gahetNA in het Nationaal Archief

Drees

2.21.286
J.H. Gaemers
Nationaal Archief, Den Haag
2007
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.286
Auteur: J.H. Gaemers
Nationaal Archief, Den Haag
2007
CC0

Periode:

1853-2002
merendeel 1898-2002

Omvang:

18,20 meter; 1706 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten. De meeste door Drees eigenhandig geschreven stukken is in stenografie (systeem-Groote), evenals een deel van zijn correspondentie.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

W. Drees (1886-1988) was van 1948 tot en met 1958 minister-president van Nederland. Het archief bevat stukken uit zowel zijn openbare leven als zijn privéleven. Zijn politiek-bestuurlijke archivalia omvatten correspondentie, teksten van artikelen en redevoeringen, aantekeningen, krantenknipsels, partijstukken, verkiezingsmateriaal, (afschriften van) ambtelijke stukken en gedrukt materiaal. De stukken hebben betrekking op zijn gehele politiek-bestuurlijke loopbaan: zijn activiteiten voor de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de Partij van de Arbeid (PvdA), de Haagse gemeentepolitiek (1913-1940), de bezettingstijd, de jaren als minister en premier (1945-1958), zijn vele nevenfuncties en de ambteloze jaren, alsmede zijn lidmaatschappen van verschillende verenigingen. De particuliere archivalia omvatten vooral correspondentie en stukken betreffende verschillende familieaangelegenheden. Daarnaast bevat het archief stukken afkomstig van enkele familieleden van Drees: zijn ouders, zijn jongere zuster Bets Beck-Drees, zijn echtgenote To Drees-Hent en zijn oudste zoon Jan.

Archiefvormers:

  • Drees, W. (1886-1988)
  • Drees, J.M. (1858-1891)
  • Drees-Van Dobbenburgh, A.S. (1857-1954)
  • Beck-Drees, C.E. (1888-1968)
  • Drees-Hent, C. (1888-1974)
  • Drees, J.M. (1919-2002)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Willem Drees (1886-1988)

In jaartallen

1886 1886
1892-1898 1892-1898
1898-1901 1898-1901
1901-1903 1901-1903
1902-1904 1902-1904
1903-1906 1903-1906
1904 1904
1906 1906
1907-1919 1907-1919
1909 1909
1910 1910
1910 1910
1911-1931 1911-1931
1913-1941 1913-1941
1919-1941 1919-1941
1919-1931 1919-1931
1927-1946 1927-1946
1933-1940 1933-1940
1940-1945 1940-1945
1940-1941 1940-1941
1942 1942
1943-1945 1943-1945
1944-1945 1944-1945
1945 1945
1945-1948 1945-1948
1946 1946
1947 1947
1948-1958 1948-1958
1948-1951 1948-1951
1948 1948
1949 1949
1951-1952 1951-1952
1952 1952
1952-1956 1952-1956
1955 1955
1956 1956
1956-1958 1956-1958
1958 1958
1958 1958
1959 1959
1971 1971
1974 1974
1986 1986
1988 1988
Jeugd en eerste werkzaamheden

Willem Drees, geboren op 5 juli 1886, groeide op in Amsterdam in een protestants-christelijk gezin. Zijn jeugd werd getekend door het vroege overlijden van zijn vader aan tuberculose. Willem was toen vijf jaar oud. Zijn moeder bleef achter zonder middelen van bestaan, want de bank waar haar man had gewerkt kende nog geen weduwenpensioen. Ze nam kostgangers in huis om in het levensonderhoud te voorzien. Haar zwager sprong bij door de huishuur en het schoolgeld van Willem en zijn twee zusters te betalen. Maar ook met de steun van deze oom Frits, die tevens de toeziend voogd van de kinderen was, kende het gezin een zeer sober bestaan.

Na de lagere school bezocht Willem de driejarige HBS en de Openbare Handelsschool (OHS). De jaren 1901-1903 die hij doorbracht op de OHS waren van grote betekenis voor zijn verdere leven. Waren zijn ogen al eerder opengegaan voor maatschappelijk onrecht, nu kwam hij door enkele schoolvrienden in aanraking met het socialisme. Nadat hij een bijzonder felle verkiezingscampagne had meegemaakt, werd hij voorgoed voor het socialisme gewonnen. Op zijn achttiende verjaardag meldde hij zich aan als lid van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Een tweede radicale keuze betrof zijn breuk met het geloof. Hoewel hij ook op de zondagsschool een goede leerling was geweest, kwam hij tot de conclusie dat hij de geloofsbelijdenis niet kon onderschrijven. Het was een besluit dat zijn moeder en zusters verdriet deed, maar niet tot een breuk in familiekring zou leiden.

Na zijn schooltijd trad Drees in dienst bij de Twentse Bank, waar ook zijn vader had gewerkt. Het bestaan van kantoorbediende beviel hem in het geheel niet. Na drie jaar nam hij dan ook ontslag om vervolgens van zijn hobby, de stenografie, zijn beroep te maken. In zijn schooltijd was hij geboeid geraakt door het nieuwe kortschriftsysteem van A.W. Groote en had zich ontwikkeld tot de beste beoefenaar van dat systeem. In 1906 werd hij aangesteld als stenograaf bij de Amsterdamse gemeenteraad en een jaar later werd hij aangenomen bij de stenografische dienst van de Staten-Generaal. Daarnaast stenografeerde hij als freelancer - hij had samen met Anton Jansen een eigen bureau - talloze vergaderingen van openbare lichamen, particuliere verenigingen en maatschappelijke organisaties.

Zijn werkzaamheden als stenograaf vormden een belangrijke leerschool voor zijn latere politieke en bestuurlijke loopbaan. Minstens even belangrijk was het feit dat de functie hem veel vrije tijd liet. In de jaren 1907-1909 maakte hij daarvan gebruik door bij de marxistische econoom R. Kuyper te studeren voor het MO-examen staathuishoudkunde en statistiek. In de periode daarna besteedde hij zijn vrije tijd vooral aan zijn politieke activiteiten in Den Haag, waar hij zich na zijn huwelijk met To Hent definitief vestigde.

Huwelijk en gezin

To Hent was al vanaf de lagere school de hartsvriendin van Drees' jongere zuster Bets. Samen gingen ze naar de kweekschool en samen werden ze lid van zowel de stenografieclub als de korfbalclub die Bets' broer had opgericht. Toen Drees in 1907 een vaste aanstelling als parlementsstenograaf kreeg, vroeg hij haar ten huwelijk. Ze moesten daarvoor drie jaar sparen. To werkte in die tijd als invalleerkracht op verschillende Amsterdamse scholen, Drees zat in Den Haag als de Kamers vergaderden. Door de week schreven ze elkaar lange brieven, uiteraard in steno.

In juli 1910 trouwden ze en betrokken een woning in Den Haag. Het echtpaar Drees kreeg vier kinderen, twee dochters en twee zoons: Annie (1911), Adri (1914), Jan (1919) en Wim (1922). Het voortijdige overlijden van hun zesjarige dochter Adri - aan de gevolgen van de Spaanse griep - betekende een grote slag voor het gezin. Drees heeft pas op hoge leeftijd in het openbaar iets kunnen zeggen over het grote verlies dat hij had geleden.

Drees heeft lang in gezinsverband geleefd. Annie en Wim jr. verlieten het ouderlijk huis, trouwden en kregen kinderen. Maar Jan bleef, op een korte periode in bezettingstijd na, thuis wonen. Bovendien kwam ook Jaan Hent, een ongetrouwde zuster van zijn vrouw, na 1945 in het huis aan de Beeklaan wonen.

Gemeentepolitiek en nevenfuncties

Drees' politieke carrière verliep de eerste jaren vlot. In het najaar van 1910 werd hij bestuurslid van de Haagse SDAP-afdeling, een jaar later voorzitter. Die functie zou hij met een korte onderbreking bijna achttien jaar vervullen. In 1913 veroverde hij een zetel in de Haagse gemeenteraad, waarmee een diepgekoesterde wens in vervulling ging. Als stenograaf had hij namelijk de gemeentepolitiek van nabij meegemaakt en had hij gezien welk belangrijk werk op gemeentelijk niveau te verrichten viel. Binnen de SDAP-fractie nam hij spoedig een vooraanstaande plaats in. In 1917 was hij al kandidaat voor het wethouderschap en kort daarna werd hij fractievoorzitter.

In september 1919 werd Drees de tweede socialistische wethouder van Den Haag, naast J.W. Albarda. Het wethouderschap was voor hem een bevredigende en belangrijke functie. Het was de tijd van het zogenoemde wethouderssocialisme: terwijl de SDAP in de landspolitiek veroordeeld was tot een jarenlange vruchteloze oppositie, bleek in de lokale politiek wel samenwerking mogelijk tussen sociaal-democraten en 'burgerlijke' partijen. 'Rode wethouders' slaagden erin om lokaal belangrijke voorzieningen te treffen onder meer op het gebied van de volkshuisvesting, sociale zorg en het onderwijs.

Drees was van 1919 tot 1931 wethouder van Sociale Zaken, dat de gemeentelijke armenzorg, de werklozenzorg, de gezondheidszorg en ambtenarenzaken omvatte. Op al die terreinen bracht Drees aanzienlijke verbeteringen tot stand. Onder zijn leiding werd de gemeentelijke sociale zorg uitgebreid en op moderne leest geschoeid. In 1931 veranderde Drees van portefeuille en werd wethouder van Financiën en Openbare Werken. Er volgde een moeilijke tijd waarin de gevolgen van de grote economische crisis sterker voelbaar werden. Er waren bezuinigingen nodig onder meer op de salarissen van het gemeentepersoneel. Drees moest daarbij laveren tussen het gemeentebelang en de eisen en protesten van zijn achterban.

In de laatste jaren van zijn wethouderschap nam ook het aantal bestuursfuncties dat hij vervulde toe, zowel binnen de partij als daarbuiten. De belangrijkste functies waren het lidmaatschap van de Provinciale Staten van Zuid-Holland (al sinds 1919) en het lidmaatschap van het landelijke partijbestuur van de SDAP (sinds 1927). Het aantal commissielidmaatschappen e.d. liep uiteindelijk in de tientallen.

Landspolitiek

In mei 1933 werd Drees lid van de Tweede Kamer. Kort daarop beëindigde hij met enige pijn in het hart zijn wethouderschap. Hij bleef wel gewoon lid van de Haagse gemeenteraad. Het lidmaatschap van de Tweede Kamer, waar de SDAP in een oppositierol was gedrongen, zou hem minder voldoening geven dan het bestuurlijke werk als wethouder. Zijn vele nevenfuncties vormden dan ook een welkome aanvulling op het parlementaire werk.

In de Tweede Kamer trad Drees op als woordvoerder op het gebied van het binnenlands bestuur, de volkshuisvesting en de werklozenzorg. Gaandeweg kwam hij ook over algemene politieke onderwerpen te spreken. De bestrijding van de grote economische crisis stond centraal in Drees' werk binnen en buiten de Kamer. Hij voerde hardnekkig oppositie tegen het beleid van de kabinetten-Colijn. Al in een vroeg stadium zag hij de betekenis van nieuwe ideeën die in 1935 hun weerslag kregen in het Plan van de Arbeid, het alternatief van de SDAP voor de crisispolitiek van Colijn.

In dezelfde tijd veranderde de SDAP geleidelijk van een ideologisch geïsoleerde arbeiderspartij in een bredere sociaal-democratische volkspartij. Drees juichte die ontwikkeling toe, zolang de omschakeling maar niet te snel ging voor de traditionele arbeidersachterban. Daarnaast was de SDAP de grote tegenstander van het opkomende fascisme en nationaal-socialisme. Drees liet zich niet onbetuigd en bestreed het fascisme op het scherpst van de snede: in artikelen, redevoeringen en in het debat met vertegenwoordigers van extreem-rechtse partijen.

Toen de SDAP in augustus 1939 voor het eerst deelnam aan de landsregering, ging een ministerspost net aan Drees voorbij. Wel volgde hij partijleider Albarda, die minister werd, op als voorzitter van de SDAP-fractie in de Tweede Kamer. Hij heeft weinig tijd gekregen om een invulling aan die taak te geven. Nog geen jaar later kwam de Duitse inval. Samen met enkele partijgenoten probeerde Drees via IJmuiden naar Engeland te ontkomen, maar dat mislukte.

Bezettingstijd

De Duitse bezetting bracht dadelijk verandering in Drees' werkzaamheden. De Tweede Kamer kwam niet meer bijeen en de SDAP ging al snel ondergronds. Als partijbestuurder gaf Drees mede leiding aan de aanpassing van de organisatie aan de nieuwe omstandigheden. Daarnaast maakte hij deel uit van het overleg tussen de leiders van de zes grote politieke partijen, later Politiek Convent genoemd.

Aan deze activiteiten kwam een eind doordat hij in oktober 1940 als zogenaamd Indisch gijzelaar in Buchenwald werd geïnterneerd, samen met andere vooraanstaande Nederlanders. Die maatregel was een represaille voor de internering van Duitse onderdanen in Nederlands-Indië. Als 'Ehrenhäftlinge' kregen de Nederlanders een speciale behandeling, maar zij waren vanachter het prikkeldraad wel getuige van de verschrikkingen in het eigenlijke concentratiekamp. Waren de leefomstandigheden nog draaglijk, het geringe contact met het thuisfront viel Drees zwaar. Hij mocht per maand slechts één brief naar huis schrijven en één ontvangen.

Na precies een jaar, in oktober 1941, werd Drees uit Buchenwald vrijgelaten om gezondheidsredenen. Van jongsaf aan kampte hij met een gebrek aan maagzuur, een kwaal waarmee hij met een dieet en medicijnen goed kon leven, maar die in het kamp opspeelde. Korte tijd later werden de 'Indische gijzelaars' in Nederland geïnterneerd. In mei 1942 volgde een nieuwe interneringsgolf, waarbij ook Drees werd opgepakt en in St.-Michielsgestel terechtkwam. Na een week kwam hij weer vrij omdat hij eerder 'Lagerunfähig' was verklaard.

Drees raakte vervolgens steeds meer betrokken bij illegale activiteiten, zoals de leiding van de verboden SDAP, het ondergrondse politiek overleg en de coördinatie van het verzet. Hij maakte deel uit en werd voorzitter van het Politiek Convent, het Nationaal/Vaderlands Comité en de Contact-Commissie der Illegaliteit. In augustus 1944 werd hij aangewezen als een van de Vertrouwensmannen der Regering, die voorbereidingen moesten treffen voor het landsbestuur in de overgangstijd direct na de bevrijding. Door deze opeenstapeling van functies werd Drees een spin in het web van het (politieke) verzet.

Van belang daarbij was de omstandigheid dat hij tot het eind van de bezettingstijd op vrije voeten bleef, terwijl vele andere leidende figuren wegvielen van als gevolg van arrestaties. Wel leefde hij vanaf begin 1943 gescheiden van zijn gezin, afgezien van kortstondige bezoeken. Om het risico van arrestatie te verkleinen verbleef hij in Amsterdam, eerst bij zijn jongste zuster, later op een ander schuiladres.

Minister van Sociale Zaken en vice-premier

Gezien zijn belangrijke rol in de bezettingstijd kwam de benoeming tot kabinetsformateur, samen met W. Schermerhorn, niet onverwacht. Van het nieuwe kabinet van herstel en vernieuwing werd Schermerhorn premier, Drees minister van Sociale Zaken en vice-premier. Die portefeuilles behield hij in het volgende, 'rooms-rode' kabinet geleid door de katholiek L.J.M. Beel (1946-1948).

Met het departement van Sociale Zaken was Drees op vertrouwd terrein. Hij trof belangrijke maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid, de gezondheidszorg en arbeid en arbeidsvoorwaarden. Zijn Noodregeling Ouderdomsvoorziening van 1947, de voorloper van de AOW, maakte hem mateloos populair. Ouden van dagen gingen 'van Drees trekken' - een uitdrukking die de woordenboeken zou halen - en hij werd zelf al gauw 'Vader Drees'.

Als partijman was hij nauw betrokken bij de vernieuwing van de SDAP. Al in de bezettingstijd had hij zich uitgesproken tegen de vorming van een brede progressieve volksbeweging met een vaag politiek program, in plaats van de terugkeer van de SDAP. Wel werkte hij met overtuiging mee aan een verdere verbreding, op sociaal-democratische basis, van de herrezen partij. Zo kwam in februari 1946 de Partij van de Arbeid tot stand uit een fusie van de SDAP en enkele kleinere partijen.

Minister-president

Het kwam enigszins als een verrassing dat Drees in 1948 minister-president werd. Niet de PvdA maar de KVP was bij de verkiezingen de grootste partij geworden. De katholieken wensten bij de formatie een 'bredere basis', deelname van CHU en VVD aan het kabinet, en waren bereid in ruil daarvoor het premierschap af te staan. Dat Drees tien jaar minister-president bleef, heeft achteraf iets vanzelfsprekends gekregen. Destijds was dat zeker niet zo, al was hij ook toen populair en gerespecteerd ook buiten zijn eigen achterban.

De jaren vijftig gelden als saai en duf, maar waren dat in politiek opzicht geenszins. Geen enkel kabinet van premier Drees haalde zonder crisis de eindstreep. De verkiezingsstrijd van 1956 was uitzonderlijk fel en de formatie van Drees' laatste kabinet duurde lang. De dekolonisatie van Indonesië leidde in Drees' eerste kabinet tot grote moeilijkheden met de andere regeringspartijen. Net als in voorgaande jaren trachtten Drees en de PvdA-ministers een militaire confrontatie zoveel mogelijk te vermijden dan wel te beperken. Zij lieten uiteindelijk het belang van regeringsdeelname prevaleren. Bovendien zou de politiek tegenover Indonesië zonder de PvdA in de regering toch alleen maar verharden. Voor Drees was het een pijnlijk dilemma. De Indonesische kwestie typeerde hij later als 'vier jaar nachtmerrie'.

Met grote bekwaamheid leidde Drees zijn vier kabinetten van PvdA en KVP, aangevuld met wisselende kleinere partijen. Hij besefte terdege dat binnen een coalitie van minderheidspartijen compromissen onvermijdelijk waren. Mede op grond van zijn lange politieke ervaring kende hij de wensen en gevoeligheden van de andere partijen en voelde zo goed aan welk compromis onder de gegeven omstandigheden haalbaar was. Was hij van zijn kant ook bereid bepaalde punten prijs te geven, hij stelde toch ook heel duidelijk waar de grenzen lagen: 'tot hier en niet verder'.

Afgezien van de gebruikelijke politieke moeilijkheden en hoofdpijndossiers als de Indonesische kwestie en de Greet Hofmans-affaire had Drees het tij mee. Hij was premier in een tijd van opbouw, voortgaande wederopbouw van het land en opbouw van een stelsel van goede sociale voorzieningen. Hij verpersoonlijkte deugden als redelijkheid, soberheid, eenvoud en (sociale) rechtvaardigheid en wist zo het vertrouwen en gezag te winnen bij een groot deel van de bevolking. 'Vader Drees' werd een begrip en een symbool voor een tijdvak.

'Elder statesman'

Zijn aftreden als minister-president betekende geen einde aan zijn politieke en bestuurlijke activiteit, al kon hij het rustiger aan gaan doen. De PvdA benoemde hem tot partijbestuurder voor het leven, een functie die hij serieus nam. Als minister van Staat werd hem geregeld om advies gevraagd, onder meer over de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van het Koninklijk Huis. Verder pakte hij een oude draad op en zat enkele commissies voor. Hij was nu een man van 'losse karweitjes', zoals hij zelf in een interview verklaarde. Daarnaast schreef hij de eerste van verschillende boeken, terugblikkend op zijn leven.

Door verminderd gehoor en gezichtsvermogen kon hij vanaf 1966 geen bestuurlijk werk meer verrichten en de vergaderingen van het partijbestuur van de PvdA niet meer bijwonen. Ondertussen baarden ontwikkelingen binnen de partij hem grote zorgen. Onder invloed van Nieuw Links voer de PvdA een meer radicale en polariserende koers en dreigde zelfs op te gaan in een progressieve volkspartij. Drees uitte zijn bezwaren daartegen in het openbaar, in artikelen en interviews in de krant, op radio en tv. In 1971 zette hij de pijnlijke stap en trad uit de partij. De vijandige reacties van sommige voormalige partijgenoten kwetsten hem diep.

Een paar jaar later, in 1974, overleed zijn vrouw. Dat verlies liet een leegte achter in zijn leven. Voor steun en gezelschap was hij vooral aangewezen op zijn oudste zoon Jan, die hem al enige tijd hielp met zijn correspondentie. Drees werd steeds dover en ging steeds minder zien, maar zijn gestel was krachtig en zijn geest en geheugen bleven tot op hoge leeftijd goed. Hij bleef artikelen en boeken schrijven en interviews geven. Voor journalisten, wetenschappers, studenten en scholieren werd hij een belangrijke bron van informatie over vroeger tijden en actuele ontwikkelingen.

Zijn laatste drie levensjaren was hij ziekelijk. In 1986 werd hij honderd jaar oud. Hij werd bedolven onder een enorme hoeveelheid post, bloemen en cadeaus, maar kon daar zelf nauwelijks kennis van nemen. Op 14 mei 1988 overleed hij, bijna 102 jaar oud.

2. Overige familieleden

Johannes Michiel Drees (1858-1891) en Anna Sophia Drees-Van Dobbenburgh (1858-1954) waren de ouders van Drees. Beiden waren afkomstig uit de orthodox-hervormde kleine burgerij. De vader van Johannes Michiel was kruidenier, de vader van Anna Sophia was timmerman, later schuitenvoerder. Het echtpaar Drees-Van Dobbenburgh kreeg vier kinderen: Grietje, Willem, Christina Elisabeth en Johannes Michiel (die na vijf maanden stierf). Vader Johannes Michiel had een goede betrekking als kantoorbediende bij de Twentsche Bank, maar overleed op 33-jarige leeftijd aan tuberculose. Anna Sophia bleef achter zonder middelen van bestaan, want de bank kende nog geen weduwenpensioen. Ze nam kostgangers in huis om in het levensonderhoud te voorzien. Haar zwager Frederik Drees sprong bij door de huishuur en het schoolgeld van de kinderen te betalen. Toen de kinderen volwassen waren voorzagen zij in het onderhoud van hun moeder, die haar verdere leven bij haar jongste dochter Bets inwoonde.

Christina Elisabeth Beck-Drees (1888-1968), roepnaam 'Bets', was de jongere zuster van Drees. Zij bezocht de kweekschool in Amsterdam, maar ging daarna naar kantoor. Zij was later actief in het maatschappelijk werk, onder meer voor de Vereniging van Nederlands-Hervormde Vrijwillige Verzorgsters en de Burgerlijke Instelling voor Maatschappelijke Zorg in Amsterdam. Haar sociale bewogenheid kwam net als bij haar broer voort uit een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, maar ook uit een diep religieus besef. Voor de oorlog was ze actief in de kleine progressieve protestantse partij Christelijk-Democratische Unie. Na de oorlog sloot ze zich aan bij de PvdA en was onder meer actief in de Protestants-Christelijke Werkgemeenschap binnen die partij. Ze was gehuwd met H.L. Beck van 1916 tot 1936 (echtscheiding) en kreeg twee zoons. Haar moeder woonde bij haar in.

Catharina Drees-Hent (1888-1974), roepnaam 'To', was Drees' echtgenote. Ze leerden elkaar kennen via Bets Drees, bij wie To in de klas zat. To was afkomstig uit een vrijzinnig-hervormd, kleinburgerlijk milieu. Haar vader was loper voor een verzekeringsmaatschappij en aanspreker. To bezocht de kweekschool en werkte van 1907 tot 1910 als onderwijzeres in Amsterdam. In juli 1910 trouwde ze met Drees en verhuisde naar Den Haag. Het echtpaar Drees-Hent kreeg vier kinderen, twee dochters en twee zoons: Annie (1911), Adri (1914), Jan (1919) en Wim (1922). Hun jongste dochter Adri overleed op zesjarige leeftijd aan de gevolgen van de Spaanse griep.

To droeg zorg voor het gezin en het huishouden. Vooral zij onderhield ook de meeste contacten met de familie en schoonfamilie in Amsterdam. Ze deelde de idealen van haar man en was lid van verschillende organisaties in de sociaal-democratische beweging, maar zonder daarin actief te zijn. Het gaf haar voldoening dat ze haar man in staat kon stellen zich volledig op zijn werkzaamheden te concentreren. Toen de kinderen groot waren, was ze jarenlang bestuurslid van de vereniging 'Licht, Liefde, Leven' die zich inzette voor huishoud- en nijverheidsonderwijs aan meisjes.

Als echtgenote van de minister-president trad ze weinig op de voorgrond. Ze leidde de groep ministersvrouwen die regelmatig bijeenkwam. Verder vervulde ze trouw haar representatieve taken, maar stond liever niet in de schijnwerpers. Interviews gaf ze niet; alleen intimi kwamen te weten hoe sterk To meeleefde met de politieke ontwikkelingen en hoe krachtig haar opvattingen waren. De vele vijandige reacties op het uittreden van Drees uit de PvdA, in 1971, raakten ook To diep. Haar laatste levensjaren kampte ze met een zwakke gezondheid en een verminderde geestkracht. Ze overleed op 30 januari 1974 plotseling aan een hartstilstand, 85 jaar oud.

Johannes Michiel Drees (1919-2002), roepnaam 'Jan', was Drees' oudste zoon. Hij bezocht het Gymnasium Haganum en studeerde vervolgens Nederlands recht in Leiden (1936-1941). In de bezettingstijd was hij als ambtenaar werkzaam voor het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, tot hij in het kader van de Arbeidsinzet bij de Gemeentelijke Crisis- en Distributiedienst in Den Haag werd geplaatst. Na de bevrijding trad hij als bedrijfsjurist in dienst bij NV De Centrale Arbeiders- Verzekerings- en Depositobank, later genaamd De Centrale Verzekeringen NV. Naast zijn hoofdfunctie (laatstelijk hoofd van de afdeling Beleggingen) was hij bestuurslid, later secretaris-penningmeester van het Pensioenfonds van De Centrale, en secretaris-penningmeester van de Stichting Financieel Bureau Academici. In juli 1968 nam hij ontslag bij De Centrale.

Op achttienjarige leeftijd meldde Jan Drees zich aan bij de SDAP. Hij was actief als bestuurslid van zijn afdeling en later als penningmeester van de federatie-Den Haag van de PvdA (1949-1966). Eind 1968 maakte hij deel uit van het comité Democratisch Appèl van PvdA-leden die verontrust waren over de radicalisering van de partij. In juni 1970 verliet hij de partij en werd lid van Democratisch Socialisten '70. Van december 1970 tot begin jaren tachtig zat hij in het hoofdbestuur van DS'70. Daarnaast maakte hij deel uit van de redactie van de partijorganen Politiek Bulletin en Het Buitenhof.

Jan Drees trouwde niet en bleef, op een korte onderbreking in de bezettingstijd na, in zijn ouderlijk huis wonen. Vanaf 1970 was hij zijn vader in toenemende mate behulpzaam onder meer bij diens correspondentie. Op dictaat van zijn vader of aan de hand van diens stenografische concepten typte hij brieven en teksten van artikelen uit. In diens laatste levensjaren (1985-1988) beantwoordden hij en zijn broer Wim Drees jr. zelf de ingekomen post, namens hun vader. Jan Drees overleed op 1 maart 2002.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Onder het kopje 'Beperkingen aan het gebruik' is geen verwijzing naar de aanwezigheid van stenografische aantekeningen opgenomen, maar bij de betreffende inventarisnummers wel. Het zou mijn inziens aanbeveling verdienen om ook bij 'Beperkingen aan het gebruik' ofwel de inventarisnummers in kwestie op te nemen, of te volstaan met de mededeling 'Bevat veel stukken in steno.' o.i.d.

In de inleiding onder 'Inhoud en structuur van het archief' vindt u een uitgebreid stuk over steno in het archief Drees en hoe bij het beschrijven van het archief daarmee is omgegaan.

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in