gahetNA in het Nationaal Archief

Jonkman

2.21.298
N. Römer-Kenepa
Nationaal Archief, Den Haag
1989
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.298
Auteur: N. Römer-Kenepa
Nationaal Archief, Den Haag
1989
CC0

Periode:

1910-1976

Omvang:

8,40 meter; 582 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Jan Anne Jonkman bekleedde diverse functies bij de rechtbank in Nederlands-Indië. Daarnaast hield hij zich met diverse activiteiten in de Indonesische maatschappij bezig. Na de verkiezingen van mei 1946 werd hij benoemd tot minister van Overzeesche Gebiedsdelen. Zijn grootste bekendheid kreeg Jonkman als minister gedurende de cruciale periode van de onderhandelingen inzake de onafhankelijkheid van Indonesië. J.A. Jonkman was voorts nog lid van de Tweede en Eerste Kamerfractie van de Partij van de Arbeid. Met ingang van 1 juli 1951 werd Jonkman benoemd tot voorzitter van de Eerste Kamer. Naast zijn voorzitterschap van de Eerste kamer had Jonkman ook drie belangrijke nevenfuncties bekleed als voorzitter te weten; van de Garantiewetcommissie, van het Hoofdbestuur van de Vereniging voor Internationale Rechtsorde (V.I.R.O.) en van de Programmaraad van de Radio Nederland Wereldomroep.
Bij de indeling van de inventaris is een onderscheid aangebracht in stukken betreffende zijn persoonlijke leven en stukken betreffende zijn openbare leven. Het archief is zeer fragmentarisch maar is een bron van belangrijke aanvullende informatie voor de staatkundige geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden en haar voormalige koloniën na de Tweede Wereldoorlog.

Archiefvormers:

  • Jonkman, J.A.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Levensloop J.A. Jonkman
Jeugd, opleiding, studie

Jan Anne Jonkman werd op 13 september 1891 geboren in Utrecht uit het huwelijk van dr. Hendrikus Franciskus Jonkman, directeur van de rijks HBS aldaar, en Anna Margaretha Franciscus van Gorkum. Zijn grootvader, dr K.W. van Gorkum, was directeur van de kinacultuur en hoofdinspecteur van de cultures in Nederlands-Indië. Hij bezocht de openbare school en het stedelijk gymnasium in Utrecht, slaagde in 1910 voor zijn eindexamen en werd toegelaten voor de studie rechten aan de Utrechtsche Universiteit. In 1911 haalde hij zijn kandidaatsexamen rechtswetenschap. Hij volgde colleges aan de Universiteit van Toulouse van oktober 1913 tot mei 1914 (

Algemeen Rijksarchief (ARA), Tweede Afdeling, Archief Jonkman, inv. nr. 1.

) .

Het gevoel van patriottisme onder zijn mede-studenten in Toulouse had grote indruk op hem gemaakt. Het was in Toulouse dat Jonkman grote belangstelling kreeg voor Nederlands-Indië (

Charite ,Biografisch Woordenboek, pag. 280-282

).

In zijn studententijd had hij actief deelgenomen aan het studentenleven. In 1909-1910 was hij preafectus van de Utrechtsche Letterkundige Gymnasiasten Vereeniging en vervulde hij in 1910 bij de gelegenheid van het eerste lustrum van deze vereniging de hoofdrol bij de opvoering van Sophocles' Philoktetes (

ARA, Tweede Afdeling, Archief Jonkman, inv. nr. 1.

) .

Hij werd in 1910 lid van het Utrechts Studenten Corps. In mei 1916 werd hij gekozen als rector van het corps en hield een indrukwekkende rectorale rede ter gelegenheid van de viering van de herdenking van het 280-jarig bestaan van de Utrechtse Hogeschool. In december 1916 trad hij af en werd benoemd tot honorair-senator.

Zijn belangstelling voor Nederlands-Indië groeide gestadig en dit bleek uit het feit dat hij in 1917 mede-oprichter en eerste voorzitter werd van het Indonesisch Verbond voor Studerenden. Hij werd tevens lid van de eerste redactie van het verbondsorgaan, de "Hindia Poetra". Lid van dit verbond konden zijn Indonesiërs, Chinezen en Nederlanders, die zich in Nederland voorbereidden voor een Indische werkkring. Het Verbond stelde zich ten doel om de kennismaking, de omgang en de samenwerking van zijn leden te bevorderen, zowel gedurende hun studie in Nederland als ook later in Nederlands-Indië. In het congresnummer van dit verbond, van 29 augustus 1918 schreef Jonkman: "De ethische koers heeft zijn hoogtepunt overschreden. Zijn bezorgdheid voor de belangen van de inlanders wordt overbodig, omdat de Indonesier eigen belangen behartigen gaat; zijn voogdij loopt ten einde, waar de pupil meerderjarig staat te worden; zijn sentimentaliteit beledigt den inlander, die meent voor vriendschap groot genoeg te zijn. Een Indonesisch-nationale politiek, doelende op de staatkundige en geestelijke onafhankelijkheid der indonesische volkeren wordt thans gevraagd en gehuldigd (

"Mr.J.A. Jonkman 75 jaar", Nieuwe Rotterdamse Courant, 10 september 1966.

) ". Jonkman, die reeds in 1915 zijn rechtenstudie in Utrecht voltooid had, promoveerde op 11 juli 1918 in Leiden op een proefschrift getiteld "Indonesisch-nationale grondslag op het onderwijs ten dienste der inlandsche bevolking". Op 24 juli 1918 werd hij als advocaat en procureur beëdigd voor de arrondisementsrechtbank te Utrecht. Hij legde vervolgens op 24 januari 1919 in Leiden, met goed gevolg het aanvullend faculteitsexamen af voor de rechterlijke macht in Nederlands-Indië.

Nederlands-Indië (1919-1945)

In 1919 begon zijn Indische carrière. Bij besluit van de minister van Koloniën van 23 mei 1919, nr. 36, werd Jonkman ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal om te worden geplaatst in rechterlijke betrekkingen. Van 1919 tot 1927 bekleedde hij diverse functies bij de rechtbank in Nederlands-Indië. Daarnaast hield hij zich met diverse activiteiten in de Indonesische maatschappij bezig zoals:

  • tijdelijk buitengewoon voorzitter van de Landraad te Tebing Tinggi (Deli) in 1920.
  • tijdelijk buitengewoon voorzitter van de Landraad te Medan in 1921.
  • lid, tevens secretaris, van de Commissie voor de herziening van het strafprocesrecht in 1928.
  • lid van de Commissie om het ontwerp van een algemene verordening tot uitvoering van art 33 der Indische Staatsregeling voor te bereiden in 1929.
  • lid der afdeling Rechtswetenschap van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in 1929 (

    ARA, Tweede Afdeling, Archief Jonkman, inv. nr. 1.

    )
    .

Ook in Indonesië bleef Jonkman zich actief bezighouden met het Indische vraagstuk. Van 1927 tot 1939 was hij lid van de Volksraad. In 1939 werd hij voorzitter. De Volksraad was het college van vertegenwoordigers van de Indische bevolking, in 1916 ingesteld, om aan de Indiërs gelegenheid te geven om de belangen van hun land zelf te behartigen.

Jonkman bewees in de Volksraad een aanhanger te zijn van een vrijzinnige koloniale politiek, welke steunde op een krachtige welbewuste gezaghandhaving, terwijl hij meer versterking van de kwaliteit van de medezeggendschap van de Volksraad dan uitbreiding van de bevoegdheden van het college voorstond (

ARA, Tweede Afdeling, Archief Jonkman inv. nr. 1

).

Jonkman was in 1930 mede-oprichter van de Vereniging tot Bevordering van de Maatschappelijke en Staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië, die het blad "De Stuw" uitgaf. Lid van deze vereniging waren enkele intellectuelen en ambtenaren. De beginselverklaring van deze vereniging luidde: "De vereniging wil beproeven aaneensluiting en samenwerking tot stand te brengen tussen de Nederlanders hier te lande, die overtuigd zijn, dat het hun plicht als Nederlander is mede te werken aan de uitvoering van Nederland's koloniale taak, welke voltooid zal zijn, wanneer een Indisch Gemenebest in de rij der zelfstandige volken een eigen plaats inneemt, in staat en bereid ook aan de internationale verplichtingen te voldoen en recht en belang ook van niet inheemsche ingezetenen te erkennen en te beschermen. Zij streeft er naar, dat Nederland en dat Gemenebest blijvende banden zullen onderhouden" (

ARA, Tweede Afdeling, Archief Jonkman, inv.nr. 10.

).

Eind februari 1941, vanaf de oprichting, was Jonkman voorzitter van het hoofdcomité van de Verenigde Prins Bernhard- en Spitfire Fonds en alsmede het 8 December Fonds, die ten doel hadden ten dienste van de oorlogvoering gelden in te zamelen en naar Londen over te maken. De laatste vergadering van de Volksraad vond plaats op 6 maart 1942. Kort daarop werd Jonkman door de Japanners gevangen genomen en te Bandoeng geïnterneerd. De gevangenschap duurde van 26 maart 1942 tot augustus 1945 (

ARA, Tweede Afdeling, Archief Jonkman, inv. nr. 1.

) .

Minister van Overzeese Gebiedsdelen

Op 23 december 1945 arriveerde Jonkman als Indisch verlofganger met Europees verlof in Nederland (

Jonkman. Nederland en Indonesië beide vrij, pag. 27.

). Door de naoorlogse gebeurtenissen in Indonesië werd hij als Volksraadvoorzitter en Indonesiëkenner onmiddellijk betrokken bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Overzeesche gebiedsdelen. Door minister Beel werd Jonkman verzocht om minister van Overzeesche Gebiedsdelen te worden na de verkiezingen van mei 1946. Op 3 juli 1946 werd hij op Soestdijk beëdigd (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag. 36

)
. Kort daarop trad hij toe tot de Partij van de Arbeid. Zijn grootste bekendheid kreeg Jonkman als minister gedurende de cruciale periode van de onderhandelingen inzake de onafhankelijkheid van Indonesië.

Lid en Voorzitter van de Eerste Kamer (1948-1966)

Op 8 juli 1948 werd Jonkman tot Kamerlid verkozen, voor de Partij van de Arbeid. Op 27 juli volgde in de Eerste Kamer zijn beëdiging en en werd hij aangewezen als woordvoerder in zaken van Indonesische politiek. Hij werd door de regering benoemd zowel in de Commissie van Negen als in de Nederlandse Vertegenwoordiging op de West-Indische Conferenties, de Ronde Tafel Conferenties van vertegenwoordigers van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. De Commissie van Negen was samengesteld uit negen politici, leden van de Eerste en Tweede Kamer, die als taak hadden het voorbereiden en het deelnemen aan de Ronde Tafel Conferentie met vertegenwoordigers van Indonesië die in 1949 plaatsvond ter bespreking in het bijzonder van de inrichting van de Nederlands- Indonesische Unie. Ook bij verdergaande staatkundige hervormingen ten behoeve van Suriname en van de Nederlandse Antillen trad Jonkman als woordvoerder van de fractie op. Hij was lid van de Staatscommissie in 1947 ingesteld om na te gaan welke artikelen van de grondwet gewijzigd dienden te worden om de noodzakelijk geachte hervormingen grondwettelijk door te kunnen voeren in verband met de autonomie van de overzeese gebiedsdelen. Hij maakte ook deel uit van de Staatscommissie, die van 1950 tot 1954 belast was met de herziening van de grondwet van het Koninkrijk om deze aan te passen aan de nieuwe rechtsorde.

Met ingang van 1 juli 1951 werd Jonkman benoemd tot voorzitter van de Eerste Kamer. Gedurende de vijftien jaren van zijn voorzitterschap is Jonkman tevens voorzitter geweest van diverse vaste commissies uit de Eerste Kamer, die belast waren met de buitenlandse politiek en aangelegenheden aangaande de vroegere Nederlandse overzeese gebiedsdelen. De benaming van deze commissies werd telkens aan de veranderde verhoudingen tussen Nederland en de vroegere koloniën aangepast:

  • Indonesië:
    • Vaste Commissie voor Uniezaken (1951-1954)
    • Vaste Commissie voor Indonesische Zaken (1954-1957)
    • Vaste Commissie voor Buitenlandse Politiek (1958-1966)
  • Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederlands Nieuw-Guinea:
    • Vaste Commissie voor Overzeesche Rijksdelen (1952-1957)
    • Vaste Commissie voor Zaken Overzee (1957-1959)
  • Suriname en de Nederlandse Antillen:
    • Vaste Commissie voor Betrekkingen met Suriname en de Nederlandse Antillen (1959-1966)
  • Nieuw-Guinea:
    • Vaste Commissie voor Nederlandse Nieuw-Guinea (1959-1962)
    • Vaste Commissie voor Overgangszaken Nieuw-Guinea (1962-1963)
    (

    Jonkman, Indonesië en Nederland, pag 153, 203-204 , ARA, Tweede Afdeling, Archief Jonkman, inv. nr. 168.

    )

Naast zijn voorzitterschap van de Eerste kamer had Jonkman ook drie belangrijke nevenfuncties bekleed als voorzitter te weten; van de Garantiewetcommissie, van het Hoofdbestuur van de Vereniging voor Internationale Rechtsorde (V.I.R.O.) en van de Programmaraad van de Radio Nederland Wereldomroep.

Op 11 mei 1950 werd door de koningin de "Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië" goedgekeurd (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag 191, ARA, Archief Jonkman, inv. nr. 401-102-103.

) . Voor Jonkman lagen Eerste Kamer en Garantiewetcommissie in het verlengde van zijn Indische loopbaan als politiek geinteresseerde rechterlijk ambtenaar (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag 193

)
.

De V.I.R.O., Nederlands Lid van de "World Federation of United Nations Associations, had als doel: op de grondslag van een internationale rechtsorde vrede en veiligheid te bevorderen, daartoe de rechtsgrondslag van de Verenigde Naties te versterken, en belangstelling te wekken voor vraagstukken van internationale staatkunde (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag 197.

). Het voorzitterschap van de V.I.R.O. had Jonkman bekleed van 1949 tot 1952. Daarna was hij tot 1966 lid van het hoofdbestuur (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag. 200

)
.

In 1950 werd Jonkman benoemd tot lid van de Programmaraad van Radio Nederland Wereldomroep. In 1959 werd hij zelfs voorzitter van de Programmaraad, welke functie hij tot 1966 bekleedde.

Jonkman beschouwde de V.I.R.O en de Wereldomroep als instrumenten bij de Nederlandse omschakeling van koloniale naar internationale werkzaamheid (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag 200, ARA, Tweede Afdeling, Archief Jonkman, inv.nr. 372.

) .

Uit zijn functie als voorzitter van de Eerste Kamer vloeiden ook activiteiten voort als voorzitterschappen van comite's. Op 4 februari 1963 werd Jonkman door de minister-president namens de Ministerraad uitgenodigd het voorzitterschap van het Comité Nationaal Monument Koningin Wilhelmina op zich te nemen. Het comité werd opgericht teneinde te onderzoeken op welke wijze verschillende plannen tot de oprichting van een nationaal monument gecoördineerd konden worden (

Jonkman, Nederland en Indonesië, 262.

). Op uitnodiging van prinses Beatrix nam Jonkman als voorzitter van de Eerste Kamer zitting in het Comité Nationale Herdenking 1813-1963. De herrijzenis van de Nederlandse staat in 1813 werd in 1963 herdacht. Als nationale herdenkingsdag werd 30 november gekozen. De herdenking strekte zich uit over het tijdvak 30 april 1963 - 30 maart 1964. Uit het Comité Nationale Herdenking werd een Algemeen Werkcomité gevormd waaronder contactgroepen werden ingesteld voor de verschillende terreinen van activiteiten. De nadruk werd gelegd op de plaats en taak van het Koninkrijk der Nederlanden in de wereld (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag. 261, 267. , ARA, Archief Jonkman, Tweede Afdeling inv. nr. 417.

)
.

Jonkman was in 1952 lid geweest van het Werkcomité van de tentoonstelling " De geschiedenis van de Staten-Generaal",gehouden in het Gemeentemuseum van 's-Gravenhage van 29 mei tot en met 13 september 1952 (

Jonkman, Nederland en Indonsië, pag. 262.

).

Op 9 januari 1464 kwam de Staten-Generaal voor het eerst te Brugge bijeen. Dit werd op 9 januari 1964 herdacht. Uit de beide Kamers van de Staten-Generaal werden commissies samengesteld, ter voorbereiding van de herdenking. De "Verenigde commissie 500 jaar Staten-Generaal" van de beide Kamers werd voortgezeten door Jonkman (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag. 262. , ARA, Tweede Afdeling, Archief Jonkman, inv. nr. 426.

) .

Zo was Jonkman in 1965 ook voorzitter van de Stichting Nationaal Comité Huwelijksgeschenk Prinses Beatrix en Claus von Amsberg (

Jonkman, Nederland en Indonesië, pag. 272. , ARA, Tweede Afdeling Archief Jonkman, inv. nr. 443.

).

In september 1966 nam Jonkman afscheid als voorzitter van de Eerste Kamer. Hij ontving gedurende zijn carrière diverse Koninklijke Onderscheidingen.

  • 1940 Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
  • 1948 Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau.
  • 1953 Grootkruis der Orde van Leopold II van België.
  • 1955 Commandeur met het Grootkruis in de Orde van de Poolster van Zweden.
  • 1961 Grootofficier in de orde van Oranje-Nassau.
  • 1964 Commandeur in de orde van de Nederlandse Leeuw.
  • 1966 Grootkruis in de orde van de Nederlandse Leeuw (

    ARA, Archief Jonkman, inv. nr. 10.

    )
    .

Jonkman schreef memoires die in twee delen gepubliceerd werden: " Het Oude Nederlands-Indië " en "Nederland en Indonesië Beide Vrij".

Hij overleed in Den Haag op 27 juni 1976 op de leeftijd van 84 jaar. Hij was gehuwd met J.L.M. de Bruïne. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, drie zonen en één dochter (

"Oud Indië-Minister Jonkman overleden" het Parool, 1 juli 1976.

) .

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in