gahetNA in the National Archives

Savornin Lohman, de suppl.

2.21.149
A.M. Tempelaars
Nationaal Archief, Den Haag
1974
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.149
Auteur: A.M. Tempelaars
Nationaal Archief, Den Haag
1974
CC0

Periode:

1832-1946
merendeel 1832-1946(1961)

Omvang:

3,05 meter; 263 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Prof.jhr.mr. B.C. de Savornin Lohman was hoogleraar Nederlands Staatsrecht aan de Universiteit van Utrecht en politicus. Naast zijn hoogleraarschap was hij lid van de Christelijke Historische Unie (CHU) en dit resulteerde in 1926 tot een benoeming tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (1926-1946).
Dit archief bevat stukken betreffende zijn functie als hoogleraar, zijn lidmaatschap bij de CHU en zijn functie als lid van de Eerste Kamer. Er zijn meerdere stukken betreffende zijn bemoeienissen met de koloniale politiek en documentatie betreffende de bezettingsperiode.
Daarnaast nog enkele dagboeken en reisverslagen van zijn reizen door Nederlands-Indië.

Archiefvormers:

  • Savornin Lohman, prof.jhr.mr. B.C. de

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Levensloop B.C. de Savornin Lohman
Studie en promotie

Jhr. Bonifatius Christiaan de Savornin Lohman (

Voor genealogische gegevens zie: Nederlands Adelsboek, diverse jaargangen.

) werd geboren op 13 juli 1883 te Groningen als zoon van jhr. Witius Hendrik de Savornin Lohman en Hillegonda Christina Cau. Zijn vader bekleedde het ambt van kantonrechter aldaar.

Na lager onderwijs genoten te hebben te Groningen bezocht De Savornin Lohman het Christelijk Gymnasium te Utrecht en studeerde vervolgens rechten aan de universiteit aldaar.

In 1910 promoveerde hij cum laude op de dissertatie "De bestuursinrichting van gewest, stad en platteland van Utrecht gedurende de Bataafsche Republiek". Hij vestigde zich hierna voor korte tijd als advocaat en procureur te Den Haag en werd daarbij tevens redactielid van De Nederlander, het officieuze partijorgaan van de Christelijke Historische Unie, waarvan zijn oom jhr. A.F. de Savornin Lohman Hoofdredacteur was.

Hij trouwde op 19 september 1912 te Hilversum met Cornelia Schwartz (

Kinderen uit dit huwelijk geboren: 1. Alexandra Frederica, 9 april 1914; 2. Harmanna Maria, 17 november 1915; 3. Witius Hendrik, 3 september 1917; 4. Ada Beatrix, 6 augustus 1921; 5. Maurits Adriaan, 1 november 1932.

).

Hoogleraarschap en CHU

Op 16 december 1912 aanvaardde De Savornin Lohman het professoraat in het Nederlands staatsrecht, administratief recht en algemene staatsleer aan de universiteit van Utrecht met de inaugurele rede "Over het begrip grondwet". Bij zijn onderwijs stond de principiële onderscheiding tussen de overheid en haar recht, en het volk en haar recht op de voorgrond, hetgeen hij in 1931 in zijn rectorale oratie "Het eigen recht der Overheid" ter gelegenheid van de 295e jaardag van de Utrechtse universiteit duidelijk uit liet komen. In het academiejaar 1930-1931 was hij rector magnificus.

Hij vervulde naast zijn hoogleraarschap nog diverse functies: van 1918 tot 1928 was hij plaatsvervangend rechter aan de rechtbank te Utrecht en van 1921 tot 1927 lid van de Onderwijsraad.

Zijn sympathie voor de C.H.U.-beginselen resulteerde in 1926 in een benoeming tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, waarvan hij tot 1946 deel zou blijven uitmaken. In 1929 werd De Savornin Lohman leider van de C.H.U.-fractie als opvolger van baron De Vos van Steenwijk.

Zijn belangstelling ging voornamelijk uit naar vraagstukken betreffende buitenlandse zaken, defensie en koloniaal beleid.

Nederlands Belgisch Verdrag

Hij verwierf in 1927 bekendheid door zijn scherpe stellingname tegen het Nederlands-Belgisch Verdrag. Het oorspronkelijke verdrag van 1839, waarin de voorwaarden der scheiding tussen Nederland en België vastgelegd waren, was na de Eerste Wereldoorlog aan een herziening toe en deze kwestie zou in diverse kabinetten na 1918 steeds weer een heet hangijzer vormen. Vooral de bepaling, dat Nederland voor een goede Rijn-Schelde verbinding had zorg te dragen, was hier debet aan. Volgens De Savornin Lohman behoefde het traktaat, gezien de gewijzigde verhoudingen, beslist niet binnen de grenzen der scheidingsregeling van 1839 te liggen. De geruchten, dat onderhandeld zou worden over een kanaaltracé, dat rechtstreeks van de Antwerpse dokken naar het Volkerak zou lopen, deed De Savornin Lohman in oktober 1931 besluiten minister F. Beelaerts van Blokland hieromtrent te interpelleren. Deze toonde zich weinig geneigd mededelingen te doen over de onderhandelingen, hetgeen voor De Savornin Lohman aanleiding vormde het debat in maart 1932 voort te zetten, waarbij hij de zwijgzaamheid van de Minister laakte en hem ervan verdacht de Staten-Generaal voor een fait accompli te willen stellen. In een officieel rapport van de Belgische senator Segers wordt het verweer tegen het verdrag gekenschetst als "de tendentieuze en stelselmatige oppositie van de anti-Belgische kringen van Utrecht en belanghebbende kringen van Rotterdam" (

P.J. Oud, Het jongste Verleden, deel IV, blz. 308.

).

Koloniale politiek

De Savornin Lohmans interesse in de koloniale politiek blijkt reeds in 1925 uit zijn aandeel in de oprichting van de Indologische Faculteit aan de Universiteit van Utrecht.

Ten aanzien van Indië neemt hij het op voor de gedachte van de rijkseenheid, een denkrichting die een innige band tussen moederland en koloniën propageert. In de Kamer verklaart hij bij de behandeling van de Indische begroting voor 1930, dat Nederland in het belang van Indië niet uit deze archipel mag verdwijnen, maar dat daarom Nederlandse belangen niet minder mogen tellen en dus mag bij de vraag of de band met Indië losser gemaakt kan worden, Nederlands belang mede de doorslag geven. Ter bestudering van vraagstukken rond Nederlands-Indië bracht hij in 1928 in opdracht van een commissie uit de C.H.U. een bezoek aan Nederlands-Indië. Tijdens zijn rondreis door Java en Sumatra informeerde hij zich inzake het bestuursapparaat, cultuurmaatschappijen, industrieën en instellingen op sociaal gebied. Zijn bevindingen legde hij neer in een vertrouwelijk rapport bestemd voor zijn opdrachtgevers en bekenden. In 1939 bezocht hij op uitnodiging van het "Genootschap ter bevordering van de kennis van Suriname en Curaçao" onze rijksdelen in de West. De geplande verdere oriëntatie in het Caribische gebied kon geen doorgang vinden, aangezien de oorlogsdreiging hem tot de terugreis noopte.

Binnenlandse politiek

In 1929 werd De Savornin Lohman benoemd tot lid van de Staatscommissie ingesteld bij K.B. van 12 december 1910, de zgn. Legercommissie; tevens werd hij in dit jaar verkozen tot het enige niet-militaire lid van de Raad van Defensie. Hij beschouwde ontwapening en bezuiniging op het defensiebudget als een verstoring van het machtsevenwicht in Europa en dus als een gevaar voor de internationale vrede. Buiten het parlement droeg hij zijn standpunt uit door het vervullen van spreekbeurten en als bestuurslid van de Vereniging voor Nationale Veiligheid.

Bij de vorming van diverse kabinetten zagen velen hem als een potentieel kandidaat voor de ministerspost bij Justitie. Gerretson telegrafeerde hem in 1939: "Colijn again formateur, if invited accept anyhow" (

Briefwisseling 1936-1940, inventarisnummer 39.

). Tot een benoeming is het echter nooit gekomen.

Voorts had De Savornin Lohman zitting in de grondwetscommissie, die de grondwetswijziging van 1938 tot stand heeft gebracht.

De Savornin Lohman behoorde zeer bepaald tot de behoudende vleugel van de C.H.U., hetgeen tot gevolg had, dat meningsverschillen met exponenten van andere stromingen binnen de partij niet uitbleven. In 1939 noteert hij in zijn dagboek: "Bij niemand in de partij, ook niet in de fractie, vind ik eenige politieke sympathie" (

Dagboek 1 maart 1939 - 2 mei 1940, blz. 21, inventarisnummer 7.

). Ten aanzien van de C.H.U. merkt hij op: "De Geer is dé man; wat hij doet is welgedaan; hij is nobel, de redder des vaderlands, etc. etc.; ook wij hebben een soort Colijn, alleen natuurlijk veel bescheidener, echt C.H." (

Zie noot 5.

)
. Deze innerlijke ontevredenheid leidde er mede toe, dat hij een groot voorstander werd van een samengaan van de C.H.U. met de A.R.P.

Tweede Wereldoorlog

Op 9 oktober 1940 werd hij - evenals enige honderden andere vooraanstaande Nederlanders - door de Duitse bezetter gearresteerd en als zgn. Indische gijzelaar overgebracht naar het kamp Buchenwald. Deze arrestatiegolf was oorspronkelijk bedoeld als represaille tegen de internering van Duitsers in Nederlands-Indië, maar later te beschouwen als een zuiver politieke gijzeling. Van Buchenwald, waar hij tot 15 november 1941 verbleef, werd hij overgeplaatst naar het Groot Seminarie in Haaren bij Oisterwijk en vervolgens naar huize "Beekvliet" en "De Ruwenberg" te St. Michielsgestel, waaruit hij op 8 april 1944 werd vrijgelaten. Gedurende deze periode onderhield hij nauw contact met vooraanstaanden van diverse politieke en maatschappelijke richtingen.

De Savornin Lohman hervatte zijn colleges, nu aan zijn medegeïnterneerden en door middel van lezingen en discussies werd over de meest uiteenlopende onderwerpen van gedachten gewisseld. In de Staatkundige Kring, waaraan hij met politici en geleerden van zeer verschillende denkrichtingen deelnam, werd grote aandacht besteed aan de toekomstige opbouw van de Nederlandse staat.

Na de oorlog

Na de bevrijding deed zich binnen de C.H.U. een streven naar herziening van de partijverhoudingen voor, waarvan De Savornin Lohman de belangrijkste exponent genoemd kan worden. Als ideaal zag hij de hereniging van alle protestante christenen in één politieke organisatie. Het bereikte resultaat op de algemene ledenvergadering van de C.H.U. op 27 februari 1946, waar tot een "nauwe samenwerking" met de A.R.P. werd besloten, noemde hij het "uiterste minimum". Tilanus schreef hierover al in 1944 in een brief aan baron Van der Feltz: "Enkelen o.a. Lohman- wanneer zijn 1e Kamerzetel daardoor geen gevaar zou lopen - zouden zoo maar, mir nichts dir nichts, in het A.R. schuitje willen stappen" (

G. Puchinger, Tilanus vertelde mij zijn leven, Kampen 1966, blz. 224.

).

De Savornin Lohman maakte deel uit van de zgn. Commissie Van Poll, een parlementaire commissie die ten doel had de volksvertegenwoordiging voor te lichten inzake de situatie in Indië. Daags voor de afreis naar Indië werd hij echter door een ziekte getroffen. Tamelijk onverwacht overleed hij op 17 maart 1946.

Levensloop M.A. de Savornin Lohman

Jhr. Maurits Adriaan de Savornin Lohman werd op 9 januari 1832 te Groningen geboren als zoon van Witius Hendrik de Savornin Lohman en Françoise Isabelle Henriette de Ranitz.

Na beëindiging van zijn rechtenstudie bekleedde hij o.a. de functie van officier van Justitie te Assen en advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. In 1889 werd hij benoemd tot gouverneur van Suriname, waartegen van diverse zijden verzet rees. Hij ving zijn bestuur op 30 januari 1889 aan, doch al spoedig leidde het nogal onbuigzame en hooghartige karakter van de gouverneur tot een reeks conflicten, die resulteerden in een volksoproer. Niet meer te handhaven zijnde verkreeg De Savornin Lohman op 4 mei 1891 zijn eervol ontslag. Hij vertrok hierna naar Duitsland, waar hij onder moeilijke omstandigheden leefde. Hij stierf in 1899 in Den Haag als een vergeten man.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in