gahetNA in the National Archives

Hamel, van

2.21.081
F.J.M. Otten
Nationaal Archief, Den Haag
1968
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.081
Auteur: F.J.M. Otten
Nationaal Archief, Den Haag
1968
CC0

Periode:

1632-1964
merendeel (1888) 1632-1964

Omvang:

5,60 meter; 384 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normaal geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van Joost Adriaan van Hamel (1880-1964) omvat stukken m.b.t. zijn particuliere evenals zijn openbare leven. Stukken aangaande het openbare leven van van Hamel betreffen zijn werkzaamheden als advocaat, hoogleraar en publicist, zijn positie bij de Volkenbond en de Verenigde Naties, zijn voorzitterschap van het Bijzonder Gerechthof te Amsterdam evenals de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht.
Particuliere stukken zijn voornamelijk papieren afkomstig uit het familie- en zijn persoonlijk archief.
Het archief bevat daarom ook stukken betreffende de twee zoons van J.A. van Hamel, Lodo en Gerard Anton van Hamel, die beide door de Duitse bezetter om het leven zijn gebracht voor hun verzetsdeelname.

Archiefvormers:

  • Hamel, Joost Adriaan van

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Joost Adriaan van Hamel werd op 8 oktober 1880 te Amsterdam geboren als zoon van Gerard Anton en Maria s'Jacob. Zowel van vaders- als moederszijde heeft hij Franse voorouders, die in de 17e eeuw naar Nederland uitweken. Tussen 1880 en 1923 leverden twee generaties van de familie Van Hamel een viertal hoogleraren. Gerard Anton van Hamel (1842-1917), de vader van Joost Adriaan, was van 1880 tot 1910 hoogleraar in het strafrecht en de wijsbegeerte van het recht aan de Universiteit van Amsterdam; in 1910 trad hij af als hoogleraar na zijn benoeming tot lid der Tweede Kamer voor de Liberale Unie.

De enige (tweeling)broer van zijn vader, Anton Gerard van Hamel (1842-1907), aanvankelijk vrijzinnig predikant, was van 1884 tot 1907 hoogleraar te Groningen in de Franse taal- en letterkunde en een der grondleggers van de romanistiek ten onzent.

Joost Adriaan's jongere broer, Anton Gerard (1886-1945) was een erkend specialist in de Oud-Germaanse en Keltische taal- en letterkunde, welke vakken hij van 1923 tot zijn dood toe als hoogleraar te Utrecht doceerde.

J.A. van Hamel is op 12 januari 1905 in de Brusselse voorstad Sint Pieters Woluwe getrouwd met Marie Leocadie de Vries Feyens, dochter van Mr.Lodewijk Anne Rintze Jetze en Euphrosina van Wayenburg. Zij hadden een dochter, Maria Laetitia (1909-1964) en twee zoons, Gerard Anton (1911-1944) en Lodewijk Anne Rintze Jetze (1915-1941).

Joost Adriaan doorliep de H.B.S. te Amsterdam en ging na een aansluitend staatsexamen rechten studeren aan de gemeente Universiteit van zijn geboortestad. Ofschoon aktief in het studentenleven -hij was van 1900-1901 rector van het Amsterdams Studentencorps- studeerde hij snel af en promoveerde reeds in 1902 bij prof. Houwing cum laude op een dissertatie, getiteld: "De leer der nulliteiten in het burgerlijk recht".

Vervolgens ging de jonge Van Hamel in de advocatuur en wel op het kantoor van zijn oom Mr.B.C.J. Loder te Rotterdam, de latere raadsheer in de Hoge Raad en president van het Permanente Hof van Internationale Justitie. Al spoedig daarna vestigde hij zich zelfstandig te Amsterdam. Als advocaat verkreeg Van Hamel vooral bekendheid als pleiter in de destijds zeer geruchtmakende Papendrechtse strafzaak. In 1905 werd hij benoemd tot secretaris en in 1910 tot lid van de voogdijraad te Amsterdam. Ook was hij plaatsvervangend kantonrechter in de hoofdstad.

In deze jaren was hij ook als publicist aktief. Reeds in 1905 verscheen zijn "Handleiding voor de toepassing der kinderwetten", dat enige malen herdrukt werd. Tevens verschenen van zijn hand artikelen in tijdschriften o.a. in De Gids.

Van Hamel genoot dus al ruime bekendheid, toen hij in het najaar van 1910 zijn vader opvolgde als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam in het strafrecht en de strafvordering. Dit professoraat is niet van lange duur geweest. Zijn politieke interesse resulteerde namelijk in 1917 in het lidmaatschap van de Tweede Kamer, waarna hij zijn ambt als hoogleraar opgaf. In april 1917 werd hij in district Amsterdam IV gekozen, om de door het overlijden van zijn vader vrijgekomen kamerzetel in te nemen. Als lid van de fractie van de Unie-liberalen trad de zoon ook hier in de voetsporen van de vader. Echter, al in 1918, bij de doorvoering van de evenredige vertegenwoordiging, verloor hij zijn kamerzetel.

Zijn belangstelling beperkte zich niet tot de nationale politiek. Als hoofdredacteur (sinds 1914) van De Amsterdammer en als auteur van werken als "De grondslagen van nationale politiek" (1916) en "Nederland tussen de mogendheden" (1918) wijde hij aandacht aan de positie van het neutrale Nederland.

Eind 1918 trok Van Hamel naar Parijs, waar hij als correspondent van de Nieuwe Rotterdamse Courant de vredesconferentie van nabij volgde. Hij zal er de contacten hebben gelegd, die in 1919 leidden tot zijn benoeming als directeur van de Juridische Afdeling van de Volkenbond. Uit deze tijd dateert het werk "De macht van de Volkenbond tot het bevorderen van de Vrede" (1920). Hoe betrekkelijk deze macht in werkelijkheid was, heeft Van Hamel later zelf ondervonden na zijn benoeming in 1925 tot Hoge Commissaris van de Volkenbond in de vrijstad Danzig, welke functie hij tot 1929 heeft bekleed. Deze creatie van de Volkenbond zou immers met name na Van Hamel's periode als Hoge Commissaris steeds meer gaan functioneren als stootblok tussen Duitsland en Polen.

Gerepatrieerd in 1929 werd hij in hetzelfde jaar lid van de commissie van advies voor volkenrechtelijke vraagstukken van het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar vaak verbleef hij in het buitenland als lid van verschillende internationale arbitrage-commissies. Zo werd hij in 1933 rechter in het Hongaars-Joegoslavisch scheidsgerecht te Parijs.

In 1935 werd Van Hamel voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht, wat hij precies een kwart eeuw is geweest. Als zodanig had hij veel internationale contacten in het kader van de International Law Association. In 1937 vertegenwoordigde hij Nederland op de internationale conferentie ter bestrijding van het terrorisme.

Het toenemend "terrorisme" in het oostelijk buurland was voor Van Hamel in de jaren dertig meer dan eens aanleiding krachtig te pleiten voor bezinning op de weifelende neutraliteitspolitiek van ons land.

De Tweede Wereldoorlog zou hem groot persoonlijk leed brengen: zijn beide zoons, Gerard en Lodo, stierven beiden in het verzet. De laatste, in 1940 luitenant ter zee 2e klasse, was de eerste agent die vanuit Engeland boven ons land werd gedropt, met het doel een radioverbinding tot stand te brengen, wat hem inderdaad gelukt is. In oktober 1940 gevangen genomen, werd Lodo van Hamel door het Feldkriegsgericht ter dood veroordeeld en de 16e juni 1941 gefussilleerd. Zijn oudere broer Gerard Anton, voor de oorlog gezantschapsattaché te Bern en daarna in de illigaliteit aktief, werd in augustus 1942 gearresteerd. Hij overleed de 19e juli in het strafkamp te Natzweiler. J.A. van Hamel zelf, zijn vrouw en dochter verbleven augustus 1942 eveneens enige tijd in de strafgevangenis te Scheveningen.

Direct na de oorlog in juni 1945 werd hij benoemd tot president van het Bijzondere Gerechtshof te Amsterdam tot de opheffing van dit college op 1 januari 1950. Daarnaast was hij in deze jaren ondermeer hoofd van de Unicef-missie ten behoeve van Oostenrijkse kinderen te Wenen.

Met de nationale politiek bleef Van Hamel zich ook na de oorlog occuperen. De opkomende annexatiekoorts na 1945 poogde hij zoveel mogelijk te bestrijden. Inzake de Indonesische kwestie was hij voorstander van handhaving van de rijkseenheid. Ook na de soevereiniteitsoverdracht heeft hij zich met Indonesië bezig gehouden, met name met de Republiek der Zuid-Molukken, waarvan het recht op zelfbeschikking in 1950 door de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht nadrukkelijk werd erkend. Omstreeks 1961 heeft Van Hamel geijverd voor een oplossing van de kwestie Nieuw-Guinea, in welk verband hij contacten heeft onderhouden met de groep Rijkens.

Tegenover het streven naar Europese integratie heeft Van Hamel zich kritisch opgesteld: verlies van eigen nationaliteit en opgaan in eigen waarden in een groter kleurloos geheel wogen volgen hem niet op tegen de vermeende voordelen. Het Huis Oranje was voor hem het symbool van deze nationale eenheid.

Prof. Van Hamel was ondermeer ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, Commandeur in de orde van Oranje Nassau, drager van het Grootkruis in de orde van Burgerlijke Verdienste van Bulgarije en ridder in de orde van het Legioen van Eer.

Hij overleed op 18 oktober 1964 te Baarn.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Het monument in Bussum wordt de marinier genoemd. Ik begrijp dat niet aangezien Lodo van Hamel geen marinier, maar een marine officier was, dat is heel wat anders.

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in