps- en wijkcentra dateerden van 1957 (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.8 Bemoeienis met de agrarisch-sociale voorlichting en het begeleidend maatschappelijk werk

Bij de opbouw van de samenleving en het bevorderen van een beter samenleven had de agrarisch-sociale voorlichting een eigen plaats. Sinds lang werd in deze sector voorlichting gegeven. Aanvankelijk van vaktechnische aard (b.v. ziektebestrijding en toepassing van kunstmest), welke door leraren van het landbouwonderwijs werd gegeven. Later bleek ook bedrijfs-economische voorlichting noodzakelijk. Dit werk werd behartigd door zowel het Ministerie van Maatschappelijk Werk als door het Ministerie van Landbouw en Visserij voor wat betreft de subsidiëring. De uitvoering van de voorlichting was in handen van agrarische vak- en standsorganisaties (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.9 Bemoeienis met de sociale aanpassing van bepaalde groepen

Behalve aan de opbouw van de samenleving in meer algemene zin besteedde het Ministerie van Maatschappelijk Werk nog in het bijzonder aandacht aan de sociale integratie van diverse groepen in deze samenleving, die enerzijds door bijzondere gebeurtenissen, anderzijds als gevolg van een 'ongewone' leefwijze in maatschappelijke moeilijkheden waren komen te verkeren. Tot eerstgenoemde categorie werden gerekend vluchtelingen, buitenlandse werknemers en emigranten; thuislozen en probleemgezinnen.

1.2.10 Zorg voor vluchtelingen

In de loop der jaren heeft Nederland aan vele vluchtelingen de mogelijkheid geboden een nieuw bestaan op te bouwen of - zover het bejaarden en invaliden betrof - hier te lande verzorgd te worden. Om aanpassing in de Nederlandse samenleving te bewerkstellingen werden plaatselijke, provinciale en landelijke comité's en instellingen ingesteld. Ter coördinatie van de werkzaamheden werd in 1954 de Nederlandse Federatie voor Vluchtelingenhulp opgericht, waarbij het ministerie onder bepaalde voorwaarden aan de federatie en aan landelijke instellingen subsidie verleende. Zo kwamen eind 1956 ca. 3.000 Hongaarse vluchtelingen naar ons land als gevolg van de Russische interventie van 4 november 1956 in Hongarije. In verband hiermee werd de Regeling Hulpverlening Hongaarse Vluchtelingen vastgesteld. Deze regeling werd per 1 januari 1958 weer ingetrokken. Voor een kleine groep bleef nog enige nazorg nodig (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

).

1.2.11 Zorg voor buitenlandse werknemers

Het grote tekort aan arbeidskrachten eind jaren vijftig - begin jaren zestig deed de Nederlandse regering besluiten om werknemers uit het buitenland aan te trekken. Zo kwamen onder andere vele Italianen en Spanjaarden naar Nederland. Deze 'gastarbeiders' hadden er recht op dat hun welzijn hier te lande zoveel mogelijk werd bevorderd. Hiertoe werd op initiatief van het ministerie een werkgroep in het leven geroepen, die was samengesteld uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Maatschappelijk Werk en van Sociale Zaken en Volksgezondheid, van de werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties en van instellingen van maatschappelijk werk. Verschillende centra werden opgericht, meestal met financiële steun van bedrijven, waarin de buitenlanders werkzaam waren en met subsidie van het Ministerie van Maatschappelijk Werk (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.12 Bemoeienis met de binnenlandse migratie

Begin jaren zestig werd begonnen met de zgn. geleide jeugdmigratie. Er heerste grote werkloosheid op het platteland, reden waarom mensen (vooral jongeren) de gelegenheid geboden werd zich in de steden te vestigen, waar werk voorhanden was. Werkzaamheden door diverse organisaties en instellingen, welke zich met deze problematiek bezig hielden, werden financieel gesteund door het ministerie in de vorm van subsidieregelingen (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

1.2.13 Zorg voor woonwagenbewoners

In 1919 trad de eerste woonwagenwet in werking. Voordien was er nauwelijks sprake van overheidsbemoeienis op dit terrein. Volstaan werd met het aanwijzen van een standplaats en dit geschiedde dan op gemeentelijk niveau. De woonwagenwet kwam voort uit een onderzoek dat was ingesteld op last van het Ministerie van Binnenlandse Zaken naar de overlast die deze bevolkingsgroep zou veroorzaken. Een regeling van hogerhand leek dan ook gerechtvaardigd, aangezien men veronderstelde dat deze groep een niet gering gevaar voor de volksgezondheid vormde in de vorm van overbrenging van besmettelijke ziekten. Kinderen groeiden op buiten iedere vorm van onderwijs en er zouden onzedelijke situaties bestaan. Dit alles, zo veronderstelde men, moest wel leiden tot bedelen, stropen en stelen. Een eerste wetsvoorstel kwam dan ook tot stand in 1912, gevolgd door de wet van 1918. In de loop der jaren bleek de werking van deze wet onvoldoende. Zij beoogde immers de woonwagenbewoners tot een behoorlijk maatschappelijk niveau te verheffen. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam deze groep goed in de belangstelling. Bij de totstandkoming van het Ministerie van Maatschappelijk Werk kwam de sociale kant van het woonwagenvraagstuk, voordien staande in de aandacht en bemoeienissfeer van de Afdeling Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, onder dit ministerie. In 1954 werd te kennen gegeven dat aan een nadere wettelijke regeling vooraf diende te gaan een behoorlijke organisatie van het maatschappelijk werk in de kampen. In 1954 werd dan ook het Beraad Woonwagenwerk ingesteld en kreeg het particulier initiatief subsidie voor de werkzaamheden in deze. In 1957 werd vervolgens de Werkgroep Woonwagenwerk ingesteld. Uiteindelijk werd op 23 oktober 1957 een wetswijziging van kracht voor woonwagens en woonschepen. Hoewel de geschiedenis van de overheidsbemoeienis met het woonwagenvraagstuk aanvankelijk veel te wensen overliet, waren toch duidelijke accentverschuivingen opgetreden.

In eerste instantie was men gericht op bescherming van de bevolking tegen deze groep, terwijl uiteindelijk de bemoeienis direct naar de woonwagenbevolking zelf uit ging. De benaderingswijze verloor haar juridisch-politionele karakter om plaats te maken voor de sociale kant van het woonwagenvraagstuk. Inmiddels was in 1955 het onderwijs aan woonwagen- en schipperskinderen onder de B.L.O.-regeling gebracht. In 1962 waren reeds 40 woonwagenkampen voorzien van een school voor lager onderwijs, waar onderwijs werd gegeven volgens een speciaal systeem. Deze activiteiten vonden plaats in samenwerking met het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, waarbij het onderwijs werd verzorgd door het Ministerie van O.K.W en het Ministerie van Maatschappelijk Werk in ieder kamp maatschappelijke werkers aanstelde voor maatschappelijk werk en maatschappelijke zorg, gezondheidszorg en geestelijke gezondheid. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

)

1.2.14 Zorg voor thuislozen

Wat de thuislozen betreft bestond sinds 1953 een landelijke stichting, waarvan het bestuur werd gevormd door de directeuren van in ons land bestaande inrichtingen voor thuislozen. De Stichting Thuislozenzorg coördineerde het beleid van diverse inrichtingen. De stichting heeft een advies- en inlichtingenbureau en verzorgde een registratie van de zwervers. Naast subsidie aan de stichting opende het ministerie de mogelijkheid tot subsidiëring van vakkundige krachten bij de inrichtingen (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

).

2. Afdeling Maatschappelijk Werk ten behoeve van Probleemgezinnen

Tot de 'achterblijvers' in de samenleving rekende men de groep van de sociaal-onaangepaste gezinnen, welke steeds meer een randpositie in de maatschappij dreigde te gaan innemen. Onmaatschappelijkheid bleek een complex en bovendien een relatief begrip. Aanvankelijk werd deze onmaatschappelijkheid gezien als een huisvestingsprobleem. Echter na de Tweede Wereldoorlog kwam dit vraagstuk steeds meer in de belangstelling te staan.

Ressorteerde dit werk aanvankelijk onder de Afdeling Maatschappelijk Gezinswerk, al spoedig werd het werk van de onmaatschappelijkheidsbestrijding gebundeld onder één afzonderlijke afdeling, namelijk de Afdeling Maatschappelijk Werk ten behoeve van Probleemgezinnen. Deze afdeling bestond uit twee onderafdelingen:

  1. Gespecialiseerd Gezins- en Wijkwerk en
  2. Gezinsoorden en Internaten.

Onderafdeling a. behartigde de rijkstaak ten behoeve van de plaatselijke onmaatschappelijkheidsbestrijding, terwijl onderafdeling b. zich bezighield met de directe dagelijkse leiding van de re-educatieve taken in de gezinsoorden en internaten, de nevenwerkzaamheden om dit werk in de provincie mogelijk te maken, de organisatie, de methodiek, de administratie en de research. In 1955 werd uitvoering van deze werkzaamheden gedelegeerd aan een uitvoerend orgaan, het zgn. Contactorgaan, standplaats Zwolle. Het beleid en toezicht op de uitoefening bleef in handen van de Onderafdeling Gezinsooorden en Internaten.

Nadat men geconcludeerd had, dat deze gezinnen vaak met een veelheid van problemen te kampen hadden, welke in allerlei opzichten op het gezinsleven en op dat van de afzonderlijke leden invloed uitoefenden, besloot men dat hulpverlening in verschillende vormen gelijktijdig aangeboden diende te worden. De gezinsoorden boden dus de gelegenheid daar in te springen waar de krachten van de plaatselijk werkzame instanties niet toereikend waren. Een officiële aanvraag tot plaatsing moest ingediend worden bij het Hoofd van het Provinciaal Bureau van het Departement van Maatschappelijk Werk.

De gezinsoorden lagen vaak geïsoleerd op het platteland. Voordeel was dat ze daardoor ver van hun eigen milieu aflagen; nadeel was dat door deze ligging vaak onvoldoende mogelijkheden aanwezig waren tot voorbereiding van de gezinnen op aanpassing in een wijdere sociale omgeving. Vaak vatte zowel het gezin zelf als ook zeker hun omgeving plaatsing in een gezinsoord op als schande.

Voorwaarde voor opname was bereidheid tot re-educatie van de zijde van het gezin en bereidheid van de zijde van de gemeente tot een financiële bijdrage. Tevens diende de gemeente garant te staan voor huisvesting van het desbetreffende gezin na beëindiging van de opnameperiode.

In ieder gezinsoord konden tussen de 10 tot 18 gezinnen geplaatst worden. Ter begeleiding waren aanwezig: leidsters en maatschappelijk werkers, een sociaal ambtenaar, gezinsverzorgsters, jeugdleidsters, een kleuterleidster, een administratief beheerder en een beambte voor de huishoudelijke dienst. Tevens was er een sociale werkplaats verbonden aan de oorden.

Arbeidslabiele en onaangepaste mannen werden hier voorbereid op regels en verwachtingen van het bedrijfsleven, terwijl de vrouwen het bestieren van het huishouden werd bijgebracht door eerdergenoemde vakkrachten. Indien de verhouding tussen de familieleden erg slecht was, werden kinderen soms in een internaat ondergebracht. Deze internaten waren een soort dependance van de gezinsoorden. Intussen echter trad in toenemende mate het bezwaar naar voren dat door de geïsoleerde ligging van de woonoorden een onvoldoende binding bestond met de gemeenten van waaruit de gezinnen afkomstig waren en waarheen zij moesten terugkeren. Duidelijk was ook dat door de grote omvang van het probleem de oplossing daarvan allereerst in de gemeenten zelf zou moeten worden gevonden. In 1959 werd daarom besloten tot opheffing van de gezinsoorden en tot situering van het gehele werk in de gemeenten waar de gezinnen woonden.

Ondanks de vele aandacht, welke de gezinsoorden opeisten, was van meet af aan duidelijk dat het te voeren beleid mede gericht moest zijn op het stimuleren van het plaatselijk werk, dat ten behoeve van de sociaal en onaangepaste gezinnen werd verricht. In 1955 werden voor het werk ten behoeve van gezinnen, verblijvend in plaatselijke concentraties, richtlijnen voor de subsidiëring van het gespecialiseerd gezins- en wijkwerk vastgesteld. Ook kwam in dat jaar tot stand een rijksregeling tot subsidiëring van het maatschappelijk gezinswerk verricht door jeugdzorginstellingen. Deze arbeid richtte zich op onaangepaste gezinnen, welke niet in concentraties woonden en had vooral een preventieve inslag. In 1959 werden de eerder genoemde richtlijnen en rijksregling samengebracht in één nieuwe Rijksregeling voor de Subsidiëring van het Bijzonder Gezins- en Wijkwerk. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

)

3. Afdeling Individueel Maatschappelijk Werk

Taak: Het bevorderen van een doeltreffende organisatie, scholing en subsidiëring op het terrein van het maatschappelijk werk. Het bevorderen van het individueel maatschappelijk werk, gericht op het gezinsmilieu, waaronder adviesbureaus voor levens- en gezinsmoeilijkheden en gezinswerk in verband met de jeugd. De werkzaamheden met betrekking tot de Huishoudraad en de huishoudelijke en gezinsvoorlichting, waaronder het bevorderen van een doelmatige inkomstenbesteding en van andere vormen van preventief werk. Het bevorderen van het maatschappelijk werk ten behoeve van de minder-validen, bejaarden en bijzondere groepen.

3.1 Bemoeienis met de bureaus voor levens- en gezinsmoeilijkheden

Onder bovengenoemde bureaus werd verstaan gespecialiseerde bureaus, welke werkzaam waren ter individuele behandeling van conflicten, moeilijkheden en problemen op het gebied van huwelijk, gezinsleven of andere daarmee samenhangende levensvragen. Het werkterrein van deze bureaus omvatte een aantal elementen waarvan het maatschappelijke werk en de geestelijke gezondheidszorg de voornaamste waren. In het team namen psychiaters en gespecialiseerde maatschappelijk werkers dan ook een centrale plaats in. Een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van deze bureaus werd geleverd door de Commissie van Contact en Advies, die in 1949 onder auspiciën van de Nationale Federatie voor Volksgezondheid werd ingesteld en waarin sedert 1957 ook een vertegenwoordiger van het Ministerie van Maatschappelijk Werk zitting had.

Het was met name deze commissie, die heeft aangedrongen op teamwork van verschillende deskundigen en die voorts opleidingseisen heeft voorgesteld voor de maatschappelijk werkers. Alleen psychiatrisch geschoolde maatschappelijk werkers of zij, die het diploma van een der voortgezette opleidingen bezaten, werden voor dit werk geschikt geacht. Voor 1955 werden de bureaus uitsluitend gesubsidieerd door het Praeventiefonds. Daarna verleende het Ministerie van Maatschappelijk Werk subsidie met een bijdrage hierin van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. In 1957 werden de subsidievoorwaarden vastgelegd in de Subsidieregeling voor de Bureaus voor Levens- en Gezinsmoeilijkheden (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

3.2 Zorg voor gehandicapten

Het maatschappelijk werk voor lichamelijk, zintuiglijk en geestelijk gehandicapten ontwikkelde zich in de loop der jaren tot een erkende sector naast de medische, arbeids- en onderwijssectoren. Na de periode, waarin het accent van de revalidatie vooral op de economische nuttigheid viel, werd als nieuw doel gesteld: het optimaal sociaal functioneren van de gehandicapte mens. Het maatschappelijk werk kon hierbij niet worden gemist. Het ministerie nam dan ook deel in werkzaamheden van de Raad voor Revalidatie, welke fungeerde als orgaan voor advies en overleg tussen overheid en particulier initiatief. In het werk ten behoeve van de gehandicapten nam ook de Nederlandse Centrale Vereniging voor Gebrekkigenzorg een belangrijke plaats in. Deze vereniging richtte zich vooral op voorlichting aan en stimulering van de bij haar aangesloten instellingen. De belangenbonden van gehandicapten kregen steeds meer betekenis. Zij ontwikkelden zich van verenigingen van lotgenoten die naar buiten optraden tot organen, die tevens actief werden door het organiseren van onderlinge hulp. Naast deze bonden van de gehandicapten zelf ontstonden ook nationale organisaties voor ouders van lichamelijk, maar vooral van geestelijk gehandicapte kinderen. Voor de volwassen blinden werd het maatschappelijk werk behartigd door de Stichting Algemene en Individuele Blindenbelangen waarin alle levensbeschouwelijke groeperingen samenwerkten.

Ook vanuit de blinden- en doveninstituten werd het maatschappelijk werk voor hen, die deze instituten hadden verlaten, ter hand genomen. Op overeenkomstige wijze als bij de nazorg voor blinden en doven traden aanvankelijk ten behoeve van zwakzinnigen de onderwijzers voor B.L.O., ook wel orthopedagogen genoemd, op. Ook hier had een volledige heroriëntering en reorganisatie plaats. In 1957 kwam een speciale Rijkssubsidieregeling Maatschappelijk Werk voor Zwakzinnigen tot stand. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 51, 52, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 14-17, 19-21, 24, 26-29, 31, 32, 35-37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

3.3 Zorg voor bejaarden

Het is nog niet zo lang geleden, dat de begrippen 'bejaard' en 'gebrekkig' zo ongeveer als synoniem werden beschouwd. Geleidelijk aan echter zag men in, dat bejaard zijn niet gelijk gesteld kon worden met gehandicapt. Het is een levensperiode welke eigen eisen stelt en daardoor om eigen voorzieningen vraagt. Oriëntering bleek nodig om zodoende te komen tot een goede beleidsvorming. Het Ministerie van Maatschappelijk werk bleek daarom zeer geïnteresseerd in sociaal onderzoek en steunde dit door het verlenen van subsidie. In 1956 werd dan ook de onderafdeling bejaardenzorg ingesteld. In het algemeen bleek dat de bejaarden de voorkeur gaven om zelfstandig te blijven wonen. Slechts een klein gedeelte gaf de voorkeur aan huisvesting in een bejaardentehuis. Het ministerie stimuleerde deze ontwikkelingen met een experimentele subsidie. Daarnaast werd door gemeentebesturen in toenemende mate aandacht geschonken aan het zgn. 'open bejaardenwerk' in de vorm van het verstrekken van warme maaltijden, bezoekdienst, sociëteitswerk e.d. De landelijke instellingen op het terrein van de bejaardenzorg werkten samen in de Nederlandse Federatie voor Bejaardenzorg. Deze ontving subsidie van het Ministerie van Maatschappelijk Werk samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting en van Volksgezondheid en Bouwnijverheid. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 51, 52, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 14-17, 19-21, 24, 26-29, 31, 32, 35-37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

3.4 Zorg voor ongehuwde moeders

Instellingen voor de opvang van ongehuwde moeders waren vooral eind jaren vijftig - begin jaren zestig sterk in opkomst. Zij beschikten over bevoegde maatschappelijk werkers. Beter dan voorheen kon nu de hulp worden afgestemd op wat voor deze ongehuwde moeder in haar situatie de meest aangewezen oplossing was. De hulp richtte zich steeds meer op zowel moeder als kind. Kenmerkend hierbij was de veranderende opvatting ten aanzien van het afstand doen van het kind. Subsidiëring bepaalde zich aanvankelijk tot de doorgangstehuizen. De voorlopige Subsidieregeling Maatschappelijk Werk voor Ongehuwde Moeders, die in 1961 werd vastgesteld, ondersteunde en stimuleerde echter bovengenoemde ontwikkeling en stelde de instellingen, die de zorg voor deze moeders buiten de tehuizen behartigde, op de voorgrond.

Bepaalde factoren, b.v. de gecompliceerde situatie of de psychische gesteldheid van betrokkene, konden inschakeling van de psychiater of psycholoog nodig maken. In de subsidieregeling werd hiermee rekening gehouden. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

3.5 Bemoeienis met de gezinsverzorging

De gezinsverzorging stelde zich ten doel de moeder te vervangen in het gezin, voor zover deze tijdelijk haar taak niet kon vervullen. Dit geschiedde door gezinsverzorgsters, die de taak van de huisvrouw volledig overnamen en door gezinshelpsters, die assistentie van huishoudelijke aard verleenden. In 1952 was dit werk, dat voordien ressorteerde onder het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, in omvang en organisatievorm reeds vrij sterk ontwikkeld. De 5 toen al bestaande Landelijke Organen op Levensbeschouwelijke Grondslag hadden een ontmoetingspunt in de Centrale Raad voor de Gezinsverzorging. In de loop der jaren werd dit instituut verder uitgebouwd. In 1953 werd subsidie mogelijk gemaakt ten behoeve van aan de instellingen verbonden leidsters, die een maatschappelijkwerk-opleiding hadden genoten. In 1954 kwamen richtlijnen tot stand voor de financiering van de gezinsverzorging en de bijzondere huishoudelijke hulp ten behoeve van gerepatrieerden. In 1955 werd met de Subsidieregeling Gezinsverzorging en Gezinshulp de reeds genoemde functie van gezinshelpster geïntroduceerd. In 1958 werd subsidiemogelijkheid geboden ten behoeve van permanente hulpverlening aan bejaarden en chronisch zieken en, zij het nog experimenteel, van hulp aan boord van schepen van de binnenvaart. In 1959 kwamen speciale subsidiebepalingen tot stand voor de verzorging van gezinnen van Ambonezen. In dat jaar werd tevens een regeling getroffen voor gezinsverzorging in het kader van de onmaatschappelijkheidsbestrijding (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

).

3.6 Huishoudelijke en gezinsvoorlichting

De begrotingspost voor huishoudelijke en gezinsvoorlichting had, vrijwel sedert de totstandkoming van het ministerie, betrekking gehad op twee instellingen. De eerste instelling was de in 1934 opgerichte Stichting Commissie voor Huishoudelijke en Gezinsvoorlichting, welke in 1961 werd gereorganiseerd en sindsdien heet: Stichting Nationale Federatie voor Huishoudelijke en Gezinsvoorlichting. De andere instelling was de in 1950 opgerichte Nederlandse Huishoudraad. Doel was het bevorderen van de huishouding en het behartigen van huishoudelijke en consumentenbelangen. Dit geschiedde onder meer in de vorm van het geven van voorlichting. In 1962 stelde de Minister van Maatschappelijk Werk voor het voorlichtingswerk een Rijkssubsidie- en Rijksbijdrageregeling Huishoudelijke en Gezinsvoorlichting in. Op grond van deze regeling werden niet alleen de meer bekende vormen zoals cursussen, lezingen, demonstraties enz. mogelijk maar ook groepswerk en een meer individuele voorlichting. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 51 en 52. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 14, 15, 17, 19-21, 24, 26, 26-29, 31, 36.

)

3.7 Verzorging van opleidingen

Door talrijke subsidieregelingen werden aan de ontwikkeling van het maatschappelijk werk nieuwe mogelijkheden geboden. Toen destijds contact werd opgenomen met het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen om een beeld te krijgen van de situatie op het terrein van de opleiding, bleek deze onoverzichtelijk. Opgeleid werd in dagschool-verband, parttime en schriftelijk, waarbij vrij grote verschillen in leerplan en niveau bleken te bestaan. Bij de eerste subsidieregeling werd dan ook bepaald dat voor de uitgesproken kernfuncties in het maatschappelijk werk in principe alleen het diploma van een school voor maatschappelijk werk in aanmerking kwam. Onderwijl waren er reeds vele functionarissen werkzaam met een ander of in het geheel geen diploma. Een overgangsregeling werd getroffen. Het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen opende per 1 september 1956 voor alle scholen voor maatschappelijk werk de mogelijkheid een zgn. 'urgentie-opleiding' te geven voor niet of anders gediplomeerden. Met ingang van 1 januari 1961 werd aan de urgentie-opleiding, die aanvankelijk tijdelijk bedoeld was, een meer permanent karakter gegeven, omdat regelmatig bleek dat er personen waren, die zich op latere leeftijd tot het maatschappelijk werk aangetrokken voelden. In de behoefte aan hogere opleidingen werd voorzien door de zgn. Voortgezette Opleidingen. Het ministerie stelde diverse subsidies ter beschikking voor de verdere scholing op het gebied van methodiek van het maatschappelijk werk. Daarnaast was het ministerie nauw betrokken bij het overleg betreffende de opleidingen voor bejaardenhelpster en bejaardenverzorgster. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

III. Hoofdafdeling Maatschappelijke Voorzieningen

1. Afdeling Algemene Maatschappelijke Zorg

Taak: De voorbereiding van nieuwe wettelijke regelingen op het gebied van de maatschappelijk zorg. De toepassing van de Armenwet, de Geldschieterswet (28 januari 1932, Stbl. 19), waaronder subsidiëring van instellingen. Het onderhouden van contact met de Sociale Raden. De toepassing van de subsidieregelingen verband houdende met de bijstand ingevolge de Armenwet. De samenstelling van het verslag bedoeld in artikel 209 van de Grondwet (verslag aan de Staten Generaal inzake de Armenwet).

De werkzaamheden betreffende de regeling van de alimentatie en het verhaal met betrekking tot de kosten van voor rijksregeling verpleegde geestesziekten. De werkzaamheden met betrekking tot het collectewezen. De toepassing van de verdragen inzake internationale hulpverlening. De zorg voor de hulpverlening aan behoeftige Nederlanders in het buitenland en aan uit het buitenland afkomstige hulpbehoevende minderjarige Nederlanders (zogenaamde Staatswezen) en Nederlandse patiënten in België.

In 1947 was bij gemeenschappelijke beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken en van Sociale Zaken de Staatscommissie Vervanging Armenwet ingesteld. In 1954 bracht de staatscommissie haar eindrapport uit. Sindsdien werd op het ministerie de gehele bijstandsmaterie in studie genomen als gevolg waarvan op 8 augustus 1962 bij de Staten-Generaal een ontwerp-Algemene Bijstandswet aanhangig kon worden gemaakt. De Algemene Bijstandswet werd ingesteld op 13 juni 1963, Stbl. 284. Deze wet gaat uit van een overheidsplicht tot het verlenen van financiële bijstand aan ieder, die niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Het scheppen van rechtszekerheid is een der belangrijkste doeleinden van deze wet. Met inwerkingtreding van de wet kwam een ingrijpende verandering tot stand op het gehele terrein van de maatschappelijke zorg. De behoeftige mens kreeg een recht dat past bij de waardigheid van de vrije mens in plaats wat tot aan dat tijdstip als gunst werd ervaren. Bijzondere aandacht werd ook geschonken aan de verpleging en verzorging van bijstandsbehoevenden in inrichtingen.

Bij de wet van 29 september 1955, Stbl. 456, werd een nieuwe regeling gegeven voor de betaling van verpleegkosten in inrichtingen voor de verpleging of verzorging van bejaarden, zieken, gebrekkigen e.d.. Geregeld werd tevens hoe geschillen, welke hierover konden ontstaan, moesten worden beslecht, terwijl het rijk zonodig bij voorschot kon betalen. Belangrijk was voorts de wetswijziging van 12 januari 1961, Stbl. 9 Hierbij werden de mogelijkheden tot verhaal op onderhoudsverplichtingen van bijstand, verleend door de overheid, in aanzienlijke mate beperkt. Deze beperking was vooral van betekenis voor de bejaarden. Het gevolg was dan ook, dat zich na inwerkingtreding van de wet een belangrijk aantal bejaarden om bijstand meldde. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 51, 52, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 14-17, 19-21, 24, 26-29, 31, 32, 35-37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

2. Afdeling Bijzondere Maatschappelijke Zorg

Taak: De werkzaamheden met betrekking tot de verzorging en de bevordering van de maatschappelijke aanpassing van gerepatrieerden uit Indonesië. De verzorging van gerepatrieerden in opvangcentra en contractpensions en het verlenen van zelfstandige huisvesting aan betrokkenen.

Contact met het Centraal Comité van Kerkelijk en Particulier Initiatief voor sociale zorg ten behoeve van gerepatrieerden.

De werkzaamheden met betrekking tot de toepassing van de Wet Buitengewoon Pensioen 1940-1945. Het voeren van het secretariaat van de Adviescommissie Bijzondere Uitkeringen. De werkzaamheden met betrekking tot de verzorging van en financiële regeling voor de oorlogsslachtoffers, alsmede het houden van toezicht op de toepassing van regelingen en voorschriften door de uitvoerende organen. De werkzaamheden ter uitvoering van de regelingen tot hulpverlening aan de door de watersnood van februari 1953 getroffen middenstanders en zelfstandigen, alsmede aan de getroffen landbouwers.

De behandeling van aangelegenheden betreffende andere groepen van personen, die op financiële en of maatschappelijke bijstand van de overheid waren aangewezen.

De voorbereiding met betrekking tot de volledige verzorging van de wegens oorlog of oorlogsdreiging dan wel wegens enige andere calamiteiten verplaatste burgerbevolking.

De afwikkeling van de verplichtingen van het voormalig Centraal Bureau Verzorging Oorlogsslachtoffers.

Het toekennen van uitkeringen aan of ten behoeve van inrichtingen ten algemene nutte en aan kerken en kerkelijke instellingen in de ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog geleden exploitatiekosten.

Onder Bijzonder Maatschappelijke Zorg werden in 1952 samengevat de voorzieningen die krachtens speciale wet of ministeriële beschikking (groepsregeling) waren getroffen ten behoeve van oorlogsslachtoffers, evacués, verzetsslachtoffers, allen uit de jaren 1940-1954, en gerepatrieerden.

In de loop der jaren kwamen hier nog bij voorzieningen voor watersnoodslachtoffers (1953); voor blinden (1956, samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid); voor Hongaarse vluchtelingen (1956); voor mindervaliden (1962); voor zeelieden-oorlogsslachtoffers (overgenomen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in 1960) en voor oorlogslachtoffers uit Indonesië. De regelingen worden hieronder achtereenvolgens ter sprake gebracht. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

2.1 Voorziening voor oorlogsslachtoffers

De Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers kwam tot stand in 1950 en werd in 1960 vervangen door de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945. Eerstgenoemde regeling was tot 1 januari 1955 ook van toepassing geweest op de evacués die niet naar hun gemeente van herkomst konden terugkeren. In 1952 kregen ca. 8700 personen een periodieke uitkering. De uitkeringen werden verleend door de gemeentebesturen, die met de uitvoering van de regeling waren belast. De uitgaven echter kwamen geheel voor rekening van het Rijk. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

2.2 Voorziening voor gerepatrieerden uit Indonesië

Een van de omvangrijkste en moeilijkste problemen waarmee het ministerie werd geconfronteerd, vormde de repatriëring uit Indonesië. De sedert 1950 gewijzigde staatkundige verhoudingen in ons land dwongen tienduizenden, die de Nederlandse nationaliteit bezaten, het eilandrijk van Indonesië voorgoed te verlaten en naar Nederland te gaan om hier hun plaats in de westerse samenleving te hernemen, c.q. zich een plaats in de Nederlandse samenleving te verwerven. De overkomst van zovele personen vereiste bijzondere maatregelen. Deze maatregelen omvatten behalve het inzetten van extra transportmiddelen, o.m. de materiële en geestelijke alsook de medische verzorging aan boord van de repatriëringsschepen, het verzamelen van de voor een juiste opvang in Nederland van belang zijnde gegevens en het geven van voorlichting. Voorts bij aankomst in Nederland de tijdelijke onderbrenging in opvangcentra en contractpensions van degenen die niet over een eigen huisvesting beschikten; de materiële en geestelijke alsook medische verzorging in opvangcentra en contractpensions; de toewijzing van woningen aan gezinnen, die geen kans zagen om in zelfstandige huisvesting te voorzien.

Verder moesten bij zelfstandige huisvesting in de gemeenten regelingen worden getroffen voor de financiële bijstand aan de gerepatrieerden, die niet in staat waren in hun eigen levensonderhoud te voorzien of noodzakelijke uitgaven (b.v. kleding en woninginrichting) uit eigen middelen te bekostigen. Tenslotte waren maatregelen nodig op het gebied van arbeidsinpassing, gezondheidszorg, onderwijs, maatschappelijk werk e.a..

Deze en andere taken, welke ten dele lagen binnen de werkingssfeer van andere departementen of van het kerkelijk en particulier initiatief, maakten een goede samenwerking noodzakelijk, reden waarom diverse commissies werden ingesteld (zie bijlage 5).

In totaal arriveerden in de periode 1953-1961 123.711 personen. Ten behoeve van de te verlenen bijstand aan gerepatrieerden was in 1952 de Regeling Hulpverlening Gerepatrieerden vastgesteld, welke in 1961 werd vervangen door de Rijksgroepsregeling Gerepatrieerden.

Onder de gerepatrieerden waren vele zieken, gehandicapten en bejaarden voor wie de opvang extra moeilijkheden bracht.

In 1958, na de totale uitwijzing der Nederlanders uit Indonesië, kwamen diverse grote ziekentransporten aan en moesten velen worden ondergebracht in ziekenhuizen, sanatoria, verpleeginrichtingen en psychiatrische inrichtingen. De medische verzorging stond onder leiding van een door de Directie Volksgezondheid hiertoe aan het Ministerie van Maatschappelijk Werk verbonden arts. Voor de verzorging en verpleging van bejaarden kwamen 21 aparte tehuizen tot stand en 4 verpleeginrichtingen voor gehandicapten en chronisch zieken.

Behalve aan de materiële verzorging van de gerepatrieerden werd aandacht geschonken aan het maatschappelijk werk. Hiervoor kwam tot stand het Centraal Comité van Kerkelijk en Particulier Initiatief voor sociale zorg ten behoeve van gerepatrieerden uit Indonesië.

Naast de hulp, hier te lande verleend, leidden de omstandigheden ertoe dat in 1954 eveneens bijzondere maatregelen werden getroffen ten behoeve van Nederlanders in Indonesië. Bij Kb van 22 maart 1954 werd een nieuwe organisatie ingesteld door het ministerie, de Raad voor Sociale Aangelegenheden. De leiding van deze Raad werd opgedragen aan dr. G.A.F.A. Bouricius, voordien werkzaam als hoofd van de Afdeling Maatschappelijk Opbouwwerk. Aan deze raad werden o.a. toevertrouwd alle werkzaamheden op het gebied van emigratie en de arbeidsvoorziening en werkzaamheden op het gebied van onderwijs, voordien ressorterende onder de Ministeries van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. De raad werd bijgestaan door een emigratie-attaché, een arbeidsattaché en een onderwijsattaché, allen afkomstig van bovengenoemde ministeries. Standplaats was Bandung, terwijl rayonbureaus werden gevestigd in Djakarta, Bogor, Semarang, Surabaja en Malang. Toen eind 1957 alle Nederlanders werden uitgewezen, kwam automatisch een eind aan deze raad. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

2.3 Wet Buitengewoon Pensioen 1940-1945

Op grond van deze wet kregen de zgn. actieve verzetsslachtoffers (dat waren degenen, die als gevolg van hun deelneming aan het verzet invalide waren geworden) alsmede hun nagelaten betrekkingen, onder bepaalde voorwaarden een recht op buitengewoon pensioen, dat ten doel had hen in staat te stellen om binnen redelijke grenzen te blijven leven in hetzelfde sociale milieu als waarin zij voor de bezetting verkeerden. De wet had niet een zuiver pensioenkarakter omdat o.a. bij de bepaling van het pensioen met andere inkomsten rekening werd gehouden (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

).

2.4 Wet Buitengewoon Pensioen Zeelieden - Oorlogsslachtoffers

Op grond van deze wet hadden die zeelieden recht op buitengewoon pensioen, die in dienst op een zeewaardig of zeevissersvaartuig door deze oorlog waren getroffen alsmede hun nagelaten betrekkingen. Zij had dezelfde strekking als de Wet Buitengewoon Pensioen 1940-1945 (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

).

2.5 Voorziening slachtoffers van de watersnoodramp 1953

Ten aanzien van de slachtoffers van de watersnoodramp 1953 werd de Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers van overeenkomstige toepassing verklaard. In samenwerking met het Nationaal Rampenfonds werden nog bijzondere uitkeringen gedaan aan middenstanders en andere zelfstandigen alsmede aan land- en tuinbouwers. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

2.6 Verzorging verplaatste bevolking

Bij de wet van 10 juli 1952, Stbl. 406 werden voorzieningen getroffen aangaande de verplaatsing van de bevolking in geval van oorlog, oorlogsgevaar en daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden, welke wet nadien bij de wet van 24 februari 1955, Stbl. 86 mede van toepassing werd verklaard in geval van watersnood of andere rampen alsmede van dreigend gevaar.

Het Bureau Verplaatsing Bevolking werd ingesteld, ressorterend onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid, terwijl er aan de Afdeling Bijzondere Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Maatschappelijk Werk een Bureau Verzorging Verplaatste Bevolking werd toegevoegd. Ieder departement kreeg een eigen evacuatiedeeltaak. Aan de term 'verzorging' diende echter een ruime uitleg te worden gegeven. Zij beperkte zich niet alleen tot het verstrekken van geldelijke uitkeringen doch ook tot al die maatregelen, welke nodig waren om verplaatste personen de nodige bijstand te verlenen. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

2.7 Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië

Deze regeling was in 1942 in het voormalig Nederlands-Indië bij ordonnantie uitgevaardigd. Zij had ten doel de gevolgen, welke de oorlog met Japan voor bepaalde groepen van ingezetenen zou kunnen hebben, zoveel mogelijk te verlichten door het verlenen van uitkeringen aan hen die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog lichamelijk letstel zouden oplopen en aan de nagelaten betrekkingen van hen, die tengevolge van de oorlog zouden overlijden. Bovendien kende de regeling vrije geneeskundige behandeling en verpleging toe terzake van oorlogsletsel, alsmede tegemoetkoming in de begrafeniskosten. Na de oorlog werd de regeling herzien en aangevuld. Zij werd onder meer ook van toepassing verklaard op de slachtoffers van ongeregeldheden, welke zich na de oorlog hebben voorgedaan. Bij de overdracht van de soevereiniteit in 1949 aan de Republiek Indonesië werd de uitvoering van genoemde ordonnantie aan Indonesië overgedragen. Deze uitvoering werd in 1954 door de Indonesische regering gestaakt, waarna de Nederlandse regering de uitvoering overnam en onder verantwoordelijkheid bracht van het Ministerie van Maatschappelijk Werk. De uitvoering van deze regeling berustte bij de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, de administratie berustte bij de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

3. Afdeling Gezinsvoorziening (1954-1959), en Afdeling Woonruimte (1960-1962

Deze afdeling was werkzaam met betrekking tot de Nationale Contactcommissie voor Gezinsbelangen (Gezinsraad), en behandelde de aangelegenheden betreffende de Union de Organismes Familiaux. Verder berustte bij haar de toepassing van de Woonruimtewet 1947. De woonruimtewet legde het verlenen van vergunning tot het in gebruik nemen van woonruimte en de vordering van woonruimte in handen van het college van burgemeester en wethouders. Zij moesten bij hun beleid de voorschriften en richtlijnen van de Minister van Maatschappelijk Werk in acht nemen. Voorschriften en richtlijnen hiertoe werden in de loop der jaren gewijzigd en aangepast. Een van de belangrijkste aanvullingen van de ministeriële voorschriften was die van 11 september 1958. Hierbij werd bepaald dat burgemeesters en wethouders voortaan als woningzoekenden inschrijven:

  1. gehuwde mannelijke ingezetenen, die niet over redelijke woonruimte beschikken;
  2. gehuwde niet-ingezetenen, die als kostwinner van een gezin in het arbeidsproces binnen de gemeente hun voornaamste bron van inkomsten vinden.

Tevens werd voorgeschreven dat burgermeester en wethouders aan in hun gemeente ingeschreven woningzoekenden, die zich elders wensten te vestigen, desgevraagd een verklaring afgaven, waaruit de inschrijfdatum bleek, zodat de reeds doorgebrachte wachttijd meetelde.

In de afgelopen jaren werd ook grote aandacht geschonken aan het bevorderen van het vrijwillig beschikbaar stellen van woonruimte. Bij beschikking van 19 november 1957 werd een regeling getroffen voor het verlenen van een overheidsbijdrage in kosten, welke voortvloeiden uit het vrijwillig afstaan van woonruimte. Deze vrijwillige medewerking tot het helpen oplossen van woningnood kon bestaan in het aanbrengen van kleine voorzieningen in de woning, waardoor daarin aan een tweede gezin eigen woongelegenheid werd geboden, of ook door verhuizing naar een kleinere woning. Ten behoeve van de woningruil werd het werk aangemoedigd van de Stichting Interlocale Woningruilcentrale te Utrecht, waarin rijk, gemeente en bedrijfsleven samenwerkten. Deze stichting werd dan ook gesubsidieerd door het ministerie. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 51, 52, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 14-17, 19-21, 24, 26-29, 31, 32, 35-37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

IV. Afdeling Internationale Betrekkingen

In 1948 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie nr. 418 (v) aan, welke bekend is geworden als het besluit, dat de zgn. advisory social welfare services in het leven riep. Daarmee was het eerste na-oorlogse wereldomvattende organisme voor onderlinge sociale hulpverlening tussen volkeren in werking gesteld. Dit initiatief heeft na de Tweede Wereldoorlog in hoge mate bijgedragen tot een snelle modernisering van sociale diensten, de opleiding voor het maatschappelijk werk, sociale planning en onderzoek. Nederland werkte hier ook aan mee, onder meer door uitwisseling van sociaal welfare fellows tussen Nederland enerzijds en de overige Europese landen, Canada en de Verenigde Staten anderzijds. Zodoende werd men in de gelegenheid gesteld ervaringen op het gebied van maatschappelijk werk elders op te doen en uit te wisselen.

Het Ministerie van Maatschappelijk Werk was hierin ook participant. Daarnaast was zij vertegenwoordigd in de Interdepartementale Commissie voor Internationale Technische Hulp, het Interdepartementaal Coördinatiecollege voor de Verenigde Naties, de gespecialiseerde organisaties, het Institute of Social Studies, de Nederlandse Jeugdgemeenschap e.a. In 1961 begon de Europese Gemeenschap met een project dat maatschappelijk werkers, belast met de sociale begeleiding van migranten, in staat stelde desgewenst als stagiaire in de landen van de gemeenschap praktijkervaring met dit werk te laten doen. In 1962 besloot ook de Raad van Europa tot instelling van een programma van beurzen op sociaal en maatschappelijk terrein. De ontwikkelingen, bovenstaand geschetst, brachten met zich mee dat het ministerie zich in toenemende mate ging bezinnen op de problematiek van de ontwikkelingslanden. Diverse initiatieven zijn in dit verband genomen. Zo werd in 1960 en 1961 deelgenomen aan de werkzaamheden voor het totstandkomen van een universitaire voorbereidingscursus voor werkers in onderontwikkelde gebieden, welke in het Koninklijk Instituut voor de Tropen werd gegeven. Kort samengevat hield deze afdeling zich bezig met de werkzaamheden voortvloeiend uit het bevorderen en onderhouden van internationale contacten op het gebied van het maatschappelijk werk en aanverwant terrein. Ressorteerden de werkzaamheden aanvankelijk als onderafdeling onder de Afdeling Onderzoek en Maatschappelijk Opbouwwerk, in 1956 werd een zelfstandige afdeling Internationale Betrekkingen ingesteld. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

V. Afdeling Landelijk Contact

Ter vervulling van haar taak had deze afdeling de beschikking over provinciale bureaus. De taak bestond uit het leggen en onderhouden van contact met de in de verschillende provincies aanwezige kerkelijke en particuliere instellingen, werkzaam op het terrein van het maatschappelijk werk, teneinde deze van raad te dienen en de omstandigheden waaronder door deze instellingen financiële medewerking van het rijk werd gevraagd ter plaatse te beoordelen. Eveneens werden contacten onderhouden met de provinciale en gemeentelijke overheden, werkzaam op het terrein van het maatschappelijk werk en de maatschappelijke zorg. Voorts hield deze afdeling toezicht op de uitvoering van onder het departement ressorterende verzorgingsregelingen door ander dan rijksorganen (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

).

VI. Commissariaat van Ambonezenzorg

Het Commissariaat van Ambonezenzorg had tot taak: Voorziening in de huisvesting en behartiging van de maatschappelijke zorg van de in Nederland verblijvende groep Ambonezen. Dit laatste omvatte o.a. cultureel en sociaal werk, voorlichting op allerlei gebied, onderwijs en herscholing en medische zorg.

Als gevolg van de soevereiniteitsoverdracht aan de Republiek Indonesië in 1949 kwamen rond de 3600 ex-militairen van het voormalige Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) met hun gezin naar Nederland (in totaal ca. 17.000 personen), die in ons land bekend zijn geworden onder de naam Ambonezen. Zij trokken weg omdat zij Indonesië niet als eenheidsstaat wensten te aanvaarden. Aanvankelijk werd verwacht dat hun verblijf in Nederland slechts van korte duur zou zijn. De Indonesische Regering had beloofd dat zij te allen tijde zouden kunnen terugkeren.

Toen rekening gehouden moest worden met de mogelijkheid dat het verblijf van de Ambonezen, die in 1951 naar Nederland waren overgekomen, langer zou duren dan aanvankelijk werd gedacht, besloot de Minister van Maatschappelijk Werk een drietal commissies in het leven te roepen, die de met dit voortgezet verblijf samenhangende maatschappelijke vraagstukken in studie zou nemen.

Een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (Republik Maluku Selatan), die vele Ambonezen voorstonden, bleek meer ideaal dan werkelijkheid. Terugkeer bleek moeilijk te realiseren. De zorg voor de Ambonezen bleek voor het ministerie geen eenvoudige taak. Een volk met een groot heimwee, een eigen godsdienst en leefwijze.

De in Nederland gearriveerde Ambonezen werden uit de militaire dienst ontslagen. Gevolg was dat ze zonder werk en inkomsten waren. Slechts een kleine groep Ambonezen had recht op een militair pensioen, omdat velen van hen pas na 1935 in militaire dienst waren gekomen en daardoor bij de opheffing van het KNIL in juli 1950 minder dan 15 dienstjaren hadden - voorwaarde om in aanmerking te komen voor de toekenning van (evenredig) pensioen. De overige hadden recht op wachtgeld, dan wel een éénmalige uitkering, dan wel geen recht op enigerlei uitkering. Echter de Indonesische regering, die krachtens met Nederland gesloten overeenkomsten verplicht was de pensioenen e.d. uit te betalen, was niet bereid deze uitbetaling in Nederland te doen plaatsvinden. Er moest dus voor de Ambonezen gezorgd worden, waarbij het karakter van deze verzorging in belangrijke mate bepaald werd door de omstandigheid, dat het verblijf in Nederland als zeer tijdelijk werd gezien en betrokkenen zelf de behoefte hadden bij elkaar te blijven.

De verzorging was totaal en massaal en kwam geheel voor het Rijk. Ook de kosten van de verzorging van het godsdienstig leven, dat vorm had gevonden in een eigen kerkelijke organisatie, werden voor een groot deel door de Overheid gedragen.

De huisvesting van de Ambonezen geschiedde in eerste instantie in bestaande kampen alsmede in leegstaande kloosters en kazernes. De meeste oorden lagen nogal geïsoleerd wat contacten met de Nederlandse bevolking bemoeilijkte. De voeding werd vanuit centrale keukens verzorgd. In de behoefte aan kleding werd, na de eerste uitrusting, voorzien door jaarlijkse verstrekking van kledingbonnen. Bij de verzorging waren in eerste instantie betrokken de ministeries van Binnenlandse Zaken, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen. Bij de instelling van het Ministerie van Maatschappelijk Werk werd voor deze taak een speciale organisatie ingesteld: het Commissariaat van Ambonezenzorg.

In deze eerste periode van verblijf in Nederland werd deelname aan het Nederlandse arbeidsproces niet tegengegaan, maar mede met het oog op het toentertijd bestaande overschot aan Nederlandse arbeidskrachten ook niet aangemoedigd. Wel werd onmiddellijk getracht door vakcursussen in de woonoorden en in later stadium ook door plaatsing op rijkswerkplaatsen, de mannen een vak te leren, waardoor zij in de burgermaatschappij in hun levensonderhoud zouden kunnen voorzien. Aan het onderwijs aan kinderen werd direct veel aandacht besteed.

In de situatie van financiële afhankelijkheid van de overheid en sterk geïsoleerde leefwijze kwam geleidelijk verandering toen steeds meer Ambonezen, mede dankzij de toenemende vraag naar arbeidskrachten, een plaats in het arbeidsproces vonden. Grotere financiële onafhankelijkheid was het gevolg. De regering vond in de omstandigheid, dat veel Ambonezen eigen inkomsten kregen, aanleiding in mei 1956 van het systeem van algehele overheidszorg over te gaan naar een grote mate van zelfzorg. Toch ontvingen veel Ambonezen naast hun loon nog overheidssteun. Voortaan zouden de Ambonezen uit eigen inkomsten in hun levensonderhoud moeten voorzien met dien verstande, dat voor gebruik van woonruimte, electra en brandstof geen vergoeding werd gevraagd. Wie geen inkomsten had zou krachtens de Uitkeringsregeling Ambonezen een uitkering ontvangen. De ombuiging van het overheidsbeleid stuitte aanvankelijk op veel verzet.

Toen na verloop van tijd steeds meer duidelijk werd dat het verblijf van de Ambonezen van langere duur zou zijn, stelde de minister in 1957 een commissie in, welke tot opdracht had advies uit te brengen over de daarmee samenhangende maatschappelijke vraagstukken. Na anderhalf jaar bracht de commissie haar rapport uit. Naar aanleiding van dit rapport werd de beleidslijn van zelfzorg geleidelijk doorgetrokken, zodat de leefsituatie meer gelijk kwam te liggen met die van de Nederlandse bevolking. Dit werd bevorderd doordat steeds grotere aantallen Ambonezen gingen werken in het bedrijfsleven. De aanpassing kwam ook hierin tot uitdrukking dat de A.O.W en de A.W.W. op hen van toepassing werden verklaard, terwijl op 1 januari 1962 de Uitkeringsregeling 1956 werd vervangen door een Rijksgroepsregeling voor Ambonezen, die aansloot bij overeenkomstige regelingen voor Nederlanders.

De al eerder genoemde huisvesting van Ambonezen leverde een groot probleem. De kampen lieten vaak veel te wensen over en waren niet geschikt voor huisvesting van gezinnen. De snelle gezinsuitbreiding bracht daarnaast met zich mede, dat men al gauw te bekrompen woonde. In juli 1951 waren er 48 woonoorden, in 1959 71 woonoorden. In 1958 werd besloten over te gaan tot de bouw van stenen woningen in woonwijken. Als de grootte van de wijk het toeliet, werd ook voorzien in een kerk en in lokaliteiten voor ontspanning en voorlichting. De bouw geschiedde aanvankelijk met rijksgeld op rijksgrond. Met ingang van 1962 kregen de gemeenten een extra bouwcontingent toegewezen. Sinsdien werden de woningen gemeente-eigendom c.q. eigendom van de woningbouwvereniging.

Het verblijf van de Ambonezen riep ook op talrijke andere terreinen problemen op. Zo gaf voorziening in het onderwijs vele problemen, gezien de geïsoleerde ligging van de woonoorden. Echter de leerplicht gold ook voor Ambonese kinderen. Daarom werden in verschillende woonoorden lagere scholen met een Nederlands programma opgericht, maar vele ouders prefereerden het onderwijs op de gewone scholen buiten de woonoorden. Toen na verloop van tijd bleek, dat onder de Ambonezen, die de woonoorden hadden verlaten om zich zelfstandig te vestigen, zich een aantal bevond, dat in 'kommervolle omstandigheden' verkeerde, werd in de jaren 1958-1961 een onderzoek ingesteld naar de situatie van de Ambonezen. Hieruit bleek dat de meesten zich maatschappelijk behoorlijk hadden aangepast en zich konden handhaven, echter een gemengde commissie met Ambonese en Nederlandse leden, zou zich nog jaren bezighouden met kwesties van velerlei aard welke zich op maatschappelijk en cultureel gebied in het kader van de zorg voor Ambonezen voordeden. (

Ministerie van Maatschappelijk Werk, De eerste tien jaren van het ministerie, blz. 11, 38, 46, 48, 59, 61, 64, 65, 67, 69, 77. Rossum-van der Heijden, M. van, Literatuurrapport, blz. 8-10, 16, 20, 28, 29, 32, 35, 37. Ministerie van Maatschappelijk Werk, Organisatie en taken van het departement, blz. 14, 15.

)

Commissies met betrekking tot de zorg voor Ambonezen en gerepatrieerden uit Indonesië

  1. Adviescommissie Ambonezen
    Bij beschikking van de Minister van Maatschappelijk Werk van 24 september 1957, nr. U2598 Kabinet, werd deze commissie ingesteld, welke tot taak had aan bovengenoemde minister advies uit te brengen over de wijze waarop - wanneer het verblijf van de Ambonezen hier te lande mocht voortduren - de daarmee verband houdende maatschappelijke vraagstukken moesten worden opgelost.
  2. Adviescommissie voor de Culturele en Sociale Zorg en Voorlichting ten behoeve van Ambonezen
  3. Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië
    Bij beschikking van 3 juni 1954, nr. U7736 Afdeling Bijzonder Maatschappelijke Zorg heeft de Minister van Maatschappelijk Werk een commissie ingesteld welke tot taak heeft: uitvoering te geven aan de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië en de daarmee samenhangende ordonnanties c.q. verordeningen voor zover het betreft oorlogsslachtoffers en hun nagelaten betrekkingen van Nederlandse nationaliteit, daarvoor richtlijnen te geven en beschikkingen uit te vaardigen en aan de Minister van Maatschappelijk Werk voorstellen te doen tot het treffen van verdere nodige voorzieningen, waartoe de overname door Nederland van de onderhavige verzorging aanleiding geeft.
  4. Commissie van Maatschappelijke Aangelegenheden Nederlanders in Indonesië
    Bij besluit van de Minister van Maatschappelijk Werk van 21 januari 1954, nr. U107/VIII Afdeling Maatschappelijk Werk ten behoeve van Nederlanders in Indonesië werd deze commissie ingesteld. Zij had tot taak bovengenoemde minister op diens verzoek van advies te dienen aangaande het vraagstuk van het verlenen van Rijksvoorschotten voor overtocht van Indonesië naar Nederland op maatschappelijke gronden in het algemeen alsmede de daartoe ingediende individuele verzoeken in het bijzonder en daarmede verband houdende maatregelen. Aan deze commissie was tevens de bevoegdheid verleend uit eigen beweging aangelegenheden als hierboven bedoeld, vergezeld van haar advies, aan de Minister van Maatschappelijk Werk voor te leggen.
  5. Coördinatie-Commissie voor Gerepatrieerden
    Bij besluit van de Minister van Maatschappelijk Werk van 20 mei 1953, nr. U44629 Afdeling Bijzonder Maatschappelijke Zorg werd in verband met de coördinerende taak van dit ministerie onder bovengenoemde naam een interdepartementale coördinatie-commissie ingesteld, waarin de verschillende vraagstukken, welke verband houden met de sociale en financiële zorg voor de uit Indonesië gerepatrieerden, konden worden besproken.
  6. Gemengde Nederlands-Ambonese Commissie van Bijstand
    Bij beschikking van 16 oktober 1963, nr. 71368 Commissariaat Ambonezenzorg, werd deze commissie ingesteld, welke tot taak had de Minister van Maatschappelijk Werk, al dan niet op verzoek, van advies te dienen over maatschappelijke vraagstukken, die samenhingen met een voortgezet verblijf van de Ambonezen in Nederland. Deze adviezen konden zowel betrekking hebben op de uitvoering van het met de vraagstukken samenhangend beleid als op de vorming van dit beleid.
Organisatieschema's

Van het departement, 1953 - 1964:

Van Maatschappelijk Werk, 1963:

Van Matschappelijk Werk, 1964

Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, 1965

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in