gahetNA in het Nationaal Archief

Gerretson

2.21.246
E.A. van den Heuvel-Strasser
Nationaal Archief, Den Haag
1990
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.246
Auteur: E.A. van den Heuvel-Strasser
Nationaal Archief, Den Haag
1990
CC0

Periode:

1608-1958
merendeel 1816-1958

Omvang:

38,70 meter; 1355 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Prof. dr. F.C. Gerretson (1884-1958) was van 1925 tot 1954 hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Utrecht. Daarnaast was hij van 1951 tot 1956 lid van de Eerste Kamer voor de Christelijk Historische Unie (CHU). Gerretson was tevens actief als dichter en als strijdbare rechtse publicist. Zijn belangrijkste historische werk was de vijfdelige 'Geschiedenis der Koninklijke' (1932-1973) over de Shell.
Het archief bevat een aantal stukken van zijn ouders en enkele andere familieleden. Daarnaast omvat het particuliere stukken, een omvangrijke correspondentie met historici, letterkundigen en politici, en stukken over de Nationale Unie (1925-1934), de Indologische Faculteit in Utrecht, de CHU en zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer. Het archief bevat publicaties, aantekeningen, artikelen en redevoeringen over de Nederlandse geschiedenis, de koloniale geschiedenis en politiek, de Groot-Nederlandse gedachte, de Vlaamse beweging, zijn bijdrage aan de oppositie tegen het Nederlands-Belgisch verdrag (1925), de Geschiedenis der Koninklijke en zijn literair werk (pseudoniem: Geerten Gossaert).

Archiefvormers:

  • Prof. dr. F.C. Gerretson, 1884-1958

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Korte Levensbeschijving F.C. Gerretson

Frederik Carel Gerretson werd op 9 februari 1884 te Kralingen geboren als tweede zoon van Bartholomeus Johannes Gerretson (1856-1930) en Anna Gesina van den Heuvel (1851-1936). Zijn ouders waren vrome protestanten uit het geestelijk klimaat van het Réveil. Frederik Carel was de tweede van vier kinderen, drie jongens en een meisje. Zijn oudere broer stierf op 8-jarige leeftijd. De in 1890 geboren Constantia Wilhelmina overleed in 1920, de jongste broer Sierk overleed enige jaren later, in 1924.

Zijn vader, B.J. Gerretson was vennoot van de firma Gerretson en Rutteman in verfwaren, vernissen en oliën. Daarnaast bekleedde hij diverse politieke functies als lid van de Anti-Revolutionaire Partij en, na de afsplitsing, van de Christelijk-Historische Unie. Hij was van 1896-1920 lid van de Rotterdamse gemeenteraad, van 1908-1913 van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en lid van de Tweede Kamer gedurende twee periodes, van 1913-1918 en van 1921-1925. Hij had een artistieke natuur en bezat een grote literaire belangstelling. Zo verzorgde hij kort voor zijn dood een bloemlezing uit Der Wandsbecker Bote van Matthias Claudius.

Frederik Carel bracht zijn jeugd in Rotterdam door. Daar doorliep hij de lagere school en de protestants-christelijke handelsschool van Esmeyer (1896-1900). Daarna volgde hij een militaire opleiding die hij in 1904 met zijn bevordering tot reserve-officier afsloot. Verder was hij enkele jaren werkzaam in de zaak van zijn vader, maar zijn aanleg en belangstelling lagen elders. Frederik Carel maakte in deze jaren een opstandige levensfase door, hetgeen ook in de verhouding tot zijn ouders tot uiting kwam. Hij werd daarom bij zijn neef, dr. J. Riemens, Nederlands Hervormd predikant in Hoogland (bij Amersfoort) ondergebracht. In Amersfoort volgde hij als toehoorder lessen aan het gymnasium. Tevens bezocht hij in 1906 te Utrecht de colleges van prof.jhr.B.H.C.K. van der Wijck in de geschiedenis van de klassieke Griekse wijsbegeerte. In deze periode beleefde hij een ernstige crisis. Na een hevig conflict met zijn ouders vertrok hij in 1906 voor driekwart jaar naar de Verenigde Staten en Mexico.

Nadat hij uit Mexico was teruggekeerd vestigde hij zich in Brussel en studeerde daar van 1907-1911 aan het Institut de Sociologie Solvay. In 1911 behaalde hij er de graad van licencié en sciences sociales. In hetzelfde jaar verscheen zijn Prolegomena der Sociologie, een werk dat nog steeds aandacht in vakkringen geniet. Tevens leverde hij een aantal bijdragen aan het Bulletin Mensuel van het Institut Solvay. In deze periode ontstond zijn belangstelling en betrokkenheid bij de Vlaamse kwestie.

Zijn vroegste gedichten stammen uit 1901. (

J. de Gier, Stichtelijke en onstichtelijke experimenten. Een onderzoek naar Geerten Gossaerts dichterlijke ontwikkeling en de samenstelling van zijn poëziebundel (Utrecht 1982) 32-35.

) Hij publiceerde ze aanvankelijk een voor een in enkele tijdschriften onder het pseudoniem Geerten Gossaert. Zijn gedichten verschenen voor het eerst gebundeld in 1911 in een kleine oplage bij De Zilverdistel. Deze dichtbundel, getiteld Experimenten, is de enige die hij gepubliceerd heeft. In 1913 volgde een eerste herdruk, waarna er nog vele, in gewijzigde en uitgebreide vorm, zouden volgen. Tevens was hij auteur van talrijke essays. Zijn dichterlijke activiteiten namen al op vrij jonge leeftijd af (vanaf 1912)(

De Gier, a.v., 13 en 231 e.v.

)
, terwijl de politiek hem steeds meer ging boeien en op den duur in beslag zou nemen.

Bepalend voor zijn maatschappijvisie is zijn kennismaking met de werken van G. Groen van Prinsterer geweest. Deze vormden de inspiratiebron voor zijn politieke standpunten en voor zijn geschiedbeschouwing. In de jaren 1913/1914 publiceerde hij enige artikelen over Groen van Prinsterer en maakte hij een voorzichtig begin met hetgeen later tot zijn levenswerk zou gaan behoren, de uitgave van de schriftelijke nalatenschap van Groen van Prinsterer. (

"Aanteekeningen op een reisje naar de coloniën der Maatschappij van Weldadigheid in 1826 van Groen van Prinsterer", Ons Tijdschrift 18 (1913) 776-784.

) F.C. Gerretson behoorde tot de historici die menen dat de geschiedwetenschap op basis van oorspronkelijk archiefonderzoek beoefend dient te worden. Een aanzienlijk deel van zijn publicaties bestaat dan ook uit bronnenuitgaven. Het eerste deel van de briefwisseling van Groen van Prinsterer verscheen in 1925, in samenwerking met A. Goslinga. De latere delen zijn mede uitgegeven door A. Goslinga, H.J. Smit en J.L. van Essen. De uitgave van deze briefwisseling heeft tot hevige conflicten met de Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën geleid. (

K. Kooijmans en J.P. de Valk, " 'Enen dienende onderneming. De Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis en haar Bureau 1902-1968" in Bron en Publicatie. Voordrachten en opstellen over de ontsluiting van geschiedkundige bronnen, uitgegeven bij het 75-jarig bestaan van het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis ('s-Gravenhage 1985) 203-271, aldaar 243-260.

)

Zijn leven lang stelde hij zijn schrijverstalent ook in dienst van de journalistiek. Vanuit Brussel publiceerde hij in diverse Nederlandse kranten en tijdschriften. In 1911 trad hij toe tot de redactie van Ons Tijdschrift. Daarnaast was hij, mede door toedoen van zijn 'leermeester' A.F. de Savornin Lohman, als journalist aan het dagblad De Nederlander verbonden.

Zijn ambtelijke loopbaan begon hij in 1913 als adjunct-commies bij het departement van Koloniën, waar hij tot 1917 zou blijven. Hij bestudeerde daar het buitenlands koloniaal beleid in verband met de herziening van het Regeringsreglement. Na een conflict met minister Pleyte werd hij naar de afdeling Mijnwezen overgeplaatst. (

F.J.J. Besier, Bij Gerretsons vijf en twintig-jarig hoogleraarschap. Met proeve ener bibliographie (Utrecht 1950) 5.

) Daar werd hij belast met de voorbereiding van een nieuwe Mijnwet met het oog op de oliewinning in Nederlands-Indië. (

Biografisch Woordenboek van Nederland 3 ('s-Gravenhage 1989) 193-196.

)
Zijn activiteiten op dit gebied zouden enige jaren later voor Colijn aanleiding zijn hem uit te nodigen bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij te komen werken. Zijn werkzaamheden bij het ministerie van Koloniën werden onderbroken door zijn actieve militaire dienst tijdens de Eerste Wereldoorlog, waaruit hij in 1916 wegens hardhorendheid eervol werd ontslagen.

Tijdens deze oorlog werd hij actief in de Vlaamse Beweging, waar hij in zijn studietijd grote sympathie voor had opgevat. Hij was een tegenstander van het streven naar een onafhankelijke staat Vlaanderen en bepleitte een bestuurlijke scheiding tussen het Vlaamse en het Waalse gebied met behoud van een federatieve band. Hij hoopte dit met behulp van de Duitse bezetter in België te bereiken. Om dit standpunt beter te kunnen propageren kocht hij met een aantal geestverwanten de krant De Vlaamsche Stem op.

In dezelfde periode vond hij ook nog tijd een dissertatie voor te bereiden. Op 11 januari 1917 behaalde hij aan de universiteit te Heidelberg de doctorstitel met de verdediging van zijn proefschrift Die Funktion des Staates und die Wirtschaftsform bei den niederen Jägervölkern.

Op 1 augustus 1917 trad hij in dienst bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij als directiesecretaris van H. Colijn en H.W.A. Deterding. Met directeur B.C. de Jonge maakte hij een wereldreis naar Nederlands-Indië, China, Japan, Venezuela, Mexico en de Nederlandse Antillen. In 1925 vierde Deterding zijn 25-jarig jubileum bij de BPM. Ter gelegenheid hiervan en mede op initiatief van Colijn, vatte Gerretson het plan op het boek De Geschiedenis van de Koninklijke te schrijven. Deel I verscheen in 1932, deel II in 1936 en deel III in 1941. Met behulp van zijn aantekeningen en nagelaten papieren zijn in 1973 de twee laatste delen posthuum gepubliceerd.

De jaren twintig waren in het persoonlijk leven van F.C. Gerretson een bewogen periode. In 1923 trouwde hij met C.E. van Daalen, dochter van luitenant-generaal G.C.E. van Daalen, oud-gouverneur van Atjeh. Uit dit huwelijk werden een dochter en een zoon geboren. In 1931 liep dit huwelijk formeel uit op een scheiding. Vele jaren later, in 1941, zou hij met C.E. Harmsen hertrouwen.

Zoals reeds vermeld stierven in deze periode vrij kort na elkaar zijn zuster en zijn broer. Na het overlijden van zijn broer Sierk volgde Frederik Carel hem op als directeur van het in moeilijkheden verkerende familiebedrijf. Dit betekende een zware druk op zijn persoonlijke financiële omstandigheden.

Zijn belangstelling voor de positie van Nederland als koloniale mogendheid heeft zijn leven in sterke mate bepaald. In die tijd bestond er slechts één opleiding tot bestuursambtenaar voor de koloniën, namelijk in Leiden, waar men de studenten in de sfeer van de ethische politiek opleidde. Gerretson verkondigde daar in 1923 tijdens een forum over de ontwerp-staatsregeling der Indische Herzieningscommissie een aantal stellingen onder de titel "Leidsche Ideologie en Indische Realiteit". (

Zie inventarisnummer 107, pag 36

) Dit debat was voor hem aanleiding bij de leiding van de Bataafsche Petroleum Maatschappij een nota in te dienen, waarin werd gepleit voor de oprichting van een bijzondere leerstoel Indologie. Er zou een andere generatie bestuursambtenaren worden opgeleid die vasthield aan de ontwikkeling van Nederlands-Indië "langs lijnen van historischen groei". (

Besier, a.v., 8

)
Bij dit plan werd M.W.F. Treub, voorzitter van de Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië, betrokken en zo werd het Fonds ten behoeve van Indologische Studiën aan de Rijksuniversiteit te Utrecht opgericht. (

Zie inventarisnummer 757, pag. 36

)

In 1925 werd Gerretson vanwege dit Fonds tot bijzonder hoogleraar in de ethnologie en de geschiedenis van Nederlands-Indië aan de Rijksuniversiteit Utrecht benoemd. In 1939 volgde zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar in de constitutionele geschiedenis van het Koninkrijk. In 1950 werd de Indologische Faculteit opgeheven, maar hij bleef nog tot 1954 als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Utrecht verbonden.

Ook op ander politiek terrein was hij actief. Zo was Gerretson in 1925 betrokken bij de oprichting van de beweging "De Nationale Unie". Deze had tot doel de antithese te overbruggen en tot een rechts-nationale bundeling te komen, een ideaal dat hij zijn leven lang gekoesterd heeft. De Nationale Unie voerde een hevige buitenparlementaire oppositie tegen het Nederlands-Belgische verdrag dat in deze periode door het parlement moest worden goedgekeurd. Hij voerde deze strijd via de pers, als lid van het Nationaal Comité inzake het Nederlands-Belgisch Verdrag en via talloze contactpersonen in Nederland en Vlaanderen. Het verdrag werd dankzij deze acties op 1 april 1927 door de Eerste Kamer verworpen.

In de periode 1932-1934 fungeerde hij als voorzitter van de Nationale Unie. Hij zocht samenwerking met allerlei verwante splinterpartijen om een sterker machtsblok te vormen. Dit leidde tot de fusie van de Nationale Unie met de Algemeene Nederlandsche Fascistenbond (ANFB) van Jan Baars onder de naam Corporatieve Concentratie. Gerretson was een bestrijder van de in zijn ogen on-Nederlandse NSB. Hij zag als basis voor een "Nederlands Volksfascisme": afwijzing van het staatsabsolutisme en trouw aan het Koninklijk Huis en aan ons christelijk volkskarakter. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1933 adviseerde de Nationale Unie, bij monde van Gerretson, op de nationale figuur van dat ogenblik H. Colijn te stemmen. Hij hoopte dat deze een buitenparlementaire regering zou vormen hetgeen in 1939 inderdaad zou gebeuren. (

Besier, a.v., 10

) Het door de regering uitgevaardigde verbod voor ambtenaren en militairen om van een aantal organisaties, waaronder de Nationale Unie, lid te zijn leidde tot zijn af- en uittreden. Het eigenlijke doel van de Nationale Unie, een doorbraak naar rechts, werd niet verwezenlijkt. (

Koninklijk Kabinet of Dictatuur ('s-Gravenhage 1940

)

Nadat de Duitsers ons land waren binnengevallen spande Gerretson zich in om het bestuursapparaat van ons land en het Koninkrijk in stand te houden. Hij was als adviseur betrokken bij de oprichting van de Nederlandse Unie, die eenzelfde bundeling van krachten nastreefde als de Nationale Unie, maar daar evenmin in slaagde. In de oorlog is hij enige dagen door de Duitse bezetter gegijzeld. Hij behoorde tot de 'Indische gijzelaars'. Buiten de hiervoor genoemde activiteiten heeft hij zich tijdens de oorlog van de politiek verre gehouden en zich vooral aan de geschiedwetenschap gewijd. Zo voltooide hij onder andere het derde deel van de Geschiedenis van de Koninklijke, de bronnenpublicatie De Tusschenwateren en Coen's Eerherstel.

Na de oorlog was hij, naast P.S. Gerbrandy en Ch.J.I.M. Welter, een van de centrale figuren in het verzet tegen het regeringsbeleid met betrekking tot het onafhankelijkheidsstreven van Nederlands-Indië. Deze overtuiging droeg hij ook binnen de CHU uit en dat bracht hem in conflict met partijvoorzitter H.W. Tilanus. Rond zijn persoon vormde zich een conservatieve vleugel binnen deze partij. Dit leidde ertoe, dat hij in 1951 tot lid van de Eerste Kamer werd gekozen. Als Kamerlid was hij een controversieel persoon die meerdere malen met bewindslieden of collega-Kamerleden in conflict kwam. Tot op 72-jarige leeftijd zou hij deze functie blijven vervullen.

Vanaf 1950 schreef hij losse bijdragen in De Telegraaf, die al spoedig uitgroeiden tot wekelijkse columns. Een aantal van zijn bijdragen is gebundeld en gepubliceerd onder de titel Gerretson de Strijdbare. (

Gerretson de Strijdbare. Veertig artikelen over aktuele onderwerpen, geselecteerd door Mej. dr. A.J.M. Goedemans en drs. G. Puchinger (Amsterdam z.j.)

)

Tot kort voor zijn dood slaagde hij erin zijn voor hem kenmerkende arbeidzame leven voort te zetten. Frederik Carel Gerretson overleed op 74-jarige leeftijd op 27 oktober 1958.

Schijnbaar was Gerretson op sterk uiteenlopende terreinen actief: het Nederlandse beleid ten aanzien van de koloniën, de Groot-Nederlandse gedachte en de problematiek van de Nederlands-Belgische waterwegen. Al deze activiteiten zijn echter op één ideaal terug te voeren: een met België verenigd Nederland, zoals onder koning Willem I. In dat land zou de Nederlandse taal een prominente plaats moeten innemen. Dit Koninkrijk zou een stabiele koloniale mogendheid moeten zijn, gedragen door de historische band van Nederland met het huis van Oranje. Gerretson vertolkte op zijn wijze het anti-revolutionaire beginsel van Groen van Prinsterer en trachtte het politieke leven vanuit dit beginsel vorm te geven.

Op meerdere manieren wilde hij dit verwezenlijken. In de eerste plaats door te publiceren, zowel over deze maatschappijvisie als over de eerder genoemde aspecten ervan. Vervolgens met zijn politieke activiteiten die geheel in dienst stonden van het levend houden van de geestelijke erfenis van Groen van Prinsterer.

Geraadpleegde literatuur
  • Besier, F.J.J., Bij Gerretsons vijfentwintig-jarig hoog-leraarschap. Met proeve ener bibliographie (Utrecht 1950)
  • Briefwisseling Gerretson - Van Eyck, P. van Hees en G. Puchinger ed. (Baarn 1984)
  • Briefwisseling Gerretson - Geyl, I-V, P. van Hees en G. Puchinger ed. (Baarn 1979-1981)
  • Gier, J. de, Stichtelijke en onstichtelijke experimenten. Een onderzoek naar Geerten Gossaerts dichterlijke ont-wikkeling en de samenstelling van zijn poëziebundel (Utrecht 1982)
  • Henssen, E., Gerretson en Indië (Groningen 1983)
  • Hulst, J.W. van, Gerretson dichterbij (Amsterdam 1985)
  • Kooijmans K. en Valk J.P. de, Eene dienende onderneming. De Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis en haar Bureau 1902-1968 in: Bron en Publicatie. Voordrachten en opstellen over de ontsluiting van geschiedkundige bronnen, uitgegeven bij het 75-jarig bestaan van het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis ('s-Gravenhage 1985) 203-271.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in