gahetNA in het Nationaal Archief

Tellegen, M.A.

2.21.326
M. Baertl
Nationaal Archief, Den Haag
2005
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.326
Auteur: M. Baertl
Nationaal Archief, Den Haag
2005
CC0

Periode:

1869-1976
merendeel 1869-1976

Omvang:

18,00 meter; 377 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

De meeste stukken zijn in het Nederlands. Een beperkt aantal stukken, voornamelijk brieven, zijn in het Engels, Frans en Duits.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Enkele voorwerpen.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bestaat voornamelijk uit de stukken van Marie Anne Tellegen, zowel betreffende haar persoonlijk leven als in haar functies in de vrouwenbeweging, het Verzet en als Directeur van het Kabinet der Koningin. Daarnaast bevat het stukken van haar ouders over hun persoonlijk leven en over het burgemeesterschap van Amsterdam van haar vader. Van A.A. Schwartz zijn enkele stukken uit het Verzet aanwezig en van A.M.S. Rosé stukken betreffende haar carrière als violiste. De stukken van H.J. Dijckmeester betreffen zijn contacten met Prins Alexander en van H.W. Barones van Tuyll van Serooskerken zijn teksten van haar publicaties aanwezig.

Archiefvormers:

  • J.W.C. Tellegen
  • A.J. Fock
  • M.A. Tellegen (1893-1976)
  • A.M.S. Rosé
  • A.A. Schwartz
  • H.J. Dijckmeester
  • M.W. Barones van Tuyll van Serooskerken

Archiefvorming

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • Jan Willem Cornelis Tellegen [Zie voor zijn kwartierstaat: Gens Nostra, Ons Geslacht, Maandblad der Nederlandse Genealogische Vereniging, 1966, blz. 144-145.], zoon van prof. mr. B.D.H. Tellegen (1823-1885), studeerde in 1882 af als civiel ingenieur aan de Polytechnische School te Delft. Aanvankelijk werkte hij bij de aanleg van verschillende spoorlijnen in Groningen en Deventer tot hij in 1887 werd benoemd tot hoofdopzichter bij Gemeentewerken in Arnhem; in 1890 volgde zijn promotie tot directeur van deze dienst. De volgende elf jaar werkte hij krachtdadig aan krotopruiming, restauratie en stadsuitbreiding van deze gemeente. Hij zorgde er onder meer voor dat het park Sonsbeek niet voor woningbouw werd gebruikt maar voor recreatie behouden bleef. Zijn belangstelling voor sociale en economische kwesties leidde ook tot zijn lidmaatschap van de Liberale Unie en later van de Vrijzinnige Democratische Bond.

    In 1901 werd J.W.C. Tellegen aangesteld tot de eerste directeur van de in dat jaar opgerichte Gemeentelijke Dienst Bouw- en Woningtoezicht in Amsterdam. De op grond van de Woningwet in 1905 door de gemeenteraad aangenomen bouwverordening was grotendeels zijn werk.. De verbetering van de volkshuisvesting in Amsterdam werd door Tellegen energiek aangepakt.

    In 1915 volgde zijn benoeming tot burgemeester van Amsterdam. In deze functie heeft hij zich, onder wegcijfering van zijn eigen persoon, volledig ingezet voor de belangen van de stad en haar bewoners. Mede door de problemen die het gevolg waren van de Eerste Wereldoorlog was zijn werklast aanzienlijk. Hij had de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Distributiewet in zijn gemeente en als voorzitter van de ziekenfonds-commissie moest hij bemiddelen in een conflict tussen geneesheren en apothekers enerzijds en ziekenfondsen anderzijds [Stukken van J.W.C. Tellegen als voorzitter van de Amsterdamse Ziekenfonds Commissie berusten in het Gemeente-archief Amsterdam (P.A. 359).]. Ook de volkshuisvesting bleef zijn aandacht opeisen. Bij al zijn werk werd hij bijgestaan door zijn vriend, de sociaal-democratische wethouder F.M. Wibaut.

    In januari 1921 probeerde Tellegen tot rust te komen door een reis naar het buitenland. Dit mocht echter niet baten en op 16 april 1921 overleed hij plotseling te Amsterdam.

  • Alida Johanna Jacoba Fock, dochter van mr. Cornelis Fock, minister van Binnenlandse Zaken en gouverneur van Zuid-Holland, en Maria Anna Uyttenhooven, huwde in 1887 J.W.C. Tellegen. Zij zette zich onder meer in voor de vrouwenemancipatie.

  • Marie Anne Tellegen [Voorzover niet anders vermeld zijn de biografische gegevens van M.A. Tellegen ontleend aan: Roos Vermeij, "De "vrouwendingen" van mej. mr. M.A. Tellegen", doctoraalscriptie aan de Rijksuniversiteit Leiden 1992.], dochter van J.W.C. Tellegen en A.J. Fock, werd geboren in Arnhem op 30 december 1893 en groeide op in een gezin van twee oudere broers en een oudere zuster; na haar werd nog een zusje geboren. Zowel van vaders als van moeders kant stamde zij uit een liberaal milieu. Na de middelbare school in Amsterdam studeerde zij rechten in Utrecht waar zij in 1920 promoveerde op stellingen [Zie inventarisnummers 202 - 203.]. Hoewel zij een actief lid was van de Utrechtse Vrouwelijke Studenten Vereeniging (U.V.S.V.) heeft zij nooit deel uitgemaakt van het bestuur van deze vereniging. In haar studietijd ontwikkelde zij een grote belangstelling voor literatuur en kunst, in het bijzonder toneel. Zo speelde zij de hoofdrol in "Elckerlyc" onder de regie van Eduard Verkade [Zie inventarisnummer 197.]. In die jaren had zij ook diverse vriendschappen in kunstzinnige kringen, zoals met de schrijvers Carry van Bruggen en met Frans Coenen, die van grote invloed waren op haar intellectuele vorming. Met Frans Coenen had zij vele jaren een verhouding.

    Na haar promotie vond Marie Anne een baan bij de griffie van de Provincie Utrecht, maar deze betrekking verruilde zij al na een jaar voor een functie bij de Utrechtse gemeentesecretarie; zij werd daar later hoofd van de afdeling Maatschappelijke Aangelegenheden en Statistiek en vervulde de post van plaatsvervangend gemeentesecretaris [Zie inv.nrs. 238 en 323.].

    Hoewel zij een zelfstandige loopbaan nastreefde en, mede daardoor, ongehuwd bleef was zij geen "geharde" feministe. In 1934 werd zij echter voorzitter van de Vereeniging voor Vrouwen met een Academische Opleiding (V.V.A.O.) [Zie inv.nr. 250.] en via deze functie was zij in de volgende jaren betrokken bij de opleving van de vrouwenbeweging. Toen er stemmen opgingen om, ter bestrijding van de grote werkloosheid, het buitenshuis werken van gehuwde vrouwen te beperken, raakte Marie Anne nauw betrokken bij het verzet tegen het z.g. wetsontwerp-Romme dat dit voornemen moest regelen [Zie inv.nr. 246.]. Mede door druk van de vrouwenbeweging kwam de bedoelde wet niet tot stand.

    Behalve haar strijd voor vrouwenrechten baarde de internationale ontwikkeling haar zorgen, vooral de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland. Nadat de Duitsers Nederland hadden bezet en maatregelen begonnen te nemen die o.a. het lidmaatschap van joden van de V.V.A.O. onmogelijk maakten volgde op initiatief van Marie Anne de opheffing van deze vereniging omdat, zonder de joodse leden, de doelstelling van de organisatie niet meer kon worden bereikt.

    Toen in het voorjaar van 1942 in Utrecht een N.S.B.-burgemeester werd benoemd was dit voor haar aanleiding om ontslag uit gemeentelijke dienst te verzoeken. Daarna raakte zij langzamerhand betrokken bij het verzetswerk tegen de bezetter. Eerst als helper bij de onderduik van joden, vooral kinderen, en later als hoofdverspreidster voor de provincie Utrecht van het illegale blad Vrij Nederland. Zij gebruikte de schuilnamen "Dr. Max" of "Judith". Ook na de oorlog werd zij, met name door oud-verzetsvrienden, nog met deze namen aangesproken.

    In 1944 trad zij toe tot het in het jaar daarvoor opgerichte Nationaal Comité van Verzet (N.C.), dat onder andere een belangrijke rol speelde bij de organisatie van de Spoorwegstaking van september 1944 [Zie inv.nrs. 281 en 283 - 287.].

    Marie Anne behoorde in 1944 tot de oprichters van het Nederlands Vrouwen Comité (N.V.C.). Zij was tot 1956 ook de eerste voorzitter van deze overkoepelende vrouwenorganisatie. [Zie inv.nrs. 254 - 259.] Na de bevrijding had zij bemoeienis met de zuivering van het personeel van de Rijksuniversiteit Utrecht en van de Gemeente Utrecht [Zie inv.nr. 295.].

    Haar verzetsverleden en haar activiteiten in de vrouwenbeweging zullen beide van invloed zijn geweest op haar benoeming tot directeur van het Kabinet van de Koningin in oktober 1945. In deze vertrouwensfunctie als verbindingsschakel tussen het staatshoofd en de ministers heeft zij door haar krachtige persoonlijkheid grote indruk gemaakt. Haar verhouding met koningin Wilhelmina werd gekenmerkt door wederzijds respect, een contact tussen twee sterke karakters. Met koningin Juliana was de relatie hartelijker, ook nadat Marie Anne met pensioen was gegaan [Zie inv.nrs. 137 en 140.]. Ook met prinses Beatrix, aan wier staatkundige vorming zij had bijgedragen, was de omgang ontspannen; zij logeerde regelmatig op Drakestein en trad op als raadgever van de prinses en haar gezin [Zie inv.nr. 143.].

    Na haar pensionering in 1959 verhuisde Marie Anne van Den Haag naar een huis op het landgoed Weldam bij Goor. [Zie inv.nrs. 232 - 234.] Zij was sinds 1946 curator van de Rijksuniversiteit Utrecht maar verder had zij geen noemenswaardige nevenfuncties. Zij hield persoonlijk en schriftelijk contact met een uitgebreide kring van familie en vrienden; haar vriendin Jane de Iongh [Zie inv.nrs. 131 - 133] bezocht zij vaak in haar huis in Zuid-Frankrijk en in Groot-Brittannië logeerde zij bij haar vriendinnen, de hertogin-weduwe van Devonshire [Zie inv.nrs. 156 - 160] en mrs. Eny Strutt [Zie inv.nr. 148].

    Marie Anne Tellegen overleed op 23 april 1976 in Amsterdam.

  • De Oostenrijkse joodse violiste Alma Rosé was een nicht van de componist Gustav Mahler. Zij was bij de Duitse inval in Nederland en wilde naar haar vader die in Groot-Brittannië verbleef of naar haar broer in de Verenigde Staten, maar, ondanks hulp van onder anderen Marie Anne Tellegen, lukte het haar niet meer visa voor deze landen te krijgen. Om in haar levensonderhoud te voorzien gaf zij huisconcerten. Zij trouwde met Constant August van Leeuwen Boomkamp, waarschijnlijk een louter formele verbintenis om te proberen uit handen van de Duitsers te blijven. Dit is haar echter niet gelukt; zij werd opgepakt en stierf in Auschwitz. [Zie inv.nr. 268. Zie voor haar leven Richard Newman, Karen Kirtley, Alma Rosé: Vienna to Auschwitz, Portland (Oregon) 2000]

  • Adriana Anna (Janneke ) Schwartz, die de schuilnaam "Liesbeth" voerde [Zie inv.nr. 134], was in het Verzet met Marie Anne Tellegen.

  • H.J. Dijckmeester was een studiegenoot van Z.K.H. Prins Alexander te Leiden. De stukken zijn aan Marie Anne Tellegen uitgeleend en niet teruggegeven.

  • M.W. Barones van Tuyll van Serooskerken was historisch publiciste. Zij publiceerde ook onder het pseudoniem "M. de la Prise", dat zij ontleende aan een personage uit de roman Lettres Neuchâteloises (1784) van haar verwante Isabelle de Charrière (Belle van Zuylen (1740-1805). Een onuitgegeven manuscript van haar over "Madame de Charrière en haar familiekring" berust in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (Zie Pierre H. Dubois 'Bij een manuscript van Belle van Zuylen' in Boek, bibliotheek en geesteswetenschappen, Opstellen door vrienden en collega's van dr. C. Reedijk geschreven ter gelegenheid van zijn aftreden als bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, Hilversum 1986).

    Blijkens de oorspronkelijke verpakking werden deze stukken circa 1970 aan Marie Anne Tellegen, waarschijnlijk ter inzage, toegezonden door Willem René Albert Baron van Tuyll van Serooskerken (1914-2000) en niet teruggeven.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in