Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Beresteyn, van

2.21.018
J.A.A. Bervoets, E.A. Ooijevaar
Nationaal Archief, Den Haag
1977
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.21.018
Auteur: J.A.A. Bervoets, E.A. Ooijevaar
Nationaal Archief, Den Haag
1977

CC0

Periode:

1376-1988

Omvang:

26.90 meter; 2148 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat documenten en brieven van verschillende leden van de familie Van Beresteyn sinds de 16e eeuw. Deze familie bracht verschillende handelaren, kooplieden en bestuurders voort, en verwierf grote welstand. Eltjo Allegondus van Beresteyn (1876-1948), die als bestuurder en politicus o.a. burgemeester van Veendam en lid van de Tweede Kamer was, heeft zich als genealoog met name toegelegd op de vervolmaking van het familiearchief Beresteyn.

Archiefvormers:

  • Beresteyn, Familie Van Gael, Familie Knobbert, Familie Hoeff, Familie Van der Assendelft, Familie Van Groot, Familie De Brühl, Familie Gaymans, Familie Forsten, Familie Zuylen, Familie Van Frowein, Familie Bleiswijk, Familie Van Pieuse Fonds Maria Duyst, Het etc.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Hoofdstuk 1: Het geslacht Van Beresteyn.
1. De generaties in Amsterdam en Delft (14e-17e eeuw).

Als stamvader van het geslacht Van Beresteyn geldt vermoedelijk Gijsbert Jacobszoon, die gevestigd was in een huis aan de huidige Warmoesstraat te Amsterdam, waar ook zijn zoon Jacob Gijsbertszoon (ca. 1415-1472) woonde. Deze droeg als eerste de naam Van Beresteyn: de etymologische herkomst van deze naam is vooralsnog onbekend, maar zij ging via Duve Jacobsdochter van Beresteyn (ca. 1447 - na 1523), die gehuwd was met Jan In het Hart, gezegd Pelser, over op haar zoon Gijsbert Janszoon van Beresteyn (1475-1557)( Een uitgebreide genealogie van het geslacht Van Beresteyn werd samengesteld door W.F. Del Campo Hartman, Den Haag 1954. Het handschrift en enkele proeven bevinden zich in de inventarisnummers 1147, 1148 en 1180. ). Deze was koopman; het verging hem minder goed toen zijn doperse vrouw Anna Mulier moeilijkheden met het Amsterdamse gerecht kreeg. Dit verklaart misschien waarom zijn zoon Cornelis (1517-1595) niet de handel, maar de wetenschappen verkoos: hij was vertaler, uitgever en humanist en raakte o.m. persoonlijk bevriend met de dichter Coornhert. Tijdens het uitbreken van de 80-jarige oorlog steunde hij de Prins, maar hij bleef Rooms Katholiek.

Dit was niet het geval met zijn zoon Pauwels van Beresteyn (1548-1625). Na een korte loopbaan in het Prinsenleger - hij maakte het beleg van Haarlem in 1573 mee - huwde deze de brouwersdochter Volckera Claesdochter Knobbert; na de dood van zijn schoonvader Claes Adriaanszoon nam hij het beheer van diens zaken in Delft over. Als handelaar in meekrap - zijn huis heette De Roode Meelbael -, wijn en specerijen nam hij deel aan de Oost-Indische Compagnieën. Zijn welvaren vond uitdrukking in de benaming van zijn tweede huis, het huis Danzig op de Oude Delft, nu "De Gulden Meelbael" geheten. Hij was toen lid van de vroedschap en schepen geweest, bekleedde een burgemeestersfunctie en begon zijn inkomsten te beleggen in goederen onder Delfland, Schieland, Voorne en Putten. Toen hij stierf bleek zijn totale nalatenschap, inclusief tevoren gedane schenkingen, aan elk van zijn negen kinderen honderdduizend gulden op te leveren! Daarnaast stond dan nog de nalatenschap van zijn schoonmoeder Maria Duyst, dat gedeeltelijk de basis vormde van een "pieus fonds", waaruit de armlastige nakomelingen zouden worden ondersteund en dat ook de stedelijke armenzorg ten goede zou komen( Voor de geschiedenis van dit fonds zie E.A. van Beresteyn, Geschiedenis van het Pieuse Fonds Maria Duyst, genaamd "De Kist- Van Beresteyn" 1585-1935. Den Haag, 1935. ) . Het fonds bestaat nog steeds en wordt thans beheerd door mr. D.A. Hoogenraad in Voorburg.

Pauwels had drie broers: Pieter, Gijsbert en Arend. Een kleinzoon van deze laatste, Nicolaes van Beresteyn (1629-1684) maakte naam als landschapschilder; hij was door een huwelijk van zijn zuster verzwagerd met Pieter Verbeeck (ca. 1610 - ca. 1653), wiens dierschilderingen eveneens kunsthistorische waarde hebben( Biografieën en overzichten van hun werk zijn gepubliceerd in E.A. van Beresteyn, Genealogie van het geslacht Van Beresteyn, Den Haag 1941, deel II, bijlagen: Leven en werken van Claes van Beresteyn en Leven en Werken van de paardenschilder Pieter Verbeeck, echtgenoot van Elisabeth van Beresteyn ).

De oudste zoon van Pauwels van Beresteyn, Gijsbert (1576-1641) zette na een studie aan de universiteit van Padua het beroep van zijn vader voort en werd bewindhebber der Oost-Indische Compagnie ter kamer Delft. Zijn broer, Cornelis van Beresteyn (1586-1638) was dit eveneens, maar ook burgemeester van Delft. Hij bezat naast de geërfde goederen in Voorne en Putten ook landerijen in Goeree en Overflakkee; door een huwelijk met Corvina van Hoffdijck werd hij tevens heer van Middelharnis. Zijn zoon Zacharias van Beresteyn van Hoffdijck (1623-1679) vervulde eveneens vele functies bij de Delftse overheid: schepen, burgemeester, gecommitteerde in de Staten van Holland. In 1675 trekt hij zich uit al deze ambten terug( Dit blijkt uit inventarisnummer 65. ), maar enige tijd later is hij wederom burgemeester (1678, 1679). Zijn vrouw Agneta Deutz liet een fundatie na, waaruit het Deutzend Hofje aan de Prinsengracht te Amsterdam werd gesticht( Documentatie over het Deutzend Hofje bevindt zich in inventarisnummer 1788. Archivalia, afkomstig van Zacharias van Beresteyn Hoffdijck, het geslacht Deutz en het Deutzend Hofje bevinden zich in het gemeentearchief in Amsterdam en zijn in 1962 geïnventariseerd door mej. drs. I.H. van Eeghen. ).

Christiaen van Beresteyn, de oudste zoon van Gijsbert van Beresteyn en Maria Prins, vestigde zich na studie in Leiden en een reis naar Parijs in de Generaliteitslanden. In 's-Hertogenbosch werd hij o.m. eerste pensionaris en had hij zitting in de schepenbank. Tot de goederen, die hij in Brabant aankocht, behoort de hoge heerlijkheid van Geffen. Na zijn dood verwierf zijn vrouw Jacqueline Brouaert (1627-1691), met wie hij op 24 mei 1645 was gehuwd, de heerlijkheid Maurick in Vught, die generaties lang onder het geslacht Van Beresteyn bleef. Met Christiaen van Beresteyn vangt de reeks Brabantse generaties aan.

Zijn zuster Anna van Beresteyn (1618-1657) verging het minder wel. Reeds een half jaar na haar huwelijk op 4 december 1639 werd zij door haar man Johan van Hoogenhouck (1609-1647) verstoten; zij weigerde namelijk de uit dit huwelijk voortgekomen vrucht te doen verwijderen. De echtscheidingsprocedure die hierop volgde en voortduurde tot aan de Hoge Raad, werd door de dood van Van Hoogenhouck afgebroken. In 1655 hertrouwt zij met Dirk van der Dussen.

Op haar volgen drie broers: Cornelis, Paulus en Gijsbert van Beresteyn. Paulus van Beresteyn (1626-1667) vervulde geen functies van betekenis en leefde, blijkens de rekeningen van zijn nalatenschap, kennelijk van zijn kapitaal. Zijn zoon Willem van Beresteyn (1653-688) volgde een loopbaan bij de marine en liet het beheer van zijn uit nalatenschappen bijeengegaard vermogen over aan zijn oom Gijsbert en zijn notaris. Zijn huwelijk met Johanna van Gesperen (1657 - na 1722), gesloten in januari 1679, was ongelukkig. Zijn vrouw pleegde met haar pensionair Eustachius baron von Heideck herhaaldelijk aanslagen op zijn vermogen: eerst door de opstelling van een schijn-obligatie die Von Heideck gebruikte om beslag te leggen op Willems goederen, daarna door een ongemotiveerde aanklacht tegen Willem wegens kwaadwillige verlating.

Gijsbert van Beresteyn (1630-1681) vervulde in het stadhouderloze tijdperk de functie van schepen in Delft. Na de verzetting van de wet tijdens de machtswisseling in 1672 bleef hij enige jaren ambteloos, maar hij eindigde zijn leven als president van de schepenbank. Zijn zoon Paulus (1668-1702) vertrok in 1701 naar Indië, na enige tijd in de omgeving van Delfgauw te hebben samengewoond met Agatha van Son (1674-1733), met wie hij vlak voor zijn afreis op 14 maart 1701 in het huwelijk trad. Hij stief anderhalf jaar later in dienst van de V.O.C.

2. De generaties in de Generaliteitslanden (17e en 18e eeuw).

Door de nalatenschap van zijn moeder Jacqueline de Brouaert werd Thomas van Beresteyn (1647-1708) heer van het kasteel Maurick te Vught. Deze titel ging achtereenvolgens over op zijn ongehuwd gebleven zoon Maarten Cornelis (1695-1734) en diens halfbroer Christiaan Paulus (1705-1758). Vermoedelijk is Paulus Gijsberti, de stamvader van het geslacht Gijsberti Hodenpijl een natuurlijke zoon van Thomas.

Maarten Cornelis van Beresteyn werd advocaat van den Rade van Brabant, Christiaan Paulus bleef ambteloos, maar in de archieven van de magistratuur van 's-Hertogenbosch en de Raad van Brabant berust op tal van plaatsen de neerslag van een rumoerig leven. Zijn eerste huwelijk met Elisabeth Wilhelmina van Midlum (1712-1742), gesloten op 21 februari 1729, was allesbehalve gelukkig. Op 14 november 1737 wordt hij "op heterdaad betrapt" op overspel en door de Bossche schout Van Rechteren gevangen gezet. Hij wordt vrijgesproken, maar tevens beboet wegens mishandeling van zijn vrouw en zijn dienstboden; deze boete bleek echter een aanzienlijk geringer bedrag te zijn dan de borgtocht, die de schout hem voor zijn vrijlating had gevorderd; de vorderingen om terugbetaling en wederzijdse aanklachten duren voort tot zijn dood. Inmiddels werd een echtscheidingsprocedure aangespannen die door de dood van Elisabeth Wilhelmina van Midlum werd afgebroken. Bij zijn huwelijk met Catharina Wilhelmina Brühl op 11 maart 1743 in Goch ontstonden echter moeilijkheden over de wettiging in Nederland, omdat de afkondiging van het huwelijk in 's-Hertogenbosch en Vught door formalistische procedures werd vertraagd.

Zijn zoon Christiaan van Beresteyn (1744-1800) keerde weer naar Delft terug, alwaar hij door zijn verwanten met plaatsen in de magistratuur wordt bekleed: in 1786 is hij hoofdschout. Deze functies verliest hij in 1787 wegens zijn patriottische sympathieën; in 1795 wordt hij lid van het Committee van Financiën en ontvanger-generaal van de Unie, terwijl hij ook zitting krijgt in de commissie van gecommitteerden tot de zaken der Oost-Indische Compagnie. Van hem en zijn tweede vrouw Anna van Kuffeler (1747-1810) stamt de zogenaamde Delftse tak van het geslacht af.

Daartoe behoren zijn zoon Willem Jacob van Beresteyn (1778-1845),zijn kleinzoon Guillaume Jacques Jean Paul van Beresteyn (1808-1834) en zijn achterkleindochter Wilhelmina Agnes Wendela van Beresteyn (1835-1919).

Christiaans broer, Gijsbert van Beresteyn (1749-1810), volgde zijn vader op als heer van Maurick. Na een korte loopbaan op zee volgde een studie aan de universiteit van Harderwijk en een huwelijk met Maria Magdalena van Groenewegen (1750-1802), gesloten op 16 april 1771. Ondanks zijn verwantschap met dit geslacht van Delftse schouten en schepenen vestigde hij zich in 's-Hertogenbosch, waar hij lid van de veertigraad en schepen werd. In 1795 verloor hij deze ambten. Hij leefde vermoedelijk in onmin met zijn oudste zoon Paulus Anne (1776-1844), die een militaire loopbaan prefereerde boven het bestuur van het drostambt van Boxtel en Liempde, waartoe zijn vader hem had voorbestemd( Voor zijn staat van dienst, zie inventarisnummer 147 en stamboeken van militairen 1795-1813, inventarisnummer 71, pag. 4; inventarisnummer 72, pag. 20; inventarisnummer 74, pag. 40; inventarisnummer 77, pag. 9 en 31; inventarisnummer 79, pag. 11. ). De heerlijkheid Maurick ging dan ook over op zijn tweede zoon Jacob van Beresteyn (1778-1855), die ook het drostambt vervulde. Hij werd benoemd tot domheer van het kapittel van St. Pieter in Boxtel en was van 1 januari 1813 tot 31 september 1831 burgemeester van Vught.

Zijn zoon Gijsbert (1804-1884) voorzitter van de ridderschap van Noord-Brabant en zijn kleinzoon Cornelis (1834-1894) waren de laatste Van Beresteyns die de titel heer van Maurick voerden; na het kinderloos overlijden van de laatste werd Maurick in 1894 in het openbaar verkocht. Cornelis' broer Jacob (1832-1898) nam de titel niet over, maar vestigde een advocatenpraktijk in 's-Hertogenbosch.

Hugo van Beresteyn (1790-1857), de derde zoon van Gijsbert van Beresteyn, bracht zijn leven ambteloos door, terend op zijn erfdeel. Na enige tijd gewoond te hebben op het kasteel Frisselstein te Veghel vertrok hij naar Voorschoten, waar hij de buitenplaats huize Beresteyn bouwde. Op 29 juni 1818 was hij gehuwd met Anna de Jong van Beek en Donk (1796-1863). Aan het eind van zijn leven zag hij zich genoodzaakt een beroep te doen op de ondersteuning van zijn kinderen.

Paulus Anne en Hugo van Beresteyn werden bij Koninklijk Besluit van 1 oktober 1825, nummer 213, tot de adelstand verheven.

3. Paulus Anne van Beresteyn (1824-1904).

Op 21 juni 1824 werd Paulus Anne van Beresteyn geboren als derde zoon van de latere jonkheer Hugo van Beresteyn en Anna de Jong van Beek en Donk. Hij volgde zijn ouders naar Voorschoten en begon zijn loopbaan als ambtenaar op de provinciale griffie in Utrecht. In 1847 vertrok hij echter naar Nederlands-Indië, waar hij te werk werd gesteld op de Algemene Secretarie in Batavia. Hij volgde hiermee het voetspoor van zijn oudere broer Christiaan Johan (1823-1907), die als meester in de rechten diverse rechterlijke functies in de Buitenbezittingen bekleedde. Zelf bleef hij echter in Batavia, waar hij secretaris van de Oost-Indische Maatschappij van Administratie en Lijfrente werd. Hier bracht hij het tot directeur en tot medebeheerder van verscheidene andere bedrijven: de Oost-Indische Zee- en Brandassurantie Maatschappij, de Jache Zee- en Brandassurantie Maatschappij en de Nederlandsche Lloyd.

Na zijn terugkeer in Nederland had men zoveel vertrouwen in zijn credietwaardigheid, dat hij door de Oost-Indische Zee- en Brandassurantie Maatschappij, die in 1870 in financiële moeilijkheden geraakte, tot likwidateur werd aangesteld. Op nog geen 40-jarige leeftijd was hij een man in bonis geworden. Zijn persoonlijk kapitaal vormde de basis voor een commissiehandel in fondsen Van Beresteyn & Co, die in 1881 werd opgericht. Tevens kocht hij, naast het huis Oudwijk, dat hij in Utrecht voor zichzelf en zijn zich uitbreidende gezin had laten inrichten, de heerlijkheid Meteren bij Geldermalsen. Hij kon zich echter slechts negen jaar op een heerlijkheidstitel beroemen, wan in 1892 bleek het compagnonschap van de commissiehandel op een debâcle uit te lopen. Het faillissement dwong hem zijn landgoed en zijn andere bezittingen te verkopen en in een huurhuis de rest van zijn levensdagen door te brengen.

Het voorbeeld van zijn commisshiehandel werd in 1887 door zijn oudste zoon Hugo van Beresteyn (1859-1924) gevolgd. Tevoren voerde deze handel in Brussel en de Verenigde Staten. Uiteindelijk liep ook zijn financiële loopbaan op een mislukking uit; hij eindigde zijn leven in een inrichting. Zijn jongere broers Anne en Johan stierven op jeugdige leeftijd.

4. Olphert Jan Benjamin van Beresteyn (1872-1919).

In tegenstelling tot zijn vader Paulus Anne en zijn broer Hugo begon de loopbaan van Olphert Jan Benjamin van Beresteyn minder succesvol: na het vergelijkend examen voor adelborst Derde Klasse bij het Koninklijk Instituut voor de Marine werd hij niet toegelaten. In 1892 vertrok hij naar zijn geboorteland Nederlands-Indië, vaar hij het journalistieke métier inging als buitenlands correspondent voor de Soerabajasche Courant. Zijn werkzaamheden leidden in 1895 tot een oorlogscorrespondentschap aan het Chinese front tijdens de Chinees-Japanse Oorlog; sedertdien bleef hij in perscommentaren pleiten voor goede Nederlands-Chinese handelsbetrekkingen. Een jaar later begeleidde hij de Atjeh-oorlog als verslaggever voor "De Locomotief". De relaties, die hij als buitenlands correspondent in Indië had opgebouwd, bewezen hun nut, toen hij ook in Nederland het buitenlandse nieuws in diverse kranten verzorgde. Ook was hij in de gelegenheid om buitenlandse bladen te voorzien van nieuws over Nederland:zo verschenen er berichten in de Berliner Lokalanzeiger en in Nederlands-Indische dagbladen. Hij nam stelling voor een zo openhartig mogelijke nieuwsgaring over het Nederlandse parlementaire gebeuren. Een Nederlands nieuwsbureau moest volgens hem worden opgericht, zodat door beter begrip van het gebeuren in Nederland bij het buitenland de Nederlandse handelsrelaties, vooral die met het Verre Oosten,konden worden begunstigd. Onder pseudoniemen als Driestar (in het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië), De Haagsche Torenwachter (in De Middelburgsche Courant), Haagsche Kiekjes (in Het Nieuwsblad van het Noorden) gaf hij soms vrijmoedig commentaar op politiek en diplomatiek Den Haag.

Zijn wens om een Nederlands persbureau in buitenlandse taal op te zetten kreeg in 1910 vorm door de oprichting van de Gazette de Hollande, waarvan hijzelf directeur en hoofdredacteur was. Na zijn dood ging deze Gazette over in een naamloze vennootschap, die door zijn broer Eltjo Allegondus werd beheerd en in 1931 werd gelikwideerd. In 1914 huwde Olphert Geertruida Adriana Tromp, weduwe van kolonel Gustaaf Eugenius Victor Lambert van Zuylen, tevens ondernemer in Nederlands-Indië. Zij was mede-oprichtster en presidente van de Vereeniging "Oost en West" en erepresidente van de Raad van beheer van de N.V. Boeatan. Het vijf jaar durende huwelijk bleef kinderloos.

5. Eltjo Allegondus van Beresteyn (1876-1948).

a. 1876-1911. Jeugd, studietijd en leraarschap.

De vroege jeugd van Eltjo Allegondus van Beresteyn, die op 2 april 1876 in Haarlem werd geboren, moet bepaald niet ongelukkig zijn geveest. Op zevenjarige leeftijd verhuisde hij met zijn vader Paulus Anne immers naar Geldermalsen waar hij als zoon van een landheer de gebruikelijke achting genoot. Na het lager onderwijs in de dorpsschool van Meteren te hebben gevolgd, slaagt hij in 1889 voor het toelatingsexamen van het Stedelijk Gymnasium in Utrecht. Reeds in deze tijd blijkt zijn belangstelling voor geschiedenis en genealogie.

Zijn laatste gymnasiumjaren worden overschaduwd door de relatieve armoede, waar in het gezin Van Beresteyn na het faillissement van zijn vaders commissiehandel is geraakt. Niettemin blijft hij een actief scholier: in 1894 geeft hij zich op voor de vrijwillige reserve en in juni 1895 treedt hij in dienst in Amersfoort. In hetzelfde jaar schrijft hij zich als student in de rechten in aan de universiteit van Utrecht, waar hij zovel een actief student als een snel studeerder blijkt te zijn: binnen een jaar legde hij zijn kandidaatsexamen af, tegelijkertijd was hij commandant van de studentenweerbaarheid en kort daarna voerde hij akties met de juridische faculteitsvereniging voor studiewijziging. In 1899 deed hij zijn doctoraalexamen en promoveerde hij op theses in de rechtsgeleerdheid, waarna hij een tveede promotie in de staatswetenschappen voorbereidde. In dit vak gaf hij ook les aan Hogere Burgerscholen in Amersfoort en Utrecht.

Inmiddels trad hij op 4 oktober 1900 in het huwelijk met Julia Carolina Frowein (1877-1961), de dochter van de tabakshandelaar Johann Wilhelm Frowein (1845-1919). Uit dit huwelijk kwamen twee dochters voort: Maria Melitta Selma van Beresteyn (1902-1967), die op 5 juni 1928 huwde met het liberale kamerlid Frederik Lodewijk Schlingemann (geboren 1900) en Paula Volckera van Beresteyn (geboren 1904), die o p 10 april 1928 met Horatio Albarda (1904-1965), toen lid van de firma Heldring en Pierson in het huwelijk trad. Deze werd waarnemend staatssecretaris van het ministerie van Financiën, directeur van de Nederlandsche Handelmaatschappij en president-directeur van de K.L.M.

In de tijd dat zijn beide dochters geboren werden, was Eltjo druk bezig met zijn studie in de staatswetenschappen, die hij aanvulde met historisch en genealogisch speurwerk. Zijn medestudenten kenden hem reeds als een bezeten snuffelaar in Rietstaps en Vorsterman van Oyens genealogische handboeken( Dit blijkt onder andere uit een prent, die zijn medestudenten hem aanboden bij zijn eerste promotie in 1899. Inventarisnummer 369. ). Hij vond tijd om een - op enquêtes in de bedrijven gebaseerde - dissertatie over Arbeidsreglementen te schrijven, waarop hij in 1903 cum laude promoveerde. In 1906 werd hij privaatdocent in de staatkundige geschiedenis van de 19e eeuw aan de universiteit van Utrecht. Zijn colleges over het financiële beleid van Koning Willem I baseerde hij op uitgebreid en grondig archiefonderzoek.

Een dergelijke gedegenheid trad ook aan de dag, toen hij in 1903 gedwongen werd zijn persoonlijke belangen te verdedigen. Op grond van een beschuldiging van de student H.A. van Asch van Wijck in het studentenblad Sol Justitiae, als zou hij als militair in het openbaar geapplaudisseerd hebben voor activiteiten van spoorwegstakers, werd hij gedagvaard voor de Raad van Onderzoek van het Nederlands Vrijwillig Reserveleger. Weliswaar nam hij ontslag, maar de grondigheid van zijn bewijsvoering was niet alleen goed voor volledige rehabilitatie, doch stelde hem ook in staat, een vordering tot rectificatie toegewezen te krijgen( De stukken hierover bevinden zich in inventarisnummer 1165. ).

Zijn nevenactiviteiten richtten zich nu op pedagogisch terrein. Als secretaris van de Openbare Leeszaal in Utrecht nam hij het initiatief tot een inzamelingsactie voor een nieuw gebouw, dat in 1907 geopend werd. Met de Vrijzinnig Democraat Dirk Bos richtte hij in 1908 de Centrale van Openbare Leeszalen en Bibliotheken op, waarvan hij in 1914 voorzitter werd. Met zijn. voorganger Bos kwam hij in nog nauwer contact, toen zijn werkterrein zich naar Groningen verplaatste. In 1908 werd hij ambtenaar van de provinciale griffie aldaar, zij het slechts kort. Bij Koninklijk Besluit van 18 oktober 1910 werd hij benoemd tot burgemeester van Veendam.

Hiermee deed Van Beresteyn zijn intrede in de politiek.

b. 1911-1916. Burgemeester van Veendam.

De zesjarige ambtsperiode van Van Beresteyn betekende voor Veendam een periode van uitbreiding. Van langgerekte veenkolonie werd het allengs meer een kom met een centrum. De raadzaal werd vernieuwd, evenals de Hogere Burgerschool, de U.L.O. werd gereorganiseerd, en uiteraard kwam er een openbare leeszaal. Door de afschaffing van de plaatselijke tollen toonde burgemeester Van Beresteyn zich een voorstander van vrijhandel.

Zijn werkzaamheden gingen het kader van zijn ambt ver te buiten: zo was hij zeer actief op het gebied van intercommunale samenwerking; vanaf 1912 was hij bestuurslid van de Vereeniging van Nederlandsche Gemeenten, en in dit verband ijverde hij voor gezamenlijk overleg op het gebied van de gezondheidszorg en de wetgeving op de woningbouw. Kennelijk zag hij dit samenwerkingsverband als een waarborg voor de gemeentelijke autonomie, waarvan hij zijn gehele politieke leven lang een groot voorstander zou blijven. Ook de infrastructurele belangen van Oost-Groningen wist hij te behartigen door actief deel te nemen aan de reorganisatie van de Eerste Groninger Tramway Maatschappij en zo de oprichter te zijn van de N.V. Stoomtram Oostelijk Groningen. Zijn streven was om Veendam te verbinden met Assen, Heiligerlee en Zuidlaren.

In 1914 werd hij door de oorlog en de crisis genoodzaakt, speciale maatregelen te treffen voor de beveiliging van Veendam en voor de distributie van de goederen. Hij nam het initiatief voor een overleg tussen Groningse burgemeesters, zodat men in staat kon zijn de toenmalige minister van Landbouw mr. M.W.F. Treub te adviseren over de vraag, hoe zoveel mogelijk rogge voor brood beschikbaar te houden met een minimum aan nadeel voor de boerenstand( Mr. M.W.F. Treub, Oorlogstijd, herinneringen en indrukken. Haarlem, Amsterdam 1916, pag. 103 vlgg. ). Uit deze actie kwam de provinciale roggecommissie voort, waarvan Van Beresteyn voorzitter werd. Met andere provinciale commissies op het gebied van rogge of graan vormde zij de Centrale Broodcommissie. Allengs werd Van Beresteyn ook voorzitter van het Consentbureau van export van aardappelmeel te Veendam. Hierdoor kwam hij in contact met de aardappelmeelfabrikanten en andere regionale producenten.

Het is duidelijk, dat hij zijn werkzaamheden ook tot de landelijke politiek zou uitbreiden. Op de aandrang, zich voor een district in de Veenkoloniën verkiesbaar te stellen voor de Tweede Kamer, ging hij in 1913 nog niet in. In zijn openbare redevoeringen, die met deze weigering gepaard gingen, bekende hij zich sympathisant met de Vrijzinnig Democratische Bond. Samen met Dirk Bos en Herman Snijders was hij actief in het Centrale Vrijzinnig Kiesdistrict "De Grondwet" in Veendam, waarbij hij met vuur de kandidatuur van zijn partijgenoten verdedigde, totdat hij zelf in 1916 kandidaat werd gesteld als opvolger van Bos.

Zijn uitverkiezing tot kamerlid betekende het einde van zijn korte, maar voor geheel Oost-Groningen vruchtbare burgemeestersloopbaan.

c. 1916-1922. In de Tweede Kamer.

Weldra nam Van Beresteyn in de Tweede Kamer een karakteristieke positie in. "De vrij kleine, wat ineengedrongen figuur .... (met) het breede, bleeke gelaat met het durvende piekneusje, het donkere kneveltje en de schrandere oogen"( Netschers revue 1822, nr. 3, Karakteristiek van E.A. van Beresteyn, pag. 11. Inventarisnummer 500. ) volgde binnen de fractie van de Vrijzinnig Democraten een eigen, pragmatisch gerichte koers. "Wat mij in 't program der vrijzinnig-democratische partij aantrok, was dat er eigenlijk geen .... dogmatische beginselen in stonden. De beginselen zijn zoo geformuleerd, dat men er zonder verketterd te worden, van kan afwijken, als het algemeen belang dit medebrengt".( E.A. van Beresteyn, Waarom ik de Vrijzinnig Democratische Kamerfractie verliet, Den Haag, januari 1922. Pag. 15. Inventarisnummer 500. )

Hij zag zijn fractiegenoten dan ook eerder als 'gelijkgezinden' dan als homogene partijgenoten.

Zijn persoonlijk optreden legde vooral een stempel op de kamerdebatten rond de door de oorlog noodzakelijk geworden crisismaatregelen. Hij wierp zich op voor regeringsmaatregelen onder rechtstreekse parlementaire controle. Toen in 1917 door de regering het wetsvoorstel tot een Nederlandse Uitvoermaatschappij in de vorm van een naamloze vennootschap werd ingediend, tekende hij fel verzet aan, omdat het privaatrechtelijke karakter van de maatschappij de regeringshandelingen ondoorzichtig maakte. Fel waren ook in de komende jaren zijn uitvoerig gedocumenteerde aanvallen op het controlebeleid van het ministerie van Landbouw ten aanzien van de voedseldistributie, waarbij hij bedekte toespelingen op O.W.-ers en soms openlijke beschuldigingen van corruptie niet schuwde. Kenmerkend was ook zijn optreden tegen de zijn inziens voorbarige centralisatie van de elektriciteitsvoorziening in Nederland tijdens de begroting van Verkeer en Waterstaat in 1921. Centrale exploitatie zou vooral de voorziening van het platteland en de kleine gemeenten niet ten goede komen. Omdat hij eenzelfde standpunt innam ten aanzien van het telefoonwezen, werd hij in hetzelfde jaar zowel voorzitter van de Staatscommissie inzake electriciteitsvoorzieningen in het land als van de Staatscommissie voor plaatselijke telefoonconcessies.

Zijn belangstelling ging ook uit naar het kunstbeleid. Als voorzitter van de Centrale voor Openbare Bibliotheken en Leeszalen en, sedert 1921, ook van de Maatschappij tot Bevordering van Toonkunst,was hij een fel tegenstander van regeringsmaatregelen, die kunstbeoefening en -verzameling in de weg stonden: zo wist hij de verhoging van de personele belasting op particulier verzamelde kunstwerken ongedaan te maken; ook ageerde hij tegen te hoge vermakelijkheidsbelasting bij concert- en schouwburgvoorstellingen. Reeds in de Vereeniging van Nederlandsche Gemeenten had hij belangstelling getoond voor de film. Bij het debat over de Archiefwet van 1918 sprak hij zich uit voor de inschakeling van niet-gekwalificeerde archiefambtenaren bij het beheer van archivalia van de burgerlijke stand. Met S. Kleerekoper behoorde hij tot de weinige verdedigers in de Kamer voor een gericht monumentenbeleid van regeringswege. Liever wenste hij bezuinigingen op het gebied van hoger onderwijs dan van de openbare cultuurbevordering.

Als voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging tegen Water, Bodemen Luchtverontreiniging toonde hij zich een pionier op het gebied van de milieucontrole: hoezeer ook een voorstander van een goede infrastructuur in het Nederlandse platteland, hij verzette er zich tegen, dat natuurgebieden moesten wijken voor de aanleg van wegen of spoorbanen.

Een conflict met fractieleider en partijvoorzitter H.P. Marchant maakte een einde aan zijn parlementaire loopbaan. Inzet was de lijstsamenstelling voor de verkiezing van 1922, waarbij Van Beresteyn Marchant verweet te weinig ruimte over te laten voor verkiezing door voorkeursstemmen( E.A. van Beresteyn, Waarom ik de Vrijzinnig Democratische Kamerfractie verliet, Den Haag, januari 1922. Pag. 15. Inventarisnummer 500. ). De polemiek leidde tot openlijke vijandschap en het uittreden van Van Beresteyn. Samen met onder anderen de literairhistoricus J. Kalff, de natuurkundige H. Saltet en de latere directeur van de Koninklijke Bibliotheek P.C. Molhuysen richtte hij een comité tot de verkiezing van onafhankelijke kamerleden op, die een kiezerslijst in alfabetische volgorde indiende. Kreeg de lijst zetels, dan werden degenen afgevaardigd die de meeste voorkeurstemmen behaalden. Het comité bestond volgens eigen zeggen uit "afgevaardigden, los van knellend partijverband, uitsluitend gebonden door de overtuiging dat de Geestelijke Verheffing van een volk einddoel van alle politiek is"( Beginselverklaring van het comité voor de verkiezing van onafhankelijke kamerleden, inventarisnummer 502 ). Het kreeg in zijn streven de steun van een comité van kunstenaars en van een aanbevelingscomité voor professor Saltet. Niettemin haalde de lijst van onafhankelijken, door tegenstanders "de lijst-Van Beresteyn" genoemd - hij stond immers bovenaan - de kiesdeler niet. Twee jaar na dit experiment trad Van Beresteyn toe tot de Vrijheidsbond.

d. 1922-1927. Ambteloos, maar niet werkeloos.

De in de Kamer gebleken deskundigheid op velerlei terrein maakte Van Beresteyn geschikt voor de verkiezing in tal van staats- en rijkscommissies. De reeds genoemde voorzitterschappen van de Centrale Openbare Leeszalen en Bibliotheken en van de Maatschappij tot Bevordering van Toonkunst vergden veel van zijn werkzaamheden. Het leeszaalwezen, dat tijdens zijn eerste bemoeiingen in 1907 nog kwijnend was, breidde zich in de jaren twintig tot een wijdvertakt instituut uit. De zorg voor de toonkunst nam toe door de oprichting van een leerstoel muziek aan de universiteit van Utrecht, de belangstelling van het middelbaar onderwijs voor het muziekonderricht en de conflicten in verband met regelingen van het muziekauteursrecht. Van Beresteyn ijverde bovendien voor de sociale belangen van de aan beide instellingen verbonden beambten: het leeszaalpersoneel en de leraren van conservatoria en muziekscholen.

Zijn ijver voor beeldende kunsten en monumentenzorg kreeg een extra cachet, toen enkele artistieke activiteiten werden ingepast in de viering van het 25-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina op 31 augustus 1923. Hij was voorzitter van twee subcomités, die betrokken waren bij de aanbieding van het Nationaal Huldeblijk: dat van het persoonlijk geschenk, een album met door kunstenaars vervaardigde afbeeldingen van Nederlands natuur- en stedenschoon( Het tiendelig album bevindt zich in de wachtkamer van het Koninklijk Huisarchief, Noordeinde 72, Den Haag. ) en dat van het comité voor restauratie van het koor van de Nieuwe Kerk in Delft,waarbij de ingebrachte gebrandschilderde ramen als publiek nationaal geschenk golden. Dit laatste subcomité zette zijn werkzaamheden voort tot in 1936 de laatste zes ramen werden overgedragen.

Tijdens de restauratiewerkzaamheden aan de Nieuwe Kerk maakte hij studies over de grafzerken, waarop de namen van tal van eigen voorvaderen en parentelen staan vermeld( "De Nieuwe Kerk te Delft, grafmonumenten en grafzerken in 't Koor", Delft 1939; "Grafmonumenten in de Oude Kerk van Delft", Delft 1938. ). In het bijzonder kreeg Hugo de Groot zijn aandacht.; het geslacht Van Beresteyn is immers verwant met het geslacht De Groot door een huwelijk van Thomas van Beresteyn met Johanna Catharina de Groot. In 1924 organiseerde hij een tentoonstelling van de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede in het kader van de 300-jarige verschijningsdatum van Grotius De jure bellae ac pacis. In 1929 verscheen van zijn hand een "Iconografie van Hugo Grotius"( Uitgegeven in Den Haag, 1929. ). Op economisch terrein verplaatste zijn belangstelling zich allengs van de Groninger veenkoloniën naar zijn nieuwe woonplaats Den Haag. In een commissie tot verbetering van het verkeerswezen in Zuid-West Utrecht, Krimpenerwaard en Alblasserwaard ijverde hij voor een lokaalspoorwegverbinding. In Den Haag zelf werd hij de voorzitter van een woningbouwvereniging "Daal en Berg", die in 1923 een woningcomplex wist op te leveren in de Bloemenwijk bij de Laan van Meerdervoort. Daarnaast bemoeide hij zich intensief met de vereniging "Diligentia",waarbij hij bevriend raakte met de dirigent van het Residentie-orkest, Peter van Anrooy.

Zijn belangstelling op lokaal niveau leidde uiteindelijk tot zijn kandidaatstelling als lid van de gemeenteraad van Den Haag namens de Vrijheidsbond. In 1927 werd hij gekozen.

e. 1927-1939. Lid van de Haagse gemeenteraad.

Van Beresteyns aktiviteiten in de gemeenteraad legden vooral hun stempel op het culturele beleid en de woningbouwpolitiek. Weldra had hij zitting in de raadscommissie voor plaatselijke werken en eigendommen, waarin hij moest adviseren over gemeentelijke bouwverordeningen en de verstrekking van bouwvergunningen. Hierbij bleek vooral de in opkomst zijnde flatbouw, waaraan de bouwvoorschriften moesten worden aangepast, de nodige problemen op te leveren. Karakteristiek was weer het verzet van Van Beresteyn, wanneer de gemeentelijke uitbreidingsplannen natuurgebieden bedreigden. Tevens was hij een fel tegenstander van de gemeentelijke erfpachtregelingen: volgens hem leidden zij tot socialisatie van de grondeigendom en tot opdrijving van de grondprijzen. Hij keerde zich hiermee niet alleen tegen de sociaaldemocraten, maar ook tegen Marchant( Vergelijk de polemiek tussen E.A. van Beresteyn en H.P. Marchant in inventarisnummer 718: E.A. van Beresteyn, "Het Haagsche erfpachtstelsel", uitgegeven door de Vrijheidsbond, Den Haag, 1931 en H.P. Marchant, "Het vernielingswerk der liberalen", uitgegeven door de Vrijzinnig Democratische Bond, z.j. ). Een motie tegen de invoering van de erfpacht leidde in 1931 tot het aftreden van de wethouders en tot het einde van de samenwerking tussen de Vrijheidsbond en de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.

Via de gemeenteraad werd hij in commissies betrokken bij de oprichting van het door Berlage ontworpen gemeentemuseum en bij de zeer omstreden plannen tot de bouw van een nieuw stadhuis. Tevens werd hij gemeentelijke afgevaardigde in het bestuur van het Residentie-orkest, waar in 1936 onenigheden ontstonden over het personeelsbeleid en over de vervanging van de inmiddels gepensioneerde dirigent Van Anrooy. Door deze moeilijkheden in de openbaarheid te brengen slaagde Van Beresteyn er in om, zij het niet zonder een heftig - en door de gemeenteraad te sussen - conflict met het Dagelijks Bestuur van het orkest,hierin verbetering te Brengen( Zie inventarisnummer 748-760. ).

Voor de belangen van tal van andere instellingen trad hij, zowel binnen als buiten de raad, persoonlijk op: mede door zijn invloed verwierf het gemeentemuseum de collectie muziekinstrumenten van wijlen D.F. Lunsingh Scheurleer en werd het daardoor het grootste muziekmuseum in Nederland.

Zijn belangstelling voor monumentenzorg - onderstreept door zijn bestuurslidmaatschap van stichtingen tot beheer van het kasteel Van Sypesteyn in Loosdrecht en het slot Loevestein - maakte hem bij uitstek geschikt voor het voorzitterschap van de Rijkscommissie voor Monumentenzorg, die in 1927 werd opgericht. Hij toonde zich, blijkens zijn talloze redevoeringen over het kunstbeleid van de regering, echter geen voorstander van een regeringsbeleid, dat ten koste van de particuliere en gemeentelijke eigendom zou gaan. "Ik strijd gaarne mede ter verdediging onzer culturele en ideële belangen, maar ik acht van al deze de belangen van het Recht (c.q. het liberale eigendomsrecht) het hoogste goed".( Praeadvies van Van Beresteyn voor de derde Monumentendag, geciteerd door J.C. van Beresteyn-Frowein in haar levensbeschrijving van Van Beresteyn, inventarisnummer 429. )

Inmiddels leverde ook zijn vrijetijdsbesteding hem vaste betrekkingen op. Zijn genealogische belangstelling strekte zich allengs verder uit dan zijn eigen geslacht. Reeds in 1905 verscheen met zijn medewerking het jaarboek "Het Nederlandsch Patriciaat", een pendant van het Adelsboek onder redactie van E.B.F.F. Wittert van Hoogland. Hij beschouwde de genealogie als een wetenschap en streefde ernaar, haar in alle aspecten tot systeem te maken. Zo kunnen zijn iniatieven tot het genealogisch repertorium, zijn cursussen voor het genootschap De Nederlandsche Leeuw en uiteindelijk zijn leiding over de genealogische tentoonstelling in 1933 worden verklaard. Tevens nam hij de voltooiing van de Iconographia Batava van E. Moes ter hand. De verzameling portretten die daaraan ten grondslag lag, achtte hij zo waardevol, dat hij aan het ministerie van Onderwijs een blijvende bestemming voorstelde. Zo werd in 1932 het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie opgericht en werd Van Beresteyn directeur van de iconografische afdeling, die oorspronkelijk te zijnen huize werd beheerd. Daarnaast bleef hij geregeld contacten onderhouden met tal van archiefbewaarplaatsen: "Hij genoot, wanneer hij het voortjagende leven met zijn diverse (!!) verplichtingen een tijdlang kon ontvluchten om onder te duiken in zijn geliefde archieven: te Kampen, Arnhem, Enkhuizen, Den Haag, Amsterdam, waar hij zich als kind aan huis voelde"( J.C. van Beresteyn-Frowein, levensbeschrijving van Van Beresteyn. Inventarisnummer 429. ).

f. 1939-1948. Laatste jaren.

In 1939 kwami een nieuwe kentering in het bestaan van Van Beresteyn door zijn benoeming als directeur van de N.V. "Het Vierhouter Bosch", waarbij hij de beheerder werd van 650 hectare bosland, afkomstig van het geslacht Frowein en sedert 1919 gedeeltelijk in het bezit van zijn vrouw. Deze schrijft de drift, waarmee hij zich op zijn nieuwe werkzaamheden als bosteler stortte, toe aan heimwee naar zijn jeugd in de natuur rond Meteren, waarvoor hij nu in de Veluwe compensatie vond. Met bosbaas Barten verdiepte hij zich in de technische aspecten van het beheer, terwijl hij tevens de initiator werd van een Nederlandsche Vereeniging van Boscheigenaren. Nu zijn streven tot natuurbehoud door praktijkervaring werd ondersteund, wist hij na de oorlog met succes bij minister en Kamer voor hun belangen op te komen.

Na de oorlog werd hij Raadadviseur van Kunsten en Wetenschappen bij het departement van Onderwijs, dat zich onder meer moest bezig houden met de restauratie van tijdens de oorlog verwoeste monument en.Andere activiteiten kregen een blijvende neerslag in stichtingen en bureaus. Zo werd in 1945 het Centraal Bureau voor Genealogie opgericht, een door het Rijk gesubsidiëerde instelling, die werkzaamheden als voor het voor uitbreiding vatbare Genealogisch Repertorium en het jaarboek Nederlands Patriciaat zou moeten bestendigen en tevens hetgenealogisch onderzoek vergemakkelijken. Daarnaast ontstond het Nederlands Iconografisch Bureau, dat los van het Rijksbureau van Kunsthistorische Documentatie kwam te staan.

Op weg naar een bestuursvergadering van het Centraal Bureau voor Genealogie werd Van Beresteyn in 1948 betrokken bij een aanrijding. Een korte tijd hierna ontstane hoofdpijn noopte hem, zich onder klinische behandeling te stellen. Zo overleed hij op 18 september 1948 onverwacht in de Rudolf Steinerkliniek in Den Haag.

Zijn nalatenschap aan boeken vermaakte hij aan het Rijk. De afwikkeling geschiedde op 20 februari 1951, toen een enorme verzameling boeken en documentatiemateriaal, waarvan reeds gedeelten tijdens zijn leven al aan diverse instellingen waren afgestaan, aan het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen werd overgedragen. Verrijkt werd naast het Centraal Bureau voor Genealogie vooral de Rijksarchiefdienst, met name de door de oorlog getroffen rijksarchieven in Gelderland en Zeeland.

Hoofdstuk 2: De aanverwante geslachten.

Het geslacht Van Beresteyn was rechtstreeks verwant met belangrijke Delftse magistratengeslachten als Van Assendelft, Van Groenewegen, De Groot, Van der Hoeft, Van der Lely en Vallensis en indirect met tal van andere magistratengeslachten, waarvan het geslacht Van Bleiswijk (met de raadpensionaris Pieter van Bleiswijk) wel het belangrijkste is( Voor de samenstelling van genealogieën van deze geslachten kan een dankbaar gebruik worden gemaakt van W. van der Lely, Kwartieren van de Delftse Vroedschappen, De Nederlandsche Leeuw, jrg. 1914-1916. Archivalia, afkomstig van de Delftse geslachten Van der Hoeff en Van Assendelft, bevinden zich eveneens in het familiearchief Van der Lely, dat in de archiefbewaarplaats van de Hoge Raad van Adel berust en in het familiearchief Van Vredenburgh, dat bij de Derde Afdeling van het Algemeen Rijksarchief in bewaring is gegeven. Ook het familiearchief van het met het Van Beresteyn verwante geslacht Teding van Berkhout berust in de archiefbewaarplaats van de Hoge Raad van Adel. ). Daarnaast was het door een huwelijk van Erminia van Beresteyn (1544-1625) en Jan Claeszoon Gael (1527-1599) verwant met het Leidse magistratengeslacht Gael( Genealogische informatie kon worden geput uit A. van der Marel, Het slot van Wateringen en zijn bewoners, deel III: buitenplaats van het geslacht Gael. De Navorscher, 1956, pag. 73 vlgg. ).

Door een huwelijk van Paulus Anne van Beresteyn (1824-1908) met Eldine Allegonda Gaymans (1835-1915) raakte het geslacht Van Beresteyn verwant met het gelderse patriciërsgeslacht Gaymans, dat vooral in Arnhem een belangrijke rol heeft gespeeld( Genealogieën van het geslacht Gaymans bevinden zich in het Nederlands Patriciaat, jaargang 1914, pag. 136-143, en jaargang 1948, pag. 131-145. ). Via het hugenotengeslacht Pielat van Bulderen( Zie voor een genealogie E.A. van Beresteyn, genealogie van het geslacht Pielat, Pielat van Bulderen, Amsterdam, 1900. Een van aantekeningen en documentatie voorzien exemplaar bevindt zich in inventarisnummer 1142. ) was dit geslacht indirect verwant met het Leidse juristengeslacht Vromans en het Groningse intellectuelengeslacht Forsten( Uitgebreide handgeschreven genealogieën van de geslachten Forsten en Vromans bevinden zich in de genealogische verzameling Van Beresteyn in het Centraal Bureau voor Genealogie, inventarisnummer 32. ). Het is mogelijk, dat de voornamen Eltjo Allegondus aan dit geslacht zijn ontleend. Een naamgenoot van E.A. van Beresteyn, Eltjo Allegondus Forsten (1811-1843) maakte een veelbelovende, doch vroegtijdig afgebroken carrière als bioloog bij Nederlandse expedities in Oost-Indië.

Het geslacht Frowein, de voorouders van de echtgenote van Eltjo Allegondus van Beresteyn, stamt uit Lennip (Duitsland) en ontwikkelde zich in de 18e eeuw tot een geslacht van handelslieden( Een genealogie van het geslacht Frowein bevindt zich in het Nederlandsch Patriciaat, jaargang 1935/36, pag. 151-167. ). In de Bataafse tijd vestigde Friedrich Johannes Frowein (1774-1871) zich in Nederland; zijn zoon Julius Frowein (1816-1877) geraakte door een huwelijk met de Nijkerkse Carolina Marcus (1817-1889) in het bezit van diverse landerijen bewesten de Veluwe. Dit grondbezit en het uit de handel afkomstige kapitaal maakten van hun erfgenaam Johann Wilhelm Frowein (1845-1919) een gerespecteerd man in de Arnhemse gemeenteraad. Het geslacht Frowein was verwant met het Duitse koopliedengeslacht Ronstorffen via de geslachten Balck en Bouricius, indirect ook met de patriottische burgemeester van Amsterdam, Carel Wouter Visscher (1794-1802).

Stambomen van leden van diverse geslachten

Stamboom van het geslacht Van Beresteyn:

Stamboom van het geslacht Gael:

Literatuur: , door A. van der Marel, , 1956, pag. 73.

Stamboom van het geslacht Gaymans:

Stamboom van het geslacht Pielat (Van Bulderen):

Stamboom van het geslacht Vromans:

Stamboom van het geslacht Forsten:

Stamboom van het geslacht Frowein:

Stamboom van het geslacht Van Bleiswijk:

Lijst van affiliaties van diverse geslachten met leden van het geslacht Beresteyn

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in