gahetNA in het Nationaal Archief

Ned.-Ind. Handelsbank

2.20.68
D.J. Wijmer
Nationaal Archief, Den Haag
2012
(c)

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.20.68
Auteur: D.J. Wijmer
Nationaal Archief, Den Haag
2012
(c)

Periode:

1857-1972
merendeel 1863-1965

Omvang:

112,00 meter; 2750 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat series notulen van vergaderingen van aandeelhouders, van commissarissen, van de directie, correspondentieseries met agentschappen en andere banken, jaarstukken en dossiers. Deze documenten betreffen de organisatie van de bank, de nationalisatie door Indonesié, overname door de Rotterdamse Bank, deelneming in en kredietverlening aan bedrijven, effectenbedrijf, deviezenverkeer en handel in grondstoffen.

Archiefvormers:

  • Nederlands-Indische Handelsbank, 1863-1950
  • Nationale Handelsbank, 1950-1965

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De Nederlandsch-Indische Handelsbank in vogelvlucht

De Nederlandsch-Indische Handelsbank (NIHB) werd op 14 juli 1863 in Amsterdam opgericht als dochtermaatschappij van de Algemeene Maatschappij voor Handel en Nijverheid '...met het oog op de dringende behoefte aan meerdere kredietinstellingen voor onze volksplantingen...'. De veranderde rol van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Nederlands-Indië na 1850 liet ruimte over voor particulier initiatief. Dit creëerde een behoefte aan investeringskapitaal. De NIHB poogde, naast onder meer de Rotterdamsche Bank, hierin te voorzien. Zij gold als duidelijke koloniale bank; een bank met Nederlands kapitaal en hoofdkantoor maar vooral werkzaam in overzeese gebiedsdelen. Buiten het verrichten van gewone bankzaken, was het doel van de bank het oprichten van en het deelnemen in industriële en commerciële ondernemingen (met name in Nederlands-Indië), kredietverlening aan cultuurondernemingen, industriële ondernemingen en handelsondernemingen, de uitgifte van pandbrieven en de handel in koloniale producten.

De NIHB was in de beginjaren een succesvolle onderneming die het grootste deel van haar winst uit het Indische bedrijf haalde. Daarnaast verstrekte het hoofdkantoor te Amsterdam exportkredieten voor de handel met Japan, China en Brits-Indië, die qua omvang echter bescheiden waren. Het belangrijkste product dat de bank voorfinancierde was suiker; ongeveer de helft van de post 'voorschotten op consignatiën' had betrekking op dit product. De suikercrisis op Java in 1884 bracht de NIHB dan ook in grote problemen. Door het onderbrengen van de cultuurzaken in een dochterorganisatie, de Nederlandsch-Indische Landbouw-Maatschappij (NILM), werd de bank in 1884 van de ondergang gered.

Vanaf 1901 begon de NIHB met het opzetten van een uitgebreid netwerk van kantoren buiten Nederlands-Indië, achtereenvolgens in Singapore (1901), Hongkong (1906), Shanghai en Kobe (1919), Calcutta en Bombay (1920), Tokio en Yokohama (1926) en Manilla (1937). In deze landen was de bank bekend onder de Engelse naam 'Netherlands India Commercial Bank'. Zo ontwikkelde de NIHB zich geleidelijk van een zuivere cultuurbank tot een bank voor het Verre Oosten. Tevens opende de bank in deze tijd bijkantoren in Den Haag (1904) en Rotterdam (1925).

In 1921 leed de NIHB grote verliezen vanwege de verlening van te grote kredieten aan de Oliefabrieken Insulinde, Van Nierop & Co Handel Maatschappij en de Indische Handels Compagnie. Hoofddirecteur Schadd werd hiervoor verantwoordelijk gesteld en moest aftreden.

Vanaf begin jaren twintig verbreedde de bank haar werkterrein verder door samen met onder andere de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Nederlandsch-Indische Escompto Maatschappij in 1925 de Credietbank voor Nederlandsch-Indische Gemeenten en Ressorten in Batavia op te richten. Via dochter NILM werd vanaf 1922 deelgenomen in of tot oprichting overgegaan van handelmaatschappijen en werden zelfs industriële activiteiten ontplooid, zoals in het geval van de oliefabrieken 'Mexolie'. De handelsactiviteiten en industriële dochterondernemingen werden in 1949 ondergebracht in een aparte dochterinstelling: de Maatschappij voor Handel, Fabrieksnijverheid en Landbouw, of kortweg 'Hafaland'.

Op 13 juni 1929 werd aan de officiële naam van de bank de benaming ‘naamloze vennootschap’ toegevoegd; dit was noodzakelijk geworden door een wijziging in het Wetboek van Koophandel. De statutaire zetel van de NIHB werd op 18 mei 1940 (met terugwerkende kracht per 14 mei) door de oorlogsomstandigheden van Amsterdam naar Batavia verplaatst; op 2 maart 1942 volgde een zetelverplaatsing van Batavia naar Bandung en daarna per 15 september 1942 (met terugwerkende kracht per 6 maart 1942) naar Paramaribo. In Nederlands-Indië werden de NIHB-activiteiten voortgezet door de Japanse Mitsui Bank. Per 18 september 1945 werd de statutaire zetel naar Amsterdam terug verplaatst en op 18 maart 1946 werd de eenheid van bestuur hersteld.

Door de gewijzigde omstandigheden in Indonesië werd de naam van de bank op 14 juli 1950 omgezet in Nationale Handelsbank (NHB) NV. De bank achtte het in deze tijd raadzaam niet meer alleen in te zetten op Indonesië en de activiteiten geografisch meer te spreiden. Daartoe werd onder andere op 31 maart 1953 de Mercantile Bank of Canada in Montreal opgericht.

Eind jaren vijftig nam de Indonesische regering verschillende voor de NHB nadelige maatregelen; op 9 december 1957 werden alle Nederlandse banken onder militair gezag geplaatst en per 16 april 1958 werden deze banken onder gezag van de Indonesische regering gebracht. Vanaf 20 april 1959 vielen alle NHB-kantoren onder het beheer van het Centraal Toezichthoudend Lichaam voor de Nederlandse Banken in Indonesië; ten gevolge van deze gedwongen beheerovergang werd het bankbedrijf in Indonesië op deze datum beëindigd. Op 10 augustus 1959 volgde de officiële nationalisatie en op 16 september 1959 werd het gehele bedrijf in Indonesië (inclusief activa en passiva) in beheer gegeven aan de Bank Umum Negara.

De naam van deze bank werd op 17 augustus 1965 gewijzigd in Bank Negara Indonesia Unit IV en per 31 december 1968 in Bank Bumi Daya. In 1998 fuseerde deze bank met een drietal andere banken tot Bank Mandiri.

Door het verlies van de Indonesische kantoren verloor de NHB haar belangrijkste basis en feitelijk haar bestaansgrond. Op 28 oktober 1960 werd het bedrijf overgenomen door de Rotterdamsche Bank; de integratie werd in april 1964 voltooid. Vóór die tijd waren de resterende buitenlandse kantoren al verkocht aan andere banken. Vijf buitenlandse kantoren werden, met de licentie, overgenomen door Chase Manhattan Bank voor US$ 1,5 miljoen. Chase hield de kantoren in Bangkok, Hongkong en Singapore, maar omdat zij zelf al in Japan was gevestigd werden de kantoren te Osaka en Tokio voor US$ 1 miljoen doorverkocht aan de Continental Illinois National Bank and Trust Company of Chicago. Deze bank maakte het bedrag aan de NHB over zodat de transactie voor Chase met gesloten beurs kon plaatsvinden.

Nadat de gehele middellange kredietverlening van de Amsterdam-Rotterdam Bank - door fusie van de Rotterdamsche Bank met de Amsterdamsche Bank ontstaan per 1 maart 1965 - bij deze dochter was geconcentreerd, werd de naam van de Nationale Handelsbank op 27 april 1965 veranderd in Nationale Bank voor Middellang Krediet (NBMK). Op 1 januari 1978 werd de gehele kredietverlening van de NBMK geïntegreerd in de structuur van de Amro Bank.

Vanaf deze datum trad de NBMK niet meer als zelfstandige eenheid naar buiten. De NBMK bestaat tot op de huidige dag; nu niet meer als bank maar als participatiemaatschappij van ABN AMRO.

Naam, doel en vestigingsplaats

De Nederlandsch-Indische Handelsbank werd opgericht bij akte van 14 juli 1863. Statutair werd vastgelegd dat de vennootschap was aangegaan voor 99 jaar. Hoewel de bank vanaf haar oprichting een naamloze vennootschap was, werd dit pas via de statuten van 1929 door de toevoeging van de letters NV aan de officiële naam tot uitdrukking gebracht. Bij statutaire wijziging van 21 maart 1950 werd de naam van de bank veranderd in Nationale Handelsbank NV.

De vennootschap was, met uitzondering van de jaren 1942-1945, gedurende haar hele bestaan statutair gevestigd te Amsterdam. Vastgelegd was dat de directie diende te zorgen voor de inrichting van een hoofdagentschap te Batavia. Alle andere in Nederlands-Indië te vestigen kantoren waren ondergeschikt aan dit hoofdagentschap. Pas via de statuten van 12 mei 1903 werd bepaald dat de directie ook bijkantoren kon vestigen en agenten kon benoemen buiten Nederlands-Indië. Via de statuten van 16 augustus 1909 werden ook deze kantoren ondergeschikt gemaakt aan de hoofdagent te Batavia.

In de statuten van 14 juli 1863 werd het doel van de bank als volgt geformuleerd:

  1. het verrigten van bankzaken, zoo als het disconteren van handelspapier, de handel in specie, biljoen en wissels, het verstrekken van gelden op onderpand van cognossementen, producten of andere roerende goederen, het doen van kassierszaken, het openen van rekeningen-courant als anderszins;
  2. het doen van voorschotten op cultuurondernemingen en de daarmede in verband staande nijverheid;
  3. ondernemingen van commerciëlen of industriëlen aard of van openbaar nut in het leven te roepen, of zich in zodanige ondernemingen te interesseren;
  4. het verschaffen van gelden tegen uitgifte van pandbrieven op onderpand van onroerende goederen en regten die volgen de wet tot onroerende zaken behooren;
  5. de handel in producten in Oost-Indië.

Reeds bij de eerste statutenwijziging van 1 juli 1873 verdween de vierde doelstelling en werd de vijfde ruimer omschreven door de plaatsbepaling weg te laten. Wel werd nu bepaald dat de activiteiten beschreven onder punt 1. zich voortaan ook konden uitstrekken tot de handel in en met andere Oosterse landen. In 1909 werd statutair de handel in effecten voor eigen rekening en voor rekening van derden mogelijk gemaakt. In 1929 werd de redactie van de statutaire doelstellingen vrij ingrijpend gewijzigd:

  1. het uitoefenen van het bankiers- en kassiersbedrijf, het doen van finantieele operaties, het voeren van beheer en toezicht over vermogens en bedrijven, het optreden als trustee;
  2. het drijven van en het deelnemen in ondernemingen van welke aard ook, daaronder begrepen die van landbouw, handel en nijverheid;
  3. het drijven van handel in producten, goederen en effecten;
  4. het verrichten van daden van koophandel in den ruimsten zin;
  5. alles zoo voor eigen rekening als voor rekening van of in gemeenschappelijke rekening met derden.

In de laatste statuten van 30 april 1962 werden aan punt 1. nog het deelnemen in syndicaten en consortiën toegevoegd, en als extra punt het bezorgen van assurantiën.

Organisatie van de bank

De eigendom van de onderneming lag, zoals een naamloze vennootschap eigen, bij de aandeelhouders. Zij kwamen gewoonlijk eens per jaar bijeen in een algemene vergadering; slechts in uitzonderlijke gevallen vond een extra bijeenkomst plaats, niet voor niets als buitengewoon aangeduid. Het stemrecht en de bevoegdheden en verplichtingen van de aandeelhouders waren statutair geregeld. De aandelen waren aan toonder. Pas de statuten van 1962 geven ook de mogelijkheid van aandelen op naam. Het statutair vastgelegde maatschappelijk kapitaal van de vennootschap groeide van ƒ 12.000.000,- in 1863 tot ƒ 99.000.000,- in 1962.

De maatschappij stond onder toezicht en controle van een raad van commissarissen. Deze bestond aanvankelijk uit minimaal zes en maximaal vijftien leden, vanaf 1903 uit minstens zes en maximaal twaalf leden en vanaf 1962 uit in ieder geval drie leden. De raad benoemde uit zijn midden een voorzitter en plaatsvervanger, alsmede uit of buiten zijn midden en secretaris. Commissarissen werden telkens voor een bepaalde periode benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Tot 1903 dienden drie commissarissen gevestigd te zijn in Batavia om toezicht te houden op het hoofdagentschap. Vanaf 1903 kon de raad zich daar laten vertegenwoordigen voor een gedelegeerde. Vanaf 1929 wordt de gedelegeerde in de statuten niet meer genoemd. Wel kreeg de raad toen de mogelijkheid zich bij het toezicht op de boekhouding en voor de controle op de jaarlijkse balans en resultatenrekening te laten bijstaan door deskundigen van buiten.

Het bestuur van de onderneming was opgedragen aan een directie. Deze bestond bij aanvang statutair uit drie personen, vanaf 1873 uit twee of drie personen, vanaf 1903 uit één of meer personen en van 1962 uit tenminste drie personen. Directieleden werden gedurende het gehele bestaan van de onderneming benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, uit een voordracht door de raad van commissarissen van twee kandidaten. De benoeming gold voor vijf jaar. Een nadere bepaling was dat zij Nederlander moesten zijn. Aanvankelijk gold dat ieder directielid in het bezit moest zijn van 50 aandelen, vanaf 1908 gold een voorgeschreven bezit van nominaal ƒ 10.000,- aan aandelen. In de statuten van 5 juni 1929 is deze voorwaarde verdwenen en vervangen door een aandeel in de winst.

De statuten omschrijven de werkzaamheden van de directie aanvankelijk erg globaal: zij vertegenwoordigt de Maatschappij in (en buiten) regten. Zij is bevoegd tot alle handelingen, die tot den werkkring der Maatschappij behooren binnen de grenzen dezer Statuten. Nadere uitwerking van zowel de bevoegdheden als de plichten van de directie vond plaats in aparte reglementen van orde van 1874 en 1903. Pas in de statuten van 5 juni 1929 worden de taken van de directie uitgebreider beschreven. Artikel 10 behandelt de zaken waarover de directie zelfstandig beslist, zoals het beheer van het vermogen van de bank, het aangaan van dadingen en het verrichten van andere daden van eigendom. Artikel 11 behandelt de zaken waarvoor de directie goedkeuring nodig heeft van de raad van commissarissen, met name het aangaan van diverse overeenkomsten en het verkrijgen van volgestorte aandelen in het maatschappelijk kapitaal van de bank.

Met ingang van 1 juli 1957 werden van het Directiesecretariaat te Amsterdam drie directoraten afgesplitst, te weten het Directoraat Algemene Zaken (DIRAZ), het Directoraat Kantoren Nederland (DIRNED) en het Directoraat Kantoren Azië (DIRAZ). Elk directoraat had een eigen directeur met de titel van onderdirecteur.

Hoofdagentschap te Batavia/Jakarta en agentschappen

De hoofdagent werd benoemd door de directie, onder goedkeuring van de commissarissen. De agenten werden benoemd door de hoofdagent onder goedkeuring van de directie in Nederland. De bevoegdheden en plichten van de hoofdagent en agenten waren vastgelegd in instructies. Hierin was onder meer bepaald 1e dat de hoofdagent ondergeschikt was aan de directie te Amsterdam en het beheer der zaken voerde overeenkomstig de uit Amsterdam ontvangen voorschriften, 2e dat de hoofdagent toezicht hield op de agentschappen, 3e dat de hoofdagent werd bijgestaan door een adjunct met de titel agent, 4e dat de hoofdagent en de agenten een bepaald aantal aandelen in bezit moesten hebben en dat zij net als de directie niet voor eigen rekening mochten handelen en 5e dat de hoofdagent de agenten aanstelde, de samenstelling van het personeel regelde en verantwoordelijk was voor de keus en inrichting van de kantoren.

Van de hoofdagent en agenten werd ook verwacht dat zij initiatieven ontplooiden tot verdere bloei van de bank. Uitdrukkelijk werd bepaald dat zij zo veel mogelijk informatie moesten verzamelen ten aanzien van potentiële relaties en die relaties ook regelmatig moesten bezoeken. Van alle activiteiten moest verslag worden uitgebracht aan de directie te Amsterdam (zie hiervoor de brievenseries Algemeen Beheer, Geheim en Vertrouwelijk\Confidentieel).

De organisatie van het hoofdagentschap te Batavia was vanaf zeker moment gesplitst in een hoofdagentschap met eigen secretariaat (algemeen toezicht en inspectie; vertegenwoordiging van directie te Amsterdam; correspondentie met Amsterdam; personeelszaken; informeren Amsterdam over situatie in Indië) en een afzonderlijk agentschap voor de bedrijfsvoering (onder meer effectenzaken, wisselzaken, productenzaken en beleningen, controle, algemene zaken als kasbeheer en boekhouding van het kantoor te Batavia).

In 1956 vond een organisatorische wijziging plaats, waarbij de naam hoofdagentschap veranderde in Directoraat Indonesië, onder leiding staand van een directeur (DIDIND) als gedelegeerde van de directie te Amsterdam. De oude taakverdeling bleef echter globaal dezelfde. De directeur diende zich op de hoogte te houden van de gang van zaken in het bedrijf, er op toe te zien dat de bedrijfsvoering gedaan werd volgens de gegeven richtlijnen en te rapporteren aan de directie te Amsterdam over problemen, ontwikkelingen en tendensen op allerlei gebied. Hij had een bureau tot zijn beschikking dat zich bezig hield met het bestuur van de bank, de bedrijfspolitiek, de bedrijfsorganisatie en de sociale zorg, de ontwikkeling van goede contacten buiten de bank, de verzameling van documentatiemateriaal, de planning voor bouwzaken en personeelszaken. Een hoofdagent (HADIND) was nu verantwoordelijk voor het dagelijks beheer van het bankbedrijf. Hij was tevens plaatsvervanger van de DIDIND.

In ieder geval vanaf 1937 bestond een rayon Soerabaja, waaronder de agentschappen, Cheribon, Tegal, Pekanlongan, Semarang, Tjilatjap, Probolinggo en Ampenan ressorteerden, alsmede het veem- en afscheepbedrijf. De organisatie van het agentschap te Soerabaja kwam overeen met die te Batavia.

Lijst van kantoren en agentschappen
Nederland en Groot-Brittanië
Amsterdam, hoofdkantoor1863-1963
Den Haag, bijkantoor1904-1963
Rotterdam, bijkantoor1925-1961
Londen (Groot-Brittanië), vertegenwoordiging1923-1961
Indonesië
Ampenan (Lombok), agentschap en afscheepkantoor1911-1957
Bandjermasin (Borneo), agentschap1936-1959
Bandoeng (Java), agentschap1904-1959
Banjoewangi (Java), agentschap en afscheepkantoor1939-1958
Batavia/Jakarta (Java), hoofdkantoor voor Azie1864-1959)
Batavia-Centrum/Jakarta-Gambir (Java), agentschap1936-1959
Besoeki (Java), afscheepkantoor1911-1917
Cheribon (Java), agentschap en afscheepkantoor1913-1957
Gorontalo (Celebes), agentschap1920-1942
Indramajoe (Java), agentschap1900-1920
Jambi (Sumatra), agentschap1936-1959
Kaliboentoe (Java), afscheepkantoor1914-1917
Makassar (Celebes), agentschap1918-1958
Malang (Java), agentschap1938-1959
Medan (Sumatra), agentschap1914-1959
Menado (Celebes), agentschap1918-1942
Palembang (Sumatra), agentschap1920-1959
Pasoeroean (Java), agentschap en afscheepkantoor1926-1942
Pekalongan (Java), agentschap en afscheepkantoor1913-1942
Pontianak (Borneo), agentschap1936-1959
Probolingo (Java), agentschap en afscheepkantoor1911-1959
Semarang (Java), agentschap1865-1866; 1875-1959
Soerabaja (Java), agentschap1865-1959
Tandjong Balei (Sumatra), agentschap1939-1942
Tasikmalaya (Java), correspondentschap1938-1942
Tegal (Java), agentschap en afscheepkantoor1913-1957
Telok Betong (Sumatra), agentschap1924-1959
Tjilatjap (Java), agentschap en afscheepkantoor1912-1942
Weltevreden (Java), agentschap1900-1936
Overig Azië en Australië
Amoy (Xiamen China), agentschap1924-1949
Bangkok (Thailand), agentschap1949-1963
Bombay (India), agentschap1920-1953
Calcutta (India), agentschap1920-1953
Hongkong, agentschap1906-1963
Kobe (Japan), agentschap1920-1958
Manila (Filipijnen), agentschap1937-1949
Melbourne (Australië), vertegenwoordiging1942
Osaka (Japan), agentschap1949-1963
Shanghai (China), agentschap1919-1950
Singapore, agentschap1901-1964
Swatow (Shantou, China), agentschap1924-1928
Tokio (Japan), agentschap1926-1963
Yokohama (Japan), agentschap1926-1931
Verenigde Staten en Canada
Montreal (Canada), hoofdkantoor Mercantile Bank of Canada1953-1964
New York (USA), vertegenwoordiging1940-1963
Toronto (Canada), kantoor Mercantile Bank of Canada1955-1964
Vancouver (Canada), kantoor Mercantile Bank of Canada1954-1964
Lijsten van directeuren en hoofdagenten
Directeuren
F. van Heukelom, president-directeur1863-1872
R. Browne1863
G.J. de Clercq1863-1883
Js. Martens1864-1867
A.R.J. Cramerus1868-1887
I.J. van Santen1883-1896
M. Bock1887-1903
H.D. Kramer1889-1890 en 1896-1898
Th.J. van Haren Noman1898-1917
W.F. van Heukelom1902-1903
H.G. Schadd1908-1921
G.H. de Marez Oijens J.Czn.1914-1925
C. Wolderingh1921-1935
G.A. Dunlop1922-1961
C.P. van Eeghen1925-1950
T.L. Leuftink1935-1951
R.N. Bär von Hemmersweil, te Batavia1940-1942
C. Stigter, te Londen1942-1945
C.J. Endert1948-1961
H.J. Knottnerus1950-1965
H.E. Moquette1951-1956
A.J. d'Ailly1957-1960
C.F. Karsten1961-1965
P. Plantenga1961-1965
H.N. Wakkie1962-1965
R.F. Roos1962-1965
H.J. Slingenberg1962-1965
Hoofdagenten, vanaf 1920 directeuren te Batavia/Jakarta
N.P. van den Berg1864-1873
I.J. van Santen1873-1880
H.P. van Heukelom1880-1889
C.A.Henny1890-1893
Th.J. van Haren Noman1893-1898
A.M. Schlüter1898-1903
H.J.G. Janssen van Raay1903-1906
J.F. Der Kinderen H.A.zn.1907-1913
H.E. Beuker1913-1917
C. Woldringh1917-1920
G.A. Dunlop1920-1921
E.J.H. van Delden1922-1925
T.L. Leuftink1923-1925
E.G.J. Gimbrère1925-1926
G.K.W.F. de Vaynes van Brakell Buys1926-1929
G.J. Jöbsis F.Fzn.1929-1938
R.N. Bär von Hemmersweil1939-1946
C.J. Endert1947-1948
H.J. Knottnerus1948-1950
H.E. Moquette1950-1951
J.C. Reinders Folmer1951-1956
G.P. Schütte, laatste directeur1956-1958
H.J.M. Zeegers, hoofdvertegenwoordiger1959

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in